CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 3 juni 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen tweede wijziging omgevingsplan voor bodem, Bouwhuyslocatie, Zuidbuitenpoldersekade en bedrijventerreinen - Raadsvoorstel33.915 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Duidelijkere/eenvoudigere regels Minder regels waar dat kan Informa�e vragen om efficiënt te kunnen werken

Hierna wordt ingegaan op deze 3 verbeteringen. 1. Er is gekozen voor heldere regels door: Bij verschillende onderwerpen zijn onduidelijke regels (op rijksniveau/bruidsschat) aangepast of nader toegelicht. 1) Zo is �jdelijk uitnemen van grond met een bodemkwaliteit onder de interven�ewaarde nader toegelicht. 2) Ook zijn er normen gesteld voor de zuurgraad (pH) en het gehalte barium voor grond die wordt toegepast. Deze normen staan niet in de rijksregels, maar volgen wel uit de algemene zorgplicht. Dit voorkomt vragen en onduidelijkheden. 3) Bij het saneren van vluch�ge (uitdampende) stoffen is in plaats van verregaande, ingewikkelde aanvullende maatregelen gekozen om de saneringsaanpak; 'verwijderen van verontreiniging' te verplichten. 4) Voor het toepassen van thermisch gereinigde grond en 5) aandachtsbouwstoffen is gekozen voor een verbod. Afwijken kan dan met maatwerk of een vergunning. 2. Er is gekozen voor minder regels als dat kan: 1) Zo worden de regels voor kleinschalig graven niet overgenomen uit de bruidsschat. Kleinschalige graafwerkzaamheden hebben een beperkte impact op het milieu. Het Rijk hee� dit dan ook niet aangewezen als milieubelastende ac�viteit. Daarnaast gee� het extra meldingen. Omdat de milieuimpact klein is zal in de prak�jk een toezichthouder er ook weinig prioriteit aan geven. De huidige prak�jk wijst ook uit dat er vrijwel nooit iets aan de hand is.

Daarnaast geldt voor alle werkzaamheden de zorgplicht. Op basis hiervan kan bij voorkomende gevallen opgetreden worden. 3. Er is gekozen voor informa�e die efficiënt werken mogelijk maakt: 23

Bij de meeste meldingen wordt extra informa�e gevraagd. Het gaat om informa�e die bij de aanvrager/melder bekend is en die hij voor handen hee�. Met die informa�e kan de omgevingsdienst efficiënter werken. 1) Het gaat om inhoudelijk informa�e, waarmee direct en digitaal de risico's van het werk inzichtelijk zijn. 2) Het gaat ook om een digitaal bestand van een bodemonderzoek (zogenaamde xml), zodat die automa�sch ingelezen kunnen worden in het landelijke registra�esysteem. Die registra�e is verplicht op basis van de wet Basisregistra�e Ondergrond.

8.5.

Dereguleringstoets

Bij het opstellen van de regels voor bodemkwaliteit is een globale toets uitgevoerd op noodzaak, alterna�ef en de effecten op de uitvoering voor ini�a�efnemer, vergunningverlening en toezicht en handhaving. Deze toets is nog beperkt uitgevoerd en zal komende wijzigingen van het omgevingsplan geëvalueerd worden. 8.4.1. Noodzaak Voor bodem is gekozen voor een nagenoeg beleidsneutrale omze�ng. Er wordt grotendeels aangesloten bij de huidige informa�e-, meld- en vergunningplichten in het Bal voor bodem en huidig bodembeleid vanuit de regio wordt voortgezet. De mogelijkheid voor maatwerkbeleid vanuit het Bal wordt benut om een aantal aanvullende normen (algemene regels) te stellen voor stoffen zoals PFOA en lood, ac�viteiten en informa�evereisten. De noodzaak van voortze�ng, een beperkte uitbreiding van de regels, is evident. Het niet stellen van regels kan direct gevaar opleveren voor de gezondheid en de leefomgeving. 8.4.2 Alterna�ef Het huidige instrumentarium van meldingen, vergunningen, zorgplicht en maatwerk is voortgekomen uit een gegroeide prak�jk die hoofdzakelijk tussen omgevingsdienst en professionele par�jen plaatsvindt. Vanuit de par�cipa�e zijn geen duidelijke signalen naar voren gekomen dat – los van het DSO – deze prak�jk niet goed werkt of vereenvoudiging behoe�. Deregulering van deze prak�jk zal bovendien niet eenvoudig zijn, juist vanwege de complexiteit.

Het ligt voor hand om deregulering van bodemregels niet als eerst aan te pakken. Er is in dit omgevingsplan daarom gekozen voor een zoveel mogelijk beleidsneutrale omze�ng met min of meer gelijkblijvende uitvoeringslasten voor ini�a�efnemer, vergunningverlening en toezicht en handhaving. Ook financieel zijn geen verschuivingen te verwachten. 8.4.3 Effecten op uitvoering Door de omgevingsdienst is nagegaan wat de nieuwe regels betekenen voor de uitvoeringsprak�jk: •

•

•

In de bodemregels wordt de verblijfs�jd van 2 uur geschrapt uit de defini�e van een bodemgevoelig gebouw. Dit levert bij de toetsers minder discussie op (intern en met ini�a�efnemer), maar zal wel leiden tot enkele onderzoeken per jaar meer die getoetst moeten worden. Neto zal het niet veel schelen in kosten en uren. De norm van PFOA en lood wordt strenger. Dit levert voor de toetser weinig tot geen meerwerk op, want de toets blij� ongeacht de norm hetzelfde. Wel zal dit leiden tot enkele loca�es meer die gesaneerd moeten worden. Dit kan meer werk opleveren voor toezicht en handhaving. Bij de indieningsvereisten wordt nu ook een xml gevraagd. Dit scheelt de afdeling die bodemrapporten invoert aanzienlijk werk en maakt het mogelijk om te voldoen aan de wet Basis Registra�e Ondergrond (gaat half 2025 in voor registra�e bodemonderzoek). 24

•

•

•

In de bodemregels is ook meer beoordelingsruimte voor de bodemkwaliteit geregeld. Dit scheelt werk en kosten. Dit voorkomt moeilijke discussies en/of zoeken naar andere kaders om de bodemproblemen op een loca�e aan te pakken. Voor toetsen van het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw veranderd er niets, omdat deze toets en regels al verplicht waren vanuit de voorbeschermingsregels van de provincie en (verplicht) overgenomen zijn. Voor het checken van de uitvoer van een sanering voor de omgevingsvergunning bouw veranderd er niets. Een afschri� van de melding saneren moet worden toegevoegd bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Voor ingebruikname moet een afschri� van de evalua�e worden aangeleverd of iets vergelijkbaars. Dit was al zo en blij� zo. Dat een sanering mogelijk anders moet worden uitgevoerd door lokale regels veranderd verder niets voor het ambtelijke werk of kosten.

Per saldo is de verwach�ng dat de uitvoeringslasten gelijk zullen blijven.

9. Integrale afweging De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om na te gaan of de regels in het omgevingsplan bijdragen aan een evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es. Het gaat daarbij om het zoeken naar de balans tussen beschermen en benuten van de fysieke leefomgeving als bedoeld in ar�kel 1.3 Omgevingswet. In voorgaande hoofdstukken zijn alle omgevingsaspecten en effecten van dit plan getoetst en afgewogen of deze nega�ef of posi�ef zijn. In hoofdstuk 6 is per omgevingsvisiedoel nagegaan wat het effect is van de gestelde regels ten opzichte van de referen�esitua�e. Daaruit blijkt dat als totaaluitkomst geen nieuwe nega�eve effecten zijn te verwachten en dat op bepaalde onderdelen sprake is van een posi�ef effect. De regels zijn niet in strijd met instruc�eregels en/of milieubelangen. Ook de uitkomsten van de toets op uitvoerbaarheid laat zien dat uitvoering van deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe nega�eve effecten gee�. Daarmee kan geconcludeerd worden dat uitvoering van dit plan bijdraagt aan een evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es. Daarbij is de toedeling van func�es of ac�viteiten aan loca�es a�ankelijk van de bodemkwaliteit. Het is de vraag of de bodemkwaliteit deze func�es en ac�viteiten op die loca�es toelaat. Een slechte bodemkwaliteit kan risico's voor de gezondheid en het milieu opleveren.

