Toelichting.pdf
Tekst van het document
Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Provinciaal beleid: Beleidsplan externe veiligheid (CHAMP) De provincie ambieert een veiliger Zuid-Holland. Zij wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is.
Hierover zegt de PSV dat op basis van een verantwoording groepsrisico aannemelijk moet worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde en dat daarbij de CHAMP-methodiek door de provincie als toetsingskader wordt gebruikt. CHAMP is een acroniem voor: Communicatie, Horizon, Anticipatie, Motivatie en Preparatie. Eerder genoemd toetsingskader is een aanvulling op en in sommige gevallen een invulling van CHAMP. De voorgenomen ontwikkeling wordt met behulp van de CHAMP methodiek tegen het licht gehouden.
4.4.2 Onderzoek
Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten
mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: • vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijkswegen N3, A15 en A16; • vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam – Lage Zwaluwe/Merwedehaven; • vervoer gevaarlijke stoffen de rivier de Oude Maas / Beneden Merwede/ De Noord. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter en een invloedsgebied voor toxische stoffen van meer dan 4.000 meter voor vervoer over (spoor)wegen en 1.070 meter voor waterwegen. De locatie bevindt zich voor bovengenoemde risicobronnen binnen het invloedsgebied van toxische stoffen. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten.
Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Scenario toxische gassen Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen.
Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht.
4.4.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.5 Natuur 4.5.1 Regelgeving en beleid Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie ‘oude’ natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wnb kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft de gebiedsbescherming in hoofdstuk 2 (gebieden aangewezen
zoals de Natura 2000 gebieden), de soortenbescherming in hoofdstuk 3 en de vergunning voor houtopstanden in hoofdstuk 4. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent 4 beschermingsregimes voor soorten: <0000> art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels; <0000> art 3.5: bescherming van dieren en planten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten' genoemd; <0000> art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlagen A en B van de Wet Natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving; <0000> art 1.11: algemene zorgplicht. In genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten / voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, dus ook voor algemene soorten zoals konijn en egel.
De provincies hebben de mogelijkheid om vrijstellingsbesluiten op te stellen. In deze besluiten staat voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet (vergelijkbaar met de vroegere tabel 1 soorten van de Flora- en faunawet). Ten opzichte van de oude wetgeving is de lijst met beschermde soorten gewijzigd. Naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wet. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen. Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in een overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet een ontheffing worden aangevraagd. Voor de werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Natura 2000 gebieden Voor ieder Natura-2000 gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura-2000 gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn op die beschermde natuurgebieden gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.
Middels een 'habitattoets dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met omringend agrarisch gebied verbinden. Sinds 2014 zijn provincies het bevoegd gezag en leggen zijn regels vast in hun verordening ten aanzien van NNN. Stikstof De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een stikstofberekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig om zo de impact op de natuur in beeld te brengen en of mogelijk een ontheffing nodig is.
4.5.2 Onderzoek 1. Quickscan Flora en Fauna Voor de planlocatie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek van juni 2020 is als bijlage 4 opgenomen bij dit
bestemmingsplan. Middels dit onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Hieronder volgen de onderzoeksresultaten voor soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden en te treffen maatregelen. Soortenbescherming Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen worden uitgesloten. Ook zijn geen holen, nesten of sporen aan getroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten. Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Evenals negatieve effecten op beschermde amfibieën, vissen en insecten/gewervelden. Wel zijn er tijdens het veldbezoek sporen van vleermuizen aangetroffen. Deze zijn vanuit de Wnb beschermd. Het is mogelijk dat de planlocatie door vleermuizen wordt gebruikt als vaste rust en/of verblijfplaats en dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie en directe omgeving zijn verschillende soorten vogels waargenomen tijdens het veldbezoek. Er zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied maar de bebouwing en groenstructuren in de omgeving worden eventueel gebruikt door huismussen en gierzwaluwen.
Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuis, huismus en gierzwaluw. De planlocatie is mogelijk geschikt voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura-2000 gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura-2000 gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Te treffen maatregelen In het onderzoeksrapport wordt geëindigd met verschillende maatregelen die tijdens de werkzaamheden getroffen moeten worden, namelijk: <0000> tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht); <0000> wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna dient direct contact opgenomen te worden met een deskundige; <0000> alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal gefaseerd verwijderen; <0000> er wordt gelegenheid gegeven aan dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden te vluchten of zich te verplaatsen; <0000> de planlocatie tijdens werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten in april-oktober en de werkzaamheden tussen zonsop- en ondergang uit te voeren; <0000> werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Zie voor de volledigheid van de maatregelen het onderzoeksrapport in bijlage 4. 2. Aanvullend onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Zoals hiervoor geconcludeerd uit de quickscan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit is gedaan in augustus 2021 en het onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij dit bestemmingsplan. Hierna volgen de onderzoeksresultaten.
