Rapportage PZH_Honingbijen_Biesbosch.pdf
Tekst van het document
2021
Menno Reemer Saskia Klumpers Theo Zeegers
Bijen en balsemien: concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers in de Biesbosch
Bijen en balsemien: concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers in de Biesbosch 22 april 2021 tekst Menno Reemer (EIS), Saskia Klumpers (Naturalis) & Theo Zeegers (EIS) productie EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden i.s.m. Naturalis Biodiversity Center rapportnummer EIS2021-09 opdrachtgever Provincie Zuid-Holland contactpersoon opdrachtgever Dhr. J.J. van der Kaaden contactpersoon EIS Theo Zeegers foto’s voorpagina Hoofdfoto: Honingbijenkasten in de Biesbosch (foto John Smit) Inzet: koningin zandhommel Bombus veteranus op rode klaver (foto Menno Reemer) foto achterkant Vrouwtje knautiabij Andrena hattorfiana op beemdkroon (foto Menno Reemer)
Inhoudsopgave Samenvatting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Opzet en methode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 Resultaten honingbijen en wilde bestuivers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Achtergronden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Literatuurstudie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Honingbijen in de Biesbosch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 Wilde bijen in de Biesbosch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17 Zweefvliegen in de Biesbosch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23 Belangrijke habitats voor bestuivers in de Biesbosch . . . . . . . . . . . .25 Resultaten reuzenbalsemien . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30 Reuzenbalsemien in de Biesbosch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30 Invloed honingbijen op voorkomen reuzenbalsemien . . . . . . . . . . . .31 Invloed reuzenbalsemien op biodiversiteit Biesbosch . . . . . . . . . . . .32 Bestrijding van reuzenbalsemien . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 Discussie en aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39 Literatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
43 Bijlage 1: Overzicht bijensoorten Biesbosch . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47 Bijlage 2: Overzicht zweefvliegensoorten Biesbosch . . . . . . . . . . . . . . 50
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Samenvatting De Biesbosch is een natuurgebied met Natura 2000 status gelegen in de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant. De laatste jaren worden in en om de Biesbosch meer en meer honingbijenvolken geplaatst door imkers, vooral vanwege de dracht van de reuzenbalsemien. De vraag is of en in hoeverre dit op gespannen voet staat met de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen, in het bijzonder vanwege concurrentie met wilde bestuivers. Reuzenbalsemien is een exoot die in de jaren 1950-1960 in de Biesbosch is geïntroduceerd. Inmiddels zijn grote delen van de Biesbosch (een kwart oppervlakte of meer), met name langs kreken en grote stukken wilgenbos, massaal bedekt door de soort. De reuzenbalsemien wordt voornamelijk bestoven door hommels. Vanwege de grote hoeveelheden nectar en pollen die de bloem produceert en het hoge suikergehalte van de nectar wordt zij ook bezocht door een groot aantal soorten bestuivers, waaronder de honingbij. Voor imkers is de reuzenbalsemien extra aantrekkelijk vanwege de bloeiperiode augustus tot oktober, wanneer het voedselaanbod voor de honingbij beperkt is. Hoewel hommels, door hun passende morfologie, de beste bestuivers zijn van reuzenbalsemien, dragen honingbijen ook bij aan de bestuiving, met name wanneer zij in grote getale de plant bezoeken, zoals momenteel in de Biesbosch.
Studies in Groot-Brittannië laten zien dat reuzenbalsemien een sterke, negatieve impact kan hebben op de diversiteit aan inheemse flora en fauna, met name ongewervelden. Reuzenbalsemien kan het beste worden bestreden door door te maaien of handmatig de planten uit te trekken. Vanwege het grote regeneratieve vermogen en de effectieve verspreiding van de exoot is de bestrijding van reuzenbalsemien kostbaar en tijdrovend. Een planmatige aanpak is essentieel voor effectieve bestrijding. De Biesbosch is voor de Nederlandse bijenfauna van grote waarde vanwege het voorkomen van 13 soorten van de Rode Lijst, waaronder de zandhommel (Ernstig Bedreigd), de knautiabij (Bedreigd) en de roodrandzandbij (Bedreigd). Van de zandhommel en de roodrandzandbij ligt maar liefst respectievelijk 33 % en 25 % van het gehele Nederlandse verspreidingsgebied in de Biesbosch. Meest waardevol zijn de stroomdalgraslanden en glanshaver-vossestaarthooilanden in de oostelijke helft van de Sliedrechtse Biesbosch en de Noordwaard. Uit literatuuronderzoek blijkt dat hoge dichtheden van honingbijen sterke negatieve effecten hebben op de dichtheden en het reproductiesucces van met name grote solitaire bijensoorten en hommels, in mindere mate op kleine solitaire bijen en zweefvliegen.
Uit verschillende onderzoeken blijkt een afname van dichtheden van wilde bestuivers van circa 40 tot 60 % bij dichtheden honingbijenvolken tussen 8 en 38 per km2. Slechts bij dichtheden onder de 5 volken per km2 bloeiend gewas blijven de negatieve effecten sterk gelokaliseerd. Genoemde waarden hangen mede af van aard en dichtheid van het bloemaanbod. In de Biesbosch was in 2019-2020 sprake van een gemiddelde dichtheid van honingbijenvolken van ten minste 25 per km2 land. Verwacht mag worden dat deze dichtheid aan honingbijen een negatief effect heeft op de dichtheid wilde bestuivers in de Biesbosch van tientallen procenten, met name op grote solitaire bijensoorten en hommels. Daarbij komt dat de bloemsoorten die voor genoemde wilde bijensoorten van belang zijn (wilgen, schermbloemen, beemdkroon) ook graag door honingbijen bezocht worden. Dit betekent dat ook de populaties van (ernstig) bedreigde soorten als
2
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
de zandhommel, de knautiabij en de roodrandzandbij ernstig te lijden kunnen hebben onder deze hoge dichtheden van honingbijen in de Biesbosch. Voor de zandhommel kan reuzenbalsemien als voedselplant aan belang winnen, wanneer het aantal honingbijen fors vermindert. Op grond van het uit de Natura-2000 status voorvloeiende voorzorgsbeginsel, formuleren wij de volgende aanbevelingen: •
•
Breng het aantal honingbijenvolken in de ruime omgeving van de Biesbosch terug tot 4 per km2 bloeiend gewas, dat wil zeggen maximaal 120 volken voor reuzenbalsemien. Met ruime omgeving wordt bedoeld de Biesbosch inclusief een bufferzone van ten minste 3 kilometer en idealiter 5 kilometer. Plaats de honingbijenvolken op een beperkt aantal locaties die alle ten minste 3 kilometer verwijderd zijn van de meest kwetsbare habitats.
3
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Inleiding De Biesbosch is een groot en ecologisch belangrijk natuurgebied, gelegen in de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het gebied is in beheer bij Staatsbosbeheer en kreeg in 1994 de status van Nationaal Park, in 2013 de Natura 2000 status. Daarmee zijn de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000 leidend geworden voor het beheer van het gebied. Aanzienlijke delen van de Biesbosch zijn moeilijk bereikbaar (alleen per boot) en daarmee is het gebied naar Nederlandse maatstaven relatief ongestoord. Dat betekent niet dat er geen invloed van buiten te zien is. Zo’n 60 jaar geleden is de reuzenbalsemien, een exotische plantensoort uit de Himalaya, de Biesbosch binnengedrongen. De soort heeft zich inmiddels op grote schaal in de Biesbosch verspreid. De bloem van de reuzenbalsemien produceert opvallend veel nectar en wordt daarom veel bezocht door hommels, honingbijen en andere insecten. De dracht van de reuzenbalsemien in de nazomer is bekend bij imkers en de laatste jaren is het aantal honingbijenvolken in en om de Biesbosch enorm toegenomen. Dit heeft geleid tot zorg onder natuurbeschermers, met name waar het gaat over de positie van wilde bijen en bestuivers. Hierbij werd gewezen naar een toenemend aantal wetenschappelijke publicaties die wijzen op concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen (inclusief hommels).
