CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage brief PZH 12van 2 PBL 2023 monitor res 2023 een voortgangsanalyse van de regionale energie strategieen.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 14 mei 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Instemmen met Actualisatie Structuurvisie Windenergie: mogelijke zoeklocaties voor wind- en zonne-energie - Raadsvoorstel40.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Welk deel van de aanvragen her-ingediend zijn, was bij het schrijven van de monitor niet duidelijk. • Op basis van het bovenstaande maken we een conservatieve inschatting en nemen we aan dat de helft van de projecten in voorbereiding een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Op een totale resterende pijplijn van 840 MW zou 201 MW (0,5 x 402 MW) her-ingediend een kwart van de pijplijn betekenen. Hieruit volgt dat een kwart van de projecten (201 MW/ 840 MW) risico loopt op vertraging, deze inschatting nemen we op in de monitor door te kiezen voor een bandbreedte op 75-100 procent. • De resulterende middenwaarde van 88,5 procent ligt 7,5 procentpunt lager dan die uit de vorige Monitor. Dit komt overeen met 0,2 terrawattuur (7,5 procent x 2,8 terrawattuur) lagere inschatting van de productie uit de pijplijn.

Schatting realisatiegraad per regio voor pijplijnprojecten grootschalige zon-pv Het ontwikkeltraject voor grootschalig zon-pv is in de meeste gevallen korte dan dat voor wind op land. Kleinschalige zon-pv op dakprojecten (< 1 MWp) worden doorgaans in minder dan twee jaar ontwikkeld, grotere dak projecten binnen drie jaar en zon op veld binnen vijf jaar. Bij zon op dak komen door het relatief korte ontwikkeltraject eventuele beperkingen pas naar voren als er al een PBL | 80

subsidiebeschikking is met als gevolg een hogere uitval van projecten. Bij zon op veld projecten is meestal wel een omgevingsvergunning nodig en zit een deel van de onzekerheden net als bij wind op land voor het moment dat projecten meetellen in de pijplijn. Door de snelle ontwikkeling van grootschalig zon-pv en de relatief hoge belasting die de projecten leggen het elektriciteitsnet is de techniek gevoelig voor regionale verschillen in de beschikbare netcapaciteit. Daarom gebruiken we voor zon-pv geregionaliseerde realisatiegraden. Deze zijn afgeleid door de regionale netbeheerders uit de schaarste op het elektriciteitsnet en de projectenvoorraad per 1 juli 2022. Door deze te combineren met de huidige projectenvoorraad ontstaat een actueel beeld van de verwachte realisatie uit de projectenvoorraad in de pijplijn.

Uitleg en aanpak door regionale netbeheerders bij realisatiegraad zon-pv •

•

•

•

•

De netto realisatiegraden zoals ingeschat zijn door de regionale netbeheerders opgesteld op basis van de nog te realiseren projecten van alle grootschalige zon-pv met SDEbeschikking in beheer op 1 juli 2022. Uitgesplitst naar RES regio. De nog niet gerealiseerde projecten zijn ingedeeld naar schaarste-gebieden op HS/TS/MS stations. Voor de projecten die niet in schaarste-gebieden vallen (en nog geen getekende offerte hebben van een de netbeheerder) hebben we de realisatiegraad zónder netcongestie toegepast, zoals die ook eerder in de analyse is gebruikt. Voor projecten binnen de gebieden met netcongestie hebben we een afslag gemaakt op beschikkingen waarbij de subsidie verloopt voordat er vaste oplossing in de toekomst voor netcongestie is gerealiseerd en beschikkingen waarbij de realisatietermijn ook na termijn van schaarste kan worden gerealiseerd. Projecten met beschikkingen op het moment dat de transportschaarste is opgeheven hebben we opgenomen als projecten die worden gerealiseerd. Naast deze opbouw hebben we ook de impact van de nieuwe congestiemanagement-code van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in kaart gebracht: het scenario Hoog.