Deze wijziging omgevingsplan hee� ten doel om de gezondheid en het milieu beter te beschermen en het voorkomen van een verslechtering van de bodemkwaliteit. De regels zorgen ervoor dat zorgvuldiger wordt omgegaan met de verdeling van func�es. Het doel is de juiste balans tussen beschermen en benuten te zoeken.

25

DEEL C: BOUWHUYSLOCATIE 10. Inleiding 10.1. Aanleiding In de wijk Wielwijk wordt al enkele jaren gewerkt aan vernieuwing met als kaders de visie 'Wielwijk sterk en weerbaar 2006-2015' (2007), het beeldkwaliteitsplan Herstructurering Wielwijk (2009) en het Stedenbouwkundig kader Parklint Wielwijk (2015). Het plangebied Maarten Harpertszoon Trompweg 229, beter bekend als de Bouwhuysloca�e, biedt de mogelijkheid tot de ontwikkeling van een aantrekkelijke woningbouwloca�e. Hiervoor is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

10.2. Doel van deze omgevingsplanwijziging Het doel van deze omgevingsplanwijziging voor de Bouwhuysloca�e is om woningbouw mogelijk te maken.

10.3. Ligging plangebied Het plangebied ligt in de wijk Wielwijk en wordt begrensd door: • In het noorden: Wit t e d e Wit h s t ra a t • In het oosten: Maarten Harpertszn Trompweg • In het zuiden: Simon de Danserweg • In het westen: Admiraal de Ruyterweg

10.4. Planbeschrijving 10.4.1 Bestaande situa�e De Bouwhuys-loca�e ligt in de zuidwesthoek van Wielwijk. Het plangebied (ca. 2,5 ha.) wordt begrensd door de Admiraal de Ruyterweg, parallel aan de A16, de Wite de Withstraat, de Simon de Danserweg en het toekoms�ge parklint, t.h.v. de Maarten Harpertzn Trompweg. Met de visie ‘Wielwijk sterk en weerbaar 2006-2015’ (2007), het Beeldkwaliteitsplan Herstructurering Wielwijk (2009) en het Stedenbouwkundig kader Parklint, Wielwijk (2015) als kaders wordt in Wielwijk al enkele jaren gewerkt aan vernieuwing. De huidige bebouwing bestaat uit een scholencomplex (het Bouwhuys), een bedrijfsverzamelgebouw en een por�eketageflat (eigendom van woningcorpora�e Woonbron). De school verhuist de komende jaren naar een andere loca�e. Een aantal maatschappelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld de tandarts, krijgen de mogelijkheid om zich in het nieuwe plan te kunnen ves�gen. De por�eketageflat van woonbron is aan vervanging toe. In de nieuwe situa�e zal nieuwbouw plaatsvinden op nagenoeg dezelfde loca�e. 10.4.2 Huidige bestemmingen Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Wielwijk, Crabbehof en Zuidhoven'. De gemeenteraad stelde dit plan vast op 14 oktober 2014. De loca�e hee� daarin de bestemmingen 'Gemengd', ‘Verkeer’, 'Groen', 'Tuin' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie-3'.

Ook valt het plangebied binnen de veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen en de geluidzone industrie. Hierna een weergave van de bestemmingsplanverbeelding. Daarop zijn ook de bouwvlakken zichtbaar. De bouwvlakken zijn vrijwel volledig bebouwd in de huidige situa�e. 26

10.4.2 Nieuwe situa�e Voor de ontwikkeling van de bouwhuysloca�e is een stedenbouwkundig plan opgesteld (te vinden op de website Omgevingsplan 2e wijziging. Dat is in samenwerking met woningcorpora�e en ontwikkelaar tot stand gekomen. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van woningbouw in een campusmodel.

A�eelding 2 impressie van het stedenbouwkundig plan

In het stedenbouwkundig plan is een mix van verschillende bouwblokken. Zij variëren in korrelgroote, bebouwingshoogte en woningtypologieën. Door voordeuren en levendige plinten op de begane grond te situeren staan de bouwblokken met hun voeten in het park en zijn gericht op de specifieke lokale kwaliteiten, zoals bomen, groen of water. De groenblauwe structuurdragers van de wijk – parklint en Wielwijkpark – kruisen elkaar bij de Bouwhuysloca�e. Door de menging van verschillende woontypologieën ontstaat een mix van ca. 152 appartementen (70%) en 61 grondgebonden woningen (30%), in totaal circa 213 woningen. 10.4.3 Conclusie De volgende set regels zal worden toegevoegd aan het omgevingsplan Dordrecht voor de percelen gelegen tussen Cornelis Evertsenstraat-Maarten Harpertsz Trompweg-Simon de Danserweg- Admiraal de Ruyterweg: -

Func�e Woongebied, Maatschappelijk en Horeca-1 Vergunningplicht bouwen en omgevingsnormen ten aanzien van bebouwing Normen ten aanzien van geluid en omgevingsveiligheid

Het betre� daarmee grotendeels een beleidsvernieuwing van het omgevingsplan Dordrecht. Deze regels zullen de bepalingen in het voormalige bestemmingsplan dat geldt op deze loca�e overschrijven (bestemming Gemengd oa.). 27

Het plan voor deze loca�e is eerder opgestart dan de Omgevingswet. De meeste onderzoeken in het kader van dit plan zijn daarmee onder de oude wetgeving uitgevoerd. Waar nodig zijn onderzoeken geactualiseerd. De andere onderzoeken zijn nog actueel genoeg om te gebruiken zoals bijvoorbeeld het onderzoek luchtkwaliteit (terug te vinden in het rapport ''Integraal advies milieuonderzoeken''). Daar is het wetelijk kader inhoudelijk niet gewijzigd onder de Omgevingswet.

10.5. Milieubeoordeling De Omgevingswet verplicht de gemeente om na te gaan of de voorgenomen ac�viteiten mogelijk tot nadelige milieueffecten kunnen leiden. Indien de regels ac�viteiten mogelijk maken die opgenomen zijn in kolom 1 bijlage V van het Omgevingsbesluit kan een m.e.r.(beoordeling) verplicht zijn. De m.e.r. beoordeling is er dan op gericht na te gaan of uitvoering van het plan kan leiden tot aanzienlijke effecten op het milieu. Zijn er aanzienlijke effecten, dan is een m.e.r. procedure noodzakelijk. 10.5.1 Kenmerken ontwikkeling en omgeving De ontwikkeling die is voorzien in dit plan omvat voornamelijk woningbouw. Daarnaast is er ruimte voor kleinschalige maatschappelijke func�es, zoals een (tand)artsenprak�jk. De omgeving van het bouwplan is te kenmerken als binnenstedelijk gebied met diverse func�es zoals maatschappelijk (voormalig opleidingsins�tuut), wonen (por�ekflat sociale huur) en bedrijvigheid (bedrijfsverzamelgebouw). De loca�e bevindt zich in de wijk Wielwijk, hoofdzakelijk een woonwijk. De loca�e is omgeven door woningen bestaande uit eengezinswoningen en flats en een park. 10.5.2 Beoordeling milieueffecten Het toevoegen van woningen kan aangemerkt worden als een ac�viteit als bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit categorie J11: stedelijk ontwikkelingsproject (met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen).

