CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Prunuslaan.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 20 juni 2023, gemeente DordrechtBij agendapunt: 33: Raadsinformatiebrief over Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 15e herziening Dubbeldam, locatie Prunuslaan 25 - Raadsinformatiebrief13.009 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting 15e herziening Dubbeldam, locatie Prunuslaan 25

Gemeente: Dordrecht Fase: ontwerp Datum: XXXX

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

4

1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

6

2.1 Bestaande ruimtelijke en functionele structuur 2.2 Toekomstige situatie

6 7

Hoofdstuk 3 Beleidskader

8

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht 3.3.2 Woonvisie 3.3.3 Vigerende bestemmingsplannen

8 8 8 8 9 9 10 11 11 12 12

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

13

4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Regelgeving en beleid 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.2.1 Regelgeving en beleid 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Regelgeving en beleid 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Energie en duurzaamheid 4.4.1 Regelgeving en beleid 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Regelgeving en beleid 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Flora en fauna 4.6.1 Regelgeving en beleid 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Geluid 4.7.1 Regelgeving en beleid 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Groen 4.8.1 Regelgeving en beleid 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Regelgeving en beleid 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Stikstof

13 13 14 14 15 15 15 15 15 15 15 16 16 16 17 17 17 17 17 18 18 18 18 18 18 18 19 20 20 20 20 20 20 20 21 21 21

4.10.1 Regelgeving en beleid 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Verkeer en vervoer 4.11.1 Regelgeving en beleid 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Water 4.12.1 Regelgeving en beleid 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Regelgeving en beleid 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie

21 22 22 22 22 22 22 22 22 24 25 25 25 25 25

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

26

5.1 Planmethodiek 5.2 Regels 5.3 Verbeelding

26 26 26

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

27

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

28

7.1 Inspraak 7.2 Overleg

28 28

Bijlagen: 1. Archeologie 2. Bodemonderzoek 3. Quickscan Flora en Fauna 4. Geluidsonderzoek 5. Luchtkwaliteitsonderzoek 6. Stikstofonderzoek 7. Aerius-berekening gebruiksfase 8. Aerius-berekening aanlegfase 9. Parkeeronderbouwing 10. Watertoets

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Aan de Prunuslaan 25 te Dubbeldam ligt een wijkcentrale van KPN. De centrale zal rond de zomer van 2023 haar functie verliezen en niet langer in gebruik zijn. Er ligt een initiatief om op deze locatie een kleinschalig woningbouwproject te realiseren. Hierbij is onderzocht of het bestaande casco van de wijkcentrale behouden kan worden. Een studie toont aan dat hergebruik van het bestaande casco alleen mogelijk is voor de kelder. Deze kan gebruikt worden als parkeerbak. Het gebouw zelf is niet geschikt voor hergebruik. Het plan is om op de bestaande kelder een nieuw appartementencomplex met 16 woningen te realiseren. Het appartementencomplex zal in de vorm van een 2 1/2-laags hofje worden gerealiseerd. De bebouwing van het hofje zal bestaan uit twee tegenover elkaar liggende bouwblokken met binnentuin. De parkeerplaatsen worden grotendeels in de bestaande halfverhoogte kelder ondergebracht. In het huidige bestemmingsplan is de voormalige wijkcentrale bestemd als een maatschappelijke nutsvoorziening. Het is daardoor niet mogelijk om op deze locatie woningbouw te realiseren. Daarom is gekozen om voor deze locatie een bestemmingsplanherziening op te stellen zodat woningbouw mogelijk wordt.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in Dubbeldam in het midden van het eiland van Dordrecht en in het bouwblok dat wordt begrensd door: • In het noorden: woningen met tuinen gelegen aan de straat Prunuslaan • In het oosten: woningen met tuinen gelegen aan de Prunuslaan • In het zuiden: woningen met tuinen gelegen aan de Kromme Zandweg • In het westen: woningen met tuinen en bedrijven aan de Rechte Zandweg

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor het plangebied geldt het volgende bestemmingsplan: Dubbeldam, vastgesteld op 16 december 2014. Het plangebied heeft nu grotendeels de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening'. Een klein gedeelte, met name aan de grens van het plangebied, ligt de bestemming 'Verkeer'. Verder ligt op het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Het bouwvlak waarbinnen mag worden gebouwd volgt de grenzen van de huidige bebouwing. Binnen het bouwvlak mag tot maximaal 6 m hoog gebouwd worden. Binnen de bestemming zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot maximaal 4 m hoog.

Uitsnede bestemmingsplanverbeelding

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 1 zijn enkele algemene, in ieder bestemmingsplan voorkomende, onderdelen beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 2 het voorliggende plan toegelicht. In hoofdstuk 3 komen het beleid (en algemene regels) van rijk, provincie en gemeente aan de orde. In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan verschillende omgevingsaspecten, zoals archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, water en milieu. Per aspect zijn de van toepassing zijnde regelgeving en beleid benoemd. Vervolgens zijn de onderzoeken beschreven en conclusies getrokken. Hoofdstuk 5 behelst de juridische planbeschrijving. De hoofdstukken 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande ruimtelijke en functionele structuur Het huidige Dubbeldam ontstond op ingepolderd land; de bedijkingen ontstonden in 1560. De dorpskern werd tot 1918 gevormd door een beperkt aantal woningen, een kerk, een kosterij, een school en een gemeentehuis. Deze bebouwing bevond zich in de vorm van lintbebouwing langs de Dubbelsteynlaan, de vroegere Straet Wegh. Pas na 1945 vond een grote dorpsuitbreiding plaats met woningbouw. Deze toenemende bebouwing moest Dubbeldam meevoeren met de maatschappij, maar vooral beschermen tegen annexatie door Dordrecht. Na 1960 werd de dorpskern omgebouwd tot centrum en ontstond het Damplein. Op weilanden tussen de lintbebouwing verrezen honderden nieuwe huizen en de meeste sloten langs de wegen werden gedempt. Alhoewel het dorpsverleden nog steeds herkenbaar is, gaven de nieuwbouwontwikkelingen Dubbeldam het karakter van een buitenwijk. Op 1 juli 1970 werd Dubbeldam uiteindelijk als zelfstandige gemeente opgeheven en bij Dordrecht gevoegd. Dubbeldam ligt tussen de wijken Stadspolders, Sterrenburg en het buitengebied. Door de ontstaansgeschiedenis onderscheidt Dubbeldam zich van andere wijken. De Kromme en Rechte Zandweg, waar het plangebied aan grenst, vormen belangrijke karakteristieke aders in Dubbeldam door de twee-onder-één-kap woningen met fraaie kapvorm en de openheid tussen de woningen.

