Bijlage 9b - Antwoord RWS verdiepende vragen.pdf
Tekst van het document
Stoffen
P95 HZP 0-30
P95 HZP 0-50
P95 HZP diep
Max.waarde klasse A
Arseen
n.b.
n.b.
n.b.
29
Cadmium
1,4
1,2
0,1
4
Koper
44
40
6,9
96
Kwik
0,64
0,51
<0,05
1,2
Zink
292
268
29
563
Som10PAK
0,81
0,54
0,38
9
Som7PCB
0,015
0,011
0,005
0,139
Minerale olie
48
<35
<35
1250
8 De maximale waarde klasse A is voor de meeste stoffen gelijk aan het 95-percentiel van de slibkwaliteit bij Lobith (waar de Rijn
Nederland binnenkomt).
datum referentie
11 juli 2024 240983_AdB_RAP_0001_v0.4
Bijlage 3 Informatie over aanslibbing (RWS-WNZ). De Hel- en Zuilespolder bevindt zich bovenstrooms Chemours. Het zou kunnen dat een fractie van slib beïnvloed door Chemours via het Wantij hier terecht komt, maar de kwaliteit zal vooral worden beïnvloed door de slibkwaliteit die van bovenstrooms komt. Dit gebeurt eigenlijk alleen bij hoge (piek)rivierafvoeren, omdat er dan dusdanige stroomsnelheden optreden waardoor slib in de waterkolom blijft zweven en er veel organisch materiaal in de waterkolom terecht komt (afkomstig uit bovenstroomse uiterwaarden), waardoor een deel daarvan in de Hel- en Zuilespolder kan sedimenteren. Maar dat geldt dan uiteraard voor alle buitendijkse gebieden die inunderen. Onder normale omstandigheden zit er verhoudingsgewijs weinig slib in de waterkolom, en daardoor dus ook weinig verontreiniging. Uit bodemonderzoeken voor ons eigen onderhoudsbaggerwerk komen we op de Merwedes vrijwel geen PFAS tegen in onze specie. Dit komt denk ik doordat de PFAS die goed in water oplost, snel uit het riviersysteem verdwijnt, en het fijne slib te licht is om bij deze stroming te bezinken tot op de bodem. Met uitzondering van de stroomluwe hoekjes, zeg maar. Op basis van de verwachte stroomsnelheden, kan vooral wat aanslibbing plaatsvinden in stroomluwe zones; of beter gezegd: stilstaand water. In de geulen zal altijd wel wat stroming (>0,1 m/s) overblijven.
Op de hogere delen van de oevers (daar waar nog getij voorkomt), is waarschijnlijk wat meer aanslibbing dan in de geulen. Dat komt mede doordat daar waar vegetatie (bv. riet en ruigte) voorkomt, wat slib invangt en vasthoudt. Of dat ook permanent is, is ook maar de vraag. Bij een piekafvoer zou het zomaar kunnen dat door hoge waterstanden en hogere stroomsnelheden, een deel van dit slib weer in de waterkolom terecht komt en zich elders weer afzet. Dat zijn op zich normale rivierkundige/morfologische processen die gestuurd worden door laag- en hoogdynamische omstandigheden. In de Brabantse Biesbosch wordt uitgegaan van gemiddeld 8-12 mm aanslibbing per jaar, over het gehele systeem. Op zich zegt dat verder niet zoveel, omdat de meeste aanslibbing vooral komt door interne redistributie van sediment. Aanvoer van vers sediment is zeer gering (en te weinig om ZSS bij te houden) en transporteert zich vooral via de diepere geulen.
datum referentie
11 juli 2024 240983_AdB_RAP_0001_v0.4
Bijlage 4 Deelgebieden in het (water)bodem- en grondwateronderzoek
datum referentie
11 juli 2024 240983_AdB_RAP_0001_v0.4