CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

OntwerpBP - Toelichting en regels.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 14 mei 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Stadsas: Ontwerpbestemmingsplan Maasterras - Thema Openbare ruimte (technische sessie)32.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bestemmingen die voorzien in het toedelen van trillingsgevoelige gebouwen worden bij voorkeur voorzien in een zone zonder trillingshinder. 2.3.3

Ambities

2.3.3.1 Spelen, bewegen en ontmoeten In de Omgevingsvisie is de norm gesteld om voor nieuwe projecten voldoende ruimte te reserveren voor speel-/sport- en beweeg- en verblijfsplekken. In de OER is dat vertaald naar een minimale kwaliteit: 3% is ingericht voor spelen, bewegen en ontmoeten) en een optimale kwaliteit wanneer 5% van de bestemming woongebied is ingericht voor spelen, bewegen en ontmoeten voor alle leeftijden binnen 250 meter van woningen en verbonden met groenblauwe routes zonder barrières.

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

23

2.3.3.2 Bodem In de Omgevingsvisie is de ambitie de bodemkwaliteit te verbeteren door deze te koppelen aan natuurlijke momenten zoals herontwikkeling, en aan te sluiten bij het toekomstig gebruik van de locatie. Daarnaast moet verslechtering van de bestaande bodemkwaliteit worden voorkomen. In de OER is deze ambitie vertaald naar een minimale kwaliteit waarbij voldaan wordt aan de wettelijke eisen en een optimale kwaliteit waarbij sanering van vervuilde grond plaatsvindt. Daarbij kan tevens aansluiting worden gezocht bij het rijksbeleid ten aanzien van bodemgestuurd bouwen. Dat wil zeggen dat de staat van de ondergrond mede bepalend is voor de te maken ruimtelijke keuzes. 2.3.3.3 Externe veiligheid De ambities uit de Omgevingsvisie zijn voor het Maasterras vertaald naar een minimale kwaliteit. Binnen de aandachtsgebieden zijn zeer kwetsbare gebouwen en locaties niet toegestaan. Kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen of locaties zijn alleen toegestaan als het groepsrisico maximaal 4 maal de oriëntatiewaarde bedraagt met daarnaast een verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording vindt plaats op basis van het bepaalde in de Omgevingsvisie. In de optimale situatie worden binnen de aandachtsgebieden voor brand en explosie helemaal geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen of locaties toegestaan.

2.3.3.4 Geluid In de Omgevingsvisie is de ambitie uitgesproken dat we bewoners beschermen tegen geluid. Het aspect geluid is gekoppeld aan het beoogde woonmilieu. Voor het Maasterras wordt uitgegaan van een stedelijk woonmilieu. Binnen het stedelijk woonmilieu worden hogere geluidbelastingen op de gevel toelaatbaar geacht, maar zoeken we niet de maximale grens op. Langs randen van rijkswegen, lokale wegen, spoorwegen en industrieterreinen is een hogere geluidbelasting voor de eerstelijns bebouwing onder voorwaarden toelaatbaar. Naast de voorwaarden op woningniveau moet er ook aandacht zijn voor geluidluwe en groene plekken in het openbaar gebied, op korte afstand en goed bereikbaar voor omwonenden. Voor de nadere uitleg van deze voorwaarden verwijzen we naar het beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder (2007). In dit beleid wordt onder andere uitgelegd wat onder een geluidluwe zijde of geluidluwe buitenruimte wordt verstaan. Binnen de gemeente wordt een actualisatie van dit beleid voorbereid. Waar mogelijk wordt in dit plan daar al rekening mee gehouden. In de OER hebben deze ambities vertaling gekregen naar een te halen minimale kwaliteit en een gewenste optimale kwaliteit. Nieuwe woningen Voor de nieuw te bouwen woningen dient allereerst te worden nagegaan of er maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarden.

Gemotiveerd dient te worden dat de geluidgevoelige bestemmingen ter plaatse noodzakelijk zijn en dat de bebouwing niet elders of anders ten opzichte van de bron(nen) kan worden gesitueerd. Als die maatregelen niet doelmatig blijken moeten maatregelen worden getroffen die maximaal inzetten op de optimale kwaliteit (en nooit mogen uitkomen onder de minimale kwaliteit). In OER is de minimale en optimale kwaliteit als volgt uitgewerkt:

Maatregel

Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

Eenzijdig georiënteerde woningen op geluidbelaste locaties

Beperkt

Geen

Geluidluwe zijde

Minimaal 1 te openen deel geluidluw per verblijfsruimte

Minimaal 1 gevel per woning geheel geluidluw

Geen geluidluwe zijde.

Toegestaan mits minimaal een afgesloten buitenruimte (loggia) per woning.

Niet toegestaan.

Geluidluwe buitenruimte

Afgesloten geluidluwe buitenruimte.

Iedere woning heeft de beschikking over een open geluidluwe buitenruimte.

24

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Maatregel

Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

Geluidluwe plek in openbaar gebied

Minimaal 1

Minimaal 1 binnen 300 m van iedere woning

Maximale cumulatieve 70 dB geluidbelasting bij een gevel met 2x een lawaaiige geluidklasse.

65 dB

Bestaande woningen In de OER is als optimale kwaliteit vastgelegd dat de ontwikkeling van het Maasterras en de groei van het autoverkeer maximaal 1 dB geluidsbelasting mag opleveren op de gevels van bestaande woningen (minimale kwaliteit 2 dB). 2.3.3.5 Luchtkwaliteit In de Omgevingsvisie is de ambitie ten aanzien luchtkwaliteit verwoord. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen streven we naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit met zicht op de WHO advieswaarde. In de OER is dat vertaald naar een minimale kwaliteit (WHO advieswaarde 2005) en een optimale kwaliteit (WHO advieswaarde 2021). 2.3.3.6 Trillingen De ambitie ten aanzien van trillingen is om woningbouw binnen de zone van 100 meter van het spoor te voorkomen (optimale kwaliteit). 2.3.4

Onderzoeken

2.3.4.1 Spelen, bewegen en ontmoeten In de OER is onderzocht in welke mate het Masterplan de ruimte biedt voor speel, beweeg- en ontmoetingsplekken. De gemaakte analyse laat zien dan 78% van de woningen binnen 250 meter van de grote groengebieden ligt waar speelvoorzieningen zijn gepland. Daarnaast biedt het Masterplan ruimte voor kleinere speelplekken binnen de ontwikkelvelden en is voorzien in een wandelroute die alle speelplekken met elkaar verbindt. De oversteekbaarheid van de Weeskinderendijk is nog wel een aandachtspunt. 2.3.4.2 Bodem In het door de OZHZ uitgevoerde verkennende bodemonderzoek (bijlage 15) blijkt dat het plangebied op diverse locaties verontreinigingen bevat. De grootste verontreinigingen zijn te vinden ter plaatse van het spooremplacement en het parkeerterrein. In het Masterplan is, rekening houdend met deze verontreinigingen, de woningbouw zoveel mogelijk buiten de aangetroffen verontreinigingen geprojecteerd. Ter plaatse van het spooremplacement wordt een parkeerhub gebouwd en wordt het terrein ingericht als park. Daarmee wordt voorkomen dat er woningen gebouwd worden op vervuilde grond. Sanering is hier te kostbaar. In het deelgebied Parkbuurt (ten noorden van de Weeskinderendijk Zuid) is eveneens sprake van verontreinigingen. In de planvorming is rekening gehouden met sanering dan wel ophoging door een extra leeflaag.

In deelgebied Tuinbuurt worden lichte verontreinigingen verwacht. Door sanering of eventueel integrale ophoging van dit deelgebied met een afdeklaag wordt voorkomen dat gezondheidsrisico's gaan ontstaan. 2.3.4.3 Externe veiligheid In het Masterplan is er voor gekozen de woningbouw niet dichter op het spoor te bouwen dan in de huidige situatie. Ten opzichte van het spoor wordt de huidige voorgevellijn van de woonbebouwing aan de Weeskinderendijk als grens aangehouden. Ten opzichte van de Oude Maas wordt buiten de aandachtsgebieden gebouwd. Voor evenementen is in het Masterplan een terrein aangewezen dat is gelegen binnen het explosie aandachtsgebied. In het onderzoek externe veiligheid (bijlage 13) is onderzocht wat de uitvoering van het Masterplan betekent voor het groepsrisico.

