CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Thureborgh.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 14 september 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 8: Raadsinformatiebrief ter inzagelegging ontwerpbestemmingsplan '5e herziening Krispijn, locatie Mauritsweg 157'(Thureborgh) - Raadsinformatiebrief14.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting 5e herziening Krispijn, locatie Mauritsweg 157

Gemeente Dordrecht fase: Ontwerpbestemmingsplan datum: Augustus 2021

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Inleiding 4 1.1 Aanleiding en doel 4 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 4 1.3 Vigerend bestemmingsplan 5 1.4 Leeswijzer 5 HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving 6 2.1 Bestaande situatie 6 2.2 Toekomstige situatie 6 HOOFDSTUK 3 Beleidskader 8 3.1 Rijksbeleid 8 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 8 3.1.2 Amvb Ruimte 8 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 8 3.2 Provinciaal beleid 9 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland 9 3.2.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland 9 3.3 Gemeentelijk beleid 11 3.3.1 Structuurvisie Dordrecht 2040 11 3.3.2 Bestemmingsplan Krispijn 11 HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 12 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 12 4.1.1 Regelgeving en beleid 12 4.1.2 Onderzoek 13 4.1.3 Conclusie 13 4.2 Bedrijven en milieuzonering 14 4.2.1 Regelgeving en beleid 14 4.2.2 Onderzoek 14 4.2.3 Conclusie 14 4.3 Bodemkwaliteit 15 4.3.1 Regelgeving en beleid 15 4.3.2 Onderzoek 15 4.3.3 Conclusie 16 4.4 Duurzaamheid 17 4.4.1 Regelgeving en beleid 17 4.4.2 Onderzoek 17 4.4.3 Conclusie 17 4.5 Externe veiligheid 18 4.5.1 Regelgeving en beleid 18 4.5.2 Onderzoek 19 4.5.3 Conclusie 19 4.6 Natuur 20 4.6.1 Regelgeving en beleid 20 4.6.2 Onderzoek 20 4.6.3 Conclusie 21 4.7 Geluid 22 4.7.1 Regelgeving en beleid 22 4.7.2 Onderzoek 22 4.7.3 Conclusie 23 4.8 Groen 24 4.8.1 Regelgeving en beleid 24 4.8.2 Onderzoek 24 4.8.3 Conclusie 24 4.9 Luchtkwaliteit

25 4.9.1 Regelgeving en beleid 25 4.9.2 Onderzoek 25 4.9.3 Conclusie 25 4.11 Verkeer en vervoer 27 4.11.1 Regelgeving en beleid 27 4.11.2 Onderzoek 27

4.11.3 Conclusie 4.12 Water 4.12.1 Regelgeving en beleid 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie HOOFDSTUK 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Planmethodiek 5.2 Regels 5.3 Verbeelding HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak 7.2 Overleg

27 28 28 29 30 32 32 32 32 33 34 34 34

Bijlagen: Bijlage 1. Archeologisch onderzoek; Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO) Nassauweg, Dordrecht, © Becker & Van de Graaf bv, projectnummer 13120109/34102, d.d.mei 2009; Bijlage 2. Bodemonderzoek: Verkennend bodemonderzoek + asbest in grond Thureborghlocatie Mauritsweg 157 Dordrecht, APS - Milieu B.V, projectnr R20-B308 / R20-B403 / R20-B424, d.d. mei 2020; Bijlage 3. Externe Veiligheid: HERONTWIKKELING THUREBORGH Onderzoek Externe Veiligheid, Arcadis, projectnr : D10001670:60, d.d. 29 januari 2020; Bijlage 4. Flora en Fauna: Quickscan Wet natuurbescherming Mauritsweg 157 Dordrecht, ATKB, Rapportnr 20200331/rap01, d.d. 8 april 2020; Bijlage 4a. Flora en Fauna (aanvullend): Ecologisch onderzoek Thureborgh, ATKB/Bureau Bakker, Rapportnr 20200468/rap01, d.d. 14 december 2020; Bijlage 5. Akoestisch onderzoek: Herontwikkeling Thureborgh locatie - onderzoek geluid, DGMR, Rapport nr M.2020.0295.03.R001, d.d. 19 maart 2021; Bijlage 6. Luchtkwaliteit: Thureborgh, onderzoek luchtkwaliteit, DGMR, rapportnr M.2020.0295.04.N001, d.d. 8 mei 2020; Bijlage 7. Stikstofonderzoek: Onderzoek stikstofdepositie, DGMR, rapportnr M.2020.0295.02.R001, d.d. 2 december 2020; Bijlage 7a. AERIUS Calculator gebuiksfase, DGMR, kenmerk RhWZpCFrowu6, d.d. 26 november 2020. Bijlage 7b. AERIUS Calculator Bouwfase, DGMR, kenmerk RZ1xnshYmhJk, d.d. 26 november 2020.

Bijlage 8. Memo parkeren en fietsparkeren Thureborgh, Rho Adviseurs, d.d. 16 september 2020 Bijlage 9. Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, DGMR, rapportnr M.2020.0295.05.N001, d.d. 19 maart 2021.

