CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 12 maart 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 7: Vaststellen bestemmingsplan 9e herziening Schil, locatie Kromhout-Kasperspad - Raadsvoorstel17.762 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting bestemmingsplan 9e herziening Schil, locatie Kromhout-Kasperspad

Gemeente Dordrecht Datum: januari 2024 Fase: bestemmingsplan

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer HOOFDSTUK 2 PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Stedenbouwkundige opzet HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Dordrecht 1.0 3.3.2 Vigerende bestemmingsplannen HOOFDSTUK 4 OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Regelgeving en beleid 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Bodemkwaliteit 4.2.1 Regelgeving en beleid 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Duurzaamheid 4.3.1 Regelgeving en beleid 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Regelgeving en beleid 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Natuur 4.5.1 Regelgeving en beleid 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Geluid 4.6.1 Regelgeving en beleid 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Groen 4.7.1 Regelgeving en beleid 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Regelgeving en beleid 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Verkeer en vervoer 4.9.1 Regelgeving en beleid 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water 4.10.1 Regelgeving en beleid 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie

4 4 4 5 5 6 6 6 7 9 9 9 9 9 11 11 13 13 14 15 15 15 16 17 17 17 18 18 18 18 20 20 20 20 21 22 22 22 23 25 25 25 26 26 26 27 27 27 27 27 27 28 29 29 29 30 30 30 32 34

4.11 M.e.r. beoordeling 4.11.1 Regelgeving en beleid 4.11.2 Beoordeling HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Planmethodiek 5.2 Regels 5.3 Verbeelding HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID HOOFDSTUK 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Participatie en inspraak 7.2 Overleg Bijlagen: 1. Archeologisch advies 2. Cultuurhistorisch rapport 3. Verkennend bodemonderzoek 4. Quickscan Flora en Fauna 5. Nader flora en fauna onderzoek 6. Stikstofonderzoek 7. Akoestisch onderzoek 8. Verkeersadvies 9. Aanmeldnotitie m.e.r.

34 34 34 35 35 35 35 36 37 37 37

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel

De activiteiten van Yulius aan het Kromhout en Kasperspad zijn enige tijd geleden beëindigd. Afgesproken is dat de locatie met wonen wordt ingevuld. Yulius heeft de gronden en gebouwen op de markt gebracht en verkocht. Door de nieuwe eigenaar is een plan ontwikkeld dat uitgaat van sloop van een groot deel van de voormalige Yulius-bebouwing. Alleen het kantoorgebouw Kromhout 170 blijft gehandhaafd. Beoogd wordt daarin een viertal appartementen tot stand te brengen. Op het resterende deel van het terrein kunnen 24 eengezinswoningen tot stand gebracht worden. Het aantal bestaande openbare parkeerplaatsen blijft gehandhaafd. Bij enkele woningen zal parkeren op eigen terrein tot stand gebracht worden. Voor de overige woningen worden in de (nieuwe) openbare ruimte extra openbare parkeerplaatsen gerealiseerd zodat voorzien wordt in de parkeerbehoefte die uit het nieuwbouwplan voortvloeit. De bestaande speelplaats aan de oostzijde van het voormalig Yulius-terrein blijft gehandhaafd en maakt geen onderdeel uit van de planontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan "Schil" maakt deze woningbouwontwikkeling niet mogelijk. Onder meer omdat het ter plaatse van de voormalige Yulius-vestiging niet gewenst is nieuwe maatschappelijke functies mogelijk te maken, is afgesproken dat de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast.

Om medewerking te kunnen verlenen aan de in te dienen aanvraag om omgevingsvergunning voor het transformatie- en nieuwbouwplan is daarom deze herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in de Schil, betreft de percelen van Yulius en wordt begrensd door: - in het noordenoosten: de zijkant van de te handhaven kinderspeelplaats - in het zuidoosten: Kasperspad - in het zuidwesten: perceelsgrens met de Vrieseweg en Kasperspad percelen - in het noordwesten: Kromhout

Figuur 1: kaartje ligging

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Schil. De gemeenteraad stelde dit plan vast op 27 maart 2012. De betreffende locatie heeft daarin de bestemming 'Maatschappelijk' met de aanduiding 'zorginstelling' en de bestemmingen 'Verkeer'en 'Groen'. Ook gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Beschermd Stadsgezicht' en 'Waarde - Archeologie'.

Figuur 2: fragment geldend bestemmingsplan Schil

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 1 zijn enkele algemene, in ieder bestemmingsplan voorkomende, onderdelen beschreven. In hoofdstuk 2 zijn de bestaande- en de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 komt het beleid van rijk, provincie en gemeente aan de orde en hoe dit bestemmingsplan hierbij aansluit. Bij de beschrijving van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan onder meer archeologie, flora en fauna, water en geluid. Per terrein worden de regelgeving en het beleid benoemd. Vervolgens worden de onderzoeken toegelicht en conclusies getrokken. In hoofdstuk 5 is een juridische planbeschrijving opgenomen. De hoofdstukken 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

HOOFDSTUK 2 PLANBESCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie

In de huidige situatie bestaat de bebouwing uit leegstaande panden van Yulius op het binnengebied tussen het Kromhout en het Kasperspad. Zie de luchtfoto in figuur 3. Het bestaande gebouwencomplex van Yulius bestaat uit drie gebouwen: een gebouw aan het Kromhout, een gebouw aan het Kasperspad en een gebouwcomplex op het binnenterrein. Door hekwerken is het op dit moment niet mogelijk om over het terrein van Yulius te wandelen tussen Kromhout en Kasperspad. Ten noordoosten van de planlocatie ligt een openbare speelplek. Aan de zuidwestelijke zijde staat een moskee.