In het scenario Hoog gaan we ervan uit dat voor alle onderstations de maximale waarde (150 procent van N-0 capaciteit) van congestiemanagement kan worden toegepast en dat projecten die binnen deze marge vallen gerealiseerd zullen worden. Bij de inschatting van de lage realisatiegraad wordt er vanuit gegaan dat er geen extra capaciteit beschikbaar komt door congestiemanagement. Extra capaciteit moet dan van uitbreidingen komen. Als deze uitbreidingen niet binnen de geldigheidstermijn van een SDE beschikking in bedrijf komen, dan wordt er dus niks van deze beschikkingen gerealiseerd. Het gaat hier dus om gebieden waar volledige schaarste is en er geen uitbreidingen verwacht worden op korte termijn

Belangrijke uitgangspunten bij de gehanteerde methode •

• • •

PBL | 81

Er wordt uitgegaan van schaarste van juli 2022 die daarmee impliciet een projectie is voor de toekomstige situatie. Schaarste die sindsdien is opgetreden en eventuele schaarste die zich in de toekomst voor zal doen is expliciet niet meegenomen in de berekening. Er wordt alleen uitgegaan van schaarste op HS/TS/MS stations niveau. Zo is het eventuele effect van schaarste die kan ontstaan op de middenspanning niet meegenomen; Schaarste op het gebied van materiaal, personeel en financierbaarheid zijn niet meegenomen. De analyse beperkt zicht tot schaarste op basis van capaciteit van HS/TS/MS stations. Uitval van projecten - ook wel ‘vrijval’ genoemd – vindt alleen plaats bij die projecten die nog geen offerte voor aansluiting op het netwerk hebben gekregen en bovendien niet binnen een congestiegebied vallen. Bij alle andere realisatiegraadschattingen van projecten wordt er geen rekening gehouden met uitval anders dan uitval door schaarste op het

•

elektriciteitsnet. Met andere woorden, in congestiegebieden gaan we ervanuit dat er altijd meer vraag is dan dat er aanbod is qua behoefte aan aansluitingen op het netwerk en dat de uitval van projecten als gevolg van andere redenen niet relevant meer is omdat de transportschaarste de dominant factor is geworden. De realisatiegraden (zie Tabel 3.1) zijn afgeleid van de netcapaciteit schaarste in 2022 en toegepast op de situatie met pijplijnprojecten van 2023. De werkelijke realisatie van die pijplijnprojecten zal waarschijnlijk lager uit vallen dan volgens deze schatting, omdat sinds juli 2022 het aantal gebieden met netcapaciteit schaarste is toegenomen.

Tabel 3.1 Schatting realisatiegraad (RG) laag-hoog marge pijplijnprojecten per regio en per techniek: zon op dak (zod), zon op veld (zov) RES-regio

Achterhoek Alblasserwaard Amersfoort Arnhem / Nijmegen Cleantechregio Drechtsteden Drenthe Flevoland FoodValley Friesland Fruitdelta Rivierenland Goeree-Overflakkee Groningen Hart van Brabant Hoeksewaard Holland Rijnland MetropoolEindhoven Midden-Holland Noord- en Midden Limburg Noord Veluwe Noord-Holland Noord Noord-Holland Zuid Noordoost Brabant Rotterdam-Den Haag Twente U16 West-Brabant West-Overijssel Zeeland Zuid-Limburg

RG zod hoog

RG zod laag

RG zov hoog

RG zov laag

0.58 0.44 0.58 0.73 0.59 0.48 0.64 0.61 0.58 0.56 0.61 0.57 0.82 0.72 0.44 0.81 0.74 0.44 0.79 0.80 0.44 0.79 0.42 0.44 0.67 0.56 0.64 0.66 0.45 0.68

0.28 0.23 0.55 0.44 0.28 0.51 0.48 0.34 0.34 0.36 0.04 0.48 0.23 0.67 0.43 0.23 0.61 0.65 0.32 0.24 0.23 0.11 0.05 0.07 0.21 -

0.58 0.58 0.58 0.73 0.59 0.55 0.48 0.61 0.58 0.56 0.61 0.58 0.42 0.29 0.58 0.81 0.34 0.55 0.79 0.80 0.44 0.60 0.42 0.55 0.73 0.21 0.35 0.52 0.55 0.73

