CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering en regels ontwerp TAM-OP 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier Noord.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 17 december 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 12: Raadsinformatiebrief over Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier Noord - Raadsinformatiebrief22.336 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onderzoek

Op dit moment is het plangebied al in gebruik voor de woonfunctie (met tuin). Om die reden is in het kader van de ruimtelijke planprocedure geen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Dit is wel het geval bij de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen. Omdat het wenselijk is om voor de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen ook de bodem te onderzoeken onder de bestaande sociale huurwoningen in het plangebied, en dit pas mogelijk is na sloop van de bestaande woningen, wordt de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek doorgeschoven in de tijd. 5.3.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan.

5.4

Energie en duurzaamheid

5.4.1

Regelgeving en beleid

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters:  transitie naar duurzame energiehuishouding;  transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen;  transitie naar duurzame landbouw. Het NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de 30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen beoogt de kwaliteit van een gebouw met de omgeving te verbeteren wat betreft toegankelijkheid, bruikbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Een goed toegankelijk, veilig, gebruikersvriendelijk en duurzaam gebouw is in ieders belang. De gemeente verwacht van projectontwikkelaars en architecten dat zij zich houden aan het gemeentelijke beleid en nieuwbouwwoningen laten voldoen aan de Gemeentelijke praktijk richtlijn (GPR). Op 19 maart 2018 heeft het Drechtsteden Bestuur het besluit genomen door te gaan met GPR. Hiervoor zijn de te behalen scores voor woningen geactualiseerd naar aanleiding van de nieuwe ambities (woonvisie en energiestrategie), te weten:  Energie & Milieu = 8,5;  Gezondheid = 8;  Gebruikskwaliteit = 8,5;  Toekomstwaarde = 7,5. De regio Drechtsteden is licentiehouder van GPR Gebouw systeem. Bouwende partijen kunnen bij invoering van projecten in GPR gebruik maken van de licentie van de regio. 5.4.2

Onderzoek

Het creëren van een goede leefomgeving in het plangebied voor zowel de huidige als toekomstige bewoners is essentieel. Als de bewoners prettig wonen dan komt dit ten goede aan de wijk. Goede woningen, een heldere opzet van de wijk, privacy en het toevoegen van groen dragen hier aan bij. Buiten de woning is een goede sociale samenhang belangrijk. Plekken om elkaar te ontmoeten en een praatje te maken met de buren. De “Groene loper” met een eventuele speelplek en het appartementengebouw zijn hier de aangewezen plekken voor. Voor alles geldt dat deze toekomstbestendig worden ingericht. De beoogde planopzet richt zich op het vergroenen van de wijk en het versterken van huidige groenstructuren. Niet alleen worden de voortuinen verkleind om verrommeling tegen te gaan, ook biedt dit de ruimte om een grotere openbare groenstrook aan te leggen waardoor het straatbeeld vriendelijker wordt. Een mooie bijkomstigheid is dat het tegelijkertijd bijdraagt aan het reduceren van hittestress. De belangrijkste speerpunten zijn:  Bomen van de 2e en 3e grootte met sierwaarde geven gelaagdheid aan het openbaar groen. Ze leveren bovendien een significante bijdrage aan de klimaatrobuustheid van het plan en het vergroten van de biodiversiteit. Ze nemen CO2 op, verkoelen bij hitte, verminderen wateroverlast en dragen bij aan een gezond en aantrekkelijk leefklimaat.

