2a Toelichting - Bijlage 5 Archeologisch onderzoek Maasterras zonder de Tuinbuurt.pdf
Tekst van het document
Voor wat betreft de oostelijke oeverzone gaat hier dan alleen om het geprojecteerde, verwachte verloop van de voormalige ringdijk van de Grote Waard in noordelijke richting. Het gaat om het gehele oostelijke deel van de Weeskinderendijk en een klein deel van het NS-parkeerterrein in de richting van de Hoge Bakstraat (afb. 24). Het is aannemelijk dat hier dit deel van het pre-1421 landschap niet, of maar minimaal onder water heeft gestaan ten tijde van de St. Elisabethsvloeden 1421-1424 en het daaropvolgende zoetwatergetijdengebied ‘t Bergsche Veld. Delen van de ringdijk kunnen ook hier, mogelijk tot in ieder geval 1430, nog boven water hebben gelegen en eventueel bewoond of anderszins gebruikt zijn.
34
Dit deel van de ringdijk zal dan zijn opgenomen in de nieuwe inrichting vanaf circa 1560 (zie hieronder). Afzettingen van de middeleeuwse ringdijk kunnen dus op onbekende diepte onder de huidige Weeskinderendijk oostzijde aanwezig zijn. De eventuele dam met sluis kan aanwezig zijn in het gebied tussen de Weeskinderendijk 183 in het noorden en de huizen aan de Brandts Buysstraat 9-14 (afb. 24). Het pre-1421 landschap is overal, mogelijk slechts licht erosief afgedekt door de natuurlijke zand- en kleiafzettingen van het Bergsche Veld, het zogenoemde Merwededek. Op/in de top hiervan zijn de (bewonings)sporen van de (her) inpoldering uit de periode 1603-1617aanwezig. Archeologische verwachting circa 1560 - begin 20e eeuw Kort vóór circa 1560 wordt begonnen met een grootschaliger (her)inpoldering en –inrichting van het gebied waarin het onderzoeksgebied ligt. Van deze initiële herinrichting is weinig te zeggen voor wat betreft de te verwachten cultuurhistorische of cultuurlandschappelijke elementen. Er zal sprake zijn geweest van droog land met vermoedelijk een verbinding(sweg) tussen de stad en het huis/buurtschap/veer Nadorst. Het is mogelijk dat deze eerste droge strook grond de top van de bedijking van de verdronken Groote Waard is. Voor het mogelijke, verwachte tracé hiervan, zie afbeelding 24.
Vanaf 1603 valt het noordelijk deel (noorden van Weeskinderendijk Beneden) binnen de nieuw gerealiseerde Oud Dubbeldamse Polder. Vanaf 1617 is ook het zuidelijk deel opnieuw ingepolderd en valt binnen de polder(s) De Mijl/ Zuidpolder. In het onderzoeksgebied zijn delen van deze bedijkingen aanwezig (afb. 25).
35
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Afb. 25. Een overzicht van de verwachte archeologische en cultuurhistorische elementen binnen het onderzoeksgebied voor de periode vanaf circa 1560 – begin 20e eeuw (Dorst 2022, vakteam erfgoed).
Vanaf 1603 is het noordelijk deel (binnen de polder Oud Dubbeldams) waarschijnlijk al ingericht als balkengat. Dit is het gebied dat vandaag de dag valt binnen de Weeskinderendijk (noord en oost), de Weeskinderendijk Boven / Beneden (zuid) en Laan der Verenigde Naties (west). Het gehele gebied is voorzien van een ringkade / -dijk met daarbinnen ook enkele noord-zuid georiënteerde kades. Ten noorden van de Weeskinderendijk (noord) lag de ontwateringsloot (de gekanaliseerde Boerenkil) van de polder Oud Dubbeldam, welke ter hoogte van de kruising Weeskinderendijk (noord) – Laan der Verenigde Naties via een sluis uitwaterde op de Oude Maas. Tijdens de aanleg van de opgang naar de verkeersbrug over de Oude Maas zijn funderingen aangetroffen waarvan vermoed werd dat het zou gaan om een sluis behorende tot de polderwerken van Oud Dubbeldam. Het is echter niet zeker dat het daadwerkelijk om een sluis gaat; het kan ook muurwerk zijn van een brug (over de dijksloot) of bebouwing van of behorende tot de zaagmolen De Leeuw.
