Contouren van een nieuwe GR Sociaal.pdf
Tekst van het document
Molenlanden en Gorinchem een samenwerkende houding laten zien en er op onderdelen al ambtelijk en soms ook bestuurlijk wordt samengewerkt met de Drechtsteden, De sociale problematiek van Molenlanden en Gorinchem lijkt op de problematiek van een aantal gemeenten in de Drechtsteden, Vraagt het College om namens de raad in het regionale voorbereidingsproces van de transitie de volgende punten in te brengen: De figuur van de adviescommissie met een vertegenwoordiging vanuit de raden uit te werken voor de GR Sociale Dienst, Samenwerking met Molenlanden en Gorinchem concreet te stimuleren door kleine stappen mogelijk te maken en bij de juridische vormgeving een latere aanhaking eenvoudig mogelijk te maken. Verzoekt het college om namens de raad deze motie onder de aandacht te brengen bij de Drechtstedengemeenten en de gemeenten Molenlanden en Gorinchem. En gaat over tot de orde van de dag. De fracties van CDA, OP, PAB en SGP
19
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN
BIJLAGE 1 AANGENOMEN MOTIE GEMEENTE SLIEDRECHT Motie Regio Drechtsteden Financieel fit met zorgvuldige besluitvorming De raad van de gemeente Sliedrecht, in vergadering bijeen op 10 februari 2021 Constaterende dat: o Sliedrecht samen met de 6 andere gemeenten binnen de regio Drechtsteden deelneemt aan de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden (GRD); o Binnen de regio een transitie op gang komt die een andere structuur voor de samenwerking beoogt; concreet op het gebied van gemeentelijke bedrijfsvoering en de sociale dienst; o Hierbij wordt ingezet om de transitie zo vorm te geven dat de GRD wordt opgedeeld ineen klassieke GR voor de sociale dienst en een service-gemeente voor de overige dochters; o Hierbij een ambitieus tijdpad wordt voorgesteld, waarbij de transitie vóór 1 januari 2022 doorgevoerd zou moeten zijn.
Overwegende dat: o Tijdens de oordeelsvormende bijeenkomst van 19 januari 2021 uitgebreid is gesproken over het proces van de transitie; o Hierbij nadrukkelijke behoefte bestond om meer duidelijkheid te krijgen over de gevolgen van de transitie voor de gemeente Sliedrecht; specifiek wat betreft de financiën en het te volgen tijdpad; o Binnen de huidige GRD duidelijke afspraken bestaan over de wijze waarop de deelnemende gemeenten met elkaar samenwerken, hoe de kosten verdeeld worden en welke rechten en plichten hier tegenover staan; o Conform de ‘Routekaart Transitie 2021’ de raden in maart 2021 spreken en stemmen over de afspraken die gemaakt worden voor de periode na de transitie via de uitgangspuntennotitie, waarin afspraken staan over: i) juridisch, ii) dienstverlening, iii)vormgeving transitie en tijdspad en iv) arbeidsrechtelijk; o Het belangrijk is dat ook afspraken gemaakt worden over de financiële gevolgen van de transitie; o Hierbij bewaakt moet worden dat in de situatie na de transitie nog steeds sprake is van een evenredige verdeling van de kosten en van de rechten en plichten die hier tegenover staan; o Het belangrijk is dat het college en de raad met elkaar in gesprek gaan over het takenpakket van de klassieke GR voor de sociale dienst (hetzelfde takenpakket als de sociale dienst binnen de GRD of een ander takenpakket n.a.v.
een nieuwe afweging); o Zorgvuldigheid hierbij voorop staat om de kwaliteit van het besluitvormings- en implementatieproces te waarborgen. Roept het College op dat: o Een proces doorlopen wordt, waarbij ook afspraken worden gemaakt over de financiële gevolgen van de transitie, waarbij 1) het uitgangspunt is dat de situatie na de transitie budgetneutraal is ten opzichte van de situatie van vóór de transitie en 2) sprake is van een evenredige verdeling van de kosten tussen de deelnemende gemeenten en van de rechten en plichten die hier tegenover staan; o Tijdig het gesprek gefaciliteerd wordt tussen de raad en het college (vóór de definitieve besluitvorming over de uitgangspuntennotitie sociaal in april) over het takenpakket van de GR Sociaal en het takenpakket van de overige dochters; o Tot een zorgvuldig proces wordt gekomen dat qua besluitvorming weliswaar in 2021 wordt afgerond, terwijl de implementatie van de transitie ter waarborging van de zorgvuldigheid ook in 2022 afgerond kan worden, indien hier meer tijd voor nodig is. Frank Dunsbergen
CDA
Cees Paas
SGP-Christenunie
Ben van der Plas
PvdA 20
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN
BIJLAGE 2 RAADSCOMMISSIE IN DE WGR Er komen behoorlijke wijzigingen aan in de huidige WGR, per wanneer is nog niet helemaal duidelijk, althans er is nog geen datum bekend. De wijzigingen zijn echter wel van belang voor deze transitie. Eén van de wijzingen betreft het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie7. Dit is het voorbeeld dat in de motie van de gemeente Papendrecht is benoemd. In die commissie hebben raadsleden van deelnemende gemeenten zitting. Zij volgen een gemeenschappelijke regeling en geven advies aan het bestuur van een samenwerkingsverband en aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten. Ook kan deze commissie zienswijzen van de raden met betrekking tot de gemeenschappelijke regeling voorbereiden. Het wetsvoorstel introduceert de mogelijkheid van een nieuwe commissie waar raadsleden zitting in hebben, die op voorstel van de raden van de deelnemende gemeenten wordt ingesteld door het algemeen bestuur van een openbaar lichaam. Met de gemeenschappelijke adviescommissie wordt beoogd dat de raden in een vroegtijdig stadium kunnen worden betrokken bij voorgenomen besluiten door het bestuur van de regeling. Zij fungeert daarmee als «vooruitgeschoven post» van de gemeenschappelijke raden.