Figuur 3: Luchtfoto bestaande situatie

2.2 Toekomstige situatie

Het kantoorgebouw aan het Kromhout wordt getransformeerd tot 4 appartementen. Langs het Kasperspad worden 9 eengezinswoningen gerealiseerd. Op het binnengebied komt een hof met aan weerszijden 7 en 8 eengezinswoningen. Het hof wordt autoluw en het parkeren vindt plaats aan de kant van het Kromhout en het Kasperspad. Het aantal nu aanwezige openbare parkeerplaatsen blijft gehandhaafd. Een deel van de gronden van Yulius wordt openbaar. Daar worden extra openbare parkeerplaatsen tot stand gebracht. Daarnaast kan bij enkele woningen op eigen terrein worden geparkeerd. Zie een impressie van het hof in figuur 4 hierna.

Figuur 4: Impressie nieuw plan

2.3 Stedenbouwkundige opzet

De 19e-eeuwse Schil is van belang voor de stad vanwege de bijzondere stedenbouwkundige, cultuurhistorische en architectuurhistorische waarden. Met name het oostelijk gedeelte van de Schil is een kenmerkend voorbeeld van een eind 19e en begin 20e eeuw tot ontwikkeling gekomen stadsuitbreiding. Om deze reden is dan ook een groot deel van de 19e-eeuwse schil door het rijk aangewezen tot beschermd stadsgezicht. De stedenbouwkundige structuur van de 19e-eeuwse Schil wordt gevormd door het stelsel van radiale assen, gericht op de vroegere stadspoorten, en drie concentrische ‘ringen’. De hoofdassen zijn deels bebouwd met villa’s en deels met 19e- en begin 20e-eeuwse geschakelde herenhuizen in gesloten bouwblokken. De planlocatie ligt in het beschermd stadsgezicht van de 19e eeuwse Schil en is onderdeel van het stedenbouwkundig bouwblok Vrieseweg-Kromhout-Warmoezierspad-Kasperspad. De huidige gebouwen van Yulius wijken qua schaal en archtitectuur af van het beschermd stadsgezicht. Dit contrast leidt tot een onsamenhangend architectonisch straatbeeld, met name langs het Kormhout. Het nieuwe bouwplan voor een hof moet beter aansluiten bij de 19e eeuwse Schil. Typologie hofjes Wonen aan een hof is een stedenbouwkundige typologie die vanuit cultuurhistorisch oogpunt past bij de 19e eeuwse Schil.

De verschillende hofjes die er in de wijk zijn en waren zorgen voor een grote variatie in woonmilieus en zijn inspiratie voor toekomstige ontwikkelingen. Veel aandacht voor groen staat centraal bij de inrichting van de diverse hofjes. Aansluiting in schaal en maat tussen bestaande bebouwing en nieuwbouw is eveneens belangrijk. Woningbouwopgave De gemeente Dordrecht heeft de ambitie om binnenstedelijk te groeien met 10000 woningen voor 2030. Sinds het vertrek van Yulius staan de gebouwen aan het Kromhout, het Kasperspad en op het binnenterrein leeg. Deze locatie heeft door zijn ligging, de grootte van het kavel en de nabijheid van het parkje de potentie om te worden ontwikkeld tot een aantrekkelijke woonlocatie, waarmee tevens een bijdrage geleverd wordt aan de woningbouwopgave. Het woningbouwprogramma in dit bouwplan bestaat uit 4 appartementen aan het Kromhout, 9 stadswoningen aan het Kasperspad en 15 hofwoningen. Planopzet Het hof is een stedenbouwkundige typologie die in de Dordtse binnenstad en 19e eeuwse Schil van oudsher in verschillende gedaanten voor komt. Met dit bouwplan wordt een nieuwe, kwalitatief hoogwaardige woonhof in het centrum van Dordrecht toegevoegd. De bestaande speelplek wordt gekoppeld aan een landschappelijke, autovrije woonhof met aan weerszijden een woningblok met hofwoningen. Het openbare wandelpad blijft gehandhaafd.

Het toezicht vanuit de hofwoningen op het wandelpad en de speelplek zal zorgen voor meer sociale veiligheid in de buurt. Het bestaande Yulius-gebouw aan het Kromhout wordt getransformeerd naar een bescheiden appartementengebouw. Aan het Kasperspad wordt in de rooilijn een nieuw woningblok met

stadswoningen gebouwd. (Zie afbeelding 1). De maximale bouwhoogte van de nieuwbouw is afgestemd en komt overeen met de voorkomende bouwhoogten in de omgeving.

Figuur 5: Stedenbouwkundige opzet

De (stads)woningen en hofwoningen sluiten qua typologie, architectuur en bouwvolume aan bij de kenmerken van het beschermd stadsgezicht van de 19e eeuwse Schil. De hofwoningen en stadswoningen krijgen een verschillende architectonische uitwerking. De hofwoningen worden uitgevoerd met een zadeldak en krijgen een smalle voorzone op eigen terrein aan de openbare hof. Langs de openbare wandelroute en het groen liggen kopgevels; deze kopgevels krijgen voorgevelkwaliteit. Daarnaast is sprake van hoogwaardige (zij)erfscheidingen die zijn ontworpen als een integraal onderdeel van de kopgevels. Auto's kunnen worden geparkeerd op openbare parkeerplaatsen aan de achtertuinen en zijtuinen (voor enkele hofwoningen aan de kant van het Kromhout geldt parkeren op eigen erf). Hierdoor blijft de woonhof autovrij. Verkeer en parkeren In totaal bestaat het bouwplan uit 28 woningen. Voor deze 28 woningen komen parkeerplaatsen in de openbare ruimte en op eigen terrein. Er komen 25 nieuwe parkeerplaatsen in de openbare ruimte waarmee het parkeeraanbod in de openbare ruimte toeneemt. Daarnaast krijgen drie woningen een parkeerplaats op eigen terrein. De overige bewoners parkeren middels een parkeervergunning in de openbare ruimte. De nieuwe ontwikkeling (transformatie tot 28 woningen) heeft een lagere parkeerbehoefte dan de oude functie (zorgverlening van Yulius) en genereren iets verkeer.