36
In theorie kan het ook nog dateren uit de periode van vóór 1421. De exacte ligging van de muurwerk is niet bekend; de vermelde locatie betreft de eerste pijler van de brugopgang (Hugo de Grootlaan). Het is echter onduidelijk of hiermee de eerste echte pijler wordt bedoeld of de betonvoet over de Weeskinderendijk Beneden. Deze gehele locatie is in afb. 25 aangegeven als locatie van dit muurwerk. Binnen het onderzoekgebied waren twee havens aanwezig. De eerste en oudste is die van het balkengat, genaamd Papegat, welke zal zijn gerealiseerd in het eerste kwart van de 17e eeuw, vanaf ca. 1603/1611-1617. Het lag binnen de aangegeven bedijkingen van de polder Oud Dubbeldams (afb. 25, zuidelijke haven). Het is onduidelijk tot hoe diep en exact waar er overal is gegraven; vermoedelijk zullen de verschillende balkgaten binnen dit gebied niet tot grote diepte zijn uitgegraven. Mogelijk gaat het slechts om een diepte tot circa 1,5 á 2 meter en de vrijgekomen grond zal zijn gebruikt voor de omdijking van het Papegat. Het is onbekend of bij de graafwerkzaamheden binnen dit gebied het pre-1421 landschap is verstoord. De tweede haven is de Spoorweg- of Dokhaven, welke is aangelegd in 1868 en gedempt rond 1965. Deze lag grotendeels ter hoogte van het huidige parkeerterrein tussen het spoor en de Weeskinderendijk in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied (afb. 25, noordelijke haven).
Deze is naar verwachting wel tot grotere diepte uitgegraven. Naar verwachting zal hier het pre-1421 landschap met mogelijk een deel van de ringdijk van de Grote Waard ook (deels) zijn verstoord. Ook de latere 17e-eeuwse dijken en de funderingen van de molens de Hoop/Bakker en de Groote Noordsche Boer zijn vermoedelijk geheel opgeruimd (afb. 25, roze lijnen = bedijkingen op kaart uit 1611, zie afb. 9). Binnen het onderzoeksgebied zijn veel molens aanwezig geweest, met name rond het Papegat aan de Weeskinderendijk. Uitgezonderd de hierboven genoemde molens kunnen bij graafwerkzaamheden de funderingen worden aangetroffen van de onderstaande molens (afb. 25). Rondom de molens en langs het gehele Papegat waren echter meerdere bebouwingen van baksteen en hout aanwezig voor de verwerking en opslag van met name hout en andere vroege industrieën. Het Papegat was één van de eerste, echte industrieterreinen direct buiten de stad, vergelijkbaar met de gelijktijdige Lijnbaan aan de oostzijde, dat ook voornamelijk voor de houtindustrie was ingericht. A. B. C. D. E. F. G. H. I. J. K. L. M. N. O. P. Q. X.
Run- en oliemolen de Hoop/de Bakker (1658-1672, 1680-1866) Zaagmolen Clundert/Kleine Noordsche Boer (1700-1895) Oliemolen de Witte Arend/Willem de Eerste/de Wever (?-1832) (Getijden)volmolen Weeskinderendijk/Pelikaan (1628-1780, 1780-1928) Zaagmolen de Groote Noordsche Boer (1680-1867) Zaagmolen de Leeuw (1652-1868) Zaagmolen Oudemanhuis (1662-1886) Zaagmolen het Spinnewiel/de Vlasblom (1650-1854, 1854-1918) Zaagmolen de Kapraven (1699-1870) Oliemolen de Lattenzager (1717?-ca. 1870) Oliemolen de Valk of Uil (1658-1873) Oliemolen de Haan (1670-1811) Oliemolen den Anker/Sprokkelaar (1691-1887) Zaagmolen de Ruyter (1684-1900) Oliemolen de Zeelt (1688- 1922) Molen Kalkoen of Oranjeboom of Kalkoor (1684-1924) Trasmolen Oude Zager/Goede Verwachting (1666/1843 of 1857) Zaagmolen de Zwaan (1664-1849)
Een groot deel van de (funderings-)resten hiervan zal zijn verwijderd zijn of verstoord bij latere herinrichting van het gebied, met name tijdens de bouw van de woningen aan de Weeskinderendijk (noord en oost). Mogelijk kunnen op de Weeskinderendijk Boven direct onder het maaiveld nog wel intacte resten van bebouwing langs het Papegat aanwezig zijn. Direct ten noorden van de hoek Weeskinderendijk (noord) – Laan de Verenigde Naties lagen aan de ‘s Gravendeelsedijk (Laan der Verenigde Naties) drie steenovens. Deze staan op de kadastrale minuut van 1811-1832 met daaromheen drie steenplaatsen. De twee noordelijke steenovens zijn naar verwachting bij de aanleg van de Spoorweghaven opgeruimd.
