Rapportage PZH_Honingbijen_Biesbosch.pdf
Tekst van het document
32
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
plantensoorten voor met een hogere Ellenberg indicator waarde voor licht en stikstof en komen minder plantensoorten voor die door hommels worden bestoven (Horsley 2013). Ook gaat reuzenbalsemien mogelijk bosregeneratie op vochtige en half schaduw plekken tegen (Lhotská & Kopecky 1966). Indirect effect: concurrentie voor bestuivers Door de grote hoeveelheden nectar en suiker die de bloemen van reuzenbalsemien produceren trekt de soort grote aantallen bestuivers aan, met name hommels (Nienhuis et al. 2009, Davis et al. 2018). Hierdoor in plantengemeenschappen waar reuzenbalsemien voorkomt een grotere diversiteit aan bloembezoekende insecten aanwezig is (Lopezaraiza-Mikel et al. 2007, Davis et al. 2018, maar zie Nienhuis et al. 2009). Hoewel in sommige plantengemeenschappen dit ook leidt tot een grotere diversiteit aan bloembezoekende insecten en hogere bezoekfrequentie voor inheemse planten (Lopezaraiza-Mikel et al. 2007), is dit niet altijd het geval (Nienhuis et al. 2009, Bartomeus et al. 2010). Met name in plantengemeenschappen waarin reuzenbalsemien in grote getale aanwezig is, zoals in de Biesbosch, worden inheemse plantensoorten vaak minder bezocht. De reuzenbalsemien bloeit dan in zo’n grote dichtheid en trekt zoveel bestuivers aan dat er niet genoeg bestuivers zijn om de inheemse planten te bestuivern (Chittka & Schürkens 2001, Thijs et al. 2012).
Dit kan de bestuiving van inheemse planten negatief beïnvloeden en leiden tot verminderde zaadzetting van inheemse planten. Het effect van reuzenbalsemien op de bezoekfrequentie en zaadzetting van inheemse plantensoorten hangt af van de (bloem)kenmerken van de inheemse planten, waarbij de aanwezigheid van reuzenbalsemien voornamelijk een negatief effect heeft op de bezoekfrequentie en bestuiving van inheemse plantensoorten die vergelijkbare bloemkenmerken hebben (Bartomeus et al. 2010, Horsley 2013). Wanneer reuzenbalsemien aanwezig is, neemt met name het bezoek door hommels af aan inheemse planten die behoren tot de familie Lamiaceae, zoals moerasandoorn Stachys palustris (Chittka & Schürkens 2001, Horsley 2013), aan inheemse planten met paarse bloemen en aan inheemse planten die laag bij de grond bloeien (Horsley 2013). Het bloembezoek aan enkele inheemse soorten, zoals het harig wilgenroosjes Epilobium hirsutum, neemt juist toe wanneer reuzenbalsemien aanwezig is (Bartomeus et al. 2010). Wat het effect is van de verlaagde bezoekfrequentie van bestuivers op de zaadzetting verschilt per plantensoort.
Voor bepaalde iconische plantensoorten, zoals moerasandoorn Stachys palustris (Chittka & Schürkens 2001) verlaagt de aanwezigheid van reuzenbalsemien de zaadzetting, hoewel de aanwezigheid van reuzenbalsemien geen effect heeft op de zaadzetting van inheemse plantensoorten zoals tuinradijs Raphanus sativus (Bartomeus et al. 2010) en witte dovenetel Lamium album (Horsley 2013). Ten slotte kan de aanwezigheid van reuzenbalsemien ook een indirect effect hebben op de bestuiving van inheemse planten. Doordat bestuivers zowel reuzenbalsemien als inheemse plantensoorten bezoeken kan reuzenbalsemienpollen terecht komen op de stigma van inheemse planten. Grote aantallen balsemienpollen zijn op de stigma van een groot aantal inheemse soorten gevonden, zelfs in gebieden waar reuzenbalsemien niet voorkomt. Deze gebieden zijn soms op bijna 5000 meter afstand gelegen van gebieden waar reuzenbalsemien voorkomt (Emer et al. 2015). Ondanks dat balsemienpollen op de stigma van inheemse plantensoorten is aangetroffen, is echter (nog) niet aangetoond dat dit tot een lagere zaadzetting leidt (Bartomeus et al. 2010, Horsley 2013).
33
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Invloed reuzenbalsemien op diversiteit insecten en andere ongewervelden Doordat invasieve plantensoorten, zoals reuzenbalsemien, zich sterk uitbreiden en daarbij andere inheemse soorten verdringen, hebben gemeenschappen die gedomineerd worden door invasieve soorten vaak weinig waarde als voedselbron voor inheemse ongewervelden zoals insecten (Beerling & Dawah 1993). Daardoor veranderen invasieve plantensoorten vaak de ongewerveldengemeenschap en hun predatoren (Beerling & Dawah 1993, Topp et al. 2008). Diverse studies laten zien dat de aanwezigheid van reuzenbalsemien in plantengemeenschappen een negatief effect heeft op de diversiteit aan ongewervelden. Zowel de aan- en afwezigheid van reuzenbalsemien (Tanner et al. 2013, Wood et al. 2021), maar ook bij een toenemende vegetatiebedekking door de soort (Seeney et al. 2019), neemt de dichtheid en diversiteit van ongewervelden af. Zowel de dichtheid van ongewervelden die zich op en tussen de bladeren bevinden, waaronder kevers en wantsen, als ook de dichtheden van ongewervelden die zich op de grond bevinden, zoals mieren, kevers, mijten, spinnen, etc., zijn ongeveer 60 % lager in gemeenschappen waar reuzenbalsemien aanwezig is (Tanner et al. 2013, Wood et al. 2021). Mechanische bestrijding van reuzenbalsemien leidt al na één jaar tot een 13 % toename aan ongewervelden (Wood et al. 2021).
Afsterven van reuzenbalsemien en erosie Naast het effect van reuzenbalsemien op de diversiteit van de flora en fauna kan reuzenbalsemien ook een negatieve impact hebben op de fysieke omgeving. Reuzenbalsemienn sterft af bij koud weer en wanneer deze periode gepaard gaat met regen, zoals in Nederland, kunnen in deze periode de oevers langs rivieren en beken die door reuzenbalsemien begroeid zijn makkelijker wegspoelen. Hierdoor zijn oevers die begroeid zijn met deze invasieve exoot gevoeliger voor erosie (Greenwood & Kuhn 2014).
Bestrijding van reuzenbalsemien Gelet op de wetenschappelijke literatuur is er door de verspreiding van reuzenbalsemien in het Natura 2000-gebied Biesbosch een reële kans op kwalitatieve achteruitgang van de Natura 2000 Habitattypen en de beleidsdoelstellingen in dit gebied. De reuzenbalsemien is bovendien in 2017 op de EU-verordening voor invasieve exoten 1143/2014 (Unielijst) geplaatst. Dit betekent dat de soort niet meer mag worden aangeplant en dient te worden bestreden. Het opstellen van een beheersplan is hiervoor de eerste stap. Door de honingbijenvolken rondom de Biesbosch weg te halen bestaat de kans dat de verspreiding van reuzenbalsemien vertraagd wordt, maar hiermee kan reuzenbalsemien niet worden bestreden. Hommels zijn immers ook belangrijke bestuivers. Reuzenbalsemien dient daarom actief te worden bestreden. Voor reuzenbalsemien zijn verschillende eliminatie- en beheersmaatregelen uitgevoerd, met name in Groot-Brittannië, en in de wetenschappelijke literatuur gerapporteerd. Deze maatregelen worden hieronder per categorie toegelicht.
Voor elke maatregel geldt dat de gekozen werkwijze afhankelijk is van de lokale omstandigheden (onder andere de grootte van het aangetaste gebied, aanwezigheid van andere vegetatie, toegankelijkheid van het gebied en toekomstplannen voor het gebied) en dat de maatregel gedurende langere tijd uitgevoerd moet worden om succesvol te zijn en te blijven. Deze maatregelen zijn reeds beschreven in het kennisdocument Reuzenbalsemien & Reuzenberenklauw van stichting Stichting Bargerveen (van der Loop 2018).
