07F B3 Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen (2023-16)
Tekst van het document
Dit betekent dat een soort Covid-19-indexcijfer van 0,8 kan worden gehanteerd voor de tellingen die in maart 2021 zijn uitgevoerd. Zie navolgende afbeelding ter illustratie.
Uit de tellingen die in maart 2021 zijn uitgevoerd op de Twijver (tussen de Tuinstraat en St. Lucasstraat) volgt een werkdagintensiteit van afgerond 1.900 motorvoertuigen per dag. Op basis van 31
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
bovenstaand onderzoek kan worden gesteld dat de intensiteit op de Twijver op een ‘normale’ werkdag (zonder Covid-19 maatregelen) rond de (1.900 / 0,8 = afgerond) 2.400 voertuigen ligt. Op het Westeinde (tussen de Marktweg en St. Lucasstraat) lag de werkdagintensiteit in maart 2021 op afgerond 1.500 motorvoertuigen per dag. Voor het Westeinde komt de intensiteit op een ‘normale’ werkdag (zonder Covid-19 maatregelen) daarmee uit op (1.500 / 0,8 = afgerond) 1.900 voertuigen. Het is onbekend hoeveel fietsers dagelijks gebruik maken van beide wegen. Uitgaande van 18 woningen in het plangebied, kent de ontwikkeling een extra verkeersgeneratie van (18 x 8,6 mvt/dag =) 155 motorvoertuigen per dag. Hoewel onrealistisch kan er voor de absolute worstcase benadering van de toekomstige verkeersintensiteit op de Twijver uitgegaan van worden dat 100% van het verkeer van en naar de ontwikkellocatie via deze weg ontsluit. Eenzelfde worstcase benadering kan gehanteerd worden voor het Westeinde. Dit betekent dat de toekomstige intensiteit op de Twijver uitkomt op ruim (2.400 + 155 =) 2.555, terwijl de toekomstige intensiteit op het Westeinde uitkomt op ruim (1.900 + 155 =) 2.055. Onduidelijk is welke functie de Twijver en het Westeinde hebben binnen het wegennet van Drechterland. Naar alle waarschijnlijkheid zijn beide wegen gecategoriseerd als erftoegangswegen binnen de bebouwde kom.
Op dergelijke wegen maken fietsers en gemotoriseerd verkeer gebruik van dezelfde rijbaan. In een ideale situatie worden dergelijke wegen uitgevoerd in klinkerverharding met een breedte van tussen de grofweg 5 en 5,8 meter en zijn deze voorzien van gelijkwaardige kruisingen met andere erftoegangswegen. Beide wegen zijn voorzien van asfalt, waarbij de rijbaanbreedte van de Twijver bovendien ruim boven de 6 meter uitkomt. Zowel de Twijver als het Westeinde voldoen qua inrichting dan ook niet aan de ideale kenmerken van een erftoegangswegen. Dit laat zich mogelijk verklaren door het landelijke karakter van de omgeving en de daarmee gepaard gaande aanwezigheid van agrarisch verkeer. De aanwezigheid van asfalt in combinatie met brede rechte wegen is overigens duidelijk terug te zien in de snelheidsmetingen. Op beide wegen wordt door een groot deel van de weggebruikers fors harder gereden dan de maximaal toegestane 30 km/u, op het Westeinde is dit knelpunt groter dan op de Twijver. De capaciteit van erftoegangswegen wordt niet bepaald aan de hand van de hoeveelheid verkeer die kan worden afgewikkeld. Dat zou in praktijk immers betekenen dat er ruim 86.000 motorvoertuigen per dag mogen worden afgewikkeld (iedere 2 sec. een voertuig per richting), wat leidt tot een totaal onveilige en onleefbare situatie.
