Toelichting BP Prunuslaan.pdf
Tekst van het document
4.9.2 Onderzoek In bijlage 5 is het luchtkwaliteitsonderzoek opgenomen. Daaruit volgen onderstaande resultaten en conclusie: De NIBM-grens voor woningbouwlocaties is is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Met onderhavig plan wordt de realisatie van 16 appartementen voorzien. Het plan zal de NIBMgrens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Verdere toetsing voor het plan is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouwlocatie onderzocht. Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) norm-overschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.
4.9.3 Conclusie
Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voorzien voor dit initiatief. De ontwikkeling zal niet in betekenende mate bijdragen aan de achteruitgang va de luchtkwaliteit en de concentraties liggen ruim beneden de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Er zijn vanuit luchtkwaliteit geen belemmeringen voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.10 Stikstof 4.10.1 Regelgeving en beleid Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. Dit hangt samen met de flora-en fauna onderzoeken. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus en bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten op het beschermde natuurgebied. Indien er sprake is van significante effecten is een Wet natuurbeschermingvergunning (Wnb-vergunning) noodzakelijk. PAS In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van een toename van (meer dan 0,05 mol/ha/jaar) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
4.10.2 Onderzoek Ten behoeve van instandhouding van de natuurgebieden in of nabij Dordrecht is een stikstofonderzoek gedaan voor dit project. Voor de projectlocatie zijn de relevante emissies tijdens de aanlegfase en gebruiksfase berekend. Dit is gedaan met behulp van het programma AERIUS calculator (versie 2022). In de bijlagen 6, 7 en 8 zijn het rapport en bijbehorende AERIUS berekeningen opgenomen. Hieruit volgt onderstaande conclusie:
Het projecteffet op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
4.10.3 Conclusie
Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling en daarmee de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.11 Verkeer en vervoer 4.11.1 Regelgeving en beleid Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht & Koersnota Mobiliteit In Dordrecht bestaat het verkeers- en vervoerssysteem uit een combinatie van verschillende netwerken: auto, fiets, openbaar vervoer (spoor, bus en waterbus) en te voet. De omgevingsvisie zet in op het verbeteren van de knooppunten waar deze netwerken samenkomen en het anders benutten van de bestaande infrastructuur en voorzieningen. Deze lijn is overgenomen uit de Koersnota Mobiliteit voor Dordrecht uit 2020. Daarin is op hoofdlijnen aangegeven welke richting nodig is om de stad bereikbaar en berijdbaar te houden. De mobiliteit zal komende jaren nog doorgroeien. Daarom wordt ingezet op een forse groei van de fiets- en openbaar vervoermobiliteit en een stabilisatie of mogelijke afname van de automobiliteit. Beleidsregels parkeerbeleid Binnen de gemeente is parkeerbeleid in ontwikkeling waarin parkeernormen en eisen gesteld worden aan nieuwbouw. Op dit moment worden bestemmingsplannen getoetst aan de "Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht". Dit document is de basis voor hte berekenen van de parkeervraag. In dit beleid zijn ook onder bepaalde voorwaarden reducties van de parkeernormen mogelijk.
4.11.2 Onderzoek
Voor het berekenen en toetsen van de parkeerbehoefte en verkeersstromen van het project is een onderzoek gedaan. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Dit onderzoek is daarna beoordeeld door de afdeling Verkeer van de gemeente. Dit advies opgenomen in de toelichting hieronder, aan het eind. • Parkeerbehoefte Voor de 7 appartementen met een oppervlakte van 60 - 90 m2 geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woningen. Voor de 9 appartemeneten 90 tot 150 m2 geldt een parkeernorm van 2,0. Dit leidt tot een totale parkeerbehoefte van 31 (30,6) parkeerplaatsen. In deze berekening is uitgangspunt dat zowel bewoners als het aandeel bezoekers (0,3 parkeerplaatsen/woning) voor 100% wordt meegerekend. • OV reductie Er kan een reductie op de parkeernorm worden toegepast wanneer zich op afzienbare afstand openbaar vervoer-voorzieningen bevinden. Voor een lightrail-halte (trein) en ov-halte mogen tweemaal 5% reductie worden toegepast. Dit leidt tot een totale normatieve parkeerbehoefte van 28 (27,5) parkeerplaatsen. In het plan zijn 20 parkeerplaatsen opgenomen. • Parkeerdruk Het is ook mogelijk om een tekort aan parkeerplaatsen bij nieuwbouwontwikkelingen in de openbare ruimte op te lossen, mits de parkeerdruk aldaar niet boven de 85% stijgt.