34
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Biologische bestrijding reuzenbalsemien: inzetten van ziektenverwekkers Er zijn meerdere micro-organismen die mogelijk als biologische bestrijders tegen reuzenbalsemien zijn in te zetten (Tanner 2008). De schimmels Phoma exigua en Puccinia cf. argentata zijn geïdentificeerd als kandidaten voor biologische bestrijding (Glushakova & Chernov 2005). In Groot-Brittannië is daarnaast de schimmel Hymenoscyphus vitellinus op reuzenbalsemien waargenomen evenals een epifytische gistsoort. Momenteel wordt echter nog onderzocht of deze soorten zijn in te zetten voor de biologische bestrijding (Clements et al. 2008). Ook de plantenpathogenen Plasmopara obducens en Sphaerotheca balsaminae zijn in staat ziekteverschijnselen op te wekken bij reuzenbalsemien. Deze zijn echter niet specifiek voor deze soort en bovendien lastig te cultiveren en te bewaren (De Groot & Oldenburger 2011). In Groot-Brittannië is recent is de roest soort Puccinia komarovii var. glanduliferae op experimentele basis ingezet voor de bestrijding van reuzenbalsemien (Tanner et al. 2015). Uit een eerste onderzoek blijkt dat deze schimmel inderdaad reuzenbalsemien kan bestrijden, hoewel omgevingsfactoren de vestiging en verspreiding van deze schimmel bemoeilijken. Daarnaast zijn bepaalde populaties van reuzenbalsemien resistent voor verschillende varianten van deze roest soort (Ellison et al. 2020).
Het daadwerkelijk in de praktijk brengen van biologische bestrijding tegen invasieve exoten, zoals reuzenbalsemien, is een moeilijk proces. Het is van groot belang dat een dergelijke bestrijding zeer soort-specifiek is en dat er geen schade optreedt aan de andere flora en fauna in het gebied. De Nederlandse wetgeving is nog niet ingericht op het introduceren van dergelijke ziekteverwekkers voor de bestrijding van reuzenbalsemien. Het inzetten van herbivoren Het inzetten van herbivorie is slechts in beperkt mate inzetbaar voor de bestrijding van reuzenbalsemien. Hoewel reuzenbalsemien gevoelig is voor begrazing (Larsson & Martinsson 1998) en schapen en runderen de planten in zijn geheel eten, zijn er voor grazers meestal aantrekkelijker soorten aanwezig, waardoor ze reuzenbalsemien zullen mijden (Beerling & Perrins 1993; Matthews et al. 2015). Bovendien groeit reuzenbalsemien vaak op plaatsen waar begrazing niet of nauwelijks mogelijk is, namelijk aan oevers en in drassige terreinen. Begrazing kan daardoor alleen gericht worden ingezet wanneer de dieren geen keuze hebben uit andere plantensoorten. Reuzenbalsemien wordt daarnaast in Europa slechts beperkt belaagd door herbivore insecten. In Groot Brittannië zijn wel enkele insecten, waaronder bladluizen, dwergcicaden, snuitkevers, bladhaantjes, mineervliegen en pijlstaartvlinders, foeragerend van de plant waargenomen.
Van de pijlstaartvlinder Groot avondrood Deilephila elpenor is ook bekend dat hij van de plant eet. Er zijn daarnaast twee soorten bladluis, Aphis fabae Scopoli en Impatientinum balsamines Kallenbach die eten van reuzenbalsemien (Beerling & Perrins 1993). Desondanks wordt verwacht dat de soort alleen biologisch te bestrijden is door natuurlijke vijanden te introduceren, wat in de praktijk nog niet toepasbaar is (Sheppard et al. 2006; Tanner 2008). Momenteel wordt onderzocht of de trips Taeniothrips major, welke uit Pakistan komt, als biologische bestrijding is in te zetten (Tanner 2008). Deze kan mogelijk in de toekomst ingezet worden tegen reuzenbalsemien.
35
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Chemische bestrijding Chemische bestrijding is een effectieve methode voor de bestrijding van reuzenbalsemien maar heeft grote nadelen. Allereerst is het gebruik hiervan niet soortspecifiek en verspreid het gif zich makkelijk in de waterrijke systemen waar de plant aanwezig is (Cockel & Tanner 2011). Het gebruik van herbiciden is daardoor niet wenselijk in de buurt van open water en langs waterwegen, daar waar reuzenbalsemien juist het meest voorkomt (De Groot & Oldenburger 2011). Daarnaast is de applicatie arbeidsintensief en kostbaar omdat chemische bestrijding zorgvuldig moet worden uitgevoerd zodat alle planten worden behandeld (Dawson & Holland 1999, Waterschap AA en Maas 2018). Wanneer slechts 99 % van de planten chemisch wordt bestreden, is de bestrijding namelijk ineffectief, vanwege de snelle vorming van veel nieuw zaad (Wadsworth et al. 2000). Mocht er toch gekozen worden voor chemische bestrijding dan zijn er verschillende opties. Te gebruiken herbiciden zijn glyfosaat (niet selectief ) of 2,4-D amine (selectief, 69 L / ha) (Beerling & Perrins 1993, Wadsworth et al. 2000, De Groot & Oldenburger 2011, Matthews et al. 2015).
De behandeling kan het beste een- tot tweemaal laat in het voorjaar worden uitgevoerd, als de planten bloemknoppen ontwikkelen en zaailingen een voldoende groot bladoppervlakte hebben zodat ze voldoende door de herbicide getroffen worden (Wadsworth et al. 2000, De Groot & Oldenburger 2011). Het is hierbij van belang dat de herbicide behandeling vóór de zaadvorming wordt uitgevoerd omdat het zaad niet wordt aangetast door de herbicide en daardoor de behandelde plant na het rijpen van de zaden nog steeds nieuwe planten kan vormen (Hejda & Pysek 2006, Matthews et al. 2015, Waterschap AA en Maas 2018). Machinale bestrijding: maaien en handmatig verwijderen Machinale bestrijding van reuzenbalsemien, zoals elders door de Bosgroep in Noord-Brabant toegepast, heeft sterk te voorkeur. Machinale bestrijding van reuzenbalsemien, door te maaien of handmatig de planten uit te trekken, is kostbaar en tijdrovend door het grote regeneratievermogen en de effectieve verspreiding, maar kan kortdurend en effectief zijn. Doordat de plant een eenjarige groeiwijze heeft en het zaad maximaal 18 maanden kiemkracht is, is eliminatie in theorie binnen twee groeiseizoenen mogelijk (De Groot & Oldenburger 2011). Hierbij is het van belang dat elke plant wordt geëlimineerd. Zaadvorming door één individu kan de inspanning van een intensieve bestrijdingsactie volledig teniet doen (Waterschap AA en Maas 2018).
Machinale bestrijding van reuzenbalsemien is alleen effectief als de zaadzetting van de plant wordt voorkomen (Dawson & Holland 1999, Cockel & Tanner 2011). Zowel maaien als het uittrekken van de planten zijn effectieve methoden bij de bestrijding van reuzenbalsemien, mits het regelmatig wordt herhaald (De Groot & Oldenburger 2011, Matthews et al. 2015). Bij machinale bestrijding is het van belang dat alle planten worden verwijderd en dat de maatregel wordt herhaald (Delbart 2018). Het maaien en het handmatig uittrekken kan het beste in juni/juli geschieden, voor de zaadzetting. Wanneer de plant te vroeg wordt verwijderen groeit hij opnieuw aan (Waterschap AA en Maas 2018). Het verwijderen van biomassa moet elke twee weken gebeuren om te voorkomen dat nieuwe planten zaad zetten (Cockel & Tanner 2011). Maaien De planten moet zo dicht mogelijk bij de grond worden gemaaid, om opnieuw opschieten te voorkomen, en het maaisel moet verwijderd worden zodat het niet kan regenereren. Wanneer reuzenbalsemien te hoog wordt afgesneden, beschadigd of
36
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
platgedrukt, kan de plant gemakkelijk opnieuw uitgroeien (De Groot & Oldenburger 2011). Door te maaien wordt de grond zo min mogelijk verstoord. Handmatig verwijderen Handmatig verwijderen van de plant is arbeidsintensiever dan maaien, maar kan nauwkeuriger worden uitgevoerd. Maaiapparatuur kan namelijk niet overal worden toegepast (Waterschap AA en Maas 2018) en daarom is handmatig uittrekken een aanvullende techniek om reuzenbalsemien te bestrijden. Bij het uittrekken is het niet nodig om het hele wortelstelsel te verwijderen maar wel de grote wortels direct aan de stengel. Het beste is om na het uittrekken van de planten in het eerste jaar een 2e en 3e bestrijding uit te voeren en daarna de bestrijding verschillende jaren na elkaar herhalen. De planten dienen, vooral bij vochtig weer, van de locatie te worden verwijderen om het opnieuw wortelen van de planten te verhinderen. Randvoorwaarden bestrijding reuzenbalsemien Een efficiënte bestrijding van reuzenbalsemien vergt een planmatige, gebiedsdekkende aanpak. Doordat het zaad van de reuzenbalsemien mede wordt verspreid middels stromend water is een belangrijke randvoorwaarde voor succes dat de te bestrijden populatie min of meer ruimtelijk gescheiden is van andere populaties (bijvoorbeeld niet benedenstrooms van bestaande populaties).
