CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Antwoorden technische vragen voor raadsconsultatie 18 feb 2025 - versie def.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 24 juni 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Dossier Perspectiefnota - Beantwoording Technische vragen18.628 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Technische vragen Ombuigingsmogelijkheden Opmerkingen vooraf • In dit document zijn alle technische vragen opgenomen die zijn ontvangen tot 12 maart. De vragen die op 12 maart van de SP zijn ontvangen, zijn dus nog niet verwerkt; • Dit document overlapt met het document dat op 18 februari is opgeleverd. De aanvullingen/wijzigingen zijn geel gemarkeerd; • Aan dit document zijn ook toegevoegd de technische vragen die zijn gesteld tijdens de raadsconsultatie van 18 februari.

Vragen Partij voor de Dieren In paragraaf 3.2.2, "Versoberen kwaliteit groenonderhoud", wordt beweerd dat het verlagen van het onderhoudsniveau van B naar C kostenverlagend zou werken. Wij hebben juist begrepen dat onderhoudsniveau B het meest kosteneffectief is, omdat er bij onderhoudsniveau C veel meer reactief beheer nodig is door achterstallig onderhoud. Ook moeten objecten in de openbare ruimte bij het hanteren van onderhoudsniveau C sneller vervangen worden, hetgeen ook hogere kosten met zich meebrengt. Tenslotte zal het aantal schadeclaims vanwege defecte objecten in de openbare ruimte toenemen. Daarom de volgende vragen: 1. In welk document zijn de onderhoudsniveaus van de openbare ruimte door de raad vastgelegd? Antwoord: Het onderhoudsniveau van de openbare ruimte is vastgelegd in onze kwaliteitshandboeken (KOR), die vervolgens middels de verschillende wijkonderhoudsbestekken zijn vertaald naar de uitvoering. 2.

Wat is de reden dat in specifiek De Hoven, als enige woonwijk, onderhoudsniveau A wordt gehanteerd?

Antwoord: Met de vaststelling van het programma de Hoven, in mei 2001, heeft het toenmalige college daarvoor gekozen. In dat programma is daarover toen het volgende opgenomen: "De Hoven is een toekomstig woongebied met woningen in het duurdere segment. Daarnaast wordt het vooral een groene wijk met een aansprekende kwaliteit waarbij veel aandacht is voor ruimte, toepassing van veel groen en water en waar onderwerpen als ecologie en duurzaamheid een belangrijke rol spelen. Het toepassen van een dergelijk concept betekent ook dat het beheer van de openbare ruimte in de toekomst goed geregeld moet zijn om een hoogwaardige kwaliteit te kunnen handhaven.’’ 3.

Op basis van welke externe bronnen concludeert het college dat onderhoudsniveau C kosten effectiever is dan onderhoudsniveau B?

Antwoord: 1

Het onderhoudsniveau zoals dat hier bedoeld wordt, heeft vooral betrekking op het regulier/dagelijks onderhoud van de openbare ruimte, zoals het verwijderen van zwerfvuil, het maaien van gras en het wieden van onkruid. In de praktijk leidt dit tot een verlaging van het aantal maai-, veeg-, en/of opruimrondes per jaar. Dat levert een besparing op. We streven ernaar om bij de keuze van de in dit kader relevante werkzaamheden achterstallig onderhoud en het vroegtijdig afschrijven van andere objecten in de openbare ruimte te voorkomen. 4.

Welke jaarlijkse kosten zijn geassocieerd met het geïntensiveerde reactieve onderhoud bij de eventuele omslag naar onderhoudsniveau C? Wat is hiervan de onzekerheidsmarge?

Antwoord: Met reactief onderhoud is in dit voorstel geen rekening gehouden. Deze kosten zijn afhankelijk van de lengte van de periode van minder frequent onderhoud en de aard van de werkzaamheden. 5.

Welke jaarlijkse kosten zijn geassocieerd met de intensivering van de vervanging van objecten in de openbare ruimte bij de eventuele omslag naar onderhoudsniveau C? Wat is hiervan de onzekerheidsmarge?

Antwoord: Ook hier is geen rekening mee gehouden in dit voorstel. 6.

Welke jaarlijkse kosten worden verwacht door schadeclaims vanwege defecte objecten in de openbare ruimte bij de eventuele omslag naar onderhoudsniveau C? Wat is hiervan de onzekerheidsmarge?

Antwoord: We streven ernaar om, indien dit noodzakelijk is, vooral op die werkzaamheden te besparen die niet (snel) zullen leiden tot schadeclaims. Daarom is er in dit voorstel ook geen rekening met deze kosten gehouden. 7.

Op basis van welke gegevens is de resulterende besparing (tabel p. 17) van de eventuele omslag naar onderhoudsniveau C berekend? Zijn hierin de bovengenoemde kosten meegenomen?

Antwoord: De eventuele besparing is berekend op basis van ervaringscijfers, de Benchmark Gemeentelijk Groen en landelijke normbedragen. 8.

Wat is de onzekerheidsmarge van de berekende besparing in bovengenoemde tabel? Hoe is deze bepaald?

Antwoord: Zie bovenstaande antwoord. 9.

Wat is de reden dat de (veronderstelde) besparing door een lager onderhoudsniveau alleen is voorgedragen voor stedelijk groen? Waarom niet voor andere kapitaalgoederen?

Antwoord: 2

Deze paragraaf heeft ook betrekking op het niet meer plaatsen van kerstbomen, bloembakken, kerstverlichting en objectverlichting. 10. Kunt u ons voorzien van een tabel waarin de (veronderstelde) structurele besparing door een

lager onderhoudsniveau wordt uiteengezet voor ieder kapitaalgoed, niet alleen voor stedelijk groen? Kunt u hierbij ook de verwachte kostenstijgingen die hierboven vermeld staan meenemen? Antwoord: Dat overzicht is er niet. 11. Welke dierparkjes vallen allemaal onder maatregel 3.2.6?

Antwoord: Hierbij gaat het in eerst instantie om de dierenverblijven in het Wantijpark en die in Park Merwestein, maar heeft ook betrekking op de twee Schotse hooglanders in het Overkamppark. 12. Kunt u ons informatie verschaffen over dienstauto's in gebruik door de gemeente: hoeveel zijn

er in gebruik, wie maakt daar gebruik van, en wat zijn hiervan de (jaarlijkse) kosten? Antwoord:

13. In artikel 6 lid 3 sub b van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025

staat een plafond gedefinieerd voor de rioolheffing van niet-woningen. Hierover de volgende vragen: o Kunt u aangeven hoeveel geld de gemeente door dit plafond jaarlijks misloopt? Welk percentage is dit van de totale opbrengsten van de rioolheffing? o Is het juist dat dit plafond is ingesteld op verzoek van Chemours? Kunt u hiervan de geschiedenis schetsen? o Welke besparing levert dit plafond Chemours jaarlijks op? o Wat is de kostendekkingsgraad van de rioolheffing in Dordrecht? o Met welk percentage kan de rioolheffing voor burgers worden verminderd als dit plafond zou worden afgeschaft, uitgaande van 100% kostendekkende rioolheffing? 3

Antwoord Momenteel wordt gewerkt aan het nieuwe GRP (wordt WRP: water en rioleringsplan) voor de periode 2026-2030. Dit plan zal ook dit jaar voorgelegd worden aan de raad. De grondslag voor de rioolheffing zal hierbij nadrukkelijk in ogenschouw worden genomen. Ook de dekkingsgraad maakt hiervan onderdeel uit.

4

Vragen Groen Links 1.

P.2, 1e alinea stelt dat er € 2,5 - € 3,0 mln op de eigen organisatie kan worden bezuinigd. In de 4e alinea p p. 7 wordt een bedrag van uiteindelijk €1,5 mln genoemd. Hoe verhouden die bedragen zich tot elkaar? Antwoord: Het bedrag van € 2,5 – € 3,0 miljoen gaat over de omvang van de personele component binnen de beleidsinhoudelijke ombuigingsmogelijkheden in de inventarisatie. De omvang van de bezuiniging hangt af van de beleidsinhoudelijke ombuigingen die uiteindelijk worden gekozen. Het bedrag van € 1,5 miljoen gaat over het bijstellen van de ondersteunende capaciteit, het versoberen van de overige organisatiekosten en het beheersen van de kosten van externe inhuur. Ook de omvang van de bezuiniging op ondersteunende capaciteit binnen de organisatie hangt samen met de beleidsinhoudelijke ombuigingen; de benchmark van Berenschot heeft uitgewezen dat de huidige verhouding tussen inzet op primair proces en ondersteuning in lijn is met vergelijkbare gemeenten. Opgeteld geven deze bedragen dus inzicht in het effect van de bezuinigingen op de organisatie van de gemeente Dordrecht, naast de bezuinigingen in de begroting 2025. Vervolgvraag op 1: Het antwoord impliceert dat er, afhankelijk van de beleidsmatige ombuigingen ruim € 4 mln op personeelskosten zou kunnen worden bespaard. Waar zien we dat terug? In de tabel Programma-overstijgende maatregelen ( p.