Op de planlocatie zijn de volgende beschermde soorten aangetroffen: <0000> 1 zomer- en paarverblijf gewone dwergvleermuis; <0000> 1 paarverblijf gewone dwerg vleermuis; <0000> 1 zomer- en paarverblijf ruige dwergvleermuis;
<0000>
1 nestplaats gierzwaluw.
Voor deze soorten is een ontheffing in kader van de Wet natuurbescherming nodig. Deze ontheffing dient te worden aangevraagd bij de omgevingsdienst Haaglanden alvorens met de sloop kan worden begonnen. Voor de aanvraag moet een activiteitenplan worden opgesteld met daarin een onderbouwing dat de gunstige staat van instandhouding van bovengenoemde soorten niet in het geding is. Ook dat er een wettelijk belang aan ten grondslag ligt en er geen alternatieven zijn voor behoud van de aangetroffen beschermde functies. In het activiteitenplan moeten ook de maatregelen worden genoemd waarmee de initiatiefnemer aantoont hoe de vastgestelde verblijffuncties blijven gehandhaafd. Voor de overige potentieel aanwezige soort, de huismus, kan het volgende worden geconcludeerd: de aanwezigheid kan met zekerheid worden uitgesloten. De paarverblijven van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuizen rondom het plangebied zal door de voorgenomen ingreep niet worden aangetast als uitstraling van bouwlampen op de omgeving wordt voorkomen. Door de sloopwerkzaamheden buiten het kwetsbare vogelbroedseizoen uit te voeren of door maatregelen te treffen om broeden van algemeen voorkomende vogels te voorkomen wordt invulling gegeven aan het zorgvuldig handelen principe. 3. Stikstofonderzoek Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen.
De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Biesbosch (circa 4,7 km afstand). Er is een stikstofdepositie-onderzoek voor de aanlegfase en gebruiksfase uitgevoerd met behulp van de laatste AERIUS calculator (2022). Het stikstofonderzoek met ondersteunende berekeningen is opgenomen als bijlage 6. In dit onderzoek is beoordeeld of de gebruiksfase van de 28 woningen leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Op basis van de resultaten vanuit de berekeningen voor zowel de aanlegfase als gebruiksfase kan worden vastgesteld dat voor de nieuwbouw geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project.
4.5.3 Conclusie Het aspect natuur, en daarbijhorend ook stikstof, vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in dit bestemmingsplan. Voor de sloopfase (omgevingsvergunning) die na de bestemmingsplanprocedure volgt dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Alvorens deze aanvraag dient een activiteitenplan, ook wel mitigatieplan, opgesteld te worden door de initiatiefnemer. Deze zijn inmiddels opgesteld en aangevraagd. De ontheffing is verleend.
4.6 Geluid 4.6.1 Regelgeving en beleid Wet geluidhinder Vanuit de Wet geluidhinder is bepaald bij de vaststelling van een bestemmingsplan inzicht te vergeven in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuw geluidsgevoelige objecten zoals de realisatie van woningen. Volgens de Wet geluidhinder zijn alle wegen gezoneerd, met uitzondering van 30 km/ uur gebieden en woonerven. Voor de gezoneerde wegen gelden voorkeursgrenswaarden voor de
toegestane geluidsbelasting, weergegeven als daggemiddelde Lden. Ook voor industrielawaai gelden voorkeursgrenswaarden. Wegverkeerslawaai In de Omgevingsvisie 1.0 is het plangebied aangewezen als 'centrumgebied'. In het Actieplan Geluid heeft het college een plandrempel van 65 dB vastgelegd. Uitgangspunt in het centrumgebied is dat een hogere geluidbelasting op de gevel toelaatbaar is, voor lokaal wegverkeer en railverkeer in beginsel tot 5 dB onder de maximale ontheffingswaarde. Industrielawaai De Wet geluidhinder verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De geluidsbelasting ten gevolge van railverkeer mag niet meer bedragen dan 55dB.
In een aantal situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot maximaal 68 dB. Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 zijn door burgemeester en wethouder van Dordrecht de 'Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend. Voor de verlening van hogere waarden dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Hiervoor zijn onder meer de volgende randvoorwaarden gesteld: <0000> woningen dienen in principe een geluidsluwe zijde te krijgen. Hierbij is een geluidsluwe zijde, een zijde waarvan de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. <0000> een buitenruimte bij een woning is in principe niet gelegen aan de hoogste belaste zijde. <0000> het geluidsniveau in de buitenruimte van de woningen mag (indien gelegen aan de bronzijde) niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de geluidsbelasting op de als geluidsluw aangemerkte gevel. <0000> elke woning bevat in beginsel één slaapkamer die niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde is gesitueerd. Bij voorkeur wordt de helft van de geluidsgevoelige ruimten samen niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde gesitueerd.