Een parkeerdrukmeting toont aan dat de parkeerdruk binnen 300 meter loopafstand van het plangebied in de huidige situatie op de drukste momenten (de werkdagnacht en zaterdagnacht) 82% bedraagt.
Wanneer het tekort van 8 parkeerplaatsen wordt afgetrokken van de totale parkeercapaciteit binnen het gebied, stijgt de parkeerdruk op de werkdagnacht naar 84% en op de zaterdagnacht naar 85%. Dit betekent dat het gemeentelijk beleid de mogelijkheid geeft het tekort aan parkeerplaatsen in het plan binnen de wijk op te lossen. • Bredere beschouwing De daadwerkelijke autobezit van de toekomstige bewoners van het pand liggen waarschijnlijk lager dan met de geldende parkeernormen is berekend. De beoogde bewonersgroep van het plangebied heeft een lager autobezit- en gebruik. Want naarmate de leeftijd vordert zijn mensen steeds minder in het bezit van een eigen auto. Ook liggen dagelijkse voorzieningen op fietsafstand van het plangebied en is er een goed aanbod van openbaar vervoor. Aanvullend advies verkeerskundige gemeente In het advies wordt aangegeven dat conform de norm in het parkeerbeleid van de gemeente, die uitgaat van gebruiksoppervalk, er voor de 16 appartementen 30,6 parkeerplaatsen benodigd zijn. Met een reductie fiets en OV komt het aantal op 27,54 parkeerplaatsen. • CROW ASVV kencijfers Met de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW ASVV voor koopappartementen komt de parkeerbehoefte op 27,4 parkeerplaatsen voor de 16 appartementen. Met een reductie fiets en OV komt het aantal op 24,7 parkeerplaatsen.
Uitgaande van het minimum voor de kencijfers voor koopappartementen komt de parkeerbehoefte voor 16 appartementen op 21,0 parkeerplaatsen. Met een reductie fiets en OV komt het aantal op 18,9 parkeerplaatsen. • Autobezit In het onderzoek wordt stilgestaan wordt ook stilgestaan bij het autobezit en in het bijzonder bij senioren. Echter het is niet bekend wat de leeftijd is van de nieuwe bewoners en de beoogde toekomstige bewoners van het appartementencomplex. • Conclusie & Advies De conclusie van het rapport gaat uit dat het plan kan volstaan met 20 parkeerplaatsen en dat de toekomstige bewoners steeds minder in het bezit zijn van een eigen auto. De gemeente kan zich vinden in het standpunt van het rapport om uit te gaan van de gemiddelde CROW kencijfers in plaats van de parkeerkencijfers van het parkeerbeleid. Dan komt het aantal op 24,7 parkeerplaatsen inclusief reductie voor OV en fiets. Dit betekent dat 20 parkeerplaatsen in de halfverdiepte kelder en 4 parkeerplaatsen op het terrein. Op deze manier wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid.
4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect parkeren zijn daarmee geen belemmeringen voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.
4.12 Water 4.12.1 Regelgeving en beleid Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. De ruimtelijke aspecten van de plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd.
Nationaal Programma Water 2022 - 2027 Op 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (NWP) vastgesteld. In het NWP zijn de ontwikkelingen binnen het waterdomein en de hooflijnen van het nationale waterbeleid opgenomen. Het NWP vormt een uitwerking van de nationale omgevingsvisie (NOVI) op gebied van water. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte, • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarvoor is een integrale aanpak in de leefomgeving nodig: Alle verschillende wateropgaven staan niet op zichzelf. Ze hangen samen met elkaar, maar ook met de opgaven van alle andere opgaven in de leefomgeving. Zo kun je doelen voor klimaatadaptatie niet los zien van verstedelijking en woningbouw, en zijn doelen voor waterkwaliteit nauw verbonden met het landbouwbeleid. Een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstelnatuur en de landbouwtransitie, is dan ook noodzakelijk. Deze integrale aanpak is in het NWP voor het waterdomein nader uitgewerkt. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe.
Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een ruimtelijke ordening die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. Watertoets De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor bestemmingsplannen. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het vooroverleg, op grond van artikel 3.1.1 Bro, met het waterschap verplicht gesteld voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Ook heeft het besluit een verplichte waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen geregeld. De watertoets is een procesinstrument. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De gevolgen (veiligheid en wateroverlast, waterkwaliteit of verdroging) moet de gemeente in beeld brengen. De waterbeheerder beoordeelt het plan of het besluit en geeft advies over de waterhuishoudkundige aspecten. De initiatiefnemer betrekt dit advies in de belangenafweging. Vervolgens worden de resultaten van de watertoets verwerkt in een waterparagraaf in de toelichting van het bestemmingsplan. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap Hollandse Delta heeft in haar waterbeheerprogramma (WBP) de waterdoelen voor de planperiode 2022-2027 vastgelegd op gebied van waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen.