37
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Van de zuidelijke steenoven kunnen nog resten in de bodem aanwezig zijn (afb. 25). Deze steenovens kunnen in oorsprong al dateren uit de vroege 17e eeuw en zelfs een voortzetting zijn van baksteenproductie in de periode van vóór 1421 in (de directe omgeving van) het ambacht Dubbeldam.
38
4. Doel en vraagstellingen Het hoofddoel van het veldwerk was het vaststellen of er bij graafwerkzaamheden mogelijk aanwezige, behoudenswaardige archeologische resten bedreigd of verstoord worden. Voor het veldwerk zijn in het PvA de volgende vraagstellingen geformuleerd30: Hoe is de algemene bodemopbouw in het onderzoeksgebied vanaf het huidige maaiveld tot in het Hollandveen Laagpakket of stroomgordelafzettingen van de Dubbel? - Wat is de aard van de verschillende afzettingspakketten en de relatieve ouderdom daarvan? Is het mogelijk om de startdatering van de Dubbelgeul te bepalen? En komt deze dat voort/of is gelijk aan de oudere Uitwijkse Stroomgordel in dit gebied? En is er dus sprake van verschillende fases van oeverwallen? - Wat is de ligging en oriëntatie van jongste (rest)geul en oeverzones van de Dubbel binnen het onderzoeksgebied? Specifiek; loopt deze geul vanuit het zuidoosten in noordwestelijke richting door via het Papegat of buigt deze ter hoogte van het Hugo de Grootplein af in westelijke richting, naar/via de N16? - Zijn er aanwijzingen voor de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden op de oeverwallen uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen en eventueel ook oudere bewoningssporen? Hierbij moet rekening gehouden worden dat er mogelijk sprake is van verschillende bewoningsniveaus in de oeverwalafzettingen met dieper gelegen mogelijke waarden
uit de periode IJzertijd-Romeinse periode en in de top waarden uit de Middeleeuwen. En zo ja, waar liggen deze en wat is de eventuele aard, ouderdom en de diepteligging? - Gerelateerd aan de vraag met betrekking tot de jongste, (rest)geul van de Dubbel; is de veronderstelde grens tussen aan-/afwezigheid van een zwarte, restgeulafzetting tussen de lijn Diepenbrockweg 116 en de Weeskinderendijk 181 toe te schrijven aan de middeleeuwse (13e-eeuwse) dam in de Dubbel? Deze dam zou dan aanwezig moeten zijn in het zuidwestelijke verlengde van de Weeskinderendijk Oostzijde. Dit is naar verwachting het verlengde van het dijktracé van de Groote Waard. De dam zou hier dan aanwezig zijn in deze bedijking en liggen tussen circa Weeskinderendijk 181 en de zuidelijkste huizen aan de Brandts Buysstraat nrs. 10 en 11. En zijn er aanwijzingen dat er in deze dam een sluis aanwezig was? - Is het dieper gelegen niveau van de Weeskinderendijk Oostzijde een restant van de bedijking van de 13e-eeuwse Groote Waard? En is het veronderstelde, zuidwestelijke verlengde ervan aanwezig op de lijn Weeskinderendijk 203 (hoek met Weeskinderendijk Boven) en de hoek Diepenbrockweg-Verhulststraat? Ter hoogte van de Weeskinderendijk Oostzijde zou deze dan mogelijk zijn voortgezet als 16e–17e–eeuwse bedijking van het Papegat.