7 wordt voor 2029 inclusief personeelskosten programma's slechts € 1,7 mln vermeld. Antwoord: De geschatte personele component is begrepen in de inhoudelijke ombuigingen. Deze ziet u dus niet expliciet terug. Op pagina 7 ziet u slechts de ombuiging op ondersteunende capaciteit, die in samenhang moet worden bezien met de personele kosten in het primaire proces.

2.

P.2: Klopt het dat u met ‘onbenutte belastingcapaciteit bedoelt het verschil tussen de huidige heffing en het landelijk gemiddelde? Antwoord Dat klopt.

3.

P. 3 alinea over AD 2030: impliceert de tekst dat er voor de realisatie van AD 2030 naast de bestemmingsreserve ook middelen uit de reguliere exploitatie nodig zijn? Om welke bedragen gaat dat? Antwoord: Zoals aangegeven in de inventarisatie en de Raadsinformatiebrief van 24 juni 2014 is er (vooruitlopend op de evaluatie van de Agenda 2030) een eerste inschatting gemaakt van de beheerkosten die samenhangen met de investeringen. Deze beheerkosten zijn nog niet opgenomen in de meerjarenbegroting. Bijlage 4 bij de Raadsinformatiebrief van 24 juni 2014 bevat het overzicht van de bedragen. 5

Vervolgvraag op 3: Het antwoord maakt duidelijk dat de beheerkosten nog niet begroot zijn. Is globaal aan te geven over welke jaarlijkse bedragen dat zou gaan. Het gaat vermoedelijk om ettelijke miljoenen. Daarnaast gaat het antwoord alleen over beheerkosten, maar de tekst van het totaaloverzicht stelt ook dat de evaluatie van Agenda 2030 nog tot nieuwe financiële opgaven kan leiden. Betekent dat dat als voorgenomen investeringen te laag zijn geraamd of er minder subsidies worden binnengehaald dan verwacht, dit vanuit de exploitatie aangezuiverd moet worden? Antwoord: Voor de vraag betreffende de beheerskosten verwijzen we u kortheidshalve naar Bijlage 4 bij de RIB van 24 juni 2024. Voor de vraag betreffende de investeringen verwijzen we u naar de evaluatie op de Agenda 2030 die momenteel wordt uitgevoerd. 4.

P.4: Welk deel maakt de DBuR uit van het totale budget van de VRZHZ? Antwoord: Volgens de laatst vastgestelde jaarstukken, de Jaarstukken 2023, bedroegen de totale baten van de VRZHZ € 79,4 miljoen. Het aandeel BDuR daarin bedroeg € 23,4 miljoen, dus 29,5%.

5.

De tabel op p. 6 geeft mogelijke bezuinigingen per jaar weer. Kan ter vergelijking worden aangegeven welke bedragen volgens de huidige ramingen nodig zijn om tot een sluitende meerjarenbegroting te komen? Antwoord: In december is in de raadscommissie de volgende informatie getoond. Bedragen x € 1.000 Begrotingssaldo 2025 en verder WAS

2025

2026

2027

2028

133

-18.632

-19.973

-20.878

2.000

2.000

2.000

-16.632

-17.973

-18.878

Septemberciculaire Begrotingssaldo 2025 en verder WORDT

133

Deze cijfers zijn de nu actuele schatting. De Perspectiefnota 2026 is het eerstvolgende moment dat deze reeks wordt herijkt. 6.

P.8, punt 0.2.5: kan worden toegelicht waarom dit een bezuiniging is? Personeelskosten dekken uit beleidsprogramma’s lijkt een vestzak-broekzaktransactie. Antwoord: De kern hiervan is dat we kosten voor ambtelijke inzet nu op onderdelen nog apart begroten. Door ambtelijke inzet preciezer toerekenen aan de taken wordt dit verrekend met programmageld. Daarmee zal op overige budgetten bij de desbetreffende programma's en taken kosten-bewuster moeten worden omgegaan. Vervolgvragen op 6 Kan verder worden aangegeven waarom meer personeelskosten ten laste van SPUK te boeken een bezuiniging is? Er blijft dan toch alleen minder over voor andere aanwending? Het antwoord lijkt te impliceren dat er óf minder personeel óf minder andere middelen ter beschikking komt voor de programma's. Wat is de impact daarvan voor de uitvoering van de 6

programma's? Zie ook vragen 2 en 3 van de VVD. Antwoord Zoals het eerdere antwoord al aangeeft, rekenen we personele kosten preciezer toe aan projecten, programma's en andere taken. Inzet is dat dit geen implicaties heeft voor de inhoudelijke uitvoering, maar dat kosten-bewuster wordt gewerkt.

7.

P. 9: kan de eerste alinea nader worden toegelicht? Ik kan er nu geen chocola van maken. Antwoord: Voor 2026 heeft de gemeente ruim 56 miljoen euro aan subsidiebudgetten beschikbaar. Die 56 miljoen is verdeeld over de diverse begrotingsprogramma s. De gemeenteraad stelt jaarlijks de subsidie index vast voor het jaar daarop. Dat betekent dat de jaarlijkse budgetten met dat percentage worden opgehoogd. Als de index voor 2026 niet wordt toegekend, dan worden de budgetten ook niet verhoogd. Dit is een besparing voor de gemeente wat meerjarig doorwerkt. Vervolgvraag op 7: Het antwoord is duidelijk, maar lijkt een toelichting op de voorlaatste alinea van p.8 en die had ik wel begrepen. Bovenaan p. 9 gaat het over incidentele middelen die 10% van het om te buigen bedrag ad € 1,1 mln (waar komt dat bedrag vandaan) en over middelen die worden doorgesluisd voor een specifiek doel. Maar wat heeft dat met al of niet indexeren van subsidies te maken? Antwoord We hebben gekeken naar de ruimte om te bezuinigen op de subsidies. Dat leidde tot de volgende componenten: • Niet gebruikte middelen • Niet indexeren • Grote subsidie ontvangers De (enige) relatie tussen die 3 componenten is dat we niet willen stapelen en onze centrumtaken en kleine ontvangers uitzonderen.

De € 1.100.000 om te buigen subsidie komt tot stand door het totaalbedrag aan beschikbare subsidiebudgetten voor 2026 (€ 56.104.000) te verminderen met het bedrag (€ 18.000.000) uit het aparte voorstel voor de subsidies sociaal domein inclusief het bedrag (€ 65.053) voor de kleine vrijwilligersorganisaties zonder personeel die een subsidie lager dan € 10.000,- ontvangen. Dit is zichtbaar in de volgende berekening: € 56.104.000 – (€ 18.000.000 + € 65.053) / 100% x 3% = € 1.141.168 € 1.100.000 afgerond naar beneden. In het voorstel staat vervolgens dat we een aantal centrumstad middelen niet meenemen (conform de redenen uit het voorstel). Deze middelen zetten we normaal gesproken door met daarop onze gemeentelijke indexering. Het kan voorkomen dat onze indexering hoger is dan die van het Rijk. Feitelijk teren we dan in op onze middelen. Conform de publieke zakelijkheid is de wens om dit in de toekomst anders te gaan doen. Aangezien nog niet bekend is wat de 7

indexering vanuit het Rijk zal zijn (komt pas bij de meicirculaire) hebben we deze middelen niet meegenomen in onze berekening. Dit zorgt ervoor dat de berekening als volgt wordt uitgebreid: € 56.104.000 – (€ 18.000.000 + € 65.053 + € 4.367.330) / 100% x 3% = € 1.010.148 € 1.000.000 afgerond naar beneden Ten slotte halen we de geschatte 10% (€ 110.000) van het totaal geraamde om te buigen bedrag af (€ 1.100.000). We komen dan uit op € 900.148 (€ 1.010.148 - € 110.000) € 900.000 afgerond naar beneden. 8.