DEEL 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel De gemeente Dordrecht werkt, samen met andere partijen, aan de vernieuwing van Oud Krispijn. Het plangebied is de locatie waar voorheen zorgcentrum Thureborgh was gevestigd en wat nu dienst doet als studentenhuisvesting. De gemeente heeft de opgave om de woningvoorraad de komende jaren fors te laten toenemen. Dit vanwege de toenemende vraag naar woningen. Ook is het voor de gemeente belangrijk om jongvolwassenen, die tegen het einde van hun studie zitten of net aan een baan wil beginnen, een kans te bieden in de stad te blijven wonen. In het voormalige verzorgingstehuis wonen nu 144 studenten en jongeren. Het complex wordt getransformeerd. Er wordt een aantal verdiepingen toegevoegd en gaat daarna plek bieden aan circa 450 jongeren en studenten. In hoofdstuk 2 van deze toelichting worden bij het onderdeel toekomstige situatie genoemde uitgangspunten beschreven. In grote delen van het plangebied wordt uitgegaan van de huidige situatie en de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het westelijk deel van Dordrecht en wordt globaal begrensd door: <0000> <0000> <0000>

In het noorden: Markettenweg In het oosten: Weizigtweg In het zuiden: Mauritsweg

<0000>

In het westen: Weizigtpark

kaartje ligging plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Krispijn'. De gemeenteraad stelde dit plan vast op 28 oktober 2014. In dit plan is voor onderhavig plangebied een woonbestemming opgenomen. Het nieuwe woningbouwplan is strijdig met de het bestemmingsplan. Om het nieuwe plan te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 1 zijn enkele algemene, in ieder bestemmingsplan voorkomende, onderdelen beschreven. In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven en wordt de nieuwe situatie toegelicht. In hoofdstuk 3 komt het beleid van rijk, provincie en gemeente aan de orde. Bij de beschrijving van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan onder meer archeologie, flora en fauna, water en geluid. Per aspect worden de regelgeving en het beleid beschreven. Vervolgens worden de onderzoeken toegelicht en conclusies getrokken. In hoofdstuk 5 is een juridische planbeschrijving opgenomen. De hoofdstukken 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

DEEL 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Bejaardentehuis Thureborgh is gebouwd omstreeks 1962-1964. Naast de Ypsilon-achtige vorm tegen het park is ook de bouw van een flatgebouw onderdeel geweest van het centrum. Tot 2015 is het pand in gebruik geweest als verzorgingshuis. In de loop der jaren is het flatgebouw gesloopt en zijn er op het pand aan de Mauritsweg 157 twee extra vleugels op het bestaande gebouw gekomen. In de tussentijd is het pand in gebruik genomen als woningen voor studenten en een aantal kantoorruimtes en doet de vleugel t.p.v. de nieuwe fietsenstalling (behorende bij het station) dienst als hospice.

2.2 Toekomstige situatie

Het project heeft als doel Thureborgh uit te breiden door aan elke vleugel ten minste één niveau toe te voegen en ook een zevende vleugel naar het oosten aan te leggen. Een hoogteaccent zou de ingang van het complex kunnen markeren. Belangrijk is dat het pand onderdeel is van het Weizigtpark en kwalitatief aansluit op het nieuwe parkontwerp. Daarom zal de groenzone ook aan de oostzijde van het pand doorgetrokken worden tot aan het bouwblok aan de Weizigtweg. In de toekomstige ontwikkeling zal het park ook aansluiting vinden door groen en waterstroken vanuit de Charlotte de Bourbonstraat en de Nassauweg. De achterzijde van het station is een belangrijk onderdeel in dit plan, naast dat het als fietsenstalling dient is het ook de tweede in- en uitgang van het station. De route die hier naartoe leidt en daarmee ook de aansluiting tussen het entreegebouw en de hoofdbebouwing vormt, is daarom bepalend voor dit gebied. Het gebouw heeft als hoofdvorm een soort Ypsilon-vorm met daaraan een aantal verbijzonderingen (aanbouwen). Om dit middengebied aantrekkelijker te maken is het wenselijk om de verbijzondering aan deze zijde (de aanbouw in het midden van het pand) te slopen om zo meer ruimte te creëren. De monumentale bomen die onderdeel zijn van het oude landgoed blijven behouden.