 Borders en boomspiegels met bloeiende heesterbeplanting dragen bij aan het groene karakter van de straten;  Waar mogelijk worden inheemse en gebiedseigen soorten toegepast, die het beste bestand zijn tegen lokale condities en de biodiversiteit vergroten;  Zo mogelijk wordt gevelbeplanting op de kopgevels opgenomen door het spannen van staaldraden;  Zo mogelijk wordt er een groene erfafscheiding voor de woningen in de openbare ruimte ingebed in een groene haag of plantvak;  Zo mogelijk worden platte daken voorzien van sedum.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Verder moet er ook bewuster om worden gegaan met water. Dit gebeurt waar mogelijk door het toepassen van waterpasserende bestrating op de binnenterreinen. Het regenwater kan hierdoor eenvoudig in de bodem infiltreren en het verharden van het terrein wordt daarmee zoveel mogelijk voorkomen. Wat de inrichting van de parkeerplaatsen en parkeerterreinen betreft, wordt gedacht aan het toepassen van grasbeton tegels. Hierdoor worden de parkeerplaatsen groen in plaats van grijs en kan meer hemelwater worden opvangen. Dit onderdeel wordt in overleg tussen de gemeente en de initiatiefnemer nog nader uitgewerkt richting de uitvoeringsfase. Duurzaamheid gaat ook verder dan materiaal- en energiegebruik. De basis van de gebruikte woonconcepten in het plangebied is om zoveel als mogelijk in prefab elementen te realiseren. Volledige gevelelementen zijn af fabriek voorzien van kozijnen worden direct in het werk geplaatst. Elementen worden 'on demand' geleverd. Dat wil zeggen dat ze doorgaans direct vanaf de vrachtwagen in het werk worden geplaatst. Dit zorgt voor minder transport en daardoor overlast bij de realisatie van de woningen. Ook geeft dit een substantiële reductie van de CO2-uitstoot. De nieuwe woningen worden ook duurzaam gebouwd met FSC® en PEFC™ gecertificeerd hout. Goede detailleringen en materiaalkeuzes op maat beperken afval en zorgen voor minder vervoersbewegingen.

32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.4.3

Conclusie

De gemeente Dordrecht streeft na dat woningen worden ontwikkeld vanuit het uitgangspunt van Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen. Daarbij wordt beoogd om de kwaliteit van een gebouw met de omgeving te verbeteren wat betreft toegankelijkheid, bruikbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Een goed toegankelijk, veilig, gebruikersvriendelijk en duurzaam gebouw is in ieders belang. De gemeente verwacht van projectontwikkelaars en architecten dat zij zich houden aan het gemeentelijke beleid en nieuwbouwwoningen zo veel mogelijk laten voldoen aan de GPR.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Regelgeving en beleid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:  zeer kwetsbare gebouwen  kwetsbare gebouwen en locaties  beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden. Groepsrisico: aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden voor branden, explosies en gifwolken. Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. 5.5.2

Onderzoek

Volgens de Risicokaart Zuid-Holland geldt voor het plangebied een zeer kleine kans tot overstroming. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van risicorelevante bedrijven, infrastructuur en aardgastransportleidingen. Er is geen nadere verantwoording nodig van het groepsrisico noodzakelijk. 5.5.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAMomgevingsplan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.6

Flora en fauna

5.6.1

Regelgeving en beleid

Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.

Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:  alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;  voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en  als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 5.6.2

Onderzoek

De uitgevoerde ecologische onderzoeken en de ontheffingsaanvraag zijn nog gedaan onder de oude wetgeving (Wet natuurbescherming e.d.) van voor 1 januari 2024. Quickscan natuur Soortenbescherming Er is een quickscan natuur uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd. Alleen de conclusies voor complex 539 en complex 540 uit het onderzoek zijn relevant voor het plangebied.

34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Op basis van de onderzoeksresultaten moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd voor de volgende soorten:

Gebiedsbescherming Significante negatieve effecten van stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen (in tegenstelling tot wat in de quickscan staat) niet op voorhand worden uitgesloten als gevolg van de (ten opzichte van de quickscan gewijzigde) aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw in plaats van renovatie en verduurzaming) en de afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Passend nader onderzoek naar stikstofemissies – middels de Aerius Calculator – is daarom noodzakelijk. Zie voor het aspect stikstof paragraaf 5.9. Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Belangrijke weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Nader ecologisch onderzoek Er is een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 bij de motivering gevoegd. Alleen de conclusies voor complex 539 en complex 540 uit het onderzoek zijn relevant voor het plangebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten moet er ontheffing aangevraagd worden voor de volgende soorten:  Complex 539: Er is een ontheffing nodig voor de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de huismus en de gierzwaluw;  Complex 540: Er is een ontheffing nodig voor de gewone dwergvleermuis.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Activiteitenplan en ontheffingsaanvraag Er is een ontheffingsaanvraag gedaan bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Naast de onderzoeksrapportages is er ook een activiteitenplan voor de huismus, gierzwaluw, ruige en gewone dwergvleermuis opgesteld (zie bijlage 5) die gezamenlijk als onderbouwing dienen voor de ontheffingsaanvraag ingaande per 1 oktober 2024. De verlening van de ontheffing loopt parallel aan het ruimtelijke spoor. 5.6.3

Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt, na verlening van de ontheffing, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan.