Voor deze categorie geldt een m.e.r. beoordelingsplicht als sprake is van 'aanleg, wijziging of uitbreiding'. De m.e.r.-plicht is niet van toepassing. Met deze omgevingsplanwijziging wordt de func�e gewijzigd van een perceel en woningbouw aangelegd. Vanuit jurispruden�e kan op basis van de volgende 5 criteria bepaald worden of er wel of geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is en wat de milieueffecten zijn. Hieronder is de ontwikkeling beoordeeld. • 1. de aard en de omvang van de voorziene wijziging De aard van de func�ewijziging past binnen de stedenbouwkundige structuur van de wijk Wielwijk. In eerder vastgestelde beleidslijnen, zoals de visie voor Wielwijk uit 2006, is de woningbouwontwikkeling voor deze loca�e al voorzien. De omvang van de voorgenomen wijziging is beperkt ten opzichte van de huidige situa�e en omgeving. In de huidige situa�e is sprake van bedrijfsbebouwing waar voorheen een opleidingsins�tuut in zat. Deze loca�e ligt centraal in de wijk Wielwijk. In de nieuwe situa�e komen woningen in de vorm van hoogbouw op deze loca�e, wat aansluit op de rest van Wielwijk wat zich afwisselt met laag- en hoogbouw. Ook wordt aandacht besteedt aan de aanslui�ng op het park ten oosten van het plangebied. In het plan is ruimte voor groen opgenomen, in lijn met de toekoms�ge omgevingsplanregel voor groenblauw (40% van het totale plangebied). • 2.

de wijziging van opzet en vormgeving (eventuele uitbreiding bebouwde oppervlakte) Er wordt slechts een beperkte wijziging aangebracht in de huidige ruimtelijke opzet van de percelen. In de huidige situa�e bevinden zich grote bouwvlakken op het perceel die vrijwel volledig zijn bebouwd. Met bijgebouwen erbij geteld is ongeveer 9.000 m2 bebouwd in de huidige situa�e. Voor het nieuwbouwplan is ingestoken op hoogbouw en zal minder verharding en bebouwing terugkomen. 28

Uitgangspunt is vergroening. In het nieuwe plan zal het parkeren grotendeels inpandig of ondergronds worden opgelost in de plaats van volledig parkeren op maaiveld zoals in de huidige situa�e. In de nieuwe situa�e zal ongeveer 5.000 m2 bebouwd kunnen worden (bouwvlakken). Er wordt, omdat het een binnenstedelijke loca�e betre�, in lijn met de woonvisie ingezet op hoogbouw. Ook is geborgd in het omgevingsplan dat moet worden voldaan aan het stedenbouwkundig plan en de welstandsnota. Daarmee wordt het groene inrich�ngsplan geborgd. • 3. mogelijke gevolgen voor het milieu De belangrijkste milieuaspecten zijn geluid, omgevingsveiligheid, bodem, water en natuur. De uitvoering van de voorgenomen planontwikkeling leidt tot geen significante effecten bij de genoemde milieuaspecten ten opzichte van de hiervoor beschreven huidige situa�e. In hoofdstuk 2 Omgevingsaspecten worden de milieuaspecten uitgebreid behandeld. Ten aanzien van geluid en omgevingsveiligheid worden maatregelen en voorwaarden in het omgevingsplan vastgelegd voor deze loca�e. 4. veranderingen van het woon- en lee�limaat (door bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking) De ontwikkeling van de Bouwhuysloca�e tot een woningbouwloca�e leidt tot een verkeerstoename. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat het lukt om de toename van het verkeer zonder nadelige effecten te verwerken.

De omliggende verkeersstructuur kan deze toename van verkeersbewegingen aan en daarmee past het plan binnen de verkeersnormen. De toename leidt niet tot significante effecten voor de omgeving. •

Ook de s�ksto�erekening toont aan dat de realisa�e en toename in verkeersbewegingen niet leidt tot significante effecten voor de omgeving. • 5. de vraag of het project is gelegen in bestaand stedelijk gebied Het project is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied; het leidt niet tot een significante toename van het ruimtelijk beslag. Na realisa�e van dit project zal het karakter van de omgeving in de omgeving niet veranderen. Het project past binnen de huidige ruimtelijke en func�onele structuur. Conclusie Op basis van het bovenstaande (en alle uitgevoerde milieuonderzoeken) is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de voorziene ontwikkeling met deze wijziging van het omgevingsplan. Gelet op de kenmerken en effecten van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat de milieueffecten van de ontwikkeling niet van dusdanige omvang zijn dat sprake is van 'belangrijke nadelige milieugevolgen'. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het opstarten van een m.e.r. procedure.

10.6. Instruc�eregels rijk en provincie Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de instruc�eregels voor omgevingsplannen van het rijk. 10.6.1 Rijk Het rijk verplicht de gemeente om in het omgevingsplan rekening te houden met het belang vanuit het waarborgen van de veiligheid, bescherming van de gezondheid en het milieu, ruimte voor toekoms�ge func�es en bescherming van onder andere landschappelijke waarden.

29

Ten aanzien van gasleiding, waterleidingen en geluidszone ten aanzien van de A16 en industrie in het gebied worden regels opgenomen die voorkomen dat kwetsbare func�es zijn toegestaan. Ook worden regels ten aanzien van het plaatsgebonden- en groepsrisico opgenomen. Omdat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een mo�vering ten aanzien van de ladder van duurzame verstedelijking (Bkl) verplicht. Deze wordt hieronder behandeld. Verder zijn er geen instruc�es van het rijk waar in dit plan invulling aan moet worden gegeven. -

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instruc�eregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet rekening worden gehouden met de behoe�e aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoe�e aan die stedelijke ontwikkeling. Het plan voor de Bouwhuysloca�e voorziet in de bouw van circa 209 nieuwe woningen, ook is er sprake van een func�ewijziging. Het plan voldoet hiermee aan de criteria om te kunnen spreken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoe�e aan de nieuwe woningen wordt onderbouwd aan de hand van de regionale woonvisie 2017-2031 van de regio Drechtsteden. In de woonvisie wordt een grote vraag naar woningen in de toekomst voorzien. Er wordt ingezet op een regionale groei van 25.000 woningen: • •

10.000 woningen om in de eigen woningbehoe�e te voorzien; 15.000 woningen om in de groeipoten�e te voorzien.

Belangrijk aandachtspunt bij deze groei is het maken van een schaal- en kwaliteitssprong. Dit vertaalt zich in een groei van woningen voor hoogopgeleiden en jongeren in de regio. De groeiopgave is verdeeld en afgestemd onder de zeven gemeenten binnen de regio Drechtsteden. Het woningbouwprogramma van de regio wordt jaarlijks gemonitord volgens het provinciale programma Ruimte en daarna wordt erover gerapporteerd aan de provincie Zuid-Holland. In het coali�eakkoord 2022-2026 is verbinding gezocht met de Agenda Dordrecht 2030 en is bepaald dat de gemeente Dordrecht nog steeds inzet op groei van het inwonertal. Zo staat er: 'Met de bouw van duizenden extra woningen willen we in 2030 ruimte bieden aan 140.000 inwoners. Die zijn nodig om de mooie voorzieningen die we hebben te behouden. Meer inwoners betekent méér draagkracht. We willen het woningaanbod beter afstemmen op de vraag'. Vanuit de regionale woonvisie en het coali�eakkoord volgt een duidelijke vraag naar woningen. Dit plan voorziet in deze behoe�e. Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het defini�eve woningprogramma wordt ter beoordeling aan de Provincie voorgelegd. 10.6.2 Provincie In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (in werking per 24 juli 2024) zijn instruc�eregels opgenomen ten aanzien van dit plangebied. Deze worden hierna beschreven en getoetst. -

Ruimtelijke kwaliteit 30

Ten aanzien van dit plan is sprake van ‘inpassen’, want de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsiden�teit en voorziet geen wijziging op structuurniveau. In de bestaande situa�e is het perceel al voor meer dan de hel� bebouwd en is de openbare ruimte grotendeels verhard. In de toekoms�ge situa�e zijn woningen voorzien op deze loca�e en (maatschappelijke) voorzieningen zoals een tandarts of huisartsenprak�jk en horeca. Er zal minder bebouwd worden dan voorheen en de openbare ruimte zal meer vergroend worden (o.a. door parkeren inpandig of ondergronds op te lossen). De bebouwing zal wel hoger zijn ten aanzien van de huidige bebouwing van het voormalige opleidingsins�tuut. Er is dus voornamelijk sprake van een func�ewijziging, maar gering sprake van meer massa omdat in de huidige situa�e al bebouwing aanwezig is en er bewust meer groen dan verharding wordt teruggebracht. Daarbij ligt dit perceel in de woonwijk Wielwijk; een wijk die zich kenmerkt met woningen (eengezinswoningen en flats) en een park. Extra woningen passen dus binnen de bestaande gebiedsiden�teit van Wielwijk. Ook zijn de visies en het stedenbouwkundig plan Wielwijk uitgangspunt voor de ontwikkeling die zorgen voor aanslui�ng op de bestaande wijk en iden�teit.