De gemeenschappelijke adviescommissie kan het bestuur van een openbaar lichaam adviseren omtrent voorgenomen besluiten, zelf aandacht voor een onderwerp kunnen vragen en (gezamenlijke) standpunten van de raden van de deelnemende gemeenten op het punt van de regeling voorbereiden en daaromtrent adviseren. Daarmee kunnen de raden eerder en nauwer betrokken worden dan op dit moment het geval is. Er is geen sprake van delegatie van bevoegdheden aan de gemeenschappelijke adviescommissie. Uiteindelijk blijven de raden beslissingsbevoegd over in te dienen zienswijzen. Deze nieuwe commissie heeft dus geen (formele) rol in het besluitvormingsproces en zienswijzen blijven door raden gegeven worden, eventueel voorbereid door de adviescommissie. Gelet op de tijdsinvestering die dit van raadsleden vraagt, verwacht de regering dat alleen gekozen zal worden voor een dergelijke commissie waar dat nodig is vanuit de verantwoordelijkheden en rollen van raden. Indien de raden een voorstel doen, is het algemeen bestuur van het openbaar lichaam verplicht om de commissie in te stellen; het algemeen bestuur kan de commissie niet instellen als de raden hiertoe geen voorstel doen. Het is dus aan de raden van de deelnemende gemeenten om te bepalen of er behoefte is aan een dergelijke commissie.
De instelling van deze commissie vindt door het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling plaats omdat de gemeenschappelijke adviescommissie onderdeel van de regeling is en daardoor bij de organisatie van het samenwerkingsverband hoort en niet bij de gemeentelijke organisatie. Daarbij regelt het algemeen bestuur een aantal zaken met betrekking tot het functioneren van de commissie, na de raden de gelegenheid geboden te hebben hun wensen hieromtrent naar voren te brengen, omdat de gemeenschappelijke adviescommissie die niet voor zichzelf kan regelen voordat zij begonnen is. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam wordt geacht binnen een redelijke termijn na indiening van het voorstel door de raden van de deelnemende gemeenten de gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen. De gemeenschappelijke adviescommissie wordt ingesteld op voorstel van de raden van de aan de regeling deelnemende gemeenten gezamenlijk. Alle raden dienen dus in te stemmen met het voorstel. De commissie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden zijn gekozen. Vanuit de gedachte achter de gemeenschappelijke adviescommissie ligt deelname vanuit de raden van alle deelnemende gemeenten voor de hand. Een gemeenteraad is echter niet verplicht een raadslid af te vaardigen. De raden kiezen zelf de leden van de commissie. Zij opereren zonder last of ruggespraak.
Als een individuele raad van mening is dat zijn raadslid de lokale belangen onvoldoende behartigt kan hij een voordracht doen aan het bestuur van het openbaar lichaam om het betreffende raadslid te vervangen. Het ligt wel in de rede dat leden niet direct vanuit eigen politieke opvattingen inbreng leveren, maar meer oog hebben voor het belang van het bestuursorgaan gemeenteraad.