Deze zorg heeft geleid tot vragen in de Tweede Kamer (2019Z15628) en ook in de Staten van Zuid-Holland (3652). Op laatstgenoemde vragen heeft het college in Zuid-Holland als volgt geantwoord: ‘De provincie is bezig met het voorbereiden van een opdracht om inzicht te krijgen in de mogelijke gevolgen van de honingbijen op de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen van de Biesbosch en of juridische stappen gezet dienen te worden.’ Dit rapport poogt een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de niet-juridische aspecten van deze vraag. De auteurs hebben gepoogd de wetenschappelijke kennis uit de literatuur zo breed mogelijk in kaart te brengen om deze vervolgens zo specifiek als mogelijk toe te passen op de casus Biesbosch. Dit wordt gedaan zowel vanuit het perspectief van bestuivende insecten als vanuit het perspectief van de reuzenbalsemien. De provincie Zuid-Holland heeft EIS Kenniscentrum Insecten gevraagd om aan de hand van een literatuurstudie antwoord te geven op de volgende twee vragen: •
•
Bij welke intensiteit (bijenvolken) kunnen er mogelijk nadelige ecologische effecten in het Natura 2000 gebied Biesbosch gaan optreden? Maatgevend zijn de Natura 2000 instandhoudingsdoelen en indien relevant algemene overwegingen rond biodiversiteit. Op welke schaal kunnen deze nadelige effecten optreden, naar verwachting (in categorieën ingedeeld). Deze vraag heeft vooral betrekking op algemene biodiversiteit en waar mogelijk ook op instandhoudingsdoelen Natura 2000.
Deze vragen zijn in deze rapportage uitgewerkt in de volgende onderdelen: 1. Literatuurstudie over concurrentie honingbij – wilde bijen, inclusief vlieggedrag van honingbijen. Hierin worden de volgende vraagstellingen onderzocht: • Welke effecten ondervinden wilde bestuivers en andere natuurwaarden van concurrentie met honingbijen? • Welke wilde bestuivers ondervinden het meeste nadeel van concurrentie met honingbijen? • Op welke afstand tot de honingbijenvolken treden nadelige effecten op? • Bij welke dichtheden aan honingbijen treden nadelige effecten op?
4
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
• •
Is er een verband tussen de dichtheid aan honingbijenvolken en de afstand tot de volken waarbij invloed op wilde bestuivers optreedt? In welke tijd van het jaar zijn de effecten van voedselconcurrentie het sterkst?
2. Beoordeling van kwetsbaarheid van de wilde bijenbevolking van verschillende landschaps- / vegetatietypen voor concurrentie van de honingbij. Voor de landschapstypen en vegetatietypen baseren wij ons op kaarten en informatie zoals aangeleverd door relevante partijen, zoals de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant. Voor het vóórkomen van wilde bijen en zweefvliegen in de verschillende deelgebieden baseren wij ons op ons de databestanden van EIS Kenniscentrum Insecten en Waarneming.nl. 3. Advies omtrent dichtheden honingbijenvolken in een bufferzone rond het Natura 2000 gebied De Biesbosch. Dit advies is uiteraard zo veel als mogelijk ondersteund door de uitkomsten van werkpakketten 1 en 2. 4. Beoordeling en advisering reuzenbalsemien in de Biesbosch. De huidige rapportage voorziet in een beoordeling van de impact van honingbijen op de verspreiding van reuzenbalsemien in de Biesbosch. Tevens wordt een advies geformuleerd voor de bestrijding van de reuzenbalsemien, de Natura 2000-doelstelling in het oog nemend. De focus van dit advies ligt op wilde bijen en zweefvliegen. Dit zijn de twee belangrijkste groepen wilde bestuivende insecten, waarvan EIS Kenniscentrum over voldoende kennis beschikt om er een advies over uit te brengen. Bijen zijn extra afhankelijk van stuifmeel, omdat hun larven zich hiermee voeden.
Hoewel ook andere insecten bloemen gebruiken als voedselbron, zijn zij minder afhankelijk van het stuifmeel en juist meer van de nectar waardoor ze bij hoge concurrentiedruk vaak makkelijker kunnen uitwijken naar andere planten. Wilde bijen zijn hier bovendien minder goed toe in staat dan andere insecten omdat zij gebonden zijn aan een nestelplaats en hun foerageerafstand in veel gevallen niet meer dan enkele honderden meters bedraagt (Gathmann & Tscharntke 2002, Peeters et al. 2012). Veel wilde bijensoorten zijn daarnaast door specialisatie op het stuifmeel van bepaalde plantensoorten niet in staat om uit te wijken naar andere planten. De grootste effecten van voedselconcurrentie met honingbijen mogen dus verwacht worden bij wilde bijen. Verantwoording Uitwerking van onderdelen 1 t/m 3 (honingbijen en wilde bestuivers) en de projectleiding lagen in handen van EIS Kenniscentrum Insecten. Onderdeel 4 (reuzenbalsemien) werd uitgewerkt door Naturalis Biodiversity Center.
5
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Opzet en methode Werkgebied en kaartbewerkingen De vraagstelling van dit onderzoek heeft betrekking op het Natura 2000-gebied De Biesbosch. Zoals bekend zijn grote delen van de Biesbosch minder makkelijk toegankelijk. Daarom zijn er minder waarnemingen van wilde bijen en zweefvliegen beschikbaar dan men zou verwachten voor zo’n belangrijk natuurgebied. Om genoemde lacunes in te kunnen vullen, hebben we ook waarnemingen aan aangrenzend gebied in beschouwing genomen. Figuur 1 geeft de gebiedsbegrenzing aan. Kaarten zijn bewerkt met QGIS-software versie 3.16.2-Hannover.
Figuur 1 De Biesbosch: in blauw het werkgebied waaruit de bijenen zweefvliegenwaarnemingen zijn geselecteerd voor de overzichten in deze rapportage. Oranje duidt het omringende stdelijke gebied aan; hieruit zijn geen waarnemingen geselecteerd.
6
Literatuuronderzoek Het doel van het literatuuronderzoek is niet om een uitputtend overzicht te geven van alles wat er bekend is over concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen. De nadruk is gelegd op publicaties die betrekking hebben op West-Europa, omdat hiervan aangenomen mag worden dat de resultaten het meest relevant zijn voor de situatie in de Biesbosch. Verder is vooral gekeken naar studies die kunnen helpen bij het beantwoorden van de vragen zoals in de inleiding geformuleerd. Datasets Er is gebruik gemaakt van bijen- en zweefvliegendata uit de databestanden van EIS Kenniscentrum Insecten (Tabel 1). Deze bevatten ook gegevens afkomstig uit Waarneming.nl en zijn compleet tot en met het jaar 2019. Omdat nog niet alle gegevens uit 2020 beschikbaar waren voor de analyses in deze rapportage zijn uit 2020 alleen voor de meest relevante bijen- en zweefvliegensoorten gebruikt (de soorten die in deze rapportage afzonderlijk besproken worden).
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Tabel 1 Overzicht van de beschikbare gegevens (gevalideerde collectiegegevens en veldwaarnemingen) van bijen en zweefvliegen uit de Biesbosch, zoals gebruikt in deze rapportage.
Bijen Aantal gegevens uit de Biesbosch Aantal soorten Zweefvliegen Aantal gegevens uit de Biesbosch Aantal soorten
Totaal 2022
< 2000 442
2000-2019 1580
110
71
95
2532
1406
1124
111
85
96
7
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Resultaten honingbijen en wilde bestuivers Achtergronden In recente jaren wezen wetenschappelijke publicaties herhaaldelijk op de wereldwijde achteruitgang van insecten (Sánchez-Bayo & Wyckhuys 2019, Wagner et al. 2021). Ook in Nederland blijken de populaties van vliegende insecten in sterke mate afgenomen (Hallmann et al. 2018, 2019). Eén van de insectengroepen die het hardst geraakt worden, zijn de bijen. In Nederland staat 55 % van de beschouwde soorten op de Rode Lijst (Reemer 2018). Recent is ook een sterke achteruitgang van zweefvliegen aan het licht gekomen (Hallmann et al. 2021). Als oorzaken van de achteruitgang van bijen worden vaak habitatverlies door schaalvergroting en intensivering van de landbouw, vermesting, vervuiling en insecticiden (vooral neonicotinoïden) genoemd. Een factor die op lokaal niveau ook een nadelige invloed kan hebben op wilde bijenpopulaties is de aanwezigheid van grote dichtheden honingbijen.