Om te voorkomen dat planten van bovenstrooms de locatie waar reuzenbalsemien is verwijderd opnieuw besmetten dient bij de bestrijding van de soort een volledige zone afgewerkt te worden van stroomopwaarts naar stroomafwaarts. Indien dit niet wordt gedaan zullen de planten zeer snel herkoloniseren. Nazorg in de jaren nadien is daarnaast essentieel zodat vestiging van nieuwe populaties snel opgemerkt en verwijderd kunnen worden voordat deze zich uitbreidt. Er dient daarom altijd een grondige controle worden gedaan voor eventuele noodbloei en gemiste planten. Indien een planmatige, gebiedsdekkende aanpak niet meteen mogelijk is, kan gekozen worden voor een mitigatie-beheer, door jaarlijks maaien. Wanneer de aanvoer van nieuwe zaden van reuzenbalsemien naar de Biesbosch groot is, zal verwijderen een jaarlijkse en intensieve bezigheid blijven. Systeemgerichte bestrijding Recent onderzoek naar systeemgerichte bestrijding biedt mogelijk perspectief voor innovatieve en kosteneffectieve beheersing van reuzenbalsemien (van Kleef et al. 2016). In de Biesbosch, waar de soort al in grote getalen voorkomt is systeemgerichte bestrijding echter niet meer voldoende. Het kan wel gebruikt worden om de kans op herinvasie te verkleinen.
Systeemgerichte bestrijding is er op gericht om de vestigingskans en dominantie van exoten te vermindert door het ecosysteem veerkrachtiger en minder kwetsbaar voor invasies te maken. Dit kan gedaan worden door in nieuw ontwikkelde systemen met vrije niches, de natuurlijke successie te helpen door te sturen op de gewenste vegetatie middels inzaaien of planten van gewenste inheemse doelsoorten. Hierdoor worden de vrije niches en andere competitie-effecten verminderd wat kan leiden tot een systeem dat minder vatbaar is voor een invasie of dominantie exoten, zoals reuzenbalsemien. Tevens kan het aanpassen van de abiotiek op de locatie, zoals het reduceren van de vermesting bijdragen aan een verminderde geschiktheid van het ecosysteem voor de exoot (van Kleef et al. 2016, Brouwer et al. 2017). Wanneer reuzenbalsemien zich nadien toch onverhoopt vestigt, is de kans op dominantie en daarmee op negatieve ecologische gevolgen lager. Ter bestrijding van reuzenbalsemien kan ook eutrofiëring van oevervegetaties worden tegengaan zodat de inheemse vegetatie, die beter is aangepast aan deze
37
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
omstandigheden, de kans krijgt om op een natuurlijke wijze reuzenbalsemien (die vooral profiteert van een voedselrijke bodem) weg te concurreren (Hejda & Pysek 2006). Reuzenbalsemien kan er daarnaast slecht tegen als de wortels in het groeiseizoen onder water komen te staan (inundatie), met name tijdens en net het ontkiemen van de zaden. In de winter daarentegen is de soort tolerant voor inundatie. Het inunderen van terreinen waar de soort voorkomt kan daarom de aantallen aanzienlijk verminderen en is, indien mogelijk, daarom ook een goede bestrijdingsmethode (Beerling & Perrins 1993, De Groot & Oldenburger 2011). Aandachtspunten bestrijding reuzenbalsemien Doordat reuzenbalsemien grote aantallen zaden per plant produceert zal zij zich weer snel verspreiden wanneer niet alle individuen worden verwijderd of wanneer niet op het juiste moment wordt gemaaid. In dit geval zal het bestrijden van reuzenbalsemien dan weinig effect hebben als niet ook de hoeveelheid honingbijen flink wordt teruggebracht rond en in de Biesbosch. Immers de bestuiving door honingbijen levert meer zaadzetting en daarmee meer verspreiding van reuzenbalsemien op. De reuzenbalsemien is een belangrijke voedselbron voor de lokale hommels. Daardoor kan grootschalige verwijdering van de plant een negatief effect hebben op de hommelpopulaties.
De grote hoeveelheid honingbijen die momenteel in het gebied zijn heeft echter ongetwijfeld ook een negatief effect op de hommelpopulaties vanwege voedselconcurrentie. Plantengemeenschappen reageren snel op de verwijdering van reuzenbalsemien met een significant hoger aantal zaailingen en met name een toename van het aantal inheemse plantensoorten met vier per vierkante meter (Hulme & Bremner 2006). Dit geeft een indicatie dat inheemse vegetatie makkelijk aanslaat op locaties waar voorheen reuzenbalsemien dominant aanwezig was. Bij de bestrijding dient goed gelet te worden op de stabiliteit van de grond op plekken langs wateren waar de soort verdwijnt omdat dit mogelijk kan leiden tot verlies aan sediment door erosie (Greenwood & Kuhn 2014, Tanner & Gange 2019).
38
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Discussie en aanbevelingen Het belang van de Biesbosch voor wilde bijen en zweefvliegen De Biesbosch is ondanks de grote oppervlakte en de vele voor wilde bestuivers interessante habitats (stroomdalgrasland, glanshaverhooiland, ooibossen, ruigten, dijken) slechts matig op wilde bijen en zweefvliegen onderzocht. Waarschijnlijk komen er veel meer soorten voor dan nu bekend is en hier zouden nog diverse bijzonderheden bij kunnen zijn. Ondanks deze onvolledige kennis is duidelijk dat het gebied voor verschillende bedreigde bijensoorten een speciaal belang heeft. Met name geldt dit voor de zandhommel, de knautiabij en de roodrandzandbij. De roodrandzandbij komt over de gehele Biesbosch voor. De zandhommel heeft ook een vrij ruime verspreiding, maar lijkt geconcentreerd in de Noordwaard. De knautiabij is vrijwel beperkt tot het stroomdalgrasland op de Kop van de Oude Wiel en de aangrenzende glanshaver-vossenstaarthooilanden. Deze laatstgenoemde gebieden zijn vanwege de kleine, geïsoleerde en kwetsbare populatie van de knautiabij speciale bescherming waard. De invloed van honingbijen op de wilde bijen en zweefvliegen van de Biesbosch Uit het literatuuronderzoek in deze rapportage blijkt dat hoge dichtheden van honingbijen sterke negatieve effecten hebben op de dichtheden van met name grote solitaire bijensoorten en hommels, in mindere mate op kleine solitaire bijen en zweefvliegen.
Dit leidt voor de betreffende wilde bestuivers tot minder reproductie en daarmee tot kleinere populaties en mogelijk het verdwijnen daarvan. De mate waarin het negatieve effect van de aanwezigheid van honingbijen op wilde bestuivers optreedt, hangt van vele factoren af. Geen van de geraadpleegde onderzoekspublicaties presenteert resultaten die in alle opzichten representatief zijn voor de situatie in de Biesbosch. Wel blijkt uit verschillende onderzoeken een afname van dichtheden van wilde bestuivers met tussen de circa 40 en 60 % bij dichtheden van honingbijenvolken van tussen 8 en 38 per km2 (Henry & Rodet 2018, Ropars et al. 2019, Valido et al. 2019). Een dichtheid van 200 volken per km2 in Zweedse koolzaadvelden resulteert zelfs in een volledige afwezigheid van solitaire bijen (Lindström et al. 2016). Slechts bij dichtheden onder de 5 volken per km2 werden geen effecten gevonden (Steffan-Dewenter & Tscharntke 2000). Nesten van aardhommels in stedelijk gebied waren gemiddeld 100 gram lichter op locaties met een dichtheid van 7,6 honingbijenvolken per km2 dan op plekken zonder honingbijenkasten (Meeus et al. 2021). In de Biesbosch was in 2019-2020 ‘s zomers sprake van een gemiddelde dichtheid van honingbijenvolken van ten minste 25 per km2 (zie paragraaf Honingbijen in de Biesbosch).