P. 13, 2.2.4 Het lijkt hier te gaan om extra investeren in marketing om toerisme te stimuleren. Dat kan tot meer inkomsten leiden (toeristenbelasting) maar die investering is op zichzelf toch geen bezuiniging? Kan het genoemde bedrag van € 150.000 - € 300.000 worden onderbouwd? Aanvullende vraag: wordt er bij cruiseschepen toeristenbelasting gegeven? Als dat niet of alleen bij overnachting het geval is, wat zou invoeren/uitbreiden daarvan op kunnen leveren? Antwoord: Wij maken andere afspraken met Havenbedrijf Rotterdam; de riviercruise wordt uit het beheercontract gehaald. Daardoor kunnen we een ander hoger tarief hanteren, geharmoniseerd met de tarieven in Kinderdijk. Samen met de verwachte groei van riviercruiseschepen leidt dit tot aanzienlijk meer inkomsten aan liggelden. We hebben geen toeristenbelasting maar logiesheffing. Dit voorkomt lastige discussies met hotels en B&B's die gericht zijn op de zakelijke overnachting. De gasten op cruiseschepen betalen geen logiesheffing. De meeste schepen liggen hier voor een relatief korte periode overdag en blijven niet de nacht. De nacht wordt veelal gebruikt om te varen van de ene naar de andere locatie.

9.

P. 15/16 2.2.10: Hoe werkt de inspectie huisvesting nu, alleen n.a.v. klachten of ook op eigen initiatief? Zou het in dat laatste geval tot meldingen beperkt kunnen worden? Hoeveel zou dat financieel opleveren? Antwoord: De inspectie op de huisvesting werkt nu enkel op basis van klachten of meldingen en niet op eigen initiatief.

10. P. 23 4.2.8: welke organisaties ontvangen welke bedragen en welke

alternatieven/compensatiemogelijkheden hebben zij daarvoor? Antwoord: De mogelijkheid van de herijking van de subsidies in het Sociaal Domein richt zich op de grotere subsidies. Dit betreft subsidies boven de €100.000. Het totaal aan deze subsidie telt op naar ca €18,6miljoen. We verwachten hierop €8,5ton te kunnen besparen. Subsidies met een volledige incidentele dekkingsgrondslag (SPUK's, agenda2030) of die al separaat in een ander ombuigingsmogelijkheid zijn opgenomen, zijn buiten beschouwing gelaten. De besparingsmogelijkheid per organisatie is maatwerk en wordt op basis van een inhoudelijk afwegingskader in beeld gebracht.

8

Qua alternatieven wordt gekeken of activiteiten anders en daardoor goedkoper kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door: benutten fondsen, mbo-ers ipv hbo-ers, vrijwilligers ipv betaalde krachten, andere goedkopere aanbieder, samenwerking met andere partij, groepsondersteuning ipv individuele ondersteuning, afschalen omvang activiteit, etcetera. De organisaties en subsidiebedragen die het betreft: Organisatie Jong JGZ De Hoop Sociale Basis (MEE) Helpende Handen St. De werkplaats Salios Antes Enver Leger des Heils Vrouwenopvang Safegroup

Bedrag €912.000 €579.000 €1.958.000 €398.000 €414.000 €179.000 €698.000 €1.348.000 €3.381.000 €1.287.000

Organisatie Humanitas MEE Plus Yulius Contour de Twern DG&J Vivenz Vluchtelingenwerk St. Buurtgezinnen St Buitenwacht

Bedrag €113.000 €1.036.000 €454.000 €569.000 €4.315.000 €110.000 €600.000 €100.000 €208.000

Totaal €18.659.000 Vervolgvraag op 10: Is er met de betreffende organisaties gesproken over bezuinigingsmogelijkheden/alternatieven? Hoe is het te besparen bedrag van € 850.000 tot stand gekomen? Antwoord: Het bedrag van €850.000 is tot stand gekomen vanuit de reële verwachting dat ca. 5% van het totaal aan grote subsidies zou moeten kunnen worden opgebracht als besparing door de grote(re) subsidie-ontvangers. Met de organisaties moet nog worden gesproken over de invulling van de besparing, dat is maatwerk.

11. P. 24 4.2.11 : welke extra kosten voor zorg e.d. zijn in een later stadium te verwachten als de

preventieve zorg wordt afgeschaald? Preventie wordt meestal als goedkoper (en voor iedereen fijner) gezien dan therapie. Antwoord: De relatie tussen preventie en zorgkosten wordt vaak in beeld gebracht per thema. Hieronder staan een aantal concrete voorbeelden: -

-

Een betere mentale gezondheid leidt tot een afname van zorgkosten en minder verzuim op werk. Als de mentale gezondheid van een miljoen volwassen met 5 procent verbetert, kan dit €144 miljoen besparen. Bron: Gezondheidswinst en kostenbesparing bij verbeteren mentale gezondheid - Trimbos-instituut Investeren in de eerste duizend dagen van kinderen loont. Dit is het fundament van het werken aan een kansrijke start. Iedere euro levert 7 tot 10 euro aan maatschappelijk rendement op. Bron: The Heckman Curve - The Heckman Equation

9

-

-

Het ontmoedigen van roken leidt tot een hogere arbeidsproductiviteit en een betere kwaliteit van leven. Als we roken ontmoedigen of volledig uitbannen nemen de zorgkosten juist toe, doordat de levensverwachting stijgt en mensen op latere leeftijd andere ziektes krijgen. We zetten vanuit de gemeente in op het tegengaan van overgewicht. De totale kosten van overgewicht en obesitas bij volwassenen in Nederland zijn bijna €11.500 per volwassene met overgewicht/obesitas per jaar. Dit leidt tot een totale kostenpost voor Nederland van ruim bu€79 miljard per jaar. Bron: Burden of disease study of overweight and obesity; the societal impact in terms of cost-of-illness and health-related quality of life | BMC Public Health | Full Text. De grootste kostenpost is verminderde productiviteit in het arbeidsproces.

Vervolgvraag op 11: Het antwoord geeft een beeld van de maatschappelijke winst van preventie. Daarmee is de vraag echter niet beantwoord. Door te besparen op preventie mag worden aangenomen dat de maatschappelijke winst afneemt, en daardoor de zorgkosten toenemen. Hoe verhouden de besparingen en de toegenomen/in de toekomst toenemende kosten zich tot elkaar? Antwoord: We kunnen op twee manieren naar preventie kijken: Bezuinigen op preventie leidt tot meer kosten, omdat er door de inzet van preventie minder vaak specialistische hulp/zorg nodig is. De opbrengst van preventie wordt vaak per interventie berekend. Een belangrijk uitgangspunt is dus om met goed onderbouwde, effectieve interventies te werken in het sociaal domein. Zo kunnen we toenemende kosten bij bezuinigingen op preventie concreet maken. Preventie kan juist ook tot hogere kosten leiden. Bijvoorbeeld als we veel vroeg signaleren, maar de problemen van inwoners ondertussen te weinig normaliseren. Daarom is het belangrijk dat onze professionals goed afwegen wat een gezin of inwoner nodig heeft. We moeten individuele hulpvragen ombuigen naar algemene voorzieningen. Dat maakt preventie goedkoper, met een groter bereik.

12. P. 31 5.2.1 Hoe kan het dat bezuinigen op DG&J, waardoor die te weinig geld heeft om wettelijke

taken uit te voeren, geen effect hebben op de samenleving? Antwoord Bezuinigen op de Dienst Gezondheid en Jeugd heeft mogelijk effect op de samenleving. De dienst voert veel wettelijke taken uit, maar de wet schrijft niet altijd een ambitieniveau voor. Daarom is er ruimte om te kijken naar bijsturingsmogelijkheden. Ook hebben we specifiek gekeken naar onderdelen waarvan de ervaring leert dat er afgelopen jaren budget overbleef. Daarvan is sprake bij dit budget voor vroegtijdig schoolverlaten. Vervolgvraag op 12: Het is uiteraard mogelijk het ambitieniveau van de zorg te verlagen, zeker als niet wettelijk is vastgelegd wat het ambitieniveau moet zijn, maar de vraag is hoe het kan dat dat geen effect heeft op de samenleving. Wordt de verwachte bezuiniging + het al bestaande tekort helemaal gedekt door overblijvend budget op vroegtijdig schoolverlaten?

10

Antwoord: Op dit onderdeel is jaarlijks een overschot. Daarom passen we het budget aan op basis van de daadwerkelijk gerealiseerde uitgaven. De activiteiten van de DG&J op VSV komen hierdoor niet in gevaar.