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

25

Door de ruime afstand die wordt aangehouden voor de woningbouw ten opzichte van het spoor neemt het groepsrisico beperkt toe tot 3,3 keer de oriëntatiewaarde. Hiermee wordt voldaan aan de maximum waarde zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie. Er wordt echter gebouwd binnen het explosie aandachtsgebied. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat dit explosie aandachtsgebied wordt aangewezen als een voorschriftengebied waarbinnen de veiligheidseisen uit het besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing zijn (artikel 4.96 BBL splinterwerend glas). In de groepsrisicoberekening is ook verkend wat de invloed van een evenemententerrein tussen het spoor en de eerste lijn bebouwing (in het deelgebied Maaspark) is op het groepsrisico. Bij eendaagse festivals of een jaarlijkse kermis is de impact op het groepsrisico zeer beperkt. Bij regelmatige grotere evenementen neemt het groepsrisico wel significant toe. Een kanttekening bij het voorgaande is dat de beste prognose voor het vervoer over het spoor voor het jaar 2028 is. Als het vervoer zich echter dan over de snelste spoorroute afwikkelt, en het nieuwe spoortracé bij Meteren gereed is, zou het groepsrisico kunnen dalen. Daarentegen zijn in deze prognose de negatieve effecten van de Europeese greendeal en de energietransitie nog niet meegenomen.

Ten aanzien van de A16 is de hoogte van het groepsrisico in de bestaande situatie niet berekend, maar uit de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) volgt dat dit onder de 10% van de oriëntatiewaarde ligt. De toekomstige situatie zal niet voor een overschrijding van het groepsrisico zorgen. Bij waterwegen wordt een vrijwaringszone gehanteerd van 25 meter waarin bouwwerken niet zonder meer zijn toegestaan. Binnen deze zone is geen nieuwe bebouwing voorzien. Het basisnet water projecteert de 106 contour van dit deel van de Oude Maas op de oever. Bij het tot stand komen van het basisnet is voor de Oude Maas bepaald waar de risico's op de hoofdvaarwegen liggen. Nergens lang de as Rotterdam- Lobit is sprake van een benadering van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Er is ook gekeken naar het groepsrisico. In de regeling basisnet zijn transportcijfers opgenomen. Deze zijn sinds 2015 niet gewijzigd. Op basis van deze cijfers is de impact van het basisnet op het groepsrisico bepaald en tegelijkertijd is er een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op het toe te voegen bouwvolume.

De vraagstelling hierbij is: bij welk bouwvolume is er sprake van een toename van het groepsrisico? Uit deze rapportage blijkt dat bij bouwprojecten op 25 meter vanaf de zijkant kade en dubbelzijdige bebouwing van de oevers personendichtheden tot 2000 personen per ha leiden tot een groepsrisico van 0.1 maal de oriëntatiewaarde. Gezien het feit dat de personendichtheden per ha in Dordrecht en Zwijndrecht ver beneden deze waarde liggen blijft het groepsrisico ver beneden de kritische waarden. Concluderend kan worden gesteld dat de ontwikkeling Maasterras ruim voldoet aan de minimale kwaliteit. Voorwaarde is wel dat de spelregels uit de OER (kwetsbare functies binnen 100 meter van het spoor uitsluiten en de 30 meter-zone langs de kade vrijhouden van bebouwing) geborgd worden in het bestemmingsplan. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 13 (onderzoek externe veiligheid). 2.3.4.4 Geluid Nieuwe woningen In de OER is onderzocht of er met bronmaatregelen een stedenbouwkundig plan te ontwikkelen is dat geluidbelastingen in het plangebied zo veel mogelijk terugdringt. Dat heeft een aantal te nemen bronmaatregelen (bouwstenen) opgeleverd die overgenomen zijn in de voorkeursvariant: a. sloop en afsluiting Brugweg; b. geluidvriendelijke verkaveling; c. afschermende bebouwing aan de randen; d. afschermende HUB's langs spoor en A16; e. terugdringen automobiliteit.

Ondanks deze bronmaatregelen zijn de geluidbelastingen vanwege het spoor, de A16, de Dokweg/Laan der Verenigde Naties en de Weeskinderendijk nog steeds fors hoger dan de voorkeursgrenswaarden. Dat betekent dat voor een groot aantal woningen een hogere waarde moet worden vastgesteld met per woning maatregelen om een goed woonklimaat te borgen (geluidonderzoek, bijlage 14). Door aan die hogere waarden voorwaarden te koppelen ten aanzien van geluidluwe gevels, buitenruimte en openbare plekken kan voor alle woningen worden voldaan aan de minimale kwaliteit.

26

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

De OER laat tevens zien dat door een andere uitvoering van het plan een hogere score mogelijk is. De volgende optimalisaties zijn mogelijk: a. stil asfalt op Dokweg/Laan der Verenigde Naties en de Weeskinderendijk Zuid leidt tot 2 tot 4 dB minder geluid; b. afscherming openingen in eerstelijnsbebouwing in het plangebied leidt tot 10 dB minder geluid voor delen van het openbaar gebied; c. een geluidsscherm langs de A16 heeft vooral voor het openbaar gebied en de onderste bouwlagen effect; d. afwaardering milieu-activiteiten industrieterrein Zeehavens: tot 5 dB(A) minder hoge geluidsbelasting; e. meer woningen met een geluidluwe zijde en buitenruimte (ontwerp opgave); Het college is voornemens de maatregelen stil asfalt en geluidsschermen te gaan toepassen. De overige optimalisaties zijn op dit moment nog niet hard vast te leggen. Door één of meerdere optimalisaties uit te voeren kan nog een forse kwaliteitssprong richting optimaal worden gehaald. Bestaande woningen Uit het geluidsonderzoek (bijlage 14) blijkt dat de ontwikkeling van Maasterras niet leidt tot een toename van meer dan 1 dB op de gevel van bestaande woningen. 2.3.4.5 Luchtkwaliteit De concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof voldoen aan de WHO-advieswaarden van 2005 (minimale kwaliteit). Het gemiddelde over het plangebied ligt ongeveer midden tussen de minimale en optimale kwaliteit.

Het luchtkwaliteitsonderzoek (bijlage 12) laat zien dat er verschillen zijn binnen het plangebied. Voor alle stoffen geldt dat de concentraties dicht bij de A16 en de Laan der Verenigde Naties het hoogst zijn. Het autoverkeer heeft een grote invloed op de luchtkwaliteit. Dat is ook te zien aan de concentraties in de noordoosthoek, waar geen drukke wegen in de directe omgeving zijn. De concentraties liggen hier zo'n 10 tot 20% lager dan bij de rekenpunten langs de A16. De effecten op de omgeving zijn overwegend positief. De verschuiving van verkeer naar het hoofdwegennet leidt tot afname van luchtverontreiniging in het stedelijk gebied. Alleen op toeleidende wegen langs de A16 zijn toenames tot 0,2 ug/m3 berekend. De lokale luchtkwaliteit dient een rol te spelen in de locatiekeuze voor zeer kwetsbare functies. Kinderdagverblijven, basisscholen en verzorgingstehuizen dienen bij voorkeur niet langs drukke wegen gesitueerd te worden. Een buffer van 200 meter voor de A16 en 100 meter voor de Laan der Verenigde Naties geldt als spelregel voor luchtkwaliteit. 2.3.4.6 Bedrijven en milieuzonering Uit de onderzoeken van DCMR en OZHZ (bijlage 16 en 17) blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven zijn met een milieucategorie die belemmeringen kunnen opleveren voor de geprojecteerde woningbouw.