De Welstandsnota bevestigt dat dit karakter van een dorp behouden moet blijven en dient als uitgangspunt voor verdere ontwikkeling van Dubbeldam. Het plangebied heeft altijd een bedrijfsfunctie gehad ten behoeve van de KPN wijkcentrale. Om het plangebied heen liggen woningen. Ten zuidwesten van het plangebied liggen nog enkele bedrijfsfuncties, waaronder een autohandelaar en winkel. Deze behoren bij de dorpskern en het Damplein met verschillende voorzieningen verder ten zuiden van het plangebied.

2.2 Toekomstige situatie

Algemeen Het plan is om de verouderde KPN-centrale te herontwikkelen tot een kleinschalig woonhof met 16 appartementen. Het terrein van de KPN-centrale wordt ontsloten via de Prunuslaan, maar grenst aan de achterzijde van de karakteristieke straten de Kromme Zandweg en Rechte Zandweg. Deze straten worden gekenmerkt door de typische kleinschalige lintbebouwing van de oude dorpsstructuur van Dubbeldam. Er is onderzoek gedaan naar hergebruik van het gebouw van de huidige centrale. Hieruit blijkt dat alleen de halfverdiepte kelder geschikt is voor hergebruik als parkeerbak. Hier bovenop zal een nieuw appartementencomplex gebouwd worden. Stedenbouwkundige opzet Samen met de initiatiefnemer is gezocht naar een plan dat aansluit bij de kleinschaligheid van de historische lintbebouwing en de privacy-situatie binnen het bouwblok. De nieuwbouw zal bestaan uit twee tegen over elkaar liggende blokken met appartementen. De woninggrootte zal variëren van 72 tot 120 m2. Tussen de bouwblokken komt - bovenop de bestaande kelder - een gemeenschappelijke binnentuin, waardoor een hof-achtig complex ontstaat. Aan de Prunuslaan zal een duidelijke entree (poort) tot het plangebied worden gerealiseerd, zodat de nieuwe woningen goed vindbaar zijn. Een afvalvoorziening is voorzien aan de zuidwestzijde van het complex tegenover de entree die leidt naar het hof.

Het volume hiervan kan aansluiten bij de te handhaven bouwwerken (KPN en Trafo). De woningen zullen zich met hun leefruimtes richten op de binnentuin, waardoor het zicht op omliggende woningen wordt beperkt. Aan de kant van de bestaande woningen zullen zich de slaapkamers bevinden. Het terrein rondom het hof krijgt een groen karakter, dat met opgaand groen het zicht vanuit de woningen op de omliggende tuinen verder zal beperken. Verkeer Het plangebied is gelegen aan de Prunuslaan en heeft een bestaande ontsluiting op deze weg. Het nieuwe hof zal ook gebruik maken van deze bestaande ontsluiting. De entree zal worden ingericht voor auto's, fietsers en voetgangers. Het parkeren van auto's en fietsen zal zoveel mogelijk plaatsvinden in de verdiepte kelder. Daar zijn 20 parkeerplaatsen voorzien. Op maaiveld zullen nog enkele parkeerplaatsen gerealiseerd worden om aan de parkeernorm te voldoen. Voor dit plangebied wordt onderzocht of ruimte voor gebruik van deelfietsen en deelauto's mogelijk is.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van woonruimte waar scherpe keuzes en afwegingen aan vooraf zijn gegaan. Dit bestemmingsplan past daarmee binnen de prioriteiten en afwegingsprincipes van de Nationale omgevingsvisie.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De nationale ruimtelijke belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, of Amvb Ruimte). Doel is om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan deze algemene regels. Zie hoofdstuk 4 voor de verantwoording van de onder 3.1.1 genoemde omgevingsaspecten. Toetsing Dit bestemmingsplan voldoet aan het beleid en de algemene regels van het rijk.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 (gewijzigd per 1 juli 2017) is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke

ordening (Bro) de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze ladder moet voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen worden doorlopen en kent drie treden. Met ingang van 1 juli 2017 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' van de ladder en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door 'behoefte'. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Op dit punt is het beleid onveranderd. Uitgangspunt van de ladder blijft dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Een motivering hierover is alleen nog maar nodig als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van 16 nieuwe woningen. In de huidige situatie is op de locatie geen woningbouw aanwezig. In de toekomst wordt woningbouw op deze locatie mogelijk en daarom is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld of behoefte bestaat aan de voorziene ontwikkeling van 16 nieuwe woningen. De locatie betreft een locatie binnen bestaand stedelijk gebied.

