3. toelichting bestemmingsplan Houterhof (2024-59)
Tekst van het document
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de
26
instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Vonk groenservice (d.d. 22-02-2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Soortenbescherming Er is geen potentieel functioneel leefgebied en er geen nesten aangetroffen of te verwachten zijn voor jaarrond beschermde vogels. Algemene broedvogels kunnen de elzenhaag in het riet mogelijk als broedplaats gebruiken. Voorafgaand aan eventuele werkzaamheden in/aan de watergangen zal een check plaats moeten vinden naar eventuele broedgevallen. Bij een aangetroffen broedgeval dient het werk gestaakt te worden totdat het nest verlaten is of er dient een deel van het terrein afgezet te worden om het nest te sparen en zo verstoring te voorkomen. De terreinomstandigheden op de locatie zijn niet geschikt voor beschermde soorten vaatplanten, deze zijn dan ook niet te verwachten. In en dichtbij de watergangen kunnen amfibieën en vissen aanwezig zijn. Tijdens eventuele werkzaamheden aan de watergang of op de oevers, dient hier rekening mee gehouden te worden door rustig en vanuit één richting te werken, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
Door het ontbreken van onder andere ondiepe waterpoelen en vergraafbaar zand op het terrein is deze locatie ongeschikt voor de (beschermde) rugstreeppad. Door het ontbreken van holen en scheuren in bomen is het uitgesloten dat er verblijfplaatsen kunnen zijn ten behoeve van vleermuizen in de bomen op het terrein. De elzenhaag dichtbij, evenwijdig langs de Houterweg is mogelijk onderdeel van een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Door verwijdering van de elzenhaag (of delen daarvan) zou een essentiële vliegroute verstoort kunnen worden. Echter de elzenhaag is significant lager dan naast gesitueerde laanbomen. De laanstructuur eindigt halverwege de haag. Door het hoogteverschil van de bomen ten opzichte van de haag en omdat de laanbomen iets verder dan de te realiseren inrit eindigen, zal, omdat de haag geen onderdeel uitmaakt van
27
het lijnvormig landschapselement (in dit geval de laanbomen), de realisatie van de inrit geen negatief effect opleveren voor de eventuele essentiële vliegroute. De slootkanten langs het terrein kunnen mogelijk gebruikt worden om langs te verplaatsen door onder andere marterachtigen. Het terrein is ongeschikt als verblijfplaats voor deze soorten. Het is waarschijnlijk dat in het terrein de egel voorkomt. Deze algemeen voorkomende soort is vrijgesteld. Werkzaamheden kunnen in principe plaats vinden, rekening houdend met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ligt op ruim 20 km afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten niet te verwachten. Ter verificatie is een stikstofdepositieonderzoek middels AERIUS-berekeningen uitgevoerd. In dit onderzoek is gekeken naar de aanlegfase en de gebruiksfase. De woningen worden gasloos gebouwd en hebben daardoor geen uitstoot. Zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase zijn er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er vindt geen depositie plaats in één of meerdere Natura 2000-gebieden. De werkzaamheden vinden op ruime afstand plaats van beschermde natuurgebieden. Hierdoor zijn door de werkzaamheden geen negatieve effecten zijn te verwachten op de deze gebieden.
Wegens de aard en omvang van het beoogde plan zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig. Gezien de aard en omvang van de beoogde plannen zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Te allen tijde dient rekening gehouden te worden met de Algemene Zorgplicht.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
28
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Er is daarom gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Uit raadpleging van het geldende bestemmingsplan blijkt dat het plangebied grenst aan een perceel waar een agrarisch bedrijf mogelijk is, gelegen aan de Houterweg 4. Woon- en leefklimaat Voor de vraag of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat van de beoogde woningen kan aansluiting worden gezocht bij de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor de locatie aan de Houterweg 4 kan, gelet op de bedrijfsvoering in het verleden en de kenmerken van het bedrijfsperceel, uitgegaan worden van een akker- en tuinbouwbedrijf, dat tot milieucategorie 2 behoort. De ligging van de planlocatie kan aangeduid worden als gemengd gebied, gezien de matige functiemenging (lintbebouwing in het buitengebied met afwisselend (agrarische) bedrijven en woningen).