De bestaande bedrijven binnen het plangebied zullen alle binnen de planperiode verdwijnen. 2.3.5

Participatie

Ten aanzien van gezondheid zijn onder andere de volgende reacties ontvangen en afgewogen:  Het zeehavenbedrijf Dordrecht vraagt aandacht voor een integrale afweging van alle omgevingsaspecten, de inpassing van woningbouw binnen de geluidszone industrielawaai, inclusief piekniveau's, ten aanzien van scheepvaartlawaai.  Door het Havenbedrijf Rotterdam wordt aandacht gevraagd voor de planologische ruimte van de bedrijven in de Zeehaven en de effecten externe veiligheid. In dit plan, en met name in de OER, zijn de effecten in beeld gebracht. Fase 1 kan - los van de discussie stamlijn - zonder negatieve effecten voor de bestaande en planologische mogelijkheden uitgevoerd worden. Voor fase 2 dient hier nog een nadere afweging plaats te vinden zoals beschreven in de OER.  Door de Veiligheidsregio Zuid Holland Zuid is aandacht gevraagd voor de inpassing van de stamlijn. In dit bestemmingsplan is dit gedaan en is de afweging gemaakt de stamlijn niet te handhaven in zijn huidige vorm.

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

27

De fietsersbond betoogd dat milieukwaliteit een meer sturende en corrigerende rol moet krijgen. Met name inzet op minder groei van het autoverkeer en daarmee verbetering van de luchtkwaliteit. Streven naar WHO 2021 norm maar terugvallen op de WHO 2015 norm vinden zij daar een schrijnend voorbeeld van. Te veel nadruk op woningbouw en economie levert een gekleurde beoordeling op. Effecten op de luchtkwaliteit vanwege de tunnelmond A16 beter in beeld brengen met varianten. Tevens elders binnen het plangebied de luchtkwaliteit in beeld brengen. De reactie van de fietsersbond heeft er mede toe geleid dat gevoelige functies waar mogelijk op locaties zijn gepland waar de luchtkwaliteit beter is dan gemiddeld.  Door Rijkswaterstaat wordt aandacht gevraagd naar mogelijke bijkomende risico's op het gebied van externe veiligheid bij het al dan niet overkluizen en/of verleggen van de aansluitingen van de A16 en de effecten van de regeling basisnet Oude Maas, onder andere de mogelijke toename van bv chloridetransporten over water, zoals in lijn met benoemde ontwikkelingen in 'NOVEX Rotterdamse Haven'. Ten aanzien van het basisnet is een aanvullende passage opgenomen in paragraaf 2.3.4. Als het gaat om de overkluizing of verlegging van aansluitingen dan betekent dit dat ook de aandachtsgebieden kunnen meeschuiven. Dat is in dit bestemmingsplan voor fase 1 nog niet aan de orde.

De 1e Novex is nog niet uitgebracht, dus wordt daar nu nog geen rekening mee gehouden. Er zouden dan minimaal transportaantallen bekend moeten zijn voor de bepaling van het groepsrisico. Dit is niet het detailniveau van Novex. Daarbij wordt het groepsrisico beoordeeld aan de hand van aandachtsgebieden. Er wordt nu rekening gehouden met deze aandachtsgebieden. Niet alleen door het vrijhouden van het brandaandachtsgebied, en het eisen van afschakelbare luchtbehandeling maar ook in relatie tot het aantal binnen het gebied aanwezige personen. Er moet wel heel erg veel transport over water plaatsvinden voordat het groepsrisico tot boven vier maal de oriëntatie waarde stijgt. Het huidige niveau ligt ver beneden de 1 maal oriëntatiewaarde. De reactie van Rijkswaterstaat vormt op dit moment geen aanleiding voor nader onderzoek.  Voor geluid en de geluidschermen ontvangt Rijkswaterstaat graag het akoestisch onderzoek met onze beoordeling en nader uitgewerkte maatregelen. In reactie hierop zullen deze stukken wordt toegestuurd, zoals ook toegezegd in de expertsessie geluid die met Rijkswaterstaat heeft plaatsgevonden. 2.3.6 Vertaling in dit bestemmingsplan Voor het doel gezonde stad komt de OER uit op de volgende score, met nog mogelijkheden voor optimalisatie, met name voor geluid.

De rode lijn geeft de minimale score aan die is gedefinieerd op basis van de ambities in de Omgevingsvisie.

Om te borgen dat deze score ook echt gehaald gaat worden bij de uitvoering van dit bestemmingsplan zijn regels opgesteld. Hieronder worden deze per subdoel aangegeven. 2.3.6.1 Spelen, bewegen en ontmoeten  Het Masterplan zet in op hogere kwaliteit dan minimaal. Om die kwaliteit ook te halen zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen die dit moeten borgen. Bij de inrichting van het openbaar gebied dient uit het stedenbouwkundig plan (als aanvraagvereiste bij de omgevingsvergunning) te blijken dat voldaan wordt aan de inrichtingseisen voor speel- beweeg- en ontmoetingsplekken (artikel 9.5 van de regels). 2.3.6.2 Bodem  In deelgebied Maaspark (Groen - Park 1) is het verboden om zonder omgevingsvergunning bodemroerende activiteiten uit te voeren. 2.3.6.3 Externe veiligheid  Binnen het brand aandachtsgebied zijn geen (beperkt-) kwetsbare gebouwen en activiteiten toegestaan. De eerstelijns bebouwing wordt op afstand toegestaan.  Geen zeer kwetsbare gebouwen binnen aandachtsgebied explosie.  Kwetsbare gebouwen zoals woningen worden alleen op afstand toegestaan.  Het explosie aandachtsgebied wordt aangewezen als explosie voorschriftengebied.  Geen grootschalige evenementen op het evenemententerrein.  Binnen het gifwolkaandachtsgebied zijn geen regels opgenomen in dit bestemmingsplan. Het

28

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Besluit bouwwerken leefomgeving stelt hiervoor generieke eisen. Bij de stedenbouwkundige uitwerking van het openbaar gebied zal overleg met de Veiligheidsregio plaatsvinden (de omgevingstafel). Dit kan leiden tot maatregelen op het gebied van beheersbaarheid en zelfredzaamheid zoals bij de toegang tot het spoor, bluswater eisen ten aanzien van het evenemententerrein en tweezijdige toegang en vluchtwegen. Zie artikel 13.5 van de regels. 

2.3.6.4 Geluid  In de regels zijn diverse eisen opgenomen voor geluid, onder andere de minimale bouwhoogte voor afschermende bebouwing, de fasering van woningen, maximale hogere waarden en eisen aan geluidluwe zijden, buitenruimten en woningindeling (zie artikel 9.2.4 van de regels). In het op te stellen stedenbouwkundig plan (aanvraagvereiste bij omgevingsvergunningen) zal aangetoond moeten worden hoe aan deze eisen kan worden voldaan.  Voor de maatregelen stil asfalt en geluidsscherm zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen in artikel 9.3 van de regels. 2.3.6.5 Luchtkwaliteit  In de regels is opgenomen dat gevoelige functies niet in de nabijheid van drukke wegen mogen worden geprojecteerd (artikel 13.4 van de regels). 2.3.6.6 Trillingen  De bestemming Woongebied is geprojecteerd op grotere afstand dan 100 meter van het spoor.

