CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Rli Advies "Goed gefundeerd".pdf

Gemeenteraad Dordrecht 15 oktober 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 10: Raadsinformatiebrief over Bodemdaling en Funderingsproblematiek - Raadsinformatiebrief34.187 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

82

Negatieve kleef

materiaaleigenschappen, kan de fundering een bepaalde mate van ongelijk-

Overbelasting van funderingspalen (zowel bij houten als betonnen palen)

matige vervorming opvangen. Een moderne gewapende betonnen funde-

kan optreden als tijdens bodemdaling de grond meer wil vervormen dan

ringsstrook kan deze vervormingen beter opnemen dan een gemetselde

de funderingspalen. Doordat de grond aan de paal kleeft en als het ware

fundering. Deze laatste zal eerder beschadigen, waardoor ook het gebouw

aan de paal gaat hangen, ontstaat een extra belasting op de funderings-

kan beschadigen.

palen. Dit proces noemen we ‘negatieve kleef’. Het ontstaat vaak bij het

Verschilvervormingen kunnen ook ontstaan (of verergeren) door verzwa-

aanbrengen van een extra belasting op het maaiveld, bijvoorbeeld door een

ringen of verbouwingen van het gebouw die (ongelijkmatige) belastingen

zandpakket/ophoging van de straat naast de fundering.

veroorzaken op (delen van) de fundering.

Tot ongeveer 1970 werd met dit effect niet of nauwelijks rekening gehouden.

In bijzondere gevallen ontstaan verschilvervormingen doordat er een

Na die datum zijn constructies erop ontworpen in de zin dat de fundering

verschil is in funderingstypen onder hetzelfde gebouw: deels een ondiepe

bij voorbaat al sterker wordt gemaakt om ook de extra belasting door

fundering en deels een paalfundering. Dit eerste funderingstype vervormt

­negatieve kleef te kunnen opnemen. Hierdoor zal de schade in principe niet

mee met de grond, terwijl het tweede type niet vervormt. Dit kan leiden

meer ontstaan. De snelheid waarmee negatieve kleef optreedt, hangt af van

tot grote verschillen in vervormingen die zich in de loop van jaren ontwik-

de snelheid van de bodemdaling. Zie ook § 3.2.

kelen. In de praktijk komt combinatie van funderingstypen onder eenzelfde gebouw weinig voor. Wel kunnen bijvoorbeeld houten paalfunderingen op

Verschilvervorming (bodemdaling)

verschillende wijze zijn aangetast, wat verschilvervormingen kan veroor-

Vervormingen van de grond zijn vaak het gevolg van wisselingen in de

zaken bij gebouwen die in een rij staan, bijvoorbeeld rijtjeshuizen.

grondwaterstand; hierbij kan het gaan om zowel zakking (bij een afname van de grondwaterstand) als stijging (bij een toename van de grondwater-

Kenmerken van verschilvervorming zijn:

stand); zie § 3.2.

• De snelheid hangt af van het proces in de bodem (zie § 3.2).

Ondiepe funderingen zijn gevoelig voor vervormingen van de onder-

• De vervorming en bijbehorende scheuren verergeren met de tijd.

grond. Omdat een ondiepe fundering het gewicht van het gebouw direct

• Moderne funderingen, ontworpen volgens recente normen, zijn er

op de grond afdraagt, vervormt dit type fundering (gedeeltelijk) mee

meestal goed tegen bestand, uitgezonderd krimp/zwel-gedrag.

met de grond. Als er in de ondergrond ongelijkmatige vervormingen optreden, moet dit door de fundering worden opgevangen. Afhankelijk van de sterkte en stijfheid van de fundering, die weer afhangt van de

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

83

Verlies van draagkracht ondiepe fundering

variëren van licht tot zeer ernstig en van esthetisch tot constructief. Ernstige

Bij ondiepe funderingen kan ook een verhoging van de grondwaterstand

constructieve gevolgen kunnen een gebouw onbewoonbaar maken.

tot schade leiden, doordat fundering op een natte ondergrond draagkracht

Daarnaast kunnen door verandering van de grondwaterstand ten opzichte

verliest. Door dit verlies in draagkracht zullen er (verschil)vervormingen

van de fundering natte kelders of natte muren ontstaan (natschade, optrek-

ontstaan, die weer tot schade kunnen leiden in het gebouw. Deze vervor-

kend vocht) met eventueel gezondheidsschade als gevolg.

mingen treden vrij direct op bij verhoging van de grondwaterstand. Moderne ondiepe funderingen zijn hiertegen bestand.

Figuur 13: Het ontstaan van schade aan gebouwen als gevolg van schade aan de fundering veroorzaakt door processen in de bodem na

Schade door werkzaamheden

veranderingen in de omgeving

Door bouwwerkzaamheden, bijvoorbeeld de aanleg van een bouwput voor een parkeergarage, kunnen verticale of horizontale vervormingen optreden in de bodem, die direct tot schade kunnen leiden aan de fundering van nabijgelegen gebouwen. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden kan ook op een indirecte manier schade optreden, bijvoorbeeld door beïnvloeding (verlaging of verhoging) van de grondwaterstand.

Veranderingen in omgeving: - Grondwaterstandsverlaging/verhoging - Aanleg/aanpassing infrastructuur - Trillingen - Mijnbouw/ delfstoffenwinning

Processen in bodem: Bodemdaling door: - Consolidatie en kruip - Oxidatie (veenafbraak) - Krimp / zwel (bodemdaling en stijging)

Schadeprocessen in funderingen:

Gevolgen in gebouwen:

- Aantasting van houten funderingen - Negatieve kleef

- Scheefstand en scheurvorming

- Verschilvervorming - Verlies van draagkracht

- Vochtproblematiek - In het ergste geval kan een gebouw onveilig worden

- Schade door werkzaamheden

Door bouwwerkzaamheden, zwaar verkeer, maar ook door mijnbouw (zoals in Groningen) of natuurlijke aardbevingen (zoals in Limburg), kunnen trillingen optreden in de bodem die direct (via de constructie) tot scheurvorming leiden. De bodem kan ook zakken door deze trillingen. Dan is het schademechanisme gelijk aan dat van verschilzetting.