De woningen aan deze zijde kunnen dan zo gesitueerd worden dat zij uitkijken op dit gebied en een eigen entree hebben. Het gebied zal meer sociale controle hebben en levendiger worden. Door middel van een campus en jongerencontracten kan gewaarborgd worden dat alleen de doelgroep van starters, studenten en net-afgestudeerden er woont. Deze contracten zijn dan beide van tijdelijke aard en er kan niet verhuurd worden aan mensen ouder dan 33 jaar. Balkons/Terrassen De Thureborgh is een woongebouw dat vrij in het Weizigtpark staat. Dit betekent dat het openbaar gebied tot aan de gevel van het gebouw loopt. Het is niet de bedoeling dat een deel van het park rondom de Thureborgh (permanent) wordt toegeëigend door haar bewoners. Tegelijkertijd is het vanuit het oogpunt van levendigheid en sociale veiligheid wenselijk om buitenruimtes van de woningen aan het park te situeren. Hiervoor is in dit bestemmingsplan waar nodig een zone van 2,5m rondom het gebouw opgenomen waarbinnen onder voorwaarden terrassen en/of balkons kunnen worden gerealiseerd. Het vakteam Stedenbouw toetst balkons en terrassen aan de volgende randvoorwaarden: <0000>

Balkons/Terrassen worden zo vormgegeven dat het voor iedereen duidelijk is waar het privégebied eindigt en het openbaar gebied begint. Dit kan bijvoorbeeld door middel van het realiseren van een hoogte verschil of een balustrade. <0000> Balkons/Terrassen worden bij voorkeur deels achter de voorgevel gerealiseerd (zoals ook het geval is bij de balkons van de bestaande bouw). Zo wordt het privékarakter meer benadrukt en biedt het de bewoners meer geborgenheid/privacy dan wanneer de balkons/terrassen volledig uitpandig zouden worden gerealiseerd. Daar waar balkons/terrassen op de begane grond ook als entrees van de woningen dienen wordt dit ook duidelijk leesbaar gemaakt in het ontwerp.

2.3 Toepassing Crisis- en herstelwet Het plangebied voor Thureborgh is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen als gebied ter uitvoering van de Crisis- en herstelwet (wijziging Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet d.d. 4 oktober 2019). Dat wil zeggen dat de gemeente Dordrecht voor dit gebied al vooruit mag lopen op de komende Omgevingswet. Dat biedt de mogelijkheid om in dit bestemmingsplan een bredere reikwijdte toe te passen en ook onderwerpen als gezondheid, duurzaamheid en milieu te regelen. Een dergelijk bestemmingsplan met verbrede reikwijdte biedt daarnaast de mogelijkheid om nu al het bestemmingsplan vast te stellen, terwijl nog niet helemaal duidelijk is hoe het plangebied er uit komt te zien. Dit plan maakt daar gebruik van voor door toepassing van artikel 7c negende lid van het Uitvoeringsbesluit Crisis- en herstelwet. Deze bepaling maakt het mogelijk milieuonderzoeken door te schuiven en te volstaan met een globale inventarisatie van de milieugevolgen voorafgaand aan de vaststelling. Daarnaast biedt artikel 7c lid 15 de mogelijkheid om in een bestemmingsplan ook eisen te stellen aan gegevens en bescheiden die nodig zijn om de milieugevolgen goed te kunnen beoordelen.

DEEL 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze visie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: <0000> Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; <0000> Duurzaam economisch groeipotentieel; <0000> Sterke en gezonde steden en regio's; <0000> Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.

Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: <0000> Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; <0000> Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; <0000> Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

3.1.2 Amvb Ruimte De nationale ruimtelijke belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Amvb Ruimte, Barro). Doel is om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan deze algemene regels. De onderhavige herziening voldoet aan het beleid en de algemene regels van het rijk.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze (extra) motiveringseis geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. Op 1 juli 2017 is de Ladder herzien, waardoor artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening nu als volgt luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." De behoefte blijkt uit de provinciale woningbehoefteraming (WBR). Bij de bepaling van de behoefte (gewenste woningvoorraadgroei) wordt gewerkt met twee demografisch gestuurde

ramingen: ‘binnenlands migratiesaldo nul’ (WBR) en ‘binnenlands migratiesaldo trendmatig’ (TR). De provincie stelt eens in de drie jaren het hoogste aantal woningen per regio vast als standaard voor de onderbouwing van de woningbehoefte. De Woningbehoefteraming gaat voor de woonregio Drechtsteden uit van een woningbehoefte van 6.680 woningen in de periode 2020-2030. De woningbehoefte in Dordrecht is berekend op 2.990 woningen. Studentenhuisvesting wordt niet meegerekend in de prognose. De gemeente heeft de ambitie om tot 2030 10.000 woningen toe te voegen. Uit de monitor bouwende stad blijkt dat er nu plannen zijn voor 4.000 woningen. Per 1 januari 2020 is er harde planvoorraad voor 2.000 woningen en in 2020 worden daar nog eens 2.000 woningen aan toegevoegd. Dit plan is daar een van. Ook is gebleken dat er in 2018 en 2019 geen sociale huurwoningen zijn gebouwd, maar inmiddels wel 500 minder zijn dan in 2016. Daarom heeft Dordrecht aangegeven dat er de komende twee jaar 400 nieuwe sociale huurwoningen bij moeten komen. Gelet op de grote behoefte aan betaalbare studenten/starterswoningen, is gekozen voor een groter programma, met in totaal circa 450 appartementen. Met dit project worden in totaal 300 tot maximaal 325 woningen (appartementen) toegevoegd. Het project maakt onderdeel uit van de regionaal afgestemde planlijst.