2.4

Vestigingsklimaat

In de omgevingsvisie is als doel gesteld dat Dordrecht een uitstekend vestigingsklimaat heeft. Het doel vestigingsklimaat kent de volgende twee omgevingsaspecten die in deze paragraaf onderzocht zijn:  behoud werkgelegenheid;  de mix tussen wonen en werken. 2.4.1 Huidige situatie In de huidige situatie is een belangrijk deel van het plangebied nu nog bestemd voor bedrijven. Daarnaast loopt door het plangebied een goederenspoorlijn. Het betreft een stamlijn die vanaf het hoofdspoor parallel aan de Laan der Verenigde Naties naar de Zeehaven loopt. In de huidige situatie is de bestemming voor de stamlijn voor een deel al komen te vervallen met de vaststelling van het bestemmingsplan 1e herziening Weeskinderendijk-Laan der Verenigde Naties, locatie Dokweg, vastgesteld op 14 april 2020. In dit bestemmingsplan is het gebruik van de stamlijn ter plaatse van het oude tankstation niet geregeld in het bestemmingsplan en geldt hier het overgangsrecht. Voor een beeld van de huidige bedrijvigheid in het plangebied is het aantal banen per bedrijfscategorie in onderstaande tabel weergegeven

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

29

2.4.2

Wettelijke kaders

De Verordening Ruimte van de provincie Zuid Holland bepaalt in artikel 6.12 dat: "Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in het eerste of tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van het bedrijventerrein zal plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden." 2.4.3

Ambities

Vanuit het doel uitstekend vestigingsklimaat is voor het Maasterras de ambitie te komen tot een goede mix tussen wonen en werken volgens de typologie "metropolitaan wonen", zie hiervoor het advies van de afdeling economie (bijlage 18). Voor fase 1 betekent dit dat naast wonen voldoende ruimte voor werkgelegenheid en voorzieningen wordt geboden. Naast basisvoorzieningen is er bij voorkeur ook ruimte voor andere werkgelegenheid. In de OER is daarnaast de ambitie gesteld dat bestaande bedrijven en werkgelegenheid, die nu in het plangebied aanwezig zijn, behouden blijven. Minimaal binnen de regio en optimaal binnen de gemeente. 2.4.4

Onderzoeken

In het Masterplan is een stedenbouwkundige programmatische uitwerking gemaakt die gebaseerd is op het gewenste programma vanuit economie. Dat programma laat zien dat er binnen Maasterras voldoende mogelijkheden zijn om de typologie metropolitaan wonen te ontwikkelen. Het Masterplan laat ook zien dat de stamlijn niet in te passen is binnen de stedenbouwkundige structuur. Vanuit woonkwaliteit en verkeersveiligheid is het goederenvervoer direct langs de wijk niet wenselijk. De gemeente gaat in overleg met alle betrokken bedrijven op zoek naar alternatieven, waarbij onder andere wordt gekeken naar de grondslag van het gebruik van de stamlijn (in relatie tot het feitelijke gebruik). Tot die tijd kan de stamlijn grotendeels op basis van het overgangsrecht in gebruik blijven (voor zover aan de orde). Vóór vaststelling van het bestemmingsplan door de raad moet duidelijkheid over het voorgaande zijn en zal ook een termijn worden bepaald hoelang de stamlijn nog in zijn huidige vorm kan blijven functioneren.

30

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Ter toetsing van het provinciaal beleid is de notitie compensatie bedrijven Maasterras opgesteld (bijlage 19). Op basis van de notitie gaat de gemeente binnen het eigen grondgebied 3 hectare bedrijventerrein beschikbaar stellen om bestaande bedrijvigheid in het plangebied uit te plaatsen. Voor de busremise van Qbuzz zal een nieuwe plek gevonden moeten worden, tot die tijd kan Qbuzz op de huidige locatie blijven op basis van het overgangsrecht. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan zal de nieuwe locatie zijn aangewezen. 2.4.5

Participatie

Het Havenbedrijf Rotterdam geeft aan ook de planologische ruimte van de bedrijven in het Zeehavengebied te betrekken bij de planvorming. Aandacht wordt gevraagd voor de belangrijke functie van de stamlijn. Door het Zeehavenbedrijf Dordrecht wordt verzocht om de eventuele invloed van de plannen op het vestigingsklimaat en de bestaande bedrijfsuitoefening inclusief toekomstige ontwikkeling op de aangrenzende industriegebieden met eventuele planschade in beeld te brengen. Deze reacties zijn betrokken bij de OER en zullen in fase 2 (buiten het plangebied) nog een nadere afweging van de diverse belangen vragen. Voor fase 1 (dit bestemmingsplan) zijn de effecten op het vestigingsklimaat met name aan de orde als het gaat om het verdwijnen van de stamlijn naar de Zeehaven. De OER en het bestemmingsplan laten hier het belang van de woningbouw zwaarder wegen dan het belang van een goed vestigingsklimaat. Om de effecten hiervan in beeld te brengen is onderzoek gedaan naar de verwachte planschade. 2.4.6

Vertaling in dit bestemmingsplan

Voor het doel uitstekend vestigingsklimaat komt de OER uit op de volgende score.De rode lijn geeft de minimale score aan die is gedefinieerd op basis van de ambities in de Omgevingsvisie.

Met name het verdwijnen van de stamlijn zorgt voor een lagere score. Mocht hier een alternatief voor gevonden worden dan is een score richting optimaal mogelijk. Om te borgen dat deze score ook echt gehaald gaat worden bij de uitvoering van dit bestemmingsplan zijn de volgende regels opgesteld:  In het bestemmingsplan wordt ruimte geboden om naast wonen ook basisvoorzieningen en overige werkgelegenheid te realiseren.  De stamlijn, voor zover die als zodanig is bestemd, wordt in dit bestemmingsplan wegbestemd. Op basis van het overgangsrecht mag de stamlijn (grotendeels) nog tot een nog nader te bepalen datum blijven functioneren.  De compensatie van de bestaande bedrijven dient vóór de vaststelling van het bestemmingsplan te zijn geborgd. In overleg met de provincie worden hier afspraken over gemaakt.

2.5

Klimaat en water

In de Omgevingsvisie is de ambitie neergelegd klimaatbestendige stad in 2035 is. Om dit te bereiken worden volgende subdoelen gesteld:  Dordrecht is in 2035 een zelfredzaam eiland;  Versterking van de robuuste groenblauwe structuur tot aan de voordeur;  Klimaatadaptief bouwen. Het doel klimaatbestendige stad kent de volgende relevante omgevingsaspecten die in deze paragraaf onderzocht zijn:  waterkeringen;  waterveiligheid;  waterberging en waterkwaliteit;  hittestress;  grondwater en bodemzetting. 2.5.1 Huidige situatie 2.5.1.1 Waterkeringen

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

31

In het plangebied zijn drie waterkeringen aanwezig:  Primaire waterkering Weeskinderendijk;  Kanteldijk A16;  Secundaire waterkering A16 Voor een nadere toelichting zie bijlage 2 (foto van de leefomgeving). 2.5.1.2 Waterveiligheid Het plangebied is deels binnendijks (Tuinbuurt) en deels buitendijk (Parkbuurt en Maaspark). Het buitendijkse gebied ligt relatief hoog tussen NAP +2,0 m en NAP +4,0 m. Overstromingsrisico’s zijn in het Maasterras niet uit te sluiten. De gemeente Dordrecht heeft op basis van simulaties geconcludeerd dat een snelle evacuatie uit het binnendijkse gebied in het geval van overstromingsgevaar niet haalbaar is. In geval van crisis streeft de gemeente naar een 'verticale evacuatie’. Dit betekent dat er voldoende mogelijkheid moet zijn om naar een hogere, droogblijvende verdieping te evacueren. Voor een nadere toelichting op de huidige situatie zie de foto van de leefomgeving opgenomen in bijlage 2. 2.5.1.3 Waterberging en waterkwaliteit Bij extreme neerslag ontstaat in het plangebied wateroverlast. Voor de waterkwaliteit in het gebied is geen gebiedsdekkend beeld beschikbaar. Uit onderzoeken naar verontreinigingen rond het spooremplacement blijkt dat op die locatie en richting het zuiden lichte verontreinigingen aanwezig kunnen zijn. Voor een nadere beschrijving van de huidige situatie wordt verwezen naar bijlage 2 (foto van de leefomgeving).

2.5.1.4 Hittestress Het gebied van het Maasterras is sterk versteend, maar bevat ook enkele groene clusters. De versteende gebieden hebben te maken met een stedelijk hitte-eilandeffect (hittestress) met een extra verhoging tot ongeveer 1,8 graden Celsius. In de groene clusters blijft de mate van hittestress beperkt tot een verhoging van ongeveer 1 graad Celsius. Voor een nadere toelichting voor de huidige situatie zie bijlage 2 (foto van de leefomgeving). 2.5.1.5 Grondwater en bodemzetting De gemiddelde hoogste grondwaterstand in het plangebied ligt rond 1 meter onder maaiveld. In het zuidelijk deel van het plangebied ligt het grondwater op sommige plekken nog iets hoger. Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of een (beschermingsgebied van) een waterwingebied. Voor een nadere toelichting zie bijlage 2 (de foto van de leefomgeving). 2.5.2

Wettelijke kaders

Voor klimaat en water zijn diverse wettelijke kaders aanwezig.  In het Besluit ruimtelijke ordening is de watertoets voorgeschreven.  Binnen het plangebied geldt de keur van waterschap met diverse beperkingen ten aanzien van het bouwen in waterkeringen of langs hoofdwatergangen.  Langs de oude Maas ligt een vrijwarringszone, met het oog op het duurzaam functioneren van de rivier.  Gemeente Dordrecht heeft het convenant klimaatadaptief bouwen Zuid Holland ondertekend.  In de provinciale Verordening Ruimte is bepaald dat in een bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; e. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling; Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's.