0.28 0.38 0.38 0.55 0.44 0.30 0.51 0.48 0.34 0.34 0.38 0.02 0.19 0.38 0.67 0.20 0.30 0.61 0.65 0.32 0.19 0.30 0.12 0.03 0.05 0.30 -

Aangezien de geregionaliseerde realisatiegraden zijn gebaseerd op dezelfde uitgangssituatie zijn er op het nationale beeld geen grote verschillen. Dit jaar ligt de bandbreedte tussen 28 - 57 procent. Vorig jaar lagen de realisatiegraden op basis van de opgaves per verzorgingsgebied tussen 25 - 58 procent. De verschillen die wel optreden komen doordat het Nationale beeld een gewogen gemiddelde is van de opgegeven realisatiegraden en de capaciteit in de pijplijn per regio. Toegepast op de nieuwe pijplijn zien we dat er een verschuiving optreedt aan de onderkant van de bandbreedte van

PBL | 82

25 naar 28 procent. Dit betekent dat het aandeel van het nog te ontwikkelen vermogen in regio’s met lagere realisatiegraden is afgenomen ten opzichte van een jaar geleden. De geregionaliseerde realisatiegraden laten zien, dat een aantal regio’s rekening moeten houden met een risico op aanmerkelijk lagere ontwikkeling van grootschalig zon-pv dan tot nu toe het geval is geweest. In 5 van de 30 regio’s bestaat zelfs de mogelijkheid dat netuitbreidingen niet op tijd worden geïnitieerd of afgerond om nog ruimte te bieden aan nieuwe grootschalige zon pv projecten. Figuur B3.1

Trend in ontwikkeling grootschalige zon-pv projecten In vier jaar tijd is de overall realisatiegraad voor grootschalige zon-pv in pijplijn terug gelopen van 60-80 procent in de monitor concept-RES tot 28-57 procent in deze monitor (Figuur B2.1). De sterke daling van met name de onderkant van de bandbreedte reflecteert het toegenomen aantal projectaanvragen voor zon pv. In de SDE rondes van 2020 en 2021 werd in totaal 11 GW aan nieuwe projecten beschikt, terwijl de onzekerheid dat geplande uitbreidingen aan het elektriciteitsnet voor 2030 kunnen worden afgerond gelijk bleef. Per saldo resulteert dit in een risico dat een groter deel van de projecten niet wordt gerealiseerd. In het algemeen zien we dat de teruglopende realisatiegraad aansluit bij het teruglopen van projectrealisaties en het patroon van stagnatie dat zich het afgelopen jaar aftekende.

Verandering in het onderdeel pijplijn (2023) De geschatte productie uit het onderdeel pijplijn geeft het saldo van de productiecapaciteit uit projecten die het afgelopen jaar zijn ontwikkeld, of zijn af gevallen en projecten die subsidie toegekende hebben gekregen. In tabel B2.2 staan de afzonderlijke onderdelen voor de pijplijn van 2023. Opvallend is dat er afgelopen jaar (2023) voor het eerst veel zon op veld projecten zijn afgevallen. In de voorgaande jaren waren dit vooral zon op dakprojecten < 1 MWp. Een deel van de uitgevallen zon op veld projecten heeft mogelijk de aanvraag opnieuw ingediend in de ronde van 2023. Ten opzichte van een jaar eerder waren er meer aanvragen (3,3 GW in 2022 en 1,9 GW in 2021) (EZK 2023e, f) . Wanneer deze projecten inderdaad de aanvraag herindienen ontstaat voor zon op veld eenzelfde patroon van vertraging als bij wind op land projecten. Gelet op de

PBL | 83

onzekerheden rondom de tijdige uitbreiding van elektriciteitsinfrastructuur is het de vraag of deze projecten nog voor 2030 zullen worden gerealiseerd. Tabel B3.2 Ontwikkeling van productiecapaciteit (megawatt) in de pijplijn van 2023 Categorie

Grootschalige 15 kWp -1 MWp Gebouwgebonden ≥ 1 MWp Niet gebouwgebonden ≥ 1 MWp

SDE pijplijn eind 2022*

Nieuwe beschikking april 2023

SDE pijplijn per oktober 2023

Verandering huidig 2023*

Vrijval projecten 2023

1.504

479

1.830

30

123

2.384

582

1.599

386

981

4.790

852

4.180

589

873

Totaal 9.367 1.912 7.962 1.005 1.977 * projectregistraties voor huidige installaties zijn door het jaar heen onderhevig aan bijstellingen. We gaan uit van de stand van zaken volgens SDE-projecten in beheer per 1 oktober 2023 en jaarcijfer voor 2022 uit de Monitor zon-pv 2023 (RVO 2023b en c).