Er zijn harde plannen voor 2.000 woningen en de behoefte is 3.100 woningen. Ook wordt door de provincie aangegeven dat de plancapaciteit minstens 20% meer moet zijn dan het aantal werkelijk te bouwen woningen, omdat er altijd sprake is van vertraging. De noodzakelijke plancapaciteit in de gemeente komt dan uit op 2.400 woningen. Er is dus meer behoefte dan de nu genoemde plancapaciteit. Beschrijving kwalitatieve woningbehoefte Voor wat betreft de kwalitatieve woningbehoefte is er een grote vraag naar betaalbare woningen voor studenten en starters. Dat blijkt uit de Dordtse paragraaf van de woonvisie ‘Goed Wonen in de Drechtsteden’: ‘Goed Wonen in Dordrecht 2019-2031’ (2019). In deze lokale paragraaf beschrijft de gemeente Dordrecht hoe zij uitvoering geeft aan de afspraken zoals vastgelegd in de Regionale Woonvisie 2017-2031 'Goed wonen in de Drechtsteden'. De regionale woonvisie vormt het kader voor het woonbeleid in de gemeente zowel kwantitatief als kwalitatief. Het plan draagt bij aan het op peil houden van de sociale huurvoorraad. De gemeente wil de kansen op een woning vergroten voor starters. Het plan draagt daar aan bij. De ontwikkeling geeft invulling aan de grote behoefte aan starters/studentenwoningen. De locatie is zeer kansrijk voor studenten door de ligging in de spoorzone, naast het station en op loopafstand van de historische binnenstad.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.

3.2.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: <0000> <0000> <0000> <0000>

Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven is geformuleerd: <0000> Naar een klimaatbestendige delta <0000> Naar een nieuwe economie: the next level <0000> Naar een levendige meerkernige metropool <0000> Energievernieuwing <0000> Best bereikbare provincie <0000> Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit.

In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit vier kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Beleidskeuzes De provincie heeft twaalf provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied Deze opgave betreft de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte.

<0000> Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied Het beter benutten van de bebouwde ruimte en de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. <0000>

Verstedelijking en wonen

De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Er wordt gebouwd naar behoefte. Programma ruimte Het Programma ruimte is onderdeel van het omgevingsbeleid en bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema's Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het programma ruimte. Toetsing Voorliggend plan is in lijn met het provinciaal beleid. Voor de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. Het plangebied is opgenomen in drie van de vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het gebied aangeduid als 'Rivierdeltacomplex'.

Hierbij geldt als richtpunt dat in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar moet blijven. Dat is met deze voorgenomen ontwikkeling niet aan de orde. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: <0000> Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. <0000> Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. <0000> Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de uitbreiding en ontwikkeling van studenten- en startersappartementen binnen een bestaande woonvoorziening. Tot slot wordt het plangebied in de laag van cultuur- en natuurlandschappen aangeduid als 'Rivierdeltalandschappen'. Echter wordt ook aangegeven dat het eiland van Dordrecht meer onderdeel is van het stedelijk netwerk. De richtpunten voor Rivierdeltalandschappen zijn hier daarmee niet aan de orde.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Op 28 april 2021 is de omgevingsvisie Dordrecht versie 1.0 vastgesteld. Deze omgevingsvisie streeft naar een integraal omgevingsbeleid en beschrijft de keuzes van de gemeente over hoe zij wil functioneren in het fysieke domein en welke ambities zij daar heeft. De visie heeft een zelfbindend karakter en biedt de basis voor de inzet van andere gemeentelijke instrumenten op grond van de Omgevingswet. Met de omgevingsvisie wil de gemeente de groeiopgaven, zoals vastgesteld in het coalitieakkoord, verwezenlijken. De gemeente Dordrecht heeft de ambitie om met 10.000 woningen en 4.000 arbeidsplaatsen te groeien. In het coalitieakkoord zijn zes leidende principes vastgesteld: Dordrecht Groeit, Dordrecht Zorgt, Dordrecht Verdient, Dordrecht Verbindt, Dordrecht Geeft Ruimte en Dordrecht Neemt Verantwoordelijkheid. Dordrecht Groeit is een belangrijk leidend principe. Bij elke keuze wordt de vraag gesteld of dit bijdraagt aan de zes principes. Naast de zes principes vormt samenwerking een belangrijk onderdeel van de sturingsfilosofie van Dordrecht. Om de doelen te behalen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren wordt zoveel mogelijk samengewerkt. Om de groeiopgave te faciliteren is een nieuwe integrale visie nodig. De opgaven zijn groot, maar de fysieke ruimte beperkt.