32

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Het waterschap heeft een nieuwe beleidsregel in voorbereiding voor de compensatie van versnelde afvoer door de aanleg van nieuwe verharding (14% in plaats van 10%). Deze regel geldt voor vergunningen na 1-1-2024. Dit geldt alleen binnendijks. 2.5.3 Ambitie In de Omgevingsvisie is voor de Dordtse spoorzone bepaald dat nieuwbouw- en herstructureringslocaties klimaatadaptief moeten worden ingericht. Hieronder is dat per deelaspect nader uitgewerkt. 2.5.3.1 Waterkeringen Het waterschap zet in op behoud en waar mogelijk versterking van de waterkerende dijken in het plangebied. Op dit moment is er geen concreet voornemen tot versterking van de waterkeringen in het plangebied. Bij aanpassingen aan de waterkering geldt een vergunningplicht en zullen eisen gesteld worden aan de stabiliteit. 2.5.3.2 Waterveiligheid In de OER is het doel klimaatneutraal in 2035 voor het plangebied Maasterras vertaald naar een minimale en optimale kwaliteit. Overigens zal in de actualisatie van de Omgevingsvisie het jaartal 2035 bijgesteld worden naar 2040. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

De gebouwen in het buitendijkse gebied zijn hoog en/of droog en stevig en hebben een (al dan niet provisorische) toegang bij een waterstand in de Oude Maas van NAP + 3,45 m.

De gebouwen in het buitendijkse gebied zijn hoog en/of droog en stevig en hebben een (al dan niet provisorische) toegang bij een waterstand in de Oude Maas van NAP + 4,45 m.

Voor het binnendijkse gebied geldt de eis dat 60% van de gebouwen toegang heeft tot een verblijfsruimte hoger dan NAP + 4,45 m.

Voor het binnendijkse gebied geldt de eis dat 60% van de gebouwen toegang heeft tot een verblijfruimte hoger dan NAP +4,45 m. Het plangebied biedt aanvullend ruimte om evacuees uit lager gelegen delen van de stad op te vangen. Gebouwen en vitale infrastructuur dienen hiervoor geschikt te zijn.

2.5.3.3 Waterberging en waterkwaliteit Voor waterberging wordt een onderscheid gemaakt naar het binnendijkse en het buitendijkse gebied. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

Voldoen aan de eisen voor hevige regenbui (70 Voldoen aan de eisen voor extreme regenbui mm): er mag geen grote schade ontstaan aan (90 mm): er mag geen schade ontstaan aan de de gebouwde omgeving. gebouwde omgeving. Binnendijks geldt de eis om minimaal 50 mm Buitendijks voorziet het plan in maatregelen om waterberging te realiseren en water vertraagd af de kwaliteit van afstromend hemelwater richting te voeren. Buitendijks kan hemelwater de Oude Maas te verbeteren. oppervlakkig afstromen. Ten aanzien van waterkwaliteit zijn nog geen concrete ambities benoemd. 2.5.3.4 Hittestress Voor hittestress wordt aangesloten bij de algemene ambitie om binnen het plangebied 40% groenblauw te realiseren (en 30% van de bestemming woongebied). Als dat groenblauw kwalitatief wordt ingericht, rekening houdend met eisen voor biodiversiteit, zal dit ook bijdragen aan het tegengaan van hittestress. Binnen de gemeente wordt wel gewerkt aan nadere regels voor het tegengaan van hittestress. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

30% van de bestemming Woongebied is groenblauw ingericht.

Uitbreiding naar 40% groenblauw, met 30% schaduw op speel-, beweeg- en ontmoetingsplekken, fiets- en wandelpaden op

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

33

dag met hoogste zonstand (21 juni). Bij de optimale kwaliteit zal ook de toepassing van de 3-30-300-3000 regel mogelijk zijn. Dat wil zeggen:  3 bomen in het zicht bij iedere woning;  30% boomkroonbedekking;  300 meter tot het dichtstbijzijnde park;  3000 meter lange routes voor sportief bewegen in ieder gebied (al uitgewerkt in het Masterplan). 2.5.3.5 Grondwater en bodemzetting Voor grondwater is in de OER de minimale en optimale kwaliteit als volgt beschreven. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

De inrichting van het plangebied is infiltratiepositief (circa 50% van de jaarneerslagsom infiltreert in de bodem, afhankelijk van bodemtype)

De (grond)waterpeilen in het plangebied en de omgeving en de zoetwaterbeschikbaarheid zijn sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het gebied. Bij het ontwerp en de inrichting wordt ingezet op drinkwaterbesparing, regenwaterbenutting en verbetering van de waterkwaliteit. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte.

Voor bodemzetting is in de OER de minimale en optimale kwaliteit als volgt beschreven. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

Schade door bodemdaling blijft beheersbaar door gebiedsspecifieke keuze van de restzettingseis waarvoor de maatregelenset over de ontwerplevensduur het meest kosteneffectief is. Parameters worden gemonitord over een periode van tenminste 10 jaar.

Aanvullend: De natuurlijke draagkracht van de bodem is mede sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied

2.5.4

Onderzoeken

2.5.4.1 Waterkeringen In overleg met het waterschap is nagegaan hoe bij de geplande woningbouw in het Masterplan rekening kan worden gehouden met de waterkering in het plangebied. Woningbouw en sloopwerkzaamheden ten behoeve van de woningbouw wordt mogelijk geacht, maar vraagt nader (technisch) onderzoek. Met het waterschap is de afspraak gemaakt dat werkzaamheden in of in de nabijheid van de waterkering pas zullen plaats vinden als deze in overeenstemming zijn met een op te stellen waterhuishoudkundig plan. Gemeente en waterschap zullen dit plan gezamenlijk gaan opstellen. Daarbij wordt tevens nagegaan of verbreding en/of verhoging van de huidige waterkering mogelijk is. 2.5.4.2 Waterveiligheid Voor het Maasterras is onderzocht of het buitendijkse gebied ingericht kan worden als schuillocatie. In het Masterplan is dit nader uitgewerkt. Door een verdere ophoging van het buitendijkse gebied, met name Parkbuurt, kan dit dienen als schuillocatie bij extreem hoge waterstanden. Dit deel van het plangebied kan dan ook als schuillocatie dienen voor deelgebied Tuinbuurt, dat binnendijks is gelegen. De buitendijkse toegang ligt op tenminste NAP +3,7 à 3,8 m, en kan met een beperkte ophoging tot NAP +4,0 m functioneren als schuillocatie. In aanvulling hierop worden extra eisen gesteld aan het energienet en de riolering.