4.6.2 Onderzoek
Het voornemen is om 28 woningen te realiseren op de voormalige Yulius locatie in Dordrecht. De nieuw te bouwen woningen zijn niet gelegen binnen de in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgelegde onderzoekszones voor weg-, rail- en/of industrielawaai. Dit betekent dat op grond van de Wgh geen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is wel de geluidbelasting die veroorzaakt wordt vanwege het verkeer op de omliggende 30 km/uur wegen beoordeeld. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 7. Hieronder zijn de resultaten beschreven. De omliggende 30 km/uur wegen route Kromhout/Cornelis de Witstraat en het Kasperspad veroorzaken een geluidbelasting die boven de voorkeursgrenswaarde uitkomt. De geluidbelasting is maximaal 56 dB vanwege de route Kromhout/Cornelis de Witstraat en maximaal 55 dB vanwege het Kasperspad. Voor 30 km/uur wegen kan geen hogere waarde worden vastgesteld. Wel kan in het kader van en goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan het hogere waarden beleid van de gemeente Dordrecht. Het toepassen van geluidschermen is onmogelijk. Het vervangen van de elementenverharding door stille elementenverharding zal een reductie van circa 2 dB opleveren. De voorkeursgrenswaarde wordt dan echter nog steeds overschreden. Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel.
De tuin van de grondgebonden woningen is gelegen aan de luwe zijde. De aanwezige buitenruimten van de appartementen zijn tevens aan de geluidluwe zijde gelegen.
Het verdient aanbeveling om bij de verdere uitwerking van het plan de slaapkamers van de appartementen langs het Kromhout en de slaapkamers van de grondgebonden woningen langs het Kasperspad aan de geluidluwe zijde te realiseren. De appartementen langs de Kromhout en de grondgebondenwoningen langs het Kasperspad vormen een afscherming voor de woningen in het middengebied. Er wordt geadviseerd met een aanvullende berekening aan te tonen dat de karakteristieke geluidwering van de woningen zodanig is dat het geluidniveau in verblijfsgebieden niet meer is dan 33 dB.
4.6.3 Conclusie
Het bestemmingsplan voldoet aan de bepalingen van de Wet geluidhinder. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Op basis van het onderzoek worden aanbevelingen gedaan om bij de verdere uitwerking de slaapkamers aan de geluidluwe zijde te realiseren en het geluidniveau met geluidwering te berekenen.
4.7 Groen 4.7.1 Regelgeving en beleid
In de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 zijn ambities omtrent het groenblauwe systeem van Dordrecht gesteld. Het doel is een een aantrekkelijke stad. Hierbij moeten (historische) groenblauwe structuren zoveel mogelijk behouden worden. Waar mogelijk worden deze versterkt. Ook moet er aandacht zijn voor de realisatie van stedelijk groen bij nieuwbouwontwikkelingen. In Dordrecht is ook een boomstructuurplan met bomenlijst waarin uitgangspunten voor groenvoorzieningen zijn opgenomen. De bomenstructuur op het Eiland van Dordrecht valt grotendeels samen met de belangrijke structuurelementen, zoals het patroon van dijken, wegen, water en bebouwing. Bomen vullen deze structuurelementen in ruimtelijk, maar ook functioneel opzicht aan.
4.7.2 Onderzoek Het uitgangspunt bij een planvoornemen is om zoveel mogelijk groen te behouden. Als dit niet mogelijk is wordt nagegaan hoe het groen gecompenseerd kan worden. Bij dit plan is sprake van sloop en nieuwbouw. Ter plaatse waar de nieuwbouw gepland is staan een aantal bomen. Deze moeten verwijderd worden, om de nieuwbouw te kunnen realiseren. Deze bomen moeten volgens het beleid (elders) worden gecompenseerd in het plangebied. Tevens moet ten behoeve van de nieuwbouw het bestaande gemengde rioolstelsel vervangen worden door een gescheiden stelsel en worden nieuwe kabels en leidingen ten behoeve van de nutsvoorzieningen in de ondergrond aangelegd. Een aantal bomen bevindt zich in de buurt van de ondergrondse herinrichting. Deze herinrichting kan schade aan de bomen veroorzaken en daarvoor moet in kaart worden gebracht wat de bestaanszekerheid van de bomen is (na mogelijke beschadiging). In totaal bevinden zich 27 bomen in het plangebied. Op de plekken waar nieuwbouw voorzien is worden 13 bomen verwijderd en gecompenseerd met nieuwe bomen in het plangebied. Voor de kastanjeboom centraal gelegen in het plangebied is - gezien de conditie van de boom - herstel na de ondergrondse herinrichting niet mogelijk. Deze boom wordt verwijderd. In de plaats hiervan komt een nieuwe boom. De andere 13 bomen ondervinden geen invloed van werkzaamheden en blijven bestaan.
