CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

3. toelichting bestemmingsplan Houterhof (2024-59)

Gemeenteraad 16 december 2024, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Houterhof (2024-59)15.974 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

't Houterhof Gemeente Drechterland

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0498.BPtHouterhof-VG01

Datum:

2023-10-23

Contactpersoon Buro SRO:

Dhr. T.B. Wilde | Dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR210541

Opdrachtgever:

Breg + Breg bouwkundig ontwerpers

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskaders ........................................................................................................................................ 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18

4 Onderzoek .............................................................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 23 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.5 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 25 4.6 Ecologie ............................................................................................................................................................. 26 4.7 Bedrijven en milieuzonering..............................................................................................................................

28 4.8 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 32 4.9 Cultuurhistorie en archeologie .......................................................................................................................... 35 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 36 4.11 Trillingen ......................................................................................................................................................... 37

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 39 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 39 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 39 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 40

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 42 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 42 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 42

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de huidige boomgaard naast Houterweg 2 te Hoogkarspel 12 woningen te realiseren. Er worden 11 woningen gebouwd in de vorm van een woongroep voor 55plussers. Daarnaast wordt er een 'beheerderswoning' gerealiseerd. Op 23 maart 2021 heeft het college van B&W besloten medewerking te willen verlenen aan het initiatief, mits de ontwikkeling past binnen de regionale woningbouwafspraken. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, waarin de gronden de bestemming 'Agrarisch' hebben. Derhalve is een nieuw bestemmingsplan vereist. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hier in.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Hoogkarspel (gemeente Drechterland), tussen Houterweg 2 en Houterweg 4. De planlocatie ligt op korte afstand van de kern Hoogkarspel en het bestaande lint aan de Westerwijzend. Daarnaast is ook het station van Hoogkarspel dicht bij het plangebied gelegen. Tot het plangebied behoort tevens een deel van de agrarische gronden aan de westzijde van Houterweg 4 en oostzijde van de Houterweg, ter hoogte van Houterweg 3. Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied (bron: google.com/maps)

5

Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' en de herziening (2014) daarvan. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch' die slechts agrarisch grondgebruik toestaat. Om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) vastgesteld te worden. Onderstaande figuur toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011', plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Naast de enkelbestemming 'Agrarisch' geldt voor het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' en voor het noordelijke deel van het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone - spoor'.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie wordt het plangebied gebruikt als kleine boomgaard. Het perceel is, afgezien van de inrit, afgeschermd door een hoge windsingel met bomen waardoor er geen inkijk is. De boomgaard wordt goed onderhouden, maar de volledige potentie van het perceel wordt niet meer benut. Het perceel is volledig in gebruik als boomgaard, met rijen bomen die opgesteld zijn van noord naar zuid. Onderstaande afbeeldingen tonen een luchtfoto van de huidige situatie en een aanzicht vanaf de Houterweg, waarop de inrit en de bomen/windsingel die het perceel afschermen zichtbaar zijn. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk agrarische percelen. De direct aansluitende percelen zijn in gebruik als grasland, maar iets verder worden de percelen gebruikt voor het verbouwen van diverse gewassen. Het plangebied wordt verder ontsloten door percelen met een woonbestemming, gelegen aan het lint van de Westerwijzend. Daarnaast is er een horeca gelegenheid nabij gelegen op de kruising van de Houterweg en de Westerwijzend. Het station van Hoogkarspel is hemelsbreed op circa 220 meter gelegen en het centrum met winkels is op circa 700 meter afstand gelegen.