Deze doelen zijn afgeleid van het waterschap haar ambities voor de lange termijn (tot 2050) die vastgelegd gaan worden in de omgevingsvisie Hollandse Delta. Naast de doelen tot 2027 bevat dit waterbeheerprogramma de strategie hoe deze doelen gerealiseerd gaan worden. Het programma richt zich op een toekomstbestendig waterbeheer en daarmee een toekomstbestendig woon-, werk- en leefgebied. Het waterschap zet in op het inperken van de impact op klimaat en milieu, het verbeteren van de klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van het gebied, versterken van de biodiversiteit en anders omgaan met hemelwater. Bij een klimaatbestendige en waterrobuust inrichting wordt gevolg gegeven aan de doelen vanuit de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie en is de ambitie dat inwoners en bedrijven veilig in het gebied kunnen blijven wonen, ondernemen en recreëren en dat wordt bijgedragen aan het robuust en veerkrachtig maken van de leefomgeving. Er komt meer ruimte voor water; niet alleen letterlijk, maar ook bij de voorbereidingen van plannen voor de ruimtelijke inrichting. Om dit te bereiken heeft het waterschap de volgende acties gesteld in het WBP: • samenwerken met overheidspartners en belanghebbenden; • naar de voorkant van ruimtelijke planprocessen bewegen. Gemeentelijk waterbeleid In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP 2021 - 2025) is bepaald hoe de gemeente omgaat met hemelwater.
Hemelwater moet gescheiden ingezameld worden van afvalwater. Bij nieuwbouw
betekent dat er een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd. Op de eigen percelen zijn perceeleigenaren hiervoor verantwoordelijk. Daarnaast wordt een waterberging van 44 mm per vierkante meter verhard dakoppervlak geëist voor nieuwe ruimtelijke plannen. Het uitgagnspunt is dat er tot een bui van 60 mm/uur geen schade mag ontstaan door hemelwater aan de openbare ruimte en panden. In de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 is bepaald dat de veiligheid van het Eiland van Dordrecht vergroot moet worden. Daarbij wordt een strategie van meerlaagsveiligheid aangehouden. Het uiteindelijke doel is een zelfredzaam eiland. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aanpassingen meegenomen die de gevolgen van overstromingen beperken. Verder vormen de blauwe - water structuren samen met het groen de belangrijkste ecologische structuur van de stedelijke omgeving die waar nodig versterkt moet worden.
4.12.2 Onderzoek
Voor deze locatie is een watertoets uitgevoerd, met bijbehorende waterparagraaf. Deze is opgenomen in bijlage 10. Hierin zijn de volgende aspecten omtrent water geïnventariseerd: hoogteligging, bodemopbouw, hydrogeologie, waterbeheer (peilbeheer en oppervlaktewater), waterveiligheid, ontwatering en riolering. In het onderzoek is de waterbergingsopgave aan de hand van het (toenemend) verhard oppervlak van het planvoornemen bepaald. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 445 m2. Het verhard oppervlak bedraagt ca. 1.975 m2 in de toekomstige situatie. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis van de gemeente Dordrecht bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 90 m3. Daarna zijn er randvoorwaarden en uitgangspunten gesteld die vervolgens worden uitgewerkt. • Hemelwater Het schone hemelwater wordt gescheiden van het vuilwater ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Binnen de planlocatie is weinig ruimte beschikbaar om hemelwater bovengonds te bergen dus zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening. Vanwege de hoge GHG (gronddekking om ondergrondse systemen aan te kunnen) is het toepassen van een infiltratieriool en/of infiltratiekratten zeer waarschijnlijk niet mogelijk.
Om hemelwater binnen de planlocatie te kunnen verwerken kan eventueel water worden geborgen in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Dergelijke systemen worden vaak toegepast in gebieden waar de infiltratiemogelijkheden beperkt zijn of waar sprake is van een hoge grondwaterstand. Bijvoorbeeld een systeem van Aquaflow. Een andere optie voor waterberging is onder de hellingbaan van maaiveldniveau naar niveau -1. De afvoer van hemelwater wordt niet direct aan het riool gekoppeld, maar wordt eerst opgevangen in een bassin onder de hellingbaan. Hiermee wordt de piek van een zware regenbui opgevangen en vertraagd afgevoerd. De vertraagde afvoer dient afgestemd te worden op de landelijke afvoercoëfficiënt en mag niet meer bedragen dan 1,5 l/s/ha. Het systeem is ook dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 45 mm neerslag valt geborgen kan worden. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende particuliere percelen dient te worden voorkomen. Ander uitgangspunt is dat de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. • Grondwater In het planvoornemen is momenteel de aanleg van een parkeerkelder voorzien. Ondergrondse werken mogen een vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren.
