CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Thureborgh.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 14 september 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 8: Raadsinformatiebrief ter inzagelegging ontwerpbestemmingsplan '5e herziening Krispijn, locatie Mauritsweg 157'(Thureborgh) - Raadsinformatiebrief14.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

<0000>

Werken buiten het globale broedseizoen (1 maart tot 1 september), tenzij een ecoloog een locatie heeft vrijgegeven.

<0000>

Bij werkzaamheden binnen het broedseizoen vogels weren bij geschikte structuren (vegetatie/bebouwing) binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Dit moet worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding door een erkend ecoloog.

Door de aard van de geplande werkzaamheden is het noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen omdat negatieve effecten op vleermuizen (verstoring en aantasting verblijfplaatsen), ook met voorzorgsmaatregelen, niet kunnen worden voorkomen. Het doden van vleermuizen kan relatief eenvoudig worden voorkomen door het plaatsen van vleermuiswerende maatregelen, waardoor ontheffing noodzakelijk is. De procedure is inmiddels in gang gezet.

4.6.3 Conclusie Vanwege de aanwezigheid van vleermuizen moet een ontheffing Wet Natuurbescherming aangevraagd worden. Daarnaast moeten ook maatregelen worden genomen om te voorkomen dat vleermuizen worden gedood of nesten worden aangetast.

4.7 Geluid en trillingen 4.7.1 Regelgeving en beleid Volgens de Wet geluidhinder zijn alle wegen gezoneerd, met uitzondering van 30 km/uur gebieden en woonerven. Op 1 januari 2007 is de nieuwe Wet geluidhinder van kracht geworden. Hierin is de geluidsbelasting als daggemiddelde (Lden) weergegeven. Getalsmatig heeft dit tot gevolg dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wegverkeerslawaai veranderd is in 48 dB. Ook de maximale ontheffingswaarde is daarmee veranderd: van 65 dB(A) in 63 dB. Voor industrielawaai blijft de "oude" eenheid dB(A) nog van kracht. Wegverkeerslawaai In de Structuurvisie Dordrecht 2040 is het plangebied aangegeven als "stedelijk wonen". Als vertrekpunt behoort daarbij een maximale geluidbelasting van 53 dB voor woningen. Dit is door de aanwezigheid van geluidsbronnen, zoals doorgaande verkeersroutes, niet overal haalbaar. Industrielawaai De Wet geluidhinder verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied.

De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De geluidsbelasting ten gevolgen van railverkeer mag niet meer bedragen dan 55dB. In een aantal situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot maximaal 68 dB. Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 hebben burgemeester en wethouder van Dordrecht de "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder" vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend. Voor de verlening van hogere waarden dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Hiervoor zijn onder meer de volgende randvoorwaarden gesteld: <0000> woningen dienen in principe een geluidsluwe zijde te krijgen. Hierbij is een geluidsluwe zijde, een zijde waarvan de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. <0000> een buitenruimte bij een woning is in principe niet gelegen aan de hoogste belaste zijde.

<0000> het geluidsniveau in de buitenruimte van de woningen mag (indien gelegen aan de bronzijde) niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de geluidsbelasting op de als geluidsluw aangemerkte gevel. <0000> elke woning bevat in beginsel één slaapkamer die niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde is gesitueerd. Bij voorkeur wordt de helft van de geluidsgevoelige ruimten samen niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde gesitueerd. Trillingen

Vanwege de ligging langs het spoor moet mogelijk rekening worden gehouden met trillingen in het plangebied. Indien nieuwe woningen/gebouwen dichtbij het spoor (100 meter) en met nieuwe

funderingen zijn gepland kan trillinghinder voor de toekomstige bewoners/gebruikers ontstaan als gevolg van treinverkeer. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten wel te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. Prorail verwijst daarvoor naar de Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen. Daarin wordt geadviseerd een quickscan trillingshinder uit te voeren voor projecten die binnen 100 meter van het spoor liggen en nieuwe funderingen hebben. Daarnaast kan de gemeente in het bestemmingsplan regels stellen aan de omgang met trillingshinder door spoor.