3.4 Gevolgen voor gebouwen Gevolgen van de schadeprocessen voor funderingen van gebouwen zijn te herkennen als scheurvorming en/of scheefstanden. Deze gevolgen kunnen

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

84

Scheefstand en scheurvorming

Figuur 14: Beweging van gebouwen bij vervormingen van bodem en

Schades aan gebouwen als gevolg van vervormingen van de fundering

fundering

manifesteren zich in de vorm van scheefstanden of het ontstaan van scheuren. Door funderingsschade vervormt de fundering. De bovenbouw (het deel van het gebouw dat zich boven de fundering bevindt) moet deze vervormingen kunnen opnemen en zal daarom óók vervormen. Hierdoor ontstaan scheefstanden (rotaties) van de bovenbouw en spanningen in het materiaal van de bouwconstructie. Als deze spanningen groter worden dan de sterkte van het bouwmateriaal, zal het materiaal gaan scheuren.

Figuur 2.11 Beweging van gebouwen bij vervormingen van bodem en fundering

Funderingsschades zijn in Nederland doorgaans het gevolg van een gelei-

Als de fundering in zijn geheel kantelt, is er sprake van scheefstand. Er

delijk proces; ze manifesteren zich pas na verloop van tijd. De schade wordt

treedt dan geen vervorming op van de bouwconstructie zelf. Pas als de

doorgaans opgemerkt als er sprake is van zichtbare scheuren. Vaak betekent

scheefstand groter wordt, zal dit vaak als hinderlijk worden ervaren. Bij

dit dat de onderliggende oorzaak al enige tijd aanwezig is geweest en dat

grotere scheefstanden kunnen spanningen ontstaan in de gebouwcon-

het proces dat de schade veroorzaakt, al langer actief is.

structie en mogelijk scheurvorming. Schade ontstaat vooral wanneer de fundering ongelijkmatig zakt. De twee

Bepalend voor het ontstaan van schades aan de bovenbouw is de mate

rechter plaatjes in figuur 14 illustreren dat. Het gebouw vervormt om deze

waarin de opgelegde vervorming ongelijkmatig is. Als een fundering gelijk-

zakking te volgen. Vaak zijn deze gebouwvervormingen een eerste indicatie

matig zakt en verder niet vervormt, ontstaan er geen spanningen in de

dat er iets met de fundering aan de hand is. Bij metselwerkgevels kan de

bovenliggende constructie en daarmee ook geen schade. Het linker plaatje

vervorming via lintvoegmetingen worden gevolgd.

in figuur 14 illustreert dit.

Als de vervormingen te groot worden, kunnen er scheuren optreden. De scheurpatronen verschillen, afhankelijk van de vraag of er sprake is van opbuiging dan wel neerbuiging. Alle typen funderingsschade (zoals besproken in § 3.3) kunnen leiden tot dergelijke verschilvervormingen. In geval van alleen daling van bodem neemt de schade continu toe met de

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

85

daling, bij krimp/zwel-cycli ontstaan scheuren die met de seizoenen openen

Ontwerp en bouw van zowel het gebouw als de fundering zijn mede geba-

en weer (deels) sluiten.

seerd op gegevens over de ondergrond en de ontwerpnormen zoals die bij de bouw bekend waren.

De mate waarin een gebouw gevoelig of kwetsbaar is voor funderingsschade, wordt bepaald door zowel eigenschappen van de fundering als van

Classificatie van schades

de bovenbouw. Schematisch is dit weergegeven in figuur 15.

Burland et al. (1975) hebben een schadeclassificatie ontwikkeld die ook in Nederland veel wordt gebruikt om de relatie tussen vervormingen in de

Figuur 15: Kenmerken van fundering (onderbouw) en bovenbouw die een

bodem en mogelijke schades aan gebouwen te beschrijven. Deze schade­

rol spelen bij de gevoeligheid voor funderingsschade

categorieën hebben betrekking op schade in het algemeen. Hierbij maakt het dus niet uit hoe de schade ontstaan is. Burland et al. verdelen de schade over zes categorieën: categorie D0 tot en met D5. Deze schadeclassificatie hanteert de mate waarin reparaties nodig zijn (‘ease of repair’) als uitgangspunt en koppelt daaraan (a) een beoordeling van de aard van de schade (in termen van esthetisch, functioneel of constructief) en (b) per klasse een omschrijving van de kenmerken. Een veelgebruikte (initiële) input hiervoor is de grootte van scheuren in de muren. Deze schadeclassificatie is ontwikkeld voor metselwerkgebouwen, die

Figuur 2.12 Kenmerken van fundering (onderbouw) en bovenbouw die een rol spelen bij de gevoeligheid voor funderingsschade

het meest kwetsbaar blijken voor schades. De classificatie kan dus niet worden gebruikt voor bijvoorbeeld gebouwen met betonnen muren. De

Belangrijke gebouwkenmerken die invloed hebben op de aard en ernst van

classificatie is in de afgelopen decennia in diverse rapporten en richtlijnen

mogelijke schades zijn de gebouwgeometrie (afmetingen, massaverdeling),

overgenomen, soms in licht gewijzigde vorm, waarbij de beschrijvingen van

eigenschappen van de constructie (constructiemateriaal, type constructie),

de klasses in de basis niet zijn veranderd. Tabel 2 geeft een Nederlandse

materiaaleigenschappen (materiaalsoort, sterkte, stijfheid), de aanwezigheid

­vertaling van de schadeklasses.

van kelders en aanbouwen en eventuele verbouwingen.

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

86

Tabel 2: Schadeklasses van Burland et al. (1975), vertaald op basis van

De classificatie in tabel 2 zegt niets over de oorzaak van de schade of hoe

Driscoll (1995)

snel de schade zich ontwikkelt. Het ontstaan van schade aan funderingen is,

Esthetisch 1

2

Functioneel

3

4

Construc- 5 tief

Karakterisering schadebeeld

Scheurwijdte (metselwerk)

Verwaarloos- < 0,1 mm baar Zeer licht 0,1 tot 1 mm

Licht

Matig

Ernstig

Zeer ernstig

Haarscheurtjes, nauwelijks zichtbaar met het blote oog Enige scheurvorming in metselwerk. Kleine scheuren, meestal beperkt tot pleisterwerk, die eenvoudig kunnen worden weggewerkt. tot 5 mm Scheuren aan buitenzijde mogelijk zichtbaar, met mogelijk vochtdoorslag als gevolg. Licht klemmende deuren en ramen. Geringe scheurvorming die eenvoudig kan worden hersteld. 5 tot 15 mm Klemmende deuren en ramen. Mogelijke schade aan nutsaansluitingen. of diverse scheuren > 3 Mogelijk vochtdoorslag. Dusdanige scheuren dat metselwerk dient te mm worden hersteld Bruikbaarheid en toegankelijkheid 15-25 mm, ook afhanke- ernstig aangetast. Voelbare scheeflijk van aantal stand. Bij herstel vervanging van muurdelen en andere constructieve scheuren elementen nodig. Instortingsgevaar. Volledige renovatie > 25 mm, noodzakelijk. afhankelijk van aantal scheuren