Voor erftoegangswegen wordt daarom gekeken naar aspecten als verkeersveiligheid en sociale aspecten (o.a. leefbaarheid). Met name de mate van verkeersveiligheid wordt weer bepaald aan de hand van de inrichting van wegen. Dit betekent dat voor iedere weg weer een andere conclusie kan worden getrokken wat betreft de hoeveelheid verkeer die op een veilige manier kan worden afgewikkeld. Vaak wordt daarom ook gesproken over acceptatie van een bepaalde hoeveelheid verkeer in plaats van een capaciteit. Het CROW hanteert een acceptatiegrens voor erftoegangswegen (uitgaande van een ideaal profiel) tussen de 5.000 en 6.000 motorvoertuigen per dag. Bij een krapper profiel ligt deze grens gevoelsmatig lager, omdat de fietsers daar meer/eerder in de verdrukking komen bij een hoger verkeersaanbod. Op basis van deze inzichten komt de toekomstige intensiteit op zowel de Twijver (ruim 2.500) als het Westeinde (ruim 2.000) in een absolute worstcase-situatie nog lang niet in de buurt van de acceptatiegrenzen en vormt het toekomstige gemotoriseerde verkeersaanbod naar verwachting geen knelpunt. Gelet op de bebouwingsdichtheid van het gebied is de verwachting dat ook het aantal fietsers niet dermate hoog ligt dat er knelpunten ontstaan tussen fietsers en gemotoriseerd verkeer. 32
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Parkeren De projectlocatie ligt in een gebied aangeduid als ‘weinig tot niet stedelijk’ en ‘centrumgebied. De behoefte kan op 1 tot max 1,2 worden ingeschaald, resulterend in 21 parkeerplaatsen, die worden aangelegd op eigen terrein.
3.2 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De voorkeursgrenswaarde voor de nieuw te realiseren woningen is 48 dB (artikel 82 lid 1 Wgh). Beoordeling en conclusie Voor de voorliggend woningen is nader onderzoek naar de geluidbelasting niet nodig omdat ter plaatse van de omliggende wegen een 30km/h regime geldt. Deze wegen zijn in de Wgh uitgezonderd van de plicht tot het voeren van onderzoek. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de wegen sprake is van een relatief lage verkeerintensiteit. De wegen hebben geen functie als gebiedsontsluitingsweg.
Daarom kan op voorhand worden geconcludeerd dat sprake zal zijn van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat vanwege wegverkeer, dit mede gezien de relatief lage verkeerintensiteit ter plaatse, hetgeen blijkt uit tellingen uit 2021, zie voorgaande paragraaf. De woningen kunnen vanuit het aspect geluid zonder verdere eisen en/of extra voorzieningen worden gerealiseerd.
3.3 Externe veiligheid Wettelijk kader Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactivieiten. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe vei-ligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen. In het wettelijk kader en externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in twee soorten risico’s, namelijk plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). PR en het GR dienen elk een andere doelstelling. Het PR heeft te maken met de veiligheid van de risicobron (technisch systeem) en is bedoeld voor de burger / gebruiker als individu. Het GR zegt iets over de inrichting van de ruimte rond de risicobron en is bedoeld voor de bestuurder. Naast PR en GR worden binnen zogenaamde effectgebieden ook risico’s aanwezig. Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. 33
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woon-, werk- of verblijfsomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6). Groepsrisico Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatie-waarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. De oriëntatiewaarde wordt uitgedrukt in een risicocurve. De oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag in situaties daarboven gemotiveerd kan afwijken. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om een belangenafweging te maken. Dit is de verantwoording van het groepsrisico. Daarbij spelen onder de zelfredzaamheid, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
De hoogte van het groepsrisico kan niet toenemen als er geen invloedsgebied aanwezig is.
Afbeelding: uitsnede risicokaart
34
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Beoordeling en conclusie In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig, routes gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Zie voorgaande uitsnede van de risicokaart. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er daarom geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
3.4 Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.
Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.
35
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2
Richtafstand woonomgeving in meters 10 30 50 100
Richtafstand gemengd gebied in meters 0 10 30 50
4.1
200
100
Beoordeling en conclusie Gezien de functionele opbouw, valt het gebied als gemengd gebied te typeren. Onderstaand kaartbeeld toont dit aan. Naast woningen (geel) zijn er diverse maatschappelijke functies (bruin), een horecagelegenheid (oranje), een bedrijf (paars), een dienstverlenend bedrijf (roze) en enkele winkels aanwezig. Er is dus reeds sprake van een verhoogd achtergrondniveau (qua geluid).