7
Voorgesteld nieuw artikel 24a Wgr. 21
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN
BIJLAGE 3 NADERE UITWERKING TABEL In de tabel in 3.5 is een voorstel uitgewerkt rondom de nadere regels en de uitvoering per onderwerp voor de vernieuwde GR. De uitwerking start met de vraag “welke taken worden of blijven lokaal belegd en welke taken worden regionaal belegd en hoe wordt omgegaan met delegatie en mandaat van de collegebevoegdheden en verantwoordelijkheden. Onder delegatie wordt verstaan: het door een bestuursorgaan overdragen van zijn bevoegdheid besluiten te nemen aan een ander, die deze onder eigen verantwoordelijkheid gaat uitoefenen. Expliciet kenmerk van delegatie is dus dat de verantwoordelijkheid voor de uitoefening overgaat van het bestuursorgaan dat de bevoegdheid delegeert (het college van burgemeester en wethouders) naar het bestuursorgaan dat de bevoegdheid gedelegeerd krijgt (het bestuur van de GR). De Wet gemeenschappelijke regelingen kent daarvoor eigen verantwoordingsregels. Het college is dus niet langer verantwoordelijk voor de taakuitoefening, maar blijft natuurlijk wél volledig verantwoordelijk voor de delegatie, het al dan niet intrekken van de delegatie. Onder mandaat wordt verstaan de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Anders dan bij delegatie, blijft bij mandaat de mandaatgever (het college van burgemeester en wethouders) verantwoordelijk en worden besluiten aan hem toegerekend.
Dat betekent dat het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk blijft voor de uitoefening van de bevoegdheden door ambtenaren van de sociale dienst. Dat vraagt meer van het opdrachtgeverschap en de lokale gemeentelijke capaciteit. De eigen verantwoordingsregels van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden daarmee feitelijk omzeild. Het college blijft dus geheel verantwoordelijk voor de taakuitoefening. Voor participatiewet, minimabeleid, Wmo, schuldhulpverlening en subsidies zullen we nader uitwerken wat de tabel nu precies zegt. We houden daarbij het volgende aan: A. Kaderstellend beleid B. Nadere regels C. Beleidsregels D. Uitvoering 1) Inkoop (voorwaarden, wat, de afspraken) en contractmanagement 2) Besluitvorming bij individuele aanvragen 3) Kunnen beslissen op individueel casusniveau 4) Klachten behandelen en afhandelen van inwoners 5) Bezwaar- en beroepszaken kunnen afhandelen Tevens wordt opgemerkt dat nadere regels niet op zichzelf staan, ze zijn een afgeleide van het kaderstellend beleid. Datzelfde geldt voor beleidsregels. Deze zijn ook altijd een afgeleide van wetgeving. Onderwerp participatiewet, IOAW/IOAZ (uitkering- en re-integratie, minima is apart uitgewerkt) A. Kaderstellend beleid: allereerst geldt sowieso dat de kaderstelling lokaal plaatsvindt.
Voor de participatiewet betekent het dat de volgende verordeningen lokaal worden vastgesteld: Wat Verordening werk en inkomen
Verordening inburgering
Wat is de inhoud van deze kaders? De duiding van de doelgroep (voor wie), de taakomschrijving die gemeenten ikv de participatiewet hebben, de rechten en plichten van inwoners, regels rondom ontheffing en feit dat hier nadere regels voor getroffen kunnen worden, welke voorzieningen er ingezet kunnen worden en feit dat hier nadere regels voor getroffen kunnen worden, afspraken rondom loonkostensubsidie en loonwaardebepaling, de voorzieningen en taken voor beschut werk, de regels rondom de tegenprestatie en participatieplaatsen, de regels voor afwegen van het aanbieden, voortzetten, beëindigen of intrekken van voorzieningen, de regels voor het vragen van een waarborgsom of geldlening bij voorzieningen, de regels voor het vergoeden van onkosten, premies, subsidies en feit dat hier nadere regels voor getroffen kunnen worden, regels rondom sanctioneren voor zover dit niet al wettelijk is bepaald (welke gedragingen, hoogte en duur, wegingskader), kaders rondom fraude en handhaving (wat voor beleid, wat voor controles) en regels over de individuele studietoeslag. De huidige verordening ziet alleen toe op de nog lopende trajecten. Er wordt momenteel met de gemeenten die taken regionaal oppakken gewerkt aan beleid voor de nieuwe wet. Deze uitwerking gebeurt in co-creatie. We werken deze daarom in dit stuk voor nu niet verder uit. 22
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN
B. Nadere regels: deze regels kunnen wel of niet gedelegeerd worden, mandateren kan niet. Dus of de 7 individuele colleges stellen de nadere regels vast of het bestuur van de GR doet dit in delegatie (waar gemeenten ook zelf onderdeel van zijn). Daarbij wordt opgemerkt dat ook bij delegatie van deze regels er nog steeds ruimte is voor lokale invulling. Nog steeds wordt in de voorbereiding van de stukken lokaal afgestemd en worden de lokale wensen meegenomen in de stukken. Formeel beslist uiteindelijk dan het AB en niet elk college apart. In de tabel is als voorstel neergelegd om deze nadere regels te delegeren. Dit heeft te maken met het feit dat er geen expliciete wensen of behoeften lokaal naar boven gekomen zijn als het om het uitkeringsproces gaat, er op dat punt weinig ruimte is vanuit landelijke wetgeving op nadere regels en gemeenten tevreden zijn over de huidige taakverdeling. Er zijn eveneens geen expliciete wensen of behoeften lokaal naar boven gekomen als het om de re-integratie en arbeidsmarkt gaat. Bovendien past het regionaal beleggen van de taak bij 1 organisatie goed bij de landelijke ontwikkelingen rondom de arbeidsmarktregio en de samenwerking. Werkgevers hebben steeds meer behoefte aan een uniform pakket aan regels en instrumenten rondom het in dienst nemen van inwoners vanuit de uitkering, in ieder geval per arbeidsmarktregio.