Omdat honingbijen grote delen van de Biesbosch weinig of niet bezoeken wegens gebrek aan drachtplanten, is de effectieve dichtheid op locaties met drachtplanten als reuzenbalsemien veel hoger. Een dergelijke benadering is veel realistischer voor de vergelijking met andere studies in homogene bloemomgevingen (heidevelden, bloeiende akkers). In die vergelijking is de dichtheid aan kasten in de Biesbosch hoog te noemen. Deze dichtheid ligt mogelijk zelfs nog hoger, aangezien er geen gegevens bekend zijn over de aanwezigheid van bijenkasten in de aangrenzende stedelijke gebieden. Gezien bovengenoemde onderzoeksresultaten mag verwacht worden dat de aanwezige dichtheid aan honingbijen een negatief effect heeft op de wilde bestuivers in de Biesbosch, met name op grote solitaire bijensoorten en hommels. Dit negatieve effect is moeilijk te kwantificeren, maar in lijn van bovengenoemde studies
39
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
zou dit om een afname in dichtheden van tientallen procenten kunnen gaan. Daarbij komt dat de bloemsoorten die voor genoemde wilde bijensoorten van belang zijn (wilgen, schermbloemen, beemdkroon) ook graag door honingbijen bezocht worden. Dit betekent dat ook de populaties van (ernstig) bedreigde soorten als de zandhommel, de knautiabij en de roodrandzandbij ernstig te lijden kunnen hebben onder deze hoge dichtheden van honingbijen in de Biesbosch. Adviezen in andere gebieden dan de Biesbosch Ook imkers zelf ondervinden negatieve gevolgen van de plaatsing van te veel honiongbijenvolken. De bijenvolken onderling maken immers ook gebruik van dezelfde voedingsstoffen en daarbij vindt, zoals onderkend door imkers, concurrentie plaats (zie bijvoorbeeld Koster 1998). Velthuizen (in Kuypers 1997), zelf imker, berekende op basis van de beschikbare hoeveelheid nectar in rijk bloeiende planten een optimum en maximum van honingbijenvolken per hectare. Bij zo’n 2,4 volken per hectare is de honingopbrengst optimaal, bij meer dan vier volken komt de opbrengst in gevaar. Hierbij wordt slechts 9 % van de beschikbare nectar voor wilde insecten gereserveerd. Van der Spek (2012) gebruikte onder andere het advies van Velthuizen om een richtlijn op te stellen voor maximumaantallen volken per hectare natuurterrein.
Deze richtlijn gaf een maximumaantal van 3 honingbijenvolken per km2 en voorzag in een ‘versoepeling’ bij massale bloei van bepaalde voedselplanten (bijvoorbeeld 0,5 volk per hectare bloeiende heide). Dat voorstel wordt inmiddels door verschillende terreinbeheerders overgenomen en gehanteerd. De Dienst Vastgoed Defensie, die de natuur op militaire terreinen beheert, is echter een stuk terughoudender in aantal te plaatsen honingbijenvolken. Daarom verkleinen Slikboer & Smit (2019) het voorstel van Van der Spek met een factor 3, om uit te komen op 0,15 volk per hectare bloeiende heide. De achterliggende gedachte is dat op de defensieterreinen een natuurinstandhoudingsdoelstelling geldt, zodat terughoudendheid geboden is. In de Biesbosch is ook sprake van een instandhoudingsdoelstelling voor de natuur. Op basis van eigen onderzoek komen Smit et al. (2021) voor grote heideterreinen op een maximale dichtheid van 19 honingbijenvolken per km2 bloeiende heide. In dit maximale scenario is er nog steeds in een kwart van het gebied sprake van negatief effect op de wilde bestuivers door honingbijen. Zou men om Natura 2000-redenen dat aandeel areaal terug willen brengen tot 10 % (streng scenario), dan moet de dichtheid honingbijenvolken gehalveerd worden. Bovendien zijn beide scenario’s gebaseerd op de aanname dat alle honingbijenvolken op één locatie bij elkaar staan.
In het geval van meerdere tot veel locaties, zoals in de Biesbosch, worden de negatieve effecten sterker, omdat dan grotere delen van het gebied beter binnen bereik van de volken komen. Wanneer de honingbijenvolken op vier locaties (op onderlinge afstand van 10 kilometer) geplaatst zouden worden, zou de aanbevolen dichtheid volken dalen naar 8 volken per km2 bloeiend gewas in het rekkelijke scenario, 4 volken per km2 bloeiend gewas in het strenge. Henry & Rodet (2018, 2020) vonden vooral een nadelig effect van honingbijenvolken op wilde bestuivers op afstanden tussen 600 en 1100 meter. Op basis hiervan raden zij aan om honingbijenvolkenbeleid te baseren op minimale afstanden van ca. 1000 meter (van de voor wilde bijen te reserveren gebieden) tot bijenvolken in plaats van op maximale aantallen volken per oppervlakte-eenheid. Hun onderzoek vond echter plaats in Franse rozemarijnvelden, waar de verdeling van drachtplanten over de oppervlakte dichter en uniformer is dan in de Biesbosch. In de Biesbosch mag verwacht worden dat honingbijen hier grotere afstanden afleggen, aangezien de foerageergebieden minder homogeen over het gebied verdeeld zijn.
40
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) vonden geen effect tussen variërende dichtheden van honingbijen en de wilde bijenfauna bij dichtheden van 0,24 tot 5,2 honingbijenkasten per km2 Zij raadden desalniettemin aan om voorzichtig te zijn met plaatsing van honingbijenvolken in natuurgebieden en het ‘Europese gemiddelde’ van 3,1 bijenkast per km2 niet te overschrijden Instandhoudingsdoelen en aanbevelingen Gezien de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de Biesbosch zou een voorzorgsprincipe kunnen gelden ten aanzien van een plaatsingsbeleid voor honingbijenvolken Voor de instandhouding van de wilde bijenfauna in de Biesbosch is het vanuit dat principe van belang om na te denken hoeveel kasten er op en rond de Biesbosch geplaatst kunnen worden en welke locaties daarvoor geschikt zijn Hierbij gelden de volgende drie uitgangspunten als onze aanbeveling Het eerste uitgangspunt is het maximaal aanbevolen aantal volken in en om de Biesbosch Deze aanbeveling is gebaseerd op de gemiddelde dichtheid aan honingbijenvolken waarbij het effect op bloembezoek van wilde bestuivers nog acceptabel geacht wordt Verschillende onderzoeken stelden afnames van dichtheden van wilde bestuivers met tussen de circa 40 en 60 % vast bij dichtheden van honingbijenvolken van tussen 8 en 38 per km2 (Henry & Rodet 2018, Ropars et al 2019, Valido et al 2019) Volgens Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) kunnen
bijen gehouden worden in dichtheden tot 5 volken per km2 zonder grote negatieve effecten op de wilde bestuivers Bij toepassing laatstgenoemde dichtheid op de Biesbosch (90 km2 landoppervlakte) en rekening houdend met het feit dat geschat een derde van het gebied groeid is met reuzenbalsemien, zou dit tot voor de Biesbosch leiden tot een maximaal aanbevolen hoeveelheid honingbijenvolken van 150 Dit is inclusief de grensgebieden van de Biesbosch die binnen vliegafstand van honingbijen liggen (5 à 6 km) De dichtheid voor de gehele Biesbosch (land + water) zou hiermee uitkomen op 150 / 96 = 1,6 bijenvolken per km2 Een alternatieve benadering om een aanvaardbare dichtheid te bepalen, kan zijn om te streven naar dichtheden van honingbijen die aansluiten bij natuurlijke dichtheden van in het wild levende honingbijen in Europa Jaffé et al (2010) schatten deze dichtheden in Noordwest-Europa op tussen 0,9 en 3,9 volk per km2 Kohl & Rutschmann (2018) stelden in Duitse beukenbossen een wilde honingbijenpopulatie vast met een dichtheid van 0,11-0,14 per km2 Deze cijfers hebben een grote bandbreedte en geven geen inzicht in de negatieve effecten die op wilde bestuivers verwacht kunnen worden Daarom geven wij hier de voorkeur aan de eerste benadering Om massaal bezoek van de Biesbosch door honingbijen van buiten de gebiedsgrenzen met zekerheid te voorkomen, is een bufferzone van ten minste 5
kilometer noodzakelijk Een tweede uitgangspunt is om het aantal plekken met honingbijenvolken te beperken Smit et al (2021) benadrukken het belang van het clusteren van honingbijenvolken Hoe meer locaties er zijn met honingbijenvolken, hoe sterker de negatieve effecten op de wilde bijenfauna, omdat dan grotere delen van het gebied beter binnen bereik van de volken komen Wanneer de honingbijenvolken op vier locaties (op onderlinge afstand van 10 kilometer) geplaatst zouden worden, zou de aanbevolen dichtheid van volken dalen naar 8 volken per km2 bloeiend gewas in een scenario waarbij 25 % van de oppervlakte negatieve invloed ondervindt (Smit et al 2021) In een strenger
41
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
scenario waarbij deze negatieve invloed geldt op 10 % van de oppervlakte bloeiend gewas, daalt de aanbevolen dichtheid naar 4 volken per km2. Omgerekend naar de Biesbosch en grensgebieden leidt dit, uitgaande van een landoppervlakte van 90 km2 en een bedekking van 33 % met reuzenbalsemien, tot een maximaal aanbevolen aantal honingbijenvolken van 120. Een derde uitgangspunt betreft het niet plaatsen van honingbijvolken in de nabijheid van populaties van kwetsbare wilde bijen. Een bufferzone van ten minste drie kilometer is hierbij aan te raden. Hierbij moet worden opgemerkt dat de wilde bijenfauna van de Biesbosch niet in voldoende detail bekend is om deze plekken allemaal te kennen. In elk geval komt de oostelijke helft van de Sliedrechtse Biesbosch in aanmerking (Kop van de Oude Wiel, Kraaiennest, Louw Simonswaard, Hengstpolder), vanwege de belangrijke graslanden hier en de populatie van de bedreigde knautiabij. Een tweede gebied van bijzonder belang is de Noordwaard, vanwege de grote populatie van de ernstig bedreigde zandhommel. Een sterke reductie van het aantal honingbijenvolken in en om dit gebied is wenselijk. De ruigten en zomen, de vochtige alluviale bossen en de dijken komen zo wijdverspreid voor in de Biesbosch dat het praktisch gezien niet mogelijk is veel afstand tot deze belangrijke habitats te houden.