In voorliggend geval zijn in de omgeving van de nieuw te realiseren woningen geen milieubelastende functies aanwezig. Er zijn woonfuncties aanwezig of functies die in gemengd gebied op 0 m van een 36
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
woonfunctie aanwezig mogen zijn. Voor voornoemde horecagelegenheid (cafe restaurant de Roode Leeuw) is akoestisch onderzoek verricht2, als bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat in de huidige situatie op een aantal woningen niet voldaan wordt aan de langtijdgemiddelden en maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit milieubeheer; de overschrijdingen treden met name op in de nachtperiode. De Roode Leeuw is bezig met een plan van Aanpak met maatregelen om te kunnen voldoen aan de regelgeving. Om een goed woon- en leefklimaat bij de te realiseren woningen te garanderen, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. De voorwaardelijke verplichting regelt dat woningen niet eerder in gebruik mogen worden genomen indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. Als er daarna nog een overschrijding resteert voor de nieuwe woningen, dan zal de ontwikkelaar voorzieningen moeten treffen om te kunnen voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook wordt in dat geval de horecagelegenheid niet onevenredig belemmerd in de bedrijfsvoering.
Op voorhand lijken hier geen belemmeringen te bestaan; de oplossingen worden te zijner tijd bouwkundig uitgevoerd aan het gebouw danwel in de buitenruime, en via het Activiteitenbesluit kunnen eventuele maatregelen deze ook worden afgedwongen. Voor het bestemmingsplan is de geluidsituatie voldoende in kaart gebracht.
3.5 Luchtkwaliteit In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin de grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
2
Akoestisch onderzoek industrielawaai Westeinde Venhuizen, SPAWNP, 16 februari 2022 37
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Duidelijk is dat het voorliggende geval geen grote ontwikkeling is en dat de invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse NIBM is. Geconcludeerd wordt daarom dat het project geen negatief effect heeft op de luchtkwaliteit.
3.6 Ecologie Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming. Quickscan Door een ecologisch adviesbureau is een quickscan ecologie uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als bijlage3. Beschermde gebieden: Gezien de aard van de ingreep, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en het Bijzonder Provinciaal Landschap is op voorhand vast te stellen dat er geen negatieve effecten zullen optreden in andere beschermde gebieden ten gevolge van licht, geluid en trillingen. Een nadere toetsing naar dergelijke effecten op beschermde natuurgebieden is niet nodig.
Door de toename van stikstofemissie door de plannen is een negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen niet uit te sluiten. Zie hiervoor navolgende paragraaf. Beschermde soorten: Planten, reptielen, insecten en vissen: Er worden geen beschermde soorten planten, reptielen, insecten en vissen in het plangebied verwacht. Vogels: Vogels met niet jaarrond beschermde nesten: Binnen het plangebied kunnen broedvogels voorkomen. Om uit te sluiten dat nesten vernield of verstoord kunnen worden dienen de werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden buiten het broedseizoen (grofweg van 15 maart- 15 juli) plaats te vinden. De broedperiode varieert echter per soort en is tevens afhankelijk van het weer. Indien er buiten de genoemde periode vogels broedend aanwezig zijn dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld. Indien werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden in het broedseizoen plaatsvinden dient voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt gemaakt te worden. Tevens dient voorafgaand aan de werkzaamheden een scan plaats te vinden om uit te sluiten dat broedende vogels aanwezig zijn. Vogels met jaarrond beschermde nesten: 3
Ecologische quick scan Westeinde Venhuizen, Ronde, 19 mei 2021 38
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
In het plangebied kunnen jaarrond beschermde nesten van vogels voorkomen. Het gaat om nesten van Huismus en Gierzwaluw. Aangezien mogelijk aanwezige nesten door de plannen vernietigd kunnen worden is vervolgonderzoek naar Huismus en Gierzwaluw noodzakelijk. Indien jaarrond beschermde nesten van deze soorten aanwezig zijn dienen er alternatieve nesten of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Daarnaast is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk waarbij compenserende maatregelen in een activiteitenplan worden beschreven. Grondgebonden zoogdieren: Er zijn enkel algemeen voorkomende, vrijgestelde soorten zoogdieren te verwachten binnen het plangebied. Vleermuizen: In het plangebied kunnen verblijvende gebouwbewonende soorten als Laatvlieger, Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis voorkomen. Vervolgonderzoek naar verblijvende vleermuizen is noodzakelijk. Indien verblijven van vleermuizen worden aangetroffen dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden in de vorm van tijdelijke compensatie en permanente compensatie. Daarnaast dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij tijdelijke compensatie en permanentie compensatie in een activiteitenplan zijn uitgewerkt. Voor mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep.