Er is dus geen sprake van een wijziging op structuurniveau, maar van een plan waarbij rekening is gehouden met de aard en schaal van de wijk. In ar�kel 7.43a c.q. 7.43c is bepaald dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen is toegestaan als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blij�. Doordat hier een stedenbouwkundig plan voor is gemaakt is geborgd dat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blij�. De stedenbouwkundige randvoorwaarden uit het stedenbouwkundig plan zijn in het omgevingsplan vastgelegd als voorwaarden voor het verlenen van de omgevingsvergunning. - Beschermingscategorieën en andere aspecten De loca�e van dit plan valt niet binnen een gebied met beschermingscategorie 1, 2 of 3. Ook zijn er geen instruc�eregels van toepassing ten aanzien grondwaterbescherming, groene buffer en anders. De loca�e valt niet binnen één van deze zones. - Toekomstbestendig bouwen Op basis van ar�kel 7.41aa moet een omgevingsplan dat voorziet in 12 woningen of meer de mogelijkheden voor toekomstbestendig bouwen mo�veren. Daarvoor moeten de volgende 7 onderwerpen in samenhang worden betrokken: a. de risico’s van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d.

de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. In het stedenbouwkundig plan, dat is vastgelegd in het omgevingsplan, staan uitgangspunten over het omgaan met klimaatverandering, circulariteit, gezondheid, biodiversiteit en energieneutraliteit. De uitwerking hoe hier precies rekening mee wordt gehouden volgt bij het bouwplan in de volgende fase. Door meer hoogbouw en ondergronds parkeren toe te voegen komt meer ruimte vrij voor vergroening en flora en fauna, maar ook voor speelplekken. Bij de sloop wordt zoveel mogelijk van de materialen van de huidige bebouwing hergebruikt. De regels in de tweede wijziging zorgen ervoor dat de eisen uit stedenbouwkundig plan doorwerken in de planuitvoering; voor zowel bouwen als het bouw- en woonrijp maken is een 31

omgevingsvergunning nodig. Die kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de groenblauwe eisen uit het stedenbouwkundig plan. Alleen voor energie zijn geen eisen opgenomen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving laat niet toe dat het omgevingsplan hier strengere eisen stelt. Hierover worden afzonderlijke afspraken gemaakt met de ontwikkelaar en corpora�e. Deze belangen komen verder aan bod in Hoofdstuk 2 in het kader van de omgevingsvisiedoelen. Over drinkwaterbesparing wordt in een volgende fase nagedacht bij het opstellen van bouwplan.

-

Biodiversiteit

Op basis van ar�kel 7.45ca moet een omgevingsplan de mogelijkheden voor het bevorderen van de biodiversiteit mo�veren. Daarbij hanteert de provincie richtlijnen vanuit de ‘Handreiking Versterken van Biodiversiteit bij Stedelijke Ontwikkelingen’. De 4 richtlijnen zijn: 1. Behoud en bescherm bestaande natuur 2. Ontwikkel een habitat voor (icoon)soorten en zorg voor basiskwaliteit natuur 3. Realiseer voldoende ruimte voor natuur 4. Versterk en behoud groenblauwe structuren In 2.5 en 2.7 verderop wordt ingegaan op het versterken van de groenstructuren, het natuuronderzoek (de Quickscan Flora en Fauna)en de uitgangspunten in het inrich�ngsplan. Bij deze ontwikkeling wordt het handboek NIBO toegepast met vergelijkbare richtlijnen. Zo zijn voor dit habitat de doelsoorten benoemd met de maatregelen. - Voldoende betaalbare en sociale huurwoningen In ar�kel 7.47a staat bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden voorzien in voldoende sociale huurwoningen. In 1.6.1, bij de ladder duurzame verstedelijking is geconcludeerd dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling op de Bouwhuysloca�e. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoe�e als bedoeld in ar�kel 7.44. De Bouwhuysloca�e is opgenomen in het regionaal woningbouwprogramma en in 2023 al afgestemd met de provincie.

In het regionaal woningbouwprogramma is het als volgt opgenomen: -

Gedeelte zonder sociale huur: 178 woningen waarvan 75 betaalbare koop (tot 390.000 euro) en 103 duurdere koop - Gedeelte met sociale huur: 36 sociale huurwoningen Het aandeel sociale huur betre� minder dan 30%. Dit gaat gecompenseerd worden met andere projecten elders in de stad. In dit geval zijn regionaal bestuurlijke afspraken gemaakt over het aandeel sociale huurwoningen, waarmee gedeputeerde staten voor het vaststellen van deze wijziging omgevingsplan in zal stemmen.

11. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt het plan voor de Bouwhuysloca�e getoetst aan de omgevingsvisie van de gemeente Dordrecht. De omgevingsvisie schept kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit helpt om onder andere de groeiopgave waar Dordrecht voor staat in goede banen te leiden. De Omgevingsvisie onderscheidt 7 hoofddoelen met bijbehorende subdoelen: Dordrecht is … 1. 2. 3. 4. 5.

een aantrekkelijke stad, een bereikbare stad, een gezonde stad, een stad met ene uitstekend ves�gingsklimaat, klimaatbestendig in 2035, 32

6. energieneutraal in 2050, 7. beschermend en bevorderend voor biodiversiteit. De omgevingsvisie maakt onderscheid tussen verschillende gebieden en zones. Elk gebied of zone hee� een eigen karakter en kent daarmee eigen ontwikkelmogelijkheden en grenzen. Voor ieder gebied gelden één of meerdere voorkeursdoelen. Dat zijn de doelen waar de gemeente de komende jaren extra op inzet om een maximale kwaliteit van de lee�aarheid te bereiken. Bij de afweging of een plan binnen de omgevingsvisie past moeten in ieder geval een posi�eve bijdrage aan de prioritaire doelen worden behaald en mag geen a�reuk worden gedaan aan de overige doelen. Het gebied van de Bouwhuysloca�e is aangemerkt als woonwijk. De prioritaire doelen op deze plek zijn: aantrekkelijke stad en gezonde stad. Op deze twee doelen wordt in dit hoofdstuk eerst ingegaan. Daarna komen de 5 overige doelen aan bod. In Deel F van deze mo�vering zijn de omgevingsaspecten in tabel nader uitgewerkt. In deze tabel is per aspect beoordeeld of de uitvoering van dit plan bijdraagt aan het bijbehorende doel.

11.1. Aantrekkelijke stad Als onderdeel van de aantrekkelijke stad zet de gemeente in op het borgen van sterke, gedifferen�eerde en inclusieve woonwijken. Waar nodig wordt ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Onderdeel van de aantrekkelijke stad is ook het zorgdragen voor een goede voorzieningenstructuur en bescherming van cultuurhistorische en cultuurlandschappelijke waarden. Voor de Bouwhuysloca�e is gekozen voor een gevarieerd woningaanbod gericht op verschillende doelgroepen. In het gebied wordt al langere �jd gewerkt aan vernieuwing met als doel het aanbrengen van woningdifferen�a�e. Met de Bouwhuysloca�e krijgt de wijk opnieuw een kwalita�eve impuls en wordt een posi�eve bijdrage geleverd aan de woningvoorraad van de stad. Een deel van de sociale woningen in Dordrecht voldoet niet meer aan de eisen van deze �jd, zo ook de in het gebied gelegen por�eketageflat van Woonbron. De flat is aan vervanging toe, wordt daarom gesloopt en op vrijwel dezelfde plek herbouwd. Deze vervangende nieuwbouw zorgt voor een kwaliteitsverbetering binnen het bestaande sociale woningaanbod. In het plan wordt zoveel mogelijk aanslui�ng gezocht op de groenblauwe structuur van de omgeving. De groenblauwe kwaliteiten van de woonomgeving worden geaccentueerd, benut en verder uitgebreid. Dit draagt bij aan een aantrekkelijk woonklimaat.