Relatieve Hoekverdraaiing (indicatief)

0

Omschrijving

Schade-klasse

Schadecategorie

normaal gesproken, een langzaam proces. Ook verschilt de oorzaak van de schade per type fundering. Bij een houten paalfundering is een (effectieve)

< 1:1600 – 1:500

zich vanwege de lage snelheid van de onderliggende processen geleidelijk

1:1600 – 1:300

ontwikkelen van klasse D0 via klasse D1 naar hogere klassen. Er is daarbij

afname in draagvermogen van de palen vaak het probleem, terwijl bij een ondiepe fundering vaak vervorming van de grond het probleem is. Schade aan een gebouw die te maken heeft met funderingsschade zal

niet direct sprake van een veiligheidsprobleem en er is tijd om tot adequate maatregelen te komen. 1:1600 – 1:300

Vochtproblematiek Een ander aspect van schade betreft het effect van vocht op de funderingen 1:1600 – 1:100

en het gebouw. Ook andere bouwdelen naast de fundering kunnen daardoor worden aangetast. Als het grondwater stijgt tot een niveau waarop het in aanraking komt met

1:1600 – 1: 100

de onderkant van de bovenbouw (opgaand werk), of als het gebouw zakt richting het grondwater, dan is er kans op vochtschade. De effecten hangen af van hoelang de situatie duurt. Als de grondwaterstijging kort duurt en de

> 1:300

fundering voldoende tijd heeft om te drogen, zijn er geen nadelige gevolgen voor fundering en gebouw te verwachten. Als de situatie regelmatig terugkeert, kan aantasting ontstaan aan het gebouw door optrekkend vocht. Dit laatste is echter opnieuw sterk afhankelijk van de duur van de hoge en de lage grondwaterstand. Als het grondwater lange tijd op hetzelfde hoge

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

87

niveau blijft, worden funderingen en mogelijk ook het opgaand werk lang-

Water en vocht beïnvloeden materialen negatief. Hoe dit gebeurt, op welke

durig blootgesteld aan water.

termijn, in welke mate en met welke gevolgen, verschilt per materiaal:

De mate van schade en nadelige effecten is daarnaast sterk afhankelijk

• Hout

van de uitvoering van de fundering en van het opgaand werk (materialen,

Hout gaat onder invloed van water rotten, waardoor schimmels kunnen

detailleringen, aanwezigheid kruipruimte, aanwezigheid ventilatie, status

ontstaan. De constructieve sterkte neemt af. Bij houten vloeren zullen

van bouwkundig onderhoud, leeftijd constructie enzovoort). De problemen

doorgaans de opleggingen van de dragende balken het eerste worden

kunnen zowel bij metselwerk als bij betonnen funderingen optreden.

aangetast en mogelijk bezwijken. Deze staan in direct contact met de

Indien grondwater in contact komt met de funderingsbalk/-strook, zal de

natte fundering. Schimmels beïnvloeden de lucht in de kruipruimte en

fundering het water opnemen. Als er voldoende tijd is, zal de fundering

mogelijk de rest van het gebouw.

volledig verzadigd raken met water. Dit geldt voor zowel voor uitvoeringen

• Metselwerk (baksteen)

in metselwerk als voor uitvoeringen in beton. Bij beton kan het proces van

Er kan onder invloed van water degradatie van het metselwerk optreden,

verzadiging wat langer duren, afhankelijk van de kwaliteit van het beton.

waardoor de constructieve sterkte afneemt. Dit is een zeer langzaam

Via de fundering zal de stroom van het water verder trekken naar de boven-

proces, dat sterk afhankelijk is van de kwaliteit van het metselwerk

bouw (metselwerk, kalkzandsteen of beton). Ook deze bovenbouw zal water

(metselspecie). De thermische eigenschappen van het metselwerk nemen

absorberen en dit water verder omhoog brengen in de constructie.

af. Er zal vanuit de grond koude in het gebouw worden gebracht. Wanden van metselwerk zijn doorgaans afgewerkt met een stuclaag. Deze zal

Een belangrijke factor bij vochtschade is een eventuele kruipruimte. Dit

afbladderen en mogelijk schimmels opnemen. Door de aanwezigheid van

hoort een open droge ruimte te zijn die goed is geventileerd, waardoor

water kan er ook zoutuitslag in de wanden ontstaan; dit veroorzaakt witte

de lucht relatief fris is (ook bij betonnen vloeren). In de praktijk kunnen er

vlekken op het metselwerk. Dit laatste heeft alleen een esthetisch effect.

echter verschillende omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat dit niet het

• Beton

geval is:

De vochtopname van het beton is sterk afhankelijk van de kwaliteit van

1. Er ligt bouwafval of andere materialen in de kruipruimte, waardoor de

de beton en de toegepaste toeslagmaterialen. In het verleden zijn voor

ventilatie nadelig wordt beïnvloed. 2. Er is onvoldoende of geen ventilatie, waardoor de lucht muf en vochtig is (condensatie). 3. Er is lekkage vanuit oude leidingen (water/riolering).

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

strokenfunderingen doorgaans lage kwaliteit betonsoorten (stampbeton) toegepast. Door de aanwezigheid van water kan er corrosie van de wapening ontstaan. Dit is ook weer sterk afhankelijk van de uitvoering en toegepaste beton. Door corrosie van wapening wordt de sterkte van de

PRINT

88

betonconstructie aangetast. Ook bij beton worden de thermische eigen-

3.5 Gevolgen voor infrastructuur en openbare ruimte

schappen verlaagd door water. • Staal

Infrastructuur

Stalen elementen in de constructie zullen door het vocht corroderen

Alle infrastructuur die gefundeerd is op palen (brughoofden, viaducten,

en hun sterkte verliezen. De stalen onderdelen kunnen bezwijken. Denk

kademuren en dergelijke) kent in principe dezelfde problematiek en schade-

hierbij aan ankers voor de ophanging van leidingen, wapening, spouwan-

soorten als gebouwen. Het Nederlandse spoorwegennet bevat bijvoorbeeld

kers, stalen mantelpijpen in de gevels enzovoort.

een groot aantal oude bruggen met een fundering op houten palen. Deze

• Isolatiematerialen

funderingen kunnen worden aangetast of overbelast door negatieve kleef.