In overleg met de waterbeheerders wordt middels een geohydrologisch onderzoek bij verdere planuitwerking aangetoond dat er geen negatieve gevolgen zijn.
Voor alle handelingen nabij een watergang is in het kader van de Keur van het waterschap een vergunning nodig. • Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. • Conclusie Daarna volgt de conclusie. Door de randvoorwaarden en uitgangspunten uit te werken kan een waterhuishoudkundig(inrichtings)plan opgesteld worden. Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure.
4.12.3 Conclusie
Het planvoornemen en daarmee het bestemmingsplan zal voldoen aan de uitgangspunten van het waterschap en geen negatieve gevolgen hebben voor het waterhuishoudkundige systeem.
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Regelgeving en beleid Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten, die zijn genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), maar onder de daar genoemde drempelwaarden blijven, uitvoering worden gegeven aan de artikelen 7.16, 7.17 eerste t/m vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. De op stedelijk niveau veel voorkomende activiteiten zijn de activiteiten, genoemd in bijlage D11.2: stedelijke ontwikkelingsprojecten, waaronder de bouw van 2000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied. Dit plan is aan te merken als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, en valt daarmee in categorie D11.2. Voor elk plan waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet door het bevoegd gezag een m.e.r. beoordelingsbesluit genomen worden en bij het ruimtelijk plan worden gevoegd.
4.13.2 Onderzoek
De vorm van een vormvrije m.e.r. beoordeling is niet bepaald. De inhoud van een m.e.r. beoordeling dient in te gaan op: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Het project betreft de transformatie van een KPN-centrale naar woningen. Het ligt ingeklemd tussen bestaande woningen. Het bestaande bouwvolume wordt uitgebreid zodat er ruimte is voor een programma van maximaal 16 woningen. Dit wordt gerealiseerd op de bestaande constructie (kelder) van de KPN-centrale. De nieuwe functie (woningen) past binnen de omgeving. In de omgeving liggen tevens woningen. Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Er is voornamelijk sprake van huishoudelijk afval, aangezien hoofdzakelijk woningen worden gerealiseerd bij dit project. Hiervoor wordt ruimte ingericht voor de verzameling ervan en zal het afval op de juiste wijze worden afgevoerd/verwerkt. Plaats van het project
Op dit moment bevindt zich op de plaats van het project een gebouw van KPN, een wijkcentrale. Dit gebouw verliest binnenkort zijn functie als wijkcentrale en zal daardoor buiten gebruik raken waardoor sprake zal zijn van leegstand. De omliggende gronden zijn in gebruik voor bestaand groen en verharding, waaronder een brandgang aan de achtertuinen van de aangrenzend gelegen woningen. De kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plan is onderzocht. De bodemkwaliteit geeft geen problemen. Via een quickscan flora en fauna en aanvullend onderzoek zijn/worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op nabijgelegen beschermde gebieden in beeld gebracht. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een beschermd Natura 2000-gebied en is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen ontwikkeling op de locatie zij, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Ook externe effecten als gevolg van een stikstofdepositietoename gezien de nieuwbouw zijn uitgesloten, zoals is onderzocht. Kenmerken van het potentiële effect De diverse milieueffecten zijn in hoofdstuk 4 onderzocht en in beeld gebracht.
Voor de aspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, stikstof, water, bodem en externe veiligheid worden de mogelijke effecten in ogenschouw genomen bij de ontwikkeling van het project. Voor categorie D11.2 zijn in kolom 2 de grenswaarden vastgelegd. De omvang van dit plangebied is kleiner dan de grenswaarden die zijn vastgelegd in kolom 2. Daardoor kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het m.e.r besluit is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.