In de omgevingsvisie staan zeven doelen centraal die gelden als randvoorwaarden en bijdragen aan de groeiambitie. Het gaat om de volgende zeven doelen:

- Dordrecht is een aantrekkelijke stad; - een bereikbare stad; - een gezonde stad; - een stad met een uitstekend vestigingsklimaat; - in 2035 klimaatbestendig; - in 2050 energieneutraal; - en beschermend en bevorderend voor biodiversiteit. Per gebied zijn het benodigde aantal nieuwe woningen en arbeidsplaatsen bepaald. Bij de nieuwe woningen is het belangrijk een gevarieerd woningaanbod te realiseren zodat er ruimte is voor iedere doelgroep. Woonvisie Het woonbeleid van Dordrecht en de Drechtsteden (vastgesteld op 12 december 2017) is gericht op het vergroten van de diversiteit in het woningaanbod en verbeteren van het woonklimaat van Dordrecht. In Dordrecht zijn relatief (te) weinig woningen die na 2000 zijn opgeleverd. Gezien de bevolkingsprognose en woningbehoefteramingen is er in alle segmenten behoefte aan meer nieuwbouw. In lijn met de doelstellingen van de woonvisie heeft in Oud-Krispijn de afgelopen jaren op grote schaal herstructurering plaatsgevonden. Dit had ten doel de kwaliteit van de sociale huurwoningen te verbeteren én de diversiteit van het woningaanbod te verbreden door meer woningen in het marktsegment (koop en huur) toe te voegen. De strategie voor Oud-Krispijn was er op gericht om eerst de verouderde sociale huurwoningen te vervangen door nieuwe sociale huurwoningen van hoge kwaliteit.

Om vervolgens, nadat de wijk als geheel een positievere uitstralin had gekregen, de woningen in het marktsegment te realiseren. Van die laatste, afrondende fase is nu sprake. Hoogbouw In de Omgevingsvisie is ook een visie op de hoogbouw opgenomen. Hoogbouw is één van de manieren om te verdichten waarmee kwaliteit, identiteit en karakter gegeven kan worden aan selecte plekken in de stad. Met bijzondere gebouwen kan een positieve bijdrage geleverd worden aan het stadssilhouet. Een hoog gebouw op de juiste plek vergroot de oriëntatie en leesbaarheid van de stad. Het weidse uitzicht zorgt voor een bijzondere werk- en/of woonbeleving en vergroot de differentiatie in het woningaanbod. Thureborgh valt in het gebied 'geplande hoogbouw Large'; een maximale bouwhoogte tussen de 50 en 65 meter. De hoogbouw bij Thureborgh zal een maximale bouwhoogte van 50 meter hebben. Deze verruiming van de bouwhoogte was reeds in de 4e herziening van de structuurvisie vastgesteld.

3.3.2 Bestemmingsplan Krispijn In het kader van de tienjaarlijkse herziening is voor de wijk Krispijn op 28 oktober 2014 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In dat plan is het plangebied voor 'Wonen' bestemd. In het bouwplan wordt er bebouwing en hoogte toegevoegd. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

DEEL 4 Omgevingsaspecten 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente.

Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven. Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden. Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.

Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. Onderdelen uit de Provinciale Structuurvisie (2010) zijn hier in opgenomen. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: - de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; - de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. Gemeentelijk beleid archeologie Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente. Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen beleid wat betreft archeologie. Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 dienen archeologische waarden wettelijk in de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsprocessen meegewogen te worden.

In de praktijk gebeurde dit in Dordrecht al sinds 1995. In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Dordrecht opgesteld. De kaart is een detaillering en uitwerking van de kaarten die op nationale en provinciale schaal beschikbaar zijn. Op het gemeentelijk grondgebied varieert de verwachting van laag tot zeer hoog. In het bij de kaart behorende rapport "‘Stad en Slib: het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht" is de onderbouwing voor de hoogte van de verwachting verwoord. In de Erfgoedverordening Dordrecht (2010) zijn aan de archeologische verwachtingen verschillende voorwaarden en vrijstellingen verbonden. Deze voorwaarden en vrijstellingen worden uiteindelijk in de nieuwe bestemmingsplannen opgenomen. Archeologisch onderzoek in de gemeente Dordrecht is gericht op kenniswinst wat betreft de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad en het Eiland. Van groot belang hierbij is het ontstaan en de ontwikkeling van de stad, de reconstructie van het (cultuur)landschap van het Eiland van Dordrecht en de relatie tussen stad en platteland vóór de ingrijpende St. Elisabethsvloed van 1421. Hiermee sluit de gemeente aan op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie, waarin de relatie tussen mens en landschap in West Nederland binnen de middeleeuwse bewoningsgeschiedenis een speerpunt vormt en uitgewerkt moet worden.

De provincie Zuid-Holland kent een grote waarde toe aan locaties die informatie bevatten over de ontginning van het veenlandschap in de middeleeuwen. Het is deze ontginning van het veen en de daarmee samenhangende structuren zoals kaden, dijken, sluizen en die ook nu nog beeldbepalend zijn voor het Hollands landschap. Het Eiland van Dordrecht speelt in landschap een opvallende rol vanwege het in 1421 verdronken en daarna volledig afgedekte landschap, waaraan de huidige Biesbosch een blijvende herinnering is.

Bij alle ingrepen in de bodem van Dordrecht dient zorg te worden besteed aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar zich archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige waarden aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens de eisen van de gemeente Dordrecht. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied.

