Was-wordt lijst Verordening tot wijziging APV Dordrecht, 20e wijziging eindv.pdf
Tekst van het document
3.Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het bespelen van een carillon, gedurende de dagperiode vanaf 08.00 uur tot 19.00 uur en avondperiode vanaf 19.00 uur tot 21.00 uur, uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.
4.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
4.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. het luiden van kerkklokken:
a. het luiden van kerkklokken:
-ter oproeping van gebed,
-ter oproeping van gebed,
-op Koningsdag,
-op Koningsdag,
-op 4 mei,
-op 4 mei,
-op 5 mei,
-op 5 mei,
-in de avondperiode (19.00–23.00 uur) op donderdagen in de maanden juli, augustus en september,
-in de avondperiode (19.00–23.00 uur) op donderdagen in de maanden juli, augustus en september,
-in de nachtperiode (23.00–07.00 uur) van 31 december op 1 januari ter uitluiding van het oude jaar en het inluiden van het nieuwe jaar, voor maximaal 10 minuten; b. het gebruik van kerkklokken ten behoeve van de tijdsaanduiding via een automatisch (carillon)spel gedurende de dag (07.00–19.00 uur) en avondperiode (19.00– 23.00 uur 5.Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.
-in de nachtperiode (23.00–07.00 uur) van 31 december op 1 januari ter uitluiding van het oude jaar en het inluiden van het nieuwe jaar, voor maximaal 10 minuten; b. het gebruik van kerkklokken ten behoeve van de tijdsaanduiding via een automatisch (carillon)spel gedurende de dag (07.00–19.00 uur) en avondperiode (19.00–23.00 uur 5. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen wordt het
25
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing, maar het Besluit. 6.Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.
S
T
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz.
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz.
1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen om in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid - buiten een inrichting in de zin van de Wet
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, 26
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
Milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
c.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen 2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof:op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening. U
c.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen 2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof:op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:17 Begripsbepaling
Artikel 4:17 Definitie
In deze afdeling wordt onder
In deze afdeling wordt onder
27
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
V
W
kampeermiddel verstaan: een onderkomen, een voertuig of een aanhangwagen waarvoor geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
kampeermiddel verstaan een nietgrondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
Artikel 4:18 recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van natuur en landschap;
a. de bescherming van natuur en landschap;
b. de bescherming van een stadsgezicht.
b. de bescherming van een stadsgezicht.
5.Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing op de ontheffing als genoemd in lid 3 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu.
5.Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing op de ontheffing als genoemd in lid 3 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
1.Het is verboden een voertuig, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in
1.Het is verboden een voertuig, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een 28
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
X
een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op een openbare plaats te parkeren.
kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op een openbare plaats te parkeren.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.
1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen, binnen de bebouwde kom, op de weg te plaatsen en te hebben.
1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen, binnen de bebouwde kom, op de weg te plaatsen en te hebben.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Y
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.De aanvrager voegt in ieder
2.De aanvrager voegt in ieder geval 29
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
geval de volgende zaken bij zijn aanvraag.
de volgende zaken bij zijn aanvraag.
a.een geldig uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel
a.een geldig uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel
b.een geldige WA-verzekering voor b.een geldige WA-verzekering voor ambulante handel ambulante handel
Z
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:
a.gelet op de grootte of uiterlijk van de verkoopinrichting;
a.gelet op de grootte of uiterlijk van de verkoopinrichting;
b.wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.
b. wegens strijd met het omgevingsplan.
c.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
c.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
d.indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
d.indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.
1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. AA
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
30
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3.De burgemeester kan de 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd vergunning wegens strijd met het met een geldend omgevingsplan weigeren. bestemmingsplan. 4.Het college kan nadere regels 4.Het college kan nadere regels stellen omtrent het organiseren stellen omtrent het organiseren van snuffelmarkten. van snuffelmarkten. 5.Paragraaf 4.1.3.3 van de 5.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de vergunning als toepassing op de vergunning als genoemd in het eerste lid. genoemd in het eerste lid. AB
Artikel 5:24 Voorwerpen in, op of boven openbaar water
Artikel 5:24 Voorwerpen in, op of boven openbaar water
1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
2.Degene die voornemens is een 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval
31
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Scheepvaartverkeerswet , het Binnenvaartpolitiereglement , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken , de Provinciale vaarwegenverordening, de Havenverordening Dordrecht, de Telecommunicatiewet, of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. AC
AD
naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Havenverordening Dordrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Zuid-Holland.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
1.Het is aan een ieder die zich als
1.Het is aan een ieder die zich als
32
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
Artikel 5:32 Crossterreinen
Artikel 5:32 Crossterreinen
1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z , en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z , en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van dezen terreinen:
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van dezen terreinen:
2. Het verbod is niet van toepassing 2.Het verbod geldt niet voor zover op situaties waarin wordt voorzien in het daarin geregelde onderwerp door het wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening Wet beheer of het bepaalde bij of krachtens de rijkswaterstaatswerken of de Omgevingswet. Provinciale vaarwegenverordening AE
a.in het belang van het voorkomen a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; of beperken van overlast; b.in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
b.in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
33
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
AF
ritten of van het publiek.
ritten of van het publiek.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 , een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 , een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
a.in het belang van het voorkomen a.in het belang van het voorkomen van overlast; van overlast; b.in het belang van de bescherming b.in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
van natuur- of milieuwaarden; c.in het belang van de veiligheid van het publiek.
c.in het belang van de veiligheid van het publiek.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van 3.Het verbod in het eerste lid geldt motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van niet voor bestuurders van paarden: motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van a.ten dienste van politie, paarden: brandweer en geneeskundige a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, 34
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen d.van de zakelijk gerechtigden, die gelegen zijn binnen de huurders en pachters van percelen terreinen als in het eerste lid die gelegen zijn binnen de bedoeld; terreinen als in het eerste lid e.voor het verkeer ten behoeve van bedoeld; bezoek en van de verzorging van de e.voor het verkeer ten behoeve onder d bedoelde personen. van bezoek en van de verzorging 4.Het in het eerste lid gestelde van de onder d bedoelde verbod geldt voorts niet: personen. a.op wegen; 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening a.op wegen; aangewezen stiltegebieden ten b.binnen de bij of krachtens de aanzien van motorrijtuigen die bij Provinciale verordening of krachtens die verordening zijn 'Stiltegebieden' aangewezen aangewezen als toestel. stiltegebieden, ten aanzien van 5.Het college kan ontheffing motorrijtuigen die bij of krachtens verlenen van het in het eerste lid die verordening zijn aangewezen gestelde verbod. als 'toestel'. 6.Op de ontheffing is paragraaf 5.Het college kan ontheffing 4.1.3.3 van de Algemene wet verlenen van het in het eerste lid bestuursrecht (positieve fictieve gestelde verbod. beschikking bij niet tijdig beslissen) 6.Op de ontheffing is paragraaf niet van toepassing.
4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. AG
Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te
Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te
35
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 20e WIJZIGING
verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.Het verbod geldt niet voor zover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen en fakkels en dergelijke of b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand en deze vuren op eigen terrein zonder openbaar karakter branden of c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5.Het verbod geldt niet voor zover het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
2.Het verbod geldt niet voor zover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen en fakkels en dergelijke of b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand en deze vuren op eigen terrein zonder openbaar karakter branden of c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3,̊ van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
36