13. P. 31 5.2.2 Ondernemersfonds: begrijp ik het goed dat de gemeente nu jaarlijks € 2,3 mln in dit

fonds stort en dat de optie is om daar € 2,1 mln van te maken? Waar is de omvang van deze vermindering op gebaseerd? Welke mogelijkheden hebben de ondernemers om de eventueel wegvallende gemeentelijke bijdrage te compenseren, c.q. welke activiteiten van het ondernemersfonds zouden dan vervallen. De toelichting suggereert ook dat als de gemeente minder bijdraagt daar indirect voor de gemeente extra kosten uit voortkomen. Om welke bedrag zou dat kunnen gaan? Antwoord Nee dat is zeker niet het geval. De OZB-meeropbrengst (in de belastingverordening opgenomen als procentuele opslag op de reguliere OZB-opbrengst niet- woningen) die wij als gemeente jaarlijks innen ten behoeve van het Ondernemersfonds wordt ook 1 op 1 overgemaakt aan de Stichting Ondernemersfonds, en het is uiteindelijk aan de ondernemers/ non profit zelf (in de trekkingsgebieden) om met elkaar te beslissen hoe ze de middelen willen besteden. Het tenslotte ook hun eigen geld. Dit is overigens ook zo vastgelegd in de afspraken met het bestuur van het Ondernemersfonds. Op basis van ervaring uit andere steden die al langer werken met stadsbrede fondsen, is dat ze daarmee ook zelf met eigen middelen zelf plannen ontwikkelen die tot nu toe (deels) betaald werden vanuit gemeentemiddelen (economie, duurzaamheid, enz).

Het ondernemersfonds biedt daarnaast ook een structuur voor ondernemers/non profit om met elkaar betere plannen te maken waardoor ze zelf in staat worden gesteld om externe financiering aan te trekken, zoals bijvoorbeeld subsidiemogelijkheden van de provincie op het vlak van verduurzaming. 14. P. 32 5.2.4 Hier wordt gesteld dat de geldstromen ‘anders (kunnen) worden gericht’, maar in

hoeverre is dat een bezuiniging? In de tabel op p. 31 wordt het hele bedrag als bezuiniging gepresenteerd. Antwoord Zie bovenstaand. Een deel van de (versnipperde) inzet die we nu doen zal bij een goed ingebed Ondernemersfonds minder nodig zijn omdat er sprake is van een efficiëntere samenwerking in de verschillende werkgebieden tussen ondernemers onderling. 15. P. 32 5.2.5. Is er iets te zeggen over de maatschappelijke opbrengst van (decentrale)

bibliotheken? Welke extra problemen/kosten zijn er bij het verdwijnen daarvan in wijken te verwachten? Antwoord: De maatschappelijke opbrengst van de decentrale bibliotheken loopt uiteen. De bevolkingssamenstelling in onze wijken en de omvang van de bibliotheken bepaalt welke service en dienstverlening geboden kan worden en daarmee ook de impact. Alle bibliotheekvestigingen maken deel uit van onze algemene voorziening in de wijken. Inwoners kunnen terecht met een kleine of grote hulpvraag, om anderen te ontmoeten, nieuwe basisvaardigheden te leren en aan vrijetijdsbesteding te doen. (Uit: Visie Sociaal Domein). 11

Vanuit deze functie vangt de bibliotheek vragen af die anders niet of bij maatschappelijke partners en sociale wijkteams gesteld zouden moeten worden. Crabbehof/Dordt West (30.000 inwoners) De bibliotheek Crabbehof sluit qua aanbod en activiteiten aan op diverse doelen binnen gemeentelijke beleidsprogramma's zoals de Visie Sociaal Domein, Samen Dordt West, en de Dordtse Onderwijsvisie 0-12. Inwoners van Dordt West, jong en oud, vinden in bibliotheek Crabbehof een plek waar ontmoeting, leren, lenen, informatievoorziening, o.a. via Informatiepunt Digitale overheid en Servicepunt banken en verbinding centraal staat. AanZet werkt op deze locatie samen met het buurtwerk richting een Huiskamer van de Wijk. Het verzorgingsgebied is Oud- en Nieuw Krispijn, Crabbehof en Wielwijk. Iedereen kan er terecht. In samenwerking met partners en scholen faciliteert en ondersteunt de bibliotheek leesbevordering en (voor-) leesplezier. Stadspolders (18.500 inwoners) De doelstellingen van deze vestiging van AanZet zijn, net als in Crabbehof gericht op ontmoeting, informatievoorziening en leesplezier en leesbevordering. Met Jong JGZ organiseert AanZet aanbod gericht op ouders met jonge kinderen. De bevolkingssamenstelling in Stadspolder verschilt echter van die in Dordt -West. Uitleen van boeken en andere media staat sinds de verhuizing naar het Polderwiel centraal.

Ook hier sluit de bibliotheek aan op hierboven genoemde beleidsprogramma's. De bibliotheek heeft nog steeds de ambitie om ook in Stadspolder een Huiskamer in de wijk mét de bibliotheek en sociale partners te organiseren. In samenwerking met partners en scholen faciliteert en ondersteunt de bibliotheek leesbevordering en (voor-) leesplezier. Dubbeldam (13.000 inwoners) De bibliotheek in Dubbeldam is een servicepunt in het seniorencomplex Gravenhorst. Hoofddoel van deze vestiging is uitleen van boeken en media. Op vestiging is ook een maandelijks spreekuur "Zorgen voor een ander". Gericht op mantelzorgers en oudere inwoners. Sterrenburg (23.000 inwoners) Het servicepunt in Sterrenburg is vanaf april gehuisvest in het Cultureel Centrum Sterrenburg. Met andere maatschappelijke partners biedt AanZet ook hier laagdrempelige hulp via een digitaal spreekuur. De nadruk ligt op het uitlenen van de boekcollectie. Welke extra problemen/kosten zijn er bij het verdwijnen daarvan in wijken te verwachten? Sluiting van een bibliotheekvestiging heeft impact op de inwoners. Zij zullen dan voor bibliotheek dienstverlening verder moeten reizen, kunnen niet meer terecht voor laagdrempelige dienstverlening, contact met buurtbewoners en andere activiteiten. Samenwerking met andere partners binnen de vestigingen vervalt.

De bibliotheek "in de wijk" heeft ook betekenis in het realiseren van gemeentelijke beleidsdoelstellingen. 12

Voor de wijken Crabbehof en Stadspolders zal de impact van sluiting, gelet op de activiteiten en ambities daar, groter zijn dan in Dubbeldam en Sterrenburg. Sluiting van een vestiging heeft ook impact op medewerkers, collectie, afbouw huurcontracten etc. De kosten hiervan zijn nu nog niet volledig in beeld te brengen. 16. P. 33/34, 6.2.3. Welke indirecte kosten leveren de samenlevingseffecten van deze maatregel op

kortere en langere termijn op? En wat is het te verwachten effect op inkomsten (toeristenbelasting, OZB)? Kan het Stadsherstelfonds (zie 7.2.6.) een rol spelen bij de advisering over erfgoed? Antwoord: De ombuiging zal minder uren voor het vakteam erfgoed betekenen. Bij het vakteam doet zich de kans voor, de gemeentelijke archeologische opgravingsbevoegdheid af te stoten en te kiezen om alleen de wettelijke taken op het gebied van archeologie uit te voeren zonder gedwongen ontslag. Hierdoor kan de interne advisering op gebied van archeologie bij gebiedsontwikkeling en de toetsing bij omgevingsvergunningen wel behouden blijven zonder negatieve effecten voor de samenleving. Wel zal het archeologisch onderzoek voor de gemeentelijke projecten door derden moeten worden uitgevoerd wat leidt tot externe opdrachten en dus kosten. Hierdoor kan het contact en advisering voor monumenteigenaren en beschermd stadsgezicht beschikbaar blijven en de effecten die omschreven staan worden voorkomen. (Het effect op de gemeentelijke kosten/opbrengsten door vermindering van beeldkwaliteit en staat van onderhoud van panden in de historische binnenstad tot gevolg hebben; lagere WOZwaarde, minder inkomsten door toerisme; een minder aantrekkelijk investeringsklimaat voor vastgoedeigenaren; een minder aantrekkelijk vestigingsklimaat voor winkeliers dus meer leegstand in de winkelstraten.