5.7

Geluid

5.7.1

Regelgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:  het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en  het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort.

De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel: Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl)

Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl)

Provinciale wegen Rijkswegen

50 Lden

65 Lden

Gemeentewegen Waterschapswegen

53 Lden

70 Lden

Hoofdspoorwegen

55 Lden

70 Lden

Industrieterreinen

50 Lden

60 Lden

40 Lnight

50 Lnight

Geluidbronsoort

De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de

36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl. Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip: Aantal rijstroken

Maximum snelheid weg (km/u)

Breedte zone (m)

1 of 2

30 of minder

100

1 of 2

meer dan 30

200

3 of meer

350

Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Standaardwaarde toelaatbaar geluid op 07.00 - 19.00 uur een geluidgevoelig gebouw

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

45 dB(A)

40 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

70 dB(A)

70 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

65 dB(A)

65 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

55 dB(A)

55 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

45 dB(A)

45 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

35 dB(A)

Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 hebben burgemeester en wethouder van Dordrecht de 'Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend. Voor de verlening van hogere waarden moet er sprake zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Omgevingsvisie Dordrecht 1.0 In de omgevingsvisie staat het doel 'Dordrecht is een gezonde stad'. Dit doel streeft naar een akoestisch aanvaardbare woon-, werk- en leefomgeving. Het is belangrijk bij ruimtelijke projecten rekening te houden met de geluidssituatie. Uit de impactbeoordeling blijkt dat een toename van verkeersbewegingen zal plaatsvinden door de inzet op groei in woningen en banen in Dordrecht. Door de groei van verkeersbewegingen neemt wegverkeerslawaai toe. Van de andere kant neemt de bouw van nieuwe woningen toe en daarmee het aantal geluidgevoelige objecten in de omgeving. De leefbaarheid als gevolg van geluid staat nu al onder druk en zal door de toename verder onder druk komen te staan, wat leidt tot een afname van de leefbaarheid en een negatief effect op de gezondheid van inwoners. Het is nodig per uitbreidingslocatie te kijken of de toename van geluid acceptabel is en zo niet welke maatregelen ingezet moeten worden om de geluidtoename te beperken.

Dit komt ondermeer terecht in het Actieplan Geluid 2019 - 2023 (vastgesteld in september 2019). Het aspect geluid is gekoppeld aan de beoogde woonmilieus. Deze locatie valt binnen het woonmilieu 'Suburbaan'. Voor dit woonmilieu gelden ondermeer de volgende voorwaarden omtrent de geluidssituatie:  Voorkeursgrenswaarde per bronsoort op de gevel is uitgangspunt.  Langs randen van o.a. lokale wegen en spoorwegen is een hogere geluidbelasting op de gevels van eerstelijnsbebouwing toelaatbaar onder voorwaarden (zie daarvoor de omgevingsvisie).  Cumulatie wordt in beeld gebracht en het geheel moet leiden tot een akoestisch aanvaardbare situatie. 5.7.2

Onderzoek

Wegverkeerslawaai Delen van het plangebied vallen binnen de geluidzone van de Nijhofflaan (50 km/u). Het plangebied valt niet binnen de geluidzones van spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen. Er is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 49 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden.

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 49 dB ter plaatse van meerdere toetspunten. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 49 – 33 is kleiner of gelijk aan 20 dB. Een onderzoek gevelwering is dan niet aan de orde. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘goed’ tot ‘zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in subparagrafen 3.3.1 en 3.3.2 van het onderzoek kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai De woningen in het plangebied zijn niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd. Industrielawaai (geluid door activiteiten) De woningen binnen het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. 5.7.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan.

