CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgekeerde_Modelverordening_sociaal_domein_Bijlage bij Reactie Platform tegen armoede.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 13 februari 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen Visie sociaal domein Dordrecht 2030 - Raadsvoorstel22.373 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Stimulansz

Durft u het aan? Omgekeerde Modelverordening sociaal domein 2.0 Ongewoon. Omgekeerd. Omdenken.

Stimulansz

Voorwoord een gat in de lucht “Ik sprong een gat in de lucht toen ik het bericht las!” Zo begint het spontane mailtje aan Stimulansz van Deborah, een adviseur beleids­ ontwikkeling van de gemeente Groningen. Ze reageerde op onze aankondiging van de Omgekeerde Modelverordening sociaal domein. Waarom ze zo blij was? Omdat de huidige verordeningen niet goed aansluiten bij haar wens om “fris en burgergericht” beleid te maken. Deborah zat te springen om een klantvriendelijke verordening die als basis kon dienen voor juridische borging. En met de Omgekeerde Modelverordening sociaal domein is die er nu.

het mag, en het kan Deborah uit Groningen is om. Haar collega’s ook? Ze besloot haar mail met de woorden: “Het gekke is dat mijn collega’s heus wel willen, maar ze moeten het gevoel hebben dat het ook echt mag. Dat er een juridische borg is. Dus ik kijk met belangstelling uit naar de nieuwe model­ verordening!” Nou Deborah, het mag. En hier is ze dan. En als je wilt kunnen we de verordening ook voor je op maat maken. Laat het ons dan weten via info@stimulansz.nl. Ik gun jou en alle andere beleidsmakers van gemeenten deze omgekeerde verordening. Doe er iets moois mee!

ongewoon. omgekeerd. omdenken Deze modelverordening is anders dan anders. De verordening heeft een hoofdstuk per probleem waar een burger tegenaan kan lopen. Verder sluit deze aan bij de omgekeerde toets, onder meer door per hoofdstuk aan te geven wat het doel is van de gemeente op dat onderwerp. Waarom regelen we bijvoorbeeld nu iets voor veilig opgroeien? Wat vinden we daar nu écht belangrijk aan?

Tot slot, voor de juristen onder u, staan in de kantlijn de verschillende wetten genoemd die als grondslag dienen voor de diverse teksten. Zo hopen we inwoners en de gemeente dichter bij elkaar te brengen.

een verordening meegeven als voorlichting? ja! Om te voorkomen dat er verschil ontstaat tussen de verordening en het voorlichtingsmateriaal, is de verordening zo vormgegeven dat deze ook als voorlichting meegegeven kan worden. En vanzelfsprekend is zij geschreven in begrijpelijke taal, zodat ook burgers snappen wat zij lezen.

Naar inhoudsopgave

José Hendriksen Directeur Stimulansz

Stimulansz

Inhoud Voorwoord 5

hoofdstuk 1

inleiding omgekeerde modelverordening 4

hoofdstuk 2

de hulpvraag 6

hoofdstuk 3

werk en participatie 11

hoofdstuk 4

gezond en veilig opgroeien 18

hoofdstuk 5

wonen in een veilige en gezonde omgeving 21

hoofdstuk 6

vervoer naar school 24

hoofdstuk 7

inkomen en schulden 28

hoofdstuk 8

de vorm van de hulp 34

hoofdstuk 9

afspraken tussen inwoner en gemeente 38

hoofdstuk 10 inspraak en inwonerparticipatie 45 hoofdstuk 11 kritiek op de uitvoering 48 hoofdstuk 12 kwaliteit, inkoop en aanbesteding 50 hoofdstuk 13 van oud naar nieuw 52 hoofdstuk 14 begrippen 54 Colofon 60 Over Stimulansz 61

4

Stimulansz

hoofdstuk 1 inleiding omgekeerde modelverordening Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • Werken en participeren • Uitkeringen • Schuldhulpverlening • Gezond en veilig opgroeien, • Vervoer naar school, en • Wonen in een veilige en gezonde omgeving

1.1

waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; • mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; • mensen hun financiën op orde hebben; • mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; • mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en • kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken.