In een gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 m, voor de betreffende milieucategorie 2. Er wordt voldaan aan deze richtafstand tussen de grens van de inrichting en de woningen. De bouwvlakken waarbinnen de beoogde woningen gebouwd mogen worden liggen op minimaal 10 m afstand van de grens van de inrichting. In de huidige situatie is het bedrijf aan de Houterweg 4 echter gestopt en vinden er geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. Er is op dit moment sprake van het hobbymatig houden van paarden waarbij een paardenbak en mestopslag aanwezig zijn op dit perceel. Volgens de VNG-publicatie geldt bij een paardenhouderij voor de aspecten geluid en stof een richtafstand van 30 m. Zoals eerder aangegeven kan de ligging van planlocatie worden aangeduid als gemengd gebied en kan de richtafstand worden verlaagd tot 10 m voor beide aspecten. De paardenbak is op minimaal 30 m afstand van de beoogde woningen gelegen (zie navolgende afbeelding en bijlagen bij toelichting bijlage 8), waardoor voldaan wordt aan de richtafstand voor stof en geluid. Voor het aspect geur dient, volgens de VNG-publicatie, rekening gehouden te worden met een afstand van 30 m bij een (bedrijfsmatige) paardenhouderij in een gemengd gebied. De paardenbak, die hobbymatig gebruikt wordt, wordt niet als een dierenverblijf beschouwd.
De mestopslag is op minimaal 55 m afstand van de beoogde woningen gelegen en wordt tevens deels afgeschermd door de bestaande bebouwing aan de Houterweg 4 (zie navolgende afbeelding en bijlagen bij toelichting bijlage 8). Gelet op het aantal paarden (< 5 paarden) dat in het gebouw aan de noordzijde wordt gehouden en de aard en de omvang van de activiteiten is er geen sprake van een inrichting, maar van het hobbymatig houden van paarden (< 5 paarden). De afstandsnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn daarmee niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect geur wel beschouwd te worden in relatie tot het houden van paarden. De afstand van het gebouw waar de paarden worden gehouden tot de woningen is minimaal 10 m. Gezien de ligging in het buitengebied, de behoefte naar woningen en het karakter van het beoogde woonconcept, wordt deze afstand aanvaardbaar geacht. Gelet op het voorgaande zal er voor het aspect geur sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Tot slot kan lichthinder een rol spelen bij het (hobbymatig) houden van paarden. In het onderhavige geval is er echter geen verlichting aanwezig rondom de paardenbak en die zal ook niet aangelegd worden.
29
Activiteiten Houterweg 4 (bron: Breg + Breg bouwkundig ontwerpers)
Planologische mogelijkheden Daarnaast is het belangrijk om na te gaan of milieubelastende activiteiten (agrarische bedrijven) beperkt worden in hun mogelijkheden. Op de locatie aan de Houterweg 4 is de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering mogelijk. Hieronder wordt 'een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van de agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegrond tuinbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven' verstaan. De richtafstand van 10 m voor een akker- en tuinbouwbedrijf in gemengd gebied is niet van toepassing op alle toegestane bedrijfsactiviteiten. Voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden geldt op basis van de gemeentelijke geurverordening een afstandsnorm van minimaal 25 m tussen het dierverblijf en een geurgevoelig object (o.a. woningen) buiten de bebouwde kom. Hieraan wordt niet voldaan. Daarnaast zijn er geen bestaande (geur)gevoelige objecten op een kleinere afstand aanwezig/toegestaan, waarmee de mogelijkheden, uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden, worden beperkt als gevolg van het plan.
Akoestisch onderzoek In aanvulling op het bovenstaande is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door BK bouwen milieuadvies d.d. 25-03-2022 (zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidniveaus ten gevolge van de twee bedrijven (Houterweg 3 en 4) ter plaatse van de gevels van het planvoornemen. Houterweg 3 De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter plaatse van de te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 43 dB(A) in de dagperiode, 25 dB(A) in de avondperiode en 21 dB(A) in de nachtperiode. De maximale geluidniveaus ter plaatse van de te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 69 dB(A) in de dagperiode, 60 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. In de dag-, de avond- en de nachtperiode wordt voldaan aan de VNG-normstelling en het Activiteitenbesluit. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.