Sinds het begin van de jaren zeventig wordt er isolatiemateriaal in

Bij veel infrastructuur speelt mee dat de belastingen in de loop der tijd (door

spouwmuren toegepast. Dit wordt ook aangetast door vocht. De isole-

toename van verkeer en door zwaardere voertuigen) hoger zijn geworden.

rende kwaliteit neemt dan sterk af. Mogelijk is het isolatiemateriaal zelf

Een fundering die oorspronkelijk voldoende sterkte had, kan daardoor op

niet bestand tegen vocht. Dit geldt evenzeer voor isolatiemateriaal onder

een later moment te weinig draagvermogen hebben.

de begane grondvloer. Ook hier heeft vocht een negatieve invloed op de

Bij (spoor)wegen gefundeerd op een verdichte zandlaag (cunet) kan schade

thermische eigenschappen.

optreden door verschilzetting, met als gevolg een ongelijkmatige ligging. Ook kan bijvoorbeeld extreme neerslag de sterkte van de fundering vermin-

Een vermindering van de thermische eigenschappen leidt tot meer ener-

deren, waardoor aanvullende vervormingen kunnen ontstaan. Door vervor-

gieverbruik en de vermindering van de sterkte-eigenschappen noopt tot

mingen van de (spoor)weg wordt, in extremere situaties, de rijveiligheid

meer onderhoud. Vocht in de constructie verhoogt de kans op vorstschade

beïnvloed en moet het verkeer langzamer rijden. Als gevolg is ook meer

als gevolg van het bevriezen van water. Bevroren water expandeert en dit

onderhoud nodig met vaker (gedeeltelijke) afsluitingen van spoor of weg.

gaat gepaard met grote krachten, waardoor constructies kunnen bezwijken.

Bij (spoor)wegen treedt de schade vaak als eerste op bij de overgangen van

Deze worden dan letterlijk kapot gedrukt. Vocht leidt vaak ook tot schimmel-

aardebanen (‘zachte’ fundatie) naar bruggen en tunnels (‘harde’ fundatie).

vorming. Schimmels verlagen de luchtkwaliteit in het gebouw en kunnen

De problematiek van verschilzetting doet zich ook voor bij (nuts)kabels

vergaande gevolgen hebben voor de gezondheid van de bewoners.

en leidingen. Bij dit soort ondiep gefundeerde infrastructuur treden vaker breuken op; soms moeten ze een diepere fundering krijgen. De problematiek is ook zeer relevant voor rioleringen. Waar normaal gesproken rioleringen in zestig jaar worden afgeschreven, is die levensduur in gemeenten

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

89

met slappe bodems significant korter. Dit leidt tot hoge extra kosten voor de

3.6 Multicausaliteit

betreffende gemeenten.

In dit hoofdstuk hebben we diverse factoren beschreven die van invloed zijn op het ontstaan van funderingsproblematiek. We hebben toegelicht dat

Openbare ruimte

er sprake is van een opeenvolging van oorzaken en gevolgen. Menselijk

Onder openbare ruimte verstaan we alle publieke ruimtes in bebouwd

handelen is daarbij relevant, in combinatie met de eigenschappen van de

gebied die geen weg zijn: parken, sportvelden, pleinen, groenstroken enzo-

ondergrond.

voort. Op slappe grond heeft de openbare ruimte vaak een fundering in de

Gezien de lange geschiedenis van de vorming van Nederland en de leeftijd

vorm van een ophooglaag. Bij nieuwbouw wordt ook wel gewerkt met een

en bouwwijze van de gebouwen is er bijna altijd een lange historie van

integrale ophoging, waarbij het hele terrein wordt opgehoogd – dus zowel

oorzaken en gevolgen. Deze historie zorgt ervoor dat de meeste oudere

onder de gebouwen als onder de openbare ruimte en wegen.

gebouwen al wel enige vorm van (lichte) schade hebben. De beschreven

Schade aan de openbare ruimte kan bestaan uit ongelijkmatige zakkingen

oorzaken en gevolgen treden vaak gelijktijdig en in combinatie met elkaar

van pleinen of verharding, die daardoor bijvoorbeeld een barrière kunnen

op en kunnen elkaar versterken. Dat betekent dat de oorzaken en gevolgen

vormen voor minder valide inwoners. Parken kunnen laag te komen te

meestal niet meer exact van elkaar zijn te onderscheiden.

liggen, waardoor er waterschade optreedt. Een algemeen beeld is dat de

Bij nieuwere gebouwen zijn de problemen veel minder groot en soms

openbare ruimte door zakkingsschade verloedert. In veel gemeenten op

verwaarloosbaar, tenzij er sprake is van duidelijke externe oorzaken zoals

slappe bodem zijn de standaarden voor ruimtelijke kwaliteit vanwege de

schade door werkzaamheden. De effecten van mijnbouw bijvoorbeeld,

problematiek lager dan in gemeenten op stevige bodems. Voor gemeenten

kunnen groot zijn (zie kader).

is de (her)inrichting van openbare ruimte een belangrijke schadepost. Particuliere gronden (stoepen, tuinen) kunnen vergelijkbare schade krijgen

Effecten van mijnbouw op grote diepte

door bodemdaling. Waterschade is in dit verband een belangrijke schade-

De funderingsproblematiek in Nederland is voornamelijk gerelateerd aan

post. Particulieren met op palen gefundeerde huizen in een gebied met een

veranderingen in bodem en grondwater waarvan de oorzaken dicht tegen

slappe bovengrond (ook bij nieuwbouw!) moeten vaak hun tuin herhaalde-

het aardoppervlak liggen (grofweg in de bovenste dertig meter).

lijk ophogen en opnieuw aanleggen – een grote schadepost.

Daarnaast is er echter ook funderingsproblematiek gerelateerd aan mijnbouwactiviteiten. Die vinden in Nederland voornamelijk plaats op dieptes tot 3.000 meter. Het gaat daarbij onder meer om de winning van zout, olie en gas, opslag van gas (en mogelijk in de toekomst van CO2

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

90

en waterstof), om de toepassing van geothermie en om warmte-koude­

Groningen (IMG), de Commissie Mijnbouwschade (CMS) en het

opslag. Deze activiteiten kunnen leiden tot bewegingen van de bodem:

Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg.

aardbevingen, bodemdaling en bodemstijging. Deze bewegingen kunnen

Uit gegevens van de TCBB, het Calamiteitenfonds Mijn(water)schade

op hun beurt leiden tot schades aan gebouwen en infrastructuur. Verder

Limburg en de CMS over erkende schademeldingen komt het beeld naar

zijn er specifieke funderingsproblemen in Limburg, die zijn ontstaan door

voren dat maximaal enkele tientallen schadegevallen per jaar mogelijk

het stijgen van het grondwater na het sluiten van de mijnen.