Naast ruimte voor woningen is er in het gebied ruimte voor enkele maatschappelijke voorzieningen en horeca. Totaal is er ruimte voor 1.500 m2 aan voorzieningen. Bij doel doelstelling aantrekkelijke stad hoort ook het beschermen van cultuurhistorische waarden. In het plangebied zijn geen monumenten en geen cultuurhistorische of cultuurlandschappelijke objecten aanwezig. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmering voor het plangebied. Conclusie Het plan voor de Bouwhuysloca�e draagt posi�ef bij aan de doelstelling aantrekkelijke stad. 33

11.2. Gezonde stad Voor het tweede prioritaire doel: een gezonde stad, zet de gemeente in op voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid, het verbeteren van de omgevingsveiligheid, een akoes�sch aanvaardbare woon- werk- en leefomgeving en het gestaag verbeteren van de bodemkwaliteit. Uit de verschillende onderzoeken (te vinden op de website Omgevingsplan 2e wijziging) op deze onderdelen blijkt de ontwikkeling geen nega�eve gevolgen of effecten te hebben. De belangrijkste bevindingen uit de onderzoeken worden hieronder toegelicht. Omgevingsveiligheid In en rond het plangebied Bouwhuys zijn een aantal risicobronnen aanwezig. Dit betre� industrie, de A16 en een aardgastransportleiding. De aanwezigheid van deze risicobronnen leidt ertoe dat op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) binnen het plangebied aandachtsgebieden voor externe veiligheid aanwezig zijn. Deze aandachtsgebieden verschillen per risicobron. Voor transportroutes gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen in het Basisnet, in dit geval de A16 ten westen van het plangebied, zijn in bijlage 7 van het Bkl de volgende aandachtsgebieden vastgesteld, gemeten vanaf de rechterkant van de rechter rijstrook: - een brandaandachtsgebied van 30 meter; - een explosieaandachtsgebied van 200 meter; - een (concept) gifwolkaandachtsgebied van 300 meter.

Voor specifieke in bijlage 7 van het BKL genoemde industriële risicobronnen en aardgastransportleidingen varieert de omvang van de aandachtsgebieden per risicobron respec�evelijk gasleiding en moet de omvang hiervan door middel van berekening worden vastgesteld. Binnen de aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van �en of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een ac�viteit (het groepsrisico). Wetelijk kader Rijk Op basis van diverse wetelijke voorschri�en zoals de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit kwaliteit leefomgeving dient bij het opstellen van dit omgevingsplan minimaal de grenswaarde voor plaatsgebonden risico in acht worden genomen voor zover het Omgevingsplan (beperkt-)kwetsbare of zeer kwetsbare bestemmingen toelaat. Daarnaast gelden aandachtsgebieden waarbinnen rekening dient te worden gehouden met de kans op overleiden van een groep van �en of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van ongewoon voorval veroorzaakt door een ac�viteit; het groepsrisico (ar�kel 5.15 BKL). In het BKL is aangegeven dat in een omgevingsplan zowel een brandaandachtsgebied als een explosie aandachtsgebied wordt aangewezen als een brandrespec�evelijk explosie voorschri�engebied (ar�kel 5.14 lid 2).

Het aanwijzen van een voorschri�engebied leidt, op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), tot de eis dat een bouwwerk zodanig is uitgevoerd dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschri�engebied verbonden risico op brand of explosie wordt beperkt (4.90 eerste lid Bbl). In het omgevingsplan kan echter worden afgezien van het aanwijzen van een brand- en/of explosievoorschri�engebied of kan een kleiner brand- of explosievoorschri�engebied worden vastgesteld. Dit geldt niet voor een loca�e binnen een brand- en explosie aandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten (ar�kel 5.14 lid 3 BKL)

34

Provincie Zuid Holland (Omgevingsverordening) De Omgevingsverordening gee� in ar�kel 7.18 (Groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) aanvullende regels ten aanzien van externe veiligheid. Dit ar�kel is uitsluitend van toepassing als de ontwikkeling het poten�eel hee� om een verhoogd groepsrisico te veroorzaken. Het beoogt weloverwogen besluitvorming door bevoegde gezagen te bevorderen, waarbij externe veiligheid integraal wordt meegenomen. Dit draagt bij aan het overkoepelende doel van een veilige leefomgeving in Zuid-Holland, zoals beschreven in de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie. Gemeente Omgevingsvisie 1.0 (2020) Op basis van diverse wetelijke voorschri�en dient de gemeente aandacht te besteden aan het onderwerp externe veiligheid in ruimtelijke plannen. Het realiseren absolute veiligheid is geen haalbaar doel maar we beogen een transparante afweging te maken in de balans tussen veiligheid en andere maatschappelijke belangen en daarbij het groepsrisico (Kans op een ramp) te beheersen. Dit laatste doen we gebiedsgericht . Het de kern van ons veiligheidsbeleid is het zoveel mogelijk ruimtelijk scheiden van risicobronnen en (zeer-)kwetsbare ac�viteiten zoals deze zijn bedoeld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.

Groepsrisico/personendichtheden Met het in werking treden van de Omgevingswet is de omgang met het groepsrisico gewijzigd van een kwan�ta�eve benadering naar een meer kwalita�eve benadering door het instellen van zogenaamde aandachtsgebieden. Dit hee� in de Omgevingsvisie 1.0 geleidt tot gedifferen�eerde veiligheidsniveaus per gebied die zijn afgestemd op de beoogde gebruiksintensiteit (Personendichtheden) en de sociaal-economische func�es. Dit vergt een hybride benadering waarbij zowel de berekening van het groepsrisico (en hiermee samenhangend personendichtheden) als aandachtsgebieden/voorschri�engebieden een rol spelen bij de beoordeling van risico's. We streven hierbij al�jd naar een zo veilig mogelijke leefomgeving waarbij: • In het centrum gebied een maximale personendichtheid per hectare wordt gehanteerd die correspondeert met 4 maal de oriënta�ewaarde; • binnen de kantorenloca�es, industrie- en bedrijventerreinen een maximale personendichtheid per hectare wordt gehanteerd die correspondeert met 1 maal de oriënta�ewaarde. Dit met uitzondering van het risicogebied externe veiligheid In de Zeehaven Dordrecht waarbinnen geen maximum personendichtheid is vastgesteld; • binnen de woongebieden een maximale personendichtheid per hectare wordt gehanteerd die correspondeert met 0.75 maal de oriënta�ewaarde.

Dit met uitzondering van de gebieden Leerpark en Gezondheidspark waar, gezien de func�emenging in het gebied, een maximale personendichtheid per hectare wordt gehanteerd die correspondeert met 1.5 maal de oriënta�ewaarde. Beleid aandachtsgebieden transport risico's Basisnet Alle binnen de gemeente aanwezige basisnetroutes hebben van rechtswege een aandachtsgebied Brand-, explosie en een concept aandachtsgebied gifwolk. In de omgevingsvisie is aangegeven dat binnen het explosie aandachtsgebied de bouw van zeer kwetsbare gebouwen niet is toegestaan. Binnen het brand aandachtsgebied geldt dit verbod ook voor (beperkt-)kwetsbare gebouwen. Naast bovenstaande verboden gee� de omgevingsvisie eveneens aan langs welke basisnetroutes voorschri�engebieden worden ingesteld. Voor de A16, tussen afrit 21 (Dordrecht) en afrit 20 (randweg Dordrecht), is sprake van zeer beperkt vervoer van brandbare gassen (minder dan 100 voertuigen per jaar). Dit beperkte transport gee� geen aanleiding tot het instellen van een explosie voorschri�engebieden langs dit deel van de A16. 35

Beleid brandaandachtsgebied aardgastransportleiding Het beleid ten aanzien van de omgang met brandaandachtsgebieden als gevolg van aardgastransportleidingen is de afgelopen twee jaar sterk in ontwikkeling geweest. Dit komt tot uitdrukking in het concept van de omgevingsvisie 2.0. Hier is er voor gekozen om als basis voor ons veiligheidsbeleid een handreiking van HaskoningDHV te gebruiken (Aandachtsgebieden in het omgevingsplan d.d. 24 maart 2023 (referen�e BI3055I&BRP002F03) - Module A - Hogedruk aardgastransportleidingen, door Royal Haskoning DHV in opdracht van Gasunie/Velin.) met hierin onderstaand 4 zone model. Verder is in het concept een a�apgrens voor het treffen van maatregelen opgenomen vanwege het verwaarloosbaar risico. Deze is gelegen op de 10-8 contour. Zone 1 (warmtestraling > 45 kW/m2)