Door delegatie van dit onderdeel wordt eenduidigheid en verbinding optimaal geborgd, ook richting werkgevers. Wat Nadere regels Participatiewet
Regels participatie- en vrijwilligersbonus Subsidieregeling interne jobcoaching
Wat is de inhoud van deze kaders? Nadere uitwerking van de voorzieningen die beschreven zijn in de verordening en waarvan bepaald is dat er nadere regels gesteld kunnen worden (uitgebreide toelichting voorzieningen, voorwaarden voor de toekenning, kwaliteitseisen, hoogte, afbakening rechthebbenden, ingangsdatum), regels voor verlagen uitkering voor dak/thuislozen en schoolverlaters Doelgroep voor de bonussen, regels over de hoogte en verstrekking Nadere regels rondom inzet van subsidies voor jobcoaching (aanvraag, voorwaarden, vaststellingseisen, uitleg subsidiabele kosten, regels bij niet nakomen voorwaarden, intrekken, terugvordering)
C. Beleidsregels: deze regels zijn verbonden aan de uitvoering, dus als de uitvoering gedelegeerd wordt, kan het bestuur van de GR automatisch beleidsregels vaststellen. Tegelijkertijd kunnen colleges dat ook nog steeds doen en deze zijn van hogere aard en gaan dan dus voor op de beleidsregels die het bestuur van de GR vaststelt. Of dit werkbaar is, is een tweede. In het geval van de participatiewet, IOAW en IOAZ (uitkering, re-integratie) is het voorstel om de uitvoering te delegeren, zie bij D, waardoor deze regels ook bij het bestuur van de GR komen: Wat Beleidsregels terugvordering
Beleidsregels verhaal
Krediethypotheek en pandrecht Wet Taaleis
Wat is de inhoud van deze kaders? Uitvoeringsrichtlijnen over hoe omgegaan wordt met de wettelijke taken rondom terugvordering, feitelijk een nadere uitleg van de wettelijke taak: wanneer afzien van, wel of niet bruteren, wat in de terugvorderingsbeschikking opnemen, hoe omgaan met betalingsverplichtingen, invordering en aflossing, hoe om te gaan met verrekenen, beslaglegging, kwijtschelding en afkoop van vorderingen Uitvoeringsrichtlijnen over hoe omgegaan wordt met de wettelijke taak v.w.b. het verhalen van bijstand op derden, feitelijk een nadere uitleg van de wettelijke taak: wanneer afzien van, ingangsdatum, kwijtschelding, invordering, regels voor heronderzoek. Uitvoeringsrichtlijnen voor hoe om te gaan met bijstandsverstrekking aan eigen woningbezitters (hoogte, aflossing, rentevordering, opeisbaarheid, verkoop woning) Uitvoeringsrichtlijnen over hoe omgegaan wordt met de wettelijke taak rondom de beheersing van de Nederlandse taal, feitelijk een nadere uitleg van de wettelijke taak: wanneer en hoe wel of niet toetsen, wat opnemen in een kennisgeving, wanneer uitkering verlagen, wat vastleggen in dossier, welke ondersteuning bieden indien nodig.
Tot slot valt ook het uitvoeringsplan SUWI onder de beleidsregels. Dit stuk wordt echter altijd lokaal vastgesteld, omdat dit landelijk zo is vastgelegd. D. Uitvoering: het voorstel is om de uitvoering te delegeren. Hierdoor kan de GR zelfstandig besluiten nemen, behoudt zij zelfstandig toegang tot GBA, behandelt en handelt zij de klachten, Wob verzoeken en bezwaarschriften af voor dit onderdeel. Het betekent ook dat het college (of een wethouder) niet individueel op een casus (bv wel uitkering toekennen, waar de GR afwijst) anders kan beslissen. 23
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN Dat wil niet zeggen dat er op casusniveau geen contact kan zijn. Juist op casusniveau moet er tijdig en vroeg contact zijn tussen medewerkers van bv de lokale teams en de medewerker SDD om af te stemmen, te overleggen en met elkaar te bepalen wat handig is. Dit staat los van de keuze voor delegatie. Verder is, net als nu, ook op casusniveau nog steeds contact met wethouder(s) mogelijk. Formeel kan er echter geen ander individueel besluit lokaal worden genomen bij delegatie. Participatiewet, minimabeleid Het gaat op dit punt expliciet om de taken voor aanvullende inkomensondersteuning, paragraaf 4.1 van de participatiewet (bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag (= PMB) en individuele studietoeslag). A. Kaderstellend beleid: allereerst geldt sowieso dat de kaderstelling lokaal plaatsvindt. Voor het minimabeleid betekent het dat de volgende verordeningen lokaal worden vastgesteld: Wat Verordening persoonlijk minimabudget
Wat is de inhoud van deze kaders? Uitwerking van artikel 36 van de wet. De verordening geeft alle kaders weer om een individuele inkomenstoeslag aan te vragen en af te handelen. In de Drechtsteden persoonlijk minimabudget genoemd.