PBL | 84

Bijlage 4 Dataset Begrippenkader RES In deze bijlage bespreken we de door de regio’s geleverde dataset over hernieuwbare elektriciteitsproductie in de regio conform het Begrippenkader RES (VIVET 2023). De dataset was niet op tijd beschikbaar voor een volledige kwaliteitscheck en vergelijking op regioniveau. In deze Monitor laten we daarom alleen op het nationale totaal zien van de regiogegevens en vergelijken dat met de gegevens volgens de PBL-systematiek.

Achtergrond De regio’s hebben het afgelopen jaar een eigen dataset ontwikkeld waarmee voortgang in de regio’s kan worden bijgehouden. De aanpak is vergelijkbaar met de benadering van de PBLsystematiek, maar er zijn verschillen in uitkomsten door diverse oorzaken. In het kort: het ontwikkeltraject voor grootschalig zon-pv en wind op land wordt opgedeeld in verschillende fases en de capaciteit in elke fase wordt vermenigvuldigt met een realisatiekans die toeneemt naarmate een projecten dichterbij realisatie komen. De definitie en inschatting van de elektriciteitsproductie uit het onderdeel pijplijn verschilt tussen de methodes. De regio’s gaan bij het opstellen van de dataset uit van dezelfde nationale gegevensregistratie als deze monitor en verwerken deze conform de afspraken in het begrippenkader hernieuwbare energie op land. (VIVET 2023) In aanvulling daarop geven de regio’s aan de gegevens wanneer mogelijk op projectniveau te verzamelen. Bij projectengegevens wordt ook de (beoogde) locatie meegenomen.

Bevindingen nationaal beeld •

• •

•

PBL | 85

De dataset begrippenkader maakt onderscheidt in drie extra fases in de pijplijn voor wind op land en zon op veld: voortraject, subsidieaanvraag, -verlening. In de PBL-systematiek is er geen informatie over deze projecten en vallen deze onder het onderdeel ambitie. De dataset geeft hiermee extra informatie over een deel daarvan die een hogere realisatiegraad krijgt toegedicht. Er is geen aanvullende informatie over de voorfases van subsidiebeschikking bij zon op dak projecten. Het totaalbod is 62 TWh. Dat is 10 procent hoger dan het officieel vastgestelde RES 1.0 bod en ook volgens de teksten van de voortgangrapportage. De oorsprong van het verschil is niet op nationaal niveau te herleiden. Mogelijke verklaringen zijn regio’s die de bewuste overprogrammering hebben opgenomen, of in de dataset al uitgaan van hogere ambities zonder dat deze in de voortgangsrapportage zijn vastgelegd. De elektriciteitsproductie uit bestaande installaties (huidig) is volgens de regio’s 15 procent hoger dan de PBL-systematiek, terwijl beiden conform de afspraken in het begrippenkader op basis van CBS gegevens over 2022 zouden moeten zijn berekend. Een opmerkelijk verschil is, dat er voor wind op land 18,7 TWh in plaats van 15.1 TWh (excl. sanering) wordt opgegeven. Het aangehaalde getal komt op orde van grootte overeen met de gegevens uit de windstats database per eind september.

Deze database gebruikt gemodelleerde nettoproductiecijfers conform subsidiebeschikking in plaats van gemeten productie als gegevensbasis. Deze observatie ligt in het verlengde van de onzekerheid met betrekking tot de huidige opwek uit wind op land in Bijlage 1.