8

Luchtfoto plangebied (bron: google.com/maps)

Aanzicht plangebied vanaf de Houterweg (bron: google.com/maps)

9

2.2 Toekomstige situatie Onderhavig plan beoogt om het plangebied van boomgaard te transformeren tot een plek waar 55-plussers in een groene, rustige omgeving kunnen samenleven. Het plangebied is daarnaast op een locatie gelegen nabij diverse voorzieningen in het centrum van Hoogkarspel en het station van Hoogkarspel, wat de locatie geschikt maakt voor de doelgroep. In totaal zullen er 12 woningen worden gebouwd: 11 huurwoningen en één beheerderswoning. De 11 huurwoningen zijn verdeeld in verschillende prijsklassen, twee woningen vallen onder de liberalisatiegrens (sociale huur), vier vrijesectorwoningen in het middensegment (€ 900,- tot € 1.100,- per maand) en de overige vijf woningen zijn vrijstaand en vrijesectorwoningen die tegen een marktconforme prijs worden verhuurd. Deze verdeling zorgt voor een divers aanbod woningen en diverse samenstelling van nieuwe bewoners, wat positief is voor de leefbaarheid. Er wordt één toegangspad aangelegd voor de ontsluiting van de huurwoningen en de beheerderswoning, met daarbij voldoende ruimte om te parkeren. De huurwoningen worden gebouwd in de vorm van een woonhofje met een gemeenschappelijke tuin en een gemeenschappelijke ruimte. De gemeenschappelijk tuin wordt gevormd door een deel van de oude boomgaard en een voetpad dat toegang geeft tot de woningen. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Breg + Breg bouwkundig ontwerpers)

10

3D-impressie in vogelvlucht (bron: Breg + Breg bouwkundig ontwerpers)

11

3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: a. b. c. d.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om in voldoende en duurzame woningen te voorzien. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Onderhavig plan raakt niet aan één van de 14 nationale belangen. Het Barro is daarmee niet specifiek van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

12

3.

4.

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In onderhavig geval betreft het de ontwikkeling van 12 woningen, waarmee de ontwikkeling is aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Daarom wordt de behoefte aan de woningen en de ligging in het bestaand stedelijk gebied hieronder beschouwd. Behoefte Met het plan wordt voorzien in de grote kwantitatieve behoefte aan seniorenwoningen in de gemeente Drechterland en in de regio Westfriesland. Door vergrijzing neemt het aantal senioren toe en daarmee verandert ook de woningbehoefte in de gemeente en in de regio. Er is een stijgende vraag naar geschikte nieuwbouwwoningen voor deze groep als gevolg van deze ontwikkelingen. Deze trends worden in de Regionale Woonvisie van Westfriesland bevestigd en vormen ook de basis van het beleid.

Het is daarom zaak dat het lokale en regionale woningaanbod in voldoende geschikte seniorenwoningen voorziet. Naar verwachting groeit de woningbehoefte in West-Friesland flink in de komende jaren. Dit volgt onder andere uit de Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040, hierin is te zien dat de oudere bevolkingsgroepen verreweg voor het grootste deel bijdragen aan de groei van de woningbehoefte. Dit is ook weergegeven in onderstaande tabel. Dit plan draagt bij aan het voorzien van woningen voor deze oudere doelgroep.

Tabel 3.1: Groei woningbehoefte per bevolkingsgroep in Westfriesland (bron: Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040)

13

Ook in kwalitatieve zin is er vraag naar vernieuwende woningen voor ouderen. Er is een grote behoefte aan woningen die geschikt zijn voor deze groep. Daarom zullen de bewoners van voorliggend plan uitsluitend bestaan uit 55-plussers. De woningen zijn op meerdere onderdelen afgestemd op de woningbehoefte van deze groep. Het plan biedt ruimte voor 11 betaalbare huurwoningen en een beheerderswoning. Van deze 11 woningen zullen er twee verhuurd worden voor een huurprijs onder de liberalisatiegrens (sociale huur) en vier woningen voor een huurprijs in het middensegment. De overige woningen worden vrije sector huurwoningen. Buiten bestaand stedelijk gebied De ligging van de woningen aan de rand van het bestaand stedelijk gebied is cruciaal voor het verwezenlijken van de visie die in het plan centraal staat, namelijk het bevorderen van zowel zelfstandigheid als vitaliteit en saamhorigheid onder de bewoners. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan verschillende ambities van de regio, zoals het bevorderen van langer zelfstandig wonen en dat woningbouw zoveel mogelijk in de nabijheid van OV-knooppunten wordt gerealiseerd. Ook de boomgaard waartussen de woningen worden gerealiseerd maakt onlosmakelijk deel uit van het plan en maakt het concept uniek. Daarnaast maakt het plan een natuurlijke overgang mogelijk van landelijk naar stedelijk gebied.

