CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Natuurtoets strandje de Elzen.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 23 november 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 1: Gesprek met Staatsbosbeheer en Waterschap Hollandse Delta over de Viersprong10.020 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NATUURTOETS STRANDJE DE ELZEN TE DORDRECHT

NATUURTOETS STRANDJE DE ELZEN TE DORDRECHT Kenmerk: Versie: Datum:

20210293 2 9 juli 2021

Auteur: Projectleider: Veldwerk: Kwaliteitscontrole: Opdrachtgever:

B. (Bastiaan) van de Wetering P. I. (Pim) Godschalk B. (Bastiaan) van de Wetering P. I. (Pim) Godschalk; E. (Esther) Schiedon Gemeente Dordrecht Spuiboulevard 300 3311 GR Dordrecht Karlijn Snel

Contactpersoon:

Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.

© ATKB voor natuur en leefomgeving. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Foto's: ATKB, naam medewerker

INHOUD Inleiding Aanleiding Wet natuurbescherming Overige gebiedenbescherming Doel Kwaliteitsborging Leeswijzer

1 1 1 3 3 4 4

Plangebied: huidige en toekomstige situatie Beschrijving huidige situatie Werkzaamheden en toekomstige situatie

5 5 7

Methode quickscan Opzet onderzoek Literatuuronderzoek Veldonderzoek

8 8 8 8

Resultaten literatuur- en veldonderzoek Flora Broedvogels cat. 1 t/m 4 (nesten jaarrond beschermd) Broedvogels cat. 5 Algemene broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden Samenvatting resultaten

11 11 11 11 12 12 12 13 13 13 13 14

Effectenanalyse en maatregelen Inleiding Broedvogels cat. 1 t/m 4 Broedvogels cat. 5 Algemene broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Vlinders, libellen en overige ongewervelden Aanvullende maatregelen t.a.v. zorgplicht

15 15 15 16 17 17 18 19 19

Gebiedenbescherming Natura 2000 Planologische gebiedenbescherming

20 20 25

Conclusies en aanbevelingen Soortenbescherming Gebiedenbescherming Bibliografie

26 26 27 28

INLEIDING AANLEIDING Gemeente Dordrecht is aan het verkennen of een strandje in het natuurgebied ‘De Elzen’ ten zuiden van Dordrecht te realiseren is. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de huidige natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd.

WET NATUURBESCHERMING 1.2.1 SOORTENBESCHERMING

Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1. Vrijstelling binnen provincie Zuid-Holland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling.

In het geval van de provincie Zuid-Holland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaardkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat. (bron: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland, d.d. 9 november 2016) Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding).

1 In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a.

opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

1 van 28

Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Zuid-Holland, de uitvoerende instantie is Omgevingsdienst Haaglanden). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Voldoet het planvoornemen aan één van de in de wet genoemde belangen? • Is een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 BESCHERMING NATURA 2000-GEBIEDEN

Via de Wnb is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De Wnb stelt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten die een significant negatief effect kunnen hebben op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: •

Plannen kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden) nadelige effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden. Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen.

•

Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen de projectlocatie ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).

Om eventuele effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden in kaart te brengen wordt een Natura 2000-voortoets uitgevoerd. 1.2.3 BESCHERMING HOUTOPSTANDEN

Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

2 van 28

Voor het voorgenomen plan worden geen bomen gekapt. Voor dit project is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden uit de Wnb en/of het gemeentelijk beleid zodoende niet van toepassing.

OVERIGE GEBIEDENBESCHERMING Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’-beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd. Naast de bescherming van het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden (ook wel belangrijke weidevogelgebieden, weidevogelleefgebieden en weidevogelkerngebieden genoemd) aangewezen. Binnen dergelijke gebieden geldt doorgaans (evenals het geval is voor het NNN) het Nee, tenzij-regime.

DOEL De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb (soortenbescherming en bescherming Natura 2000-gebieden) of planologische gebiedenbescherming optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt de projectlocatie in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN of binnen een belangrijk weidevogelgebied? G2. Wat zijn de aangewezen waarden in het nabijgelegen Natura 2000-gebied of NNN G3. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G4. Is een aanvullende toetsing aan de gebiedenbescherming (passende beoordeling en/of Nee, tenzij-toets) noodzakelijk?

2 In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige

beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

3 van 28

KWALITEITSBORGING De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus.

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de projectlocatie weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. In hoofdstuk 3 wordt de methode, waarop een quickscan soortenbescherming wordt uitgevoerd, beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van de projectlocatie. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.4) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

4 van 28

PLANGEBIED: HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE Ten behoeve van de aanleg van een strandje zijn in deze natuurtoets twee zoekgebieden onderzocht welke beide gelegen zijn in het bos De Elzen ten zuiden van Dordrecht, nabij ‘De Viersprong’. Op deze locatie is een grote parkeerplaats aanwezig (ca. 70 parkeerplaatsen). Het gebied (en met name dit deel van De Elzen) is in de huidige situatie in gebruik als recreatief deel voor wandelaars, fietsers, hardlopers, voor het uitlaten van honden, speelbos en horecagelegenheid. Beide locaties zijn gelegen aan een grote plas water en op enige decameters omringd door bos. De eerste projectlocatie is gelegen aan het paviljoen ‘De Viersprong’ aan de westelijke oever (hierna: projectlocatie paviljoen). De oever bestaat, ter hoogte van het paviljoen, uit een laag betonnen randje van ca. 20 centimeter en is begroeid met gras. Het overige deel van de oever, tussen het paviljoen en de Noorderelsweg, bestaat uit gras en de vooroever is begroeid met riet en lisdodde. In de oever is één struik van de boswilg aanwezig. De locatie is gelegen naast de bomenrij van de Noorderelsweg. De tweede projectlocatie grenst aan het speelbos ‘De Viersprong’ aan de westelijke oever (hierna projectlocatie speelbos). Deze oever bestaat op het talud uit gras en er staan enkele hoge populieren.