Aanwezige foeragerende vleermuizen kunnen tijdens de werkzaamheden gemakkelijk uitwijken. Amfibieën: Er zijn enkel algemeen voorkomende amfibiesoorten te verwachten in het plangebied. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor beschermde amfibieën als Rugstreeppad. Noodzakelijk vervolgonderzoek: Om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten is vervolgonderzoek noodzakelijk naar Huismus, Gierzwaluw en Vleermuizen. Dit is uitgevoerd en als bijlage toegevoegd aan deze toelichting4. Het onderzoek gaat ook over een andere locatie (Sint Lucasstraat 3); deze wordt verder buiten beschouwen gelaten. Tijdens de inventarisatie zijn in het plangebied Gierzwaluw en drie soorten vleermuizen aangetroffen. • In het plangebied komen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor, namelijk die van Gierzwaluw. Er dient hiervoor een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen een belang dat wordt genoemd in de Vogelrichtlijn, te worden beschreven. • In het plangebied kunnen tevens broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. • In plangebied zijn alleen langs vliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. 4
Nader onderzoek flora en fauna Westeinde 5 en Sint Lucasstraat 3 te Venhuizen, Van der Goes en Groot, 1 november 2019 39
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
•
•
•
12 oktober 2022
Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig voor vleermuizen ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb.
Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden zal een ontheffing Nb-wet verkregen moeten zijn. Het natuuronderzoek is geactualiseerd, in de vorm van in 1e instantie een quick scan5. De conclusies hiervan luiden als volgt: In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van huismus en gierzwaluw. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen.
Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en kleine marters aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ten slotte wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden te zorgen dat er geen grote zandhopen en ondiepe poelen ontstaan om vestiging van de rugstreeppad te voorkomen. Voordat het bestemmingsplan vastgesteld kan worden, dient middels nader onderzoek vast te staan, dat het plan niet leidt verstoring van een vaste rust- of verblijfplaats van een strikt beschermde soort, dan wel, indien dat niet het geval is, het aannemelijk is dat een ontheffing van de Nb-wet kan worden verkregen c.q. is verkregen. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd en is in september 2023 gereed. In overleg met de ecoloog kan de verwachting worden uitgesproken dat een eventuele vergunning in het kader van de Wet
5
Quick scan natuur Venhuizen, Westeinde 5, SAB, 4 juli 2022 40
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
natuurbescherming verleenbaar zal zijn. Hiermee staat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
3.7 Stikstofdepositie De omvang van het plan in relatie tot de grote afstand tot enig Natura 2000-gebied, is zodanig, dat de conclusie getrokken kan worden dat de gebruiksfase geen toename aan stikstofdepositie zal oplever op Natura 2000-gebieden, zeker wanneer daarbij in ogenschouw wordt genomen dat de nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Met een stikstofberekening is dit geverifieerd, als bijlage toegevoegd6. Met de inwerkingtreding van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering per 1 juli 2021 geldt er een vrijstelling voor de aanlegfase (bouw en sloop). Stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde ‘veroorzakerprincipe’. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de herziening van de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 van kracht is geworden. Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om ‘rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden’. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Drechterland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Drechterland een archeologische beleidskaart ontwikkeld. De beleidskaart archeologie met toelichting is op 16 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Op de beleidskaart archeologie is aangegeven waar de bekende archeologische
6
Stikstofberekening Westeinde Venhuizen, Visser en van Dam, 10 maart 2022 41
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
waarden zich bevinden en welke archeologische verwachtingen er zijn. De waarden en verwachtingen zijn gecombineerd met een beleidsadvies per zone. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Archeologische Quickscans Door Archeologie West-Friesland zijn in 2018 en 2021 archeologische quickscans uitgevoerd, die als bijlage zijn toegevoegd.7 Binnen het plangebied geldt op basis van de bodemkaart, archeologische bronnen en luchtfoto’s een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd. Aan deze verwachting is op de beleidskaart archeologie een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 gekoppeld. Verder is aan de noordzijde een zone met een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd en een vrijstellingsgrens van 100 m2 aanwezig. Dit betreft het historisch dorpslint van Venhuizen.