In het bestaand stedelijk gebied is geen soortgelijk gebied aanwezig waar dit plan gerealiseerd kan worden op een manier die de ruimte biedt aan de doelgroep die graag in het groen woont en terug kan vallen op de buren en voorzieningen in de buurt. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.

Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.

Gebruik van de leefomgeving a.

b.

c.

Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.

14

d.

Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie a.

De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.

Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: a. b. c. d. e. f.

Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector

Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek Het initiatief richt zich op het verbeteren van het gebruik van de leefomgeving, specifiek op het realiseren van nieuwe woningen en woningbouw in het landelijk gebied grenzend aan het stedelijk gebied van Hoogkarspel, in overeenstemming met kwalitatieve behoeftes en trends. Derhalve is het plan in lijn met het beleid van de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010.

Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:

•

het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;

• •

het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken.

15

Planspecifiek In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 wordt gesteld dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakt schriftelijke afspraken. De onderhavige ontwikkeling is opgenomen in Woonakkoord Westfriesland 2020-2025 van d.d. 07-09-2021. Het plan is daarmee in overeenstemming met de binnen de regio gemaakte afspraken. Daarnaast is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hieruit blijkt dat het plangebied zich buiten het stedelijk gebied bevindt, maar het wel passend is om hier een stedelijke ontwikkeling te voorzien en wordt de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de behoefte van de regio. Voorliggende ontwikkeling is in lijn met artikel 6.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. 1. 2.

Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.

Ad 2) De ruimtelijke ontwikkeling let op de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. Zo worden in het plan de woningen verwerkt in de bestaande boomgaard en blijft een deel van deze bomen behouden. Daarnaast wordt groen en blauw behouden en versterkt in het gebied. Zo ontstaat er een verbetering van het landschap. Verder vindt er geen verdichting van het lint plaatst door positionering van de nieuwe gebouwen achter bebouwing aan het lint van de Westerwijzend als ‘achtererf’. Tevens is het plan voorgelegd aan de ARK van de provincie Noord-Holland, die op 16 september 2021 een positief advies heeft uitgebracht. In dit advies wordt opgemerkt dat het plan verbeterd is ten opzichte van het advies van juli 2021 en wordt geconcludeerd dat het plan ruimtelijke kwaliteit toevoegt. Voorliggende ontwikkeling is in lijn met artikel 6.59 van de Omgevingsverordening. Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid. 3.2.3 Woonagenda 2020-2050 De woonagenda provincie Noord Holland 2020-2050 is op 20 april 2020 vastgesteld.

De doelstelling van de woonagenda is om te zorgen dat er voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen zijn. De speerpunten zijn een woning voor iedereen, productie op peil: aanjagen woningbouwproductie, gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie en een kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. De speerpunten zijn vertaald in Regionale Actieprogramma's. Daarnaast is een goede afstemming tussen vraag en aanbod op de woningmarkt een speerpunt, niet alleen op kwantiteit, bepaald door huishoudensgroei, maar vooral ook op kwaliteit: het juiste type woningen voor alle verschillende doelgroepen. Betaalbaar, duurzaam en passend bij de huishoudensgrootte en woonwensen van de inwoners van Noord-Holland.