een relatie hebben met bodembeweging. Over deze schades is niet vast-

Vanuit verschillende gebieden in Nederland worden de laatste jaren

gelegd of er ook sprake was van funderingsschade.

meldingen gedaan van schades aan gebouwen die zijn toe te schrijven

In het gebied rond het Groningenveld is voor schadeafhandeling de

aan mijnbouwactiviteiten, meer in bijzonder aan bodemdaling en tril-

Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen van toepassing. Op basis

lingen. De aard van de gemelde schades varieert van heel licht (nauwe-

daarvan worden alle schademeldingen bij het IMG toegeschreven aan

lijks zichtbare scheurvorming) tot zwaar.

de mijnbouw, tenzij er een eenduidige en uitsluitende andere oorzaak

In de gebieden met mijnbouwactiviteiten kunnen diverse direct en indi-

is gevonden. In de praktijk betekent dit dat veel schades worden

recte oorzaken tegelijkertijd een rol spelen. Zo kan schade aan gebouwen

toegeschreven aan mijnbouwactiviteiten (gaswinning en gasopslag). In

ontstaan door bodembewegingen die het gevolg zijn van mijnbouwactivi-

Groningen is bekend dat oppervlaktewaterpeilaanpassingen en ook de

teiten. Deze activiteiten veroorzaken diepe bodemdaling, die aanpassing

droge zomers vanaf 2018 een rol kunnen hebben gespeeld in funderings-

van het oppervlaktewaterpeil nodig maakt. Zo’n aanpassing kan op haar

schade. In dit gebied zijn geen problemen bekend met houten funderings-

beurt leiden tot ondiepe bodemdaling en tot schades aan funderingen.

palen. De funderingsproblematiek lijkt vooral ondiepe funderingen te

Dit zijn dan indirecte effecten van diepe bodemdaling.

betreffen.

In gebieden met mijnbouwactiviteiten kunnen ook funderingsproblemen aan de orde zijn met ándere oorzaken, zoals in de vorige paragrafen beschreven. Dit geldt bijvoorbeeld voor klei- of veengebieden in de provincie Groningen. In gebieden met mijnbouwactiviteiten worden schademeldingen afgehandeld door daartoe speciaal ingerichte organisaties zoals de Technische Commissie Bodembewegingen (TCBB), het Instituut Mijnbouwschade

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

91

4 HUIDIGE OMVANG FUNDERINGSPROBLEMATIEK EN TOEKOMSTVERWACHTINGEN Op nationaal niveau is niet bekend hoeveel funderingen van bestaande gebouwen gevoelig zijn voor problemen, hoeveel er in het verleden al hersteld zijn, wat de huidige kwaliteit van funderingen is en hoe de problematiek zich zou kunnen ontwikkelen. Enkele gemeenten, zoals Rotterdam, Dordrecht, Zaanstad, Gouda en Schiedam, werken aan het in kaart brengen van de huidige problematiek – bijvoorbeeld door zettingen van gebouwen te monitoren met satellietgegevens – maar in het algemeen is er op nationaal niveau geen beeld van de kwaliteit van funderingen. Bekende gevallen van funderingsproblemen worden ook niet structureel op gemeentelijk of landelijk niveau bijgehouden. Wel beheert het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF) het landelijk loket funderingsproblematiek, waar problemen of klachten vrijwillig kunnen worden gemeld.18 Deltares heeft in 2019 een funderingsrisicomodel ontwikkeld dat inzicht biedt in de spreiding van (een deel van de) funderingsproblematiek over

18 Zie https://www.kcaf.nl/landelijk-loket-funderingsproblematiek

PRINT

92

Nederland (Deltares et al., 2019).19 Het model combineert kennis van bodem-

4.1 Schatting verspreiding funderingsproblematiek bij

daling en grondwaterstanden met klimaatgerelateerde schade die kan

gebouwen in Nederland

ontstaan bij ondiep gefundeerde gebouwen en gebouwen met een houten

Uit het funderingsrisicomodel van Deltares blijkt dat een groot deel van de

paalfundering (Costa et al., 2020; Korff et al., 2023). Een van de meest

gemeenten in Nederland een bepaalde mate van risico loopt. De spreiding

onzekere factoren in het model is het type fundering. In Nederland worden

hiervan blijkt redelijk overeen te komen met meldingen bij het KCAF; zie

kenmerken van gebouwen opgeslagen in de Basisregistratie Adressen en

figuur 16 voor een overzicht van het resultaat van de risicoanalyse voor

Gebouwen (BAG). De BAG bevat echter geen eigenschappen van de funde-

verschilzetting voor ondiepe funderingen en aantasting van houten palen

ring. Op basis van ouderdom van het gebouw en type ondergrond kan wel

(‘paalrot’) in vergelijking met de meldingenkaart funderingsschade van het

een eerste inschatting gemaakt worden van het type fundering.

KCAF.

De schattingen in het funderingsrisicomodel van Deltares gaan over gebouwen van minimaal 30 m2 en nemen de invloed mee van bodemdaling en grondwaterstandsveranderingen (op kortere en langere termijn). Niet alle bodem- en schadeprocessen zijn in het model gekwantificeerd. Alleen verschilzetting20 (bij ondiepe funderingen) en aantasting (bij houten palen) zijn meegenomen. Effecten van krimp/zwel zijn zeer beperkt meegenomen

Figuur 16: Ruimtelijke spreiding funderingsproblematiek over het land Resultaat risicoanalyse: indicatie verwachte schade in 2050 (www.klimaateffectatlas.nl/nl/ risicokaarten-funderingen)

Meldingen funderingsschade bij KCAF (2016-2023)

Zettingschade

Schademeldingen

Paalrot

en negatieve kleef of andere effecten die zijn besproken in hoofdstuk 3, zijn niet opgenomen in het model. In dit hoofdstuk geven we voor zowel gebouwen, infrastructuur als de openbare ruimte schattingen van de verspreiding en omvang van de problematiek in Nederland. We kijken in dit hoofdstuk ook vooruit: in de slotparagraaf bespreken we fysieke effecten die in de toekomst de funderingsschade zouden kunnen doen toe- of afnemen.

19 Zie https://www.klimaatschadeschatter.nl en https://www.klimaateffectatlas.nl 20 Verschilzetting: verschillen in zakking tussen twee of meer onderdelen van een fundering.