Behoefte In het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd dat gemeenten woningen bouwen die afgestemd zijn op de actuele regionale behoefte. In de regionale woonvisie 'Goed wonen in de Drechtsteden 2017-2031' is vastgelegd dat alle Drechtsteden gezamenlijk de taak hebben om 15.000 woningen bij te bouwen. In deze woonvisie wordt een grote vraag naar woningen in de toekomst voorzien. Belangrijk aandachtspunt bij deze groei is het maken van een schaal- en kwaliteitssprong. Dit vertaalt zich in een groei van woningen voor hoogopgeleiden en jongeren in de regio. De groeiopgave is verdeeld en afgestemd onder de zeven gemeenten binnen de regio Drechtsteden. Het woningbouwprogramma van de regio wordt jaarlijks gemonitord conform het provinciale programma Ruimte en daarna wordt erover gerapporteerd aan de provincie Zuid-Holland. Daarnaast is in de Groeiagenda 2030 'Goed leven in de Drechtsteden' de ambitie uitgesproken om als regio totaal 25.000 nieuwe woningen te realiseren. In deze groeiagenda wordt wonen gezien als de hefboom voor de beoogde stedelijke ontwikkeling in de Drechtsteden en te groeien naar meer dan 300.000 inwoners en een evenwichtigere verdeling van de woonsegmenten. In het coalitieakkoord 2022-2026 is bepaald dat de gemeente Dordrecht inzet op groei van het inwonertal. De ambitie is om in deze vier jaar 4.000 woningen te bouwen, verdeeld over alle segmenten.

Van deze woningen wordt 30% gerealiseerd in het sociale huursegment en worden minimaal 1.500 betaalbare koopwoningen toegevoegd aan de harde planvoorraad. Vanuit de regionale woonvisie, regionale groeiagenda en het coalitieakkoord van Dordrecht volgt een duidelijke vraag naar woningen in verschillende segmenten. Dit plan voorziet in deze behoefte door te voorzien in 16 woningen op een binnenstedelijke locatie in Dordrecht. Toetsing Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland

In voorbereiding op de Omgevingswet heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit de volgende kaderstellende instrumenten: • • •

Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsprogramma Provincie Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland

Met het Omgevingsbeleid Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking

tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de omgevingsverordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).

3.2.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • • • •

Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd, om dit te bereiken: • Naar een klimaatbestendige delta • Naar een nieuwe economie: the next level • Naar een levendige meerkernige metropool • Energievernieuwing • Best bereikbare provincie • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving In de omgevingsverordening Zuid-Holland (OVZH) zijn alle ruimtelijke provinciale regels voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving opgenomen. De OVZH stelt de volgende maatschappelijke doelen: • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en • zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. Beleidskeuzes omgevingsvisie De provincie heeft twaalf provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de omgevingsverordening.

De relevante beleidskeuzes voor het plangebied worden hieronder beknopt toegelicht. •

Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied Deze opgave betreft de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. Dit bestemmingsplan voorziet in (her)gebruik van binnenstedelijke ruimte. • Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied Het beter benutten van de bebouwde ruimte en de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Deze locatie ligt binnen bestaand gebied en geeft invulling aan een locatie dat zijn functie gaat verliezen. •

Verstedelijking en wonen

De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Er wordt gebouwd naar behoefte. Zie hiervoor ook de ladderonderbouwing in 3.1.3. Ruimtelijke kwaliteit omgevingsverordening De provincie heeft in haar OVZH regels ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit gesteld (paragraaf 6.2.2). Een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet aan verschillende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit voldoen (inpassen, aanpassen en transformeren). De ruimtelijke ontwikkeling moet passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voldoen aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Als deze afwijkt van de bestaande gebiedsidentiteit moet de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijkblijven of moet een integraal ontwerp aantonen hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd. Hierna wordt op een aantal punten uit de kwaliteitskaart ingegaan die relevant zijn voor het plangebied. • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen. Zie hiervoor paragraaf 4.3 die ingaat op de bodemkwaliteit en de opbouw van de bodem door natuurlijke processen behandelt.

In de rest van hoofdstuk 4 worden ook andere aspecten behandeld, zoals erfgoed en flora en fauna. • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Het stedenbouwkundig plan voor dit wooninitiatief zal rekening moeten houden met de kenmerken en identiteit van de wijk Dubbeldam. Het moet aansluiten op de karakteristieke omgeving. Dit is ook bepaald in de Welstandsnota Dordrecht. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. In het bestemmingsplan is ruimte gereserveerd voor groen en water. Zie de toelichting in 4.8 Groen en 4.12 Water. In het omgevingsprogramma worden ten aanzien van het plangebied geen specifieke uitspraken gedaan. Toetsing Voorliggend plan is in lijn met het provinciaal beleid. Het plangebied vormt een binnenstedelijke locatie. Voor de onderbouwing of gebouwd wordt naar behoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht

Op 28 april 2021 is de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 vastgesteld. Deze omgevingsvisie streeft naar integraal omgevingsbeleid en beschrijft de keuzes van de gemeente over hoe zij wil functioneren in het fysieke domein en welke ambities zij daar heeft. De visie heeft een zelfbindend karakter en biedt de basis voor de inzet van andere gemeentelijke instrumenten op grond van de Omgevingswet. Met de omgevingsvisie wil de gemeente de groeiopgaven, zoals vastgesteld in het coalitieakkoord verwezenlijken. De gemeente Dordrecht heeft de ambitie om met 10.000 woningen en 4.000 arbeidsplaatsen te groeien. In het coalitieakkoord zijn zes leidende principes vastgesteld: Dordrecht Groeit, Dordrecht Zorgt, Dordrecht Verdient, Dordrecht Verbindt, Dordrecht Geeft Ruimte en Dordrecht Neemt Verantwoordelijkheid. Dordrecht Groeit is een belangrijk leidend principe. Bij elke keuze wordt de vraag gesteld of dit bijdraagt aan de zes principes. Naast de zes principes vormt samenwerking een belangrijk onderdeel van de sturingsfilosofie van Dordrecht. Om de doelen te behalen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren wordt zoveel mogelijk samengewerkt. Om de groeiopgave te faciliteren is een nieuwe integrale visie nodig. De opgaven zijn groot, maar de fysieke ruimte beperkt. In de omgevingsvisie staan zeven doelen centraal die gelden als randvoorwaarden en zo bijdragen aan de groeiambitie.