Naar inhoudsopgave

Het gaat om de: • Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ; • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); • Jeugdwet; • Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; en • Gemeentewet. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. De Cliëntenadviesraad [naam voluit] heeft over deze regels op [datum advies] een advies gegeven. Dat advies is te vinden in de bijlage bij deze verordening.

1.2

uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1 zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; 2 zijn goed leesbaar; 3 regelen niet meer dan nodig is; 4 houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5 kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; 6 zijn onderling afgestemd op elkaar; 7 respecteren de wetten, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

5

Stimulansz

hoofdstuk 1 inleiding omgekeerde modelverordening

1.3

kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1 Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen. 2 Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. 3 De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). 4 Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.

Naar inhoudsopgave

1.4

artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.9 en 3.4.10 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten).

|

|

|

|

|

| |

|

|

|

PW IOAW IOAZ Wgs Wmo Jeugdwet Llv Wko Gemeentewet Awb Burgerlijk Wetboek

6

Stimulansz

hoofdstuk 2 de hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Die wordt aan het einde van dit hoofdstuk genoemd. Hoe de gemeente omgaat met signalen en hulpvragen van andere personen over inwoners die hulp nodig hebben, wordt hier niet beschreven.

Kernwaarden De gemeente maakt hulp makkelijk bereikbaar. De hulpvraag van de inwoner staat centraal. De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.

Naar inhoudsopgave

Gewicht

2.1

stap 1: melding bij de gemeente 2.1.1 indienen hulpvraag

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen: • schriftelijk, door […] • mondeling, bij […] • telefonisch, via […] of • digitaal, via […]

2.1.2 procedure melding

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente bevestigt de melding binnen [aantal dagen] per brief of e-mail aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliënt­ondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).

7

Stimulansz

hoofdstuk 2 de hulpvraag

2.1.3 gegevens

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen [termijn] te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt.

2.2

stap 2: gesprek na de melding 2.2.1 uitnodiging voor gesprek

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.

2.2.2 doel en procedure gesprek

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulp­ vraag, het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen [termijn] dagen na de melding. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

Naar inhoudsopgave

2.2.3 inhoud gesprek

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

1 De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker: a | de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b | de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? c | de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? d | de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? 2 De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.

2.2.4 verslag

|

| |

|

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs

1 Binnen [termijn] na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. 2 Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. 3 Uit het verslag blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (ondersteuningsplan). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.

8

Stimulansz

hoofdstuk 2 de hulpvraag

4 De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen. 5 Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag.

2.3

stap 3: aanvraag 2.3.1 aanvraag

|

| |

|

|

| |

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs Llv Wko Awb

1 Na de melding en het gesprek met een medewerker van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en welke vorm die hulp dan heeft. 2 Melding en aanvraag worden op hetzelfde moment gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder of om het vervoer van kinderen naar school. Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend. 3 De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. 4 Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente, behalve als het om een aanvraag voor een bijstandsuitkering gaat voor alle dagelijkse kosten (algemene bijstand voor levensonderhoud) en voor een IOAW-uitkering. Die aanvragen worden digitaal ingediend bij UWV (www.werk.nl).

Naar inhoudsopgave

2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat

|

| |

Jeugdwet Wmo PW Wgs

1 Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a | De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; b | De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en c | De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2 Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. 3 De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4 De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien. De gemeente kan hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kan de gemeente de hulp-op-maat wel toekennen.

9

Stimulansz

hoofdstuk 2 de hulpvraag

2.3.3 advisering

|

| |

|

|

| |

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs Llv Awb

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

2.3.4 beoordelen aanvraag

|

| |

|

|

| |

|

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs Llv Wko Awb

1 Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: a | de behoeften van de inwoner; b | de (on)mogelijkheden van de inwoner; c | de persoonlijke situatie van de inwoner; d | de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2 Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

Naar inhoudsopgave

3 Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.3.5 beslistermijn

|

| |

|

|

| |

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs Llv Awb

1 De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen, en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. 2 De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

2.4

stap 4. Beslissing 2.4.1 inhoud besluit

|

| |

|

|

| |

Jeugdwet Wmo PW IOAW IOAZ Wgs Llv Awb

1 De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.

10

Stimulansz

hoofdstuk 2 de hulpvraag

2 Geeft de gemeente de hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a | wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; b | wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c | hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en d | welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3 Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a | waarvoor het pgb bedoeld is; b | hoe hoog het pgb is; c | wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; d | hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en e | welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4 Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a | voor welk doel het geld wordt gegeven; b | wanneer het geld wordt betaald; c | hoe vaak het geld wordt betaald; en d | welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5 De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Dit is de eigen bijdrage.