Bomeneffectanalyse Voor het initiatief is een bomeneffectanalyse uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop, renovatie en nieuwbouw op de planlocatie. Deze is opgenomen als bijlage 10. De diverse werkzaamheden in het plangebied kunnen (mogelijk) invloed hebben op de bomen. In totaal zijn 14 bomen beoordeeld. Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de
veranderende toekomstverwachting zijn de effecten op de bomen inzichtelijk gemaakt en wordt een conclusie gegeven of de bomen in de nieuwe situatie ingepast kunnen worden en onder welke randvoorwaarden. Er zijn tevens 13 bomen in het plangebied die weg moeten in dit onderzoek niet onderzocht omdat deze vallen binnen het nieuwe bouwblok of de verharding. 13 bomen hebben een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar en kunnen zonder aanpassing van het ontwerp behouden blijven, mits aan de randvoorwaarden wordt voldaan. 1 boom is niet inpasbaar. Deze boom heeft oppervlakkige beworteling en het beschadigen hiervan kan leiden tot zware conditieterugval van de boom. Het graven van een tracé voor de riolering en vervangen van de gehele verharding is niet mogelijk zoals beoogd in het huidige ontwerp, in combinatie met duurzaam boombehoud. Er zijn aansluitend op het huidige ontwerp alternatieve maatregelen onderzocht met oog op duurzaam boombehoud. Zo is de mogelijkheid onderzocht of de boom voldoende kan herstellen van de graafwerkzaamheden (ten behoeve van de riolering) als na de werkzaamheden het groenvak waar de kastanje in staat verbonden wordt met de groenstrook ten zuidoosten van de boom. De boom zou dan een grotere groeiplaats hebben. De zeer oppervlakkige beworteling zou echter op korte termijn voor nieuwe wortelopdruk rond de boom gaan zorgen door natuurlijke diktegroei.
Als oplossing hiervoor is gekeken naar het plaatsen van een sandwichconstructie. Dergelijke beluchtingskratten zouden ervoor zorgen dat er ruimte is voor de wortels om te groeien zonder opdruk te veroorzaken en fungeren als drukverdelende laag waardoor minder verdichting van de ondergrond zou ontstaan door het autoverkeer. Het maaiveld rond de boom zou hierdoor circa 25 centimeter hoger komen te liggen dan de omgeving. Dit zou zeer negatieve gevolgen hebben voor de afwatering omdat water dan richting de ingang van de omliggende huizen en tuinen zou gaan stromen. Hierdoor is het redelijkerwijs niet realistisch de boom duurzaam te behouden en is de boom bij de inpasbaarheid gekenmerkt als: Nee, op basis van ontwerp. Op basis van de bevindingen tijdens het veldwerk is het ontwerp aangepast, zie de afbeelding hieronder. Hierin is de kastanje niet meegenomen, maar is een nieuwe groeiplaats ingericht welke aansluit op de groenstrook aan de zuidoostelijke zijde. Hierdoor wordt meer groeiruimte gerealiseerd voor de boom die hier geplant zal worden.
Tijdens de uitvoering wordt gewerkt binnen de kwetsbare boomzone van de bomen, dit betreft de kroonprojectie plus 1,5 meter. Bij het werken binnen de kroonprojectie zijn verschillende risico's aanwezig. Deze staan beschreven in paragraaf 4.2 en 4.3 van de bomeneffectanalyse. In paragraaf 4.4 zijn de randvoorwaarden voor boombescherming opgenomen om deze risico's te beperken. Daarin staat ondermeer dat de kwetsbare boomzone niet gebruikt mag worden voor opslag van materialen en mag niet gereden worden met zwaar materieel zoals rupskranen en minigravers. i-Tree Eco compensatie berekening
Naast de bomeneffectanalyse is een i-Tree Eco compensatie berekening gedaan voor de aanwezige bomen in het plangebied. Zie bijlage 11. Deze berekening is uitgevoerd om inzichtelijk te maken welke invloed de toekomstige inrichting van het gebied heeft op de ecosysteemdiensten die de bomen in het gebied leveren. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de huidige en toekomstige situatie (aan de hand van de compenserende herplant). In totaal zijn van de 27 onderzochte bomen 13 bomen duurzaam te behouden, zoals gebleken in de bomeneffectanalyse. Ter compensatie van de te verwijderen bomen worden in de nieuwe situatie 34 bomen en heesters aangeplant. In het onderzoek is uiteengezet hoe de ecosysteemdiensten van de huidige bomen zich verhouden tot de te verwachten 'groene' baten, geleverd door het opgestelde groenontwerp. De 'groene' baten zijn direct na aanplant van de nieuwe beplanting lager dan die van de huidige bomen. Naar verwachting zou het voor bladoppervlak circa 3 jaar duren voordat de huidige baten daadwerkelijk gecompenseerd zijn. Het kroonoppervlak zal door de nieuwe bomen na circa 6 jaar gecompenseerd zijn. De termijn die door de nieuwe aanplant benodigd is om te compenseren is vrij kort. Door de initiatiefnemer is een groenontwerp gemaakt waarin een betere soortenverdeling is weergeven dan de huidige bomen.