Een vergunning voor de bouw van een trillingshindergevoelig hoofdgebouw mag pas verleend worden als de ontwikkelaar inzichtelijk heeft gemaakt hoe omgegaan wordt met trillingshinder.

4.7.2 Onderzoek Naar de geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woningen is onderzoek ("Herontwikkeling Thureborgh locatie - onderzoek geluid", DGMR Industrie, Verkeer en Milieu BV, 19 maart 2021) verricht. Deze is te vinden in bijlage 5. Het akoestisch onderzoek wijst uit dat dat bij 201 appartementen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het railverkeer. Voor drie woningen geldt een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer. Nergens is sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde, zodat geen wettelijke verplichting bestaat voor de toepassing van dove gevels. Dit betekent dat alle ramen in elke woning gewoon geopend mogen worden. Maatregelen wegverkeer Overdrachtsmaatregelen als geluidsschermen zijn hier niet realiseerbaar vanwege stedenbouwkundige aard. Voor deze woningen moeten hogere waarden worden aangevraagd. Het toepassen van bronmaatregelen is niet doelmatig omdat er dan stil asfalt op de Mauritsweg toegepast moet worden, hiervoor zijn echter geen financiële middelen. Maatregelen spoorwegverkeer Aan de noordoostzijde van Thureborgh staat een 3 meter hoog geluidsscherm langs het spoor. Om het geluid zo dicht mogelijk bij de bron te reduceren is de plaatsing van een aanvullend 6 meter hoog geluidsscherm over een lengte van circa 500 meter onderzocht.

Met dit extra scherm is de geluidsbelasting bij 124 woningen echter nog steeds boven de voorkeursgrenswaarde en de maximale geluidsbelasting is nog steeds 62 dB. Een (extra hoog) geluidsscherm langs het spoor heeft dus relatief weinig tot geen invloed op de geluidsbelaste woningen in Thureborgh, omdat het hier grotendeels hoogbouw betreft. Pas met een scherm van 17 meter hoog is het mogelijk om bij alle woningen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde weg te nemen. Een dergelijk scherm is stedenbouwkundig en financieel niet wenselijk en realiseerbaar. Bron- en overdrachtsmaatregelen voor het spoor zijn dus erg moeilijk te treffen en leiden niet tot een substantiële verlaging van de geluidsbelasting. Doordat dit een bestemmingsplan is met verbrede reikwijdte zijn hogere waarden opgenomen in de regels.

Trillingen Het bestemmingsplan voorziet voor een groot deel in nieuwbouw op bestaande bouw, dus op de huidige funderingen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden op de begane grond op ca 85 meter van het spoor een woongebouw te realiseren, achter de huidige bebouwing. Het concrete bouwplan is nog niet bekend, ook is nog niet bekend of de bestaande fundering wordt behouden. Dit maakt het lastig om op voorhand onderzoek naar trillinghinder uit te voeren. Om die reden wordt er voor gekozen de onderzoeksplicht door te schuiven naar de bouwplanfase. Dit is mogelijk op basis van de Crisis- en herstelwet (zie paragraaf 2.3). Bij de vergunningaanvraag zal de ontwikkelaar aan moeten geven hoe omgegaan wordt met mogelijke trillingshinder.

4.7.3 Conclusie

Omdat de hoogst toelaatbare geluidbelasting voor het wegverkeerslawaai en spoorwegverkeer overschreden wordt, zijn in dit bestemmingsplan hogere waarden vastgelegd. Voor trillingen is in artikel 10.1 opgenomen dat in de zone langs het spoor rekening gehouden moet worden met trillingshinder. Dit kan door middel van onderzoek gedaan worden. Hoe dit onderzoek wordt vormgegeven is aan de initiatiefnemer. Geadviseerd wordt de Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen hierop te raadplegen.