2.4.2 verval van recht

| |

Jeugdwet Llv Wmo

Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen [termijn] maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

Naar inhoudsopgave

2.5

uitzonderingen 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a.

|

Jeugdwet Awb

1 De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. 2 De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3 De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.

2.5.2 spoedeisende gevallen

|

| | |

Jeugdwet Wmo PW Llv Wgs

In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a | het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b | het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c | het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; d | schuldhulpverlening, e | vervoer naar school, of f | het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.

11

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van passend werk als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegen­ prestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.

Kernwaarden De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De inwoner wordt zo goed mogelijk naar langdurig passend werk of participatie geleid. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomens­ ondersteuning van de gemeente. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving. De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. De gemeente maakt de aansluiting tussen uitkering en werk gemakkelijker. Naar inhoudsopgave

Gewicht

3.1

doelgroep

|

|

PW IOAW IOAZ

De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: 1 inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. 2 inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. 3 jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo- of vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.

3.2

samenwerking

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente werkt samen met UWV, regio-gemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. 2 De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden.

12

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie

3.3

budget

|

|

PW IOAW IOAZ

De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budget­ plafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit plafond bereikt is, verstrekt de gemeente in dat kalenderjaar geen voor­ziening meer waarvoor dit plafond geldt. Voor wettelijke loon­kosten­ subsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vast­gesteld.

3.4

voorzieningen – werk

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeids­ markt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. 2 De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een grote kans op betaald werk zijn: • proefplaatsing • detacheringsbaan • kortdurende scholing Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine kans op betaald werk zijn: • werkstage • sociale activering • participatieplaats • langdurige scholing • beschut werk • hulp op de werkplek • loonkostensubsidie Naar inhoudsopgave

3 De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voor­ ziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplich­ tingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. voorzieningen voor inwoners met een grote kans op betaald werk

3.4.1 detacheringsbaan

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner. 2 Het doel van een detacheringsbaan is dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever. 3 Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.4.2 proefplaatsing

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. 2 Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk. 3 Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal [termijn] maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.

13

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie

4 De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de werkzoekende goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband, moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de werknemer te begeleiden. 5 De proefplaatsing duurt maximaal [termijn] weken en kan eenmalig met [termijn] weken worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner. voorzieningen voor inwoners met een kleine kans op betaald werk

3.4.3 werkstage

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op werk, een werk­stage aanbieden. De werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2 Het doel van een werkstage is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring op te laten doen. 3 Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4 De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet.

3.4.4 sociale activering

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2 Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. Naar inhoudsopgave

3.4.5 participatieplaats

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeen­komst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2 Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3 Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werk­nemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4 De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van 3 [bedrag] ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit.

3.4.6 beschut werk

PW

1 De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2 De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. 3 Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden.

14

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie

4 De inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat de gemeente het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken voor dat jaar al heeft bereikt, komt op een wachtlijst. Deze inwoner krijgt in het volgende kalenderjaar met voorrang een beschutte werkplek. Zolang er in dat volgende jaar nog geen geschikte werkplek voor de inwoner beschikbaar is, is het mogelijk dat een andere persoon voorgaat. 5 De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a | aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b | uitsplitsing van taken; c | aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 6 De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a | hulp bij het invullen van de dag; b | sociale activering; c | scholing, en d | schuldhulpverlening.

3.4.7 hulp op de werkplek van een jobcoach

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner een jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2 Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. 3 De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever.

Naar inhoudsopgave

3.4.8 no-riskpolis

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een werkgever een ‘no-riskpolis’ aanbieden voor een inwoner die bij de werkgever gaat werken. 2 Het doel van de ‘no-riskpolis’ is dat de werkgever de loonkosten niet zelf hoeft te betalen als de werknemer ziek wordt. 3 De gemeente bepaalt de voorwaarden van de ‘no-riskpolis’.