Het plangebied ligt grotendeels op kleiige oude cultuurgronden die zijn ontstaan vanaf de Late Middeleeuwen. De ophogingen hebben oudere sporen afgedekt, waardoor deze mogelijk goed bewaard zijn gebleven. Eventueel aanwezige sporen bevinden zich vlak onder de bouwvoor. De zone weergegeven in de kleur grijs op navolgende afbeelding is al vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hier is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Voor de 20ste-eeuwse bebouwing binnen het plangebied geldt dat de aanleg het bodemarchief naar verwachting redelijk heeft verstoord. Geadviseerd wordt om ook dit deel van het plangebied vrij te geven ~ zie navolgende afbeelding. Hier hoeft hier geen dubbelbestemming Waarde – Archeologie te worden opgenomen.
7 Archeologische Quickscan Gemeentehuislocatie Venhuizen, Archeologie West-Friesland, 5 december 2018; Archeologische Quickscan
Gemeentehuislocatie (westzijde) De Fruittuin Venhuizen, Archeologie West-Friesland, 3 juni 2021.
42
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Geadviseerd wordt om voor de rest van het plangebied de vrijstellingsgrens uit de beleidskaart archeologie over te nemen of de huidige dubbelbestemming te behouden. In het niet vrijgestelde deel van het plangebied waar nieuwbouw zal worden gerealiseerd, geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd. Hier zal de geplande nieuwbouw de vrijstellingsgrens uit de beleidskaart archeologie echter niet overschrijden (i.c. 1000 m2). Als het bij de ontwikkeling achter de stolp blijft, is nader archeologisch onderzoek dus niet noodzakelijk. Gelet hierop vormt archeologie geen belemmering voor het plan; is voor het vrijgegeven deel de dubbelbestemming Waarde-Archeologie verwijderd; en zijn de dubbelbestemmingen voor resp. het 100 m2 deel en het 1.000 m2 deel behouden. Cultuurhistorie De bestaande bebouwing in het projectgebied heeft geen cultuurhistorische waarde. Er worden dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast als gevolg van de functiewijziging.
3.9 Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit is van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. Om te beoordelen of er sprake is van een bodemkwaliteit die geschikt is voor de woonfunctie is in eerste instantie in 2005 door Landview een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek ( Landview, 2005238, d.d. 07-2005) is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium, zink en som PAK. Daarnaast is de ondergrond niet verontreinigd met 43
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
één van de gemeten parameters. In het grondwater is een lichte verontreiniging met arseen aangetroffen. Ter plaatse van het puinpad is in enige mate niethechtgebonden asbest aangetroffen. Het gehalte aan asbest in het puin blijft echter ruim onder de toetstingswaarde van 100 mg/kg ds. In 2019 heeft (opnieuw) verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan8. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese onverdacht te worden verworpen. De zandige bovengrond is licht verontreinigd met lood. Daarnaast is de kleiige boven- en ondergrond licht verontreinigd met kwik, lood, minerale en som PAK. In de venige ondergrond is een lichte verontreiniging met minerale olie aangetroffen. In de diepere zandige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetroffen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Lichte verontreinigingen zijn in het kader van de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen plannen. Voor de ernaast gelegen grond (deels komt dit in het plangebied te liggen) is tevens verkennend bodem onderzoek uitgevoerd9. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese onverdacht te worden verworpen.
De kleiige boven-en ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood. Daarnaast is in de kleiige ondergrond en de zandige diepere ondergrond geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetroffen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Lichte verontreinigingen zijn in het kader van de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen plannen Gelet op bovenstaande vormt bodem geen belemmering voor het bestemmingsplan.
3.10 Waterhuishouding In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen (of het voeren van vergelijkbare procedures). In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro) dat verplicht is bij ruimtelijke procedures, wordt vooroverleg gepleegd met de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, 8 9
Verkennen bodemonderzoek Voormalig Gemeentehuis Westeinde 5 Venhuizen, GRS Milieu, 11 maart 2019 Verkennend bodemonderzoek Westeinde sectie 4652 te Venhuizen, GRS Milieu, 11 maart 2019 44
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Watertoets De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit (ruimte voor water) en waterkwantiteit en veiligheid (overstroming). Waterkering De projectlocatie is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire- of regionale waterkering. Waterkwaliteit Uitgangspunt voor het plan is dat hemelwater en afvalwater apart dient te worden ingezameld. Voorwaarde is dan wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.