Per saldo zal er iets minder autoverkeer zijn dan tijdens de situatie waarbij de voormalige functie nog in bedrijf was. Zie ook paragraaf 4.10 voor de verkeersberekening.

HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze visie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voor ons liggen, zoals de klimaatverandering, energietransitie en woningbouwopgave. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden door integraal samen te werken. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: <0000> Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; <0000> Duurzaam economisch groeipotentieel; <0000> Sterke en gezonde steden en regio's; <0000> Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.

Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: <0000> Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; <0000> Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; <0000> Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Dit bestemmingsplan voorziet in de sloop van kantoorgebouwen en nieuwbouw van woningen binnen het stedelijk gebied. De nationale belangen staan vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De nationale ruimtelijke belangen worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Doel is om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan deze algemene regels. De onderhavige herziening voldoet aan het beleid en de algemene regels van het rijk. Het plangebied bevindt zich niet in een gebied waaraan door het Rijk nationale belangen zijn verbonden via het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 (gewijzigd per 1 juli 2017) is de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder kent drie treden en moet bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen worden doorlopen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke

ontwikkeling van een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Per 1 juli 2017 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de Ladder. De afzonderlijke treden zijn losgelaten en het begrip actuele regionale behoefte is vervangen door 'behoefte'. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden aangetoond. Dit moet in de vorm van een onderbouwing van de behoefte aan die ontwikkeling. Vanuit jurisprudentie volgt wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling Ladderplichtig is. Dit is vanaf 12 woningen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van 28 woningen. Momenteel wordt de locatie voor maatschappelijke doeleinden gebruikt en dus is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat er 28 woningen gaan komen. Deze nieuwe stedelijke ontwikkeling is Ladderplichtig. Behoefte De regio Drechtsteden waarbinnen Dordrecht valt gaan voor een extra groeiopgave op het gebied van wonen, bereikbaarheid en werken. Het woningaanbod is nu te eenzijdig en kenmerkt zich door te veel middelmaat. Om daadwerkelijk te groeien en een schaal- en kwaliteitssprong vereist. Wonen wordt daarbij gezien als hefboom.

Kijkend naar het wonen wordt ingezet op de groei van het aantal woningen (Woonvisie Drechtsteden 2017-2031): <0000> van 10.000 woningen om in onze eigen woningbehoefte te voorzien <0000> en van 15.000 woningen om in de groeipotentie te voorzien. In het politiek akkoord 2023-2026 'samen bouwen aan een sterk en groen Dordrecht! heeft de gemeente Dordrecht haar groeiambitie uitgesproken en de ambitie om 4.000 woningen te bouwen, verdeeld over alle segmenten. Daarbij wordt ingezet op een inhaalslag voor sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen. Het coalitieakkoord tot 2023 zette in op nieuwbouw in het hogere segment, zonder de andere segmenten te vergeten. In het nieuwe politieke akkoord staan de kwaliteit van woningen en omgeving centraal. Met de realisatie van de 28 woningen op de locatie Kasperspad wordt bijgedragen aan de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor Dordrecht. De locatie leent zich uitstekend voor woningen in het hogere segment, maar ook andere segmenten worden bediend door hier in de behoefte van duurdere, grondgebonden woningen en bijvoorbeeld starters en ouderen te voorzien. Daarnaast is dit een locatie dichtbij voorzieningen in Dordrecht waar relatief veel eengezinswoningen toegevoegd kunnen worden, welke in de binnenstad schaars zijn.

De 28 woningen maken deel uit van de planmonitor woningbouw en onderdeel van de (netto) geprogrammeerde plancapaciteit van een kleine 10.000 woningen wat laat zien dat het voorziet in de ambities en behoeften. De woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en is gepland binnen bestaand stedelijk gebied, dus wordt voldaan aan de Ladder. Provinciale Ladder Sommige provincies hebben in de omgevingsverordening aanvullende regels voor de Ladder duurzame verstedelijking gesteld. Dit is het geval in Provincie Zuid-Holland, waar de locatie Kasperspad zich bevindt. Daarom volgt een onderbouwing van de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking. Trede 1: “De stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd.” Zowel in de Drechtstedelijke groeiagenda als het gemeentelijke coalitieakkoord, is de kwalitatieve als kwantitatieve opgave voor de Drechtsteden en Dordrecht vastgesteld. De regionale woning-behoefte, het eenzijdige woningaanbod en de groeiambities liggen hieraan ten grondslag. Het woonbeleid is gericht op het toevoegen van de ontbrekende woonmilieus en woningtypen. Zowel in de regionale Woonvisie Drechtsteden 2017-2031, als in de Omgevingsvisie van Dordrecht komt de groei van het aantal woningen (10.000) terug als hoofdopgave.