Het gaat om de volgende zeven doelen:

-

Dordrecht is een aantrekkelijke stad, … een bereikbare stad … een gezonde stad … een stad met een uitstekend vestigingsklimaat … in 2035 klimaatbestendig … in 2050 energieneutraal … beschermend en bevorderend voor biodiversiteit

Per gebied zijn het benodigde aantal nieuwe woningen en arbeidsplaatsen bepaald om zo met 10.000 woningen te groeien. Voor Dubbeldam zijn 250 nieuwe woningen beoogd. Bij de nieuwe woningen is het belangrijk een gevarieerd woningaanbod te realiseren zodat er ruimte is voor iedere doelgroep. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om woningbouw op een binnenstedelijke locatie te realiseren. Het draagt daarmee bij aan de groeiopgave die is bepaald in de omgevingsvisie. Toetsing Voorliggend plan is in lijn met de omgevingsvisie. Het sluit aan op de groeiopgave. De toetsing aan de 7 omgevingsvisiedoelen komt terug in de verschillende omgevingsaspecten die worden behandeld in hoofdstuk 4.

3.3.2 Woonvisie De ambitie van de Woonvisie Drechtsteden 2017-2031 is een positionering als 'de Drechtsteden voor Rotterdam', en een kwalitatief hoog woningaanbod te realiseren voor een doelgroep die in een duurder segment, goed bereikbaar, met meer ruimte en met moderne stedelijke voorzieningen in of direct bij Dordrecht, een traditioneel Hollandse stad, wil wonen. In de regionale woonvisie (2017) is - rekeninghoudend met rijksbeleid - vastgelegd dat de Drechtsteden een gezamenlijk taakstelling heeft om bijna 10.000 woningen te bouwen tot en met 2030. Op basis van een woningmarktonderzoek (RIGO 2017) heeft zich dit vertaald in een koers voor Dordrecht. Deze koers kenmerkt zich door een vraag in alle segmenten, met een zeer grote nadruk op het duurdere segment maar ook grote behoefte aan betaalbare woningen. De komende collegeperiode tot en met 2022 wil Dordrecht 4.000 woningen bouwen verdeeld in diverse segmenten zoals nader uitgewerkt in het voorstel woningbouwprogrammering (raadsbesluit 18 december 2018). Daarnaast wordt voor de periode daarna gezocht naar locaties voor nog eens 6.000 woningen. Deze koers wordt de komende periode nader uitgewerkt in een gemeentelijke woonvisie. In 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal.

De maatregelen die hiervoor nodig zijn, worden vastgesteld in de regionale en lokale energiestrategieën en uitwerkingsplannen en worden bij de realisatie van de Woonvisie toegepast.

3.3.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor het plangebied geldt het op 16 december 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Dubbeldam". De gronden van het plangebied zijn hierin bestemd voor "Bedrijf - Nutsvoorziening" en "Verkeer". Binnen deze bestemming zijn alleen activiteiten ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. Partiële herziening parkeren Naast het bestemmingsplan geldt voor dit plangebied de 'partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht' dat is vastgesteld op 9 mei 2018. Dit paraplubestemmingsplan heeft tot gevolg dat bij bouwplannen voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd conform de beleidsregel voor parkeren (en laden en lossen) binnen de gemeente.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven.

Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden. Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. Onderdelen uit de Provinciale Structuurvisie (2010) zijn hier in opgenomen. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: • •

de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd.

Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. Gemeentelijk beleid archeologie Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente. Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen beleid wat betreft archeologie. Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 dienen archeologische waarden wettelijk in de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsprocessen meegewogen te worden. In de praktijk gebeurde dit in Dordrecht

al sinds 1995. In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Dordrecht opgesteld. De kaart is een detaillering en uitwerking van de kaarten die op nationale en provinciale schaal beschikbaar zijn. Op het gemeentelijk grondgebied varieert de verwachting van laag tot zeer hoog. In het bij de kaart behorende rapport "‘Stad en Slib: het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht" is de onderbouwing voor de hoogte van de verwachting verwoord. In de Erfgoedverordening Dordrecht (2010) zijn aan de archeologische verwachtingen verschillende voorwaarden en vrijstellingen verbonden. Deze voorwaarden en vrijstellingen worden uiteindelijk in de nieuwe bestemmingsplannen opgenomen. Archeologisch onderzoek in de gemeente Dordrecht is gericht op kenniswinst wat betreft de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad en het Eiland. Van groot belang hierbij is het ontstaan en de ontwikkeling van de stad, de reconstructie van het (cultuur)landschap van het Eiland van Dordrecht en de relatie tussen stad en platteland vóór de ingrijpende St. Elisabethsvloed van 1421. Hiermee sluit de gemeente aan op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie, waarin de relatie tussen mens en landschap in West Nederland binnen de middeleeuwse bewoningsgeschiedenis een speerpunt vormt en uitgewerkt moet worden.