Aanbevelingen Op grond van het uit de Natura-2000 status voorvloeiende voorzorgsbeginsel, formuleren wij de volgende aanbevelingen, gebaseerd op bovengenoemde drie uitgangspunten: •
•
42
Breng het aantal honingbijenvolken in de ruime omgeving van de Biesbosch terug tot 4 per km2 bloeiend gewas, dat wil zeggen maximaal 120 volken voor reuzenbalsemien. Met ruime omgeving wordt bedoeld de Biesbosch inclusief een bufferzone van ten minste 3 kilometer en idealiter 5 kilometer. Plaats de honingbijenvolken op een beperkt aantal locaties die alle ten minste 3 kilometer verwijderd zijn van de meest belangrijke habitats: voor bedreigde wilde bijensoorten: de oostelijke helft van de Sliedrechtse Biesbosch en de Noordwaard.
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Literatuur Adriaens, T.& D.Laget 2008.To bee or not to bee.Mogelijkheden voor het houden van bijenvolken in natuurgebieden: een inschatting. – Instituut voor natuur-en bosonderzoek, Brussel. Andrews, M., H. Maule, J. Raven & A. Mistry 2005. Extension growth of Impatiens glandulifera at low irradiance: importance of nitrate and potassium accumulation. – Annals of Botany 95: 641-648. Andriessen, L. 2011. Hoe groot wordt een bijenvolk? – De Vlaamse Imker 15(9): 7-29. Angelella, G.M., C.T. McCullough & M.E. O’Rourke 2021. Honey bee hives decrease wild bee abundance, species richness, and fruit count on farms regardless of wildflower strips. – Scientific Reports 11, 3202. https://doi.org/10.1038/s41598-021-81967-1 Balfour, N.J., J. Ollerton, M.C. Castellanos, F.L.W. Ratnieks 2018. British phenological records indicate high diversity and extinction rates among late-summer-flying pollinators. – Biological Conservation 222: 2788-283. Bartomeus, I., M. Vila & I. Steffan-Dewenter 2010. Combined effects of Impatiens glandulifera invasion and landscape structure on native plant pollination. – Journal of Ecology 98: 440-450. Baveco, J.M., A. Focks, D.M. Belgers, J.J.M. van der Steen, J.J.T.I. Boesten & I. Roessink 2016. An energetics-based honeybee nectar-foraging model used to assess thepotential for landscapelevel pesticideexposure dilution.
– PeerJ 4:e2293; DOI 10.7717/peerj.2293 Beerling, D.J. & H.A. Dawah 1993. Abundance and diversity of invertebrates associated with Fallopia japonica (Houtt. Ronse Decraene) and Impatiens glandulifera (Royle): two alien plant species in the British Isles. – Entomologist 112: 127-139. Beerling, D.J. & J.M. Perrins 1993. Impatiens glandulifera Royle (Impatiens roylei Walp.). – Journal of Ecology 81: 367-382. Blitzer, E.J., J.Gibbs, M.G.Park & B.N.Danforth 2016.Pollination services for apple are dependent on diverse wild bee communities. – Agriculture, Ecosystems and Environment 221: 1-7. Brouwer, E., L. Denys, E. Lucassen, M. Buiks & T. Onkelinx 2017. Competitive strength of Australian swamp stonecrop (Crassula helmsii) invading moorland pools. – Aquatic Invasions 12: 321-331. Brugge, B., E.van der Spek, & M.Kwak 1998.Honingbijen in natuurgebieden? – De Levende Natuur, 99(2): 71-76. Carreck, N.L.2008. Are honey bees (Apis mellifera L.) native to the British Isles? – Journal of Apicultural Research, 47(4): 318-322. Chittka, L. & S. Schurkens 2001. Successful invasion of a floral market – an exotic Asian plant has moved in on Europe’s river-banks by bribing pollinators. – Nature 411: 653-653. Clements, D.R., K.R. Feenstra, K. Jones & R. Staniforth 2008. The biology of invasive alien plants in Canada. 9. Impatiens glandulifera Royle. – Canadian Journal of Plant Science 88: 403-417.
Cockel, C.P. & R.A. Tanner 2011. Impatiens glandulifera Royle (Himalayan balsam). – In: A handbook of global freshwater invasive species: 67-77. Comba, L., S.A. Corbet, L. Hunt & B. Warren 1999. Flowers, nectar and insect visits: evaluating British plant species for pollinator-friendly gardens. – Annals of Botany, 83: 369-383. Couvillon, M.J., F.C.Riddell Pearce, C.Accleton, K.A.Fensome, S.K.L.Quah, E.L.Taylor & F.L.W.Ratnieks 2015.Honey bee foraging distance depends on month and forage type.– Apidologie 46: 61-70. Cuijpers, W.& B.Timmermans 2016.Betere bestuivingsmix, de rol van gedomesticeerde en wilde bestuivers in de teelt van blauwe bes. – Louis Bolk Instituut, Driebergen. Davis, E.S., R. Kelly, C.A. Maggs & J.C. Stout 2018. Contrasting impacts of highly invasive plant species on flower‑visiting insect communities. – Biodiversity Conservation 27: 2069-2085. Dawson, F.H. & D. Holland 1999. The distribution in bankside habitats of three alien invasive plants in the UK in relation to the development of control strategies. – Biology, Ecology and Management of Aquatic Plants. Springer: 193-201. Delbart, E. 2018. Reuzenbalsemien Impatiens glandulifera. Dgarna-Dcenn. Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer 2017. Natura 2000-beheerplan Biesbosch (112). – Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Dijkstra, J.P., & Kwak, M.M. 2007.
A meta-analysis on the pollination service of the honey bee (Apis mellifera L.) for the Dutch flora. – Proceedings of the section experimental and applied entomology - Netherlands entomological society 18: 79-87. Dort, K.W. van & H.J. den Hollander 2007. Kartering Nationaal Park de Biesbosch met behulp van satellietbeelden. Ellison, C.A., K.M. Pollard & S. Varia 2020. Potential of a coevolved rust fungus for the management of Himalayan balsam in the British Isles: first field releases. – Weed Research 60: 37-49. Emer, C., I.P. Vaughan, S. Hiscock & J. Memmott 2015 The impact of the invasive alien plant,
43
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Impatiens glandulifera, on pollen transfer networks. – PLoS ONE 10(12): e0143532. Gathmann, A. & T. Tscharntke 2002. Foraging ranges of solitary bees. – Journal of Animal Ecology 71: 757-764. httpsd://oi.org/10.1046/j.1365-2656.2002.00641.x Glushakova, A. & I.Y Chernov 2005. Yeast communities dynamics on leaves of annual hygrophyte of the genus Impatiens. – Mikologiia i fitopatologiia 39: 31. Greenwood, P & N.J. Kuhn 2014 Does the invasive plant, Impatiens glandulifera, promote soil erosion along the riparian zone? An investigation on a small watercourse in northwest Switzerland. – Journal of Soils and Sediments 14: 637-650. Doi: 10.1007/s11368-013-0825-9. Groot, C. de & J.Oldenburger 2011. De bestrijding van invasieve uitheemse plantensoorten. – Wageningen. Hallmann, C.A., T. Zeegers , R. van Klink, R. Vermeulen, P. van Wielink, H. Spijkers & E. Jongejans 2018. Analysis of insect monitoring data from De Kaaistoep and Drenthe. – Reports Animal Ecology and Physiology 2018-2: 1-39. Hallmann, C.A., T. Zeegers, R. van Klink, R. Vermeulen, P. van Wielink, H. Spijkers, J. van Deijk, W. van Steenis & E. Jongejans 2019. Declining abundance of beetles, moths and caddisflies in the Netherlands. – Insect Conservation and Diversity13: 127-139. Hallmann, C.A., A. Ssymank, M. Sorg, H. de Kroon & E. Jongejans 2021.