Deze ontwikkeling van 28 woningen aan het Kasperspad in de 19e eeuwse schil past binnen het gebied 'centrum'. De locatie ligt geografisch gezien centraal in de regio Drechtsteden in de nabijheid van het station Dordrecht en heeft een hoog voorzieningenniveau. Voor de verdichting die nodig is om te voorzien in de groeiopgave is de 19e- eeuwse schil en daarmee het Kasperspad een logisch gebied om bij te dragen aan de woningbouwopgave. Waarbij de focus nadrukkelijk ligt op het toevoegen van kwaliteit boven kwantiteit. De ambitie om duurdere woningen toe te voegen is gebaseerd op het meest recente (2020) RIGO woningmarktonderzoek, waaruit bleek dat rond dit programma de

meeste woningen toegevoegd dienen te worden. Dit leefmilieu laat ruimte aan grotere, grondgebonden koopwoningen. De 28 woningen zijn onderdeel van de (netto) geprogrammeerde plancapaciteit van een kleine 10.000 woningen wat laat zien dat het voorziet in de ambities en behoeften. Dit woningbouwprogramma, is onderdeel van de jaarlijkse rapportage Wonen in de Drechtsteden. Trede 2: “In die behoefte wordt binnen het BSD voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.” De te ontwikkelen locatie Kasperspad bevindt zich binnen het bestaand stedelijk gebied. Trede 3: “Indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen BSD van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, a. gebruik maken van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zo-danig worden ontwikkeld; b. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart (artikel 2.2.1. is van toepassing); c. zijn opgenomen in het Programma Ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.” Aangezien de locatie zich binnen het Bestaand Stads- en Dorpsgezicht bevindt, is deze trede niet van toepassing. Toetsing Op basis van de Ladder duurzame verstedelijking is voor dit planvoornemen hierboven aangetoond dat er behoefte bestaat aan de voorgenomen ontwikkeling van 28 woningen in de regio en gemeente.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland.

De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: <0000> Naar een klimaatbestendige delta <0000> Naar een nieuwe economie <0000> Naar een levendige meerkernige metropool <0000> Energievernieuwing <0000> Best bereikbare provincie <0000> Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de

fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit vier kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen.

Omgevingsprogramma Het Omgevingsprogramma is onderdeel van het omgevingsbeleid en bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema's Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Omgevingsprogramma. Toetsing Het plangebied is opgenomen in drie van de vier kwaliteitskaarten van de provincie. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als 'Rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. Hierbij geldt als richtpunt dat in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar moet blijven. Komgronden en oeverwallen zijn lager en hoger gelegen gedeelten in het landschap. Op de locatie van dit plangebied is dit richtpunt niet aan de orde. In de laag van stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als 'historische centra en kernen'.

Bij ontwikkelingen die binnen deze aanduiding vallen moet met het volgende rekening worden gehouden: de historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. De karakteristiek en architectuur van de huidige bebouwing op de locatie wijken af van de rest van de omgeving, zoals eerder genoemd. Bij de nieuwbouw zal weer aansluiting worden gezocht op de omgeving, deze kenmerkt zich met compacte 19e eeuwse bebouwing. De planlocatie ligt nabij het historisch centrum en draagt bij aan versterking hiervan door op de locatie een gevarieerd woonaanbod toe te staan en aan te sluiten bij de autoluwe omgeving. Tot slot wordt het plangebied in de laag van cultuur- en natuurlandschappen aangeduid als 'Rivierdeltalandschappen' waarbij het landelijke eilandkarakter centraal staat. Echter wordt ook aangegeven dat het eiland van Dordrecht meer onderdeel is van het stedelijk netwerk. De richtpunten voor Rivierdeltalandschappen zijn hier daarmee niet aan de orde.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Dordrecht 1.0

Op 28 april 2021 is de omgevingsvisie Dordrecht versie 1.0 vastgesteld. Deze omgevingsvisie streeft naar integraal omgevingsbeleid en beschrijft de keuzes van de gemeente over hoe zij wil functioneren in het fysieke domein en welke ambities zij daar heeft. De visie heeft een zelfbindend karakter en biedt de basis voor de inzet van andere gemeentelijke instrumenten op grond van de Omgevingswet. Met de omgevingsvisie wil de gemeente de groeiopgaven, zoals vastgesteld in het coalitieakkoord verwezenlijken. De gemeente Dordrecht heeft de ambitie om met 10.000 woningen en 4.000 arbeidsplaatsen te groeien. In het coalitieakkoord zijn zes leidende principes vastgesteld: Dordrecht Groeit, Dordrecht Zorgt, Dordrecht Verdient, Dordrecht Verbindt, Dordrecht Geeft Ruimte en Dordrecht Neemt Verantwoordelijkheid. Dordrecht Groeit is een belangrijk leidend principe. Bij elke keuze wordt de vraag gesteld of dit bijdraagt aan de zes principes. Naast de zes principes vormt samenwerking een belangrijk onderdeel van de sturingsfilosofie van Dordrecht. Om de doelen te behalen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren wordt zoveel mogelijk samengewerkt. Om de groeiopgave te faciliteren is een nieuwe integrale visie nodig. De opgaven zijn groot, maar de fysieke ruimte beperkt. In de omgevingsvisie staan zeven doelen centraal die gelden als randvoorwaarden en bijdragen aan de groeiambitie.