De provincie Zuid Holland kent een grote waarde toe aan locaties die informatie bevatten over de ontginning van het veenlandschap in de middeleeuwen. Het is deze ontginning van het veen en de daarmee samenhangende structuren zoals kaden, dijken, sluizen en die ook nu nog beeldbepalend zijn voor het Hollands landschap. Het Eiland van Dordrecht speelt in landschap een opvallende rol vanwege het in 1421 verdronken en daarna volledig afgedekte landschap, waaraan de huidige Biesbosch een blijvende herinnering is. Bij alle ingrepen in de bodem van Dordrecht dient zorg te worden besteed aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar zich archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige waarden aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens de eisen van de gemeente Dordrecht. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied.

4.1.2 Onderzoek In bijlage 1 is het advies voor archeologie opgenomen. In het plangebied zelf is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de wijdere omgeving zijn 5 onderzoeken met bruikbare gegevens uitgevoerd over de diepteligging van archeologische waarden behorend tot het in 1421 verdronken middeleeuwse landschap. Uit deze onderzoeken is gebleken dat het in 1421 verdronken middeleeuwse en oudere landschap met archeologisch behoudenswaardige waarden in de directe omgeving van Prunuslaan 25 pas daadwerkelijk aanwezig is vanaf een diepte vanaf 200 cm -mv (beneden maaiveld) / 260 cm -NAP (beneden Normaal Amsterdams Peil). Dit blijkt dus aanzienlijk dieper dan de in het huidige bestemmingsplan op voorhand vrijgestelde 100 cm -mv. De diepte van 200 cm -mv zal naar verwachting door de (fundering voor de) nieuwbouw niet overschreden worden. Bovendien wordt het overgrote deel van de nieuwbouw gerealiseerd bovenop een al bestaande en in gebruik blijvende kelder. De kans dat er bij nieuwbouw (zowel bouwen als aanleggen) archeologische waarden worden verstoord is daarmee laag: er wordt geen archeologisch onderzoek verplicht gesteld. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat archeologisch onderzoek niet verplicht is en daarmee een vrijstelling geldt voor het nieuwe bestemmingsplan.

4.1.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het onderzochte plandeel. Er is geen dubbelbestemming archeologie opgenomen in het bestemmingsplan vanwege de vrijstelling.

4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.2.1 Regelgeving en beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan met daarin woningen en bedrijven, dan wel die functies in de directe omgeving, dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

4.2.2 Onderzoek

In het bestemmingsplan Dubbeldam is ten zuidwesten van de locatie een bedrijfsbestemming aangegeven. Volgens de regels is hier de vestiging mogelijk van categorie 1 en 2 bedrijven uit de staat van inrichtingen. De minimaal aan te houden afstand tussen woonbestemmingen en een categorie 2 bedrijf (in een rustige woonwijk) bedraagt 30 meter. De perceelsgrenzen liggen ca. 45 meter uit elkaar. Dit zou geen probleem moeten zijn.

4.2.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van "bedrijven en milieuzonering" bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming en bouwmogelijkheden.

4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Regelgeving en beleid

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Bodemkwaliteitskaart Dordrecht Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten.

Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond. Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid. Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

4.3.2 Onderzoek

Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 2. Hierna volgen de resultaten en conclusie in dat bodemonderzoek.

Op grond van beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd: • het aangetroffen globale bodemprofiel op de onderzoekslocatie bestaat hoofdzakelijk uit matig grof zand tot ca. 0,5m beneden maaiveld en matig tot sterk zandige klei tot de 2,2m beneden maaiveld; • tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen (bodemvreemd materiaal) waargenomen. Er zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen; Voormalige tanklocatie en ontluchting (grond): • de zandige en kleiige boven- en ondergrond is, behoudens een zeer licht (niet significant) verhoogd gehalte aan minerale olie in de kleiige ondergrond nabij de ontluchting, niet verontreinigd met minerale olie; Prunuslaan 23A + 25 (grond): • de zandige bovengrond en kleiige ondergrond is, behoudens licht tot zeer licht (niet significant) verhoogd gehalten aan enkele zware metalen, PAK, PCB en minerale olie, niet verontreinigd; Gehele onderzoekslocatie (grondwater): • het grondwater is ter plaatse van peilbuis 10, behoudens licht verhoogd gehalte aan barium en koper, niet verontreinigd; PFAS: • in 2 grondmengmonsters van de zandige bovengrond en kleiige ondergrond zijn ten hoogste lichte concentraties PFOA en PFOS vastgesteld.

De gehalten bevinden zich ruim beneden de risicowaarde (OZHZ) en beneden de toepassings-norm voor functieklasse 'wonen' uit het tijdelijk handelingskader van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; De aangetroffen halten zijn van een aard dat er, met betrekking tot de bodemkwaliteit, geen nader onderzoek noodzakelijk is. Er zijn geen factoren aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor toepassing elders van eventueel vrijkomende grond kunnen aanvullende kwaliteitseisen, zoals een partijkeuring worden gevraagd.

4.3.3 Conclusie Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4 Energie en duurzaamheid 4.4.1 Regelgeving en beleid Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het de aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe woonbuurt. Hiervoor zijn een aantal handvatten op zowel rijks- als lokaal niveau. Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang Energietransitie (VET) heeft onder andere geregeld dat de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet is verdwenen. Per 1 juli 2018 is deze wet in werking getreden en is tegelijkertijd een aardgasverbod ingegaan. De wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen. Gemeentelijk beleid duurzaamheid In de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 is vastgelegd dat de gemeente Dordrecht in 2050 energieneutraal is. Voor de gebouwde omgeving wordt zelfs gestreefd naar energieneutraal in 2035. Daarnaast wordt gestreefd naar 49% CO2 reductie in 2030 ten opzichte van 1990.