4.13.3 Conclusie
Uit de m.e.r.-beoordeling volgt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Het m.e.r.beoordelingsbesluit is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving
5.1 Planmethodiek Dit bestemmingsplan is opgezet volgens de in Dordrecht in het algemeen gebruikte methodiek, waarbij de verschillende bestemmingen met hun bouwgrenzen direct van de verbeelding afleesbaar zijn. In onderhavig bestemmingsplan is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen de zogenaamde hoofdbebouwing is toegestaan. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Buiten het bouwvlak is onder bepaalde voorwaarden het oprichten van bebouwing is toegestaan. Dit staat overigens los van de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2 Regels Algemeen Er is sprake van een herziening van een gedeelte van het geldende bestemmingsplan Dubbeldam. De regels zijn voor het overgrote deel overgenomen van dit plan. Bestemmingen • Bedrijf - Nutsvoorziening Deze bestemming is opgenomen voor de nutsvoorzieningen in het plangebied. Er is een bouwvlak voor ingetekend waarbinnen een gebouw tot 3 meter hoog is toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen. • Tuin Deze bestemming ligt op de buitenruimten binnen het plangebied. Hierbinnen zijn groenvoorzieningen (in de vorm van een tuin) en parkeervoorzieningen toegestaan. Ook is aangegeven dat binnen deze bestemming een hellingbaan voor de ondergrondse parkeergarage en een berging mogelijk zijn. • Wonen Voor het wonen is de standaardregeling opgenomen met bouwvlakken, toegelaten bouwwerken en maximale bouwhoogtematen. De maximale bouwhoogte voor de 2 complexen is 9 meter. Overgangsrecht en slotregel In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Tot slot is in de slotregel de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
5.3 Verbeelding De verbeelding heeft uitsluitend betrekking op de gronden die zijn betrokken in de ontwikkeling van de voormalige wijkcentrale van KPN aan de Prunuslaan in Dubbeldam.
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) dient de gemeenteraad een exploitatieplan, ook wel grondexploitatie, vast te stellen voor de gronden waar een aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het Besluit ruimtelijke ordening staat wat wordt verstaan onder een aangewezen bouwplan. Een explotatieplan wordt gelijktijdig bekendgemaakt met het bestemmingsplan of de wijziging. Voor dit plan is tussen de gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is een exploitatieplan niet nodig en is de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan gewaarborgd.
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Inspraak Door de initiatiefnemer zijn meerdere participatiemomenten voor belanghebbenden georganiseerd. Er heeft een informatiemiddag plaatsgevonden op locatie op 24 juni 2022. Daarnaast is er een website met nieuwsbrief met informatie voor omwonenden en geïnteresseerden. Naar aanleiding hiervan zijn verschillende berichten ontvangen van belanghebben met vragen, suggesties en zorgen. Deze belanghebbenden zijn uitgenodigd voor zogeheten keukentafelgesprekken waarin ruimte was om dit verder te bespreken. De keukentafelgesprekken waren naar aanleiding van de volgende reacties vanuit omwonenden: • Zorgen over privacy, met name voor directe inkijk in de achtertuinen. • Verplaatsen van de vuilcontainers of andere oplossing. • Geluidsoverlast i.v.m. de paalfundering. • Extra bomen plaatsen. Deze reacties bij elkaar hebben geleid tot de volgende wijzigingen aan het voorlopig ontwerp (VO) voor het plangebied: • de woonkamers zijn aan de binnenzijde van de hof gelegd, zodat deze zijn gericht op de hof, terwijl de slaapkamers juist aan de buitenzijde van de bouwblokken liggen; • aan de noord- en zuidzijde zijn slechts beperkt ramen gemaakt. De ramen in deze gevels worden voorzien van lamellen die het doorzicht beperken.
Enkele ramen zijn uitgevoerd als erker, waardoor ze niet uitkijken op de tuinen van de omwonenden; • de overstekende galerij aan de noordzijde is teruggelegd en hier zijn ook bomen en plantenperk geplaatst zodat er voldoende 'afstand' wordt gecreëerd; • onderzocht zal worden hoe de berging voor de afvalcontainers zo min mogelijk hinder zal geven; • onderzocht zal worden hoe de erfgrens met de woningen aan de Kromme Zandweg een groene uitstraling kan krijgen; • het binnenterrein zal privéterrein worden waardoor het minder logisch is dat parkeerders voor het Damplein diagonaal door het binnengebied zullen gaan lopen; • de uitwerking van de entree van de hof zal worden besproken met de direct aanwonenden. Overeenkomstig de bepalingen van Wet ruimtelijke ordening bestaat er de gelegenheid tegen het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad door iedereen.
7.2 Overleg Het in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overleg wordt gevoerd met: 1. Provincie Zuid-Holland; 2. Omgevingsdienst Haaglanden; 3. Rijkswaterstaat; 4. Waterschap de Hollandse Delta; 5. Veiligheidsregio; 6. KPN.