Minder advisering vooraf bij vergunningaanvragen zal vaker een negatieve advisering door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit opleveren, dus mogelijk meer weigeringen van aanvragen.) Advisering inzake vergunningaanvragen voor monumenten is een wettelijke taak van de overheid (de gemeente). Een stadsherstelfonds is een monumenteigenaar die in zijn doelstelling/statuten heeft staan dat ze gericht zijn op het behoud van erfgoed/instandhouding monumenten. Hierdoor kan zo'n eigenaar (met bijvoorbeeld een POM status) (extra) gebruik maken van subsidieregelingen voor monumenten. De oprichting van dit fonds is niet gericht op advisering over erfgoed, voorbeelden uit andere steden die al langer werken met een vergelijkbare stadsherstelfondsen is dat ze kennis en ervaring opbouwen t.a.v. hoe om te gaan met erfgoed en gebruik ervan. Daarmee zijn zij ook een aanspreekpunt met (lokale) kennis en ervaring voor de gemeente, maar gemeentelijke advisering zal altijd nog nodig zijn. Het fonds zal zo breed mogelijk aanspraak maken op subsidieregelingen voor monumenten. 17. P. 34 6.2.3 en 6.2.4: Wat levert afzien van verduurzaming bij monumenten op en wat kost het

indirect? Antwoord: Indien voor monumenten geen maatwerkadviezen kunnen worden gegeven, kan onherstelbare schade aan monumenten ontstaan. Subsidiebedragen voor instandhoudingskosten of verduurzaming van gemeentelijke monumenten worden niet apart bijgehouden. Via het gemeentelijk restauratiefonds Dordrecht (GRD) worden subsidiebijdragen van 30% van de subsidiabele kosten voor gemeentelijke monumenten gegeven voor monumenteigenaren die 13

niet belastingplichtig zijn. Dit is bedoeld voor stichtingen zoals eigenaren van kerken, scholen en ander maatschappelijk vastgoed. Afzien van subsidie aan gemeentelijke monumenten (voor Stichtingen) levert op: werkelijke uitgaven gemiddeld afgelopen 6 jaar € 40.000 per jaar (verduurzaming en instandhouding) met een piek in 2021 en 2023 van rond de €100.000 uren erfgoed voor subsidieverlening (niet via subsidiebureau) in combinatie met behandeling van de omgevingsvergunning en controle op facturen/betalingen en instandhouding van 15 jaar. Afzien van subsidie kost indirect: Verlies van monumentwaarde is onomkeerbaar. Wat gesloopt wordt of verdwijnt komt niet meer terug in zijn oorspronkelijke uitvoering. Je verliest daarmee authenticiteit en materiaal en kennis van het verleden. Het levert meer leegstand en minder investeringen van derden op. Duurzaamheidsdoelstellingen worden niet gehaald. Er is een revolving fund voor belastingplichtige eigenaren, dit betreft een lage rentelening. Er wordt voorgesteld dit te handhaven omdat een revolving fund geen investering kost behalve de beheerkosten.

18. P. 35 6.2.6: Hoe leidt woningsplitsing tot vermindering van leefbaarheid? Het kan die in veel

gevallen toch ook vergroten? Wat levert woningsplitsing op voor gemeentefinanciën? Antwoord: Onbeperkte woningsplitsing of verkamering kan de leefbaarheid op meerdere manieren beïnvloeden: Druk op de openbare ruimte: Meer bewoners per woning betekent een hogere belasting van parkeerplaatsen, afvalvoorzieningen en groenvoorzieningen, wat kan leiden tot overlast en verminderde kwaliteit van de leefomgeving. Verandering in sociale cohesie: Wijken kunnen veranderen in buurten met veel tijdelijke huurders, wat ten koste kan gaan van de binding tussen bewoners en de sociale samenhang. Overlast en drukte: Meer bewoners in kleinere ruimtes kan geluidsoverlast en andere vormen van hinder veroorzaken, vooral als woningen worden omgezet in kamers voor studenten of arbeidsmigranten. Woningmarktverstoring: Woningsplitsing kan leiden tot hogere huizenprijzen en huurprijzen, omdat investeerders huizen opkopen en opsplitsen voor maximale winst, waardoor starters en gezinnen moeilijker een woning kunnen vinden. Kwaliteit van woningen: Niet alle woningen zijn geschikt voor splitsing, waardoor er mogelijk onveilige of te kleine woonruimtes ontstaan die niet voldoen aan de minimale woonkwaliteitseisen. Druk op voorzieningen: Een plotselinge toename van het aantal inwoners kan lokale voorzieningen zoals scholen, huisartsen en supermarkten extra belasten.

Verloedering van wijken: Overbewoning en veel tijdelijke bewoners kunnen leiden tot minder onderhoud van woningen en een afname van de uitstraling van buurten. In bepaalde situaties kunnen woningsplitsing en verkamering bijdragen aan de leefbaarheid van een straat of buurt: Meer diversiteit: Door woningsplitsing kunnen verschillende doelgroepen zoals starters, studenten en alleenstaanden betaalbare woonruimte vinden in buurten waar zij anders niet terecht zouden kunnen. Dit kan zorgen voor een levendigere en diverse gemeenschap. 14

Herbestemming van leegstaande panden: In wijken waar veel leegstand is, kan woningsplitsing of verkamering helpen om panden weer in gebruik te nemen, wat verloedering en criminaliteit vermindert. Economische impuls: Meer bewoners betekent een grotere vraag naar lokale voorzieningen, zoals winkels, horeca en openbaar vervoer. Dit kan de lokale economie stimuleren en bijdragen aan een levendigere buurt. Betere benutting van woonruimte: In sommige gevallen kunnen grote, onderbenutte woningen efficiënter worden gebruikt. Dit voorkomt dat ruime huizen deels onbewoond blijven terwijl er woningtekorten zijn. Sociale interactie: Door woningen op te splitsen, kunnen ouderen een deel van hun woning verhuren, waardoor zij langer zelfstandig kunnen blijven wonen en sociale interactie behouden. De mate waarin deze voordelen tot uiting komen, hangt sterk af van de manier waarop woningsplitsing en verkamering worden gereguleerd. Goede handhaving en duidelijke richtlijnen kunnen helpen de positieve effecten te maximaliseren en overlast te beperken. Financieel: Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen, hangt onder andere af van hun kenmerken. De Rijksoverheid kijkt bij de verdeling van het gemeentefonds naar allerlei kenmerken, waaronder het aantal woonruimten volgens de BAG. 19. P. 36 7.2.2 Anders exploiteren toren Grote Kerk. Wordt hierbij aan een toegangsprijs gedacht?

Hoeveel zou dat per beklimming zijn? Antwoord: Alle opties liggen nog open. Het verhogen van de prijs is één van de opties. Op dit moment wordt ook al een toegangsprijs gevraagd voor de beklimming van de toren. Een combinatieticket voor de kerk (eigendom kerkbestuur) en de toren (eigendom gemeente) is € 5. 20. Is het denkbaar dat extra investering in armoedebestrijding, wijkontwikkeling, sociale samenhang

en/of groen/natuur tot méér besparing op gezondheid, zorg, handhaving, (zwerf)afvalinzameling e.d. zou kunnen leiden? Antwoord: Het is zeker denkbaar dat extra investeringen in de genoemde onderwerpen zal leiden tot een besparing op andere vlakken. Voor sommige onderwerpen zijn landelijke studies gedaan. Om twee voorbeelden te noemen: 1. Schulden. Recent verscheen het rapport: ‘De maatschappelijke kosten van schuldenproblematiek – een last voor burgers, bedrijven en overheden’. De onderzoekers concluderen dat de maatschappelijke kosten van schuldenproblematiek jaarlijks op 8,5 miljard euro uitkomen. Dat is 500 euro per Nederlander. Een flink deel van de maatschappelijke kosten komt voort uit het feit dat inwoners met schulden minder productieve werknemers zijn. Ze slapen slechter, zijn vaker ziek of te laat door hun schuldensituatie. Daardoor gaat er 4,5 miljard euro verloren aan verminderde arbeidsproductiviteit. Ook liggen de zorgkosten van inwoners met schulden gemiddeld genomen hoger. Zo deed het Centraal Planbureau (CPB) onderzoek naar de samenhang tussen de kosten voor mentale zorg en het hebben van schulden. De uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg voor inwoners met schulden liggen 30 procent hoger dan bij inwoners zonder schulden. 15

2. Investeren in de sociale basis Extra investeren in de genoemde onderwerpen (wijkontwikkeling, sociale samenhang, etc) is investeren in preventie. Preventieve maatregelen zoals mensen activeren, het vergroten van het sociale netwerk of mentaal weerbaarder maken, zorgen op termijn voor een vermindering in zorgvraag. Het rapport ‘inzetten op de potentie van sociaal werk’ laat zien dat als er op Rijksniveau geïnvesteerd wordt door budgetten vanuit de zorg om te buigen naar budgetten sociaal werk (bijvoorbeeld 2% van het landelijke zorgbudget), zowel krapte op de arbeidsmarkt verminderd wordt als financieel rendement behaald wordt. Op gemeentelijk niveau werken we aan deze beweging door specialistische zorg af te schalen naar algemene voorzieningen. Visie Sociaal Domein 2030 De visie sociaal domein 2030 is gebouwd op deze principes. We investeren in de bestaanszekerheid van inwoners zodat zij zonder belemmeringen mee kunnen doen in de samenleving en geen stress ervaren over inkomen, woning of toegang tot zorg. We stimuleren dat inwoners elkaar helpen (wijkontwikkeling en sociale samenhang) zodat zij geen beroep hoeven te doen op formele zorg. Met algemene voorzieningen beogen we laagdrempelige hulp te bieden als inwoners het samen niet kunnen oplossen. De laatste stap is duurdere specialistische hulp. Kanttekeningen: Er zijn echter een paar kanttekeningen.