16

Planspecifiek De ontwikkeling levert een bijdrage aan de vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen. De woningbehoefte van de groep 65-plussers blijft toenemen in de aankomende jaren. Daarnaast neemt van alle huishoudenstypen het aantal alleenstaanden sterk toe. Ouderen willen ook vaker gaan huren, waarbij de vraag naar midden- en dure huur toe neemt. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen passend bij de vraag van deze doelgroep. Daarmee is het plan in lijn met het provinciale beleid. Verder wordt er in toelichting paragraaf 3.3 nader ingegaan op de regionale woonvisie en de regionale woningbehoefte.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie West-Friesland 2017-2021 De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden. De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden. Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren. Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De WestFriese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:

• • • • •

Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen. Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern. Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten. Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen. Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.

Planspecifiek Zoals hierboven beschreven is één van de speerpunten uit de woonvisie het bevorderen van langer zelfstandig wonen. Onderhavig plan richt zich op het ontwikkelen van woningen voor 55-plussers in een kleine setting met gelijkgestemde buren, waarop men kan terugvallen en zo langer zelfstandig kan wonen. Hiermee is sprake van een ontwikkeling die in lijn is met de regionale woonvisie en het Regionaal Actieprogramma. 3.3.2 Woonakkoord 2020-2025 Het Woonakkoord 2020-2025 is gesloten tussen de provincie Noord-Holland en de gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, ook wel de bestuurlijke regio WestFriesland. In het eerste deel van het Woonakkoord zijn de opgaven voor wonen en bouwen geformuleerd. De opgaven zijn in samenhang met andere opgaven bekeken, zoals mobiliteit en klimaat. Op basis van een gedeeld beeld van de opgaven worden in deel 2 de samenwerkingsafspraken en acties benoemd, hier worden marktpartijen betrokken. De regio West-Friesland heeft een gevarieerd aanbod aan stedelijke en landelijke woonmilieus. De regio beschikt over knooppunten van openbaar vervoer die liggen in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen. Hoorn vervult een belangrijke centrumfunctie voor de regio. Daarnaast beschikt

17

de regio over unieke landschappen en een sterke economische structuur. Daardoor is de regio een aantrekkelijk woongebied. Uitgangspunt bij het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Voor een gevarieerd woonmilieu en het aanbieden van een complementair woningbouwprogramma maken buitenstedelijke plannen, conform de woonagenda van de provincie, ook onderdeel uit van dit woonakkoord. Ook in aanmerking genomen dat de provincie in haar woonagenda heeft opgenomen dat ze de woningbouw wil versnellen en aanjagen. Conform de Omgevingsvisie NH 2050 wordt de woningbouw vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland. Ook de voorzieningen en leefbaarheid in kleine(re) kernen verdienen aandacht, evenals de bescherming en ontwikkeling van het landschap. De nieuwbouw moet toekomstbestendig worden gebouwd. Een specifieke opgave op het snijvlak van wonen en economie is de huisvesting van arbeidsmigranten. De regio heeft tot doel om de inwoners van West-Friesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. De regio zet hiertoe in op:

•

versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woningaanbod voor iedere doelgroep;

• • • • •

het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad; leefbaar en bereikbaar West-Friesland tot in de kern; onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten; langer zelfstandig wonen bevorderen; werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.