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

93

Het linkerdeel van figuur 16 toont het resultaat van de risicoanalyse in 2021

Deltares-funderingsrisicomodel

voor paalrot en verschilzetting van gebouwen met ondiepe fundering. Het

Deltares heeft in 2023 door middel van een nieuwe uitlezing van het funde-

rechterdeel van de figuur toont de meldingenkaart van het KCAF (uit maart

ringsrisicomodel een specifieke schatting gemaakt van het aantal kwetsbare

2023).

gebouwen. In dit model zijn onder andere gegevens gebruikt over aantallen gebouwen en bouwjaar uit de BAG 2018. Ook is informatie gebruikt over ondergrond en grondwater. In deze laatste informatie zijn de gegevens over

4.2 Schatting aantal kwetsbare gebouwen

verwachte bodemdaling en veranderingen in grondwaterstanden verwerkt

In deze paragraaf lichten we toe hoe we tot schattingen van het aantal

uit de KNMI-klimaatscenario’s van 2014.

kwetsbare gebouwen in Nederland zijn gekomen aan de hand van het

In de BAG 2018 staan in totaal 7 miljoen gebouwen met een oppervlakte

Deltares-funderingsrisicomodel. De resultaten van deze schattingen kunnen

van minimaal 30 m2. Hiervan zijn 3,5 miljoen gebouwen gebouwd voor 1975

als volgt worden samengevat:

en 3,5 miljoen gebouwen na 1975. Dit betreft gebouwen met en zonder

• Uitgaande van gebouwen groter dan 30 m2 zijn er op korte termijn

woonfunctie.

tussen de 375.000 en 425.000 gebouwen met een verwachte technische

Uit expertschattingen in combinatie met gegevens over de bodemopbouw

levensduur korter dan vijftien jaar. Een klein kwart hiervan is gefundeerd

volgt dat 70% van alle gebouwen ondiep gefundeerd is, 5-6% op houten

op houten palen; de overige gebouwen hebben een ondiepe fundering.

palen en de rest op (moderne) betonnen palen. Dit zijn naar schatting dus

Gebouwen met betonnen funderingen zijn meestal niet kwetsbaar.

400.000 gebouwen op houten palen en 5 miljoen ondiep gefundeerde

• Op langere termijn (in de komende 25 jaar) kan dit aantal verdubbelen

gebouwen.

tot ongeveer 730.000 à 780.000 gebouwen, vooral door een toename

Niet alle gebouwen op een ondiepe of houten paalfundering lopen een

van gebouwen met ondiepe fundering die kwetsbaar worden door

hoog risico. Kwetsbaar noemen we gebouwen met een restlevensduur van

klimaatverandering.

minder dan vijftien jaar, wat we voor deze schatting hebben gelijkgesteld

• De onzekerheid in deze schattingen is groot. Onder andere door het

aan een reeds aanwezig schadeniveau van matige schade volgens Burland

ontbreken van inzicht in krimp/zwel, negatieve kleef en de nieuwste

et al. (1975) (zie ook § 3.4), met daarbij de aanname dat het schadeproces

klimaatscenario-consequenties is een toename van de aantallen met een

zich zal voortzetten. Voor ondiepe funderingen zijn alle gebouwen meege-

factor 2 niet ondenkbaar.

nomen met een zakkingsnelheid (na modelcorrecties) van meer dan 2 mm/ jaar. (Zie ook hoofdstuk 6 over het beoordelen van restlevensduur).

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

94

Op dit moment (referentiejaar 2020) schatten we dat tot 75.000 gebouwen

Onzekerheden

met een fundering van houten palen nu al te maken hebben met een hoog

Er zijn veel onzekerheden bij de bepaling van de hiervoor genoemde

risico, oftewel een levensduur korter dan vijftien jaar. De overige gebouwen

aantallen. Relevante onzekerheden zijn:

zullen op termijn ook moeten worden hersteld, maar het aantastingsproces

• De expertschattingen voor het type fundering per gebouw zijn gemaakt

(droogstand) gaat langzaam.

op basis van gemiddelde percentages funderingstype per regio en per

Bij de gebouwen met ondiepe funderingen valt circa 6% in de categorie

bouwjaar en ondergrondtype. Veranderingen in deze schattingen bete-

risicovol. Dit zijn in totaal 300.000 tot 350.000 gebouwen.

kenen veranderingen in aantallen schadegevallen per klasse en type

Als we dezelfde inschatting maken voor 2050, nemen de aantallen

fundering. Naar verwachting is het percentage gebouwen met ondiepe

gebouwen op houten palen die een hoog risico hebben relatief weinig toe

funderingen wat te hoog ingeschat en is een deel hiervan op palen

(tot 80.000), maar de gebouwen op ondiepe funderingen met een hoog

gefundeerd.

risico verdubbelen in aantal tot 650.000 à 700.000. Dit komt vooral door

• Een belangrijk uitgangspunt is verder dat ten aanzien van droogte is

effecten van lagere grondwaterstanden als gevolg van droogte. Belangrijk

gerekend met het KNMI-scenario ‘sterke opwarming’ uit 2014. Bekend

uitgangspunt is dat hier voor de mate van droogte is gerekend met het

is inmiddels dat in de KNMI-scenario’s voor 2023 de voorziene droogte

KNMI-scenario ‘sterke opwarming’ uit 2014.

in de zomer aanzienlijk is toegenomen. Hierdoor zullen de berekende schade­gevallen toenemen; hoeveel is nu nog onduidelijk.

De hiervoor genoemde getallen zijn samengevat in tabel 3 Let op: er zijn

• Ook toepassing van de meest recente BAG 2023 in plaats van de nu

veel onzekerheden bij de bepaling van de getallen; zie ook de tekst hierna

gehanteerde 2018-versie zal invloed hebben op de aantallen, al zullen

onder het kopje ‘Onzekerheden’.

de nieuwste gebouwen vooral op betonnen palen zijn gefundeerd of (in geval van een ondiepe fundering) van betere kwaliteit zijn dan oude

Tabel 3: Geschatte aantallen hoogrisicogebouwen in 2020 en 2050 op basis

funderingen. • Niet alle relevante schademechanismen zijn opgenomen in het funde-

van funderingsrisicomodel Deltares Ondiepe fundering (totaal 4.900.000)

Op houten palen (totaal 400.000)

Op betonnen palen (totaal 1.700.000)

Alle gebouwen (totaal 7.000.000)

2020

300.000 à 350.000

tot 75.000

nihil

375.000 tot 425.000

2050

650.000 à 700.000

tot 80.000

nihil

730.000 tot 780.000

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

ringsrisicomodel (krimp/zwel beperkt, bacteriële aantasting van houten palen niet, negatieve kleef niet en vochtschade niet).