De vooroever bestaat uit enkele wilgenbosjes en is begroeid met riet, gele lis en lisdodde.

Figuur 1.

Ligging van de projectlocatie paviljoen (blauw) en projectlocatie speelbos (rood) .

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

5 van 28

Projectlocatie paviljoen

Projectlocatie Speelbos

Figuur 2.

Huidige situatie beide projectlocaties.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

6 van 28

WERKZAAMHEDEN EN TOEKOMSTIGE SITUATIE De gemeente Dordrecht heeft twee locaties op het oog om een strandje aan te leggen. Middels deze natuurtoets wordt een verkenning uitgevoerd welke voorbehouden er zijn vanuit de natuurwetgeving voor inrichting van een van beide locaties. In de toetsing wordt rekening gehouden met werkzaamheden in de aanlegfase en eventuele gevolgen van de aanleg van het strand in de gebruiksfase. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt eventuele submerse en oevervegetatie verwijderd, hieronder vallen ook enkele wilgenstruiken. De bomen op het land blijven behouden, voor dit project worden geen bomen gekapt. Tijdens de aanlegfase is er sprake van grondverzet en de aanvoer van zand, om het strand te realiseren wordt het water inclusief vooroever op één van de projectlocaties gedeeltelijk gedempt. Een planning van de werkzaamheden is nog niet bekend, omdat het plan in de verkenningsfase is.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

7 van 28

METHODE QUICKSCAN OPZET ONDERZOEK Een quickscan Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) is een eenmalige beoordeling van de projectlocatie, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van de projectlocatie als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig.

LITERATUURONDERZOEK Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnb-beschermde soorten in (de omgeving van) de projectlocatie. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Ten aanzien van flora is een zoekgebied van circa 10 kilometer rondom de projectlocatie gehanteerd. Voor fauna is een zoekgebied van circa 4 kilometer rondom de projectlocatie gehanteerd. De NDFF is geraadpleegd op 29 maart 2021. Hierbij zijn waarnemingen tot 5 jaar terug ingezien. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare bronnen zoals: verspreidingsatlas.nl en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement).

VELDONDERZOEK Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van de projectlocatie (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in de projectlocatie (kunnen) voorkomen. Op 14 april 2021 is het veldbezoek uitgevoerd; hierbij was sprake van zonnige en droge weersomstandigheden. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van de projectlocatie als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen).

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

8 van 28

De bepaling van de geschiktheid van de projectlocatie voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd: Flora De projectlocatie wordt beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten. Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar). Broedvogels categorie 1 t/m 4 De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek bepalen we of in de projectlocatie vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast wordt gezocht naar sporen van jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte wordt beoordeeld of de projectlocatie mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels categorie 5 Categorie 5-broedvogels betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt.

Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of in de projectlocatie nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast zoeken we ook naar sporen van deze nesten, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen op de grond of muren, territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of binnen de projectlocatie broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals winterkoning, heggenmus en vink. Tevens letten we op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen wordt bepaald of gebouwen en/of bomen in de projectlocatie geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: - Gebouwbewonende vleermuizen (o.a.

gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen zelf niet betreden, maar van buiten geïnspecteerd;

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

9 van 28

-

Boombewonende vleermuizen (o.a. ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen worden met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken.

Tevens wordt tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij wordt bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens wordt (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van de projectlocatie die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte wordt bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, wordt tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van de projectlocatie die als alternatief kunnen fungeren. Grondgebonden zoogdieren Het gebied wordt beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij wordt gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens worden eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of de projectlocatie geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt.

Bij aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat wordt direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat wordt (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.). Vissen Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of oppervlaktewater (indien aanwezig) geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij wordt gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie. Bij ogenschijnlijke geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of de projectlocatie geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen).

Hierbij wordt o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek wordt direct gelet op aanwijzingen van gebruik van de projectlocatie door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen). Bij aanwezigheid van potentieel geschikte watergang/poel (voor beschermde libellen, waterkevers en platte schijfhoren) wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON)schepnet bemonsterd.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

10 van 28

RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK FLORA Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocatie de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: Muurbloem, steenbreekvaren, kartuizer anjer, karwijvarkenskervel en dreps. Uit het veldonderzoek blijkt dat de oevers van de projectlocaties ongeschikt zijn als groeiplaats voor beschermde vaatplanten door de hoge mate van betreding, beschaduwing en voedselrijke bodem. Het betonnen randje ter hoogte van het paviljoen is ongeschikt als groeiplaats voor muurbloem en steenbreekvaren. Deze soorten prefereren over het algemeen een groeiplaats waar (waterdoorlatend) kalkcement toegepast is. Op de locaties zijn de soorten bovendien niet aangetroffen, ondanks een veldbezoek in een gunstige periode van het jaar. De aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten kan daarom met zekerheid worden uitgesloten.

BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 (NESTEN JAARROND BESCHERMD) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen: boomvalk, buizerd, havik, huismus, kerkuil, ransuil, ooievaar, steenuil, sperwer, roek en slechtvalk. Uit het veldonderzoek blijkt dat de projectlocaties zelf ongeschikt zijn als broedplaats voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten door het ontbreken van grote nesten en holtes in bomen en in/op gebouwen. Op ca. 100 meter afstand van projectlocatie speelbos is tussen de parkeerplaats en de projectlocatie een groot nest aangetroffen wat mogelijk geschikt is als nestplaats voor boomvalk, sperwer, havik, buizerd of ransuil. Binnen de projectlocaties kan een passerende buizerd, sperwer, havik, ransuil of boomvalk voorkomen, zodoende kunnen de projectlocaties onderdeel zijn van het leefgebied van deze soorten

BROEDVOGELS CAT. 5 Categorie 5: nesten jaarrond beschermd als omstandigheden dit rechtvaardigen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties de volgende categorie 5broedvogels voor (kunnen) komen: boerenzwaluw, blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, groene specht, huiszwaluw, ijsvogel, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, visarend, wielewaal, zwarte kraai, zwarte roodstaart en zeearend. Tijdens het veldbezoek zijn in de nabije omgeving van de projectlocaties de volgende soorten waargenomen: boomkruiper, pimpelmees, koolmees, ekster en grote bonte specht. Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen de projectlocaties geen holtes/nesten in bomen, oevers of gebouwen aanwezig zijn, waardoor nestplaatsen van cat. 5-broedvogels in de huidige situatie uitgesloten zijn. De wilgen en populieren in de omgeving kunnen in de toekomst wel dienen als nestplaats voor grote bonte specht of zwarte kraai, hierom worden deze soorten wel in de effectenanalyse opgenomen.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

11 van 28

De aangrenzende waterpartij is geschikt als foerageergebied voor boerenzwaluw, huiszwaluw, oeverzwaluw en visarend. De begroeiing in de oeverzone is geschikt als foerageergebied voor pimpelmees/koolmees.

ALGEMENE BROEDVOGELS Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: aalscholver, blauwborst, bosrietzanger, Cetti’s zanger, fitis, fuut, grasmus, grauwe gans, houtduif, kauw, meerkoet, nachtegaal, vink, tuinfluiter, wilde eend etc. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten waargenomen: houtduif, tjiftjaf, Cetti’s zanger, fitis, nachtegaal, fuut, meerkoet, wilde eend, knobbelzwaan, vink, keep, witte kwikstaart en winterkoning. Tijdens het veldbezoek is in de oeverzone een nest aangetroffen van een meerkoet. Uit het veldonderzoek blijkt dat de wilgenbosjes, riet en lisdoddes in de oeverzone geschikt zijn als broedplaats voor bijvoorbeeld bosrietzanger, tjiftjaf en kleine karekiet.

VLEERMUIZEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis. Uit het veldonderzoek blijkt dat de projectlocaties door het ontbreken van bebouwing of bomen met holten ongeschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het paviljoen, net buiten de projectlocatie, bevat enkele kiertjes bij de daklijst en is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis en watervleermuis. De bunker naast het paviljoen was dicht en ontoegankelijk voor vleermuizen. De projectlocatie en het aangrenzende water vormen door de aanwezigheid van water met beschutte delen (door groenstructuren) geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De bomenrij parallel aan de Noorderelsweg en de oevers en vormen als lijnvormig element een geschikte vliegroute voor vleermuizen.

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: bever, boommarter, steenmarter, Noordse woelmuis en waterspitsmuis. Op grotere afstand komt de das ook voor in de omgeving van de projectlocatie. De projectlocaties zijn door aanwezigheid van wilgenstruweel geschikt als leefgebied (foerageergebied) van de bever. Tijdens het veldbezoek zijn net naast de projectlocatie Speelbos enkele knaagsporen van de bever aangetroffen. Een verblijfplaats (burcht) is niet aangetroffen binnen de projectlocaties of in de directe omgeving. Door het ontbreken van zandwallen binnen de projectlocaties en in de omgeving is leefgebied van de das uitgesloten. Uit het veldonderzoek blijkt dat door het ontbreken van holtes in gebouwen en bomen en door het ontbreken van stapels hout of stenen geen geschikte verblijfplaats aanwezig is voor boommarter en steenmarter. De projectlocatie is wel geschikt voor een incidenteel passerend exemplaar.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

12 van 28

De Noordse woelmuis heeft voorkeur voor rietlanden, met een kruidachtige ondergroei welke periodiek geïnundeerd worden. De projectlocatie bestaat in het droge deel uit kort gras en vormt vanaf de waterlijn een waterpartij met enige groei van riet en lisdodde. De aanwezigheid van Noordse woelmuis is uitgesloten, omdat geschikt leefgebied ontbreekt. De waterspitsmuis prefereert juist slikkige randen met watervegetatie in de vorm van lisdodde, de projectlocatie vormt mogelijk geschikt leefgebied en is geschikt als mogelijke verblijfplaats voor deze soort. Het talud bevat weinig ruigte zoals pitrus of grote kattenstaart en holtes zijn eveneens niet waargenomen, waardoor de projectlocaties niet optimaal geschikt zijn, maar de waterspitsmuis is niet met zekerheid geheel uit te sluiten.