Het is moeilijk om een causaal verband aan te wijzen voor de investering in relatie tot het verwachte rendement. In het sociaal domein spelen vele interne en externe factoren een rol. Enerzijds maken inwoners zelf keuzes, soms ook ongezonde keuzes. Of worden zij door life-events (zoals een scheiding) voor nieuwe uitdagingen gesteld. In het geval van handhaving en (zwerf)afval kan ook (een gebrek aan) kennis of normen en waarden een rol spelen. Anderzijds is de invloed van externe factoren die buiten de invloedsfeer van de gemeente liggen, groot. Denk hierbij aan stijgende inflatie, energieprijzen, de prestatiedruk in de samenleving, individualisering, krapte op de woningmarkt, etc. Dit maakt het ingewikkeld om een businesscase op te stellen. Bijvoorbeeld: uit landelijk onderzoek weten we dat mensen met een laag inkomen ongeveer 5 jaar korter leven en 14 jaar in slechtere gezondheid. We kunnen echter niet stellen dat bijvoorbeeld door het verhogen van de minimaregelingen (= extra geld) de geldzorgen weg zijn en daarmee de gezondheid van de inwoner direct verbeterd. De tweede kanttekening is dat investeringen die de gemeente doet, niet altijd leiden tot rendement in het gemeentelijk domein. Bij gezondheidsverbetering ligt de meeste financiële winst bijvoorbeeld bij de zorgverzekeraar en het zorgkantoor. Vervolgvraag op 20: Bereik schuldhulpverlening.

Uit RIB Voortgang Programma Samen tegen Armoede d.d. 7-1-2025 blijkt dat ongeveer 7000 Dordtse huishoudens problematische schulden hebben. Kijkend naar de aantallen die in de RIB bij de regelingen worden genoemd, lijkt niet veel meer dan 40% daarvan bereikt te worden. Klopt dat? Verdere vergroting van het bereik zou tot besparingen in de zorg (mensen met schulden hebben bijv. volgens uw antwoord gemiddeld 30% meer GGZ-zorg nodig) en andere voorzieningen voor lage inkomens kunnen leiden. Kan een (ruwe) schatting worden gegeven van om welke bedragen dat zou kunnen gaan? Antwoord: Het klopt dat ongeveer 7.000 Dordtse huishoudens geregistreerde problematische schulden hebben (bron: Schuldenproblematiek in beeld). Het bereik van schuldhulpverlening ligt echter lager, in 2024 zaten 1.440 Dordtenaren in een schuldhulpverleningstraject. Het bereik ligt dus op ongeveer 20%. Dit bereik is in lijn met het landelijke beeld. 16

Maatschappelijke kosten schuldhulpverlening Een vergroting van het bereik van schuldhulpverlening zal leiden tot lagere kosten in de zorg en andere sectoren. In het eerder aangehaalde onderzoek ‘De maatschappelijke kosten van schuldenproblematiek – een last voor burgers, bedrijven en overheden’ wordt op pagina 17 een overzicht gegeven van de maatschappelijke kosten, en dus ook van de potentiële besparingen, van inwoners met problematische schulden. Gevolgkosten van schuldenproblematiek (en potentiële besparingen) in het gemeentelijk domein liggen hoofdzakelijk op arbeidsre-integratie. Niet van alle kosten kan een berekening gemaakt worden. Zo hebben de onderzoekers geen doorrekening kunnen maken van de inzet van de wijkteams (ongeveer 80% van de inwoners die zich melden bij het wijkteam heeft financiële problemen) of de gevolgkosten van huiselijk geweld (in 47% van de gevallen is er een relatie met armoede en schuldenproblematiek). Het effect van schulden op arbeidsre-integratie is naar verwachting groot. De stap naar betaald werk is lang niet altijd aantrekkelijk in de schuldensituatie. De extra inkomsten komen ten goede aan de schuldeisers en in bepaalde gevallen levert gaan werken ook extra kosten op (representatieve kleding, niet gedekte reiskosten et cetera). Een gevolg is dat mensen soms langer gebruikmaken van een uitkering dan nodig is.

Dit speelt zowel bij re-integratie in het kader van de Participatiewet als in het kader van bijvoorbeeld de WW, de Wajong of de WIA. Een maand bijstandsuitkering kost, inclusief uitvoeringskosten, ongeveer €1.500,-. Hoeveel Dordtenaren een combinatie hebben van een uitkering en schulden is op dit moment niet bekend. Gezondheidszorg Ook in de (gezondheids)zorg worden extra kosten gemaakt als gevolg van schuldenproblematiek. Deze kosten, of besparingen vallen niet in het gemeentelijk domein. In bovengenoemd onderzoek wordt o.a. het effect op huisartsenzorg en de GGZ en nader beschreven.

17

VVD 1.

0.2.3. Wanneer krijgen we de uitslag van de SPUK verkenning? Antwoord: Op het moment dat de raad deze mogelijkheid zou kiezen, wordt nader onderzoek uitgevoerd.

2.

0.2.5. Klopt het dat je dus minder op de uitvoering gaat doen? Zo ja, op welke doelen wordt dan minder inzet gepleegd? Antwoord: Nee, dat klopt niet. De kern hiervan is dat we kosten voor ambtelijke inzet nu op onderdelen nog apart begroten. Door ambtelijke inzet preciezer toe te rekenen aan de taken wordt dit verrekend met programmageld. Daarmee zal op overige budgetten bij de desbetreffende programma's en taken kosten-bewuster moeten worden omgegaan.

3.

0.2.5: Kan worden toegelicht hoe dit een bijdrage levert aan de ombuigingen? Dit lijkt vooral een andere interne verrekensystematiek te zijn, in plaats van een externe besparing. Antwoord: De kern hiervan is dat we kosten voor ambtelijke inzet nu op onderdelen nog apart begroten. Door ambtelijke inzet preciezer toe te rekenen aan de taken wordt dit verrekend met programmageld. Daarmee zal op overige budgetten bij de desbetreffende programma's en taken kosten-bewuster moeten worden omgegaan.

4.

1.2.2: Kan worden aangegeven waar de geïndiceerde 100k op gebaseerd is? Wat zou een besparing zijn als wordt besloten volledig te stoppen met stedenbanden? Antwoord: De 100k is gebaseerd op de salariskosten plus overhead van 1 fte die de gemeente voor internationale samenwerking heeft. Als met alle stedenbanden gestopt wordt dan levert dat totaal 200k op. Naast de genoemde 1 fte van de gemeente betreft dat de subsidies aan drie stichtingen stedenbanden, en het budget voor Hastings en Recklinghausen.

5.

1.2.3. Klopt het dat er meerdere jaren onderbesteding was op de Wijkwensen? Zo ja, hoeveel was dat voor de afgelopen jaren? Antwoord: De tabel toont aan dat er de afgelopen jaren inderdaad sprake is van oplopende onderbesteding. Dit komt onder andere doordat voor veel wijkwensen ook structureel onderhoudsgeld nodig is, wat niet altijd beschikbaar is. Daarom is het mogelijk om de wijkwensen structureel te verlagen.

18

6.

1.2.4 Kan er een indicatie gegeven worden wat er niet meer gedaan zal worden? Wat zijn de gevolgen als er 40% bezuinigd wordt? Antwoord: De gevolgen van een bezuiniging van 20 % zijn op dit moment niet in te schatten (het aandeel van Dordrecht daarin is 40 %). Wat er minder of niet meer gebeurt, wordt dan onderwerp van regionale afstemming.

7.