5.8

Luchtkwaliteit

5.8.1

Regelgeving en beleid

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:  beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;  ammoniakemissies van veehouderijen;  geologische opslag van CO 2.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.8.2

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop en herbouw van 80 woningen en de nieuwbouw van 123 woningen: een toename van 43 woningen. In paragraaf 5.10 is bepaald wat het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van deze extra woningen is. Gebruikmakend van de NIBM-rekentool (versie 24 april 2024) geeft dit de volgende berekening van de luchtkwaliteit:

Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Er is daarom geen verder onderzoek nodig naar het aspect luchtkwaliteit. Om na te gaan wat de (verwachte) situatie bij monitoringsronde 2023 in de monitoringsjaren 2022 en 2030 is, is gebruik gemaakt van de monitoring van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Zowel voor de NO2-concentratie, de PM10-concentratie alsmede de PM2.5-concentratie blijkt de luchtkwaliteit voor zowel nu als in de toekomst acceptabel te zijn, zie navolgende tabel. In deze tabel is de luchtkwaliteit op het meest nabij gelegen rekenpunt 'Noordhoevelaan/ Nijhofflaan' weergeven: 2022

2030

NO2

19,0

15,5

PM10

17,7

14,6

PM2,5

9,5

7,6

Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) niet worden overschreden. Het plan voegt daar geen in betekenende mate verslechtering aan toe. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 µg/m³ mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden. Uit het CIMLK blijkt dat in 2022 het totaal aantal overschrijdingsdagen 6,2 bedraagt, waarmee ruimschoots aan de daggemiddelde grenswaarde wordt voldaan. 5.8.3

Conclusie

Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde voor PM2,5 van 25 µg/m³ en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. De achtergrondconcentraties langs de omliggende wegen ligt onder de 25 µg/m³. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet danwel verwaarloosbaar bij aan de verslechtering van de (goede) luchtkwaliteit.

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAMomgevingsplan.

5.9

Stikstof

5.9.1

Regelgeving en beleid

Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus en bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten op het beschermde natuurgebied. Indien er sprake is van significante effecten is een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet noodzakelijk.

PAS In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem 'programmatisch' te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot 'Programma Aanpak Stikstof' (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van een toename van (meer dan 0,05 mol/ha/jaar) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning niet aan de orde. 5.9.2

Onderzoek

Om uit te sluiten dat er externe effecten zijn als gevolg van een toename in stikstofdepositie is er een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er voor alle doorgerekende situaties dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het plan is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. 5.9.3

Conclusie

Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan.

5.10

Verkeer en vervoer

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.10.1 Regelgeving en beleid Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht & Koersnota Mobiliteit In Dordrecht bestaat het verkeers- en vervoerssysteem uit een combinatie van verschillende netwerken: auto, fiets, openbaar vervoer (spoor, bus en waterbus) en te voet. De omgevingsvisie zet in op het verbeteren van de knooppunten waar deze netwerken samenkomen en het anders benutten van de bestaande infrastructuur en voorzieningen. Deze lijn is overgenomen uit de Koersnota Mobiliteit voor Dordrecht uit 2020. Daarin is op hoofdlijnen aangegeven welke richting nodig is om de stad bereikbaar en berijdbaar te houden. De mobiliteit zal komende jaren nog doorgroeien. Daarom wordt ingezet op een forse groei van de fiets- en openbaar vervoermobiliteit en een stabilisatie of mogelijke afname van de automobiliteit. Beleidsregels parkeerbeleid Binnen de gemeente worden ruimtelijke plannen getoetst aan de 'Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten'. 5.10.2 Onderzoek Verkeer Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling die met dit ruimtelijke plan wordt gefaciliteerd, is de voertuigaantrekkende werking bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'.