Planspecifiek Het uitgangspunt van het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Het plangebied is niet binnenstedelijk gelegen, maar wel dichtbij een OV-locatie namelijk het station Hoogkarspel. In aansluiting op de woonagenda van de provincie maken buitenstedelijke plannen ook onderdeel uit van het woonakkoord, om zo een gevarieerd woonmilieu en een complementair woningbouwprogramma aan te bieden. Het plan levert bij uitstek een bijdrage aan het oplossen van de behoefte aan woningen waar 55-plussers langer zelfstandig kunnen wonen. Er wordt de mogelijkheid geboden om te verhuizen naar een kleinere woning in de nabijheid van andere mensen die tot dezelfde doelgroep behoren. Deze nabijheid van anderen in combinatie met de groene omgeving, een moestuin/kas en andere voorzieningen, zorgen voor een bepaalde mate van saamhorigheid. Een sociale controle en het wonen in een gemeenschap geven gevoel van veiligheid. Ook wordt in een apart bijgebouw een ruimte gerealiseerd die kan dienen als ontmoetingscentrum, waar gezamenlijke activiteiten kunnen worden ontplooid. Zo ontstaat een kleine gemeenschap waarbinnen mensen naar elkaar omkijken, dit sociale aspect stimuleert het langer zelfstandig wonen. Het onderhavige plan is opgenomen in het Woonakkoord Westfriesland 2020-2025 (d.d. 07-09-201) en is daarmee regionaal inhoudelijk afgestemd.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie landschap gemeente Drechterland De Structuurvisie landschap gemeente Drechterland is op 23 mei 2011 vastgesteld. Deze structuurvisie biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap in de gemeente Drechterland. De visie kan dienen als kapstok voor uitwerkingen en bestemmingsplannen en als basis voor de afweging van initiatieven uit de markt.

18

De mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen zijn in hoofdlijnen beschreven in de op 28 november 2008 vastgestelde toekomstvisie Drechterlandschap. De toekomstvisie dient als uitgangspunt voor de Structuurvisie landschap. De toekomstvisie is echter nog globaal en vormt onvoldoende basis voor de uitwerking in bestemmingsplannen en voor de welstandnota. De Structuurvisie landschap voorziet hier wel in. De structuurvisie geeft kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Drechterland. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangemerkt voor 'vernieuwen' (Hoogkarspel Zuid) (zie navolgende afbeelding). Daarom kan aangenomen dat dit deel van Hoogkarspel is aangewezen als gebied waar nieuwe ontwikkelingen ten behoeve van wonen mogelijk zijn. Het voornemen is om het gebied te ontwikkelen van agrarisch naar woongebied met verschillende woningtypen die een sterke relatie hebben met het omliggende landschap. Onderhavig plan zoekt deze aansluiting door de karakteristieken van de huidige boomgaard te behouden, in onder andere de vorm van de terreinbegrenzing. Op deze manier wordt een woongebied gerealiseerd die passend is in dit gebied.

Structuurvisie landschap (plangebied is globaal wit omcirkeld)

19

3.4.2 Welstandsnota Drechterland De Welstandsnota Drechterland is op 27 juni 2011 vastgesteld door de raad. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 3 'karakteristieke linten'. Een verder uitgewerkt plan zal te zijner tijd voorgelegd worden aan de welstandscommissie. Daarbij dienen onder andere de toe te passen kleuren en materialen aan de commissie voorgelegd te worden. 3.4.3 Woonprogramma 2021-2025 Drechterland Op 27 september 2021 heeft de raad het Woonprogramma 2021-2025Drechterland 'Prettig wonen in vitale dorpen' vastgesteld. In dit programma geeft de gemeente aan hoe men de komende jaren in Drechterland wil omgaan met de grote woningvraag die er leeft. Het woonprogramma is opgebouwd aan de hand van zes thema’s. Per thema zijn de belangrijkste doelstellingen benoemd.

• • • • • •

Thema 1: kwalitatieve woningbouwopgave. Thema 2: wonen en zorg. Thema 3: evenwichtige wijken en dorpen. Thema 4: voldoende aanbod aan sociale huurwoningen. Thema 5: kwantitatieve woningbouwopgave. Thema 6: duurzaamheid.