Insect biomass decline scaled to species diversity: General patterns derived from a hoverfly community. – PNAS January 12, 2021 118 (2) e2002554117; https://doi.org/10.1073/pnas.2002554117 Hejda, M. & P. Pysek 2006. What is the impact of Impatiens glandulifera on species diversity of invaded riparian vegetation? – Biological conservation 132: 143-152. Hejda, M, P. Pysek & V. Jarosík 2009. Impact of invasive plants on the species richness, diversity and composition of invaded communities. – Journal of Ecology 97: 393-403. Helmisaari, H 2010. NOBANIS – Invasive Alien Species Fact Sheet – Impatiens glandulifera. – From: Online Database of the European Network on Invasive Alien Species – NOBANIS www.nobanis.org, 22- 2-2018. Henry, M. & G. Rodet 2018. Controlling the impact of the managed honeybee on wild bees in protected areas. – Scientific Reports 8: 9308. https://doi.org/10.1038/s41598-018-27591-y Henry, M. & G. Rodet 2020. The apiary influence range: a new paradigm for managing the cohabitation of honey bees and wild bee communities. – Acta Oecologica 105, 103555. https:// doi.org/10.1016/j.actao.2020.103555. Hofmann, M.M., C.M. Zohner & S.S. Renne 2019. Narrow habitat breadth and late-summer emergence increases extinction vulnerability in Central European bees. – Proceedings of the Royal Society B 286: 20190316. http://dx.doi.org/10.1098/rspb.2019.0316 Horsley, C.A. 2013.
Pollinator-mediated interactions between native plants and the invasive alien Himalayan balsam. – PhD thesis. Hulme, P.E. & E.T. Bremner 2006. Assessing the impact of Impatiens glandulifera on riparian habitats: partitioning diversity components following species removal. – Journal of Applied Ecology 43: 43-50. Jaffé, R., V. Dietemann, M.H. Allsopp, C. Costa, R.M. Crewe, R. Dall’olio, P. de la Rúa, M.A.A. ElNiweiri, I. Fries et al. 2010. Estimating the Density of Honeybee Colonies across Their Natural Range to Fill the Gap in Pollinator Decline Censuses. – Conservation Biology 24: 583–593. https://doi.org/10.1111/j.1523-1739.2009.01331.x Jagt, L. van der 2019. The island life of a critically endangered bumblebee species. Bombus veteranus on Tiengemeten. – Misecellaneous Research Project Report, Biology, Leiden University. Kleef, H.H. van, J.M.M. van der Loop, B.J.M. Nyssen & E. Brouwer 2016. Systeemgericht beheer als duurzame oplossing tegen invasieve exoten. – De Levende Natuur 117: 5. Kohl, P.L. & B. Rutschmann 2018. The neglected bee trees: European beech forests as a home for feral honey bee colonies. - PeerJ 6: e4602 https://doi.org/10.7717/peerj.4602. Koster, A. 1998. Honingbijen en wilde bijen zijn concurrenten. – Bijen 7: 265-269. Kuypers, A. 1997. Druk op drachtgebieden. – Bijen 6: 3-4. Larsson, C. & K. Martinsson 1998.
Jättebalsamin Impatiens glandulifera i Sverige: invasionsart eller harmlös trädgartsflykting. – Svensk Botanisk Tidskrift 92: 329-345. Lhotská, M. & K. Kopecky 1966. Zur Verbreitungsbiologie und Phytozönologie von Impatiens glandulifera Royle an den Flusssystemen der Svitava, Svratka und oberen Odra. – Preslia 38: 376-385. Lindström, S.A.M., L. Herbertsson, M. Rundlöf, R. Bommarco & H.G. Smith 2016. Experimental evidence that honeybees depress wild insect densities in a flowering crop. - Proceedings of the Royal Society B 283: 20161641. http://dx.doi.org/10.1098/rspb.2016.1641 Loop, J. van der 2018. Kennisdocument reuzenbalsemien & reuzenberenklauw. Habitatbeschrijving en negatieve effecten voor ecosystemen. – Stichting Bargerveen, Nijmegen. Lopezaraiza-Mikel, M.E., R.B. Hayes, M.R. Whalley & J. Memmott 2007. The impact of an alien plant on a native plant–pollinator network: an experimental approach. – Ecology Letters 10:
44
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
539-550. Mallinger, R.E., H.R. Gaines-Day & C. Gratton 2017. Do managed bees have negative effects on wild bees? A systematic review of the literature. – PLOS One, https://doi.org/10.1371/journal.pone.0189268. Matthews, J., R. Beringen, E. Boer, H. Duistermaat, B. Odé, J. Valkenburg, G. van der Velde G & R. Leuven 2015. Risks and management of non-native Impatiens species in the Netherlands. – Radboud University, FLORON and Naturalis Biodiversity Center, Nijmegen. Meer, F. van der, M. Reemer & A. Neve 2006. De roodrandzandbij Andrena rosae in de ZuidHollandse Biesbosch (Hymenoptera: Apoidea: Andrenidae). – Nederlandse Faunistische Mededelingen 25: 1-9. Meeus, I., L. Parmentier, M. Pisman et al. Reduced nest development of reared Bombus terrestris within apiary dense human-modified landscapes. – Scientific Reports 11. https://doi. org/10.1038/s41598-021-82540-6 Nederlandse Bijenhoudersvereniging 2020. Position paper Nationaal Park De Biesbosch & honingbijen. Nienhuis, C.M., A.C. Dietzsch & J.C. Stout 2009. The impacts of an invasive alien plant and its removal on native bees. – Apidologie 40: 450–463. doi: 10.1051/apido/2009005. NVWA 2017. Factsheet Reuzenbalsemien. – Ministerie van Economische zaken, Den Haag. Peeters, T.M.J., H. Nieuwenhuijsen, J. Smit, F. van der Meer, I.P. Raemakers, W.R.B. Heitmans, K. van Achterberg, M. Kwak, A.J. Loonstra, J. de Rond, M. Roos & M.
Reemer 2012. De Nederlandse bijen (Hymenoptera: Apidae s.l.). – Natuur van Nederland 11: 544. Raine, N.E. & L. Chittka 2007. Nectar production rate of 75 bumblebee-visited flower species in a German flora (Hymenoptera: Apidae: Bombus terrestris). – Entomologia Generalis 30: 191-192. Ratnieks, F.L.2007.How far do honeybees forage. – Beekeepers Q, 89, 26-28. Reemer, M. 2018. Basisrapport voor de Rode Lijst bijen. – EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Reemer, M., W. Renema, W. van Steenis, T. Zeegers, A. Barendregt, J.T. Smit, M.P. van Veen, J. van Steenis & L.J.J.M. van der Leij 2009. De Nederlandse zweefvliegen (Diptera: Syrphidae). – Nederlandse Fauna 8: 1-442. Ropars, L., I. Dajoz, C. Fontaine, A. Muratet, B. Geslin 2019. Wild pollinator activity negatively related to honey bee colony densities in urban context. – PLoS ONE 14(9): e0222316. https:// doi.org/10.1371/journal.pone.0222316 Sánchez-Bayo, F.& K.A.G. Wyckhuys 2019. Worldwide decline of the entomofauna: a review of its drivers. – Biological conservation 232: 8-27. Scheper, J., M. Reemer, R. van Kats, W.A. Ozinga, G.T. J. van der Linden, J.H.J. Schaminée, H. Siepel & David Kleijn 2014. Museum specimens reveal loss of pollen host plants as key factor driving wild bee decline in The Netherlands. – Proceedings of the National Academy of Sciences Nov 2014, 201412973; DOI: 10.1073/pnas.1412973111 Seeney, A., S. Eastwood, Z.
Pattison, N.J. Willby & C.D. Bull 2019. All change at the water’s edge: invasion by non-native riparian plants negatively impacts terrestrial invertebrates. – Biolological Invasions 21: 1933-1946. Sheppard, A., R. Shaw & R. Sforza 2006. Top 20 environmental weeds for classical biological control in Europe: a review of opportunities, regulations and other barriers to adoption. – Weed research 46): 93-117. Slikboer, L. 2018. Wilde bijen in het stedelijk groen van Gorinchem. – EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Slikboer, L. & J.T. Smit 2019. Voorlopige richtlijn plaatsing bijenkasten op defensieterreinen. – EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Slikboer, L. & J.T. Smit 2020. De zandhommel als icoon voor een soortenrijk agrarisch landschap. – Vakblad Natuur Bos Landschap 170: 18-21. Slikboer, L., J.T. Smit & T. Zeegers 2019. Honingbijen & wilde bestuivers in defensieterreinen deel 1: Doornspijkse Hei. – EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Smit, J.T. & L. van der Jagt 2017. Zandhommelnest gevonden. – HymenoVaria 15: 58. Smit, J.T. & L. Slikboer 2019. Beschermingsplan zandhommel: ‘panda van de Nederlandse delta’. – EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Smit, J., A. J. Loonstra & A. de Wilde 2012. De roodrandzandbij Andrena rosae weer op de goede weg (Hymenoptera: Apidae)? – Nederlandse Faunistische Mededelingen 37: 29-37. Smit, J.T., T. Zeegers & L. Slikboer 2021.