Geen bouwkundige maatregelen mogelijk

Zone 2 (warmtestraling >35 kW/m2)

Meer en verdergaande maatregelen dan BBL noodzakelijk voor bescherming

Zone 3 (warmtestraling > 10 kW/m2, 180 s)

Maatregelen conform BBL bieden voldoende bescherming

Zone 4 (warmtestraling > 10 kW/m2, 20 s)

Geen bouwkundige maatregelen noodzakelijk; een standaard gebouw zonder aanvullende maatregelen biedt voldoende bescherming

In het plangebied Bouwhuys wordt gean�cipeerd op de komende wijziging van de omgevingsvisie. Dit leidt voor dit plangebied tot de volgende randvoorwaarden: • Nieuwbouw van (beperkt-)kwetsbare gebouwen mogelijk is als door bronmaatregelen het plaatsgebonden risico kleiner is dan 10-8 ; In het omgevingsplan wordt geen voorschri�engebied vastgesteld. • In het gebied waarbinnen het plaatsgebonden risico groter dan 10-8 is mogen in zone 1 en 2 in principe geen kwetsbare gebouwen worden geplaatst. • In de zone 3 is nieuwbouw van kwetsbare gebouwen mogelijk binnen een voorschri�engebied en in zone 4 is nieuwbouw zonder meer mogelijk. • Uitzondering van bovenstaande is mogelijk als blijkt dat de als middels een kwan�ta�eve risicoanalyse wordt aangetoond dat de risico's beperkt blijven. Criterium hierbij is een maximum personendichtheid per hectare dat correspondeert met een groepsrisico lager dan 0.1 maal de oriënta�ewaarde. Beleid explosie- en brandaandachtsgebieden risico veroorzakende ac�viteiten Het ruimtelijk scheiden van (zeer-)kwetsbare gebouwen en ac�viteiten met een externe veiligheidsrisico vormt de kern van ons veiligheidsbeleid. Voor nieuwbouw binnen een bestaand explosie aandachtsgebied gee� de Omgevingsvisie 1.0 aan dat: • De bouw van kwetsbare gebouwen binnen een brandaandachtsgebied van een risico veroorzakende ac�viteit is niet toegestaan.

• De bouw van kwetsbare gebouwen binnen een bestaand explosie aandachtsgebied mogelijk is mits voldaan wordt aan de voor het gebied maximaal aanvaardbare personendichtheden. Aanvullend wordt indien de bouw plaatsvindt binnen de Pr10-8 contour een explosie voorschri�engebied ingesteld. Onderzoek 36

Bestaande situatie De Bouwhuysloca�e ligt, voor wat betre� het vervoer, de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen binnen het invloedsgebied van een drietal risicobronnen; de A16, de gasleiding (W524-01) en het bedrijf Standic. Gelet op de risico's die deze bronnen met zich meebrengen gelden de wetelijke afstandsnormen voor plaatsgebonden risico. Daarnaast zijn aandachtsgebieden aan te wijzen waarbinnen een afweging maatschappelijke aanvaardbaarheid van een ontwikkeling dient plaats te vinden (het groepsrisico). De wetelijke norm (grenswaarden plaatsgebonden risico) en de aandachtsgebieden betreffen: Bron A16

Plaatsgebonden risico (grenswaarden) 22 meter

Aardgasleiding

0 meter

Standic

Niet over plangebied

Aandachtsgebieden (zie kaart bestemmingsplan) Brand 30 meter Explosie 200 meter Toxisch 300 meter (concept) Brand 140 meter Explosie nvt Toxisch nvt brand Niet over plangebied explosie Niet over plangebied toxisch Niet over plangebied

De afstanden in deze tabel zijn, voor wat betre� de A16, gebaseerd op de regeling Basisnet en Bijlage VII van het BKL. De omvang van het gifwolk aandachtsgebied is voorgesteld door de expertgroep basisnet en wordt opgenomen in de eerst volgende wijziging van het Bkl. De omvang van het Brandaandachtsgebied van de aardgastransportleiding is door de Gasunie verstrekt. Aandachtsgebieden van het bedrijf Standic zijn in het kader van het tot stand komen van het Omgevingsveiligheidsbeleid in opdracht van het ministerie van I&W berekend. Deze berekening laat zien dat geen der aandachtsgebieden over het plangebied zijn gelegen. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze berekening op dit moment, naar aanleiding van nieuwe inzichten over de omvang van aandachtsgebieden, wordt herzien. Om een beeld te krijgen van de veiligheidssitua�e is door de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid in juli 2020 beperkte een risicoanalyse gemaakt. Hierbij zijn de in het gebied aanwezige risicobronnen in beschouwing genomen. Uitgangspunten A16 en Aardgastransportleiding W524-1 De in de risicoanalyse opgenomen gegevens over de transporten van gevaarlijke stoffen over de A16 zijn a�oms�g uit bijlage I van de (Per 1-4-2024 ingetrokken) regeling Basisnet. De gegevens over de aardgastransportleiding zijn opgevraagd bij de Gasunie.

De bevolkingsgegevens van de huidige situa�e zijn a�oms�g uit de BAG popula�eservice Voor de toekoms�ge situa�e is het huidig gebruik van het plangebied vervangen door het hier beoogde programma.

Berekeningsresultaten (groepsrisico) 37

A16 De Drechtunnel is niet toegankelijk voor het transport van brandbare gassen. Daarom vindt dit transport plaats via de route gevaarlijke stoffen (A15 - N3). De in het programma beoogde personendichtheid leidt tot een toename van het groepsrisico tot een factor 0,09 maal de oriënta�ewaarde. Voor het berekenen van het groepsrisico is gebruik gemaakt van de referen�ewaarden voor het vervoer zoals die tot april 2024 waren opgenomen in de Regeling bassinet. Hiermee wordt in ruime mate voldaan aan de maximum toelaatbare oriënta�ewaarde voor het groepsrisico, zoals opgenomen in de omgevingsvisie 1.0. Op basis van de meest recente tellingen vinden er, over de A16 tussen afrit 21 (Dordrecht) en afrit 20 (randweg Dordrecht) jaarlijks 32 transporten plaats met brandbaar gas . Op basis van deze realisa�ecijfers wordt geen groepsrisico berekend. Aardgastransportleiding W524-1 De Pr 10-6 contour van de leiding ligt binnen de belemmeringsstrook. De omvang van het brandaandachtsgebied is 140 meter. De Pr 10-8 contour ligt op ca.100 meter. De grens van zone 2 ligt op 70 meter.

De in het programma beoogde personendichtheid leidt, niet tot een toename van het groepsrisico, terwijl er tegelijker�jd, met een waarde van 0.05 maal de oriënta�ewaarde in ruime mate wordt voldaan aan de maximum toelaatbare oriënta�ewaarde voor het groepsrisico binnen de gebiedstypologie woongebieden, zoals opgenomen in de omgevingsvisie 1.0. De QRA-onderzoeken zijn te bekijken op de website Omgevingsplan 2e wijziging. Standic Het bedrijf Standic slaat voornamelijk brandbare stoffen op, maar mag ook toxische vloeistoffen opslaan. Voor deze ac�viteit is door Standic een vergunning aangevraagd. Bij de aanvraag is ook een externe veiligheidsberekening aangeleverd (middels het rekenpakket Safe�-NL 6.54). Deze berekening van 2012 is gebruikt om te bepalen of het planvoornemen van invloed is op de hoogte van het groepsrisico. Uit de risicoanalyse blijkt dat zowel in de huidige als in de toekoms�ge situa�e geen sprake is van een groepsrisico, aangezien het aantal slachtoffers onder de 10 is gelegen. Conclusie uit onderzoek De realisa�e van het beoogde woningbouwprogramma binnen de brand- en explosie aandachtsgebieden van de aardgastransportleiding respec�evelijk de A16, resulteert in een groepsrisico ver beneden de omgevingsvisie 1.0 gedefinieerde maximum toelaatbare waarde voor het groepsrisico.