30
Houterweg 4 De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter plaatse van de te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 41 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. De maximale geluidniveaus ter plaatse van de te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 62 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 56 dB(A) in de nachtperiode. In de dag-, de avond- en de nachtperiode wordt voldaan aan de VNG-normstelling en het Activiteitenbesluit. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Drift gewasbeschermingsmiddelen Het is thans toegestaan om op de agrarische gronden in de omgeving van het plangebied gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van de mensen in de omgeving. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen.
Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Deze afstand is echter indicatief. Hier kan gemotiveerd van afgeweken worden. Hierbij dient de afstand en situatie dusdanig te zijn, zodat sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie. De gronden ten westen en oosten van het plangebied hebben een agrarische bestemming, waarbinnen volgens het geldende bestemmingsplan teeltvormen mogelijk zijn waarbij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. Het feitelijke gebruik betreft een weide voor dieren zoals schapen en paarden. De omvang van het perceel aan de westzijde is beperkt, namelijk circa 30 m breed. Daarnaast is de bereikbaarheid van het perceel direct ten westen van het plangebied voor landbouwvoertuigen matig. Gelet hierop is het op een dergelijk perceel niet mogelijk om bedrijfsmatig akker- en vollegrondstuinbouw, glastuinbouw of sier-, fruiten bollenteelt plaats te laten vinden. Het voorzetten van het huidige gebruik als weide ligt voor de hand.
Dit wordt bevestigd door de eigenaar van de gronden aan de westzijde, die verklaart dat er geen gewassen verbouwd gaan worden waarbij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. Bij de uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524) gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in op de vraag of rekening gehouden moet worden met agrarische gronden, waar het geldende bestemmingsplan de teelt van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt niet uitsluit, in de nabijheid van gronden waar woningbouw mogelijk gemaakt wordt. De Afdeling nam daartoe in aanmerking dat er geen concreet voornemen kenbaar was gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen naar een teeltvorm waar wel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Mede daardoor kwam de Afdeling tot de conclusie dat verandering van het bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk is dat de raad in redelijkheid geen rekening had hoeven te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden.
Om te borgen dat het wijzigen van het feitelijke gebruik naar een teeltvorm waarbij wel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet mogelijk is binnen 50 m van de nieuwe spuitgevoelige bestemmingen ('Tuin' en 'Wonen'), is er aan deze gronden de aanduiding opgenomen 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - gewasbeschermingsmiddelen' toegekend. In de regels is opgenomen dat het niet is toegestaan om op deze gronden gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, waarvan onder voorwaarden afgeweken kan worden. Daarnaast is in de huidige situatie binnen het plangebied een boomgaard aanwezig. Deze boomgaard zal met de planontwikkeling gedeeltelijk behouden blijven voor hobbymatig gebruik en dienen als gemeenschappelijke (moes)tuin. Van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal echter geen sprake (meer) zijn voor de gronden binnen het plangebied.
31
Gezien het voorgaande is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de aangegeven zone van 50 m uitgesloten en vormt drift van gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatsen van de nieuwe spuitgevoelige bestemmingen. Conclusie Gezien het voorgaande vormen milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
32
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.
Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
33
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, of transportroutes aanwezig zijn. Wel ligt er ten noorden van het gebied een aardgasbuisleiding van de Gasunie. Deze ligt op circa 50 m afstand van het plangebied en op minimaal 80 m van de woningen. Deze leiding heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m. Het invloedsgebied van groepsrisico bedraagt 140 m. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van het groepsrisico. In 2018 is in het kader van het bestemmingsplan 'Reigersborg Zuid V' onderzoek gedaan naar het groepsrisico ('Externe Veiligheid, Ontwikkeling woon- en recreatieruimte Hoogkarspel’, projectnr. 183714, d.d. 4 oktober 2018). Uit dit onderzoek bleek dat naar aanleiding van de ontwikkeling het groepsrisico van deze aardgasleiding meer dan 1000 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Tevens neemt het groepsrisico niet toe. De toename van de bevolking in de onderzochte situatie is hoger dan voor het voorliggende plan. De locaties zijn ten opzichte van de buisleiding voldoende vergelijkbaar. Door de onderhavige ontwikkeling neemt de bevolking beperkt toe en daarmee neemt het groepsrisico ook beperkt toe. Echter zal dit niet leiden tot een significante toename van het groepsrisico. Daarnaast zijn de personen binnen de planlocatie
34
voldoende zelfredzaam en bestaat er voldoende mogelijk om te vluchten in tegenovergestelde richting van de aardgasleiding. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNHN) heeft als volgt geadviseerd over het voorliggende plan. Een aantal woningen ligt in het invloedsgebied van de hogedrukaardgastransportleiding. Het plan beïnvloed de omvang van een eventuele ramp in geringe mate. VRNHN is voorbereid op het bestrijden van de gevolgen van een brand of ramp ten gevolge van een fakkelbrand nabij het plangebied. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Cultuurhistorie en archeologie 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De Westerwijzend is een binnenwaterkerende dijk van historisch-geografische waarde. De dijk loopt dwars op de verkaveling en is waarschijnlijk in de loop van de 12e eeuw aangelegd. Vanwege de hogere ligging werden dergelijke kaden vaak als weg gebruikt en ook nu nog is de dijk als weg herkenbaar. Ook fungeerden deze dijken vaak als bewoningsas, zoals bij de Westerwijzend. De Westerwijzend is als bewoningsas ook een historisch lint, dat wordt gekenmerkt door een licht kronkelig verloop en een beperkte wegbreedte met de voorgevels van bebouwing vaak dicht op de weg. Langs de cultuurhistorische linten staan woonhuizen en (voormalige) boerderijen in de vorm van karakteristieke stolpen. Soms staat achter de woning/stolp bedrijfsbebouwing.
De ontwikkeling van woningen in de boomgaard is een ontwikkeling die passend is bij de cultuurhistorische structuur doordat het grotendeels gerealiseerd wordt achter de bestaande woningen aan de Westerwijzend. Dit lijkt deels op de aanwezige bedrijfsbebouwing achter woningen/stolpen aan dit lint. Daarnaast wordt de bestaande houtwal die het gebied afschermt behouden en versterkt met extra aanplant. Op deze manier worden de nieuwe woningen in een beschut gebied gerealiseerd, en niet in het open landschap wat vaak voorkomt achter de lintbebouwing. 4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd.
Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
35
Planspecifiek Door Archeologie West-Friesland is een archeologische quickscan uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit deze quickscan blijkt dat binnen het plangebied, op basis van de bodemkaart en archeologisch onderzoek dat is uitgevoerd in de omgeving, een middelhoge tot hoge verwachting geldt voor de Bronstijd. Op basis van de middelhoge verwachting geldt een vrijstellingsgrens van 2.500 m² en voor het deel met de hoge verwachting een vrijstellingsgrens van 1.000 m². In het noorden van het plangebied ligt een gedeelte waar een hoge archeologische waarde voor de Late Middelleeuwen en Nieuwe Tijd geldt. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m² aan verbonden. Op basis van historisch kaartmateriaal kan de hoge archeologische waarde voor de Late Middelleeuwen en Nieuwe Tijd binnen het plangebied naar beneden worden bijgesteld. Op basis van de gebruikte bodemkaart en het feit dat er binnen het plangebied geen ingrijpende verkavelingswerkzaamheden uitgevoerd zijn kunnen de middelhoge en hoge archeologische verwachting voor de Bronstijd binnen het plangebied gehandhaafd blijven. De verschillende verwachtingswaarden zijn vertaald in archeologische dubbelbestemmingen. In totaal is de ontwikkeling van bebouwing circa 1692 m² groot, maar wel verspreid over het plangebied en de verschillende verwachtingswaarden.