4.8 Groen 4.8.1 Regelgeving en beleid In de Structuurvisie Groene Ruimte, het Boomstructuurplan, Nota Parken, de Nota Kleurrijk Groen zijn uitgangspunten voor de groenvoorzieningen opgenomen. De bomenstructuur op het Eiland van Dordrecht valt grotendeels samen met de belangrijke structuurelementen, zoals het patroon van dijken, wegen, water en bebouwing. Bomen vullen deze structuurelementen in ruimtelijk, maar ook functioneel opzicht aan.

4.8.2 Onderzoek Thureborgh ligt in het Weizigtpark en sluit aan bij de parkstructuur. Er wordt niet in het park gebouwd. De monumentale bomen die onderdeel zijn van het oude landgoed blijven behouden.

4.8.3 Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan het beleid van de gemeente.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Regelgeving en beleid Op 15 november 2007 is in de Wet milieubeheer een hoofdstuk opgenomen over luchtkwaliteit. Het Besluit Luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. Op 31 juli 2009 heeft de Minister van VROM het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld. Het NSL bevat de maatregelen die vereist zijn om tijdig te voldoen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het NSL biedt ook de onderbouwing voor de in het NSL genoemde ruimtelijke projecten met gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het NSL heeft een looptijd van vijf jaar en is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Artikel 15.6, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om projecten te realiseren die “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdragen aan de concentratie van een stof waarvoor de richtlijnen een grenswaarde bevatten. Nadere toetsing aan de grenswaarden is in dat geval niet nodig. Omdat in Nederland alleen de concentraties PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide) de grenswaarden dreigen te overschrijden, richt de uitwerking van het begrip NIBM zich op deze twee stoffen. Het begrip NIBM is gedefinieerd in de algemene maatregel van bestuur “niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”, kortweg het Besluit NIBM.

Een bijdrage aan de concentratie PM10 of NO2 wordt als “in betekenende mate” (IBM) beschouwd als de bijdrage groter is dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor één van beide stoffen. Een project wordt dus aangemerkt als NIBM als de bijdrage van dat project niet groter is dan 1,2 μg/m PM10 én niet groter dan 1,2 μg/m NO2. Als dit aannemelijk kan worden gemaakt, is een nadere toetsing of onderbouwing wat betreft de luchtkwaliteit niet nodig. Deze grens van 3% is gekoppeld aan de werking van het NSL. Het effect van het NSL-maatregelenpakket is namelijk zo groot dat de grenswaarden ook worden bereikt als projecten onder deze 3%-grens niet afzonderlijk, op projectniveau, worden gecompenseerd voor hun effect op de luchtkwaliteit. De effecten van deze projecten worden met andere woorden op programmaniveau gecompenseerd. Om het beoordelen van projecten te vergemakkelijken, is de 3%-grens voor een aantal categorieën projecten "vertaald" in een getalsmatige grens. Dat is gebeurd in de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In voorschrift 3A.2 van bijlage 3A van de Regeling NIBM is bepaald wanneer een woningbouwplan NIBM is. Dit is het geval in de volgende situaties: <0000> het plan omvat niet meer dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. <0000> Het plan omvat niet meer dan 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling over beide wegen.

4.9.2 Onderzoek In het luchtkwaliteitsonderzoek ("Thureborgh-onderzoek luchtkwaliteit", DGMR, 2 december 2020, zie ook bijlage 6) is geconcludeerd dat het plan voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. Een project of plan kan doorgang vinden wanneer het “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nieuwbouwprojecten met maximaal 1.500 woningen zijn NIBM. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 451 woningen. Hiermee draagt het project per definitie niet in betekenende mate bij aan de verschillende concentraties.

4.9.3 Conclusie Het omgevingsaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Voor het stikstofonderzoek wordt verwezen naar paragraaf 4.10.

4.10 Stikstof 4.10.1 Regelgeving en beleid Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus en bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten op het beschermde natuurgebied. Indien er sprake is van significante effecten is een Wet natuurbeschermingvergunning (Wnb-vergunning) noodzakelijk. PAS In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen.

Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van een toename van (meer dan 0,05 mol/ha/jaar) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.