Dit zorgt voor een betere balans in (bio)diversiteit en een weerbaarder bomenbestand in het plangebied. Doordat een groot deel van de bomen nieuw aangeplant wordt kunnen deze middels het realiseren van goede groeiplaatsen op toekomstbestendige wijze uitgroeien tot volwassen bomen. In het rapport is de toekomstverwachting van het groenontwerp uiteengezet. Zo is te zien dat de nieuwe bomen na verloop van tijd steeds meer bij gaan dragen aan de ecosysteemdiensten. Verder variëren de nieuwe bomen door verschil in genetica in groeisnelheid en boomgrootte. Dit zorgt voor langdurige balans in de nieuwe situatie. De verwachte 'groene' baten van het groenontwerp zijn ook uiteen gezet in het rapport. Het blijkt dat na een periode van 30 jaar een bladoppervlak van 9.800 m2 en een kroonoppervlak van ruim 1.400 m2 wordt verwacht. De nieuwe aanplant draagt dan bijna 3 keer zoveel bij aan de berekende ecosysteemdiensten als de huidige situatie. Advies gemeente De I-tree berekening gaat nog uit van behoud van de kastanjeboom, terwijl nader onderzoek uitgewezen heeft dat door het vervangen van het riool en de kabels en leidingen de boom niet levensvatbaar blijkt. Er is voor gekozen om de I-tree berekening niet te actualiseren. Het vervangen van de kastanjeboom voor een amberboom in de maat 50-60 geeft de grootst mogelijk compensatie voor wat betreft de kroonoppervlakte en bladmassa.
Dit, omdat de kroongrootte vanaf deze maat beperkt wordt om transport mogelijk te maken.
4.7.3 Conclusie In het plangebied zijn gezien het ontwerpplan 13 bomen duurzaam te behouden. 1 boom is niet inpasbaar in het ontwerpplan en het is niet realistisch deze boom duurzaam te behouden. Er gaan in totaal 14 bomen weg, waarvan 1 niet inpasbaar en 13 vallen onder de nieuw te bouwen huizen of onder de bestrating en zijn daarom ook niet inpasbaar. Er zullen 34 nieuwe bomen en heesters aangeplant worden ter compensatie van de te verwijderen bomen. Daarbij zijn de 'groene' baten ten opzichte van de huidige situatie uiteengezet en blijkt dat het bladoppervlakte na 3 jaar en de kroonoppervlakte na 6 jaar de huidige baten compenseren. Daarnaast bevat het groenontwerp een betere soortverdeling die de (bio)diversiteit van het gebied zal bevorderen. Het bestemmingsplan die het ontwerpplan mogelijk maakt heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect groen.
4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Regelgeving en beleid
Op 15 november 2007 is in de Wet milieubeheer een hoofdstuk (hoofdstuk 5) opgenomen over luchtkwaliteit. Het Besluit Luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. In titel 5.2 zijn de luchtkwaliteitseisen gesteld. De kern van deze eisen bevindt zich in het op 31 juli 2009 vastgestelde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat de maatregelen die vereist zijn om tijdig te voldoen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het NSL biedt ook de onderbouwing voor de in het NSL genoemde ruimtelijke projecten met gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 μg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 μg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 μg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 μg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast.
4.8.2 Onderzoek
In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit plan worden 28 woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat dit plan is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn welde jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de afbeelding hieronder zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Sint Jorisweg, Samuel van Hoogstratensingel en Johan de Wittstraat weergegeven voor het peiljaar 2020.
Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn.
Uit de afbeelding hiervoor blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 25,3,0 μg/m3, 20,4 μg/m3 en 12,3 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Gezien de omvang van de ontwikkeling en de achtergrondconcentraties kan gesteld worden dat er geen problemen ontstaan op het gebied van de luchtkwaliteit.