PRINT

95

Al deze aannames en uitgangspunten hebben impact op de aantallen. Hoe

4.3 Schatting verwachte kosten funderingsschade aan

groot de impact is, kunnen we nog niet zeggen; een factor 2 op de aantallen

gebouwen

hoogrisicogebouwen is zeker niet ondenkbaar.

De meest recente beschikbare (globale) schattingen van de schadekosten aan gebouwen en de ruimtelijke spreiding van deze schattingen worden

Het proces om tot een geactualiseerde versie van het funderingsrisico-

behandeld in Kok et al. (2021); zie figuur 17.

model te komen is al in gang gezet, maar dit vergt tijd en het zal ook niet

De kaart links geeft de geschatte schadekosten weer voor gebouwen met

alle effecten in detail mee kunnen nemen. Pas in de loop van 2024 komen

ondiepe funderingen, de kaart rechts geeft de geschatte schadekosten weer

updates van deze aantallen beschikbaar.

voor gebouwen met houten palen.

De hier gepresenteerde aantallen komen qua ordegrootte redelijk overeen

Figuur 17: Ruimtelijke spreiding schadeverwachting tot 2050 zonder

met in het verleden gemaakte schattingen, zeker als rekening wordt

(verdere) klimaatverandering

gehouden met verschillen in definitie van woningen/gebouwen en mate van kwetsbaarheid: • AFM Trendzicht 2022: mogelijk 800.000 tot 1 miljoen woningen; • Deltares en TNO 2021: 500.000 à 750.000 gebouwen tot 2050 (inschatting door experts); waarvan 80.000 met een complete herstelopgave. Deltares & TNO (2021) noemen een aantal verklaringen voor de uiteenlopende schattingen van de beschikbare studies: schademechanismen en de ernst ervan zijn verschillend meegenomen, een beeld van de ontwikkeling van de schade over de tijd ontbreekt (klimaatverandering), terminologie wordt niet altijd eenduidig toegepast (‘woningen’ versus ‘gebouwen’), er is variatie in risicobenadering en de gehanteerde herstelkosten zijn niet eenduidig. Bron: Kok et al. 2021

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

96

De schattingen van Kok et al. (2021) zijn mede gebaseerd op het bovenge-

4.4 Schade aan infrastructuur en openbare ruimte

noemde funderingsrisicomodel van Deltares en kennen derhalve dezelfde

Bodemprocessen zorgen in verschillende gebieden in Nederland voor

onzekerheden. Daarnaast geldt dat het hier gaat om kosten voor het herstel

schade aan openbare ruimte en infrastructuur (wegen, riolering, parken,

van gebouwen. Er zijn geen kosten meegeteld voor het vernieuwen van de

kades, waterkeringen enzovoort). De totale omvang en precieze locatie van

fundering. In de figuur staat het totaal per deelgebied vermeld.

deze schades is niet goed bekend, maar ze zullen veelal optreden in de

Verder dient te worden afgewogen dat het blijvend repareren en herstellen

gebieden die in figuur 17 zijn weergegeven.

mogelijk niet duurzaam is. In plaats daarvan kan vernieuwing worden over-

Behalve dergelijke directe effecten zijn er ook indirecte effecten. Gedacht

wogen, waarna de problematiek verdwijnt.

kan worden aan schade en extra kosten voor beheer en onderhoud aan systemen voor waterbeheer: bijvoorbeeld voor het ophogen van kades en

De schattingen van de in totaal te verwachten kosten door funderings-

keringen en voor het beheer en onderhoud van sluizen en gemalen. Hierna

schade zijn gebaseerd op de geschatte aantallen hoogrisicogebouwen zoals

is een kort overzicht opgenomen van relevante recente studies naar schade-

vermeld in § 4.2, maar daarbij komt de onzekerheid over de herstelkosten.

kosten bij infrastructuur.

Uit de rapporten van Kok et al. (2020) en Kok et al. (2021) in opdracht van het Verbond van Verzekeraars volgt een bandbreedte van de totale schade-

PBL-studie (2016)

kosten van € 5 tot € 39 miljard voor de mechanismen paalrot en zettingsver-

Uit een studie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (2016) volgt

schillen bij ondiep gefundeerde gebouwen, in een situatie zonder verdere

dat in een aantal veenweidegebieden in Nederland (dus niet nationaal) de

klimaatverandering. De totale schadekosten nemen met € 3 tot € 15 miljard

extra kosten en schade aan infrastructuur door bodemzetting tot 2050 € 1,7

toe in een situatie met toenemende droogte door klimaatverandering. De

miljard tot € 5,2 miljard zullen bedragen. De funderingsherstelkosten in het

mate waarin mitigerende maatregelen worden genomen heeft een groot

onderzochte stedelijk gebied als gevolg van slappe bodems en onvoldoende

effect op de totale schadekosten.

adequate fundering zullen minimaal € 16 miljard bedragen (prijspeil 2016). Naar schatting worden de kosten voor zowel infrastructuur als bebouwing

Het is op dit moment niet mogelijk om een nauwkeuriger schatting te

in het landelijk gebied maximaal € 1 miljard (prijspeil 2016).

maken. In 2024 zal de Deltares-schatting worden vernieuwd met nieuwe

Het PBL stelt ook dat bij nieuwbouw kosten door bodemdaling kunnen

klimaatscenario’s en kostenramingen voor schadeherstel. Hieruit zal geen

worden beperkt of vermeden door goed te bekijken welke locaties het best

alomvattend beeld ontstaan, omdat wederom niet alle mechanismen

kunnen worden ontwikkeld, dat wil zeggen tegen de laagste investerings- en

kunnen worden meegenomen vanwege een gebrek aan informatie.

onderhoudskosten op de langere termijn.

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

97

De PBL-studie schat de kosten van kades en keringen en van het beheer en

Stichting RIONED & STOWA-studie (2023)

onderhoud van sluizen en gemalen op € 200 miljoen tot 2050 (prijspeil 2016).

De problematiek voor leidingen en nutsinfrastructuur en openbare ruimte is

Wij hebben al eerder geconstateerd (Rli, 2020) dat dit een relatief voorzich-

vooral zichtbaar in stedelijk gebied door grote druk op ruimte in de onder-

tige schatting is. Ophogingen van de kades en keringen wordt met 30 cm

grond. Uit een studie van Stichting RIONED & STOWA (2023) blijkt dat bij

gedaan en moet bij 1 cm bodemdaling per jaar dus ongeveer elke dertig jaar

persleidingen ongeveer 20% van de gemelde schades wordt veroorzaakt

plaatsvinden. Dit zou neerkomen op minimaal € 1 miljard in de komende

door verschilzettingen. Verder zijn hiervan op dit moment geen inschat-

dertig jaar.

tingen bekend.