Het gaat om de volgende zeven doelen: - Dordrecht is een aantrekkelijke stad; - een bereikbare stad; - een gezonde stad; - een stad met een uitstekend vestigingsklimaat; - in 2035 klimaatbestendig; - in 2050 energieneutraal; - en beschermend en bevorderend voor biodiversiteit. Per gebied zijn het benodigde aantal nieuwe woningen en arbeidsplaatsen bepaald. Bij de nieuwe woningen is het belangrijk een gevarieerd woningaanbod te realiseren zodat er ruimte is voor iedere doelgroep. Voor het gedeelte van de Schil waarbinnen dit plangebied valt is beoogd 150 nieuwe woningen toe te voegen tussen 2018 en 2022. Om de kwaliteiten van de open polders en de natuurgebieden te behouden wordt ingezet op binnenstedelijke groei. In de toe te voegen woonruimte moet ruimte zijn voor elke doelgroep. De woningvoorraad kenmerkt zich op dit moment met vooral goedkopere woningen. Om variatie te stimuleren wordt met nieuwbouw het accent gelegd in het hogere segment. Het gebied Schil is aangeduid als 'centrumgebied', net als de historische binnenstad. De Schil wordt daarbij gezien als logisch gebied voor de verdichting die nodig is om te voorzien in de groeiopgave. Dit is ook logisch vanwege de nabijheid van voorzieningen en de nabijheid van het station. In dit gebied gaan levendigheid en leefbaarheid hand in hand.

De woningvoorraad is gevarieerd en is (hoog) stedelijk, soms (rustig) historisch en er is een goede mix woningen voor alle doelgroepen. Dit komt ten goede aan de levendigheid van het centrum. De focus voor nieuwe ontwikkelingen verschuift van kwantiteit naar kwaliteit. Hierop worden nieuwe plannen beoordeeld. De toevoeging van woningen zorgt hier met name voor uitbreiding in de hoogte. Dit leidt niet direct tot extra ruimtebeslag. Er wordt ingezet op minder autogebruik en een goede bereikbaarheid per fiets, te voet en openbaar vervoer, maar het blijft nog wel toegankelijk voor bewoners. Dit biedt kansen om het aandeel groen in het gebied te vergroten. De Schil valt binnen het welstandsniveau intensief omdat deze binnen het beschermd stadsgezicht valt. In de gehele Schil staan veel rijks- en gemeentelijke monumenten. Daarom is het bij herontwikkeling van met name het niet beschermde deel van de Schil belangrijk hier aandacht aan te besteden. Tot slot heeft de Schil 'stedelijk wonen' als beoogd woonmilieu in het milieusysteem. Dit houdt in dat met name bij geluid een hogere geluidbelasting op de gevel onder voorwaarden aanvaardbaar is. Er wordt extra aandacht besteedt aan geluidluwe en groene plekken in het openbaar gebied. Toetsing

De ontwikkeling waar dit bestemmingsplan in voorziet past binnen de omgevingsvisie van de gemeente. De bouw van 28 woningen in het plangebied sluit aan op de woningbouwopgave voor dit gedeelte van de Schil en de verdichtingsopgave. Daarnaast wordt voorzien in eengezinswoningen en appartementen, voor gezinnen, jongeren en ouderen. Dit sluit aan bij de ambitie om een gevarieerde woningvoorraad te realiseren met een goede mix woningen voor alle doelgroepen. Daarbij staat kwaliteit centraal. Het plangebied valt binnen beschermd stadsgezicht en daarom is aandacht besteed aan cultuurhistorie en aansluiting op de omgeving. Zie hiervoor ook paragraaf 4.1 Archeologie en cultuurhistorie.

3.3.2 Vigerende bestemmingsplannen Bestemmingsplan Schil In het kader van de 10 jaarlijkse herziening is voor de Schil op 27 maart 2012 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de voormalige Yulius gronden en gebouwen opgenomen met de bestemming 'Maatschappelijk' met functieaanduiding 'Zorginstelling'. Het bouwvlak aan het Kromhout heeft een maximale bouwhoogte van 10 m. Het bouwvlak aan het Kasperspad 13 m vooraan en 9 m in het midden en achteraan. Het binnenterrein heeft eveneens de bestemming 'Maatschappelijk'. Voor het hele terrein geldt een maximale bebouwingspercentage van 70%. Voor deze gronden is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen met de volgende inhoud: Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening: a. de gronden met de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied-4', 'wro-zone-wijzigingsgebied-6', 'wro-zone-wijzigingsgebied-8' bij het verdwijnen van de huidige functie wijzigen in de bestemming 'Gemengd-3' als bedoeld in artikel 9 van deze regels onder de voorwaarden dat: 1. bouwgrenzen en maximum hoogtematen gehandhaafd blijven; 2. er aansluiting wordt gevonden bij de kenmerken van het beschermd stadsgezicht; 3. de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving niet op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed.

In de toelichting van dit bestemmingsplan staat het volgende over de bestemming 'Maatschappelijk': De scholen, kerken en maatschappelijke voorzieningen in het plangebied hebben de bestemming 'Maatschappelijk' gekregen. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen in de vorm van zorginstellingen en religieuze voorzieningen afzonderlijk aangeduid en aan de huidige locaties gebonden. Er is een mogelijkheid van afwijken van die regel opgenomen onder voorwaarde dat er geen onevenredige hinder voor de omgeving mag zijn. Omdat het niet ondenkbaar is dat enkele 'maatschappelijk locaties' binnen de planperiode zullen verdwijnen, is in de planregels de mogelijkheid van wijziging in de bestemming 'Gemengd-3' opgenomen. Partiële herziening parkeren Naast het bestemmingsplan geldt voor dit plangebied de 'partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht' dat is vastgesteld op 9 mei 2018. Dit paraplubestemmingsplan heeft tot gevolg dat bij bouwplannen voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd conform de beleidsregel voor parkeren (en laden en lossen) binnen de gemeente. Toetsing Het geldende bestemmingsplan "Schil" maakt de voorziene woningbouwontwikkeling op de planlocatie niet mogelijk. Van de wijzigingsbevoegdheid kan geen gebruik worden gemaakt want er is sprake van bouwen buiten het bouwvlak en hogere bouwhoogten dan het bestemmingsplan toestaat.