AMFIBIEËN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties geen beschermde amfibieën voor (kunnen) komen. Geschikt voortplantingsgebied voor deze beschermde amfibieën is binnen de projectlocatie uitgesloten, omdat het oppervlaktewater te diep en visrijk is. De oever bevat geen vergraafbare grond of houtwallen, waardoor winterhabitat afwezig is. De aanwezigheid van beschermde amfibieën kan met zekerheid worden uitgesloten.

REPTIELEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties de muurhagedis als beschermde reptiel voor (kan) komen. Dit betreft een populatie welke door mensen geïntroduceerd is in het spoorbed van een industrieterrein in Dordrecht. De soort leeft van nature in Nederland alleen in Zuid-Limburg. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is als leefgebied door het ontbreken van spoorbed of oude muren binnen het plangebied. De aanwezigheid van beschermde reptielen kan met zekerheid worden uitgesloten.

VISSEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties geen beschermde vissen voor (kunnen) komen. In theorie kunnen deze kleigronden geschikt zijn als leefgebied voor de grote modderkruiper. Echter door de grootte en diepte van het water binnen de projectlocaties, is dit geen geschikt leefgebied voor deze soort. De grote modderkruiper heeft voorkeur voor een slotenstelsel met ondiepe, smallere watergangen en/of vegetatierijke sloten waar slechts weinig andere vissoorten voorkomen. Uit het veldonderzoek blijkt dat de projectlocatie geen (onderdeel is van) een optrekgebied voor anadrome of diadrome vissoorten (zoals houting of zalm). Daarnaast ontbreken ondiepe, vegetatierijke, smalle watergangen. Geschikt leefgebied voor beschermde vissoorten is binnen de projectlocatie uitgesloten.

VLINDERS, LIBELLEN EN OVERIGE ONGEWERVELDEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties de volgende beschermde ongewervelden voor (kunnen) komen: grote vos en sierlijke witsnuitlibel. Uit het veldonderzoek blijkt dat de wilgenstruiken binnen het plangebied geschikt leefgebied zijn voor de grote vos. De aangrenzende waterpartij is geschikt als voortplantingslocatie van sierlijke witsnuitlibel. In de plas is helder water aanwezig, waarin drijfbladplanten en groene oeverzones geschikt leefgebied vormen voor larven en imago’s van de sierlijke witsnuitlibel.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

13 van 28

SAMENVATTING RESULTATEN In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuuren veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen de projectlocatie. Mogelijk aanwezige beschermde soorten.

Soortgroep

(Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Ja Flora

Nee x

Broedvogels categorie 1 t/m 4

x

Broedvogels categorie 5

x

Algemene broedvogels

x

Vleermuizen

x

Zoogdieren (grondgebonden)

x

Amfibieën

x

Reptielen

x

Vissen

x

Vlinders, libellen en overige ongewervelden

x

Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Zuid-Holland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. bosmuis en rosse woelmuis) en overige in het wild levende flora en fauna. Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen: flora, amfibieën, reptielen, vissen en overige ongewervelden niet aanwezig zijn binnen de projectlocaties, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

14 van 28

EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN INLEIDING De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen de projectlocatie en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen de projectlocatie voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.7 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.11) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.8 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven.

BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 Cat. 1 t/m 4 nesten jaarrond beschermd 5.2.1 EFFECTEN

Binnen de projectlocaties kan een passerende of incidenteel foeragerende buizerd, sperwer, havik of ransuil voorkomen, maar essentieel foerageergebied is uitgesloten door het minimale oppervlak aan verstoord oppervlak (havik, buizerd en sperwer hebben een groot territorium) en omdat de projectlocaties matig geschikt zijn als foerageergebied door ontbreken van grasland (buizerd en ransuil) en aanwezigheid van recreanten (alle soorten). Wanneer een van de projectlocaties omgezet wordt in strand, inclusief bijbehorende toename in recreatie, blijft voldoende foerageergebied over in de vorm van bos en overige waterpartijen (zie figuur 3). Daarnaast zorgt het aangrenzende bos voor een beperking van eventuele optische verstoring, deze reikt, ruim genomen met vrij zicht tot ca. 200 meter. De locatie is echter voor de helft omsloten met bosranden op 20-80 meter afstand, waardoor het optische verstoring beperkt blijft tot een deel van de waterplas. Ten slotte is de projectlocatie en de nabije omgeving al in gebruik als recreatief gebied (waaronder een natuurspeeltuin) waardoor in de huidige situatie al verstoring optreedt. Wanneer een boomvalk in een straal van enkele hectometers tot een kilometer rondom de waterplas broed, kan deze de waterplas gebruiken als onderdeel van het foerageergebied.