Literatuurstudie De honingbij in Nederland De gedomesticeerde honingbij is de bekendste bij van Nederland. Het is daardoor vaak de eerste soort die aandacht krijgt als de achteruitgang van insecten ter sprake komt. De meer dan 360 soorten wilde bijen zijn bij het publiek minder bekend. Honingbijen genieten de bescherming van speciaal ontworpen bijenkasten en krijgen in de voedselvoorziening meestal hulp van de imker, in de vorm van het (incidenteel) bijvoeren met suikerwater of het naar voedselrijke gebieden verplaatsen van de kasten. In de context van de Biesbosch vindt deze verplaatsing plaats met het oog op het ophalen van nectar door de bijen voor oogsten van honing door de imker. Iedere honingbijenkast herbergt een enkel volk met een koningin. De aantallen honingbijen per volk lopen meestal op tot enkele tienduizenden, waarbij een gezond volk, op zijn hoogtepunt in de zomer, uit 20.000 tot 50.000 individuen bestaat (Andriessen 2011, Van der Steen 2015, www.bijenclub.nl). In voor- en najaar zijn deze aantallen veel lager. Honingbijen worden, al of niet commercieel, gehouden voor de productie van honing. Mede hierom, en om de bestuiving van gewassen die zij kunnen verzorgen (zie volgende paragraaf), zijn het landbouwhuisdieren en als zodanig geen onderdeel van de inheemse Nederlandse natuur.
De huidige in Europa gehouden honingbij is de gedomesticeerde vorm van de westelijke honingbij Apis mellifera, die van origine uit Afrika stamt (Peeters et al. 2012). Onderzoek heeft uitgewezen dat de zwarte honingbij Apis mellifera mellifera al tenminste 4000 jaar geleden in het Verenigd Koninkrijk voorkwam (Carreck 2008). Vermoedelijk is deze echter door inmenging met geïmporteerde uitheemse ondersoorten zowel in het Verenigd Koninkrijk alsook in Nederland geheel verdwenen (Brugge et al. 1998). In welke dichtheden wilde honingbijen voor kunnen komen in Noordwest-Europa is niet precies duidelijk. Jaffé et al. (2010) schatten deze dichtheden in Noordwest-Europa op tussen 0,9 en 3,9 volk per km2. Kohl & Rutschmann (2018) stelden in Duitse beukenbossen een wild levende honingbijenpopulatie vast met een dichtheid van
8
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
0,11-0,14 per km2 Duidelijk is in elk geval dat de dichtheden van gedomesticeerde volken op veel plaatsen vele malen hoger zijn, zo ook in de Biesbosch (zie paragraaf Honing-bijen in de Biesbosch) Vlieggedrag en bestuiving door honingbijen De honingbij is een generalist en bezoekt een zeer breed scala aan plantensoorten, met een voorkeur voor massaal bloeiende planten Dit komt voort uit de sociale structuur en de grootte van de bijenvolken die over een lange periode worden opgebouwd en dus ook voor een lange periode veel bloemen nodig hebben Wanneer een foeragerende werkster een gunstige plek heeft gevonden dan wordt dit door middel van de beroemde bijendans doorgegeven aan andere werksters; dit loont uiteraard alleen bij massaal bloeiende planten en niet bij individuele bloemen Zulke massale ‘dracht’ (bloeiende planten) kan door de honingbijen benut worden om een voorraad aan te leggen in de vorm van honing om de winter te overleven Als er niet voldoende dracht (of ruimte in de nestplaats) is dan doen een bijenvolk dat niet Om te foerageren kunnen honingbijen grote afstanden afleggen naar hun voedselbron Ze kunnen indien nodig bloeiende planten tot op 13 kilometer afstand van het nest bezoeken, vooral om nectar te halen (Ratnieks 2000, Van der Steen 2015), maar meestal ligt de reikwijdte voor stuifmeelvluchten tot zo’n 5 à 6 kilometer, afhankelijk van de beschikbaarheid van
voedsel en de maand van het jaar; in de zomer zijn de afgelegde afstanden groter dan in het voorjaar (Couvillon et al 2015, Van der Steen 2015) In een uniform landschap met gelocaliseerde rijke voedselbronnen (bijv een koolzaadakker in een dennenbos) kan er tot op zeker 4 kilometer massavlucht plaatsvinden De vliegafstand wordt in dat geval uitsluitend bepaald door de afstand van het honingbijenvolk ot de bloemenzee In een uniform landschap van bloemen (bijvoorbeeld een struikheideveld) mag om energetische redenen verwacht worden dat honingbijen zo dicht mogelijk bij de kast blijven, totdat voedselschaarste hen dwingt verder te vliegen (Baveco et al 2016) In een dergelijke situatie hangt de (gemiddelde) vliegafstand af van het aantal honingbijen in het veld en dus van het aantal bijenvolken, wat Smit et al (2021) inderdaad vonden op heidevelden De situatie in de Biesbosch met reuzenbalsemien en andere bloemen is intermediair tussen bovengenoemde extremen De vliegafstanden van honingbijen staan in groot contrast met die van wilde bijensoorten, waarvan veel soorten gespecialiseerd zijn op één of enkele soorten bloemen en zelden bloemen bezoeken op meer dan een paar honderd meter afstand van hun nest (Gathmann & Tscharntke 2002, Peeters et al 2012) Naar aanleiding van de alarmerende berichten over de achteruitgang van honingbijen door onder andere wintersterfte en varroamijt
onderzochten Dijkstra & Kwak (2007) het ecologisch belang van de honingbij Van de 453 onderzochte plantensoorten werden er 57 potentieel negatief beïnvloed als bestuiving door de honingbij weg zou vallen Hierbij werd echter wel opgemerkt dat elk van deze plantensoorten ook werd bezocht door andere bestuivende insecten, die in een natuurlijke situatie de honingbij mogelijk geheel zouden vervangen, waardoor er geen bestuivingstekort zou optreden Het is denkbaar dat wilde insecten lokaal grotere populaties zouden ontwikkelen als de honingbij weg zou vallen, vanwege het daardoor vergrote voedselaanbod (zie paragraaf Voedselconcurrentie) Adriaens & Laget (2008) vulden het plantenonderzoek aan met gegevens van 968 inheemse planten in Vlaanderen en concludeerden dat geen enkele Vlaamse plantensoort voor haar bestuiving exclusief afhankelijk is van de honingbij In gewassen als appel en peer is vastgesteld dat bestuiving door de honingbij alleen een minder goede opbrengst leverde dan wanneer er een hogere diversiteit
9
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
aan wilde bestuivers aanwezig was (Blitzer et al. 2016, Cuijpers & Timmermans 2016). Voedselconcurrentie Stuifmeel en nectar zijn niet onbeperkt voorradig. Bloemen hebben tijd nodig om deze producten aan te maken en bijen hebben tijd nodig om deze in voldoende mate te verzamelen. Een tekort leidt tot minder nageslacht en dit kan uiteindelijk leiden tot het verdwijnen van populaties. De beperkte beschikbaarheid van stuifmeel en nectar veroorzaakt voedselconcurrentie tussen alle soorten bestuivende insecten. Dit is een natuurlijke situatie. Er bestaan echter zorgen over de mate waarin honingbijen concurreren met wilde bestuivers, zoals wilde bijen en zweefvliegen. De honingbij wordt immers in grote volken gehouden en verzorgd door imkers, waardoor ze een ‘oneerlijke’ uitgangspositie hebben ten opzichte van wilde bestuivers. In gebieden waar bijenkasten staan, komt de honingbij in grote aantallen voor. Dit kan de plaatselijke wilde bijenfauna in verdrukking brengen. Een honingbijenvolk bevat, op zijn hoogtepunt, 20.000 tot 50.000 individuen, die elk grootgebracht worden met stuifmeel en nectar. Uit onderzoek van Cane & Tepedino (2016) blijkt dat één volk zo’n 10 kilogram stuifmeel per zomer verzamelt, wat bij benadering gelijkstaat aan zo’n 110.000 porties voedsel om een wilde bij van vergelijkbaar formaat tot volwassen individu te laten uitgroeien.