Figuur B4.1

•

•

Productie uit pijplijn -subsidie/bouw ligt volgens regio’s rond de bovenwaarde van de bandbreedte die volgt uit de PBL-systematiek. Afwijking in dit onderdeel is ook hoofdzakelijk te herleiden tot een verschil in wind op land. Dit is volgens verwachting aangezien de lagere realisatiekans nog niet in de afspraken van het begrippenkader was opgenomen. De waarde voor de pijplijn zon-pv verschilt nauwelijks van de middenwaarde uit deze monitor. Dit is op zichzelf opmerkelijk omdat de twee uitgaan van verschillende realisatiegraden en voor zover bekend bij regio’s de dataset extra productiecapaciteit zou kunnen bevatten van projecten die zonder SCE of SDE worden ontwikkeld. De totale geschatte productie uit huidig + pijplijn komt uit op 38,6 TWh. Waarvan 35,2 TWh uit het overlappende deel van de pijplijn. Hiermee lijken de regio’s te signaleren dat de huidige initiatieven voldoende zouden zijn om het doel naar verwachting te bereiken.

Realisatiegraad op basis van ontwikkelfase en status elektriciteitsnet De in het Begrippenkader gebruikte realisatiegraden worden toegekende op basis van de ontwikkelfase waarin een project zich bevindt en de actuele status van netcongestie in het ontwikkelgebied volgens de capaciteitskaart van Netbeheer Nederland. Tabel B4.1 Afgesproken realisatiegraden ten behoeve van de berekening van verwachte productie volgens het begrippenkader hernieuwbare energie op land. Onderdeel

Fase

Wind op land

Zon op veld

Zon op dak

Ambitie Uitgewerkt Pijplijn Voortraject 10% 10% Pijplijn Vergunning aanvraag 60% 40% Pijplijn Vergunning verlening 90% 10-80%* Pijplijn Subsidie/bouw 95% 90% 20-50%* * Bij zon op veld en zon-op dak wordt de realisatiegraad bepaalt aan de hand van de status op van de lokale transportcapaciteit volgens de netcapaciteit kaart van netbeheer Nederland.

Gebruik gegevens volgens het Begrippenkader RES in deze monitor RES

PBL | 86

De dataset op basis van het begrippenkader verschilt op het nationale beeld hoofdzakelijk voor de geschatte productie voor wind-op-land uit huidig en pijplijn. Wat opvalt is dat deze inschatting niet lijkt te zijn berekend conform de afspraken van het begrippenkader, dat juist aan de basis zou moeten staan van de dataset. Naast het hogere totaalbod zijn er op regioniveau grote verschillen met de nationale registers. We hadden de volledige versie van deze dataset niet op tijd tot onze beschikking om de oorsprong en de betekenis van de bovenstaande verschillen te doorgronden. Daarom kunnen we in deze monitor beperkt uitspraken doen op basis van de geleverde data. Wanneer we de dataset alleen zouden bekijken voor inzicht in de vroege ontwikkelfases dan zien we het volgende: •

Op basis van de regio dataset Begrippenkader RES is er voor 5,2 TWh aan concrete wind op land en zon op veld projecten, die bezig zijn met de vergunningaanvraag of deze zelfs al hebben ontvangen maar (nog) geen subsidiebeschikking (figuur 5). Gecombineerd met de realisatiekans van respectievelijk 40 en 60 procent voor deze ontwikkelfases zouden deze projecten mogelijk tot 2,9 TWh aan nieuwe elektriciteitsproductie kunnen leiden (zie bijlage 3, tabel B3.1)

Figuur B4.2

•

•

PBL | 87

Het voortraject, de vroegste ontwikkelfase in de dataset, bevat 12,2 TWh aan concrete initiatieven voor wind op land en zon op veld. Het is nog erg onzeker hoeveel van deze projecten daadwerkelijk doorgang vinden, daarom hebben ze een realisatiekans toegekend van 10 procent. De verwachte productie uit dit onderdeel zou dan 1,2 TWh bedragen. Gezamenlijk zou de geschatte productie uit de vroege ontwikkelfase uitkomen op 4,1 TWh. Wanneer we deze optellen bij de geschatte productie uit de onderdelen huidig en pijplijn volgens de PBL-systematiek. Dan zou de totale productie uit komen op 35 TWh. Uitgaande van de bandbreedtes van 29,5 en 32,5 TWh komt het doelbereik binnen de bandbreedte te liggen. Dit suggereert dat regio’s in hun eigen rapportage met vertrouwen naar het behalen van de doelstelling kijken.