Terwijl in de regels bij de wijzigingsbevoegdheid is bepaald dat de bouwgrenzen en de maximum hoogtematen gehandhaafd moeten blijven. Ook is het niet gewenst nieuwe maatschappelijke functies mogelijk te maken op de planlocatie. Er is daarom afgesproken dat de in het bestemmingsplan Schil opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast. Een bestemmingsplanherziening is nodig.

HOOFDSTUK 4 OMGEVINGSASPECTEN

4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg en de Erfgoedwet De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed is uitgewerkt in de Monumentenwet 1988 en in de wijziging hierop; de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Een deel van de Monumentenwet is per 1 juli 2016 opgegaan in de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoed veld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de fysieke leefomgeving betreffen worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in juli 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken: <0000> vergunning tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten <0000> verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie <0000> bescherming van stads- en dorpsgezichten. Tot die tijd blijven die artikelen die niet zijn overgegaan naar de Erfgoedwet van kracht zoals ze in de Monumentenwet 1988 zijn benoemd. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijkheid van archeologische waarden.

Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek uit te voeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. In bestemmingsplannen moet ook rekening gehouden worden met cultuurhistorie. Dit is vanaf 1 januari 2012 vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Cultuurhistorische kaart Zuid-Holland Sinds 2017 is de cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland van kracht. Deze kaart geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie Zuid-Holland. Zoals in paragraaf 3.2 provinciaal beleid vernomen is deze kaart onderdeel van het provinciale omgevingsbeleid. De cultuurhistorische kaart, ook aangeduid als het beleidsinstrument 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur' (afgekort CHS) kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. In het bijbehorende 'Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland' zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van het beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente.

Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen beleid wat betreft archeologie. Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 dienen archeologische waarden wettelijk in de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsprocessen meegewogen te worden. In de praktijk gebeurde dit in Dordrecht al sinds 1995. In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Dordrecht opgesteld. De kaart is een detaillering en uitwerking van de kaarten die op nationale en provinciale schaal beschikbaar zijn. Op het gemeentelijk grondgebied varieert de verwachting van laag tot zeer hoog. In het bij de kaart behorende rapport "‘Stad en Slib: het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht" is de onderbouwing voor de hoogte van de verwachting verwoord. In

de Erfgoedverordening Dordrecht (2010) zijn aan de archeologische verwachtingen verschillende voorwaarden en vrijstellingen verbonden. Deze voorwaarden en vrijstellingen worden uiteindelijk in de nieuwe bestemmingsplannen opgenomen. Archeologisch onderzoek in de gemeente Dordrecht is gericht op kenniswinst wat betreft de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad en het Eiland. Van groot belang hierbij is het ontstaan en de ontwikkeling van de stad, de reconstructie van het (cultuur)landschap van het Eiland van Dordrecht en de relatie tussen stad en platteland vóór de ingrijpende St. Elisabethsvloed van 1421. Hiermee sluit de gemeente aan op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie, waarin de relatie tussen mens en landschap in West Nederland binnen de middeleeuwse bewoningsgeschiedenis een speerpunt vormt en uitgewerkt moet worden. De provincie Zuid Holland kent een grote waarde toe aan locaties die informatie bevatten over de ontginning van het veenlandschap in de middeleeuwen. Het is deze ontginning van het veen en de daarmee samenhangende structuren zoals kaden, dijken, sluizen en die ook nu nog beeldbepalend zijn voor het Hollands landschap. Het Eiland van Dordrecht speelt in landschap een opvallende rol vanwege het in 1421 verdronken en daarna volledig afgedekte landschap, waaraan de huidige Biesbosch een blijvende herinnering is.

Bij alle ingrepen in de bodem van Dordrecht dient zorg te worden besteed aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar zich archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige waarden aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens de eisen van de gemeente Dordrecht. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied.

4.1.2 Onderzoek Voor het plangebied geldt in het vigerende bestemmingsplan Schil de 'Waarde-Archeologie' met een vrijstelling voor bodemingrepen tot een diepte van maximaal 100 cm beneden maaiveld over een oppervlak van maximaal 50 m2. Tevens vinden de sloop en nieuwbouw plaats binnen het beschermd stadsgezicht, de 19e eeuwse Schil van Dordrecht. Daarom is er een Cultuurhistorische Effect Rapportage (CHER) opgesteld. Archeologie In april 2020 is een archeologisch advies opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan. In dit advies wordt aangegeven dat er 7 naburige onderzoeken zijn. Uit deze naburige onderzoeken blijkt dat het in 1421 verdronken middeleeuwse en oudere landschap met archeologisch behoudenswaardige waarden in het plangebied pas aanwezig zullen zijn vanaf een diepte van 240 cm -NAP. Het maaiveld in het plangebied ligt tussen 60 en 20 cm +NAP, dus de vrijstelling voor bodemingrepen tot 100 cm -mv kan op basis van de resultaten van deze naburige onderzoeken verruimd worden. Rekening houdend met een veiligheidsmarge van 40 cm zijn bodemingrepen tot maximaal 200 cm -NAP ofwel 220 cm -mv in het plangebied toegestaan zonder dat archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld.