Daarnaast zijn de werkzaamheden behorende bij dit plan aan te merken als bodemverstorend en niet archeologie vriendelijk. Het is daarom nodig om in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek In het plangebied worden in het voorgenomen plan 12 woningen gerealiseerd, één vrijstaande beheerderswoning en 11 woningen voor ouderen. Type woning
Aantal woningen
Koop, vrijstaand huur, huis, sociale huur Huur, huis, vrije sector Totaal
1 2 9
Kengetal verkeersgeneratie rest bebouwde kom 7,8 - 8,6 5,2 - 6,0 7,0 - 7,8
Verkeersgeneratie
7,8 - 8,6 10,4 - 12,0 63,0 - 70,2 81,2 - 90,8
In totaal heeft de ontwikkeling een verkeersgeneratie tot gevolg van maximaal 90,8 motorvoertuigen per etmaal. Dit is een beperkte toename ten opzichte van de huidige situatie. De Houterweg zou deze verkeersgeneratie moeten kunnen verwerken.
36
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Voor het parkeren in het plangebied worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 aangehouden. Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'. In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor het aantal parkeerplaatsen dat nodig is in het plangebied. type woning
aantal woningen
parkeernorm rest bebouwde kom
aantal parkeerplaatsen
koop, huis, vrijstaand
1
1,9 - 2,7
1,9 - 2,7
huur, huis, sociale huur
2
1,2 - 2,0
2,4 - 4,0
huur, huis, vrije sector
9
1,6 - 2,4
14,4 - 21,6
totaal
12
18,7 - 28,3
De initiatiefnemer zal, gelet op de doelgroep, op eigen terrein 19 parkeerplaatsen aanleggen. Dit is het aantal parkeerplaatsen dat benodigd is als het minimum van de bandbreedte uit CROW-publicatie 381 wordt gevolgd.
4.11 Trillingen De vloeibaarheid van trillingen is ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen van belang. Deze locaties zijn gevoelig voor trillingen omdat mensen hier voor een langere periode verblijven. Een trilling van een passerend voertuig op de weg of spoorbaan plant zich voort via de bodem naar een bouwwerk. Als de trilling sterk genoeg is kan een bouwwerk in trilling worden gebracht. Voor bewoners kunnen deze trillingen voelbaar zijn doordat de draagconstructie/fundering van een pand de trillingen doorgeeft aan de vloer van de woning die hierdoor meetrilt. Over het algemeen zijn trillingen voelbaar op hogere verdiepingen en kunnen een gevoel van angst en/of ongemak veroorzaken. Ook kunnen trillingen leiden tot slaapproblemen. In buitenruimtes is dit minder van belang, om deze reden wordt hinder over het algemeen bepaald voor binnenruimtes. De mate van hinder door spoortrillingen is afhankelijk van meerdere factoren:
• • • •
De eigenschappen van het trillingssignaal (frequentie en sterkte), per treintype verschillend. Het aantal trillingen ofwel het aantal treinpassages. Het tijdstip waarop de trillingen voorkomen. De richting waarop de trillingen optreden (horizontaal/verticaal).