Geadviseerd wordt om met het oog op de waterkwaliteit altijd het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink maximaal te voorkomen en dat er geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt op de verharding. Zo wordt voorkomen dat er ongewenste stoffen in het oppervlaktewater terechtkomen, waardoor een negatief effect ontstaat op de waterkwaliteit. Het afstromend hemelwater van schone oppervlakken (daken en erfverharding) zal geschieden naar het oppervlaktewater. Het gebruik van uitloogbare materialen wordt bij de uitvoering van het bouwwerk voorkomen. De behandeling van het vuilwater blijft gebeuren op de bestaande wijze. Waterberging Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, moet bij een toename van meer dan 800 m2 bebouwd of overig verhard oppervlak binnen stedelijk gebied, minstens 10% van het extra bebouwde of verharde oppervlak worden gecompenseerd door middel van nieuw oppervlaktewater. Dit water moet worden gerealiseerd binnen hetzelfde peilvak en dient blijvend in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem. Het voorliggende project voorziet in de sloop van bestaande verhardingen. Er is daarom geen sprake van een toename aan verharding van meer dan 800 m2. Op het gebied van waterberging gaat het projectgebied erop vooruit.
Bovendien wordt er geen water gedempt, gebouwd in de (buiten)beschermingszone van een waterkering en er wordt niet gewerkt met uitloogbare materialen. Vooroverleg watertoets Over de hiervoor weergegeven watertoets is overleg gepleegd met het HHNK. Naar aanleiding van dit overleg zijn afspraken gemaakt tussen gemeente en HHNK: 45
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Doodlopende sloten Het plangebied heeft aan de oost- en westzijde een doodlopende watergang liggen. Idealiter vermijden we doodlopende sloten, omdat doodlopende sloten niet ten gunste komen van de waterkwaliteit en in langdurig droge, warme perioden kunnen gaan stinken. HHNK adviseert om een rondgaand watersysteem te ontwerpen. De gemeente heeft kritisch gekeken naar deze mogelijkheid binnen het plan en komt tot de conclusie dat het dempen van de sloten (westelijk en oostelijk) helaas niet mogelijk is. De gewenste demping kan namelijk niet gecompenseerd worden in het plangebied tenzij het ten koste gaat van groen, bomen en de inrichting van het plan. De ontwikkelaar is juist op deze punten geselecteerd en de gemeente is van oordeel dat een mooi plan wordt gerealiseerd met toevoeging is voor de omgeving. Het plangebied is te klein om hiervan een gedeelte om te kunnen zetten naar water. Onderhoud De westelijke en zuidelijke sloot rondom het plangebied zijn op dit moment stedelijk water. Het hoogheemraadschap onderhoudt deze watergangen, m.u.v. de droge oever (incl. eventuele beschoeiing). De oostelijke watergang wordt op dit moment onderhouden door de aanliggende eigenaren. Deze ontwikkeling heeft tot gevolg dat deze oostelijke watergang eigenlijk ook stedelijk water wordt. De gemeente en het hoogheemraadschap hebben afspraken over het onderhoud van zogenaamd stedelijk water.
De afspraak is dat stedelijk wat in principe wordt onderhouden door het hoogheemraadschap, daar waar dat machinaal te onderhouden is. Idealiter gebeurt dit per maaiboot. De randvoorwaarden voor varend onderhoud zijn dan: • De watergangen worden tenminste zes meter breed op de waterlijn. Ook bestaande, te handhaven watergangen binnen of langs het plangebied krijgen een breedte van ten minste zes meter op de waterlijn; • De watergangen krijgen een waterdiepte van tenminste één meter; • Bruggen of dammen met duikers krijgen tenminste 1,1 meter doorvaarthoogte, 0,9 meter waterdiepte en hebben een doorvaartbreedte van 2,5 meter; • Bij scherpe bochten van watergangen moeten deze draaicirkels krijgen van ten minste acht meter. • Per doorvaarbaar tracé moet tenminste één maaiboot tewaterlaat plaats worden gerealiseerd.