3.4.9 tijdelijke loonkostensubsidie

|

|

|

PW IOAW IOAZ Awb

1 De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven. 2 Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3 De loonkostensubsidie is maximaal [percentage]% van de loonkosten en duurt maximaal [termijn] maanden. 4 Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.4.10 wettelijke loonkostensubsidie

|

|

|

PW IOAW IOAZ Awb

1 De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2 Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.

15

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie

3 De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe die in de bijlage is omschreven. De loonkosten­ subsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. voorzieningen voor alle doelgroepen

3.4.11 solliciteren

|

|

PW IOAW IOAZ

De gemeente organiseert [termijn] een [banenmarkt/cursus solliciteren/ cv-schrijven/training social media en werk].

3.4.12 scholing

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder kortdurende scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode. De scholing kan niet voltijds zijn en duurt niet langer dan nodig is. 2 De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing.

3.4.13 nazorg

|

|

PW IOAW IOAZ

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, geduren­ de een termijn van [termijn] nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen.

Naar inhoudsopgave

3.4.14 kinderopvang

|

|

|

PW IOAW IOAZ Wko

1 De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is: a | als de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en b | opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. 2 De inwoner die kinderopvangtoeslag ontvangt, kan voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven, van de gemeente een bijdrage krijgen, als hij voldoet aan de volgende voorwaarden: a | De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering en de kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening), of b | de inwoner volgt voltijds HBO- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs, en c | de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of gastouderbureau.

3.4.15 andere voorzieningen en vergoedingen

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. 2 De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk.

16

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie

3.4.16 uitstroompremie

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De inwoner die betaald werk gaat verrichten, heeft recht op een uitstroompremie onder de volgende voorwaarden: a | De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering die wordt beëindigd vanwege het werk. b | De inwoner heeft minimaal [termijn] ononderbroken een gemeentelijke uitkering ontvangen. c | De inwoner heeft een arbeidsovereenkomst getekend voor de duur van minimaal [termijn]. d | De premie kan worden aangevraagd vanaf [termijn] na de start van de betaalde baan. 2 De premie bedraagt 3 [bedrag]. 3 De premie wordt in [een/twee] keer uitgekeerd.

3.5

tegenprestatie 3.5.1 doel van de tegenprestatie

|

|

PW IOAW IOAZ

1 De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2 Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.

Naar inhoudsopgave

3.5.2 duur en omvang tegenprestatie

|

|

PW IOAW IOAZ

De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal [termijn] per jaar en maximaal [aantal uren] uur per week. Dit is om de volgende redenen: 1 De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten. 2 De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. 3 Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.

3.5.3 voorwaarden tegenprestatie

|

|

PW IOAW IOAZ

1 Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezins­ situatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2 De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.

3.6

Wmo

meedoen in de samenleving Inwoners die vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval de volgende vormen van hulp geven:

17

Stimulansz

hoofdstuk 3 werk en participatie

3.6.1 dagbesteding

Wmo

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de dag goed in te vullen hulp-op-maat kunnen krijgen (dagbesteding). De hulp-opmaat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding, voor een of meer dagdelen per week.

3.6.2 persoonlijke begeleiding

Wmo

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-opmaat houdt in dat inwoners begeleid worden bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over.

3.6.3 contact met anderen

Wmo

1 De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis. Zo kunnen zij meedoen met recreatieve, maatschap­pelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen doen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer of het gebruikmaken van een vervoermiddel.

Naar inhoudsopgave

2 De gemeente kan inwoners daarnaast een bijdrage in de kosten geven, voor: a | het gebruik van een eigen auto, van maximaal [bedrag] per [periode]; b | het gebruik van een taxi, van maximaal [bedrag] per [periode]; c | het gebruik van een rolstoeltaxi, van maximaal [bedrag] per [periode]. 3 Het moet gaan om: a | het zich verplaatsen rondom de woning; b | het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c | het vervoer naar de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen. 4 Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer.

3.6.4 rolstoel

Wmo

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik.

3.6.5 vervanging vervoermiddel en rolstoel

Wmo

Als de inwoner hulp-op-maat wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekte rolstoel of vervoermiddel, dan doet de gemeente dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel: a | technisch is afgeschreven; b | verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of c | geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dicht bij huis.