4.8.3 Conclusie
Dit plan is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor dit plan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer en voldoet voor wat betreft de luchtkwaliteit aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.9 Verkeer en vervoer 4.9.1 Regelgeving en beleid Mobiliteitsplan Dordrecht Op 6 september 2005 heeft de gemeenteraad het beleidsvoornemen van het Mobiliteitsplan Dordrecht vastgesteld. Het Mobiliteitsplan Dordrecht beoogt een antwoord te bieden op de opgaven die vanuit een toenemende (auto)mobiliteit op Dordrecht af komen. Vanuit de vaak
tegengestelde belangen van bereikbaarheid en leefbaarheid wordt gestreefd naar gebiedsgericht maatwerk. De hoofddoelstelling van het mobiliteitsplan is het verbeteren van de bereikbaarheid en het handhaven van de leefbaarheid. Op stadsniveau is een stelsel van hoofdwegen en secundaire wegen vastgesteld, waarbij gemotoriseerd verkeer zo vlot mogelijk naar wegen van een hogere orde afgewikkeld dient te worden. In het plan wordt een duidelijke keuze gemaakt voor het versterken en verbeteren van de radialen naar de binnenstad.
4.9.2 Onderzoek
Voor dit plan is een vergelijking gemaakt tussen de verkeerssituatie van de bestaande functie en de toekomstige functie van het gebied. De resultaten volgen hieronder. Het volledige advies is opgenomen in bijlage 8. Er wordt 4500 m2 aan ruimte die werd gebruikt voor psychologische zorgverlening en kantoor omgebouwd naar 28 woningen. Er komt meer openbare ruimte met 25 nieuwe openbare parkeerplaatsen. Het parkeeraanbod in de openbare ruimte neemt toe. Drie nieuwe woningen hebben straks een parkeerplaats op eigen terrein. De overige bewoners parkeren door middel van een parkeervergunning in de openbare ruimte. De vraag is of er door de ontwikkelingen extra verkeer zal komen. Dat kan worden bekeken door de theoretische verkeersgeneratie van de oude invulling van de locatie te vergelijken met de nieuwe. Dit wordt gedaan op basis van kerncijfers van het CROW bij de verschillende functies aangegeven voor centrum / sterk stedelijk en de oppervlaktes of eenheden. Voor de oude situatie is een inschatting van het aantal verkeersbewegingen gemaakt voor de 4500 m2 BVO van Yulius. Er bestaat geen kerncijfer voor de verkeersgeneratie van een complex voor psychologische zorgverlening. Er is gerekend met kerncijfers voor commerciële dienstverlening.
Verkeersgeneratie Yulius: 4500 m2 bvo x 8,7x1,33 /100m2 bvo = 521 autoverplaatsingen/etmaal werkdag Voor de nieuwe woningen wordt overeenkomstig het bouwplan gerekend met de kencijfers voor grondgebonden koopwoningen en voor de appartementen met de kencijfers voor 'appartement midden'.
24 woningen (koop/tussen/hoek) 6,4 x 1,11 per woning = 169 autoverplaatsingen/etmaal werkdag 4 woningen (koop appartement goedkoop) 4,7 x 1,11 per woning = 21 autoverplaatsingen/etmaal werkdag In de onderstaande tabel zijn de wijzigingen op een rij gezet: Situatie Oud
Aantal PP openbaar
Aantal PP eigen terrein
Aantal PP totaal
Totaal
12
42
54
Situatie Nieuw
Aantal PP openbaar
Aantal PP eigen terrein
Aantal PP totaal
Totaal
37
3
40
Gegenereerde verkeersbeweging en 512 Gegenereerde verkeersbeweging en 190
In de tabellen is te zien dat het totaal aantal parkeerplekken door de ontwikkelingen afneemt. Er zijn dus minder plekken waar auto's naar toe of vandaan kunnen rijden. De nieuwe ontwikkelingen hebben een lagere parkeerbehoefte dan de oude functies en genereren iets minder verkeer. Per saldo zal er dus iets minder autoverkeer zijn dan tijdens de situatie waarbij de voormalige functies nog in bedrijf waren. Het aantal openbare parkeerplekken in de omgeving neemt toe. Aangezien er meer openbare plekken bij komen dan de nieuwe bewoners zullen gebruiken wordt de kans voor omwonenden om in de buurt een parkeerplek te vinden iets groter. Hopelijk zorgt dit ook voor minder zoekverkeer naar een parkeerplaats.