Definitieve richtlijn plaatsing bijenkasten op heideterreinen van Defensie. – EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Spek, E. van der 2012. Effecten van honingbijen, Apis mellifera, op insecten in natuurterreinen. – Entomologische berichten 72: 103-111. Steen, J. van der 2015. Factoren die het foerageergedrag van honingbijen bepalen (deel I). – Plant Research International, Wageningen University, rapport 606: 1-37. Steffan-Dewenter, I. & T. Tscharntke 2000. Resource overlap and possible competition between
45
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
honey bees and wild bees in central Europe. – Oecologia 122: 288-296. Tanner, R.A. & A.C. Gange 2019. Himalayan balsam, Impatiens glandulifera: its ecology,invasion and management. Weed Research. – Doi: 10.1111/wre.12401. Tanner, R.A., S. Varia, R. Eschen, S. Wood, S.T. Murphy et al. 2013. Tanner Impacts of an invasive non-native annual weed, Impatiens glandulifera, on above- and belowground invertebrate communities in the United Kingdom. – PLoS ONE 8(6): e67271. Tanner, R.A., C.A. Ellison, M.K. Seier, G.M. Kovács, E. Kassai-Jáger, Z. Berecky, S. Varia, D. Djeddour, M.C. Singh & Á. Csiszár 2015. Puccinia komarovii var. glanduliferae var. nov.: a fungal agent for the biological control of Himalayan balsam (Impatiens glandulifera). – European journal of plant pathology 141(2): 247-266. Thijs, K.W., R. Brys, H.A.F. Verboven & M. Hermy 2012. The influence of an invasive plant species on the pollination success and reproductive output of three riparian plant species. – Biological Invasions 14: 355-365. Topp, W., H. Kappes & F. Rogers 2008. Response of ground-dwelling beetle (Coleoptera) assemblages to giant knotweed (Reynoutria spp.) invasion. – Biological Invasions 10: 381-390. Valido, A., M.C. Rodríguez-Rodríguez & P. Jordano 2019. Honeybees disrupt the structure and functionality of plant-pollinator networks. – Scientific Reports 9, 4711. https://doi.
org/10.1038/s41598-019-41271-5 Van de Meutter, F. 2008. New observations of Orthonevra intermedia (Lundbeck, 1916) and Sphaerophoria loewi (Zetterstedt, 1843) (Diptera: Syrphidae) for Belgium. – Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie 144: 2-5. Wadsworth, R., Y. Collingham, S. Willis, B. Huntley & P. Hulme 2000. Simulating the spread and management of alien riparian weeds: are they out of control? – Journal of Applied Ecology 37: 28-38. Wagner, D.L., E.M. Grames, M.L. Forister, M.R. Berenbaum & D. Stopak 2021. Insect decline in the Anthropocene: death by a thousand cuts. – Proceedings of the National Academy of Sciences 118(2) e2023989118. Waterschap AA en Maas 2018. Werkinstructie bestrijding Reuzenbalsemien. – Cuijk. Wignall, V.R., M. Brolly, C. Uthoff et al. 2020a. Exploitative competition and displacement mediated by eusocial bees: experimental evidence in a wild pollinator community. – Behavioral Ecology and Sociobiology 74, 152. https://doi.org/10.1007/s00265-020-02924-y Wignall, V.R., H.I. Campbell, N.L. Davies et al. 2020b. Seasonal variation in exploitative competition between honeybees and bumblebees. – Oecologia 192: 351-361. https://doi.org/10.1007/ s00442-019-04576-w Wojcik, V.A., L.A. Morandin, L. Davies Adams & K.E. Rourke 2018.
Floral resource competition between honey bees and wild Bees: is there clear evidence and can we guide management and conservation? – Environmental Entomology 47(4): 822-833. doi: 10.1093/ee/nvy077 Wood, S.V., N. Maczey, A.F. Currie, A.J. Lowry, M. Rabiey, C.A. Ellison, R.W. Jackson & A.C. Gange 2021. Rapid impact of Impatiens glandulifera control on above- and belowground invertebrate communities. – Weed Research 61: 35-44. Zwerver, J. J. de Jong & H. Soomers 2017. Vegetatiestructuur-kartering Biesbosch 2017. Half-automatische classificatie op basis van een satellietbeeld. – Bureau Waardenburg, Culemborg.
46
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Bijlage 1 Overzicht van de bijensoorten die bekend zijn uit de Biesbosch, met aanduiding van aantallen vondsten voor en vanaf 2000 en de bedreigingsstatus volgens de Rode Lijst (Reemer 2018). BE = Bedreigd, EB = Ernstig bedreigd, KW = Kwetsbaar. voor vanaf 2000 2000 RL witbaardzandbij
Andrena barbilabris
tweekleurige zandbij
Andrena bicolor
meidoornzandbij
3
2
Andrena carantonica
4
13
goudpootzandbij
Andrena chrysosceles
13
9
asbij
Andrena cineraria
10
20
zwart-rosse zandbij
Andrena clarkella
4
wimperflankzandbij
Andrena dorsata
grasbij
Andrena flavipes
gewone rozenzandbij
Andrena fucata
vosje
Andrena fulva
5
15
weidebij
Andrena gravida
1
21
roodgatje
Andrena haemorrhoa
13
34
knautiabij
Andrena hattorfiana
30
BE
paardenbloembij
Andrena humilis
1
KW
donkere klaverzandbij
Andrena labialis
1
KW
ereprijszandbij
Andrena labiata
1
gewone dwergzandbij
Andrena minutula
6
13
lichte wilgenzandbij
Andrena mitis
16
16
zwartbronzen zandbij
Andrena nigroaenea
viltvlekzandbij
Andrena nitida
4
20
vroege zandbij
Andrena praecox
14
3
fluitenkruidbij
Andrena proxima
2
5
roodrandzandbij
Andrena rosae
15
136
BE
halfgladde dwergzandbij
Andrena semilaevis
2
KW
witkopdwergzandbij
Andrena subopaca
grijze rimpelrug
Andrena tibialis
3
7
grijze zandbij
Andrena vaga
7
34
roodbuikje
Andrena ventralis
14
26
geelstaartklaverzandbij
Andrena wilkella
kleine harsbij
Anthidiellum strigatum
1
gewone sachembij
Anthophora plumipes
10
honingbij
Apis mellifera
61
tweekleurige koekoekshommel Bombus bohemicus
2
7 11
20
57 1 KW
2
5
9
4
3
KW
KW
gewone koekoekshommel
Bombus campestris
tuinhommel
Bombus hortorum
3
4
boomhommel
Bombus hypnorum
1
6
veenhommel
Bombus jonellus
3
steenhommel
Bombus lapidarius
4
veldhommel
Bombus lucorum
6
grote veldhommel
Bombus magnus
1
moshommel
Bombus muscorum
1
7
KW 20
BE
47
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
voor vanaf 2000 2000 RL akkerhommel
Bombus pascuorum
13
50
weidehommel
Bombus pratorum
2
2
aardhommel
Bombus terrestris
7
8
grote koekoekshommel
Bombus vestalis
1
3
KW
zandhommel
Bombus veteranus
7
34
EB
gewone kegelbij
Coelioxys inermis
grote zijdebij
Colletes cunicularius
wormkruidbij
Colletes daviesanus
2
duinzijdebij
Colletes fodiens
5
pluimvoetbij
Dasypoda hirtipes
gewone viltbij
Epeolus variegatus
roodpotige groefbij
Halictus rubicundus
2
parkbronsgroefbij
Halictus tumulorum
9
1 4
2
17
14 4
zwartgespoorde houtmetselbij Hoplitis leucomelana
20 2
gewone maskerbij
Hylaeus communis
3
2
poldermaskerbij
Hylaeus confusus
3
1
tuinmaskerbij
Hylaeus hyalinatus
1
rietmaskerbij
Hylaeus pectoralis
berijpte geurgroefbij
Lasioglossum albipes
2
1
gewone geurgroefbij
Lasioglossum calceatum
29
35
gewone smaragdgroefbij
Lasioglossum leucopus
5
1
matte bandgroefbij