4.1.2 Onderzoek Naar de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied is onderzoek verricht. De resultaten van het bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen zijn neergelegd in het rapport "Nassauweg, Dordrecht" van mei 2009. Dit rapport is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat in de ondergrond van alle drie de deelgebieden van het plangebied een redelijk onverstoord klei-op-veen landschap aanwezig is van voor 1421. Het klei-op-veen niveau is aangetroffen op een diepte van 2,0 tot 3,0 m onder maaiveld met in de top van dit niveau op één plaats archeologische indicatoren. Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren indien in het plangebied dieper wordt gegraven dan 2,0 m onder maaiveld. Cultuurhistorie In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen waarmee in dit bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden.

4.1.3 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het mogelijk is een bouwplan te realiseren zonder eventuele archeologische waarden te verstoren. Daarmee is de uitvoerbaarheid aangetoond. Ter bescherming van de archeologische waarden is het verboden zonder vergunning dieper dan 2 meter te graven (heien uitgezonderd). Een vergunning wordt alleen verleend als op basis van archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.

4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.2.1 Regelgeving en beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan met daarin woningen en bedrijven, dan wel die functies in de directe omgeving, dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

4.2.2 Onderzoek Onderhavige plan behelst de bouw van appartementen met bijbehorende voorzieningen . Er zijn geen hinderlijke bedrijven gepland binnen het plangebied. In de directe omgeving komen geen bedrijven voor. Het aspect bedrijven en milieuzonering is dan ook geen aandachtspunt bij de

voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Gezien de bestemmingen in het vigerende bestemmingsplan en de afstanden tot het plangebied zijn er in de toekomst geen situaties te verwachten waarbij een knelpunt kan ontstaan.

4.2.3 Conclusie Vanuit een oogpunt van "bedrijven en milieuzonering" bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming en bouwmogelijkheden.

4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Bodemkwaliteitskaart Dordrecht Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten. Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond.

Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid. Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

4.3.2 Onderzoek APS-Milieu heeft een verkennend bodemonderzoek en asbest in grond-onderzoek uitgevoerd op de locatie Mauritsweg 157 (bijlage 2), d.d. mei 2020. Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn eerder bodemonderzoeken uitgevoerd: 1. Historisch onderzoek Zorgcentrum Thureborgh, Mauritsweg 157 te Dordrecht, MH Poly Consultants & Engineers, kenmerk B09.112.H1, 8 december 2009; 2. Verkennend onderzoek NEN5740, BK bodem, 17 oktober 2014; 3. Verkennend bodemonderzoek Mauritsweg 157, voormalig verzorgingstehuis Thureborgh, te Dordrecht, Adviesbureau Adverbo, kenmerk 15.10.0277.0240, 7 mei 2015. Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses wordt het volgende geconcludeerd: <0000>

De bovengrond is plaatselijk (boring 23 en 34, traject 0-0,5 m-mv) sterk verontreinigd met PAK. Op basis van onderhavig bodemonderzoek is het niet mogelijk om de omvang van de PAK verontreiniging vast te stellen. Aanbevolen wordt een nader bodemonderzoek uit te voeren naar de omvang van de aangetroffen sterke verontreiniging met PAK.

<0000>

De bovengrond ter plaatse van de brandplaats is matig verontreinigd met PAK. De verontreiniging is te relateren aan het aangetroffen houtskool. De bovengrond ter plaatse van de overige onderzochte noordelijke terreindelen bevat een lichte verontreinigingen met PAK. De matige verontreiniging met PAK is slechts lokaal aanwezig (brandplaats). Aanvullend onderzoek naar de omvang van deze matige verontreinigingen wordt derhalve niet zinvol geacht.

<0000>

Het grondwater is plaatselijk maximaal matig verontreinigd met barium. Omdat geen sprake is van een antropogene bron voor barium op de locatie, zal dit een van nature verhoogde achtergrondconcentratie betreffen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

<0000>

Ten behoeve van het verwijderen van de matige/sterke verontreinigingen met PAK wordt aanbevolen na uitvoering van het nader bodemonderzoek een saneringsplan op te stellen en ter goedkeuring aan te bieden aan het bevoegde gezag.

<0000>

Asbest is niet aangetroffen.

4.3.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van "bodemkwaliteit" bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming en bouwmogelijkheden.

4.4 Duurzaamheid 4.4.1 Regelgeving en beleid Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: <0000> transitie naar duurzame energiehuishouding; <0000> transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; <0000> transitie naar duurzame landbouw. Het NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken.

Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen beoogt de kwaliteit van een gebouw te verbeteren voor wat betreft toegankelijkheid, bruikbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Een goed toegankelijk, veilig, gebruikersvriendelijk en duurzaam gebouw is in ieders belang. De gemeente verwacht van projectontwikkelaars en architecten dat zij zich houden aan het gemeentelijke beleid en nieuwbouwwoningen laten voldoen aan de Gemeentelijke praktijklijn (GPR). Voor nieuwbouwwoningen geldt dat ze moeten voldoen aan de BENG-norm (nieuwbouw dient per 1 juli 2020 aan de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen voldoen). Tevens worden de woningen aangesloten op het warmtenet en worden de daken benut voor de opwekking van duurzame energie. Omgevingsvisie 1.0 In de omgevingsvisie is het beleid van de gemeente ten aanzien van duurzaamheid beschreven, met concrete doelen voor klimaat en energie.