2.2.4. Van hoeveel toeristen nu moeten we groeien om deze extra inkomsten te behalen? Antwoord: Het gaat voor deze extra gemeentelijke inkomsten niet zozeer om de groei van het aantal toeristen/bezoekers aan de stad. Meer dagbezoekers leveren de stad extra inkomsten op, maar levert niet direct inkomsten op voor de gemeente. Meer verblijfsbezoekers wel, de uitbreiding van de hotelcapaciteit (vb. Vrieseplein, Bastion, Van der Valk) of B&B levert meer logiesbelasting op. De groei hiervan zal geleidelijk zijn. Meer bezoekende cruiseschepen heeft ook direct effect op de gemeentelijke inkomsten, daarbij gaan wij wel uit van een herziening van afspraken met HbR rond de handeling van riviercruiseschepen. Wij zijn uitgegaan van een geleidelijke toename van het aantal bezoekende schepen (momenteel 600 per jaar) richting een verdubbeling op middellangetermijn. En van een harmonisering van de liggeld tarief met die in Kinderdijk.

8.

Extra h2 Hoeveel zou het opleveren om met de stadsdichter te stoppen? Of zit dat al in de cultuurbasis infra? Antwoord: Het huidige budget voor de stadsdichter is jaarlijks €7.000, waarvan €5000 honorarium en €2000 voor projecten/initiatieven binnen het stadsdichterschap. Dit is geen onderdeel van de culturele basisinfrastructuur.

9.

2.2.6. Er staan op verschillende plekken ombuigingsvoorstellen die evenementen raken. Bijvoorbeeld ook het in rekening brengen van tijdelijke verkeersmaatregelen e.d. als je alles bij elkaar optelt, over welk totaalbedrag gaat het dan aan ombuigingsmaatregelen?

Antwoord Het gaat om de volgende voorstellen (bedragen x € 1.000 per 2029) 2.2.6 Verkleinen budget begrotingssubsidies evenementen 2.2.7 Verkleining budget subsidieregeling evenementen 4.2.14 (Top)sportevenementen 6.2.2 Leges tijdelijke verkeersmaatregelen Totaal

240 70 90 300 700

19

10. 3.2.3. Is er nu al voldoende budget om de speelplekken te behouden? Wat zouden de gevolgen

van deze bezuiniging zijn qua kwaliteit speelplekken op alleen klachten na? Antwoord: Bij de uitwerking zijn verschillende scenario’s geschetst in afnemende ambitie en kosten. De huidige situatie en werkwijze is een van de scenario’s. Scenario “Verschralen” samengevat: Het huidige beheerscenario, met bijbehorende exploitatiebudgetten, kan worden omschrijven als een erg laag ambitieus scenario. De fysieke plekken welke er nu zijn verschralen en zullen verder afnemen. Met uitzondering van de grote centrale openbare plekken, denk aan o.a. de stadsparken. We kunnen we niet voldoen aan de ambities op gebied van inclusiviteit en aan de doelstellingen uit de Omgevingsvisie, Sportbeleid, participatie doelen, etc. Het fysieke speelareaal neemt af. Alleen daar waar er zich kansen voordoen (meekoppelen bij projecten), is aandacht voor meer inclusieve speelplekken. Voor het vergroenen van de huidige speelplekken is vanuit Spelen geen budget. Voor de aanleg van extra speelplekken is geen dekking. Voor het vervangen van de speelplekken die ongeveer 15 jaar geleden door financiering vanuit o.a. externe eenmalige budgetten en Vogelaarswijken, zijn aangelegd is geen financiële ruimte. 11. 3.2.8. Wie gaat het onderhoud daadwerkelijk uitvoeren? Is dat de projectontwikkelaar, wiens

core business het is om huizen te bouwen en het onderhoud van de buitenruimte bijzaak is? Antwoord: Het is een realistisch idee waarvan we weten dat dit bij meerdere gemeenten wordt toegepast. In de uitwerking zullen we hier kaders en uitgangspunten voor moeten ontwikkelen, waarin dit één van de onderzoeksvragen is. 12. 4.2.1. Hoe zorgt het college ervoor dat participatieplekken geen eindstation worden, maar echt

bijdragen aan doorstroom naar werk? Antwoord: Een participatieplek is geen eindstation voor mensen. Het is juist een veilige omgeving waarin participanten zonder druk, nieuwe vaardigheden kunnen leren en oefenen. Daarom is het een laagdrempelige vorm van activering. We brengen in beeld wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van iemand en stimuleren persoonlijke groei en ontwikkeling t.b.v. het afschalen/voorkomen van zwaardere zorg, verminderen van behoefte aan mantelzorg en het opdoen van arbeidsvaardigheden t.b.v. (waar mogelijk) doorstroming naar bijv. (beschut of regulier) werk. 13. 4.2.1. Hoe wordt voorkomen dat mensen onnodig lang in een traject blijven zonder perspectief op

zelfstandigheid? Antwoord: We zorgen ervoor dat er goede afstemming is tussen de betrokkenen; leerwerkbedrijven (begeleiding participanten), matchingsunit (matchen participant aan leerwerkbedrijf), SDD (klantmanager voor participant vanuit participatiewet als van toepassing) en gemeente t.b.v. de 20

participant en diens ontwikkeling. Door goede afstemming en duidelijke afspraken, zorgen we er samen voor dat participanten worden gestimuleerd om de ontwikkeling door te maken die voor hen passend is. Sommige mensen zullen nooit (volledig) zelfstandig kunnen functioneren door verschillende barrières, maar we hebben een stimulerende en faciliterende rol. De praktijk laat zien dat participanten door de juiste stimulatie, activering en hulptrajecten, meer kans maken op de ontwikkeling naar (gedeeltelijke) zelfstandigheid. 14. 4.2.7 Wordt met dit besluit gestopt met Drechthopper en Wijkhopper? Of alleen via het bedrijf

Stroomlijn? Antwoord Als voor deze mogelijkheid wordt gekozen, wordt er gestopt met collectief vraagafhankelijk vervoer. Dat zijn de Drechthopper en de Wijkhopper. Dit vervoer wordt nu uitsluitend geregeld via Stroomlijn. Een minder verstrektrekkende mogelijkheid op vervoer is: 4.2.25 Drechthopper: aantal kilometers terugbrengen en tarief gelijkstellen aan OV-tarief en 4.2.26 Drechthopper: bundelen van ritten en verkorten reserveringstijd. 15. Hoe wordt voorkomen dat het stoppen met collectief vraagafhankelijk vervoer leidt tot een

toename van individuele vervoerskosten? Antwoord Dit kan niet voorkomen worden. In Dordrecht zijn er wel aantal algemene vervoersvoorzieningen (zoals de e-wheels karretjes en ANWB-automaatje). Er zal sprake zijn van overloop van gebruikers naar de maatwerk vervoersvoorziening. Het vraagt nadere uitwerking om een exact financieel beeld te geven.

Antwoorden technische vragen ombuigingen Sport Bij het opstellen van deze voorstellen was de informatie dat de SPUKs mogelijk volledig weg zouden vallen. Het is ondertussen duidelijk dat de Brede regeling combinatiefuncties (SPUK) niet weg zal vallen, waardoor het uitgangspunt voor deze ombuigingen een volledig andere is. Het huidige standpunt van het kabinet is dat de middelen structureel zijn en er sprake is van een korting van maximaal 10% vanaf 2026. 16. 4.2.12 Brede regeling combinatiefuncties. Kunt u aangeven hoeveel rijksbijdrage de gemeente

ontvangt voor deze regeling? En hoeveel cofinanciering u ontvangt van partijen uit het maatschappelijk middenveld? Antwoord: De gemeente ontvangt in 2025 en 2026 de volgende rijksbijdrage voor de Brede Regeling Combinatiefuncties.