De waterplas kan (in concurrentie met andere boomvalken rondom het territorium) zelfs een essentiële functie hebben. Het besloten karakter van de waterplas, bied een luw wateroppervlak waar veel libellen als prooi voor de boomvalk foerageren. Als gevolg van de toename van waterrecreatie worden boomvalken in mogelijk essentieel foerageergebied verstoord, waardoor een wezenlijke verstoring plaatsvind welke kan doorwerken in het nestsucces (aantal uitgevlogen jongen). In een straal van 200 meter zijn 1 groot nest, 1 middelgroot nest en 1 nest in aanbouw aangetroffen. Het is niet bekend van welke vogelsoorten deze nesten zijn, maar ze kunnen door de boomvalk gebruikt worden. Op ca. 100 meter ten noordoosten van de projectlocatie speelbos is het middelgroot nest aangetroffen (ca. 30cm in doorsnee). Dit nest is echter zeer nabij de parkeerplaats en vrijwel naast een wandelpad gelegen. De verstoring die door recreatie, als gevolg van de aanleg van het strand mogelijk veroorzaakt wordt, reikt door tussenliggende bosschages en bomen niet tot het nest (afstand >100 meter). Dit geldt eveneens voor de nesten aan de overzijde van het water in het bos. Daarnaast is in de huidige situatie al een speelbos met hoge mate van recreatie aanwezig, waardoor eventueel broedende vogels al gewend zijn aan

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

15 van 28

menselijk activiteit of potentiële broedvogels bij voorbaat al een andere nestplaats zoeken. Negatieve effecten op het nest als gevolg van het planvoornemen is uitgesloten. 5.2.2 MAATREGELEN

Om inzichtelijk te krijgen wat de functie is van de projectlocaties en omgeving voor boomvalken, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het gebied als foerageergebied door boomvalken.

Figuur 3. De projectlocaties (rood omlijnd) met indicatieve verstoringszone (lichtblauw) als gevolg van recreatief gebruik en de aangetroffen nesten (oranje vierkant). De omgeving rondom de projectlocaties biedt tevens voldoende alternatief foerageergebied voor vleermuizen en bevers. (bron: google maps, 2021)

BROEDVOGELS CAT. 5 Cat. 5 nesten jaarrond beschermd als omstandigheden dit rechtvaardigen. De wilgen en populieren in de nabije omgeving van de projectlocatie kunnen in de toekomst dienen als nestplaats voor grote bonte specht of zwarte kraai. De projectlocatie is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

16 van 28

broedvogels binnen de projectlocatie niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.4.

ALGEMENE BROEDVOGELS 5.4.1 EFFECTEN

De wilgenbosjes, riet en lisdodden in de oeverzone zijn geschikt als broedplaats voor bijvoorbeeld bosrietzanger, tjiftjaf en kleine karekiet. Tijdens het veldbezoek is een nest aangetroffen van een meerkoet in de oeverzone. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb echter wel overtreden. 5.4.2 MAATREGELEN

Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -

-

Alle werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 augustus) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 augustus (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen. Indien de werkzaamheden in het reguliere broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de bomen, struiken en andere beplanting rooien. Voorafgaand aan het rooien dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen; o als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Dit is vooral van toepassing als langdurig werkzaamheden in het reguliere broedseizoen worden uitgevoerd.

VLEERMUIZEN De projectlocaties zijn geschikt als vliegroute en foerageergebied de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

17 van 28

5.5.1 EFFECTEN

Vliegroute en foerageergebied Het uitgangspunt van dit project is; dat er geen nachtelijke verlichting toegepast wordt in de gebruiksfase, omdat het strandje dan ook niet toegankelijk is. Verlichting die tijdens de aanlegfase wordt toegepast kan wel leiden tot verstoring. Dit is echter eenvoudig te voorkomen door buiten het actieve seizoen van vleermuizen te werken of door de eis bij de aannemer te leggen dat er geen nachtelijke bouwplaatsverlichting wordt toegepast die uitstraalt richting het water en groenstructuren. Zodoende blijft de functionaliteit van de vliegroute en het foerageergebied gehandhaafd. De waterplas en aangrenzende bomenrij en bosranden zijn zeer geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De begroeiing voor de oever is geschikt als foerageergebied, dit betreft echter niet-essentieel foerageergebied. Wanneer deze strookjes oevervegetatie verdwijnen blijft in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied voorhanden in de vorm van bos, bosranden, oevers en water zie figuur 3. Negatieve effecten op het foerageergebied treden daarom niet op. 5.5.2 MAATREGELEN

Om negatieve effecten op de vliegroute en het foerageergebied van vleermuizen te voorkomen zijn enkele voorzorgsmaatregelen geformuleerd: - Werkzaamheden in de periode 1 maart – 1 november alleen uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang; Geen verlichting toepassen bij werkketen en opslag materieel. - Geen verlichting toepassen in de gebruiksfase van het aan te leggen strand; - Indien voorgaande wordt toegepast is geen nader onderzoek naar een vliegroute en foerageergebied nodig.