De risico's rondom de A16 zijn zodanig laag dat, in lijn met de omgevingsvisie 1.0, er langs dit deel van de A16, geen explosievoorschri�engebied wordt ingesteld. Binnen het plangebied zijn geen zeer kwetsbare gebouwen toegestaan. Het plangebied ligt deels binnen het brandaandachtsgebied van de Aardgastransportleiding W524-1. Conform het concept van de Omgevingsvisie 2.0 wordt voor het buiten de 10-8 gelegen deel van dit aandachtsgebied geen brandvoorschri�en gebied ingesteld. Voor het binnen de 10-8 gelegen deel van het brandaandachtsgebied geldt weliswaar dat de geprojecteerde bouwblokken binnen de zones 1 en 2 zijn gelegen maar dat het hiermee gepaard gaande groepsrisico met een waarde van 0.05 maal de oriënta�ewaarde zeer laag blij�. Gelet de hoogte van het groepsrisico – en hiermee samenhangend de beoogde personendichtheid – wordt voldaan aan ar�kel 5.15 lid 2b onder 2 en wordt afgezien van het instellen van een brandvoorschri�engebied. 38

Wel moet hiervoor voldaan worden aan de volgende de aanvullende voorwaarden op het gebied van externe veiligheid: • •

•

• •

binnen de aanduiding 'plaatsgebonden risico' geldt een bouwverbod voor (zeer-)kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen; het woongebied wordt al�jd voldaan aan de eis van voldoende blusvoorzieningen, de eis van tweezijdige toegankelijkheid voor hulpdiensten en de eis om te voorzien in de redelijkerwijs te treffen veiligheidsmaatregelen; binnen het brandaandachtsgebied van tot het Basisnet behorende infrastructuur (een zone van 30 meter vanaf de zijkant van de rechter rijstrook ) mogen geen (beperkt-)kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen worden gebouwd; Binnen een explosieaandachtsgebied van de A16 en het brandaandachtsgebied van de aardgastransportleiding mogen geen zeer kwetsbare gebouwen worden gebouwd Gebruikswijziging van een kwetsbare bestemming naar een zeer kwetsbare bestemming is niet toegestaan. Burgemeester en Wethouders kunnen hiervan afwijken na advies van de veiligheidsregio Zuid Holland Zuid

Bodemkwaliteit Voor de Bouwhuysloca�e is via historisch bodemonderzoek (te vinden op de website Omgevingsplan 2e wijziging) nagegaan of ter plaatse van of in de nabijheid van de onderzoekloca�e bodemdreigende ac�viteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, waardoor verontreinigende stoffen in de bodem zijn terecht gekomen. Met deze informa�e kan worden bepaald in hoeverre verkennend bodemonderzoek noodzakelijk is. Op basis van de resultaten zijn onderstaande aanbevelingen geformuleerd voor verder onderzoek voordat gesloopt wordt op de loca�e (dit staat vaststelling van deze omgevingsplanwijziging niet in de weg): •

•

•

•

•

•

•

doordat in voorgaande onderzoeken slechts onderzocht is op een beperkt aantal soorten van PFAS wordt geadviseerd onderzoek te verrichten naar de concentra�es van PFAS en Genx op loca�e. Dit om zodoende te voldoen aan het ‘Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van 2 juli 2020. in 2018 is reeds een deel van de huidige onderzoekloca�e onderzocht tot maximaal 2,0 m – mv. Geadviseerd wordt om aanvullend verkennend bodemonderzoek uit de voeren op het traject onder 2,0 m –mv tenminste tot aan de maximale werkdiepte (ca. 3,0 m -mv). het in figuur 4 (zie bijlage 3) gearceerde gedeelte is niet onderzocht in 2018. Geadviseerd wordt om op dit gedeelte een verkennend bodemonderzoek vanaf maaiveld tot tenminste de maximale werkdiepte (ca. 3,0 m -mv) uit te voeren. de gedempte sloten die zich op loca�e bevinden zijn slechts deels tot maximaal 2,0 m –mv onderzocht. De voorgenomen werkdiepte is ca. 3,0 m –mv. Geadviseerd wordt om deze sloten nader te onderzoeken zoals de nota "gezamenlijk bodemsaneringsbeleid provincie Zuid-Holland" dat voorschrij�. volgens het ontwerp wordt de watergang gelegen aan de Maarten Harpertsz Trompweg gedempt. Geadviseerd wordt een waterbodemonderzoek uit te laten voeren ter plaatste van deze watergang.

bij de loca�e inspec�e is gebleken dat aan de zuidoostelijke kant (bij de Admiraal de Ruyterweg) van de loca�e een depot bestaande uit zand staat. Op dit gedeelte dient de bodem vanaf maaiveld tot tenminste de maximale werkdiepte (ca. 3,0 m -mv) onderzocht te worden om na te gaan in hoeverre het depot de bodemkwaliteit hee� beïnvloed. vanwege de bij voorgaand onderzoek en �jdens het loca�e bezoek aangetroffen 39

puinbijmengingen wordt geadviseerd om op loca�e aanvullend een asbestonderzoek te verrichten. Geluid Op basis van de Omgevingswet is het noodzakelijk om aan te tonen hoe dit plan voldoet aan de geluidsnormen. De direct werkende regels voor geluid door ac�viteiten bevinden zich in (de bruidsschat) in het omgevingsplan. Daar staan ook de maatwerkbevoegdheden voor (geluid)ac�viteiten. Voor een aantal situa�es – waaronder dit plan – is het verplicht om een geluidsonderzoek te doen. Het geluidsonderzoek voor dit plan is te vinden op de website Omgevingsplan 2e wijziging. Dit geluidonderzoek gee� inzicht in of voldaan wordt aan de geluidnormen of niet. Hierna volgen de belangrijkste conclusies uit het geluidsonderzoek voor de Bouwhuysloca�e. · · · ·

·

·

Op basis van de omgevingsvisie is de afweging gemaakt dat het belang van voldoende woningen in stedelijk gebied er toe dwingt om ook loca�es die geluidbelast zijn aan te wijzen voor woningbouw. Op deze loca�es kunnen hogere geluidbelas�ngen dan de standaardwaarden acceptabel zijn. Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelma�g blijken kunnen hoge geluidbelas�ngen op gevel van woningen acceptabel zijn mits geborgd is dat voor iedere woning sprake is van een aanvaardbaar akoes�sch woonmilieu onder andere door te borgen dat iedere woning een geluidluwe zijde en buitenruimten hee�. Andere maatregelen dan het recent gebouwde geluidsscherm ten oosten van de A16 en het s�llere wegdek op de A16 zijn niet doelma�g. Het plan ligt binnen het aandachtsgebied van rijkswegen, gemeentewegen en het industrieterrein Dordt-West/Groote Lindt. Uit het onderzoek blijkt dat het verkeer op de Rijksweg A16, de gemeentewegen en het industrieterrein Dordt-West/Groote Lindt een geluidsbelas�ng veroorzaakt die ter plaatse van de nieuwe woningen de standaardwaarde(n) overschrijdt. Voor de A16 en het industrieterrein is daarnaast ook sprake van een geluidsbelas�ng die de grenswaarde(n) overschrijdt zodat (bouwkundige) maatregelen moeten worden getroffen in de vorm van geluidsongevoelige gevels met bouwkundige maatregelen.

Verder blijkt uit het onderzoek dat niet alle woningen zonder aanvullende bouwkundige maatregelen een geluidsluwe gevel hebben. Ter plaatse van meerdere woningen zijn bouwkundige maatregelen nodig om aan de geluidsvoorwaarden te voldoen. Daarnaast moet ook de woningplategrond worden afgestemd op de akoes�sche situa�e om aan alle geluidsvoorwaarden te kunnen voldoen zoals omschreven in de regels van het omgevingsplan. Geen significante akoes�sche effecten aan de orde zijn bij de bestaande woningen in de omgeving van het plan. Op de drukkere doorgaande wegen is dat niet het geval omdat de rela�eve toename van het verkeer gering is. De toename van de geluidsbelas�ng bij de bestaande woningen ten opzichte van de standaardwaarde is lager dan 1,5 dB. Bij andere wegen omdat de standaardwaarde in zijn geheel niet wordt overschreden.