Voor het berekenen van de voertuiggeneratie wordt voor de gemeente Dordrecht uitgegaan van een 'zeer sterk stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom'. Het voorliggende TAM-omgevingsplan voorziet in de bouw van 123 woningen en de sloop van 80 woningen. Per saldo een toename van 43 woningen. Daarom is de toekomstige (nieuwe) situatie tegen de bestaande situatie afgezet:

Voor de toename van de voertuiggeneratie wordt uitgegaan van het midden van de aangegeven bandbreedte, zijnde 397,8 minus 288,0 = 109,8 afgerond 110 extra voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. Aangezien het a) om een relatief beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen gaat en b) de toename verspreid plaatsvindt over meerdere straten (via de Damstraat in oostelijke of westelijke richting, danwel via de Nijhofflaan in oostelijke of westelijke richting), leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Parkeren Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen hanteert de gemeente Dordrecht de 'Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht'.

42

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Het voorliggende ruimtelijke plan voorziet in de bouw van 123 woningen en de sloop van 80 woningen. Per saldo een toename van 43 woningen. Daarom is de toekomstige (nieuwe) situatie tegen de bestaande situatie afgezet:

De extra parkeerbehoefte in de toekomstige (nieuwe) situatie bedraagt 175,5 - 104,0 = 71,5 afgerond 72 parkeerplaatsen. Door tevens gebruik te maken van het reductiepercentage OV van 10 % uit de gemeentelijke beleidsregels parkeren (vanwege het nabijgelegen treinstation Dordrecht Stadspolders), neemt de extra parkeerbehoefte in de toekomstige (nieuwe) situatie af tot 158,0 - 93,6 = 64,4 afgerond 65 parkeerplaatsen. Om te analyseren of de nieuwe parkeerbehoefte ook in de openbare parkeerruimte opgelost kan worden, is er een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Dit onderzoek is een integraal onderzoek voor de beoogde ontwikkeling ten noorden van de Damstraat (in casu het plangebied) en de locatie ten zuiden van de Damstraat. Op basis van de gebruikte aannames zal de herontwikkeling van het Oranjekwartier 65,8 afgerond 66 parkeerplaatsen (op basis van dubbelgebruik) meer nodig hebben dan de huidige situatie op het maatgevende moment (weekdag avond). Deze aantallen zijn licht hoger dan in het parkeeronderzoek om dat er (worst-case) maximaal 5 sociale huurappartementen extra worden gerealiseerd. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat in de huidige situatie de maximale parkeerdruk 62 % bedraagt tijdens de nachten op werkdagen.

Als de parkeerbehoefte (uitgaande van dubbelgebruik) van de voorgestelde ontwikkeling (61 parkeerplaatsen in de nachten op werkdagen) daarbij wordt opgeteld, neemt de parkeerdruk toe tot 66%, maar blijft ruim onder de grens van 85%. Dit betekent dat de huidige parkeercapaciteit in het gebied na de herontwikkeling van het Oranjekwartier blijft bestaan, de nieuwe bewoners en bezoekers gebruik kunnen blijven maken van de openbare parkeerplaatsen en de parkeerdruk blijft ruim binnen de grenzen. 5.10.3 Conclusie De aspecten 'verkeer' en 'parkeren' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAMomgevingsplan.

5.11

Waterhuishouding

5.11.1 Regelgeving en beleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. De ruimtelijke aspecten van de plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als omgevingsvisies in de zin van de Omgevingswet. De bedoeling is dat op basis van deze omgevingsvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. Waterschappen stellen een waterbeheerprogramma op. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied.

Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Het waterschap Hollandse Delta heeft in haar waterbeheerprogramma (WBP) de waterdoelen voor de planperiode 2022-2027 vastgelegd op gebied van waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Deze doelen zijn afgeleid van het waterschap haar ambities voor de lange termijn (tot 2050) die vastgelegd gaan worden in de omgevingsvisie Hollandse Delta. Naast de doelen tot 2027 bevat dit waterbeheerprogramma de strategie hoe deze doelen gerealiseerd gaan worden. Het programma richt zich op een toekomstbestendig waterbeheer en daarmee een toekomstbestendig woon-, werk- en leefgebied. Het waterschap zet in op het inperken van de impact op klimaat en milieu, het verbeteren van de klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van het gebied, versterken van de biodiversiteit en anders omgaan met hemelwater. Bij een klimaatbestendige en waterrobuust inrichting wordt gevolg gegeven aan de doelen vanuit de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie en is de ambitie dat inwoners en bedrijven veilig in het gebied kunnen blijven wonen, ondernemen en recreëren en dat wordt bijgedragen aan het robuust en veerkrachtig maken van de leefomgeving. Er komt meer ruimte voor water; niet alleen letterlijk, maar ook bij de voorbereidingen van plannen voor de ruimtelijke inrichting.