Dit suggereert dat de aanwezigheid van een bijenvolk theoretisch een grote invloed kan hebben op wilde bijenpopulaties. In hoeverre voedselconcurrentie tussen honingbijen en wilde bijen daadwerkelijk plaatsvindt, is op verschillende manieren onderzocht. Mallinger et al. (2017) geven een uitgebreid overzicht van hetgeen er wereldwijd gepubliceerd is over de effecten van honingbijen op wilde bijen. Uit dat overzicht blijkt dat de meerderheid van de studies negatieve effecten signaleert van honingbijen op wilde bijen: negatief effect in 53 % van de studies, 28 % geen effect en 19 % ‘gemengde’ effecten (deels negatief, deels geen effect). De aard en sterkte van de waargenomen effecten wisselt sterk. Hieronder wordt de literatuur over dit onderwerp samengevat voor zover deze onderzoek in West-Europa betreffen, met inbegrip van publicaties uit de meest recente jaren. Deze informatie wordt hier geordend volgens de vragen zoals geformuleerd onder punt 1 in de Inleiding. Welke effecten ondervinden wilde bestuivers en andere natuurwaarden van concurrentie met honingbijen?
10
•
Er is een negatief verband tussen de nabijheid van honingbijenkolonies en de aanwezigheid van wilde bestuivers op bloemen. Dit verband wordt in diverse onderzoeken in uiteenlopende situaties gevonden (Angelella et al. 2021, Forup & Mammott 2005, Hudewenz & Klein 2013, 2015, Lindström et al. 2016, Ropars et al. 2019, Henry & Rodet 2018, 2020, Smit et al. 2021, Valido et al. 2019).
•
Hudewenz & Klein (2015) stelden experimenteel een negatief verband vast tussen de dichtheden van honingbijen en het reproductiesucces van rosse metselbijen: de metselbijen bouwden minder nestcellen en hadden minder nakomelingen in aanwezigheid van honingbijen.
•
Goulson & Sparrow (2009) stelden in Schotland experimenteel vast dat werksters van aard-, veld-, akker- en steenhommels kleiner waren in aanwezigheid van ho-
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
ningbijen dan in afwezigheid daarvan, met nadelige gevolgen voor het reproductiesucces van de hommelnesten. •
Meeus et al. (2021) stelden vast dat nesten van aardhommels zich op plekken met veel honingbijenvolken minder goed ontwikkelden (d.w.z.w een lagere totale biomassa hadden) dan op plekken zonder honingbijenvolken. Zij schrijven dit effect toe aan voedselcompetitie.
•
In een overzichtsartikel citeerden Wojcik et al. (2018) zes studies waarin een negatief effect van de aanwezigheid van honingbijen op groei en reproductie van wilde bijen is vastgesteld, tegenover één waarin dit effect niet werd gevonden. In drie van deze gevallen hadden de resultaten betrekking op hommels.
•
Hommels veranderen hun foerageergedrag in aanwezigheid van honingbijen. Sommige hommelsoorten gaan op grotere afstand van de honingbijenvolken foerageren of op plekken met een lagere bloemdichtheid. Andere hommelsoorten gaan op andere momenten op de dag foerageren en kiezen andere bloemsoorten uit (Walther-Hellwig et al. 2005, Forup & Mammott 2005).
•
Valido et al. (2019) onderzochten op het Canarische eiland Tenerife of de voedselcompetitie tussen honingbijen en wilde bijen ook gevolgen heeft voor de planten die voor hun bestuiving van insecten afhankelijk zijn. Drie jaar lang onderzochten zij de relaties tussen planten en hun bestuivers bij aan- en afwezigheid van honingbijenvolken. Uit de resultaten blijkt niet alleen dat de diversiteit van wilde bestuivers afneemt bij hogere dichtheden van honingbijen, maar ook dat plantensoorten die veel door de honingbijen worden bezocht een lager reproductiesucces hebben. Deze plantensoorten planten zich dus bij hoge dichtheden van honingbijen minder goed voort, met als gevolg op langere termijn dat de samenstelling van de vegetatie verandert.
Welke wilde bestuivers ondervinden het meeste nadeel van concurrentie met honingbijen? •
In studies waarin verschillende groepen wilde bestuivers werden vergeleken, werd een negatief effect van de aanwezigheid van honingbijen op bloembezoek vooral vastgesteld voor hommels en grote solitaire bijen, evenals voor bloembezoekende kevers. Daarentegen werd bij kleine solitaire bijen (lengte voorvleugel < 5,5 mm) - zoals veel soorten groefbijen Lasioglossum en sommige soorten zandbijen Andrena- en zweefvliegen geen of een veel minder sterk effect gevonden (Lindström et al. 2016, Ropars et al. 2019, Smit et al. 2021, Wignall et al. 2020a).
Op welke afstand tot de honingbijenvolken treden nadelige effecten op? •
Henry & Rodet (2018, 2020) bestudeerden wilde bijen en hun foerageersucces onder verschillende dichtheden van en afstanden tot honingbijenvolken in Franse rozemarijnvelden. Hogere dichtheden van honingbijenvolken waren gecorreleerd met lagere dichtheden van wilde bijen en bovendien met een lager foerageersucces (minder nectar en stuifmeel per individuele bij). Significante effecten op de wilde bijenfauna bleken op te treden tot op afstanden van 900 meter van de honingbijenvolken. Op deze afstand bleek de dichtheid aan foeragerende wilde bijen in het seizoen na plaatsing van de volken met 55 % afgenomen te zijn. Hierbij was sprake van gemiddeld 30 honingbijenvolken per locatie.
•
Ropars et al. (2019) vonden in stedelijke omgeving in Parijs significante afnames van bloembezoek door wilde bestuivers met tussen 40 en 60 % op afstanden van
11
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
1000 meter tot honingbijenvolken (max. 28 volken per locatie). Dit effect was het sterkt voor hommels, solitaire bijen en bloembezoekende kevers. Hierbij moet aangetekend worden dat zij niet gekeken hebben naar grotere afstanden dan 1000 meter. •
Slikboer et al. (2019) vonden op de Doornspijkse Heide (Gelderland) een significant verband tussen de verhouding van dichtheden voor honingbijen en wilde bestuivers met de afstand naar honingbijenvolken. Iedere kilometer verder van honingbijenvolken neemt de verhouding van honingbijen ten opzichte van wilde bestuivers volgens dit model met 32 % af. In totaal was in dit gebied sprake van 231 honingbijenvolken, verdeeld over verschillende clusters op verschillende afstanden van de onderzoeksplots. De dichtheid aan volken in het gehele gebied bedroeg circa 15 per km2 terrein of 40 per km2 struikheidevegetatie. Op basis van deze bevindingen raden Slikboer & Smit (2019) aan om honingbijenvolken op minimaal 1000 meter afstand te plaatsen van kwetsbare plekken met bedreigde bijensoorten.
Bij welke dichtheden aan honingbijen treden nadelige effecten op? •
Ropars et al. (2019) vonden in stedelijke omgeving in Parijs bij een dichtheid van 38 volken per km2 in een straal van 500 meter rond de observatieplek: o afname bloembezoek door wilde bestuivers (samenvoeging van wilde bijen, zweefvliegen, kevers) met 60 %; o afname bloembezoek door grote solitaire bijen met 43 %. Bij een dichtheid van 19 volken per km2 in een straal van 1000 meter rond de observatieplek: o afname bloembezoek door wilde bestuivers met 49 %; o afname bloembezoek door hommels met 45 %.
• Henry & Rodet (2018, 2020) stelden in Franse rozemarijnvelden significante effecten van honingbijenvolken op de wilde bestuiversfauna vast bij dichtheden van 14 honingbijenvolken per km2. Hierbij was sprake van gemiddeld 30 honingbijenvolken per locatie. In vergelijking met de Biesbosch is relevant om vast te stellen dat het bloemaanbod in rozemarijnvelden veel homogener verdeeld is dan in de Biesbosch.