Planspecifiek Voor thema 1 (kwalitatieve woningbouwopgave) geldt bij het dorp Hoogkarspel, waaraan de planlocatie grenst, dat er vanwege de voorzieningen en het station extra aandacht is voor de huisvesting van jongeren en senioren. Als uitwerking van thema 2 (wonen en zorg) wil de gemeente voor senioren zoeken naar passende locaties en woonvormen zoals een knarrenhof. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van woningen voor senioren mogelijk. De beoogde doelgroep zijn 50-plussers die door middel van het toekomstbestendig maken van de woningen in staat worden gesteld om langer zelfstandig te blijven wonen in een woongemeenschap met gelijkgestemden. In het ontwerp wordt daarom rekening gehouden met toegankelijkheid door bijvoorbeeld geen drempels in de woningen te maken en smalle doorgangen te vermijden. Fysieke beperkingen zullen op deze manier niet snel leiden tot vertrek van bewoners omdat zelfstandig wonen niet langer mogelijk is vanwege de eigenschappen van een woning. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de woonwensen van de inwoners uit de gemeente. Daarnaast versterkt de ontwikkeling ook de leefbaarheid en vitaliteit in de dorpen. Ouderen worden in staat gesteld langer thuis te wonen in de nabijheid van een OV-knooppunt en het voorzieningen in het centrum.

20

4 Onderzoek 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen aan de hand van de drie selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie (zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Hieruit volgt of er sprake is van een ontwikkeling die gevolgen heeft voor het milieu of dat belangrijke milieugevolgen op voorhand uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r.(-beoordeling) nodig is en publiceert dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.

21

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Planspecifiek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Landview bodemonderzoek, nr. 2021656, d.d. 31-122021, bijlagen bij toelichting bijlage 2). In de bovengrond zijn lichte verhoging van koper en diverse OCB's aangetroffen. In de grond zijn lichte verhogingen met OCB’s als gevolg van de langdurige fruitteelt op het perceel gemeten. In het grondwater uit peilbuis 2 overschrijdt de concentratie van arseen de interventiewaarde. Daarnaast is een lichte verhoging van molybdeen aangetroffen. In het grondwater uit peilbuis 1 zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen.

Aangezien de concentratie aan arseen in peilbuis 2 de interventiewaarde overschrijdt, is in principe nader onderzoek noodzakelijk. In delen van Nederland worden in het grondwater echter veelvuldig licht tot sterk verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het onderhavige geval wordt eveneens een natuurlijke oorzaak verondersteld. Uit het vooronderzoek zijn namelijk geen antropogene bronnen voor verontreiniging met arseen naar voren gekomen. Om cijfermatig na te gaan of de verontreiniging met arseen van natuurlijke herkomst is, is mogelijk wel aanvullend onderzoek noodzakelijk. De aangetroffen overige verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek hiernaar geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen.

Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. In de grond zijn alleen baksteenresten aangetroffen, welke als niet asbestverdacht worden aangemerkt. De uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 wordt door Landview BV niet noodzakelijk geacht. Aanvullend grondwateronderzoek De herkomst van arseen in het grondwater is nader onderzocht middels een aanvullend grondwateronderzoek (Landview bodemonderzoek, nr. 2022236, d.d. 17-03-2022, bijlagen bij toelichting bijlage 7). In het grondwater is, tweemaal, opnieuw een sterke verontreiniging, tot boven de interventiewaarde, met arseen geconstateerd. Tijdens het uitgevoerde vooronderzoek van het verkennend bodemonderzoek en de uitgevoerde veldonderzoeken zijn geen aanwijzingen voor een antropogene bron voor de verontreiniging met arseen aangetroffen. Verhoogde concentraties aan arseen in de regio West-Friesland worden vaker gemeten, voornamelijk op en nabij grenzen van voormalige geulen, kreken en kwelders (voormalig waddenlandschap). In de geulen en kreken is vooral zand afgezet, terwijl op de kwelders kleien sedimenteerden. Op vergelijkbare locaties bleken de concentraties aan arseen in het grondwater in de loop van tijd te variëren.