Er is geen ander kaderstellend beleid, het kader voor de overige bijzondere bijstand komt rechtstreeks uit de wet. Daar kunnen wel beleidsregels voor worden opgesteld. B. Nadere regels: deze regels kunnen wel of niet gedelegeerd worden, mandateren kan niet. Dus of de 7 individuele colleges stellen de nadere regels vast of het bestuur van de GR doet dit in delegatie (waar gemeenten ook zelf onderdeel van zijn). Daarbij wordt opgemerkt dat ook bij delegatie van deze regels er nog steeds ruimte is voor lokale invulling. Nog steeds wordt in de voorbereiding van de stukken lokaal afgestemd en worden de lokale wensen meegenomen in de stukken. Formeel beslist uiteindelijk dan het AB en niet elk college apart. In de tabel is als voorstel neergelegd om deze nadere regels niet te delegeren. Dit heeft te maken met het feit dat gemeenten op dit punt expliciete wensen of behoeften hebben om lokaal een andere invulling te kunnen geven aan bijvoorbeeld bedragen, inkomensgrenzen en voorzieningen. Op deze manier wordt hier goed aan tegemoet gekomen. Tegelijkertijd dient aandacht te zijn voor de eventuele consequenties van de uitwerking van deze wensen op de uitvoering bij de GR enerzijds en de andere gemeenten anderzijds (mogelijke relatie met de kostenverdeelsleutels).
Als er meer duidelijkheid komt in de verschillen, kan dit ook inhouden dat er een nadere uitwerking van de (financiële) consequenties zal gaan plaatsvinden. Wat Nadere regels minimabeleid
Wat is de inhoud van deze kaders? Nadere uitwerking van het PMB
C. Beleidsregels: deze regels zijn verbonden aan de uitvoering, dus als de uitvoering gedelegeerd wordt, kan het bestuur van de GR automatisch beleidsregels vaststellen. Tegelijkertijd kunnen colleges dat ook nog steeds doen en deze zijn van hogere aard en gaan dan dus voor op de beleidsregels die het bestuur van de GR vaststelt. Of dit werkbaar is, is een tweede. Nog steeds kan in de voorbereiding van de regionale stukken lokaal worden afgestemd en kunnen de lokale wensen worden meegenomen in de stukken. Formeel beslist uiteindelijk dan het AB en niet elk college apart. In het geval van het minimabeleid is het voorstel om de uitvoering te delegeren, zie bij D, waardoor deze regels ook bij het bestuur van de GR komen: Wat Beleidsregels minimabeleid
Wat is de inhoud van deze kaders? Uitvoeringsrichtlijnen hoe met bepaalde zaken moet worden omgegaan op basis van de wet. Er vindt nadere duiding plaats over de beoordeling van aanvragen (aandachtspunten), een uitleg over het begrip draagkracht, toelichting op de vorm van de bijzondere bijstand die vertrekt kan worden en een uitwerking van o.a. de inzet SMS kinderfonds, de collectieve zorgverzekering, draagkracht inkomen bij individuele bijzondere bijstand en bepaalde kosten worden nader uitgewerkt voor bijstandsverstrekking.