Om dit te bereiken heeft het waterschap de volgende acties gesteld in het WBP:  samenwerken met overheidspartners en belanghebbenden;  naar de voorkant van ruimtelijke planprocessen bewegen. Stedelijk Waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009 - 2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan. Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hollandse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: "Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is rekening gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond. Het water draagt bij aan de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied. De waterstructuur is een aantrekkelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water.

Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht."

44

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.11.2 Onderzoek Plannen worden vooral getoetst aan het beleid van het waterschap Hollandse Delta. In verband met de ontwikkeling van onderhavig bouwplan is een watertoets uitgevoerd. Hierna wordt op verschillende aspecten in verband met deze watertoets ingegaan. Hemel- en afvalwater Het hemelwater wordt via het gescheiden gemeentelijk rioolstelsel afgevoerd. Het rioleringsstelsel binnen het plangebied wordt aangesloten op het stelsel langs/in de De Mérodestraat, de Gorterstraat en de Damstraat, één en ander afhankelijk van de ligging van de betreffende woningen. De exacte wijze van uitvoeren is op dit moment onbekend, omdat er ook plannen zijn om de bestaande riolering in het plangebied (al dan niet deels) te vervangen. Qua aansluiting zijn er 2 opties mogelijk, onder vrij verval of met tussenkomst van een minigemaal. De uiteindelijke keuze is afhankelijk van het maaiveld en de hoogteligging van de bestaande riolering die op het moment van het opstellen van dit ruimtelijke plan niet bekend zijn. Het aspect riolering zal in een later stadium nog nader uitgewerkt worden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen. Verhard oppervlak voor en na planrealisatie Er is een verhardingsbalans gemaakt waarbij de verharding (bebouwing, terreinverharding, wegen, voetpaden en parkeerplaatsen) in de bestaande situatie is afgezet tegen de toekomstige situatie.

Deze balans is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Hierbij is er worst-case voor de woningen vanuit gegaan dat de tuinen voor 90 % verhard zijn. Uit de verhardingsbalans blijkt dat sprake is van een afname van de hoeveelheid verharding. Vooral in het noordelijk deelgebied neemt de hoeveelheid verharding substantieel af. 5.11.3 Conclusie Conclusie is dat het plan zal voldoen aan de uitgangspunten van het Waterschap voor waterkwantiteit en waterkwaliteit. Het TAM-omgevingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAMomgevingsplan.

5.12

Niet gesprongen explosieven

5.12.1 Regelgeving en beleid De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat regels voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, de veiligheid en het welzijn van werknemers en zelfstandige ondernemers te bevorderen. Doel is om ongevallen en ziekten te voorkomen die door het werk kunnen worden veroorzaakt. De Arbowet is een kaderwet, dat wil zeggen dat het algemene bepalingen en richtlijnen bevat. Vanaf 1994 geldt voor alle werkzaamheden vanuit de Arbowet een wettelijke verplichting om een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) uit te voeren in de voorbereidingsfase van het project. Doel is om vooraf te bepalen of er tijdens de uitvoeringsfase van een project risico's te verwachten zijn en zo ja, hoe de betrokkenen risico's kunnen wegnemen of terugbrengen naar een aanvaardbaar veiligheidsniveau. De belangrijkste regelgeving met betrekking tot CE volgt uit artikel 4.10 van het Arbobesluit, de zogenaamde Beoordelingsrichtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE). Dit besluit trad op 31 december 2006 in werking.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.12.2 Onderzoek Voor het bepalen van de noodzaak tot aanvullend OCE onderzoek heeft de gemeente Dordrecht de explosievenkaart van Drechtmaps geraadpleegd:

De meest nabij gelegen locatie waar mogelijk sprake is van niet gesprongen explosieven ligt echter even ten zuiden van de Dubbeldreef, buiten de grens van het plangebied. Dit betreft een locatie voor niet nader beschreven munitiedump. Op navolgend detailweergave is te zien dat de locatie buiten de perceelsgrens ligt van Dubbeldreef 53. Daarmee is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Het aspect 'explosieven' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAMomgevingsplan.