4.4.2 Onderzoek Bij de totstandkoming van het bouwplan is een bouwplan ontwikkeld dat voldoet aan het gemeentelijke beleid. Bij de aanvraag van omgevingsvergunning wordt getoetst aan de nieuwe norm uit het bouwbesluit.

4.4.3 Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan het beleid op het gebied van duurzaamheid.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Regelgeving en beleid Toetsingskader Externe Veiligheid Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Conform het in Dordrecht vastgestelde Toetsingskader Externe Veiligheid wordt in deze paragraaf aandacht besteed aan plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Voor dat bij resteffecten conclusies worden getrokken wordt nog ingegaan op de door de provincie voorgeschreven CHAMP-benadering. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats.

Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour). Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde. Besluit externe veiligheid transportroutes Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogd dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)/ Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds.

Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Het besluit verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10-6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Provinciaal beleid: Beleidsplan externe veiligheid (CHAMP) De provincie ambieert een veiliger Zuid-Holland. Zij wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit.

Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Hierover zegt de PSV dat op basis van een verantwoording groepsrisico aannemelijk moet worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde en dat daarbij de CHAMP-methodiek door de provincie als toetsingskader wordt gebruikt. CHAMP is een acroniem voor: Communicatie, Horizon, Anticipatie, Motivatie en Preparatie. Eerder genoemd toetsingskader is een aanvulling op en in sommige gevallen een invulling van CHAMP. De voorgenomen ontwikkeling wordt met behulp van de CHAMP methodiek tegen het licht gehouden. Omgevingsvisie 1.0 In de Omgevingsvisie 1.0 is het plangebied onderdeel van de Spoorzone en aangewezen als een hoog stedelijk woonmilieu waarbinnen de woonfunctie dominant aanwezig is. In de afweging van een aanvaardbaar maatschappelijk risico wordt gestreefd naar een zo laag mogelijke waarde voor het groepsrisico: 4 maal de oriëntatiewaarde.

4.5.2 Onderzoek In bijlage 2 van de Regeling basisnet is aangegeven dat de afstand van het midden van de spoorbaan tot de 10-6 plaatsgebonden risicocontour, ter hoogte van het de ontwikkeling Thureborgh, is gelegen op een afstand van 18 tot 31 meter uit het hart van de spoorbundel. De beoogde ontwikkeling ligt buiten deze contour. Ter bepaling van de hoogte van het groepsrisico als gevolg van deze ontwikkeling heeft Arcadis een risicoanalyse uitgevoerd ("Herontwikkeling Thureborgh- Onderzoek Externe Veiligheid, 29 januari 2020). Dit onderzoek is te vinden in bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat als gevolg van de herontwikkeling van Thureborgh het hoogste groepsrisico per kilometer in de toekomstige situatie toe neemt van 2.867 maal de oriëntatiewaarde in de huidige situatie naar 3.604 maal de oriëntatiewaarde. Worden ook de in uitvoering zijnde projecten in de omgeving van Thureborg mee genomen in de analyse (Oranjepark en Burgraad) stijgt het maximale groepsrisico naar 3.714 maal de oriëntatiewaarde. Naast het groepsrisico is de modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid van belang. Dit beleid is vertaald naar een nieuwe aanpak onder de Omgevingswet. Het plangebied voor Thureborgh is op 4 oktober 2019 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen als gebied ter uitvoering van de Crisis- en herstelwet. Dat wil

zeggen dat de gemeente Dordrecht voor dit gebied al vooruit mag lopen op de komende Omgevingswet. De omgevingswet introduceert, met het opnemen van aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolken, een meer effectgerichte benadering van het groepsrisico. Het plan is gelegen op ca. 50 meter vanaf de zijkant van het spoor en ligt hiermee in de aandachtsgebieden explosie. Gegeven de berekende hoogte van het groepsrisico voldoet de ontwikkeling aan de in de in de Omgevingsvisie 1.0 opgenomen uitgangspunten voor externe veiligheid. Derhalve is de bouw van woningen binnen de aandachtsgebieden aanvaardbaar is, mits, gelet op de aandachtsgebieden, voldaan wordt aan de volgende aanvullende voorwaarden: <0000>

De, binnen het aandachtsgebied toxisch te bouwen woningen voldoen aan de bouwvoorschriften voor toxisch zoals die straks onder de Omgevingswet gelden;

<0000>

De, binnen de aandachtsgebied explosie vanwege het spoor, voldoen aan de bouwvoorschriften voor explosie zoals die straks onder de Omgevingswet gelden;

<0000>

in het woongebied wordt altijd voldaan aan de eis van voldoende blusvoorzieningen en de eis van tweezijdige toegankelijkheid voor hulpdiensten; en

<0000>

binnen de explosie aandachtsgebieden vanwege het spoor mogen geen zeer kwetsbare gebouwen worden gebouwd.