•

Daarnaast geven regio’s aan dat wanneer er naast de projecten in de pijplijn wordt gekeken naar plekken waar er sprake is van een uitgewerkte ambtie er nog 6 TWh aan laaghangend fruit te ontwikkelen is. 28

Tabel B4.2 Mogelijke realisatie (in gigawattuur) van het regio totaalbod op nationaal niveau op basis van het begrippenkader voor de onderdelen huidig (2022), pijplijn en ambitie per techniek: wind op land (wol), grootschalige zon op veld (zov) en zon op dak (zod), wind en/of zon, nog onbepaald (overig). Onderdeel

totaal Ambitie niet uitgewerkt Ambitie uitgewerkt Ambitie uit pijplijn*

wol

zov

zod

10,293 1,462 2,913 3,010 5,906 1,589 2,222 1,731 7,160 2,238 3,787 1,135 Ambitie totaal 23,359 5,289 8,922 5,875 Pijplijn - Voortraject 434 273 707 Pijplijn - Vergunningaanvraag 1,155 522 633 Pijplijn - Vergunningverlening 1,785 345 1,440 Pijplijn - Subsidiebeschikking en bouw 6,965 3,707 1,950 1,308 Pijplijn totaal 10,340 4,301 4,731 1,308 Huidig (2022) 28,179 18,755 4,241 5,184 Totaal 61,878 28,345 17,894 12,367 * Een deel van de pijplijn wordt niet gerealiseerd en komt hier terug als onderdeel van de ambitie.

28

overig 2,909 364 3,273 3,273

deze categorie wordt in het begrippenkader toegelicht als gebieden waar regio’s, gemeenten, of provincies of provincies aangeven hernieuwbare elektriciteitsproductie te willen realiseren. Dit kan gaan om zoekgebieden, maar ook om algemene ambities voor een specifieke techniek.

PBL | 88

Tabel B4.2 Mogelijke realisatie (in gigawattuur) van het regio totaalbod op regioniveau op basis van het begrippenkader voor de onderdelen huidig (2022), pijplijn en ambitie.

RES-regio Groningen Friesland Drenthe Twente West-Overijssel Flevoland Achterhoek Arnhem/Nijmegen Foodvalley Noord-Veluwe Fruitdelta Rivierenland Cleantech Amersfoort U16 Noord-Holland Noord Noord-Holland Zuid Alblasserwaard Drechtsteden Goeree-Overflakkee Hoeksche Waard Holland Rijnland Midden-Holland Rotterdam/Den Haag Zeeland Hart van Brabant Metropoolregio Eindhoven Noordoost-Brabant West-Brabant Noord- en Midden-Limburg Zuid-Limburg Totaal

PBL | 89

Begrippen- Begrippenka- Begrippenka- BegrippenkaBod RES 1.0 kader Huidig der Pijplijn der Ambitie der Totale bod 4,410 827 1,143 6,380 5,700 2,325 381 394 3,100 3,000 3,499 1,909 858 837 3,605 1,500 370 233 850 1,453 1,826 526 338 962 1,826 5,810 4,812 2,237 937 7,985 375 301 1,530 2,206 1,350 229 637 952 1,819 1,620 750 158 449 528 1,134 530 114 86 330 530 1,200 427 181 776 1,384 1,070 313 152 1,026 1,491 0 2 497 499 500 369 313 1,280 1,962 1,800 3,600 2,472 138 1,204 3,814 2,700 1,030 12 1,544 2,586 320 72 45 204 320 370 91 104 175 370 853 908 0 0 908 386 353 83 41 476 142 36 963 1,140 1,140 435 88 48 401 537 2,800 1,562 280 1,342 3,184 3,055 2,286 761 99 3,145 1,000 325 164 494 982 2,000 486 564 968 2,018 378 55 815 1,248 1,600 2,200 1,261 522 457 2,240 1,200 247 417 1,540 2,204 1,330 142 116 1,072 1,330 28,179 10,340 23,359 61,878 55,144