Alleen in het geval van nog diepere bodemingrepen moet alsnog een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek in combinatie met booronderzoek) uitgevoerd en gerapporteerd worden. Cultuurhistorie Door Vestigia is een cultuurhistorisch effect rapportage (CHER) opgesteld. De rapportage is opgenomen als bijlage 2. De sloop en nieuwbouw vinden plaats binnen een beschermd stadsgezicht, de 19e eeuwse Schil van Dordrecht. Binnen het plangebied en de te slopen bebouwing bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. De te slopen bebouwing stamt uit 1992 en 1994 en vertegenwoordigt geen architectuurhistorische of bouwhistorische waarden. Aan de voorzijde van het complex bij het Kasperspad is van de karakteristieke bebouwing in de buurt weinig meer over, en bestaan de nabijgelegen panden voornamelijk uit nieuwbouw, veelal sociale woningbouw, uit de late 20e eeuw.

<0000> Effect nieuwbouw op de historisch gegroeide stedenbouwkundige structuur De nieuwbouw doet geen onevenredige afbreuk aan de historisch gegroeide stedenbouwkundige structuur van de 19e eeuwse stadsuitbreidingswijk van De Schil. De Schil kenmerkt zich door een bebouwing langs de primaire straten uit aaneengebouwde statige herenhuizen, in gesloten of semi-gesloten bouwblokken. De bebouwing langs de secundaire straten bestaat uit eenvoudige herenhuizen of arbeiderswoningen. In de binnenterreinen zijn complexen met arbeiderswoningen, voorzieningen en/of bedrijvigheid gebouwd. Het stedelijk weefsel kent door zijn geleidelijke ontwikkeling een scala aan architectuurstijlen, van romantiek, neorenaissance, neoclassicisme, eclecticisme, art nouveau tot ver doorgevoerde zakelijkheid. De nieuwbouw sluit hierbij aan door de indeling over het terrein, en met de variatie in uiterlijk van de verschillende bouwblokken. <0000> Effect nieuwbouw in relatie tot doelstelling van het bestemmingsplan De nieuwbouw voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan ten aanzien van het behoud, herstel en de bescherming van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het beschermd stadsgezicht. De landschappelijke inpassing en bouwstijl sluiten aan bij, en versterken het beeld van het organisch gegroeide stedelijke weefsel.

<0000> Effect nieuwbouw in relatie tot de doelstellingen van de Welstandsnota Dordrecht De nieuwbouw voldoet aan de welstandscriteria, die zijn verdeeld in een vijftal basiscriteria en een aantal gebiedsspecifieke criteria. De nieuwbouw levert een kwalitatieve bijdrage aan de stedelijke ruimte. De nieuwbouw past voor wat betreft volume, maat, schaal en verschijningsvorm in zijn omgeving en levert qua uiterlijk, indeling, kleur en materialen een positieve bijdrage levert aan het bestaande stadsbeeld. Er is sprake van gesloten bouwblokken die aan de straatzijde zijn opgebouwd uit kleinere architectonische eenheden door afwisseling in de gevel. De bebouwing is statig langs de primaire straat en ingetogen voor wat betreft de bebouwing op het binnenterrein. De daken sluiten aan bij het dakenlandschap voor wat betreft diversiteit en kleurstelling.

4.1.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Verwacht wordt dat de bodemingrepen niet dieper reiken dan 220 cm -mv en dus is archeologisch onderzoek niet nodig. Daarnaast voldoet de nieuwbouw aan de gestelde criteria zoals opgesteld in de geldende regelgeving ten behoeve van het behoud en versterking van de bestaande cultuurhistorische waarden. De voorgestelde invulling zal ook in cultuurhistorisch oogpunt een verbetering (kwaliteitsimpuls) in plaats van achteruitgang (aantasting) betekenen.

4.2 Bodemkwaliteit 4.2.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Bodemkwaliteitskaart Dordrecht Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten. Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond. Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de

eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid. Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

4.2.2 Onderzoek Door ABO-Milieuconsult B.V. is in november 2021 een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 3. Conclusies uit het onderzoek: De bodemopbouw van het plangebied bestaat uit zand met daaronder plaatselijk een klei laag. Zintuiglijk worden in de meeste boringen bijmengingen aangetroffen van resten baksteen, grind en/of hout. Uit de analyseresultaten van de boringen blijkt dat in de bovengrond matig tot sterke verontreinigingen met lood zijn aangetroffen. Daarnaast zijn licht verhoogde concentraties aan PCB, minerale olie, koper, zink, kwik en/of PAK in de boven- en ondergrond aangetroffen. Ook in het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetroffen. Daarmee moet de hypothese dat deze onderzoekslocatie verdacht is op basis van de aangetroffen matig tot sterk verhoogde gehalte aan lood en de licht verhoogde concentraties in de boven- en ondergrond en grondwater aangenomen worden. Aanbevelingen uit het onderzoek: In het onderzoek wordt aanbevolen een nader bodemonderzoek uit te voeren naar aanleiding van de matig tot sterk verhoogde gehaltes aan lood in de grond. Op die manier kan de aard en omvang van de verontreiniging bepaald worden.

De licht verhoogde gehaltes aan PCB, minerale olie, koper, zink, kwik en/of PAK in de grond en de licht verhoogde concentratie aan barium in het grondwater, zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt mogelijk een belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Op de locatie zijn geen bijmengingen met puin aangetroffen, de locatie is niet verdacht op de aanwezigheid van asbest. Verkennend asbestonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bodem heeft geen directe gevolgen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Wel wordt aanbevolen in het verdere stadium - bij de omgevingsvergunningaanvraag bouw gevolg te geven aan het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het is noodzakelijk rekening te houden met het aanwezige geval van bodemverontreiniging en een sanering van de grond voorafgaand aan de herontwikkeling is nodig. Verder dienen de (nog) aanwezige brandstoftanks voor herontwikkeling te worden verwijderd.