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 5.6.1 EFFECTEN

De projectlocatie is onderdeel van het leefgebied van de bever. In en naast de projectlocatie speelbos zijn knaagsporen van de bever aangetroffen. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen passerende exemplaren verstoord worden. De bever is sporadisch na zonsopkomst nog actief, maar het is niet uitgesloten dat verstoring overdag kan optreden. Als gevolg van het planvoornemen wordt een onderdeel van het leefgebied ongeschikt gemaakt. Dit betreft echter een niet-essentieel deel van het leefgebied. Binnen het plangebied zijn nauwelijks wilgenstruiken of bomen aanwezig, waarmee voedsel nauwelijks beschikbaar is binnen het plangebied. In de omgeving van de projectlocaties zijn voldoende alternatieve foerageergebieden voor de bever (zie figuur 3). Het aangrenzende deel bestaat uit kort gemaaid gras en/of speelbos waardoor de oever geen toegang vormt naar eventuele essentiële foerageerplaatsen buiten het plangebied. Derhalve blijft het aangrenzende bos tijdens en na de aanleg bereikbaar voor bevers. Negatieve effecten op het leefgebied zijn uitgesloten. Beide projectlocaties zijn (matig) geschikt als verblijfplaats voor waterspitsmuis. Als gevolg van het verwijderen van de vegetatie in de vooroever en het aanbrengen van zand worden eventueel leefgebied en mogelijke verblijfplaatsen vernield en exemplaren gedood. Hierdoor is sprake van overtreding van de Wnb (artikel 3.10).

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

18 van 28

5.6.2 MAATREGELEN

Om verstoring van bevers zoveel mogelijk te voorkomen worden de volgende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: - De werkzaamheden worden jaarrond tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd. - Voorafgaand aan het verwijderen van vegetatie in de waterkolom wordt eerst een ronde gelopen, om eventuele bevers binnen de invloed van de werkzaamheden de kans te geven om te vluchten. - Voor aanvang van de werkzaamheden wordt dagelijks gelet op de aanwezigheid van bevers binnen de werkzaamheden. Bij het aantreffen van een bever wordt gewacht met het aanvangen van de werkzaamheden totdat deze een andere plek gevonden heeft. Om aanwezigheid van de waterspitsmuis uit te sluiten of aan te tonen is een nader onderzoek door middel van life-traps vereist met als voorkeursperiode september - november. Het is aan te bevelen om geen gebruik te maken van eDNA, omdat door het relatief grote wateroppervlak en betreding van mensen een vals positief eDNA-resultaat geconstateerd kan worden.

VLINDERS, LIBELLEN EN OVERIGE ONGEWERVELDEN 5.7.1 EFFECTEN

De projectlocaties paviljoen en speelbos bevatten beide één struik boswilg welke geschikt zijn als voortplantingsplaats voor grote vos. Gezien het geringe aantal struiken en de aanwezigheid van grote hoeveelheden iepen en wilgen in de omgeving, is het uitgesloten dat de wilgenstruiken een vaste voortplantingsplaats vormen voor de grote vos. Hierom zijn negatieve effecten op de lokale staat van instandhouding van de grote vos uitgesloten. Als gevolg van het planvoornemen, wordt mogelijk leefgebied of larven van de sierlijke witsnuitlibel vernield of gedood. Dit is een overtreding van de Wnb artikel 3.5. Het leefgebied en exemplaren van deze soort zijn strikt beschermd. 5.7.2 MAATREGELEN

In het kader van de zorgplicht wordt aanbevolen om de wilgenstruiken in de periode september - februari te verwijderen, zodoende wordt doding van eitjes of rupsen van de grote vos voorkomen. Om de aanwezigheid van sierlijke witsnuitlibel aan te tonen of uit te sluiten is nader onderzoek naar deze soort noodzakelijk. De beste periode hiervoor is half juni – eind juli.

AANVULLENDE MAATREGELEN T.A.V. ZORGPLICHT Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • • • • • •

Aanwezige beplanting binnen de projectlocatie (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; Dempen van de watergang vanaf de oever naar het open water toe; Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen en bever) te voorkomen; Watervegetatie op een langzaam tempo verwijderen; Zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande sporen, wegen en paden.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

19 van 28

GEBIEDENBESCHERMING NATURA 2000 De projectlocatie is gelegen op 600 meter van het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (zie figuur 6-1), waardoor negatieve effecten niet bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Middels onderstaande voortoets worden eventuele negatieve effecten als gevolg van het aanleggen en gebruiken van het strandje in kaart gebracht.

Figuur 4. Ligging plangebied (rood omlijnd, bij benadering weergegeven) ten opzichte van Natura 2000-gebied Biesbosch (in groen). Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden

6.1.1 AANGEWEZEN WAARDEN NATURA 2000-GEBIED BIESBOSCH Tabel 1 Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Biesbosch. +kwaliteit geeft aan dat een doelstelling voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor de soort geldt. +populatie geeft aan dat er voor die soort een uitbreidingsdoelstelling .geldt. Voor alle overige habitattypen en doelsoorten geldt behoud van populatie, oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied.