18

Stimulansz

hoofdstuk 4 gezond en veilig opgroeien Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 werden en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

4.1

Jeugdwet

uitgangspunten bij het bieden van hulp Kernwaarden De jongere moet gezond en veilig kunnen opgroeien. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat.

Naar inhoudsopgave

Gewicht

1 Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achter­ grond van de jongere en de ouders. 2 Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk. 3 De gemeente betrekt de wensen van de jongere en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 4 Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorg­ organisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. 5 Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het Centrum voor jeugd en gezin (CJG), het wijkteam of door een jeugdwelzijnsorganisatie. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt hulp-op-maat ingezet.

19

Stimulansz

hoofdstuk 4 gezond en veilig opgroeien

4.2

Jeugdwet

preventieve maatregelen 1 De gemeente zorgt ervoor dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met: a | het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; b | informatie, advies en trainingen; c | jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts); d | activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk; e | opvoedondersteuning; f | een vertrouwenspersoon; g | [ aanvullen]. Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente. 2 De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis.

4.3

Jeugdwet

hulp-op-maat 1 De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden: a | ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van persoonlijk advies en specifieke cursussen of trainingen; b | een plek in een pleeggezin of verblijf in een instelling. Pleegzorg heeft hierbij de voorkeur; Naar inhoudsopgave

c | specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; d | begeleidende verzorging; e | vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdzorg wordt aangeboden; f | [aanvullen]. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, of een besluit van de gemeente. 2 De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.

4.4

Jeugdwet

overgang van 18- naar 18+ 1 De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leef­ gebieden. 2 Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: a | scholing, werk of participatie b | wonen c | inkomen d | zorg en ondersteuning e | v rije tijd f | het netwerk van de jongeren 3 Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan.

20

Stimulansz

hoofdstuk 4 gezond en veilig opgroeien

4 Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. De jeugdzorg kan eventueel worden verlengd totdat de jongere 23 jaar wordt.

4.5

Jeugdwet

afstemming met andere vormen van hulp De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; • communicatie met andere organisaties en de gemeente; • afbakening van taken en verantwoordelijkheden; • aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en hulp-op-maat; • [aanvullen]. De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.

Naar inhoudsopgave

21

Stimulansz

hoofdstuk 5 wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psycho-sociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven.

Kernwaarden Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven. De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.

Naar inhoudsopgave

Gewicht

5.1

Wmo

uitgangspunten 1 De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. 2 In een beleidsplan legt de gemeente vast op welke manier dit hoofdstuk wordt uitgevoerd.

22

Stimulansz

hoofdstuk 5 wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.2

zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 geschikte woning

Wmo

1 De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. 2 Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten (meer dan 3 [bedrag]) aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning, als deze beschikbaar is. De inwoner kan dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze verhuiskostenvergoeding is maximaal [bedrag] per aanvraag. 3 De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woon­ voorziening. De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties: a | De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. b | De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. c | De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners. d | Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.

e | De inwoner is zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. Naar inhoudsopgave

f | De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg. g | De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend. 4 Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: a | de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b | de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of als c | de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.

5.2.2 een schone en leefbare woning

Wmo

1 De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. 2 De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner de voorziening ‘hulp bij het huishouden niveau 1’ of ‘hulp bij het huishouden niveau 2’ aangeboden krijgt. Hulp bij het huishouden 1 bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon. Hulp bij het huishouden 2 bestaat uit meer dan alleen schoonmaakhulp. Belangrijk hierbij is structuur in de huishouding aan te brengen. 3 Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

23

Stimulansz

hoofdstuk 5 wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.2.3 beschermd wonen

Wmo

1 De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. 2 Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van [naam centrumgemeente], zoals vastgesteld door de gemeenteraad van [naam centrumgemeente] op [datum].

5.2.4 maatschappelijke opvang

Wmo

1 De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Dit als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. 2 Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van [naam centrumgemeente], zoals vastgesteld door de gemeenteraad van [naam centrumgemeente] op [datum].