Luchtkwaliteit Er is onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de Wet luchtkwaliteit (opgevolgd door de Omgevingswet en AMvB’s) inpasbaar is. Aangezien er sprake is van minder dan 1.500 woningen, kan de ontwikkeling aan de Bouwhuysloca�e op voorhand worden aangemerkt als een ontwikkeling die NIBM (‘Niet In Betekenende Mate’) bijdraagt. 40

Tevens zijn de heersende concentra�es van NO2, PM10 en PM2,5 inzichtelijk gemaakt. Ter hoogte van het plangebied bedroegen de concentra�es in 2018 (conform de NSL-monitoringstool, versie 2019) respec�evelijk 29, 21 en 13 µg/m³. Deze concentra�es liggen ruimschoots onder de grenswaarden. In de daaropvolgende jaren nemen de concentra�es van deze stoffen af. Bovendien hee� de gemeente Dordrecht het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend. Dit betekent de gemeente stree� naar permanente verbetering luchtkwaliteit en probeert te voldoen aan Wereld Gezondheidsorganisa�e (WHO) waarden, ook het uitgangspunt in de omgevingsvisie. Het voorgenomen plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentra�es NO2 en PM10. Hiermee wordt voldaan aan ar�kel 5.16 lid 1c van de Wet milieubeheer (opgevolgd door de Omgevingswet en AMvB’s). De Wet milieubeheer vormt geen belemmering voor de realisa�e van dit plan. Daarnaast blijkt uit de NSL-monitoringstool dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 ver onder de normen liggen. De voorgenomen ontwikkeling is vanuit het aspect luchtkwaliteit dan ook inpasbaar. In het Besluit gevoelige bestemmingen wordt binnen een zone van 300 meter van rijkswegen de ves�ging van gevoelige bestemmingen zoals scholen beperkt. Op de Bouwhuysloca�e zijn geen gevoelige func�es zoals scholen toegestaan. Daarmee wordt voldaan aan het besluit.

Conclusie Uit de verschillende milieu en gezondheidsonderzoeken zijn geen nadelige effecten naar voren gekomen. De opzet met veel ruimte voor groen, wandelpaden en goede fietsvoorzieningen nodigt uit om te bewegen. Voor bodem is een aantal vervolgac�es geformuleerd. De Bouwhuysloca�e hee� te maken met geluidsbelas�ng van industrie en wegverkeer. Op verschillende punten in het plan dienen maatregelen te worden genomen om geluidshinder te voorkomen en een goede woonkwaliteit te waarborgen. In het stedenbouwkundig plan zijn eisen opgenomen waaraan deze maatregelen moeten voldoen. Ter illustra�e wordt een viertal mogelijke maatregelen genoemd die op een goede manier geïntegreerd kunnen worden en voldoende poten�e bieden om voor alle kri�sche loca�es tot een oplossing te komen. Het stedenbouwkundig plan wordt als beoordelingsregel opgenomen in het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat deze maatregelen worden doorgevoerd. Met dit in achtneming, past het plan binnen het doel ‘gezonde stad’. De prioritaire doelen zijn hiermee geborgd. Het plan voor de Bouwhuysloca�e is ook getoetst aan de overige doelen van de Omgevingsvisie. Onderstaand wordt hierop ingegaan.

11.3. Bereikbare stad Bij het doel bereikbare stad zet de gemeente in op het waarborgen van de bereikbaarheid, terwijl het autogebruik op bepaalde punten wordt verminderd, het fietsgebruik en OV wordt ges�muleerd en de lee�aarheid verbetert. Toegankelijkheid is één van de thema’s binnen het stedenbouwkundig plan voor de Bouwhuysloca�e. Autoverkeer wordt zoveel mogelijk beperkt en met name aan de randen geconcentreerd. Een fietsen voetpadennetwerk verbindt de loca�e met de omgeving (winkelcentrum Admiraalsplein, Wielwijkpark, etc) en maakt hem tegelijker�jd openbaar voor bezoekers. Door strategische plaatsing van de gemeenschappelijke fietsenbergingen onder de appartementengebouwen wordt het fietsgebruik ges�muleerd. OV-bushalte Admiraal de Ruyterweg ligt op gemiddeld 350 meter loopafstand van de loca�e. 41

Verkeersonderzoek Ten aanzien van de het plan is een verkeersonderzoek gedaan (te vinden op de website Omgevingsplan 2e wijziging). Dit onderzoek toont aan dat de verkeerstoename binnen de acceptabele verkeersnormen blij� en de bereikbaarheid van de Bouwhuysloca�e en omgeving wordt gewaarborgd. De conclusies uit het verkeersonderzoek zijn hieronder weergegeven. Verkeersintensiteit In het verkeersonderzoek is uitgegaan van een programma van maximaal 300 woningen. Daarmee is ruim gerekend. Uit het onderzoek blijkt dat de intensiteiten van alle wegvakken in zowel de huidige als toekoms�ge situa�e passen binnen de acceptabele verkeersnormen. Op alle wegvakken is er sprake van een toename in het aantal motorvoertuigen ten opzichte van de autonome situa�e. Het verkeer op de Reeweg Zuid zal echter nog verder toenemen ten opzichte van de autonome situa�e. De Bouwhuysloca�e wordt voor het autoverkeer aangesloten op de Wite de Withstraat welke een aanslui�ng krijgt op de aan te leggen Admiraal de Ruyterweg. Vanwege het rela�ef geringe verkeersaanbod kan de aanslui�ng van de Wite de Withstraat op de admiraal de Ruyterweg als voorrangskruispunt worden uitgevoerd. De effecten op het wegennet, en dan met name de snelwegen A16 en N3, zijn ook in een eerder onderzoek Amstelwijck 2020, in beeld gebracht.

In het kader van dat bestemmingsplan is des�jds een verkeersonderzoek en MER opgesteld waarbij ook de woningbouwplannen voor de Bouwhuysloca�e zijn betrokken. In de toelich�ng van het bestemmingsplan Amstelwijck 2020 is dit als volgt omschreven: Uit het onderzoek blijkt dat de ontsluiting aan de zuidzijde via de Laan van Europa veel verkeer te verwerken krijgt. De capaciteit van de kruispunten met de A16 en N3 zal in de toekomst onder druk komen te staan. Ook de andere wegen en de omliggende woongebieden krijgen te maken met een forse toename van het verkeer. Voor deze wegen en kruispunten is de capaciteit wel voldoende om de groei op te vangen, ook als in de wijk 1.068 woningen worden gebouwd. De toename van het autoverkeer wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de autonome groei, die veel hoger is dan in eerdere onderzoeken is aangenomen. Dat is te verklaren door het nieuwe regionale verkeersmodel dat gebruikt is voor de verkeersberekeningen. In dit nieuwe model is uitgegaan van een positiever economisch scenario en is rekening gehouden met de taakstelling die de regio heeft als het gaat om de bouw van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen. Daarnaast blijkt uit recente verkeerstellingen dat het autoverkeer al meer gegroeid was dan was aangenomen. De ontwikkeling van Amstelwijck is maar beperkt van invloed op de groei van het autoverkeer.

De conclusie is dan ook dat de gemeente, met of zonder Amstelwijck, te maken krijgt met een forse groei van het autoverkeer. Ook duidelijk is dat deze groei ook niet meer op te lossen is met eenvoudige maatregelen. De oplossing moet gevonden worden in een stadsbrede aanpak die inzet op het terugdringen van de automobiliteit. De ontwikkeling van Amstelwijck zal zoveel mogelijk moeten inspelen op die oplossingsrichting. Daarbij is niet te voorkomen dat in de toekomst knelpunten gaan ontstaan en dat de omgeving van Amstelwijck te maken krijgt met capaciteitsproblemen op het hoofdwegennet. De effecten van de ontwikkeling van de Bouwhuysloca�e zijn hiermee al in 2020 in beeld gebracht en afgewogen. Het thans uitgevoerde onderzoek laat zien dat die afweging nog steeds klopt. Parkeren

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1020/documents/40122