Instandhoudingsdoelen Habitattypen H3260B – Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden) H3270 – slikkige rivieroevers (+kwaliteit/+oppervlakte) H6120 – Stroomdalgraslanden (+oppervlakte) H6430A – Ruigten en zomen (moerasspirea) H6430B – Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)(+oppervlakte)

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

20 van 28

H6510A – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)(+kwaliteit) H6510A – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)(+oppervlakte) H91E0A – Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)(+kwaliteit) H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)(+oppervlakte/+kwaliteit)

Habitatsoorten Vissen Zoogdieren Vleermuizen Mossen Ontwerp

Fint (+populatie), elft (+populatie), rivierprik (+populatie), zeeprik (+populatie), zalm(+populatie), bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en rivierdonderpad, Bever en Noordse Woelmuis(+populatie), Meervleermuis(+populatie/omvang-leefgebied/kwaliteit) Tonghaarmuts(+populatie/omvang-leefgebied/kwaliteit) Platte schijfhoren (aanwijzing ontwerpstatus)

Broedvogels (IHD aantal broedpaar tussen haakjes) Aalscholver (310), roerdomp (10 +omvang-leefgebied/kwaliteit), Bruine kiekendief (30), Porseleinhoen (9 omvang-leefgebied/kwaliteit), IJsvogel (20), Blauwborst (1300), Snor (130), Rietzanger (260)

Niet-broedvogels Visetende vogels: fuut, grote zilverreiger, grote zaagbek, aalscholver, lepelaar, zeearend en visarend. Plantenetende vogels: kleine zwaan, brandgans, kolgans, grauwe gans, bergeend, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, meerkoet Bodemdier-etende vogels: nonnetje, tafeleend, kuifeend Steltlopers: grutto

Van de broedvogels zouden soorten blauwborst, snor en rietzanger potentieel kunnen broeden in het plangebied (hoewel de kans klein wordt geacht gezien de reeds aanwezige verstoring). Het plangebied ligt echter niet in het Natura 2000-gebied, en de soorten hebben een relatief klein territorium, zodat de eventuele aanwezigheid in het plangebied geen relatie heeft met het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Biesbosch. De effecten (verstoringsfactoren) die in navolgende paragrafen worden beoordeeld, zijn gebaseerd op de effectenindicator van Alterra. 6.1.2 UITGESLOTEN VERSTORINGSFACTOREN

In deze paragraaf wordt een omschrijving gegeven van effecten (storingsfactoren uit de effectenindicator) die op voorhand uitgesloten zijn. De volgende verstoringsfactoren zijn uitgesloten omdat deze geen gevolg kunnen zijn van het planvoornemen: Verzoeting, verzilting, vernatting, verdroging, verandering stroomsnelheid, verandering overstromingsfrequentie en verandering dynamiek substraat. Ook mechanische effecten en verontreiniging binnen de Biesbosch zijn uitgesloten. Mechanische effecten zijn bijvoorbeeld opwervelend bodemsubstraat als gevolg van dempingswerkzaamheden of insporing van machines op de bodem. De aanlegwerkzaamheden vinden plaats op ca. 600 meter van het Natura 2000-gebied Biesbosch en de watergangen staan niet in directe verbinding. Daarnaast is het effect zeer plaatselijk. Hierom zijn negatieve effecten als gevolg van mechanische verstoringen op voorhand uitgesloten. Verontreiniging zou kunnen optreden wanneer tijdens de werkzaamheden verouderd materieel wordt gebruikt, wat niet meer aan de eisen voldoet. Daarnaast kan verontreiniging optreden als bij de demping verontreinigde grond wordt toepast. Dit is echter niet het geval; er wordt enkel grond toegepast wat volgens de kwaliteitseisen is gecontroleerd op zijn milieuhygiënische kwaliteit.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

21 van 28

6.1.3 EFFECTENANALYSE OVERIGE VERSTORINGSFACTOREN

Verzuring en vermesting Het is mogelijk dat het project een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j in Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Het project kan middels toename van recreatie en inzet werktuigen en werkverkeer een toename aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken en zodoende middels verzuring en vermesting het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats in gevaar brengen. Enkele habitattypen en bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, platte schijfhoren, bruine kiekendief, pijlstaart en roerdomp zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting die kan optreden als gevolg van N-depositie. Middels een stikstofberekening dient onderzocht te worden of sprake is van een toename in de stikstofdepositie (> 0,00 mol N/ha/j). In de stikstofberekening kan eventueel rekening worden gehouden met interne of externe saldering. Wanneer het project per saldo een depositie boven de 0,00 mol/ha/j tot gevolg heeft, dient een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen voor stikstofgevoelige natuur te worden uitgevoerd. Hierin worden de ecologische gevolgen uitgebreid onderzocht en gewogen tegen de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-waarden waarop de stikstofdepositie plaatsvindt.

Verstoring door geluid, licht en optische verstoring Verstoring door geluid zal in beperkte mate plaatsvinden door het geluid van draaiende machines (brongeluid: maximaal 80dB). Harde geluidsbronnen, zoals heien of trilwerkzaamheden zijn uitgesloten. In de gebruiksfase kan toename van recreatie zoals: spelende kinderen en pratende mensen voor extra geluid zorgen (brongeluid maximaal 70dB), echter is in de huidige situatie ook sprake van een hoge recreatiedruk binnen Natura 2000-gebied Biesbosch en daarbuiten. Op een afstand van 512 meter (ofwel, op 100 meter van de Biesbosch) is een brongeluid van 80dB afgenomen tot maximaal 53dB. (brongeluid – 3dB bij verdubbeling van de afstand vanaf de geluidsbron). Deze geluidsdruk staat gelijk aan mensen die op rustige toon praten. Verstoring door licht kan plaatsvinden door het gebruik van werkverlichting. Voor de toetsing is uitgegaan dat verlichting in de gebruiksfase niet toegepast wordt. De optische verstoring is een zeer lokaal effect en niet reikt tot de Biesbosch, gezien het overwegend gesloten gebied (met veel opgaande begroeiing). Negatieve effecten als gevolg van optische verstoring op habitatsoorten is daarom uitgesloten. Habitattypen Omdat habitattypen ongevoelig zijn voor geluid, licht en optische verstoring zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten.