D. Uitvoering: het voorstel is om de uitvoering wel te delegeren. Hierdoor kan de GR zelfstandig besluiten nemen, behoudt zij zelfstandig toegang tot GBA, behandelt en handelt zij de klachten, Wob verzoeken en bezwaarschriften af voor dit onderdeel. Het betekent ook dat het college (of een wethouder) niet individueel op een casus (bv wel uitkering toekennen, waar de GR afwijst) anders kan beslissen. Dat wil niet zeggen dat er op casusniveau geen contact kan zijn. Juist op casusniveau moet er tijdig en vroeg contact zijn tussen medewerkers van bv de lokale teams en de medewerker SDD om af te stemmen, te overleggen en met elkaar te bepalen wat handig is. Dit staat los van de keuze voor delegatie. 24
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN
Verder is, net als nu, ook op casusniveau nog steeds contact met wethouder(s) mogelijk. Formeel kan er echter geen ander individueel besluit lokaal worden genomen bij delegatie. Wet maatschappelijke ondersteuning Het gaat op dit punt expliciet om de taken voor de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo. De algemene voorzieningen zijn en blijven een lokale verantwoordelijkheid. A. Kaderstellend beleid: allereerst geldt sowieso dat de kaderstelling lokaal plaatsvindt. Voor de Wmo betekent het dat de volgende verordeningen lokaal worden vastgesteld: Wat Beleidsplan Wmo
Verordening Wmo
Wat is de inhoud van deze kaders? Een deel van de zaken voor de Wmo zijn opgenomen in de regionale visie op het sociaal domein, eveneens straks voor de vaststelling een lokale verantwoordelijkheid. Voor de volgende onderwerpen is een beleidsplan gemaakt: toegang, vroegsignalering, cliëntondersteuning, korte duiding van het verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, de keuzemogelijkheid tussen aanbieders, borging continuïteit vd zorg, invulling van een tegemoetkoming op grond van artikel 2.1.7 en het meten van resultaten van de geïndiceerde ondersteuning. Procedureregels voor de melding, het onderzoek, het verslag, het ondersteuningsplan en de aanvraag, regels over de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening (o.a. toegangscriteria), criteria voor en de hoogte van een persoonsgebonden budget, afspraken rondom de eigen bijdrage, hoe om te gaan met intrekken, beëindigen en terugvorderen, hoe om te gaan met fraude en misbruik, kwaliteitseisen van de ondersteuning, cliëntenparticipatie en afspraken over indexering.
B. Nadere regels: deze regels kunnen wel of niet gedelegeerd worden, mandateren kan niet. Dus of de 7 individuele colleges stellen de nadere regels vast of het bestuur van de GR doet dit in delegatie (waar gemeenten ook zelf onderdeel van zijn). Daarbij wordt opgemerkt dat ook bij delegatie van deze regels er nog steeds ruimte is voor lokale invulling. In de tabel is als voorstel neergelegd om deze nadere regels niet te delegeren. Dit heeft te maken met het feit dat gemeenten voor de Wmo ook lokale voorzieningen (algemene voorzieningen) en ondersteuning georganiseerd hebben. Door de nadere regels niet te delegeren kunnen de lokale ambities en de regionale voorzieningen beter op elkaar worden afgestemd. Tegelijkertijd dient aandacht te zijn voor de eventuele consequenties van de uitwerking op de uitvoering bij de GR enerzijds en de andere gemeenten anderzijds (mogelijke relatie met de kostenverdeelsleutels). Als er meer duidelijkheid komt in de verschillen, kan dit ook inhouden dat er een nadere uitwerking van de (financiële) consequenties moet plaats vinden. Wat Besluit Wmo
Wat is de inhoud van deze kaders? Het besluit bevat nadere regels over de verantwoording van persoonsgebonden budgetten, alle bedragen worden benoemd en alle kostprijzen van de maatwerkvooorzieningen worden beschreven. Er is gekozen om dit in de nadere regel op te nemen vanwege de gedetailleerde aard hiervan.
C. Beleidsregels: deze regels zijn verbonden aan de uitvoering, dus als de uitvoering gedelegeerd wordt, kan het bestuur van de GR automatisch beleidsregels vaststellen. Tegelijkertijd kunnen colleges dat ook nog steeds doen en deze zijn van hogere aard en gaan dan dus voor op de beleidsregels die het bestuur van de GR vaststelt. Of dit werkbaar is, is een tweede. Nog steeds kan in de voorbereiding van de regionale stukken lokaal worden afgestemd en kunnen de lokale wensen worden meegenomen in de stukken. In het geval van de Wmo is het voorstel om de uitvoering te delegeren, zie bij D, waardoor deze regels ook bij het bestuur van de GR komen: Wat Beleidsregels Wmo