Lasioglossum leucozonium
glanzende groefbij
Lasioglossum lucidulum
ingesnoerde groefbij
Lasioglossum minutissimum
langkopsmaragdgroefbij
Lasioglossum morio
7
kleigroefbij
Lasioglossum pauxillum
1
gewone franjegroefbij
Lasioglossum sexstrigatum
biggenkruidgroefbij
Lasioglossum villosulum
4
roodbruine groefbij
Lasioglossum xanthopus
9
glanzende bandgroefbij
Lasioglossum zonulum
2
gewone slobkousbij
Macropis europaea
tuinbladsnijder
Megachile centuncularis
1
distelbehangersbij
Megachile ligniseca
1
gewone behangersbij
Megachile versicolor
1
grote bladsnijder
Megachile willughbiella
bruine rouwbij
Melecta albifrons
kattenstaartdikpoot
Melitta nigricans
ogentroostdikpoot
Melitta tricincta
bleekvlekwespbij
Nomada alboguttata
10
12
bonte wespbij
Nomada bifasciata
2
15
roodzwarte dubbeltand
Nomada fabriciana
12
28
geelschouderwespbij
Nomada ferruginata
15
23
gewone wespbij
Nomada flava
1
9
gewone kleine wespbij
Nomada flavoguttata
6
9
zwartsprietwespbij
Nomada flavopicta
4
1
48
2
KW
9 1 1
9
1
2
4
2
2
5 9
11
KW
16 1 KW
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
voor vanaf 2000 2000 RL kortsprietwespbij
Nomada fucata
14
27
roodsprietwespbij
Nomada fulvicornis
2
12
smalbandwespbij
Nomada goodeniana
13
16
roodharige wespbij
Nomada lathburiana
9
16
vroege wespbij
Nomada leucophthalma
donkere wespbij
Nomada marshamella
sierlijke wespbij
Nomada panzeri
6
6
gewone dubbeltand
Nomada ruficornis
13
23
heidewespbij
Nomada rufipes
2
geeltipje
Nomada sheppardana
1
signaalwespbij
Nomada signata
2
3
geelzwarte wespbij
Nomada succincta
6
2
variabele wespbij
Nomada zonata
rosse metselbij
Osmia bicornis
3
blauwe metselbij
Osmia caerulescens
1
gehoornde metselbij
Osmia cornuta
2
grote bloedbij
Sphecodes albilabris
18
bosbloedbij
Sphecodes ephippius
3
kleine spitstandbloedbij
Sphecodes longulus
verscholen dwergbloedbij
Sphecodes marginatus
gewone dwergbloedbij
Sphecodes miniatus
1
2
dikkopbloedbij
Sphecodes monilicornis
10
20
schoffelbloedbij
Sphecodes pellucidus
2
4
rimpelkruinbloedbij
Sphecodes reticulatus
KW
4 11
15
KW 1
4 3 KW
1 1
1
49
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Bijlage 2 Overzicht van de zweefvliegensoorten die bekend zijn uit de Biesbosch, met aanduiding van aantallen vondsten voor en vanaf 2000 en de zeldzaamheids- en bedreigingsstatus volgens Reemer et al. (2012). za = zeer algemeen, a = algemeen, va = vrij algemeen, vz = vrij zeldzaam, z = zeldzaam, zz = zeer zeldzaam. Voor 2000 Vanaf 2000 Status Bedreiging ingesnoerde waterzweefvlieg Anasimyia contracta
2
vz
bokserwaterzweefvlieg
Anasimyia interpuncta
8
3
va
snuitwaterzweefvlieg
Anasimyia lineata
4
7
a
rechte waterzweefvlieg
Anasimyia transfuga
3
4
va
vliegende speld
Baccha elongata
8
2
a
1
oostelijke sapzweefvlieg
Brachyopa pilosa
bloedrode bladloper
Brachypalpoides lentus
3
va
korte bladloper
Chalcosyrphus nemorum
5
a
tweekleurig gitje
Cheilosia albipila
1
a
weidegitje
Cheilosia albitarsis
21
za
kruiskruidgitje
Cheilosia bergenstammi
9
va
moerasgitje
Cheilosia fraterna
1
va
wilgengitje
Cheilosia grossa
1
va
wollig gitje
Cheilosia illustrata
41
a
nazomergitje
Cheilosia impressa
11
a
slank gitje
Cheilosia mutabilis
1
vz
kervelgitje
Cheilosia pagana
42
30
za
dofbuikgitje
Cheilosia proxima
1
21
va
bosgitje
Cheilosia variabilis
1
kustgitje
Cheilosia vernalis
1
donker doflijfje
Chrysogaster solstitialis
donkere fopwesp
Chrysotoxum bicinctum
kleine woudzwever
Criorhina berberina
pluimwoudzwever
Criorhina floccosa
bretel-wimperzweefvlieg
Dasysyrphus albostriatus
24
2 1
va
a 4
a
2
va
2
a
5
a
3
vz
3
3
a
1
gewone wimperzweefvlieg
Dasysyrphus venustus
1
1
a
enkele-bandzweefvlieg
Epistrophe eligans
43
3
a
zwartspriet-bandzweefvlieg
Epistrophe grossulariae
18
zwartbek-bandzweefvlieg
Epistrophe melanostoma
va 2
va
zwarthaar-bandzweefvlieg
Epistrophe nitidicollis
4
1
a
snorzweefvlieg
Episyrphus balteatus
88
59
za
weidevlekoog
Eristalinus sepulchralis
16
14
za
kustbijvlieg
Eristalis abusiva
43
5
a
kleine bijvlieg
Eristalis arbustorum
74
19
za
bosbijvlieg
Eristalis horticola
21
46
za
hommelbijvlieg
Eristalis intricaria
34
42
za
puntbijvlieg
Eristalis nemorum
34
27
za
kegelbijvlieg
Eristalis pertinax
61
43
za
veenbijvlieg
Eristalis picea
1
va
onvoorspelbare bijvlieg
Eristalis similis
2
1
va
blinde bij
Eristalis tenax
62
60
za
50
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Voor 2000 Vanaf 2000 Status Bedreiging knobbelbollenzweefvlieg
Eumerus funeralis
2
gewone bollenzweefvlieg
Eumerus strigatus
9
5
a
terrasjes-kommazweefvlieg
Eupeodes corollae
36
17
za
gele kommazweefvlieg
Eupeodes latifasciatus
2
grote kommazweefvlieg
Eupeodes luniger
2
7
a
moeraspendelvlieg
Helophilus hybridus
5
8
a
gewone pendelvlieg
Helophilus pendulus
68
67
za
citroenpendelvlieg
Helophilus trivittatus
23
30
za
bokspootplatbek
Heringia latitarsis
1
vz
gewoon glimlijfje
Lejogaster metallina
2
a
moerasglimlijfje
Lejogaster tarsata
5
va
wilgenelfje
Melangyna lasiophthalma
4
va
melkelfje
Melangyna umbellatarum
1
va
weidedoflijfje
Melanogaster hirtella
27
13
a
kaal doflijfje
Melanogaster nuda
8
8
va
gewone driehoekszweefvlieg Melanostoma mellinum
7
va
a
68
28
za
slanke driehoekszweefvlieg
Melanostoma scalare
46
16
za
spiegelelfje
Meligramma guttata
2
1
va
variabel elfje
Meliscaeva auricollis
6
grote narcisvlieg
Merodon equestris
14
1
a
doodskopzweefvlieg
Myathropa florea
7
12
za
kortspriet korsetzweefvlieg
Neoascia geniculata
1
veelvlek-korsetzweefvlieg
Neoascia interrupta
1
1
vz
donkere korsetzweefvlieg
Neoascia meticulosa
7
11
va
scheefvlek-korsetzweefvlieg
Neoascia obliqua
2
1
vz
gewone korsetzweefvlieg
Neoascia podagrica
24
3
a
tengere korsetzweefvlieg
Neoascia tenur
15
zomerse glimmer
Orthonevra nobilis
ringpootroetneusje
Parasyrphus vittiger
1
vz
bosfluweelzweefvlieg
Parhelophilus frutetorum
2
va
gewone fluweelzweefvlieg
Parhelophilus versicolor
6
15
a
geelbuikplatbek
Pipiza festiva
1
2
z
grofstippelde platbek
Pipiza noctiluca
1
a
fijngestippelde platbek
Pipiza notata
1
va
gewone langsprietplatbek
Pipizella viduata
4
5
a
micaplatvoetje
Platycheirus albimanus
30
8
za
krulhaarplatvoetje
Platycheirus ambiguus
1
slank platvoetje
Platycheirus angustatus
3
3
a
gewoon platvoetje
Platycheirus clypeatus
7
15
za
geel platvoetje
Platycheirus fulviventris
7
4
va
kustplatvoetje
Platycheirus immarginatus
1
1
z
snuitplatvoetje
Platycheirus manicatus
1
veenplatvoetje
Platycheirus occultus
scheefvlekplatvoetje
Platycheirus peltatus
13
moerasplatvoetje
Platycheirus scambus
9
a
vz
a 2
z
z
kwetsbaar
gevoelig
va 3
va
7
a a
51
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Voor 2000 Vanaf 2000 Status Bedreiging schaduwplatvoetje
Platycheirus scutatus
14
3
a
klompvoetje
Pyrophaena granditarsa