Bij nieuwbouw wordt ingezet op zeer goed geïsoleerde, energieleverende gebouwen en op 20%

minder energieverbruik in 2030 in de gebouwde omgeving ten opzichte van 2020. Ook wordt ingezet op circulaire gebiedsontwikkeling, waarbij nieuwe woningen of gebouwen en woonwijken worden gecreëerd die niet alleen economische, maar ook ecologische waarde toevoegen. In juni 2021 is door de gemeenteraad de Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld en in juli 2021 de Regionale Energiestrategie (RES). In beide documenten wordt een beeld geschetst van de route naar energieneutraal in 2050. De Transitievisie Warmte 2021 beschrijft per buurt de route naar aardgasvrije woningen en gebouwen. In de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 staat hoe de opwekking van duurzame elektriciteit middels zon en wind, het aardgasvrij maken van gebouwen en woningen en de energie-infrastructuur worden ingepast in de regio. Voor warmte staat in de RES de Regionale Structuur Warmte met bronnenstrategie. Energie Nieuwbouw dient zo min mogelijk energie te verbruiken. Voor alle nieuwbouw geldt dat deze minimaal moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Aandachtspunt is dat de hernieuwbare energie in deze eis op het eigen perceel opgewekt moet worden en dat deze niet als compensatie mag dienen. Nieuwbouw mag niet meer worden aangesloten op aardgas. Nieuwbouw dient dus op een andere manier verwarmd te worden.

De toepassing van conventionele koel- of verwarmingsinstallaties zoals HR ketels, elektrische boilers en conventionele koelmachines is niet toegestaan. In zowel de TVW als de RES is de beleidslijn voor warmte vastgelegd. Er geldt een afwegingscriterium duurzaamheid, met een voorkeursvolgorde voor warmtebronnen: • Direct bruikbare warmte = gebruik maken van restwarmte uit o.a. de industrie. Dit heeft de voorkeur. • Op te waarderen warmte = gebruik maken van warmte uit ondiepe geothermie, oppervlaktewater of lucht. Hierbij is er altijd iets extra's nodig in de vorm van een elektrische warmtepomp om de warmte op de juiste temperatuur te krijgen om de woning te verwarmen. Algemene term die hiervoor wordt gebruikt is 'all electric'. • Te maken warmte = duurzame brandstoffen als groen gas of waterstof. Deze brandstof is niet aanwezig en moet nog 'gemaakt' worden. Deze vorm heeft niet de voorkeur en wordt niet voorzien in de woonwijken. Circulariteit Duurzaamheid in deze context betreft vooral duurzame gebouwkwaliteit qua materiaalkeuze, maar ook duurzaamheid in onderhoud en gebruiksduur van het gebouw. Het doel is een circulaire stad waarbij grondstoffen en materialen zo lang en zoveel mogelijk behouden blijven.

Hieronder wordt verstaan: het ontwerp, construeren, en slopen van een gebouw op zo'n manier dat naast het hoogwaardig inzetten en hergebruiken van materialen en een adaptief en toekomstig ontwerp, ook duurzaamheidsambities op het gebied van energie, groen en water worden meegenomen.

4.4.2 Onderzoek Bouwbesluit Het appartementengebouw voldoet minimaal aan de nieuwbouweisen in het Bouwbesluit, inclusief de BENG (eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen) en voldoet daarmee aan de Nederlandse standaard. Circulariteit Uit het uitgevoerde onderzoek naar hergebruik is gebleken dat het gebouw specifiek is ontworpen voor zijn functie als schakelstation; hierdoor is het niet als geheel herbruikbaar. Maar de halfverdiepte kelderbak kan worden hergebruikt als parkeergarage. Het is de bedoeling dat de gefundeerde kelderbak als geheel behouden blijft en wordt ingezet als basement voor de nieuwbouw. Als het gaat om circulariteit levert dit winst op. Duurzaam materiaalgebruik Uitgangspunt bij de ontwikkeling van het appartementengebouw is de toepassing van duurzame en indien mogelijk circulaire materialen. Het appartementengebouw zal worden geïsoleerd met duurzame isolatiematerialen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt het duurzaam materiaalgebruik verder ingevuld om te voldoen aan het gemeentelijk beleid. Energie

De oriëntatie van de twee appartementenblokken is dusdanig dat er geen raampartijen aan de zuidzijde komen. Om een overmaat aan opwarming in de zomermaanden te voorkomen is waar nodig zonwering voorzien (screens, lamellen, dakoverstekken en balkons). De appartementen worden gasloos uitgevoerd.

4.4.3 Conclusie

Voor het aspect duurzaamheid wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. Er zijn geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Regelgeving en beleid

Op basis van diverse wettelijke voorschriften zoals de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen dienen bij het opstellen van een bestemmingsplan minimaal de normen voor plaatsgebonden risico in acht te worden genomen voor zover het bestemmingsplan kwetsbare of zeer kwetsbare bestemmingen toelaat. Daarnaast gelden aandachtsgebieden waarbinnen een afweging moet worden gemaakt of nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maatschappelijk aanvaardbaar worden geacht.

4.5.2 Onderzoek

In de nabijheid van Prunuslaan 25 is geen risicorelevante infrastructuur gelegen (wegen, gasleidingen). Het plangebied ligt dan ook buiten risicocontouren en aandachtsgebieden (brand, explosie en gifwolk) die normaal gesproken rondom infrastructuur is gelegen. Er is ook geen sprake van risicorelevante activiteiten rondom de locatie. Ook hier is geen sprake van risicocontouren en of aandachtsgebieden. Het plangebied bevindt zich wel net binnen het invloedsgebied van Chemours. De afstand tot Chemours is echter zodanig (ver buiten de 10 -8 contour) dat het plan geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico.

4.5.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.6 Flora en fauna 4.6.1 Regelgeving en beleid

In het kader van de Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de realisatie van plannen onderzoek te worden uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde natuurwaarden op de locatie. Ook dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele nadelige effecten van de plannen op deze waarden. Met de implementatie van de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving is een einde gekomen aan de rechtstreekse werking van deze richtlijnen. Zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming zijn verankerd in de Wet natuurbescherming.