Wat is de inhoud van deze kaders? Uitvoeringsrichtlijnen hoe met bepaalde zaken moet worden omgegaan op basis van de wet, het beleidsplan, de verordening en nadere regels. Enkele voorbeelden hiervan zijn: wanneer is iemand wel of niet een inwoner van de Drechtsteden, wat is nu eigenlijk eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo, wat zijn voorliggende voorzieningen en wat zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen, wat betekent goedkoopst passend, hoe om te gaan met een aanvraag voor een voorziening die al eerder is verstrekt, een uitwerking van de ingekochte voorzieningen, de resultaten die met voorzieningen beoogd worden en de activiteiten die eronder vallen (ook gekoppeld aan de inkoop) en een nadere uitwerking van de keuze tussen natura en PGB. 25
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN
D. Uitvoering: het voorstel is om de uitvoering wel te delegeren. Hierdoor kan de GR zelfstandig besluiten nemen, behoudt zij zelfstandig toegang tot GBA, behandelt en handelt zij de klachten, Wob verzoeken en bezwaarschriften af voor dit onderdeel. Het betekent ook dat het college (of een wethouder) niet individueel op een casus (bv wel uitkering toekennen, waar de GR afwijst) anders kan beslissen. Dat wil niet zeggen dat er op casusniveau geen contact kan zijn. Juist op casusniveau moet er tijdig en vroeg contact zijn tussen medewerkers van bv de lokale teams en de medewerker SDD om af te stemmen, te overleggen en met elkaar te bepalen wat handig is. Dit staat los van de keuze voor delegatie. Verder is, net als nu, ook op casusniveau nog steeds contact met wethouder(s) mogelijk. Formeel kan er echter geen ander individueel besluit lokaal worden genomen bij delegatie. Schuldhulpverlening A. Kaderstellend beleid: allereerst geldt sowieso dat de kaderstelling lokaal plaatsvindt. Voor schuldhulpverlening betekent het dat de volgende verordeningen lokaal worden vastgesteld: Wat Beleidsplan schuldhulpverlening
Verordening schuldhulpverlening
Wat is de inhoud van deze kaders? Het beleidsplan werkt het kader uit waarbinnen de taken schuldhulpverlening worden uitgevoerd. Het legt een verbinding met de regionale visie en de opgave bestaanszekerheid. Uitgewerkt wordt wat we willen bereiken met elkaar in de regio op het gebied van schuldhulpverlening, welke doelen en speerpunten er zijn en vervolgens hoe wordt samengewerkt, hoe het proces verloopt, welke ondersteuning door wie geboden kan worden, wat daarin belangrijk is, hoe we integraal aan de slag gaan en zijn in de regio en tot slot hoe de wettelijke tijden worden gewaarborgd in processen. Deze ziet tot op afspraken over de beslistermijn bij de officiële aanvraag voor schuldhulpverlening.
B. Nadere regels: deze regels kunnen wel of niet gedelegeerd worden, mandateren kan niet. Dus of de 7 individuele colleges stellen de nadere regels vast of het bestuur van de GR doet dit in delegatie (waar gemeenten ook zelf onderdeel van zijn). Daarbij wordt opgemerkt dat ook bij delegatie van deze regels er nog steeds ruimte is voor lokale invulling. In de tabel is als voorstel neergelegd om deze nadere regels niet te delegeren. Dit heeft te maken met het feit dat gemeenten voor schuldhulpverlening ook zelf taken uitvoeren en ondersteuning bieden. Door de nadere regels niet te delegeren kunnen de lokale ambities en de regionale voorzieningen beter op elkaar worden afgestemd. Tegelijkertijd dient aandacht te zijn voor de eventuele consequenties van de uitwerking op de uitvoering bij de GR enerzijds en de andere gemeenten anderzijds (mogelijke relatie met de kostenverdeelsleutels). Als er meer duidelijkheid komt in de verschillen, kan dit ook inhouden dat er een nadere uitwerking van de (financiële) consequenties moet plaats vinden. C. Beleidsregels: deze regels zijn verbonden aan de uitvoering, dus als de uitvoering gedelegeerd wordt, kan het bestuur van de GR automatisch beleidsregels vaststellen. Tegelijkertijd kunnen colleges dat ook nog steeds doen en deze zijn van hogere aard en gaan dan dus voor op de beleidsregels die het bestuur van de GR vaststelt.
Of dit werkbaar is, is een tweede. Nog steeds kan in de voorbereiding van de regionale stukken lokaal worden afgestemd en kunnen de lokale wensen worden meegenomen in de stukken. In het geval van de Wmo is het voorstel om de uitvoering te delegeren, zie bij D, waardoor deze regels ook bij het bestuur van de GR komen: Wat Beleidsregels schuldhulpverlening
Wat is de inhoud van deze kaders? Uitvoeringsrichtlijnen hoe met bepaalde zaken moet worden omgegaan op basis van de wet, het beleidsplan e.d. Het gaat met name om procedureafspraken over de melding, de beëindiging, hoe omgegaan kan worden met een nieuwe melding na beëindiging en tot slot een nadere uitleg van fraudevorderingen en de consequenties daarvan op de ondersteuning.