12
•
Valido et al. (2019) vonden op Tenerife dat zowel de soortenrijkdom als de aantallen van wilde bestuivers aanzienlijk lager waren bij een dichtheid van 400 volken in een cirkelvormig gebied met een straal van 4 kilometer (oppervlakte ca. 50 km2), wat neerkomt op 8 volken per km2.
•
Lindström et al. (2016): twee honingbijenvolken per hectare (= 200 per km2; resulterend in velddichtheden van foeragerende 52.200 honingbijen per km2) in koolzaadvelden leidde tot lagere dichtheden van hommels en solitaire bijen. Een dichtheid van 200 volken per km2 resulteerde zelfs in een volledige afwezigheid van solitaire bijen. De mate waarin het effect optrad, hing samen met de grootte van de koolzaadvelden: hoe groter de velden, hoe hoger de dichtheid aan honingbijen en hoe lager de dichtheid aan hommels en solitaire bijen. Bij een veldgrootte van ca. 20 hectare was de dichtheid aan hommels circa twee maal zo laag en was de dichtheid aan solitaire bijen tot nul gereduceerd, in vergelijking met velden zonder honingbijen. Deze effecten leken ook op te treden bij zweefvliegen, maar waren niet significant.
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
•
Meeus et al. (2021) stelden een verminderde ontwikkeling vast van aardhommelnesten op locaties met een gemiddelde dichtheid van 7,6 honingbijenvolken per km2, in vergelijking met een afwezigheid van honingbijenvolken. Dit verschil bedroeg gemiddeld 100 gram per hommelnest.
•
Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) publiceerden het enige ons bekende Europese onderzoek waarin geen significante correlatie werd gevonden tussen variërende dichtheden van honingbijen en de wilde bijenfauna. Zij onderzochten 15 kalkgraslanden gelegen in intensief agrarisch landschap. Het aantal honingbijenvolken binnen een straal van 2 km varieerde per grasland van drie tot 65 (= 0,24 tot 5,2 volken per km2). Ook bij de hoogste dichtheid van 5 volken per km2 vonden zij geen effect op de wilde bijenfauna. Toch raadden zij aan om voorzichtig te zijn met plaatsing van honingbijenvolken in natuurgebieden. Hierbij zou het (door de auteurs zonder bron genoemde) Europese gemiddelde van 3,1 honingbijenvolk per vierkante kilometer niet overschreden moeten worden. Overigens zijn de onderzochte dichtheden van honingbijenvolken in dit onderzoek van Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) lager (max. 5 per km2) dan in de hierboven besproken onderzoeken waarbij wel negatieve effecten werden gevonden (tussen 8 en 38 per km2).
Is er een verband tussen de dichtheid aan honingbijenvolken en de afstand tot de volken waarbij invloed op wilde bestuivers optreedt? •
Smit et al. (2021) vonden voor heideterreinen dat voor een lagere dichtheid honingbijenvolken (0,04 - 0,13 kasten / km2 bloeiende heide) de afstand met waarneembare negatieve invloed op wilde bestuivers (0,7 - 1,7 km) lager is dan bij hoge dichtheden volken (0,4 / km2 bloeiende heide; afstand met negatieve invloed 3 km). Zij ontwikkelen een theoretisch verklaringsmodel hiervoor.
In welke tijd van het jaar zijn de effecten van voedselconcurrentie het sterkst? •
Wignall et al. (2020b) onderzochten seizoensvariatie in concurrentiedruk op proefvelden met lavendel. Door tussen mei en september te variëren met de aan- en afwezigheid van hommels en honingbijen kregen zij een indruk van de variatie in voedselcompetitie gedurende het seizoen. Hieruit bleek dat er vooral in de zomermaanden sprake is van een sterke voedselcompetitie, terwijl deze in het voorjaar en in de herfst minder is. De relevantie van dit onderzoek in lavendelvelden voor de situatie in de Biesbosch is echter twijfelachtig, omdat het bloemaanbod in de Biesbosch minder massief is en er meerdere soorten bloemen met nectaraanbod zijn.
13
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Uitgaande van een gebiedsoppervlakte van grofweg 96 km2 (bron: www.natura2000. nl; dit is inclusief de Noordwaard), waarvan circa 10 % uit water bestaat (grove inschatting op basis van satellietbeelden), betekent dit een gemiddelde minimale dichtheid van 25 bijenvolken per km2 landoppervlakte. Bij een gemiddelde volkgrootte van 30.000 werksters per bijenkast (schattingen lopen uiteen van, 20-30.000 volgens Van der Steen 2015 tot 40-50.000 volgens Andriessen 2011), waarvan gedurende de dag circa 20 % uit de kast komt om te foerageren (Van der Steen 2015), betekent dit een gemiddelde dichtheid van 150.000 foeragerende werksters per km2. In de gehele Biesbosch zou het dan in de zomer dagelijks om 12,7 miljoen foeragerende werksters gaan (waarbij nog meer dan 50 miljoen werksters in de kast aanwezig zijn). Zelfs wanneer slechts een klein deel hiervan vliegt op voor wilde bijen belangrijke voedselplanten, gaat het nog steeds om aanzienlijke aantallen. Belangrijk hierbij is verder om op te merken dat de bijenkasten niet gelijkmatig over de Biesbosch verspreid zijn. Bovendien vliegen honingbijen vaak in grotere dichtheden op plekken met veel voedselaanbod. De dichtheden in de Biesbosch zullen dus zowel in plaats als tijd grote variaties vertonen. Bij een vliegafstand tot 5 kilometer (een gebruikelijke afstand voor honingbijenwerksters volgens Couvillon et al.
2015) blijft er geen enkel deel van de Biesbosch over dat buiten deze actieradius valt. Van der Steen (2015) geeft voor stuifmeelvluchten een maximale afstand van 6 kilometer en voor nectar een afstand van zelfs 13 kilometer. Bij een minder grote vliegafstand van 3 kilometer valt alleen de Kop van de Oude Wiel net buiten het bereik van de bekende bijenkasten (Figuur 3). Bij een grote beschikbaarheid van voedsel op kleine afstand van een bijenkast en bij een uniforme verdeling hiervan, zijn honingbijen geneigd om minder grote afstanden af te leggen. In de Bies-
Figuur 3 Impressie van de ‘invloedssfeer’ van honingbijenlasten in de Biesbosch onder aanname van een foerageerafstand van 3 kilometer.
15
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
bosch is echter geen sprake van een uniforme verdeling van het voedsel, maar meer van concentraties hiervan. De werksters van veel volken zullen daarom waarschijnlijk flinke afstanden afleggen bij hun foerageervluchten.
16
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Wilde bijen in de Biesbosch Onderzoeksintensiteit Wat als eerste opvalt bij het beschouwen van de beschikbare bijengegevens uit de Biesbosch, is dat het gebied slechts matig is onderzocht. Een totaal van 1580 waarnemingen uit een periode van 20 jaar is weinig voor zo’n groot natuurgebied van circa 96 km2. Er zijn 110 soorten bijen bekend, wat een gemiddelde van circa 14 waarnemingen per soort betekent. Dit doet vermoeden dat de bijenfauna nog een stuk rijker is dan nu bekend. Figuur 4 geeft alle locaties weer waarvan bijengegevens bekend zijn. Dit laat zien dat de bijengegevens geconcentreerd zijn in bepaalde delen van het gebied, terwijl andere delen niet of nauwelijks onderzocht zijn. Concentraties van waarnemingen liggen in het Zuid-Hollandse deel bijvoorbeeld rond de Elzen en de Tongplaat en op de Kop van de Oude Wiel. In het Noord-Brabantse deel is onder andere de omgeving van het Biesbosch Museumeiland wat beter onderzocht. De waarnemingen komen vooral uit goed toegankelijke delen en veel minder uit delen die alleen per boot bereikbaar zijn. Bijenfauna In totaal zijn 110 soorten bijen bekend uit de Biesbosch, waarvan er 100 zijn gevonden in de periode 2000-2019 (Bijlage 1). Hieronder zijn 13 soorten van de Rode Lijst (Tabel 2).