4.6.2 Onderzoek

Voor het plangebied is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 3. De quickscan heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Daarbij wordt uitgegaan van sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Hieronder volgende conclusie en aanbevelingen vanuit de quickscan.

• Soortbescherming De bebouwing biedt geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Om de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen vast te stellen zal extra onderzoek moeten plaatsvinden. Het slopen van de bebouwing en het verwijderen van een aantal aanwezige bomen, zullen geen negatieve effecten hebben op in de omgeving verblijvende vleermuizen mits er maatregelen worden genomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting in de realisatie- en gebruiksfase. Op de onderozekslocatie kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Om overtreding te voorkomen dient het groen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Ook de sloop van de bebouwing dient buiten het broedseizoen plaats te vinden. Ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën zijn geen specifieke maatregelen te treffen in het kader van de zorgplicht. Bij het aantreffen van een zoogdier of amfibie dient deze de tijd te krijgen om veilig weg te komen. • Gebiedsbescherming Op basis van de ingreep zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Overige effecten zijn op basis van de voorgenomen ingreep wel uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof is noodzakelijk.

Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Zie het vervolgonderzoek naar stikstof in paragraaf 4.10 Stikstof. • Aanvullend flora- en fauna onderzoek Op basis van de quickscan flora en fauna blijkt dat er mogelijk vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn en een aanvullend flora- en faunaonderzoek naar vleermuizen nodig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd middels 5 inventarisaties in de perioden mei - september. Dit onderzoek is nog niet gereed en zal toegevoegd worden vóór de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6.3 Conclusie Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt het aanvullende flora- en fauna onderzoek toegevoegd. Uit dit onderzoek moet volgen of - en welke - belemmeringen er zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Geluid 4.7.1 Regelgeving en beleid Wet geluidhinder De Wet geluidhinder, het wettelijk kader sinds 1 januari 2017, bepaalt dat alle wegen gezoneerd zijn met uitzondering van 30km/uur gebieden en woonerven. In de Wet geluidhinder wordt de geluidsbelasting als daggemiddelde (Lden) weergeven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in geluidsbelasting van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en van industrielawaai. Getalsmatig heeft dit tot gevolg dat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai 48 dB is met een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor spoorweglawaai geldt dat als het plangebied binnen de zone van railverkeer valt de geluidsbelasting niet meer mag bedragen dan 55 dB. Het plangebied valt niet binnen een gezoneerd industriegebied en heeft daarom niet te maken met industrielawaai. Ook bevindt zich geen railverkeer in de nabijheid dus hoeft spoorweglawaai tevens niet meegenomen te worden. Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht

In de omgevingsvisie staat het doel 'Dordrecht is een gezonde stad'. Dit doel streeft naar een akoestisch aanvaardbare woon-, werk- en leefomgeving. Het is belangrijk bij ruimtelijke projecten rekening te houden met de geluidssituatie. De leefbaarheid als gevolg van geluid staat nu al onder druk en zal door de toename verder onder druk komen te staan, wat leidt tot een afname van de leefbaarheid en een negatief effect op de gezondheid van inwoners. In de omgevingsvisie 1.0 Dordrecht en het Actieplan Geluid heeft het college een plandrempel van 65 dB vastgelegd voor geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai. Het aspect geluid is gekoppeld aan het beoogde woonmilieu. Daarbij is een tweedeling gemaakt tussen rustig groen en suburbaan wonen en stedelijk wonen en centrumgebied. In rustig groen en suburbaan wonen is de voorkeursgrenswaarde uitgangspunt. Binnen stedelijk wonen en centrumgebied is een hogere geluidbelasting op de gevel toelaatbaar. Voor lokaal weg- en railverkeer in beginsel tot 5 dB onder de maximale ontheffingswaarde. Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 zijn door burgemeester en wethouder van Dordrecht de 'Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend.

Voor de verlening van hogere waarden dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Hiervoor zijn onder meer de volgende randvoorwaarden gesteld: • • • •

woningen dienen in principe een geluidsluwe zijde te krijgen. Hierbij is een geluidsluwe zijde, een zijde waarvan de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. een buitenruimte bij een woning is in principe niet gelegen aan de hoogste belaste zijde. het geluidsniveau in de buitenruimte van de woningen mag (indien gelegen aan de bronzijde) niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de geluidsbelasting op de als geluidsluw aangemerkte gevel. elke woning bevat in beginsel één slaapkamer die niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde is gesitueerd. Bij voorkeur wordt de helft van de geluidsgevoelige ruimten samen niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde gesitueerd.

4.7.2 Onderzoek

In bijlage 4 is het akoestisch onderzoek voor de planlocatie opgenomen. In dit onderzoek is de geluidbelasting van omliggende wegen op de nieuw toe te voegen (geluidgevoelige) bestemming inzichtelijk gemaakt en getoetst. In dit onderzoek zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidszones van de Nijhofflaan en de Prunuslaan betrokken en de geluidszones van de niet gezoneerde wegen de Kromme Zandweg en Rechte Zandweg betrokken. Resultaten Naast de intensiteiten op de bestaande wegen wordt ook de verkeersgeneratie van het toekomstig plan inzichtelijk gemaakt. Voor het in kaart brengen van de gemiddelde verkeersgeneratie wordt er uit gegaan van 16 woningen in de categorie ‘koop, appartement, midden’. Uitgaande van de gemiddelde brandbreedte bedraagt de verkeersgeneratie 81,6 verkeersbewegingen per weekdag. Het verkeer afkomstig van het plan zal volledig ontsluiten via de Prunuslaan. Derhalve zijn de intensiteiten van de Prunuslaan met 81,6 motorvoertuigen per etmaal verhoogd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2022.21. De berekende geluidsbelastingen zijn per pand beknopt in de tabel hieronder weergeven.