D. Uitvoering: het voorstel is om de uitvoering deels te delegeren. Zowel regionaal als lokaal worden taken in het kader van preventie, vroegsignalering en nazorg uitgevoerd. Door deze taken te mandateren is het voor gemeenten én de GR goed mogelijk om beiden taken uit te voeren (uiteraard in overleg en goed op elkaar aangesloten). Voor de overige (curatieve) uitvoering van de schuldhulpverlening is het voorstel om dit wel te delegeren. Uit de eerdere sessies is gebleken dat hier geen nadere wensen of behoeften zijn en gemeenten tevreden zijn over deze uitvoering. 26
DE CONTOUREN VAN EEN VERNIEUWDE SA MENWERKING IN HET SOCIAAL DOMEIN DRECHTSTEDEN Bovendien zijn het behoorlijk technische trajecten en hieromheen staat regionaal een behoorlijke infrastructuur (systemen, eisen, lidmaatschap NVVK, audits etc.). Door dit deel te delegeren blijft deze infrastructuur behouden en kan de GR zelfstandig besluiten nemen, behoudt zij zelfstandig toegang tot GBA, behandelt en handelt zij de klachten, Wob verzoeken en bezwaarschriften af voor dit onderdeel. Het betekent ook dat het college (of een wethouder) niet individueel op een casus (bv wel uitkering toekennen, waar de GR afwijst) anders kan beslissen. Dat wil niet zeggen dat er op casusniveau geen contact kan zijn. Juist op casusniveau moet er tijdig en vroeg contact zijn tussen medewerkers van bv de lokale teams en de medewerker SDD om af te stemmen, te overleggen en met elkaar te bepalen wat handig is. Dit staat los van de keuze voor delegatie. Verder is, net als nu, ook op casusniveau nog steeds contact met wethouder(s) mogelijk. Formeel kan er echter geen ander individueel besluit lokaal worden genomen bij delegatie. Subsidies Door de SDD worden verschillende subsidies verstrekt. Op het gebied van minimabeleid subsidieert de SDD bijvoorbeeld stichting Urgente Noden (SUN) en stichting Leergeld, in het kader van het SMS-Kinderfonds.
Ook heeft het DSB de ‘Subsidieregeling interne jobcoaching’ vastgesteld, op grond waarvan een werkgever die een persoon vanuit de uitkering in dienst heeft genomen een subsidie kan krijgen om deze persoon passende begeleiding op de werkplek te geven. Ook komt regelmatig de vraag vanuit lokale gemeenten of de SDD een bepaalde stichting of initiatief kan subsidiëren, bijvoorbeeld omdat dit het lokale karakter overstijgt. Hier ligt dus een duidelijke opdracht naar de regio. De grondslag voor deze subsidies is de Algemene subsidieverordening Drechtsteden (ASV Drechtsteden). In de huidige GRD is bepaald dat het bestuur van de Drechtsteden bevoegd is subsidieverordeningen vast te stellen en subsidies te verlenen. Dit vormt de grondslag voor de subsidies die nu worden verleend. Het is echter de vraag hoe voor de subsidieverlening door de SDD een rechtmatige grondslag kan worden behouden in de nieuwe situatie per 2022. Omdat de GR een collegeregeling wordt, kan het bestuur van de GR geen ASV Drechtsteden meer vaststellen. De regionale subsidieverordening wordt dus lokaal vastgesteld in de gemeenteraden, waarbij deze duidelijk moet worden onderscheiden van de lokale subsidieverordening (in elke gemeente bestaat immers al een Algemene Subsidieverordening).
Met het vaststellen van de ASV Drechtsteden komt er duidelijkheid over de vraag welk kader van toepassing is op de subsidies die door het bestuur van de GR (kunnen) worden verstrekt. In de ASV Drechtsteden is bepaald dat het Drechtstedenbestuur een subsidieregeling kan vaststellen. Dit zijn nadere regels gericht op een specifieke subsidie. In de regeling moet de doelgroep van de subsidie, de te subsidiëren activiteiten en de verdeling van de subsidie zijn vermeld. Een voorbeeld hiervan is de Subsidieregeling voor interne jobcoaches. Deze subsidieregelingen kunnen alleen regionaal worden vastgesteld als deze bevoegdheid wordt gedelegeerd. In mandaat kunnen geen nadere regels worden vastgesteld en moet dit door de zeven colleges gebeuren. Ook dan is het de vraag op grond van welke subsidieregeling (welke van de zeven?) een subsidie wordt verstrekt als er een subsidie wordt aangevraagd. Een subsidieregeling uit een bepaalde gemeente kan geen werking hebben buiten deze gemeente, en kan dus per definitie niet gebruikt worden om activiteiten te subsidiëren die de gemeentegrenzen overstijgen. Subsidies die op regionaal niveau worden verstrekt, dat wil zeggen dat de te subsidiëren activiteiten op regionaal niveau plaatsvinden en waarvan de doelen ten goede komen aan (inwoners uit) de gehele regio, staan op gespannen voet met werken in mandaat.
Regionale subsidies zijn immers niet toe te rekenen aan een specifieke gemeente, waardoor het onduidelijk is welk college bevoegd is (namens welk college wordt een besluit genomen), en welke (door colleges vastgestelde) subsidieregeling van toepassing is. Daarom is het voorstel om nadat de lokale gemeenteraden de ASV Drechtsteden voor de GR SDD vastgesteld hebben om vervolgens de nadere regels én de uitvoering op het gebied van regionale subsidies te delegeren.
27