2025 2026

Totaal € 691.583,€ 668.106,-

sport € 596.538,€ 573.106,-

cultuur € 95.000,€ 95.000,-

21

Het rijk financiert met deze bijdrage maximaal 40% van de regeling. De gemeente is verplicht om lokaal tenminste 60% cofinanciering te organiseren. De gemeente voert €750.000 (288k salariskosten sportregisseurs en 462k vanuit de algemene middelen) op als cofinanciering op deze rijksregeling. Een aanvullend deel op deze cofinanciering (€ 200.000,- per jaar) wordt opgehaald bij scholen, FC Dordrecht, kinderopvangorganisaties en sportbonden in de samenwerking met regionale talentcentra. De gemeentelijke cofinanciering wordt samen met het grootste gedeelte van de rijksbijdrage gebruikt om de salarissen van de buursportcoaches en sportregisseurs en de door hen uitgevoerde activiteiten bij het team Sport van de gemeente Dordrecht te dekken. Wanneer we besluiten op de BRC te bezuinigen, vervalt ons recht op de rijksbijdrage (deze wordt 0). Hierdoor vervalt sport ruim €1.5 miljoen (750k (gemeente) + 573k (rijk) +200k (derden)) en kunnen we niet investeren in sportstimulering. Waardoor alleen programmalijn 1, ‘een omgeving die uitnodigt tot sport en bewegen’, vanuit de sportvisie overeind blijft. Ook gevolgen voor cultuur Er is een minimaal deelnamepercentage om aan deze rijksregeling deel te nemen. Wanneer wordt besloten om de gemeentelijke cofinanciering voor sport te laten vervallen, heeft dit ook gevolgen voor cultuur.

Uit de rijksbijdrage wordt namelijk ook € 95.000.,- per jaar besteed aan combinatiefunctionarissen Cultuur. 17. Welke impact heeft deze bezuiniging op de realisatie van de sportvisie en welke doelgroepen

worden er het meest geraakt door het niet meer of beperkt deelnemen aan deze regeling? Antwoord: Wanneer de gemeentelijke cofinanciering wordt geschrapt, heeft de gemeente ook geen recht op de rijksbijdrage, dit heeft als resultaat dat het structurele budget waaruit sportstimulering wordt betaald vervalt. Programmalijn 2 vanuit de Sportvisie “Een leven lang sportplezier voor iedereen" kan dan niet meer worden uitgevoerd. De sportcoaches en de sportregisseurs van team Sport van de gemeente verzorgen de organisatie en uitvoering van programmalijn 2. Zij zetten zich in voor alle Dordtse inwoners. In deze lijn vallen de volgende ambities • Sportiefste Jeugd van Nederland • Iedereen doet naar vermogen mee aan sport en bewegen • Sport- en beweegaanbieders zijn vitaal • Topsport inspireert en maakt schapetrots Waarbij qua doelgroepen de focus ligt op jeugd 0-18 en inwoners met een afstand tot sport. Denkt u bij deze laatste groep aan senioren, mensen met een beperking, mensen met mentale of (chronische) fysieke gezondheidsproblemen en mensen met een smallere beurs. En de ondersteuning van sportverenigingen en andere sportaanbieders. 18. Kunt u aangeven welke sport- en beweegprogramma's er komen te vervallen?

Antwoord: De impact is groot, alle sport- en beweegprogramma’s die onderdeel zijn van programmalijn 2 komen te vervallen. Denk onder andere aan: • Life Goals (programma voor mentaal kwetsbare inwoners) • Warme toeleiding naar sport voor mensen met een afstand tot sport • Nijntje beweegt (0-6 jaar) 22

• • •

Schoolsport, schoolzwemmen Laagdrempelig sportaanbod voor ouderen Buurtsport, FC Straat

19. Hoeveel FTE aan sportcoaches of andere betrokkenen verdwijnen bij gedeeltelijke of volledige

stopzetting van de gemeentelijke bijdrage in de BRC. Antwoord: Er verdwijnt 2,89 FTE aan sportregisseurs en 10,55 FTE aan buurtsportcoaches (het treft in totaal 15 collega’s in dienst van de gemeente Dordrecht). Er zijn in de RTC’s 4,5 FTE actief, 1,3 FTE MEE Rotterdam, daarnaast zijn bij partners verschillende mensen werkzaam, hier is niet direct een FTE aan te hangen. 20. Hoe denkt het college de doelen uit de sportvisie te halen wanneer deze bezuiniging wordt

doorgevoerd? Antwoord: Het is duidelijk dat het college de doelen uit de sportvisie niet kan halen wanneer deze bezuiniging wordt doorgevoerd. We halen de 80% Dordtenaren die in 2030 één keer of vaker per week beweegt niet. En de bezuiniging heeft impact op het sociaal domein. Denkt u bijvoorbeeld aan de 40% reductie op zorggebruik en 70% stressreductie door deelnemers aan Life Goals (bron: Slotrapport 2024 Life Goals Dordrecht). Het maatschappelijk rendement van sport voor Dordrecht is 2,89 (hoger dan het landelijke cijfer van 2,76). Dit betekent dat elke euro die wordt geïnvesteerd in sport de maatschappij € 2,89 oplevert. Wanneer de sportdeelname in Dordrecht met 10% wordt verhoogd (doel van het huidige beleid), levert dit ruim 11 miljoen baten op. (Bron Januari 2024, Kenniscentrum Sport & Bewegen; Maatschappelijke waarde van sport en bewegen). 21. In hoeverre wordt de samenwerking met verenigingen, andere sportaanbieders, scholen en

andere maatschappelijke organisaties aangetast? Antwoord: We betalen partners in de stad om onze ambities uit te voeren. Deze middelen zijn dan niet langer beschikbaar, waardoor nog meer inwoners en doelgroepen worden getroffen. Denk aan: Stichting Wij voor de Jeugd, MEE Rotterdam, Stichting Jongeren van de Wereld, die mensen hebben aangetrokken om onze programma’s uit te voeren. Het treft ook de Regionale Talentcentra (RTC's) die dan niet meer kunnen voortbestaan. Dit treft vervolgens ook de exploitatie van de Sportboulevard, waar jaarlijks een bedrag van ca. € 150.000,- aan huurinkomsten voor verhuur aan de RTC’s in daluren wegvalt. En het talentcentrum dat gevestigd is in de Sportboulevard vervalt. Dit zal ook impact hebben op de exploitatie van de Sportboulevard. De gemeente is contractueel aansprakelijk wanneer korting op subsidie zorgt voor een verlaagde exploitatie bij de Sportboulevard. Dit dient dan (deels) gecompenseerd te worden door de gemeente. Het hele netwerk met partijen in de stad zoals sportverenigingen, commerciële sportaanbieders, scholen etc. stort in. 22. Zijn er alternatieve financieringsmogelijkheden om de impact van deze bezuiniging te

verminderen? Antwoord We verkennen continu of partijen in het veld nog meer kunnen bijdragen in de cofinanciering om 23

de impact van programmalijn 2 te kunnen vergroten. Nu wordt al gebruik gemaakt van financiering vanuit het GALA (Gezond en Actief Leven Akkoord), Preventie met Gezag, de kinderopvang, maar ook rijkssubsidies als School en omgeving. Het is ambtelijk de verwachting dat we nooit de totale gemeentelijke bijdrage bij partijen uit de stad kunnen ophalen als cofinanciering (€ 750.000,-). Daarnaast blijft het sowieso een risico om met een dergelijke cofinanciering structurele kosten via incidentele middelen te dekken. De rijksmiddelen zijn structureel, met een maximale korting van 10% vanaf 2026. Dit andere informatie dan waarvan is uitgegaan bij het opstellen van het ombuigingsvoorstel in het najaar van 2024. 23. 4.2.13 Welke verenigingen worden er geraakt en wat het verwachte effect is?

Antwoord: Alle verenigingen. In de ambitie "Sport- en beweegaanbieders zijn vitaal" valt de gebiedsgerichte inzet van sportregie weg. De volledige sportregie zal wegvallen en daarmee ook het sport- en beweegloket. De samenwerking in het netwerk tussen gemeente, urban sportaanbieders en cultuur- en welzijnsorganisaties. Verenigingen kunnen geen gebruik meer maken van cluboverschrijdende adviestrajecten o.b.v. de verenigingsmonitor, geen ondersteuning meer ontvangen, o.a. op het gebied van sociaal veilig sportaanbod. Daarnaast vallen de sportstimuleringsactiviteiten weg en ook de sterke netwerken van sport met kinderopvang, onderwijs, cultuur en wijkorganisaties. Er zal geen aanspreekpunt meer zijn voor de verenigingen, het POS-loket voor commerciële sportaanbieders zal worden gesloten. Er zou alleen een aanspreekpunt overblijven bij team Sportaccommodaties van de gemeente voor beheer en onderhoud. Zwemverenigingen ontvangen subsidie voor de huur van zwembadwater. Wanneer deze subsidie wegvalt dan zullen zij de kosten volledig zelf moeten dekken en daarmee worden hun kosten hoger en is er een kans dat zij dus minder zwembadwater kunnen huren waardoor leden weggaan en er uiteindelijk minder mensen zwemsport beoefenen. Wanneer verenigingen minder water huren bij de Sportboulevard dan zal dit impact hebben op de exploitatie van de Sportboulevard.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/935/documents/40785