Sweco-studie (2018) In 2018 heeft Sweco onderzoek gedaan naar de kosten van gemeentelijke

4.5 Toekomstverwachtingen

infrastructuur op slappe bodem (Van Woerden, 2018). Uit het onderzoek blijkt dat de levenscycluskosten van een weg met een traditionele fundering

Effecten van klimaatverandering

(zandlaag) in zeer zettingsgevoelig gebied twee keer zo hoog zijn als levens-

Het KNMI (2023) schetst in zijn recente klimaatscenario’s een toekomst

cycluskosten van een weg in een niet-zettingsgevoelig gebied. Dit is het

waarin het mogelijk 15% tot 35% droger wordt in de zomer en juist natter in

gevolg van de optredende schade door bodembeweging. Hierdoor zou het

de winter. In de drogere zomers neemt het neerslagtekort toe. Dit leidt tot

onderhoudsbudget voor wegen in zeer zettingsgevoelig gebied twee keer zo

een verlaging van de gemiddelde lage grondwaterstand en nieuwe records

hoog moeten zijn als een weg op vaste bodem. Ook bleek dat investeren in

voor laagste grondwaterstand bij een extreem droge zomer. De toename

levensduurverlengende technieken leidt tot significante besparingen in de

van droge perioden in deze scenario’s zal leiden tot een versnelling van

toekomstige aanleg, beheer en onderhoud.

bodemdaling en tot hogere risico’s op droogstand van houten paalfunde-

Voor spoorwegen ontbreekt een overkoepelende schatting. De lengte van

ringen. Dit zal het geval zijn in gebieden die nu al te maken hebben met de

het Nederlandse spoornetwerk bedraagt circa 3.200 km. Ongeveer de helft

funderingsproblematiek. Daarnaast komen er gebieden bij waar nu geen tot

van het netwerk is gevoelig voor de effecten van extreme neerslag en lange

weinig bodemdaling is, maar door toenemende droogte, afgewisseld met

natte en droge perioden.

natte periodes, vaker een sterke krimp en zwel kan optreden. Het is dus te verwachten dat klimaatverandering de funderingsproblematiek verder gaat versterken en dat deze problematiek vaker zal voorkomen in gebieden waar dit nu nog niet of beperkt het geval is: in Oost-Nederland

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

98

bijvoorbeeld, waar veel gebouwen ondiep zijn gefundeerd en waar regel-

Veroudering en vernieuwing gebouwen en gebieden

matig klei in de ondergrond voorkomt die door afwisseling van droog en nat

Er zullen in de toekomst naar verwachting twee tegengestelde effecten

krimp en zwel kunnen vertonen. De problematiek wordt dus meer omvat-

merkbaar zijn als het gaat om de funderingen zelf. Enerzijds zullen

tend en urgenter.

bestaande constructies en funderingen verder verouderen, waardoor het

Een tweede invloed van klimaatopwarming is dat de bodemtemperatuur

probleem wordt versterkt. Anderzijds zijn nieuwe funderingen beter bestand

toeneemt. Bij hogere temperaturen is er meer microbiële afbraak van orga-

tegen funderingsproblemen en zal het probleem hierdoor in de toekomst

nische stof (oxidatie) en via bodemdaling of afbraak van houten funderings-

juist afnemen (als er bestaande constructies worden vervangen door

palen kan dit leiden tot aanvullende funderingsschade.

nieuwbouw). Nieuwe funderingen van gebouwen hebben minder of geen last van funde-

Vernattingsopgave

ringsproblematiek. Dit geldt niet voor de infrastructuur, kabels en leidingen

Om broeikasgasuitstoot uit veengebieden te verminderen zijn er plannen

en de openbare ruimte. Door het aanleggen van nieuwe woongebieden in

om delen van het veenweidegebied te vernatten. De gemiddelde grond-

gebieden met slappe bodem worden in die gebieden door klimaatveran-

waterstand gaat dan omhoog ten opzichte van het maaiveld. Deze vernat-

dering de risico’s voor infrastructuur, kabels, leidingen en openbare ruimte

ting heeft een gunstig effect op de funderingsproblematiek, omdat het de

groter.

bodemdaling vermindert en daarmee ook het ontstaan van funderings-

In gebieden waar risico’s door krimp en zwel van klei toenemen, worden

schade afremt bij ondiepe funderingen. Een hogere grondwaterstand is

ook nu nog ondiepe funderingen toegepast. Als er meer duidelijkheid is

ook gunstig voor funderingen op houten palen, omdat het droogstand van

over de vraag waar dit speelt, kunnen hier gericht maatregelen worden

de houten palen vermindert. Het kabinet zet met het beleidsvoornemen

genomen.

‘Water en bodem sturend’ (IenW, 2022) ook in op vernatting van slappe grond om zo de bodemdaling te beperken. Ook dit zal leiden tot hogere

Effecten van kennisontwikkeling

grondwaterstanden.

De in dit hoofdstuk geschatte huidige en toekomstige omvang van de funde-

Een nadeel van een hogere grondwaterstand is dat dit in bepaalde gevallen

ringsproblematiek is gebaseerd op de meest actuele rapportages. In die

kan leiden tot een afname van de draagkracht van ondiepe funderingen en

rapportages is gerekend met enkele inmiddels verouderde gegevens; onder

tot vochtschade.

andere klimaatscenario’s uit 2014. Daarnaast zijn in de rapportages niet alle schadeveroorzakende effecten meegenomen. Bij meenemen van de meest

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

99

actuele gegevens en met verdere kennisontwikkeling, onder andere over krimp en zwel, zullen de geschatte schadeaantallen toenemen. Door uitvoering van het beleidsvoornemen ‘Water en bodem sturend’ kan in het landelijk gebied de verwachte toename van schade (als gevolg van krimp/zwel en verdere klimaatopwarming) waarschijnlijk deels worden weggenomen. Het gaat bij dit voorgenomen beleid om een andere waterhuishouding, waarbij (a) meer water wordt vastgehouden om hogere grondwaterstanden mogelijk te maken en (b) bij extreme neerslag ook extra water wordt afgevoerd om overlast te voorkomen. De ruimte om de grondwaterpeilen in de stad actief te beheren is beperkter en de effectiviteit hiervan is waarschijnlijk ook beperkt. Het is dan ook niet te verwachten dat verdere kennisontwikkeling hierover zal leiden tot een verkleining van de huidige schadeverwachtingen, maar wel tot een gerichter inzicht in de precieze gebieden waar de problematiek het grootst is.

GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/774/documents/35348