22

In principe moet de sterke verontreiniging met arseen in het grondwater rondom peilbuis 2 beter in kaart worden gebracht middels nader grondwateronderzoek. Op basis van de bekende gegevens kan echter geadviseerd worden om, in plaats van een nader grondwateronderzoek uit te laten voeren, de betreffende peilbuis in de toekomst nog een aantal keer te bemonsteren om na te gaan of er fluctuaties in de concentraties arseen zijn. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Graafwerkzaamheden kunnen volgens de CROW400 worden uitgevoerd, zonder dat er een veiligheidsklasse van toepassing is. Wanneer tijdens werkzaamheden toch beneden de grondwaterstand wordt gegraven, moet rekening worden gehouden met de verhoogde concentratie aan arseen in het grondwater van peilbuis 2. Een veiligheidsdeskundige dient de uiteindelijke klasse indeling te maken. Conclusie Mits bovenstaande aanbevelingen in acht worden genomen kan er geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerde weg en van geluidgezoneerd railverkeer. Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een tram- of metroweg. Het plangebied is ook niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein of luchthaven. Om deze reden is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking op weg- en railverkeer. Dit onderzoek is uitgevoerd door BK bouw- en milieuadvies d.d. 08-03-2022 (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit het akoestisch onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

•

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Houterweg bedraagt ten hoogste 52 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Aan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB Lden wordt voldaan.

•

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de overige gezoneerde wegen bedraagt ten hoogste 35 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.

23

• • •

De gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen tezamen bedraagt ten hoogste 57 dB Lden exclusief aftrek. De berekende geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer bedraagt ten hoogste 47 dB Lden. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden. Om het planvoornemen mogelijk te maken zal een hogere waarde moeten worden aangevraagd bij de gemeente van 52 dB Lden voor de Houterweg.

Voor het verminderen van het wegverkeerslawaai kan gedacht worden aan het verbeteren van het wegdektype en/of het toepassen van geluidschermen. Het vervangen van het wegdek wordt financieel niet doelmatig geacht. Het plaatsen van geluidschermen is om praktische en financiële redenen en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Daarom worden bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. Het aanvragen van een hogere waarden in verband met de geluidbelasting ten gevolge van de Houterweg bij de gemeente is noodzakelijk om het planvoornemen te kunnen realiseren. De gemeente Drechterland beschikt niet over een hogere waarden beleid. In het kader van de Wabo dient te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels en het binnenniveau voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Dit kan door middel van een onderzoek naar de geluidwering van de gevels. Indien een hogere waarde wordt aangevraagd bij de gemeente van 52 dB Lden voor de Houterweg vormt het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’

24

bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het realiseren van 12 woningen. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal10 μg/m³, 7 μg/m³ en10 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Waterhuishouding Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het plangebied maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 zijn de programma's en beheerstaken van het HHNK opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.

Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Watertoets De watertoets is een verplicht onderdeel van een bestemmingsplan. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Bij toename van verhard, afvoerend oppervlak door ruimtelijke ontwikkelingen, kan extra berging aan de orden zijn als compensatie voor de toegenomen belasting van het oppervlaktewater.

25

Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstil beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de Algemene regels bij de Keur geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvlak beslaat en het desbetreffende watersysteem van de toename van de piekafvoer kan verwerken. Het plangebied heeft een oppervlak van 9.100 m² en is in de huidige situatie onbebouwd en in gebruik als boomgaard. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de oprichting van circa 1.420 m² aan bebouwing, 370 m² aan verharding wegen en 250 m² aan verharding parkeren mogelijk. Dit is een totale verhardingstoename van 2.040 m². De verharding neemt toe met meer dan 800 m². De toename aan verharding is ook meer dan 2.000 m² wat betekent dat er een compensatie-eis 6% geldt voor voorliggend plan. Dit betekent dat er een watervergunning aangevraagd dient te worden bij het hoogheemraadschap. In het plan wordt aan de oost- en noordoostzijde van het plangebied een extra watergang aangelegd ter compensatie van de extra verharding in het plangebied.

Deze watergang zorgt voor ruim voldoende watercompensatie zoals is afgestemd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden wordt afgevoerd en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreedt; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd via het oppervlaktewater en/of door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.

4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14840472/1