Voor de binnendijkse gebieden heeft tenminste 60% van de woningen een verblijfsruimte boven NAP +4,5 m (aanbeveling voor minimale kwaliteit). 2.5.4.3 Waterberging en waterkwaliteit Het Masterplan is nog niet uitgewerkt tot het niveau van waterberging. De eisen ten aanzien van waterberging zullen randvoorwaardelijk worden gesteld bij de stedenbouwkundige uitwerking van de deelgebieden. Vertrekpunt daarbij zijn de minimale eisen uit de OER, waarmee tevens wordt voldaan aan de wettelijke eisen zoals onder andere vastgelegd in het convenant klimaatadpatief bouwen. 34

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

2.5.4.4 Hittestress De proefverkaveling uit het Masterplan laat zien dat de eis van 30 % groenblauw binnen de ontwikkelveld (bestemming Woongebied) gehaald wordt en dat voor het gehele plan meer dan 40% wordt gehaald. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zal duidelijk worden of ook aan de eis van 30% schaduw kan worden voldaan. 2.5.4.5 Grondwater en bodemzetting Op basis van de leidraad 'bouw adaptief' zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd.  Schade door bodemdaling blijft beheersbaar door gebiedsspecifieke keuze van de restzettingseis waarvoor de maatregelenset over de ontwerplevensduur het meest kosteneffectief is.  De natuurlijke draagkracht van de bodem is mede sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied.  De (grond)waterpeilen in het plangebied en de omgeving en de zoetwaterbeschikbaarheid zijn sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het gebied. Bij het ontwerp en de inrichting wordt ingezet op drinkwaterbesparing, regenwaterbenutting en verbetering van de waterkwaliteit. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. 2.5.5

Participatie

De Veiligheidsregio Zuid Holland Zuid vraagt aandacht voor de vrijwarringzone (gedeeltelijk 30 meter in plaatse van 25 m). Deze aanbeveling is overgenomen in dit bestemmingsplan. De resultaten van het overleg met het Waterschap zijn meegenomen in de eisen gesteld in dit bestemmingsplan. 2.5.6

Vertaling in dit bestemmingsplan

Voor het doel klimaatbestendige stad komt de OER uit op de volgende score. Met name de inrichting van het buitendijkse gebied als schuillocatie bij overstromingen, ook voor de directe omgeving van het Maasterras, draagt positief bij aan deze score. De rode lijn geeft de minimale score aan die is gedefinieerd op basis van de ambities in de Omgevingsvisie.

2.5.6.1 Waterkeringen De waterkering, met bijbehorende keurzones, hebben in dit plangebied de bestemming Waterstaat Waterkering gekregen. Binnen deze bestemming geldt een verbod om zonder vergunning bouw- of sloopwerkzaamheden te verrichten. Voor activiteiten die passen in een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundig plan kan medewerking worden verleend. Dit waterhuishoudkundig plan zal vastgesteld moeten zijn voordat de eerste omgevingsvergunningen op grond van dit bestemmingsplan worden aangevraagd. 2.5.6.2 Waterveiligheid Opgenomen in het bestemmingsplan (artikel 9.5 van deze regels).  Buitendijks: Bij nieuwbouw van een hoofdgebouw vindt geen instroom van water plaats bij een waterstand in de Oude Maas van NAP +4,0m. Deze waterstand kan 1/3000 jaar voorkomen in het jaar 2100, uitgaande van 1m zeespiegelstijging.  Buitendijks: Objecten in de netwerken van vitale functies (zoals aansluitingen en knooppunten) en gebouwen (zoals de meterkast) worden minimaal op NAP +4,43 m (of overstromingsbestendig) aangelegd om ervoor te zorgen dat deze droog blijven. Dit komt overeen met een waterstand van 1/100.000 jaar in 2100, uitgaande van 1m zeespiegelstijging.  Buitendijks: Het vuilwaterriool wordt met een persleiding naar het omringende, binnendijkse stelsel getransporteerd (eis waterschap).

De verbinding hiermee kan bij een overstroming (met een afsluiter) worden afgesloten. In deze situatie wordt het vuilwater (eventueel via het HWAriool) naar de rivier getransporteerd.  Binnendijks: Op het bouwwerkperceel dient in een geschikte vluchtplek voor de bewoners te worden voorzien op een hoogte van minimaal NAP +4,0 m, tenzij in de straat al 60% van de gebouwen beschikt over een droge verdieping. Ramen op de droge verdieping dienen te worden voorzien van de mogelijkheid om open te gaan om evacuatie mogelijk te maken.

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

35

Eisen of wensen die bij de aanbesteding van het openbaar gebied of woningbouw gesteld zullen worden op basis van het Masterplan:  Buitendijks: Leg een microgrid aan dat voorzien is van lokale energiebronnen (zoals microwindturbines), een eigen opslagsysteem (zoals accu's) en een noodproductie-systeem (zoals dieselgenerator). Het microgrid is gekoppeld aan het elektriciteitsnet, maar kan bij een overstroming autonoom in 'eilandmodus' functioneren voor de duur van een week. Het microgrid moet stroom kunnen verzorgen voor noodvoorzieningen voor informatie, communicatie en basisverlichting. Er is een beheerplan nodig om te borgen dat het microgrid over verloop van tijd blijft werken.  Richt straatprofielen en oeverzones zo in dat het water (onder vrij verval) het gebied weer uit kan stromen na een overstroming.  Ontwerp het landschap, de openbare ruimte, kunstobjecten en recreatievoorzieningen op oeverzones, pleinen, parken en het evenemententerrein om inwoners beter bewust te maken van overstromingsrisico's en hoe ze kunnen handelen.  Het ontwerp en de inrichting moeten relatief gemakkelijk aanpasbaar zijn aan nog 1m extra zeespiegelstijging (na 2100) i.v.m. verdere klimaatverandering (wens).

 Buitendijks: Beperk obstakels (zoals hoogteveranderingen) in de doorgang op pleinen, parken en het evenemententerrein tot een minimum, zodat een brede vrije ruimte kan worden gebruikt (bijv. voor het opzetten van tenten). 2.5.6.3 Waterberging In het bestemmingsplan worden bij het bouw- en woonrijp maken eisen gesteld aan waterberging:  Buitendijks: Vuil en schoon water worden gescheiden aangeboden via een vuilwater- en een hemelwaterriool. Hemelwater stroomt oppervlakkig en/of via een HWA-riool af richting de Oude Maas of (ander) oppervlaktewater. Het plan voorziet in maatregelen om hemelwater tijdelijk, lokaal vast te houden en te zuiveren.  Binnendijks: Er dient ten minste 50 mm hemelwater per m2 bebouwd oppervlak op privaat terrein te worden opgevangen en vastgehouden.  Binnendijks: Er wordt ten minste 50 mm waterberging (incl. hemelwaterriool en water op straat) per m2 verhard oppervlak van de openbare ruimte gerealiseerd.  Bij de nieuwbouw van een hoofdgebouw dient het vloerpeil minimaal 20 cm hoger te zijn dan de as van de straat. 2.5.6.4 Hittestress Opgenomen in het bestemmingsplan:  In het bestemmingsplan wordt de eis gesteld dat 30% van de bestemming Woongebied en 40% van het plangebied groenblauw dient te worden ingericht. Dat dient uitwerking te krijgen in het stedenbouwkundig plan dat opgesteld moet worden bij iedere omgevingsvergunning.

In het stedenbouwkundig plan zal tevens aangegeven moeten worden hoe in de buitenruimte van het plangebied schaduw gecreëerd wordt. 2.5.6.5 Grondwater en bodemzetting  Bodemzetting. Schade door bodemdaling blijft beheersbaar door een gebiedsspecifieke keuze van de restzettingseis waarvoor de maatregelenset over de ontwerplevensduur het meest kosteneffectief is. Parameters worden gemonitord over een periode van tenminste 10 jaar.  Grondwater. De inrichting van het plangebied is infiltratiepositief (circa 50% van de jaarneerslagsom infiltreert in de bodem, afhankelijk van het bodemtype).  Bij het ontwerp en de inrichting wordt ingezet op regenwaterbenutting (o.a. ter verbetering van de groeicondities van bomen) en verbetering van de waterkwaliteit (o.a. van het afstromend wegwater).

2.6

Energie

De ambitie uit de Omgevingsvisie dat Dordrecht in 2050 energieneutraal is, is in het politiek akkoord 2023-2026 nog verder aangescherpt tot 2040. Deze ambitie wordt in de Omgevingsvisie via vier accenten uitgewerkt:  Handelingsperspectief voor energiebesparing aan inwoners en bedrijven;  Doorontwikkeling warmtenet;  Alle energie die nodig blijft, wekken we duurzaam op;  Circulariteit bij gebiedsontwikkeling.

36

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Het doel energieneutrale stad kent de volgende relevante omgevingsaspecten die in deze paragraaf onderzocht zijn:  energie;  circulariteit.