Waarschijnlijk zijn in de praktijk het aantal verkeersbewegingen lager dan berekend. Bij het bepalen van de kencijfers houdt het CROW geen rekening met demping van het aantal autobewegingen door betaald parkeren en de toepassing van parkeervergunningen, wat het aantal auto's per huishouden beperkt.
4.9.3 Conclusie Het aspect verkeer en vervoer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.10 Water 4.10.1 Regelgeving en beleid Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet. Europees en Rijksbeleid <0000> Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om over-stromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma.
Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). <0000> Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. <0000> Nationaal Bestuursakkoord Water (actueel) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast.
Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De
watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. <0000> Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. <0000> Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid <0000> Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 De provincie herziet het regionaal waterbeleid eens in de 6 jaar.
Het waterbeleid met een ruimte-lijk component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021. Voor de overige onderwerpen is het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 ongewijzigd van kracht gebleven. Voor de ruimtelijk component hanteert de provincie het volgende beleid: vanuit de ambitie om Zuid-Holland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. <0000> Verordening Ruimte In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Beleid waterbeheerder <0000> Waterbeheerplan 2016-2021, Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerplan 2016-2021 (d.d. 26 november 2015) staat hoe het Waterschap Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren.
Het nieuwe Waterbeheerprogramma van waterschap Hollandse Delta bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode 2016-2021. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren en gaat op hoofdlijnen in op de financiële consequenties daarvan. In het statisch deel komen de belangrijkste externe en interne (beleids)kaders waarbinnen het Waterbeheerprogramma is opgesteld aan bod. Deze kaders zijn overigens continu in beweging; zo zijn vanuit het Deltaprogramma onlangs de deltabeslissingen uitgebracht en is de Omgevingswet in aantocht. In het dynamisch deel van het Waterbeheerprogramma zijn per thema maatregeltabellen uitgewerkt. Deze maatregelen zijn nodig om de doelen die in het statisch deel zijn geformuleerd te kunnen bereiken. De maatregeltabellen hebben het karakter van een ‘groslijst’ die jaarlijks uitwerking behoeft. Bij deze jaarlijkse uitwerking kunnen, mits het bereiken van de doelen niet in gevaar komt, maatregelen worden geschrapt of worden vervangen door andere maatregelen. Desgewenst kunnen ook nieuwe maatregelen worden toegevoegd. De (jaarlijkse) uitwerking van het maatregelenprogramma verloopt via de Kadernota, de Programmabegroting en de
jaarplannen/afdelingsplannen. Op die wijze worden ook de financiële consequenties van het Waterbeheerprogramma geborgd. Gemeentelijk beleid <0000> Stedelijk Waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009-2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan. Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hol-landse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is reke-ning gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond. Het water draagt bij aan de kwaliteit en bele-ving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied. De waterstructuur is een aantrek-kelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water.
Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht.
4.10.2 Onderzoek Bestaande situatie <0000> Bodem en grondwater Uit de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN)-viewer blijkt dat de maaiveldhoogte in het plangebied varieert van circa 0,00 m tot + 0,80 m NAP. Het peilgebied betreft D27.001 met een vast peil van NAP -1,10 m. <0000> Waterkwantiteit Binnen het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Wel ligt de Spuihaven ten oosten van het plangebied. Het plangebied is grotendeels verhard. <0000> Waterkwaliteit In het plangebied zelf zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. <0000> Veiligheid en waterkeringen Het plangebied valt niet binnen waterstaatswerken of beschermingszones van een waterkering. Toekomstige situatie <0000> Waterkwantiteit Het plangebied kent in de vigerende situatie de bestemming ‘Maatschappelijk’. Tevens is voor het plangebied een wijzigingsgebied opgenomen waarbij de gronden te wijzigen zijn in bestemming ‘Gemengd-3’. Binnen de bestemming ‘Gemengd-3’ is wonen toegestaan. Het vigerend bestemmingplan houdt dus al rekening met dat binnen het plangebied gewoond kan worden. Conform de beleidsregels van het waterschap dient vanaf een toename van 500 m2 aan verharding compenserende waterberging toegepast te worden. De toename aan bebouwing en overige verharding dient voor 10% te worden gecompenseerd in de vorm van extra oppervlaktewater. Met dit plan wordt het plangebied met minder dan 500 m2 extra verhard.
Daarnaast is in het vigerend bestemmingplan al rekening gehouden met de voorgenomen ontwikkeling. Watercompensatie is niet benodigd. <0000> Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. De waterveiligheid in het plangebied neemt met de boogde ontwikkeling niet af.
<0000> Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het bestaande gemeentelijk riool (gemengd stelsel). Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. <0000> Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. <0000> Bodemdaling De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. <0000> Grondwateroverlast Het grondwater zit vrij ondiep in het plangebied; grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten.
Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. <0000> Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. <0000> Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. <0000> Natte natuur Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn uit te sluiten, omdat de ontwikkeling niet plaatsvindt binnen het NNN. <0000> Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Het beheer van de sloten valt onder de keur van het waterschap en zal daaraan dienen te voldoen.
4.10.3 Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan het waterbeleid en de wetten en regels op dit gebied. Het vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.11 M.e.r. beoordeling
4.11.1 Regelgeving en beleid Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.
4.11.2 Beoordeling
De realisatie van 28 woningen kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals voorkomend in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Dit kan niet meer uitsluitend in de vorm van een paragraaf in de toelichting van het uitwerkingsen wijzigingsplan. Er is een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 9. Er dient hierover door de gemeente een apart besluit genomen te worden. Het besluit m.e.r. is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan.
HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
5.1 Planmethodiek
Dit bestemmingsplan is opgezet volgens de in Dordrecht in het algemeen gebruikte methodiek, waarbij de verschillende bestemmingen met hun bouwgrenzen direct van de verbeelding afleesbaar zijn. In onderhavig bestemmingsplan is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen de zogenaamde hoofdbebouwing is toegestaan en tot welke bouwhoogte. Buiten het bouwvlak is onder bepaalde voorwaarden het oprichten van bebouwing toegestaan. Dit staat los van de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2 Regels Algemeen Er is sprake van een herziening en dat houdt in dat slechts een gedeelte van het geldende bestemmingsplan Schil op onderdelen wordt herzien. De overige regels van het zogenaamde moederplan, i.c. het door de raad op 27 maart 2012 vastgestelde bestemmingsplan Schil blijven gelden en zijn daardoor onverminderd van toepassing. Bestemmingen De volgende bestemmingen zijn opgenomen in deze bestemmingsplanherziening: <0000> Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan het private binnenterrein voor het realiseren van een groenvoorziening met mogelijk speelvoorzieningen. <0000> Tuin De bestemming 'Tuin' is toegekend aan de gronden aan de voorzijde van de eengezinswoningen. <0000> Verkeer Deze bestemming is in de regels opgenomen om parkeerplaatsen en de ontsluiting van het plangebied naar de straten het Kromhout en Kasperspad mogelijk te maken. <0000> Wonen Voor het wonen is de standaard bestemming opgenomen met bouwvlakken en maximale bouw- en goothoogtematen. <0000> Waarde - Beschermd Stadsgezicht (dubbelbestemming) In het bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Stadsgezicht' opgenomen. Dit gebied valt binnen het Beschermd Stadsgezicht van Dordrecht en beschermd de straatwanden.
<0000> Waarde - Archeologie 3 (dubbelbestemming) De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' is opgenomen om de archeologische waarden in het plangebied te beschermen, zoals beschreven in 4.1. Overgangsrecht en naam In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Tot slot is in de slotregel de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
5.3 Verbeelding
De verbeelding heeft uitsluitend betrekking op de gronden die zijn betrokken in de ontwikkeling Kromhout-Kasperspad (voormalige Yulius locatie).
HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor de gronden waar een aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het Besluit ruimtelijke ordening staat wat wordt verstaan onder een aangewezen bouwplan. Een exploitatieplan is niet nodig als de kosten van het bestemmingsplan anderszins verzekerd zijn. Dit kan met een overeenkomst of via de gronduitgifte. In dit geval heeft de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Het opstellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro is om deze reden achterwege gelaten.
HOOFDSTUK 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Participatie en inspraak De Participatie- en inspraakverordening van de gemeente Dordrecht is er op gericht om bij nieuwe ontwikkelingen, zoals voorzien in dit bestemmingsplan, bewoners en belanghebbenden in vroegtijdig stadium te betrekken bij de besluitvorming. Participatie is niet nodig als al eerder een participatieproces heeft plaats gevonden. Cummulatie van inspraak en participatie wordt in beginsel vermeden. Op 1 juli 2021 en op 9 september 2021 zijn bewonersbijeenkomsten georganiseerd en bewoners zijn daarvoor schriftelijk uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de bouw- en richtingsplannen van het voormalige Yulius gebied gepresenteerd en toegelicht. Vervolgens is er gelegenheid geboden om vragen te stellen. Daarna bestond tot 21 oktober 2021 voor een ieder de mogelijkheid om te reageren op de plannen. De ontwikkelaar heeft aangegeven dat het plan naar aanleiding van de ingekomen reacties voor zover mogelijk is aangepast. De ontvangen opmerkingen en de reacties daarop zijn op 23 september 2021 naar de bewoners die tijdens de bijeenkomsten aanwezig waren toegestuurd. Het gewijzigde inrichtingsplan is naar de bewoners gestuurd op 14 oktober 2021.