Ter plaatse van maaiboot tewaterlaatplaatsen moet de watergang ten minste acht meter breed zijn; • Om de +/- 200 meter zal een laad-/losplaats voor uitkomend slootvuil en maaisel gerealiseerd moeten worden; Richtlijnen onderhoud oppervlaktewater met kraan: • Onderhoud vanaf openbaar terrein • Bij een waterbreedte van 0 tot 4 meter is aan één zijde een strook van minimaal 5 meter vrij van obstakels • Bij waterbreedte van 4 tot 6 meter is aan beide zijden een strook van minimaal 5 meter vrij van obstakels • Bij T-splitsingen/haakse hoeken in watergangen is een afronding van de onderhoudszone/pad met een draaicirkel van 21 meter nodig voor de doorgang van het onderhoudsvoertuig 46
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
•
12 oktober 2022
Bij werken (bouw- en kunstwerken) is minimaal 5 meter ruimte tussen de werken aanwezig voor het onderhoud met de maaikorf of nieuwe werken sluiten direct aan op bestaande werken, waarbij het oppervlaktewater wel is te onderhouden
Bij interne navraag bleek dat in januari een kaart is opgesteld in overleg met het hoogheemraadschap met sloten en waterlopen die binnenkort worden overgenomen door het hoogheemraadschap. Er is overeengekomen dat de sloot aan de westzijde van het plangebied wordt overgenomen door HHNK. De gemeente verwacht niet dat het voorliggende plan dit onderhoud zal bemoeilijken, omdat het, net als in de oude situatie, mogelijk blijft om vanaf de kant (Vliegende Faam) of vanaf het water onderhoud te plegen. De sloot aan de oostzijde zal in beheer blijven van de eigenaren (momenteel nog de gemeente, later de eigenaren van de woningen op het plangebied). Dat onderhoud zal via beiden erven worden uitgevoerd. Toekomstig onderhoud De toekomstige onderhoudssituatie is dus wat HHNK betreft niet ideaal. Als het plan in deze vorm tot uitvoer komt, zal HHNK, ondanks dat het niet ideaal is, het onderhoud (m.u.v. droge oever incl. beschoeiing) van de westelijke sloot (blijven) doen. De oostelijke sloot zal volledig door aanliggende eigenaren moeten worden onderhouden. Volledig wil zeggen: buitengewoon onderhoud, gewoon onderhoud (baggeren), natte onderhoud en droge onderhoud. Voor de helderheid is navolgende afbeelding met toekomstig onderhoudsregime toegevoegd.
Afbeelding: toekomstig onderhoudsregime
Verdere ontwikkeling oostelijke percelen In de toekomst worden mogelijk ook de oostelijke kavels ontwikkeld. Deze kavels zijn nog leeg, en er zal daarom daar wél sprake zijn van verhardingstoename die moet worden gecompenseerd. Geadviseerd wordt om voor beide plannen te kijken naar één (verbeterd) rondgaand watersysteem, 47
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
die goed machinaal is te onderhouden door het hoogheemraadschap. De gemeente zal dit als aandachtspunt meegeven zodra een ontwikkeling wordt aangemeld. Conclusie Gelet hierop, vormt het aspect water geen belemmering.
3.11 Duurzaamheid Zoals aangegeven in hoofdstuk 1, kent het plan verschillende ambities op het gebied van duurzaamheid. Het gaat hier onder meer om klimaatadaptief bouwen en een groene inrichting van het buitenterrein om hittestress tegen te gaan en het infiltrerend vermogen te bevorderen. Met het oog hierop wordt het vergunningsvrij bouwen verboden, waarmee een blijvende groene inrichting geborgd is. De gebouwen zullen voorts voldoen aan de landelijke regelgeving (i.c. zal aan het BENG worden voldaan). Voor meer uitleg over de exacte maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 1.3.
3.12 Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Het is in ieder geval niet relevant of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De voorliggende ontwikkeling betreft de wijziging van een maatschappelijke functie naar wonen met maximaal 18 eenheden.
Gezien het feit dat de omgeving reeds volledig is ingericht als woonomgeving en de beperkte fysieke omvang van de planologische wijziging, wordt geconcludeerd dat het project niet is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er is dan ook geen aanleiding een (vormvrije) MER-beoordeling uit te voeren. Voorts blijkt uit de voorliggende toelichting dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.
48
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Hiermee kan het op te stellen bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie en kostenverhaal Een gemeente is conform de grondexploitatiewet verplicht om haar kosten op de grondeigenaar te verhalen, wanneer deze grondeigenaar een zogenaamd ‘bouwplan’ (zoals aangeduid in art. 3.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) wil realiseren en wanneer voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging van een ‘ruimtelijke besluit’ (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) nodig is. Dit bestemmingsplan is een op uitvoering gericht bouwplan waardoor het nodig is een exploitatieplan vast te stellen of de betaling van de kosten op een andere manier te verzekeren. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Drechterland is een koopovereenkomst afgesloten waarin de ambtelijke kosten zijn opgenomen. Daarmee zijn de kosten anderszins verzekerd.