4.3 Duurzaamheid 4.3.1 Regelgeving en beleid

Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het de aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe woonbuurt. Hiervoor zijn een aantal handvatten op zowel rijks- als regionaal niveau. Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang Energietransitie (VET) heeft onder andere geregeld dat de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet is verdwenen. Per 1 juli 2018 is deze wet in werking getreden en is

tegelijkertijd een aardgasverbod ingegaan. De wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen. Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: <0000> transitie naar duurzame energiehuishouding; <0000> transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; <0000> transitie naar duurzame landbouw. Het NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving.

Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. Het NMP4 moet in de toekomst worden vervangen door het Nationaal milieubeleidskader (NMK) en het Nationaal milieuprogramma (NMP) zoals in de NOVI is beoogd. Het NMK is in februari 2021 vastgesteld, het NMP is nog in ontwikkeling. Gemeentelijk beleid duurzaamheid In de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 is vastgelegd dat de gemeente Dordrecht in 2050 energieneutraal is. Voor de gebouwde omgeving wordt zelfs gestreefd naar energieneutraal in 2035. Daarnaast wordt gestreefd naar 49% CO2 reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Bij nieuwbouw wordt ingezet op zeer goed geïsoleerde, energieleverende gebouwen en op 20% minder energieverbruik in 2030 in de gebouwde omgeving ten opzichte van 2020. Ook wordt ingezet op circulaire gebiedsontwikkeling, waarbij nieuwe woningen of gebouwen en woonwijken worden gecreëerd die niet alleen economische, maar ook ecologische waarde toevoegen. In juni 2021 is door de gemeenteraad de Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld en in juli 2021 de Regionale Energiestrategie (RES).

In beide documenten wordt een beeld geschetst van de route naar energieneutraal in 2050. De Transitievisie Warmte 2021 beschrijft per buurt de route naar aardgasvrije woningen en gebouwen. In de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 staat hoe de opwekking van duurzame elektriciteit middels zon en wind, het aardgasvrij maken van gebouwen en woningen en de energie-infrastructuur worden ingepast in de regio. Voor warmte staat in de RES de Regionale Structuur Warmte met bronnenstrategie. Energie Nieuwbouw dient zo min mogelijk energie te verbruiken. Voor alle nieuwbouw geldt dat deze minimaal moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Aandachtspunt is dat de hernieuwbare energie in deze eis op het eigen perceel opgewekt moet worden en dat deze niet als compensatie mag dienen. Nieuwbouw mag niet meer worden aangesloten op aardgas. Nieuwbouw dient dus op een andere manier verwarmd te worden. De toepassing van conventionele koel- of verwarmingsinstallaties zoals HR ketels, elektrische boilers en conventionele koelmachines is niet toegestaan. In zowel de TVW als de RES is de beleidslijn voor warmte vastgelegd. Er geldt een afwegingscriterium duurzaamheid, met een voorkeursvolgorde voor warmtebronnen: <0000> Direct bruikbare warmte = gebruik maken van restwarmte uit o.a. de industrie. Dit heeft de voorkeur.

<0000> Op te waarderen warmte = gebruik maken van warmte uit ondiepe geothermie, oppervlaktewater of lucht. Hierbij is er altijd iets extra's nodig in de vorm van een elektrische warmtepomp om de warmte op de juiste temperatuur te krijgen om de woning te verwarmen. Algemene term die hiervoor wordt gebruikt is 'all electric'.

<0000>

Te maken warmte = duurzame brandstoffen als groen gas of waterstof. Deze brandstof is niet aanwezig en moet nog 'gemaakt' worden. Deze vorm heeft niet de voorkeur en wordt niet voorzien in de woonwijken.

Circulariteit Duurzaamheid in deze context betreft vooral duurzame gebouwkwaliteit qua materiaalkeuze, maar ook duurzaamheid in onderhoud en gebruiksduur van het gebouw. Het doel is een circulaire stad waarbij grondstoffen en materialen zo lang en zoveel mogelijk behouden blijven. Hieronder wordt verstaan: het ontwerp, construeren, en slopen van een gebouw op zo'n manier dat naast het hoogwaardig inzetten en hergebruiken van materialen en een adaptief en toekomstig ontwerp, ook duurzaamheidsambities op het gebied van energie, groen en water worden meegenomen.

4.3.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling worden 28 woningen mogelijk gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling zal in ieder geval voldoen aan de wettelijke verplichtingen. De exacte invulling wordt met de aannemer afgestemd. De exacte invulling wordt met de aannemer afgestemd. Bij de technische uitwerking van het bouwplan zullen de te treffen maatregelen verder worden uitgewerkt ter voorbereiding op en als onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen.

4.3.3 Conclusie

Bij de verbouw en nieuwbouw is er aandacht voor het aspect duurzaamheid. Via toetsing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal dit nader aandacht krijgen. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Regelgeving en beleid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Toetsingskader Externe Veiligheid Conform het in Dordrecht vastgestelde Toetsingskader Externe Veiligheid wordt in deze paragraaf in het bestemmingsplan aandacht besteedt aan het plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Voor resteffecten wordt gekeken naar de door de provincie Zuid-Holland voorgeschreven CHAMP-benadering. Binnen externe veiligheid worden 2 normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats.

Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour). Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten.

Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Besluit externe veiligheid transportroutes Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogd dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht.

Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevt werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)/ Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Het besluit verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10-6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/735/documents/30334