Geluidbelasting door wegverkeer (Lden/dB)

De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen appartementen bedraagt maximaal 42 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.7.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8 Groen 4.8.1 Regelgeving en beleid

In de omgevingsvisie staat het doel 'aantrekkelijke stad', waarbij wordt ingezet op behoud en versterking van het groenblauwe karakter van de stad. Het Eiland van Dordrecht is aantrekkelik door haar groene parken, haar buitengebied en haar sterke relatie met het water. Om deze aantrekkelijkheid te waarborgen is behoud en waar mogelijk versterking van de groenblauwe structuur van belang. Dit heeft ook een sterke relatie met de doelen 'Gezonde stad' en 'Klimaatbestendige Stad'. Als randvoorwaarde is opgenomen dat bij woningbouwontwikkelingen aandacht is voor de realisatie van stedelijk groen. Ook wordt in Dordrecht gestreefd naar behoud van de biodiversiteit. Bomenlijst 2020 De bomenstructuur op het Eiland van Dordrecht valt grotendeels samen met belangrijke structuurelementen, zoals het patroon van dijken, wegen, water en bebouwing. Bomen vullen deze structuurelementen in ruimtelijk, maar ook functioneel opzicht aan. De Bomenlijst 2020 van de gemeente Dordrecht beschermt alle bomen in Dordrecht, ongeacht wie de eigenaar is. Het doel van deze Bomenlijst is het in stand houden van een goed bomenbestand. De bedoeling is dat deze bomen of de op de lijst vermelde plek behouden blijven.

Als de bomen toch gekapt moeten worden, is daarvoor een kapvergunning noodzakelijk en wordt er nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden van herplant.De bomen op de bomenlijst onderscheiden zich door zeldzaamheid, cultuurwaarde, uitstraling, bijzondere groei en monumentale waarde.

4.8.2 Onderzoek

Het perceel krijgt een groene uitstraling. Het gebied rondom de hofbebouwing krijgt een groen karakter. Bestaande gezonde bomen worden gehandhaafd. Het uitgangspunt is behoud van zoveel mogelijk bomen. Nieuwe bomen zullen worden gepoot om het groene karakter te benadrukken. Waar nodig zullen verhardingen zoveel mogelijk half-verhard worden uitgevoerd.

4.8.3 Conclusie Het plan is in lijn met het gemeentelijk groenbeleid. Er zijn geen bezwaren tegen vaststelling van dit bestemmingsplan vanuit het aspect groen.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Regelgeving en beleid Wet Milieubeheer Op 15 november 2007 is in de Wet milieubeheer een hoofdstuk opgenomen over luchtkwaliteit. Het Besluit Luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. In deze wet is in titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' het wettelijk kader voor de beoordeling van luchtkwaliteit opgenomen. Een plan is toelaatbaar indien deze niet resulteert in een overschrijding van een grenswaarde, verslechtering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging of is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Op 31 juli 2009 heeft de Minister van VROM het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld. Het NSL bevat de maatregelen die vereist zijn om tijdig te voldoen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het NSL biedt ook de onderbouwing voor de in het NSL genoemde ruimtelijke projecten met gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het NSL heeft een looptijd van vijf jaar en is op 1 augustus 2009 in werking getreden. NIBM ('niet in betekenende mate' bijdragen) Artikel 15.6, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om projecten te realiseren die “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdragen aan de concentratie van een stof waarvoor de richtlijnen een grenswaarde bevatten. Nadere toetsing aan de grenswaarden is in dat geval niet nodig. Omdat in Nederland alleen de concentraties PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide) de grenswaarden dreigen te overschrijden, richt de uitwerking van het begrip NIBM zich op deze twee stoffen. Het begrip NIBM is gedefinieerd in de algemene maatregel van bestuur “niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”, kortweg het Besluit NIBM. Een bijdrage aan de concentratie PM10 of NO2 wordt als “in betekenende mate” (IBM) beschouwd als de bijdrage groter is dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor één van beide stoffen.

Een project wordt dus aangemerkt als NIBM als de bijdrage van dat project niet groter is dan 1,2 μg/m PM10 én niet groter dan 1,2 μg/m NO2. Als dit aannemelijk kan worden gemaakt, is een nadere toetsing of onderbouwing wat betreft de luchtkwaliteit niet nodig. Deze grens van 3% is gekoppeld aan de werking van het NSL. Het effect van het NSLmaatregelenpakket is namelijk zo groot dat de grenswaarden ook worden bereikt als projecten onder deze 3%-grens niet afzonderlijk, op projectniveau, worden gecompenseerd voor hun effect op de luchtkwaliteit. De effecten van deze projecten worden met andere woorden op programmaniveau gecompenseerd. Om het beoordelen van projecten te vergemakkelijken, is de 3%-grens voor een aantal categorieën projecten "vertaald" in een getalsmatige grens. Dat is gebeurd in de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In voorschrift 3A.2 van bijlage 3A van de Regeling NIBM is bepaald wanneer een woningbouwplan NIBM is. Dit is het geval in de volgende situaties: • het plan omvat niet meer dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. • Het plan omvat niet meer dan 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling over beide wegen.

Omgevingsvisie Dordrecht 1.0 In de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 is voor het onderwerp luchtkwaliteit opgenomen dat Dordrecht er naar streeft om in 2030 te voldoen aan de richtwaarden (2005) voor schone lucht van de wereld Gezondheidsorganisatie (WHO).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/570/documents/24349