De meest bedreigde soorten die in de Biesbosch voorkomen zijn de zandhommel Bombus veteranus (Ernstig Bedreigd), de knautiabij Andrena hattorfiana (Bedreigd) en de roodrandzandbij Andrena rosae (Bedreigd). Met name de zandhommel en de roodrandzandbij hebben een belangrijk aandeel van hun gehele Nederlandse versprei-
Figuur 4 Locaties in de Biesbosch waarvan gegevens van wilde bijen bekend zijn (bron: databestand EIS Kenniscentrum Insecten en Waarneming.nl).
17
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Tabel 2 Bijensoorten van de Rode Lijst die sinds het jaar 2000 in de Biesbosch zijn aangetroffen, met vermelding van het aantal waarnemingen. De laatste kolom geeft aan welk percentage van het Nederlandse verspreidingsgebied in de Biesbosch ligt, gebaseerd op het aantal kilometerhokken sinds het jaar 2000. Ernstig bedreigd Zandhommel Bedreigd Knautiabij Roodrandzandbij Kwetsbaar Weidebij Paardenbloembij Donkere klaverzandbij Halfgladde dwergzandbij Geelstaartklaverzandbij Grote koekoekshommel Rietmaskerbij Bruine rouwbij Bonte wespbij Roodsprietwespbij
Aantal vondsten
% NL areaal in Biesbosch
Bombus veteranus
181
33 %
Andrena hattorfiana Andrena rosae
38 387
4% 25 %
Andrena gravida Andrena humilis Andrena labialis Andrena semilaevis Andrena wilkella Bombus vestalis Hylaeus pectoralis Melecta albifrons Nomada bifasciata Nomada fulvicornis
25 1 2
10 % 2% 1%
2 4 3 2
3% 2% 1% 7%
16 18 12
5% 12 % 4%
dingsgebied in de Biesbosch (Tabel 2). De Biesbosch-populaties van deze soorten zijn daarom van nationaal belang. Ook de populatie van de knautiabij is vanwege zijn geïsoleerde positie ten opzichte van de rest van het Nederlandse areaal van bijzonder belang. Hieronder worden deze drie soorten nader besproken. De overige Rode-Lijstsoorten van de Biesbosch staan in de categorie Kwetsbaar. Van deze soorten komen de weidebij en de bijbehorende parasiet de bonte wespbij op vrij veel plekken voor, wat een indicatie is van de aanwezigheid van bloemrijke graslanden in combinatie met de beschikbaarheid van veel nestelgelegenheid, waarschijnlijk in de vorm van dijken. Zandhommel De zandhommel (Figuur 5) kwam voor 1970 wijd verspreid over Nederland voor, maar is sterk afgenomen en tegenwoordig beperkt tot twee kerngebieden: 1. Tiengemeten en omringende buitendijkse gebieden aan het Haringvliet; 2. de Biesbosch (Figuur 6). De populatie in de Biesbosch omvat een derde van het hele Nederlandse areaal, dus dit gebied mag voor de zandhommel van nationaal belang worden geacht. De vondsten van de zandhommel in de Biesbosch zijn weergegeven in Figuur 7. De meeste waarnemingen zijn afkomstig uit de Noordwaard, een deel van de Biesbosch dat recent ontpolderd is en waar sinds enkele jaren weer overstromingen plaatsvinden.
De zandhommel is hier in 2018 voor het eerst gevonden, waarna gerichte zoekacties aan het licht brachten dat de soort hier wijd verspreid is. Omdat het gebied in het verleden, toen het nog in agrarisch gebruik was, weinig op bijen is onderzocht, is onduidelijk in hoeverre de soort hier vroeger ook al voorkwam. De zandhommel vliegt van eind maart tot in september, met de zomermaanden als topmaanden voor de aantallen foeragerende werksters. Deze blijken in Nederland in de huidige populaties vooral stuifmeel te verzamelen op rode klaver, witte klaver en smeerwortel (84 % van het bemonsterde stuifmeel). Het overige deel van het stuifmeel is afkomstig van vele andere plantensoorten. Het vermelden waard in Biesboschverband is een aandeel van 1,2 % dat afkomstig is van reuzenbalsemien. Bij zandhommelwerksters in de Biesbosch lag dit aandeel op 1,9 %, maar daar is van slechts 7
18
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Figuur 5 (boven) Koningin zandhommel op rode klaver. Figuur 6 (rechts) Vindplaatsen van de zandhommel in Nederland in de periode 2000-2020.
Figuur 7 Locaties in de Biesbosch waar de zandhommel gevonden is in de periode 2000-2020.
20
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Figuur 8 (boven) Vrouwtje knautiabij Andrena hattorfiana op beemdkroon (foto Menno Reemer). Figuur 9 (rechts) Vindplaatsen van de knautiabij in Nederland in de periode 2000-2020.
Figuur 10 Locaties in de Biesbosch waar de knautiabij gevonden is in de periode 2000-2020.
21
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Figuur 11 (boven) Vrouwtje roodrandzandbij Andrena rosae op berenklauw (foto Menno Reemer). Figuur 12 (rechts) Vindplaatsen van de roodrandzandbij in Nederland in de periode 2000-2020.
Figuur 13 Locaties in de Biesbosch waar de roodrandzandbij gevonden is in de periode 2000-2020.
22
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Zweefvliegen in de Biesbosch Onderzoeksintensiteit Het aantal beschikbare zweefvliegengegevens is uit de periode vanaf 2000 met 1117 nog lager dan het aantal bijengegevens. Sinds 2000 zijn in totaal 96 soorten zweefvliegen gevonden. Per soort zijn dus gemiddeld 12 waarnemingen bekend. Figuur 14 geeft alle locaties weer waarvan zweefvliegengegevens bekend zijn. In vergelijking met de locaties van de bijengegevens (Figuur 4) valt op dat er veel minder gegevens uit het Brabantse deel bekend zijn. Daarnaast is te zien dat uit de bosgebieden meer zweefvliegengegevens afkomstig zijn, terwijl in de open gebieden juist meer bijen waargenomen zijn. Een voorbeeld is het bosgebied De Elzen (Eiland van Dordrecht), waar bijen vooral langs de randen zijn gevonden en zweefvliegen vooral midden in het gebied. Zweefvliegenfauna Sinds het jaar 2000 zijn in totaal 95 soorten zweefvliegen in de Biesbosch vastgesteld (Bijlage 2). Van zweefvliegen is geen Rode Lijst beschikbaar, maar in Bijlage 2 is per soort de zeldzaamheid en de mate van bedreiging vermeld op basis van de aanduidingen in Reemer et al. (2009). Onder de sinds 2000 in de Biesbosch aangetroffen zweefvliegsoorten zijn er vier die (zeer) zeldzaam zijn, waarvan er twee als bedreigd of kwetsbaar gelden (Tabel 3). Deze vier soorten worden hieronder afzonderlijk besproken.
Figuur 14 Locaties in de Biesbosch waarvan gegevens van zweefvliegen bekend zijn (bron: databestand EIS Kenniscentrum Insecten).
23
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Tabel 3 Zeldzame en bedreigde soorten zweefvliegen in de Biesbosch in de periode 2000-2020. Bron: databestand EIS Kenniscentrum Insecten.
zomerse glimmer geelbuikplatbek kustplatvoetje zilte langlijf
Orthonevra nobilis Pipiza festiva Platycheirus immarginatus Sphaerophoria loewi
Status zeldzaam zeldzaam / kwetsbaar zeldzaam zeer zeldzaam / bedreigd
Aantal vondsten 2 2 1 1
Zomerse glimmer De zomerse glimmer komt voor in uiteenlopende biotopen, die gemeen hebben dat er bos met zwak stromend water in de buurt is. De volwassen vliegen zijn veel op de bloemen van berenklauw en andere schermbloemen te vinden, evenals op braambloesem. In Nederland komt de soort vooral voor in Limburg en het oostelijke rivierengebied. In de Biesbosch is de soort twee maal aangetroffen: op 1 mei en 10 mei 2009, beide keren in het Brabantse deel aan de noordzijde van het spaarbekken Petrusplaat. Geelbuikplatbek De geelbuikplatbek is een zweefvlieg waarvan de larven zich voeden met wolluizen in gallen op populieren. De volwassen vliegen voeden zich met nectar en stuifmeel op allerlei bloemen, onder andere berenklauw. De vliegen kunnen dus gevonden worden op bloemen in de buurt van populieren. In de Biesbosch is de geelbuikplatbek sinds 2000 twee maal aangetroffen, beide keren in het Zuid-Hollandse deel: in de Hengstpolder en op het Zuidplaatje. Kustplatvoetje Het kustplatvoetje is een zweefvlieg van riet-, zeggen- en biezenvelden in basenrijk, veelal brak water. Op kwelders en langs brakke sloten kan de soort in aantal voorkomen. De volwassen vliegen bezoeken vaak bloemen van grassen, biezen en zeggen. De larven zijn bladluiseters op zeggen. In de Biesbosch is de soort sinds 2000 één maal aangetroffen: in de Hengstpolder in 2004.