Daarnaast zijn de eigenschappen van een gebouw van belang en de ligging ten opzichte van het spoor. Daarnaast kunnen het ontwerp en de kwaliteit van het spoor en het hierop rijdende materieel van invloed zijn op de trillingsbelasting op een gebouw, de bodemopbouw tussen de bron en ontvanger en het type
37
fundering en gebouwconstructie. De trillingssterkte wordt uitgedrukt in de zogenoemde maximale effectieve trillingssnelheid Vmax, eff. Trillingen op het pand worden getoetst aan de eisen zoals opgenomen in de SBR-richtlijn A. De meet- en beoordelingsrichtlijn A, 'Schade aan bouwwerken' bevat richtlijnen voor het meten en beoordelen van schade aan gebouwen en bouwwerken. De richtlijn maakt onderscheid in de constructiewijze en de staat van het bouwwerk. De meet-en beoordelingsrichtlijn B, 'Hinder voor personen in gebouwen' bevat richtlijnen voor meten en beoordelen van hinder voor personen. De richtlijn maakt onderscheid in de functie van het gebouw, aard van de trillingsbron en in bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties. Planspecifiek De planlocatie ligt ten zuiden van Hoogkarspel, aan de zuidzijde van de spoorbaan Hoorn - Enkhuizen. De 11 woningen voor 55-plussers zijn voorzien op circa 130 meter vanaf het spoor en zullen uit een woonlaag met kap bestaan. Op 95 meter tot aan de meest nabijgelegen spoortstaaf is tevens een beheerderwoning voorzien, deze zal uit twee bouwlagen bestaan. In de toekomstige situatie ligt een deel van de beheerderswoning binnen de aandachtszone (<100 meter) van de spoorlijn. Om deze reden is er een risicoen kansenanalyse spoortrillingen uitgevoerd door BK Bouw- en Milieuadvies d.d. 07-02-2022 (bijlagen bij toelichting bijlage 4).
Op basis van toetsing van de meetresultaten aan de normering uit de SBR-A, gecorrigeerd voor meetstrategie ‘indicatief’ en type trillingen ‘continu’, voor gebouwcategorie 2 kan worden geconcludeerd dat de kans op schade aan de bebouwing door spoortrillingen verwaarloosbaar klein is (<1%). De toetsing aan de grenswaarden uit de SBR-A is worst-case uitgevoerd met de meetresultaten op 60 meter vanaf de spoorbaan en voor gebouwcategorie 2. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat de mate van hinder door spoortrillingen voor de bewoners/gebruikers van de nieuw te bouwen woningen voldoen aan het gestelde in de meet- en beoordelingsrichtlijn SBR-B. De berekening is met conservatieve waarden uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met enige mate van onzekerheid. Bij het bepalen van de correctiefactoren is uitgegaan dat de nieuwbouw wordt voorzien van een betonnen fundering op palen. Aanvullend onderzoek naar hinder door spoortrillingen ten behoeve van het betreffende planvoornemen is niet noodzakelijk.
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
39
5.4 Wijze van bestemmen De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Drechterland. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende bestemmingsplannen. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Administratieve bepaling De administratieve bepaling van artikel 3 is van toepassing op de gronden met de aanduiding 'overige zone administratieve bepaling', die is opgenomen voor de agrarische gronden rondom de spuitgevoelige bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan. Dit artikel vormt een aanvulling op het geldende planologische regime zoals dat vastgelegd is in het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011', vastgesteld op 25 maart 2013 door de raad van de gemeente Drechterland, en het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011, herziening 2014', vastgesteld op 24 november 2014 door de raad van de gemeente Drechterland. Met artikel 3 is geregeld dat, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten gewasbeschermingsmiddelen', tot een strijdig gebruik met de daar voorkomende bestemming(en) wordt gerekend het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Van dit verbod kan afgeweken worden, indien aangetoond is dat dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven. In deze afweging kunnen driftafschermende voorzieningen betrokken worden. Groen De gemeenschappelijke boomgaard heeft de bestemming ‘Groen’. De bestemming is toegepast op het deel van terrein waar het groene karakter van structurele waarde is voor de beeldkwaliteit van het plangebied en waar zeer beperkt gebouwd mag worden. Tuin Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde delen van het erf, te weten de ruimte tussen de 11 woningen in het zuidelijk deel van het plangebied, te beschermen, is de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. Bebouwing is binnen de bestemming in beperkte mate toegestaan. Het gaat dan om bebouwing die in samenhang met het woonhuis wordt gerealiseerd, zoals erkers, balkons en dergelijke. Daarentegen is om incidentele gebouwen in de tuinbestemming toe te staan, de mogelijkheid geboden om in totaal 40 m² aan gebouwen te bouwen. Dit is bedoeld voor de realisatie van een kas en een fietsenstalling. Wonen De woonbestemmingen hebben betrekking op woonhuizen met hun aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Bijbehorende achtertuinen, -erven en -terreinen zijn ook onder deze bestemming gebracht.