Bijlage 5 Warmtebronnen en duurzame gassen in de regio’s Warmtebronnen De belangrijkste bovengemeentelijke warmtebronnen die in de RES genoemd worden zijn restwarmte en geothermie. Voor restwarmte wordt continuïteit in de beschikbaarheid van de bron ook in de toekomst door de regio's als belangrijkste onzekerheid genoemd. Geothermie wordt beschouwd als geen makkelijke optie vanwege de grote investering die nodig is zowel voor het verkennen van de haalbaarheid van deze bron als voor de operationaleseing daarvan. Daarbij lijken de provincies een belangrijke rol te spelen om regio’s en gemeentes te ondersteunen: De provincies Gelderland en Noord-Brabant hebben samen met gemeenten en Energie Beheer Nederland (EBN) elk een ontwikkelprogramma/ actieplan opgesteld om geothermie in hun regio te benutten. Andere bronnen zoals aquathermie en zonthermie worden vooral lokaal benut. Aquathermie wordt door ongeveer twintige regio’s genoemd. In de verdere ontwikkeling en opschaling van aquathermie wordt de rol van de waterschappen door de regio’s als belangrijk gezien; waterschappen doen bijvoorbeeld onderzoek naar de geschiktheid van verschillende watergangen en ze stellen voorwaarden voor het benutten ervan. Tegelijkertijd wordt door enkele regio’s bovenlokale samenwerking ook als waardevol gezien voor de verdere ontwikkeling en opschaling van aquathermieprojecten.

In de regio Amersfoort is bijvoorbeeld een regionale businesscase opgesteld voor aquathermie en hebben gemeenten samen met burgers en bedrijven afwegingskaders ontwikkeld voor het kiezen van wijken die aangesloten kunnen worden op een warmtenet dat wordt gevoed met aquathermie. Zonthermie wordt door vijf regio’s genoemd, maar verder wordt deze technologie nauwelijks besproken en er worden geen concrete voorbeelden daarbij genoemd.

Duurzame gassen Wat betreft de duurzame gassen wordt in de RES-documenten vooral groen gas als een voordelige optie voor de gebouwde omgeving genoemd. Terwjl de ontwikkeling van deze bron vaak lokaal wordt aangepakt, hebben in enkele gebieden regio’s wel een actieve rol; regio’s MRE, Twente, Noord-Midden-Limburg zetten consortia op om het potentieel van groen gas te verkennen. Ook in Noord-Brabant is er een provinciaal traject gestart om het potentieel van groen gas in de provincie te verkennen. De regio’s staan positief tegenover collectief eigendom van groen gas: in de RES Twente pleiten ze bijvoorbeeld voor 50 procent lokaal eigenaarschap bij de verdere ontwikkeling van groen gas, zodat niet alleen gasleveranciers kunnen profiteren, maar ook de boeren en de directe omgeving. Tegelijkertijd wordt er door meerdere regio’s geagendeerd dat een perspectief op de langere termijn nog ontbreekt. Volgens de bijmengverplichting groen gas (EZK 2023g) zal in 2030 1,6 miljard kuub groen gas wordt toegevoegd aan het aardgasnet wat grotendeels ten goede zal komen aan de gebouwde omgeving. Over de ambitie na 2030 zal het kabinet opnieuw bekijken hoeveel groen gas gewenst is en voor welke sectoren dit duurzame gas het beste is in te zetten. Waterstof wordt nog beperkt genoemd door de RES-regio’s vanwege zijn beperkte rol in de

PBL | 90

genouwde omgeving tot 2030. 29 Er is één regio waar de rol van waterstof uitgebreider wordt verkend, dat is regio Midden-Holland. Daar wordt de komende jaren een deel van de zogenoemde Waterstofbackbone gerealiseerd. De regio ziet een kans in de lokale productie van waterstof, omdat hiermee een lokale warmtebron ontstaat, namelijk de restwarmte van het elektrolyseproces dat voor de productie van waterstof nodig is.

29

Zie ook Routekaart Waterstof

PBL | 91

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/758/documents/32167