Zilte langlijf De zilte langlijf komt voor in riet- en biezenvegetaties bij brak water. De larven zijn bladluiseters en de vliegen bezoeken bloemen van onder andere heen, riet en waterscheerling. De vliegen verblijven doorgaans tussen de uit het water stekende plantenstengels en komen zelden ver van het water. Als gevolg van dit gedrag wordt de soort waarschijnlijk moeilijk opgemerkt op plaatsen waar hij voorkomt (Van de Meutter 2008). In Nederland is de soort slechts van een handvol plaatsen bekend. In de Biesbosch is de zilte langlijf één maal aangetroffen: op de Kop van de Oude Wiel in 2004.
24
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Belangrijke habitats voor wilde bestuivers in de Biesbosch Wilde bijen: lastig in te delen Bijen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van voedsel en een nestelplaats op korte afstand van elkaar. Niet zelden zijn deze elementen onderdeel van verschillende habitats. Een voorbeeld is de roodrandzandbij, die in het voorjaar afhankelijk is van wilgen en in de zomer van schermbloemen (met name berenklauw). Daarnaast nestelt de soort op zuidelijke hellingen van kortbegraasde dijken, waarop deze planten in veel gevallen niet aanwezig zijn. De drie genoemde elementen (wilgen, berenklauwen en dijkhellingen) moeten dus binnen enkele honderden meters (de actieradius van de vrouwtjes) van elkaar aanwezig zijn om een populatie van de roodrandzandbij te kunnen ondersteunen. Deze elementen vallen vaak echter in verschillende habitattypen, zodat op basis van kaartmateriaal niet eenvoudig is vast te stellen welke plekken geschikt zouden kunnen zijn voor de soort. Het zelfde geldt voor veel andere bijensoorten, die elk weer hun eigen specifieke behoeften hebben. Deze eigenschap maakt dat bijen vaak lastig in habitattypen zijn in te delen. In het algemeen kan gesteld worden dat kleinschalige landschappen, waarin veel verschillende kleine structuur- en vegetatietypen op korte afstanden van elkaar aanwezig zijn, waardevol zijn voor wilde bijen.
Van de kleinschaligheid van het landschap in de Biesbosch stond ons echter geen kaartmateriaal ter beschikking. Habitattypen Natura 2000 Bij de aanwijzing van belangrijke habitattypen voor wilde bijen in de Biesbosch is uitgegaan van de Natura 2000-habitattypen zoals gebruikt in het Natura 2000-beheerplan Biesbosch (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer 2017). Deze zijn vermeld in Tabel 4. De kaart met vegetatiestructuurtypen van Zwerver et al. (2017) is minder bruikbaar, omdat hierin verschillende voor bijen waardevolle vegetatietypen zijn samengevoegd met minder waardevolle, zodat deze in de kaart niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een voorbeeld is de samenvoeging van productiegrasland met onder andere stroomdalgrasland. De voor wilde bijen waardevolle habitattypen zijn aangeduid in Tabel 4. Deze typen zijn gekozen op basis van te verwachten bloemrijkdom (hoeveelheid en diversiteit aan bloeiende planten). Hieronder volgt een korte bespreking van deze habitattypen, met het beheerplan van Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer (2017) als belangrijke informatiebron.
Tabel 4 Natura 2000-habitattypen in de Biesbosch. Habitatnummer
Omschrijving
Waardevol voor bijen
H0000
Overig Natura gebied (geen habitattype)
H3260B
Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden)
H3270
Slikkige rivieroevers
H6120
Stroomdalgraslanden
ja
H6430A
Ruigten en zomen (moerasspirea)
ja
H6430B
Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)
ja
H6510A & B
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
ja
H91E0A
Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)
ja
H91E0B
Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
25
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Stroomdalgraslanden - H6120 Kaart: Figuur 15. Stroomdalgraslanden zijn bloemrijke, korte vegetaties op droge grond, die niet vaak overstromen. Door de bloemrijkdom en de droge bodem met spaarzame vegetatie en veel kale plekken zijn het rijke bijengebieden. Dit habitattype (totale oppervlakte 10,6 hectare) is in de Biesbosch beperkt tot het Sliedrechtse deel, voornamelijk tot de rivierduinen en aangrenzende oeverwallen op de Kop van de Oude Wiel. Kleinere delen zijn aanwezig in het Kraaijennest en de Louw Simonswaard. Het stroomdalgrasland in de Biesbosch valt in grote mate samen met de vindplaatsen van de knautiabij Andrena hattorfiana (Figuur 10). Dit komt doordat de voedselplant waarop deze bij is aangewezen, beemdkroon Knautia arvensis, hier in de Biesbosch de grootste groeiplaats heeft. De roodrandzandbij Andrena rosae is enkele malen gevonden het stroomdalgrasland in de Biesbosch, maar populaties van andere bedreigde bijensoorten zijn momenteel niet bekend uit dit gebied. Het gebied is echter nooit grondig op bijen geïnventariseerd en er zijn zeker nog andere bijensoorten van de Rode Lijst te verwachten, zoals de donkere klaverzandbij Andrena labialis en de wikkebij A. lathyri (Peeters et al. 2012). Laatstgenoemde is al gevonden in het nabije Gorinchem (Slikboer 2018). Glanshaver- en vossenstaarthooilanden - H6510A en H6510B Kaart: Figuur 16.
Net als het stroomdalgrasland zijn de glanshaver- en vossenstaarthooilanden in de Biesbosch beperkt tot het Sliedrechtse deel (totale oppervlakte circa 82+40 = 122 hectare). Naast de knautiabij, die in het naastgelegen stroomdalgrasland zijn optimum heeft, zijn de volgende Rode-Lijstsoorten in de Biesbosch in dit habitattype aangetroffen: weidbij Andrena gravida, roodrandzandbij A. rosae, zandhommel Bombus veteranus en bonte wespbij Nomada bifasciata. Waarschijnlijk komen er nog andere bijzonderheden voor die nog niet zijn opgemerkt. Ruigten en zomen (moerasspirea en harig wilgenroosje) - H6430A en H6430B Kaart: Figuur 17. Hier zijn de habitattypen H6430A en H6430B samengenomen. Deze typen komen verspreid door de Biesbosch voor op laaggelegen voormalige rietgorzen, op zeer vochtige tot natte plaatsen. De oppervlakte met zekerheid aan dit type toegewezen gebieden bedraagt 3,7 (moerasspirea) plus 24 (harig wilgenroosje) is 27,7 hectare. Daarnaast is bovendien nog bijna 600 hectare ‘zoekgebied’ aanwezig is die vermoedelijk ook tot deze habitattypen behoort (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer 2017). Deze gebieden zijn in de kaart in Figuur 17 gecombineerd. Op sommige plekken zullen deze vegetaties met name in de zomer bloeiende plantensoorten bevatten die waardevol zijn voor wilde bijen, zoals grote kattenstaart, gewone engelwortel en moerasandoorn.
Vermoedelijk maken bedreigde soorten als de zandhommel en de roodrandzandbij gebruik van deze vegetaties, evenals gewonere soorten zoals de kattenstaartdikpoot en verschillende soorten behangersbijen. Op overgangen naar droger land kunnen braam- en distelruigtes voor diverse andere bijensoorten interessant zijn. Ruigtes zijn ook van belang als nestelplaats van diverse hommelsoorten, waaronder de ernstig bedreigde zandhommel (Smit & van der Jagt 2017). Dit habitattype is dus van belang voor wilde bijen. Het is echter ook zeer verspreid over de gehele Biesbosch aanwezig, in alle kilometerhokken. Voor het gemak gaan we in deze rapportage daarom uit van een min of meer uniforme verspreiding van dit habitattype door het gebied.