Binnen de bebouwingsbepalingen voor deze bestemmingen is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en aan- en uitbouwen en bijgebouwen anderzijds. Het hoofdgebouw is het belangrijkste bouwwerk op het perceel, niet alleen qua bestemming maar ook qua bouwmassa. Daarnaast worden bijgebouwen gezien als bouwwerken die ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan in die zin zowel vrijstaand als aangebouwd worden gerealiseerd. De bouwhoogte van de bijgebouwen buiten het bouwvlak is hoger dan de gemeentelijke standaard. Dit wordt passend geacht omdat slechts bij de woning aan de noordzijde van het perceel bijgebouwen buiten het bouwvlak mogelijk zijn. De rest van de woningen heeft immers een woonbestemming die direct op de gevels aansluit. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Tevens is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van het gebruik van hoofdgebouwen voor zorgwoningen. Daarbij kunnen tevens bijbehorende (gemeenschappelijke) voorzieningen als woonkamers, keukenfaciliteiten, recreatie- en verpleegruimten en dagverblijven vergund worden.
De voorwaarden voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid bestaan uit het aantal zorgwoningen (maximaal 24), het niet toenemen van de bebouwingsmogelijkheden, het aantonen van de behoefte, voldoende parkeergelegenheid en geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
40
Waarde - Archeologie 1 t/m 3 De bestemmingen 'Waarde - Archeologie 1 t/m 3' worden gehanteerd voor die delen van het plangebied, die op basis van het archeologisch vooronderzoek (mogelijk) archeologische waarden bevatten. Bij bodem ingrepen geldt het volgende:
•
Waarde - Archeologie 1 Bij alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én groter dan 100 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
•
Waarde - Archeologie 2 Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 1.000 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
•
Waarde - Archeologie 3 Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 2.500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
41
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het initiatief heeft plaats voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De kosten voor de gemeente worden op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve hiervan wordt een overeenkomst met de gemeente gesloten. Het ruimtelijk plan is financieel uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.2.2 Participatie Het initiatief is op een informatieavond door de initiatiefnemers met de omwonende besproken. Dit is gedaan aan de hand van een presentatie waarin de stappen zijn doorlopen die de initiatiefnemers hebben genomen om te komen tot het plan dat als principeverzoek is ingediend bij de gemeente (en wat is goedgekeurd door de provincie, regio en gemeente). De omwonenden hebben op deze avond positief gereageerd op het plan, waarbij er nog enkele vragen werden gesteld. Zo werd er gevraagd of dat de haag rondom het perceel behouden blijft in verband met de
42
privacy voor de buren. De haag blijft behouden. Daarnaast werd er gevraagd naar het type woningen, of dit huur of koop woningen worden. Het worden huur woningen. 6.2.3 Vooroverleg Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Veiligheidsregio NoordHolland Noord. Net voor de periode van terinzagelegging is een reactie van PWN ontvangen. Hierin vraagt PWN aandacht voor het beschikbaar stellen van voldoende ruimte voor aan te leggen en bestaande leidingen. Deze ruimte dient vrij te zijn van obstakels als bomen, stekelige beplanting, 'gesloten' verharding en opslag. PWN verzoekt om hierover in overleg te treden. Bij de verdere uitwerking van het plan zal rekening gehouden met voldoende ruimte voor leidingen en zal overleg gevoerd worden met PWN. Verder vraagt PWN aandacht voor het feit dat in het vervolg, in overleg met de brandweer, onderzocht wordt of het PWN-distributienet, naast de drinkwatervoorziening voor de beoogde nieuwbouwwoningen, gebruikt kan worden als bluswatervoorziening. Als dit niet mogelijk is, dient naar een alternatieve bluswatervoorziening uitgezien te worden.
Tot slot mogen in het belang van de volksgezondheid in het plangebied geen gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die na aanleg van de leiding in het drinkwater terecht kunnen komen. Dit is in het onderhavige geval niet aan de orde. Tijdens de periode van terinzagelegging zijn er geen reacties van de vooroverlegpartners ontvangen. 6.2.4 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 1 augustus 2023 zal gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
43