4.10.2 Onderzoek Er is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke stikstofdepositie "Onderzoek stikstofdepositie herontwikkeling Thureborgh", DGMR, 2 december 2020) verricht. Deze is te vinden in bijlage 7. Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2020. In de berekeningen zijn de emissies van NOX en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: <0000> <0000> <0000>

Woningen (gebruiksfase); Verkeersbewegingen binnen en buiten het plangebied (gebruiksfase en aanlegfase); Bouwwerkzaamheden (aanlegfase).

Woningen (gebruiksfase) Het voornemen bestaat uit de gecombineerde verbouwing, optopping en nieuwbouw van het bestaande gebouw. In de huidige situatie wordt het gebouw gebruikt voor studentenhuisvesting, deze zijn aangesloten op het gasnetwerk. Het nieuwe bouwvolume is ook bestemd voor de functie wonen, voor young professionals. In de herontwikkeling worden alle nieuwe woningen gasloos uitgevoerd. Het nieuwe complex zal circa 450 huurappartementen hebben. De installaties van de huidige en blijvende woningen veroorzaken dezelfde hoeveelheid stikstofemissies. De vervoersbewegingen zijn berekend op basis van de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Bouwfase Gedurende het eerste jaar vinden de zware constructiewerkzaamheden plaats, zoals de aanleg van fundering en de realisatie van de opbouw. In het tweede jaar wordt het complex afgebouwd en woonrijp gemaakt. Uit de berekening van zowel de gebruiks- als de bouwfase volgt dat het plan geen relevante bijdrage heeft op de stikstofgevoelige natuurgebieden. De berekende depositie voldoet voor beide fases aan de afgeronde grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar.

4.10.3 Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde.

4.11 Verkeer en vervoer 4.11.1 Regelgeving en beleid Mobiliteitsplan Dordrecht Op 6 september 2005 heeft de gemeenteraad het beleidsvoornemen van het Mobiliteitsplan Dordrecht vastgesteld. Het Mobiliteitsplan Dordrecht beoogt een antwoord te bieden op de opgaven die vanuit een toenemende (auto)mobiliteit op Dordrecht af komen. Vanuit de vaak tegengestelde belangen van bereikbaarheid en leefbaarheid wordt gestreefd naar gebiedsgericht maatwerk. De hoofddoelstelling van het mobiliteitsplan is het verbeteren van de bereikbaarheid en het handhaven van de leefbaarheid. Op stadsniveau is een stelsel van hoofdwegen en secundaire wegen vastgesteld, waarbij gemotoriseerd verkeer zo vlot mogelijk naar wegen van een hogere orde afgewikkeld dient te worden. In het plan wordt een duidelijke keuze gemaakt voor het versterken en verbeteren van de radialen naar de binnenstad.

4.11.2 Onderzoek Deze woningbouwlocatie kan gebruik maken van het bestaande wegennet. Nieuwbouw moet voldoen aan de parkeernormen van de gemeente Dordrecht. Hiervoor hanteert de gemeente de "Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten". Op basis van het nu bekende bouwplan is nagegaan of voldaan kan worden aan dit beleid. De parkeervraag dient te worden opgelost op eigen terrein, binnen het plangebied. Hiervoor is een memo door RHO adviseurs opgesteld (zie bijlage 8). Hierin is in samenspraak met de verkeerskundige van de gemeente de fiets- en autoparkeervraag onderbouwd. De beoogde ontwikkeling bestaat uit een uitbreiding van het huidige campus-complex. Er worden in totaal maximaal 451 wooneenheden gerealiseerd. Er wordt in de parkeerbehoefteberekening rekening gehouden met 225 eenheden bewoond door studenten en 226 eenheden bewoond door niet-studenten. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer zal voor de doelgroep studenten hoog zijn. Omdat de ligging van de Thureborgh Campus op korte afstand van station Dordrecht is en er sprake is van een goede bereikbaarheid per fiets en openbaar vervoer zal het autobezit laag zijn. Door de gemeente is om die redenen voorgesteld dat voor de studenteneenheden een parkeernorm van 0,1 parkeerplaats per woonunit wordt gehanteerd.