46

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

5.13

M.e.r.-beoordeling

5.13.1 Regelgeving en beleid De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor het bepalen of een plan eventueel m.e.r.-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-m.e.r.-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-m.e.r. en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-m.e.r. nodig en er wordt geen MER gemaakt. Er zijn twee situaties waarin een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-m.e.r.plichtig. In dit geval dient een plan-m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. 2.

Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r.-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft. b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. 5.13.2 Onderzoek Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betreft ook een woningbouwontwikkeling. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het Omgevingsplan gemeente Dordrecht en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau waarin een relatief beperkt extra aantal woningen wordt gerealiseerd. De gemeenteraad is voor onderhavig TAM-omgevingsplan het bevoegd gezag. Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 5 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen. 5.13.3 Conclusie Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit TAMomgevingsplan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

47

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Hoofdstuk 6 (ETFAL)

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zie verder subparagraaf 4.1.1. In voorgaande hoofdstukken is gemotiveerd dat er met de nieuwe regeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL):  In hoofdstuk 4 Beleidskader is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de verschillende overheden;  In hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten is aangetoond dat er geen milieu- en omgevingsaspecten aan de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling in de weg staan.

48

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de economische haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

7.1

Kostenverhaal en nadeelcompensatie

Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade c.q. nadeelcompensatie is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

49

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Hoofdstuk 8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie en inspraak

Er is een uitgebreid participatieproces doorlopen waarin bewoners vanaf de allereerste start zijn betrokken. Het verslag van deze participatie is opgenomen in bijlage 10 in de vorm van een oplegnotitie met alle relevante bijlagen daarbij.

8.2

Zienswijzen

Te zijner tijd zullen ingediende zienswijzen hier of in een separate nota van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

8.3

Overleg

Te zijner tijd zullen ingediende vooroverlegreacties hier of in een separate nota van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

8.4

Vergunningverlening en handhaving

Er zijn geen gevolgen voor de vergunningverlening; deze zal niet verbeteren of verslechteren. Ook hoeven geen wijzigingen in het Omgevingsloket te worden doorgevoerd. Het is ook zo dat voor het realiseren van het plan nog een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Het is enkel vrijgesteld van de omgevingsplanactiviteit omdat het TAM-omgevingsplan woningen mogelijk maakt. Er is wel nog toetsing nodig aan de regels voor milieubelastende activiteiten en bouwtechnische voorschriften.

8.5

Evaluatie en monitoring

Dit TAM-omgevingsplan voorziet niet in dusdanige wijzigingen die het noodzakelijk maken het instrument monitoring in te zetten.

50

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlagen bij motivering

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

51

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 1

52

Archeologisch bureauonderzoek

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 2

Selectiebesluit archeologie

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

53

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 3

54

Quickscan natuur

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 4

Nader ecologisch onderzoek

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

55

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 5 Activiteitenplan huismus, gierzwaluw, ruige en gewone dwergvleermuis

56

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

57

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 7

58

Stikstofdepositieonderzoek

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 8

Parkeeronderzoek

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

59

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 9

60

Verhardingsbalans

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Bijlage 10

Oplegnotitie bewonersparticipatie

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

61

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

62

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Regels

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

63

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende bepalingen

Toepassingsbereik

Omgevingsplan gemeente Dordrecht

Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Dordrecht in die zin dat na hoofdstuk 22 [een hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan gemeente Dordrecht. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a.] gelezen worden. 1.2

Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3

Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan. 1.4

Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0505.TOP188Herzorkwnd-2001 zoals vastgelegd op 'Regels op de kaart' https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

64

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 18e herziening Dubbeldam, locatie Oranjekwartier

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/775/documents/36734