26
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) - H91E0A Kaart: Figuur 18. Zachthoutooibossen komen op grote schaal voor in de Biesbosch in de vorm van grote aaneengesloten wilgenbossen met een totale oppervlakte van circa 1660 hectare. De Biesbosch is daarmee het belangrijkste gebied voor dit habitattype in Nederland en mogelijk zelfs in Europa (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer 2017). Dit habitattype is met name belangrijk voor wilde bijen vanwege de in het vroege voorjaar massaal bloeiende wilgen. Vele bijensoorten maken gebruik van deze voedselbron en diverse zijn hier zelfs volledig op gespecialiseerd. Van de Rode-Lijstsoorten in de Biesbosch is de voorjaarsgeneratie van de roodrandzandbij voor zijn stuifmeelvoorziening op wilgen aangewezen. Dit habitattype is dus van belang voor wilde bijen. Het is echter ook zeer verspreid over de gehele Biesbosch aanwezig, in alle kilometerhokken. Voor het gemak gaan we in deze rapportage daarom uit van een min of meer uniforme verspreiding van dit habitattype door het gebied. Dijken Dijken zijn in het vlakke Nederlandse landschap van groot belang voor de bijenfauna. Niet alleen kunnen dijken bloemrijk zijn en zo in de voedselbehoefte van veel bijen voorzien, ook kunnen dijken veel nestelgelegenheid bieden aan in de bodem nestelende bijensoorten. Er stond ons geen kaartmateriaal van de dijken in de Biesbosch ter beschikking.
Dijken zijn echter door het gehele gebied aanwezig, waarschijnlijk in bijna alle kilometerhokken. Voor het gemak gaan we in deze rapportage daarom uit van een min of meer uniforme verspreiding van dijken door het gebied.
27
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Figuur 15 Verspreiding van stroomdalgrasland (habitattype H6120 ) in de Biesbosch.
Figuur 16 Verspreiding van glanshaver-vossenstaarthooilanden (habitattypen H6510A en H6510B) in de Biesbosch.
28
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Figuur 17 Verspreiding van ruigten en zomen met moerasspirea en harig wilgenroosje in de Biesbosch (habitattypen H6430A en H6430B) in de Biesbosch.
Figuur 18 Verspreiding van vochtige alluviale bossen (habitattype H91E0A) in de Biesbosch.
29
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Resultaten reuzenbalsemien Reuzenbalsemien in de Biesbosch Reuzenbalsemien Impatiens glandulifera (Figuur 19, 20) is een eenjarig kruid dat voor zijn voortplanting geheel afhankelijk is van bestuivers. De plant kan 2,5 meter hoog worden en bloeit van juli tot oktober met witte, roze of paarse bloemen die grote hoeveelheden nectar (Chittka & Schurkens 2001) en pollen produceren (Titze 2000). De suikerconcentratie (48 %) is vergelijkbaar met inheemse planten die door hommels worden bezocht (Chittka & Schürkens 2001), maar de soort produceert meer nectar dan inheemse planten, namelijk 11.312 microgram suiker per 24 uur (Figuur 21) (Comba et al. 1999, Raine & Chittka 2007). Reuzenbalsemien sterft af bij de eerste vorst. Gedurende het seizoen worden een grote hoeveelheid zaden geproduceerd. Dit kan tot 2500 zaden per plant bedragen (Clements et al. 2008). Deze zaden zijn maximaal twee jaar kiemkrachtig waardoor de soort geen persistente zaadbank vormt. Natuurlijke verspreiding vindt plaats doordat de zaden wegschieten bij aanraken. Doordat reuzenbalsemien een eenjarige plant is en de zaden maximaal twee jaar kiemkrachtig zijn laat de plant zich makkelijk verwijderen maar de soort kan zich ook makkelijk verspreiden middels wegspringend zaad en de verspreiding van zaad middels stromend water. Reuzenbalsemien komt oorspronkelijk uit het westelijk deel van de Himalaya.
De soort is eind 19e eeuw in Nederland geïntroduceerd en komt in Nederland inmiddels algemeen voor (Figuur 22), onder andere in het stedelijk gebied, bossen, het rivierengebied (uiterwaarden), maar ook langs (spoor)bermen, ruderale terreinen en op oevers (Helmisaari 2010, Matthews et al. 2015, NVWA 2017). De soort groeit op zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot natte, voedselrijke tot zeer voedselrijke grond. Gebieden welke zijn aangetast door mensen zijn voor de soort het meest aantrekkelijk. De plant heeft namelijk open plekken of verstoringen nodig om te kunnen kiemen. Vermoedelijk speelt ook de hogere stikstof beschikbaarheid op deze locaties een rol (Helmisaari 2010). De aanwezigheid van stikstof zorgt ervoor dat reuzenbalsemien goed tegen schaduw kan. De fotosynthese van de plant kan namelijk efficiënter verlopen met meer stikstof waardoor er minder licht nodig is (Andrews et al. 2005).
Figuur 19 Bloem van reuzenbalsemien, bezocht door honingbij. Foto Marlonneke Willemsen.
30
Figuur 20 Reuzenbalsemien in de Biesbosch. Foto Marlonneke Willemsen.
Reemer, Klumpers & Zeegers 2021 Bijen en balsemien in de Biesbosch
Figuur 21 Gemiddelde hoeveelheid suiker per bloem (microgram) die reuzenbalsemien en inheemse planten produceren in 24 uur. Data afkomstig uit Raine & Chittka (2007).
.
31
EIS Kenniscentrum Insecten Naturalis Biodiversity Center
Figuur 22 Verspreiding reuzenbalsemien in Nederland, gebaseerd op waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna 2021.
Invloed reuzenbalsemien op biodiversiteit Biesbosch De invloed van reuzenbalsemien op de inheemse flora en fauna is met name onderzocht in Groot-Brittannië. Studies laten zien dat reuzenbalsemien een sterke, negatieve impact heeft op de diversiteit aan inheemse flora en fauna, met name ongewervelden (Hulme & Bremner 2006). De resultaten van deze studies worden hieronder besproken. In Tsjechië lijkt reuzenbalsemien een minder sterke invloed op de inheemse flora te hebben (Hejda & Pysek 2006, Hejda et al. 2009). Daarnaast kan reuzenbalsemien, bij massaal afsterven erosie veroorzaken. Invloed reuzenbalsemien op diversiteit inheemse flora Reuzenbalsemien kan zowel een direct effect hebben op de inheemse plantengemeenschap, omdat de soort concurreert met inheemse planten om ruimte, licht en nutriënten, als ook een indirect effect doordat de soort concurreert met inheemse planten voor het aantrekken van bestuivers. Direct effect: concurrentie voor abiotische factoren De reuzenbalsemien is de meest competitieve soort van alle Impatiens-soorten. Doordat de soort grote hoeveelheden zaad produceert, welke in het voorjaar tegelijk kiemt, vormt ze snel dichte bestanden. Reuzenbalsemien vormt daarbij hoge, dichte, sterk vertakte monoculturen en concurreert daardoor met inheemse soorten om ruimte, licht en nutriënten.
Alleen meerjarige inheemse soorten met een sterke vegetatieve vermeerdering zijn in staat om reuzenbalsemien te weerstaan, de rest wordt als het ware verstikt door reuzenbalsemien (Helmisaari 2010, Matthews et al. 2015). Hierdoor loopt de soortendiversiteit op locaties waar reuzenbalsemien aanwezig is sterk terug. In Groot-Brittannië is met reuzenbalsemien begroeide gebieden een 25 % afname in inheemse flora waargenomen. Met name lichtminnende soorten zijn hier afgenomen (Hulme & Bremner 2006), hoewel dit in Tsjechië niet altijd het geval is (Hejda & Pysek 2006, Hejda et al. 2009). Daarnaast verandert reuzenbalsemien de samenstelling van de inheemse plantengemeenschap. In plantengemeenschappen waar reuzenbalsemien voorkomt komen