Deze norm sluit tevens aan bij de landelijke CROW kencijfers in categorie ‘Kamerverhuur, studenten, niet-zelfstandig’. Reductiefactoren Voor de overige jongerenwoningen (niet-studenten) geeft het gemeentelijk parkeerbeleid een norm van 0,6 parkeerplaats per woning (woningen kleiner dan 40 m2). Het bezoekersaandeel is daarbij 0,3 parkeerplaats per woning. Indien in de nabijheid van een nieuwbouwproject sprake is van de aanwezigheid van OV-voorzieningen (halte /station) mag op de parkeernorm een reductiepercentage worden toegepast. Dordrecht CS bevindt zich binnen 500 meter loopafstand vanaf de projectlocatie; er mag daarom een reductiefactor van 20% worden toegepast op de gegeven parkeernorm.

Indien een nieuwbouwproject is gesitueerd in de directe nabijheid van kwalitatief hoogwaardige fietsvoorzieningen mag op de parkeernorm een reductiefactor van 10% worden toegepast (bij een hoge kwaliteit fietsvoorziening). Er worden hoge kwaliteit gezamenlijke stallingen gerealiseerd voor bewoners en bezoekers van de campuswoningen. Tot slot wordt ingezet op het gebruik van de P+R-voorziening Weeskinderendijk, in dat kader mag op de reguliere parkeernorm een reductiefactor van 5% worden toegepast indien het nieuwbouwproject binnen een maximale afstand van 1.500 meter. Dit is voor de Thureborgh Campus het geval. Vervolgens kan te voet (circa 15 minuten) of met de bus de campus worden bereikt. Het totale reductiepercentage op de parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per woning bedraagt voor deze locatie dus 35%. Omdat voor de studentenwoningen al wordt gerekend met een lagere parkeernorm worden daar geen reductiefactoren op toegepast. Na toepassen van de reducties voor de ligging t.o.v. openbaar vervoer en de hoge kwaliteit fietsvoorziening bedraagt de normatieve parkeerbehoefte 111 parkeerplaatsen. Deelauto's De initiatiefnemer heeft het voornemen om op een aantal parkeerplaatsen (8 stuks) deelauto’s te stallen. Over het algemeen wordt de verhouding aangehouden dat één autoparkeerplaats met deelauto vijf reguliere autoparkeerplaatsen vervangt.

Dat betekent een afname van (5 * 8 =) 40 parkeerplaatsen minder. Wel moet er nog rekening worden gehouden met 8 parkeerplaatsen waarop de deelauto’s worden gestald. Aanwezigheidspercentages Vervolgens wordt gekeken naar de aanwezigheidspercentages. Het maatgevende moment bij deze ontwikkeling ligt op de werkdagavond. De berekende parkeerbehoefte is op dat moment van de week het hoogst. De parkeerbehoefte voor bewoners is dan 90% van het totaal (excl. deelauto’s) en voor bezoekers 80% van het totaal. Op het maatgevende moment (werkdagavond) bedraagt de parkeerbehoefte 60 parkeerplaatsen. Inclusief de deelautoplaatsen, die niet kunnen worden ingezet voor dubbelgebruik, betekent dat een parkeerbehoefte van 68 parkeerplaatsen, waarvan 8 deelautoplaatsen. Fietsparkeren Met de ontwikkeling is een gezamenlijke fietsenstalling met een BVO van 800 m² beoogd. In totaal bedraagt de fietsparkeerbehoefte van het woonprogramma 947 stallingsplaatsen (541 stallingsplaatsen voor bewoners, 406 voor bezoekers). Rekening houdend met een gemiddelde oppervlakte van circa 0,8 m² per stallingsplaats, is de te realiseren fietsenstalling ruim voldoende om aan de fietsparkeervraag te kunnen voldoen.