Habitatsoorten Habitatsoorten, met uitzondering van (mogelijk aanwezige) meervleermuizen, maken geen gebruik van het plangebied als foerageergebied of rustplaats. Hierom is externe werking als gevolg van verstoring door licht, geluid of optische verstoring uitgesloten. Verstoring door geluid zal in beperkte mate plaatsvinden door het geluid van draaiende machines (brongeluid: maximaal 80dB). Eventuele geluiden van draaiende machines dempen snel en harde geluiden zoals heien worden niet geproduceerd. In de gebruiksfase kan toename van recreatie zoals spelende kinderen en pratende mensen voor extra geluid zorgen (brongeluid maximaal 70dB), echter is in de huidige situatie ook sprake van een hoge recreatiedruk binnen Natura 2000-gebied Biesbosch en daarbuiten.

Natuurtoets Strandje De Elzen te Dordrecht | 2 | 20210293

22 van 28

Op een afstand van 512 meter (ofwel, op 100 meter van de Biesbosch) is een brongeluid van 80dB afgenomen tot maximaal 53dB. Mechanische effecten zoals vertroebeling als gevolg van het verwijderen van vegetatie vinden op lokale schaal en op afstand van het leefgebied van habitatsoorten plaats. Voor deze toetsing wordt uitgegaan dat gebruik van verlichting in de gebruiksfase niet toegepast wordt, waardoor negatieve effecten op meervleermuizen bij voorbaat uitgesloten zijn. Tevens is het uitgangspunt dat de werkzaamheden in de aanlegfase overdag plaatsvinden, zodat ook in die fase geen verlichting wordt toegepast. Negatieve effecten als gevolg van verstoring door licht, geluid en optische verstoring op instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van habitatsoorten zijn uitgesloten. Broedvogels Negatieve effecten op broedende vogels binnen de Biesbosch als gevolg van licht, geluid en optische verstoring zijn door de afstand van het planvoornemen tot het Natura 2000-gebied uitgesloten. Enkele soorten zijn tijdens het broedseizoen echter wel (deels) afhankelijk van foerageergebieden buiten het Natura 2000-gebied. Eventuele effecten op deze foeragerende vogels worden hierna besproken. Als verstoringsafstand van foeragerende broedvogels wordt een relatief grote marge genomen van 200 meter.

Deze is gebaseerd op de verstoringsafstand van aalscholver (150 meter) en roofvogels, waaronder bruine kiekendief (175 meter) (krijgsveld, Smits, & Winden, 2008). Andere aangewezen soorten betreffen zangvogels met een veel kleinere of hooguit vergelijkbare verstoringsafstand. De aangewezen broedvogels blauwborst, rietzanger, porseleinhoen en snor zijn soorten die relatief dicht bij hun nestplaats foerageren en niet afhankelijk zijn van foerageergebieden buiten het Natura 2000-gebied Biesbosch. Van de aangewezen broedvogels zijn aalscholvers, grote zilverreiger, roerdomp, ijsvogel en bruine kiekendief soorten die op enige afstand van hun nestplaats gebruik kunnen maken van de projectlocatie. Hieronder wordt per soort behandeld of de projectlocaties een mogelijke functie hebben voor de aangewezen broedvogelsoorten en of negatieve effecten uit te sluiten zijn. -

De roerdomp foerageert in dichte rietlanden en/of brede rietkragen waar rust gewaarborgd is. De projectlocaties voldoen niet aan deze beschrijving, waardoor foerageergebied van de roerdomp uitgesloten is en een negatief effect op de IHD bij voorbaat uitgesloten is.

-

De aalscholver foerageert in allerlei typen water, waaronder de waterplas grenzend aan de projectlocaties (bron: NDFF, 2021). Binnen een straal van 200 meter van de projectlocaties is maximaal 1 aalscholver (N=3) per keer foeragerend waargenomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de projectlocaties en nabije omgeving geen essentiële functie vervullen als foerageergebied voor broedende aalscholvers. De IHD van aalscholver is vastgesteld op 310 broedparen, om onbekende redenen is dit aantal in 10 jaar gekelderd naar 0 broedparen, terwijl in de Biesbosch meer dan voldoende foerageergebied aanwezig is. Wanneer de projectlocaties (met een straal van 200 meter) van de omgeving als foerageergebied ongeschikt raakt, blijft meer dan voldoende foerageergebied beschikbaar voor aalscholvers. De aanleg van vele wateren en uitbreiding van de uiterwaarden heeft de laatste jaren gezorgd voor een enorme toename van foerageergebied voor aalscholvers. Ondanks dat, is de populatie nog niet zichtbaar aan het herstellen. De oorzaak van het niet behalen van de IHD moet hierom niet gezocht worden in het afnemen van foerageergebied. Negatieve effecten op de IHD van aalscholver als gevolg van het planvoornemen is uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/388/documents/13824