5.3

mantelzorg 5.3.1 ondersteuning mantelzorger

Wmo

1 De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-opmaat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. 2.De hulp-op-maat houdt in dat een professionele hulpverlener de mantel­ zorg voor een korte periode overneemt, of dat een pgb wordt ver­strekt dat kan worden ingezet om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten.

5.3.2 mantelzorgwaardering

Wmo

1 De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorg­ waardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen. 2 De mantelzorgwaardering heeft de volgende vorm: a | [vorm mantelzorg] b | [vorm mantelzorg].

5.3.3 voorwaarden mantelzorgwaardering

Wmo

1 Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door degene die mantelzorg ontvangt. Er moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden: a | De mantelzorg wordt over een langere periode verleend. b | De mantelzorger geeft geen betaalde hulp aan de inwoner. 2 De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd voor [datum]. 3 De inwoner kan slechts voor één persoon een mantelzorgwaardering aan­v ragen. Naar inhoudsopgave

24

Stimulansz

hoofdstuk 6 vervoer naar school Ieder kind heeft recht op onderwijs dat bij zijn talenten en mogelijkheden past en dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school groot voor het kind, of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan meestal een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school.

Kernwaarden

Gewicht

Kinderen hebben recht op onderwijs dat bij hun talenten en mogelijkheden past. Kinderen moeten veilig kunnen reizen naar de school die aansluit bij de levensovertuiging en godsdienst van de ouders. De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner.

Naar inhoudsopgave

6.1

Llv

uitgangspunten 1 Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat het kind naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of zij hulp van de gemeente kunnen krijgen bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp van de gemeente heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten of om aangepast vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het is mogelijk dat ouders van kinderen op de basisschool een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage. 2 Krijgen ouders een vervoersvoorziening en wordt het kind meerderjarig? Dan wordt de vervoersvoorziening niet langer aan de ouders verstrekt. Het kind kan dan zelf een vervoersvoorziening krijgen als hij aan de voorwaarden voldoet.

25

Stimulansz

hoofdstuk 6 vervoer naar school

6.2

Llv

onderzoek 1 De gemeente onderzoekt of ouders een vervoersvoorziening kunnen krijgen. Als dat zo is gaat de gemeente na welke voorziening er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook onderzoekt de gemeente of er begeleiding nodig is bij het reizen. 2 Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de afstand van de woning of opstapplaats van het kind is tot de dichtst­ bijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind. 3 De gemeente betrekt bij het onderzoek het ondersteuningsplan voor het kind. Dit plan is vastgesteld door het samenwerkingsverband van scholen, na overleg met de gemeente. 4 Gaat het kind naar de basisschool, dan onderzoekt de gemeente ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of de ouders een eigen bijdrage moeten betalen.

6.3.2 bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer

6.3

voorwaarden 6.3.1 vervoersvoorziening

Llv

1 De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als het kind: a | minimaal vier jaar oud is, of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; b | in de gemeente [naam gemeente] woont; c | naar de basisschool gaat, speciaal of voortgezet onderwijs volgt; en d | vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. Naar inhoudsopgave

2 De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening, als het kind: a | minimaal vier jaar oud is; b | naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en c | de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, meer dan zes kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; of d | het kind naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde passende school, en de ouders in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen die dichter bij gelegen school. 3 Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind. 4 De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. Llv

1 De gemeente verstrekt aan ouders die een vervoersvoorziening krijgen voor een kind dat speciaal onderwijs volgt en in een internaat of pleeggezin verblijft, ook een vervoersvoorziening voor: a | het weekendvervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie. b | het vakantievervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd. 2 De regels uit de andere artikelen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantie­vervoer, behalve artikel 6.4 lid 2, onderdeel a.

26

Stimulansz

hoofdstuk 6 vervoer naar school

6.4

vorm en hoogte 6.4.1 vervoersvoorziening

Llv

1 De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV). Ouders kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de basisschool, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf (zie artikel 6.4.2). 2 Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties: a | Het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van de reistijd met het OV. b | OV naar school ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding). c | Het kind kan niet begeleid worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk. d | Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). 3 Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan beperkt de gemeente de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider.

Naar inhoudsopgave

4 De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. 5 Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag bij de ouders in rekening. Dit is de eigen bijdrage. 6 De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de Reisregeling binnenland. 7 Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/823/documents/30143