4.11.3 Conclusie Het onderzoek toont aan dat binnen de regels van dit bestemmingsplan een bouwplan gerealiseerd kan worden dat voldoet aan de gemeentelijke verkeerbeleid en de beleidsregels voor parkeren. In het kader van de omgevingsvergunning bouwen zal straks de definitieve toetsing aan de beleidsregels plaatsvinden.

4.12 Water 4.12.1 Regelgeving en beleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De provincie Zuid Holland heeft een Provinciaal Waterplan opgesteld met het provinciaal beleid ten aanzien van water. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet.

Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheerprogramma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Stedelijk Waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009-2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan.

Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hollandse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes

van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is rekening gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond. Het water draagt bij aan de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied. De waterstructuur is een aantrekkelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water. Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht.

4.12.2 Onderzoek De ontwikkeling betreft het optoppen van bestaande gebouwen en nieuwbouw ter plaatse van de huidige parkeerplaats. Het nieuw te creëren binnenterrein wordt heringericht. Hier worden 68 parkeerplaatsen voorzien. Er is sprake van een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m2. Dat betekent dat moet worden voorzien in watercompensatie. Het waterschapsbeleid schrijft voor dat compensatie (10% van de toename verhard oppervlak) in de vorm van functioneel openwater moet worden aangelegd. Ter plaatse is onvoldoende terrein aanwezig om te kunnen voorzien in deze behoefte. In afstemming met het bevoegd gezag wordt gezocht naar alternatieve oplossingen. Hierbij gaat de voorkeur uit naar de toepassing van waterdoorlatende bestrating en halfverharding in combinatie met grindkoffers voor het vasthouden van hemelwater. Bij eventuele sloop wordt de wateropgave meegenomen in het ontwerp van de aansluiting met het Weizigtpark. De wateropgave wordt nog nader uitgewerkt bij de definitieve terreininrichting. De nieuwe woningen worden voor de afvoer van vuilwater aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioleringsstelsel. Dit is in lijn met het beleid van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen in of binnen een beschermingszone van een primaire of secundaire waterkering, of nabij een primaire of secundaire watergang.

Er spelen geen waterschapsbelangen Conclusie Ten aanzien van het aspect water geldt dat de ontwikkeling geen belangrijke negatieve effecten heeft voor het milieu. In afstemming met het bevoegd gezag wordt een oplossing bepaald voor noodzakelijke watercompensatie.

4.12.3 Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan het waterbeleid en de wetten en regels op dit gebied.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Regelgeving en beleid De ruimtelijke ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, is een activiteit als bedoeld in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.): D11.2 De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten, die zijn genoemd in bijlage D, maar onder de daar genoemde drempelwaarden blijven, uitvoering worden gegeven aan de artikelen 7.16, 7.17 eerste t/m vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. Omdat de gemeente initiatiefnemer is van dit plan heeft de gemeente een notitie opgesteld op basis van het onderzoek dat Tritium Advies (zie onder 4.12.2) heeft uitgevoerd. Deze notitie is schriftelijk voorgelegd aan het bevoegd gezag en verstrekt in elk geval de informatie als genoemd in artikel 7.16, tweede lid. Daarbij dient hij o.a. rekening te houden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (lid 3) en kan hij een beschrijving verstrekken van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.

Het bevoegd gezag neemt op grond van artikel 7.17 lid 1 Wm uiterlijk 6 weken na de datum van ontvangst van de mededeling van de initiatiefnemer een beslissing of bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In de motivering van de beslissing verwijst het bevoegd gezag in elk geval naar: a. b.

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; indien is beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in 7.16, vierde lid, die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen of mede ten grondslag hebben gelegen en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn.

Als er maatregelen en/of kenmerken aan de activiteit zijn verbonden om aanzienlijke milieugevolgen te voorkomen, verbindt het bevoegd gezag voorschriften aan het besluit zodat zeker is dat deze uitgevoerd of toegepast worden.