Daarnaast is het van belang om de toepassing van losliggend hard dakbedekkingsmateriaal, zoals grind te vermijden, dit kan door de drukgolf van een explosie als vliegvuil schade in de omgeving veroorzaken. Er kunnen personen geraakt worden of beglazing van gebouwen kan worden blootgesteld aan puntbelastingen. Glas dat bestand is tegen dat soort puntbelastingen moet (deels) aan andere specificaties voldoen dan scherfvrij glas, waardoor de glastoepassing complexer wordt. Door het toepassen van aaneengesloten tegelverharding, sedemdaken of andere vergelijkbare toepassingen wordt de kans op vliegvuil dat puntbelastingen veroorzaakt verminderd.

4.5.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Op de planverbeelding is een veiligheidszone opgenomen. In de regels is bepaald dat het college binnen deze zone medewerking kan verlenen aan nieuwbouw van woningen. Het college zal daarbij de afweging maken zoals aangegeven in paragraaf 4.5.

4.6 Natuur 4.6.1 Regelgeving en beleid Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie "oude" natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. De Wet natuurbescherming kent 4 beschermingsregimes voor soorten: <0000> art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels;

<0000>

art 3.5: bescherming van dieren en planten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten' genoemd; <0000> art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlagen A en B van de Wet Natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving; <0000> art 1.11: algemene zorgplicht. In genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen uit de Wet zijn (iets) anders geformuleerd dan de verbodsbepalingen uit de oude Flora- en faunawet. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten / voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, dus ook voor algemene soorten zoals konijn en egel. De provincies hebben de mogelijkheid om vrijstellingsbesluiten op te stellen.

In deze besluiten staat voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet (vergelijkbaar met de vroegere tabel 1 soorten van de Flora- en faunawet). Ten opzichte van de oude wetgeving is de lijst met beschermde soorten gewijzigd. Naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wet. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen. Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 In 2008 heeft de gemeenteraad het Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 vastgesteld. De doelstelling van de SES is behoud en ontwikkeling van natuur met een optimale diversiteit, waarbij zoveel mogelijk wordt uitgegaan van gebiedseigen soorten en habitats. De Stedelijke Ecologische Structuur is opgehangen aan een aantal thema’s. Een van de thema’s is “Dordrecht rivierenstad”. Het water en de nabijheid van de Biesbosch drukken hun stempel op de natuur in de stad.

4.6.2 Onderzoek Naar de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten heeft onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek ("Quickscan wet natuurbescherming Mauritsweg 157 Dordrecht" ATKB, april 2020) is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: De Huismus, bosuil, gewone dwergvleermuis, ruige vleermuis en laatvlieger maken gebruik van de planlocatie. Door de werkzaamheden worden mogelijk nesten, verblijfplaatsen en foerageergebied verstoord of vernietigd. Er is aanvullend onderzoek nodig naar de huismussen en vleermuizen en de volgende voorzorgmaatregelen moeten worden genomen: Aanvullend onderzoek Er is aanvullend onderzoek uitgevoerd ('Ecologisch onderzoek Thureborgh', ATKB/Bureau Bakker, , d.d. 14 december 2020, zie bijlage 4a) naar de aanwezigheid van huismussen en vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken zijn geen huismussen meer in het plangebied aangetroffen. Tijdens het tweede bezoek zijn wel twee zingende mannetjes aangetroffen in de woonwijk ten oosten van het plangebied, op een afstand van ten minste 400m. Alleen bij de quickscan zijn er huismussen in het plangebied waargenomen. In de veldbezoeken daarna is er geen enkel exemplaar meer in het plangebied gezien. Er hebben geen huismussen in het plangebied gebroed. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen huismussen aanwezig zijn in het projectgebied.

In het plangebied en de directe omgeving zijn wel de ruige- en de gewone dwergvleesmuis waargenomen. In de bebouwing binnen het plangebied bevindt zich één kraamverblijfplaats en vier zomer/paarverblijfplaatsen van tenminste 25 gewone dwergvleermuizen. Hoewel de exacte locatie bij het onderzoek niet is vastgesteld, gaan we er vanuit dat de kraamkolonie zich in de noordwestvleugel op de binnenplaats van de Hospice bevindt – eventuele andere plaatsen zijn

door middel van inspecties uitgesloten. Er is geen essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute in of in de directe omgeving van het plangebied. Wel is het plangebied in gebruik als niet-essentieel foerageergebied, en grenst er een foerageergebied van een kraamkolonie aan het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen verbouwing in het plangebied is (mogelijk) sprake van het verstoren van individuen van vleermuizen en het verdwijnen van verblijfplaatsen (overtreding artikel 3.5 lid 2 Wnb). Voor het aantasten van bewoonde nesten kan in de regel geen ontheffing Wet Natuurbescherming worden verkregen. De overtreding kan worden voorkomen door de volgende maatregelen: <0000>

De groenstrook rondom de noordwestvleugel, en het aangrenzende Weizigtpark ongemoeid laten. Geen bomen kappen aan de noord- en westzijde van het plangebied, tenzij dit gebeurt onder ecologische begeleiding door een erkend ecoloog.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/336/documents/11955