4.2 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bor is het plan voorgelegd aan betrokken bestuursorganen, nutsbedrijven en andere instanties. Onder meer de Veiligheidsregio Noord Holland Noord heeft gereageerd, maar had geen inhoudelijke reacties op het bestemmingsplan, doch wenst wel betrokken te worden bij de uitwerking van de gebouwen en de wegen. Aan die wens wordt gevolg gegeven. Daarnaast heeft ook het Hoogheemraadschap Hollands Noorder Kwartier (HHNK) gereageerd. In paragraaf 3.10 staat onder het kopje ‘Vooroverleg watertoets’ beschreven welke afspraken er zijn gemaakt tussen de gemeente en HHNK. Aan het verzoek van het HHNK om van wijzigingen op de hoogte worden gebracht zal worden voldaan.
4.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er heeft op diverse momenten participatie plaatsgevonden, namelijk als onderdeel van opstellen van zowel het Centrumplan Venhuizen 2017, het Programma van Eisen en het Ontwikkelkader. Na verkoop op 7 juli 2021 volgde voor inwoners een informatiebijeenkomst over het plan. In het dorpshuis presenteerden Ontwikkelingscombinatie De Fruittuin B.V het ontwerp voor de inrichting van de gemeentehuislocatie achter de stolp en kregen de bezoekers informatie over de planning en procedure. Voor het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan wordt een bewonersavond georganiseerd. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de vast te stellen versie van het bestemmingsplan. 49
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure). Van het ontwerpbesluit wordt kennis gegeven in de Staatscourant. Ten aanzien van het ontwerpbesluit kan een ieder gedurende de inzagetermijn mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen bij het college. De vastgestelde ruimtelijke onderbouwing wordt samen met het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Mochten hierop zienswijzen worden ingebracht, dan volgt een belangenafweging, waarna het college een besluit neemt. Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd hier samengevat en van een antwoord voorzien.
50
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
5 Juridische regeling Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: • via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; • via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld.
Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Het voorliggende plan kent enkele dubbelbestemmingen (zie hierna onder ‘De bestemmingen’) en geen aanduidingen. Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend.
De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.
51
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouwen/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen.
Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De bestemmingen In het bestemmingsplan is voor de te realiseren gebouwen de bestemming Wonen-1 opgenomen, een bouwvlak en een maximale goot- en bouwhoogte. De beide woonhuizen moet binnen het ingetekende bouwvlak worden gerealiseerd. Er zijn daarbij maximaal 18 wooneenheden toegestaan. Voorts is een bestemming Tuin-1 toegekend en een bestemming Verkeer-Verblijfgebied. Er is daarnaast een dubbelbestemming toegekend Waarde-Erf, waarmee geregeld wordt dat vergunningsvrij bouwen niet is toegestaan, met als doel een blijvende groene inrichting te borgen. Uit jurisprudentie blijkt dat dit kan. De totstandkoming en instandhouding van de buitenruimte is ook geborgd middels een voorwaardelijke verplichting, waarbij het inrichtingsplan als zodanig aan de regels is gekoppeld.
Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat er een aanvaardbare geluidssituatie ontstaat in verband met geluid afkomstig van de nabijgelegen horecagelegenheid. Verder zijn er twee archeologische dubbelbestemmingen van toepassing.
52
Toelichting Westeinde achter 5 Venhuizen
12 oktober 2022
6 Conclusie Het voorliggende initiatief is een ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling. Voor het gevraagde kan het bestemmingsplan worden herzien. Het Rijks-, provinciale of gemeentelijke beleid werpt geen belemmeringen op en ook vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen te verwachten. Op diverse milieuaspecten is onderzoek uitgevoerd. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Het initiatief zorgt voor een gewenste toevoeging van maximaal 18 woningen, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de leniging van de woningbehoefte. Tevens verbetert de ruimtelijke kwaliteit omdat verouderde panden worden gesloopt waarna er twee zorgvuldig ontworpen gebouwen voor terugkomen.
53