4.13.2 Onderzoek In het rapport van DGMR d.d. 19 maart 2021 (bijlage 8) is beoordeeld of de ontwikkeling van Thureborgh belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg heeft. Op de aspecten landschap, water, externe veiligheid, bodem, geurhinder, verkeer, geluidhinder, luchtkwaliteit en archeologie zijn, met inachtneming van de onderzoeken als beschreven in de paragrafen 4.1 t/m 4.12 op voorhand geen effecten voor het milieu te verwachten.

4.13.3 Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. Wezenlijke cumulatieve effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen zijn niet te verwachten. Er is dan ook geen aanleiding om een formele m.e.r.-procedure te voeren voor deze ontwikkeling. Het college van burgemeester en wethouders heeft op .. augustus 2021 besloten dat het niet nodig is een milieueffectrapport te maken.

DEEL 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Planmethodiek De bestemmingen zijn van de verbeelding afleesbaar. In de regels is aangegeven onder welke voorwaarden er gebouwd kan worden. De bestemming Woongebied bevat directe bouwtitels. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

5.2 Regels Algemeen Er is sprake van een herziening en dat houdt in dat slechts een gedeelte van het geldende bestemmingsplan "Krispijn" op onderdelen wordt herzien. Het plan is vormgegeven als een zelfstandige herziening. Bestemmingen Gemengd Deze bestemming is gericht op het realiseren van appartementen, een koffiecorner, sportfaciliteiten en een eventuele gemakswinkel: een winkel voor kleine en snelle aankopen met een beperkt assortiment van dagelijkse of direct te gebruiken artikelen. Verkeer De wegen, parkeerplaatsen en trottoirs binnen het plangebied zijn bestemd voor 'Verkeer'. Binnen deze bestemming is de aanleg van groen en bij de bestemming behorende voorzieningen toegestaan. Waarde - Archeologie - 3 (dubbelbestemming) In het bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -3' opgenomen. Veiligheidszone- vervoer gevaarlijke stoffen De spoorlijn Breda-Dordrecht-Rotterdam heeft een beoordelingszone groepsrisico dat zich uitstrekt in dit bestemmingsplan. De zone is in de verbeelding aangeduid. Milieuzone- trillingshinder Spoor Een vergunning voor de bouw van een trillingshindergevoelig hoofdgebouw mag pas verleend worden als onderzoek is gedaan naar trillingshinder.

Overgangsrecht en naam In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het ter inzage leggen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Tot slot is in de slotregel de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

5.3 Verbeelding In de verbeelding zijn de gronden van de woningbouwlocatie Thureborgh inclusief de doorgaande wegen tussen de bouwblokken opgenomen.

DEEL 6 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor de gronden waar een aangewezen bouwplan is voorgenomen. De bouwgrond is uitgegeven in erfpacht. In het Besluit ruimtelijke ordening staat wat wordt verstaan onder een aangewezen bouwplan. In dit bestemmingsplan is hiervan sprake, omdat het de mogelijkheid tot de bouw van woningen bevat. Een exploitatieplan is niet nodig als de kosten van het bestemmingsplan anderszins verzekerd zijn. Dit kan met een overeenkomst of via de gronduitgifte. De betreffende gronden worden uitgegeven via een erfpachtregeling en er zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. Het opstellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro is om deze reden achterwege gelaten.

DEEL 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak Aangezien een woningbouwontwikkeling past in dit gebied en hiervan overigens al eerder sprake was, is er geen sprake is van een wijziging van beleid. Voor de buurt is over deze bestemmingsplanherziening in 2018 een inloopavond georganiseerd. Op 17 februari 2021 is in een digitale bijeenkomst een toelichting gegeven op het bouwplan en op de bestemmingsplanprocedure. Gelet hierop is afgezien van een inspraakronde en heeft een ieder direct de gelegenheid zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen bij de gemeenteraad.

7.2 Overleg Het in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overleg is gevoerd met: 1. Provincie Zuid-Holland (digitaal formulier); 2. Waterschap Hollandse Delta; 3. Veiligheidsregio; 4. Nederlandse Gasunie; 5. KPN; 6. Tennet TSO B.V.; 7. Evides; 8. Stedin; 9. Omgevingsdienst Haaglanden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/336/documents/11955