2.6.1

Huidige situatie

In de huidige situatie wordt het energiegebruik (elektriciteit en aardgas) binnen het Maasterras bepaald door bedrijven, kantoren en voorzieningen, alsmede de woningen in het gebied. De huidige bebouwing is aangesloten op het aardgasnet. Een groot deel van het auto- en vrachtverkeer rijdt op fossiele brandstoffen. Verspreid door het gebied zijn laadpalen voor elektrische auto’s beschikbaar. In de hoek van de Weeskinderendijk Boven en Hugo de Grootlaan is een busstation voor het opladen van elektrische bussen gevestigd. In de huidige situatie wordt lokaal via zonnepanelen op gebouwen elektriciteit opgewekt binnen het plangebied. Slechts een zeer klein deel van het dakoppervlak is nu benut voor zonnepanelen (circa vijf gebouwen). In de huidige bebouwing is nog geen rekening gehouden met circulair bouwen. Wel kunnen gebruikte materialen in de toekomst mogelijk hergebruikt worden. 2.6.2

Wettelijke kaders

In het Bouwbesluit zijn eisen opgenomen ten aanzien van gebouwen (BENG) en temperatuuroverschijdingen in juli. Bij parkeergelegenheden in het gebied moet voldoende rekening gehouden worden met oplaadmogelijkheden voor elektrische voertuigen, zoals opgenomen in de beleidsregels parkeren. De gemeente Dordrecht heeft de City Deal Circulair en Conceptueel bouwen ondertekend, en onderschrijft de kansen van biobased bouwen. 2.6.3

Ambities

De ambitie uit de Omgevingsvisie is voor het plangebied vertaald naar een minimale en optimale kwaliteit. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

Minimaal voldoen aan BENG en Maasterras is een energieleverend gebied TemperatuurOverschrijding juli, in (woningen, kantoren, duurzame mobiliteit combinatie met voldoende ruimte op en openbare ruimte). Woningen en bijvoorbeeld daken voor compensatie van kantoren zijn duurzaam gebouwd. Voor huishoudelijk energieverbruik. Woningen duurzame energie moeten oplossingen en kantoren zijn duurzaam gebouwd. voldoen aan de prioritering van de RES Rekening houden met duurzame (benutten, opwaarderen, opwekken). mobiliteit (oplaadmogelijkheden auto en Rekening houden met duurzame mobiliteit (bak)fiets). (oplaadmogelijkheden auto en (bak)fiets). Voldoen aan circulariteitseisen MPG (0,8) Voldoen aan circulariteitseisen MPG (0,5) Minimaal 50 biobased woningen. Minimaal 350 biobased woningen, verspreid over de ontwikkelvelden (per fase). Zoveel mogelijk hergebruik van materialen uit de openbare ruimte. Daarnaast is uit recent onderzoek gebleken dat binnen de gemeente Dordrecht nog ruim 300 nutsgebouwtjes nodig zijn om te voldoen aan de toenemende vraag aan energie. In een optimale situatie zou - naast de eigen behoefte - binnen het plangebied ook extra capaciteit gebouwd worden voor de directe omgeving. 2.6.4

Onderzoeken

Op basis van de uitwerking in het Masterplan is in de OER de energiebehoefte van het plangebied bepaald (bijlage 22).

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

37

Tevens zijn de mogelijkheden voor opwek (zonnepanelen) in beeld gebracht. De omvang van het dakoppervlak dat beschikbaar is voor zonnepanelen is te beperkt om voldoende energie op te wekken. Uit de OER blijkt dat de aanleg van een warmtenet het meest efficiënt is voor het gebied. Doordat de wijk per saldo niet energieneutraal wordt, zal ingezet worden op flankerende maatregelen.  Strenger dan BENG afdwingen via aanbestedingen;  In het Masterplan wordt veel ruimte geboden voor biobased woningen; in het deelgebied Parkbuurt wordt een link gelegd met de houthandel in het verleden en wordt ingezet op houtbouw tot 350 woningen (minimaal 50);  Zonnepanelen op hoge gebouwen borgen versus groen op lage gebouwen, dakturbines;  Koeling;  Warmtenet voor woningbouw voorschrijven;  Grid oplossingen (lokale opwek, HUB’s, deelvervoer);  Oplaadmogelijkheden voor auto en bakfiets. Het Masterplan is stedenbouwkundig nog niet uitgewerkt tot een niveau waarbij beoordeeld kan worden of hergebruik van materialen kan plaatsvinden. Een positieve score voor circulariteit kan behaald worden door eisen te stellen aan de ontwikkeling. Dat kan betrekking hebben op verschillende aspecten. Een materialenpaspoort kan bijvoorbeeld verplicht gesteld worden. Hierin kan vastgelegd worden hoe met restmateriaal omgegaan wordt.

Laagwaardig hergebruik, bijvoorbeeld in funderingen, is al gangbaar, maar hoogwaardig gebruik is ook goed mogelijk als hier vroegtijdig over nagedacht wordt. Bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking van de deelgebieden zal ook een nadere uitwerking van de eisen aan circulariteit worden opgesteld. 2.6.5

Participatie

De Fietsersbond heeft aangegeven dat de doelstelling energieneutraal in 2050 uit het startdocument conform politiek akkoord bijgesteld zou moeten worden naar 2040. In deze paragraaf is deze opmerking verwerkt. 2.6.6

Vertaling in dit bestemmingsplan

Voor het doel energieneutrale stad komt de OER tot de volgende score.

Een score richting optimaal blijkt binnen de stedenbouwkundige opzet, met bebouwing in hoge dichtheid, niet haalbaar door het ontbreken van de fysieke ruimte om energie op te wekken. Door de verplichting een energieplan op te stellen met diverse maatregelen is toch een score boven minimaal mogelijk. De rode lijn geeft de minimale score aan die is gedefinieerd op basis van de ambities in de Omgevingsvisie. In het bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat in de stedenbouwkundig uitwerking (verplicht bij ieder bouwplan) aangetoond wordt hoe bijgedragen wordt aan de ambitie (bijna) energieneutrale wijk. In een op te stellen beschrijving van het energiesysteem moet aangegeven worden hoe het bouwplan bijdraagt aan de doelstelling energieneutrale woonwijk voor de volgende onderwerpen: aansluiting warmtenet, koeling, opwek door zonnepanelen, circulariteit en de locaties voor biobased woningbouw.

2.7

Biodiversiteit

In de Omgevingsvisie wordt als doel gesteld dat Dordrecht de biodiversiteit beschermt en bevordert. Dit doel kent de volgende relevante omgevingsaspecten die in deze paragraaf onderzocht zijn:  Bescherming Natura 2000 gebieden (stikstof);  Beschermde soorten;  Groene structuren en bevordering biodiversiteit. 2.7.1 Huidige situatie Binnen 10 km van het plangebied zijn vijf Natura 2000 gebieden op onderstaand kaartje aangegeven. Daarnaast ligt op vijf kilometer afstand het weidevogelgebied tussen Papendrecht en Oud Alblas.

38

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Voor een nadere beschrijving en toelichting op de huidige situatie zie bijlage 2 (foto van de leefomgeving). 2.7.2

Wettelijke kaders

De Wet natuurbescherming (Wnb) verplicht om na te gaan of de uitvoering van het plan effect heeft op beschermde soorten. In de provinciale Verordening Ruimte is bepaald dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit bij het plan betrekt. 2.7.3

Ambities

De gemeente heeft de ambitie om groenblauwe structuren te ontwikkelen op het Eiland van Dordrecht. Hiertoe is de Visie Groenblauw Eiland van Dordrecht opgesteld. In de Groenblauwe visie heeft Dordrecht haar ambities voor groen en blauw uitgewerkt. Ze staan via een groenblauw netwerk op de kaart. Dragers voor het netwerk zijn de Dordwijkzone en de Wantijzone en fijnmazige vertakkingen, zoals de dijklinten, killen, lanen en grote parken die het groen ‘tot aan de voordeur’ brengen. Een belangrijk onderdeel van de groenblauwe leefomgeving betreft de natuur en biodiversiteit. Een ecologisch functionele groenstructuur in stedelijke context is belangrijk voor de biodiversiteit. Een samenhangend groen netwerk zorgt voor een grotere diversiteit aan (kwetsbare) soorten en geeft meer robuustheid aan het stedelijk ecosysteem. Dat wil zeggen dat het in kwalitatief en kwantitatief opzicht een duurzaam leefgebied kan vormen voor populaties van een groot aantal soorten. In de OER zijn deze ambities concreet uitgewerkt voor het plangebied Maasterras in een minimale en optimale kwaliteit. Minimale kwaliteit

Optimale kwaliteit

Wettelijke kaders: geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Minimaal 0,05 mol N/ha/jaar afname op Biesbosch

- Geen achteruitgang (van beschikbaar leefgebied) van de beschermde soorten - Geen achteruitgang (van beschikbaar leefgebied) van overige soorten (bijv. Rode Lijst soorten, soorten die typisch voor Maasterras zijn en zeldzame soorten) - Afname invasieve exoten (conform Unielijst)

- Verbetering (van beschikbaar leefgebied) van de beschermde soorten - Verbetering (van beschikbaar leefgebied) van de overige soorten - Geen aanwezigheid invasieve exoten (conform Unielijst)

- Uitbreiding naar 40% groenblauw binnen ontwikkelvelden - Behoud van oppervlakte groenblauw in overig gebied - Toename van aantal groenblauwe verbindingen tussen ontwikkelvelden en met omgeving - Behoud van huidig oppervlakte aan

- Uitbreiding naar 40% kwalitatief hoogwaardig groenblauw binnen ontwikkelvelden - Behoud van oppervlakte groenblauw in overig gebied - Toename van aantal kwalitatief hoogwaardige groenblauwe verbindingen tussen ontwikkelvelden en met omgeving

Bestemmingsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

39

kroonbedekking van de bomen - Toename van aantal watergangen inclusief natuurvriendelijke oevers

- Toename van oppervlakte aan kroonbedekking van de bomen (20%), mede ter vergroting van het aantal koelteplekken met schaduw - Toename van aantal kwalitatief hoogwaardige watergangen inclusief natuurvriendelijke oevers.

- Geen negatieve effecten op kwaliteit bomen - Geen negatieve effecten op kwaliteit leefgebieden

- Verbetering kwaliteit bomen - Verbetering kwaliteit leefgebieden (zie ook onder het aspect soorten)

2.7.4

Onderzoeken

Stikstof Uit het stikstofonderzoek (bijlage 23) blijkt dat het Maasterras ontwikkeld kan worden zonder uitstoot van stikstof die uitkomt boven de 0,00 Mol. Op grotere afstand zijn zelfs positieve effecten te verwachten. Voorwaarde is wel dat de voorgenomen terugdringing van het autogebruik, met lage parkeernorm, ook daadwerkelijk gerealiseerd gaat worden. In het bestemmingsplan is dit geborgd door bij ieder bouwplan een mobiliteitsplan te eisen waarin aangetoond moet worden hoe de parkeernorm van 0,3 gehaald wordt. Bij dit onderzoek moet de kanttekening worden geplaatst dat nog niet gerekend is met de laatste versie van het rekenprogramma AERIUS uit oktober 2023. In het voorjaar van 2024 zal opnieuw onderzoek plaatsvinden op basis van de meest actuele versie van AERIUS. In dat onderzoek worden dan ook de ontbrekende effecten en maatregelen van de verkeersafwikkeling Zwijndrechtse Brugweg betrokken. De uitkomsten van dit onderzoek zullen pas bekend zijn na het overleg met Rijkswaterstaat en de gemeente Zwijndrecht als het gaat om de verkeersafwikkeling en de eventueel te treffen verkeersmaatregelen. Natuurwaarden onderzoek In de voorbereiding van de planvorming zijn diverse onderzoeken uitgevoerd:  Bijlage 24 Vleermuizen onderzoek Tauw;  Bijlage 25 Natuuronderzoek Tauw;  Bijlage 26 Huismussen NWC;  Bijlage 27 Nader onderzoek soorten.

Kort samengevat laten die onderzoeken de volgende resultaten zien.  Broedvogels: ontheffing Wnb voor de huismus noodzakelijk bij sloop woningen Weeskinderendijk Noord en Oost. Voor Oost dient het onderzoek nog afgerond te worden vóór de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad.  Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor grondgebonden zoogdieren, zoals grasland en struweel. Als gevolg van het planvoornemen kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Zuid- Holland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing.  Maatregelen ten aanzien van de bunzing en de vos verdienen extra aandacht vanwege het feit dat vernietiging of verstoring van verblijfplaatsen in het plangebied zal leiden tot een substantieel effect op de staat van instandhouding van deze soorten in het plangebied. Bovendien staat de bunzing vermeld op de Rode lijst met de status “kwetsbaar”. In de Wnb (artikel 1.12 [lid 1c]) staat vermeld dat provincies zorgdragen voor het behoud of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten op de Rode lijst.  Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor algemene broedvogels, zoals bomen en struweel. Als gevolg van het planvoornemen kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden.

Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.  Invasieve soort: opzettelijke verspreiding van de reuzenberenklauw (aanwezig op het emplacement) is in strijd met de Wnb (artikel 3.37). Om verdere verspreiding van de reuzenberenklauw te voorkomen zijn passende maatregelen nodig wanneer er in het deelgebied Maaspark gewerkt wordt.

40

Bestemminsplan Maasterras fase 1 (ontwerp)

Naast de soorten in deze tabel is ook de gewone dwergvleermuis aangetroffen. De oevers en aanwezige groenstructuren in diverse deelgebieden zijn geschikt als foerageergebied en als vliegroute van vleermuizen. Als gevolg van het planvoornemen kunnen passerende en foeragerende vleermuizen worden verstoord. Door verwijdering van groenstructuren gaat geschikt foerageergebied van vleermuizen verloren. Op basis van deze onderzoeksresultaten zal - onder andere in het kader van de ontheffingsprocedure - compensatie noodzakelijk zijn. Die compensatie kan gevonden worden door binnen het plangebied, en deels buiten het plangebied, een inrichting te kiezen die bijdraagt aan het behoud van de beschermde soorten. Hieronder is dat nader uitgewerkt. Het Maasterras moet daarmee niet alleen voldoen aan behoud van bestaande soorten maar juist ruimte bieden aan nieuwe soorten en daarmee het behoud van de biodiversiteit in het plangebied. Bevordering biodiversiteit  Groenblauwe verbindingen Het uitgevoerde rapport (bijlage 28) laat zien dat door het verdwijnen van bestaande groengebieden niet voldaan wordt aan de minimale kwaliteit op dit onderdeel. Het Masterplan is hierop aangepast door een kaart met te behouden groen en nieuw aan te leggen groene verbindingen.

Een belangrijke kanttekening daarbij zijn de op deze kaart aangegeven knelpunten als het gaat om het in stand houden van groene verbindingen. Die knelpunten zijn weg te nemen door bijvoorbeeld de aanleg van faunapassages onder de wegen in het plangebied. In het nog op te stellen stedenbouwkundig plan zal dat nadere uitwerking moten krijgen. In dit bestemmingsplan is die uitwerking verplicht gesteld.  40% kwalitatief hoogwaardig groenblauw In het kader van de OER is onderzocht hoe de ontwikkeling van het Maasterras kan bijdragen aan de bevordering van de biodiversiteit. Enerzijds door behoud van bestaand groen en anderzijds door nieuw groen terug te brengen. Daarbij kan aansluiting worden gevonden bij de eis vanuit klimaat, die uitgaat van 40% groen in het plangebied en 30% groen binnen de bestemming Woongebied. Om de ambitie bevordering biodiversiteit te kunnen halen zullen naast deze kwantitatieve eisen ook kwaliteitseisen aan het aan te leggen groen moeten worden gesteld. Door de eis te stellen dat bij nieuw aan te leggen groen voldaan moet worden aan de eisen uit het handboek natuurinclusief bouwen (bijlage 3 bij de regels) kan de ambitie biodiversiteit gehaald worden. De eis 40% groenblauw in het plangebied kan mede gehaald worden door maatregelen aan de gevels en daken van woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/758/documents/32078