Ten zuidwesten hiervan kunnen de oudere dijkophogingen zijn afgedekt door afzettingen van het Merwededek. Indien er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van de bedijking van de Groote Waard; zijn er materialen in het dijkpakket aanwezig die gebruikt kunnen worden voor een 14C-analyse? - Wat is gemiddeld de diepte van het recente, 20e–eeuwse verstoringsniveau van de bodem? En is op basis hiervan een inschatting te doen naar de mate van verstoring van de archeologische waarden/elementen uit de periode tussen de 16e–20e eeuw? - Worden de mogelijk aanwezige, archeologische waarden door de geplande bodemingrepen verstoord? En zo ja, is hierbij aan te geven in welke mate en waar dat plaats zal vinden?
30
Dorst 2022, PvA nr. 2022-1: Plan van Aanpak voor een verkennend, inventariserend archeologisch booronderzoek in het plangebied Maasterras, gemeente Dordrecht. Interne projectcode DDT 2022-1. Goedgekeurd d.d. 17-11-2021. Zie Archis OM nr. 5133029100.
39
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
40
5. Veldwerk 5.1 Methoden Het veldonderzoek is uitgevoerd tussen 19 april en 20 juni 2022. Er zijn in totaal 27 boringen gezet (afb. 26). Er is sterk afgeweken van het PvA voorgestelde boorplan. Dit was met name te wijten aan het feit dat op veel locaties sprake was van een sterk en diep verstoord bodemprofiel. Ook was op veel plaatsen sprake van ondoordringbare objecten in de bodem. Dit geldt vrijwel voor de gehele noordelijke helft van het plangebied; alles tussen de spoorlijn en de Weeskinderendijk Beneden. Dit is het gebied van de bedijkte balkhaven welke in latere perioden is dichtgeworpen, vermoedelijk met veel puin. Dit geldt ook voor de hier aanwezige Spoorweghaven. De laatste afwijking is dat er op de locatie van het woonwagencentrumkamp rondom de Brandts Buysstraat nog geen veldwerk kon worden gedaan; voor dit terrein is voorlopig nog geen betredingstoestemming afgegeven. In het advies is opgenomen dat dit deel in een later stadium nog zal moeten worden onderzocht. Aangezien juist op deze locatie mogelijk sprake kan zijn van een deel van de bedijking van de Grote Waard met daarin de dam (met sluis) in de Dubbel, kunnen enkele van de belangrijkste vragen van de gestelde vragen voor dit onderzoek nu nog niet beantwoord worden. Er zijn uiteindelijk 27 boringen gezet in twee raaien die haaks over de (verwachte) geul van de Dubbel lagen (afb. 26).
Op basis van de hiermee verwachte geologische gegevens is het, in relatie tot de te verwachten bodemingrepen wel mogelijk om toereikende adviezen te geven met betrekking tot eventueel uit te voeren nader onderzoek in het plangebied, uitgezonderd de locatie woonwagencentrumkamp Brandts Buysstraat. Het onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 en de BRL 4000, versie 4.1 (beide 2018). Alle boringen zijn opgemeten aan de hand van de bestaande bebouwing en de NAP-hoogtes zijn overgenomen van de AHN. De boringen zijn tot 1 m – mv voorgeboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Vervolgens zijn de boringen verdiept met een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn doorgezet tot in de top van het Hollandveen Laagpakket en/of tot in de (oudere en jongere) geul- en oeverwalafzettingen van de Dubbel tot 6 m – mv. De bodemlagen zijn beschreven conform de ASB en gedocumenteerd in het softwareprogramma Deborah. Na documentatie zijn de bodemlagen versneden en doorzocht op vondsten. Uit twee boringen zijn vondsten verzameld; een fragment aardewerk en een fragment hout (14C-monster).
41
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Afb. 26. De ligging van de boringen in het plangebied en de raaien van de bodemprofielen op basis van de raaien A-B en C-D (Dorst 2022, vakteam erfgoed).
5.2 Onderzoeksresultaten Als eerste zal de bodemopbouw worden besproken, gevolgd door de archeologische aspecten.
5.2.1 Bodemopbouw Hieronder volgt, van onder naar boven, een beschrijving van de negen bodemeenheden die zijn onderscheiden. In afbeelding 27 zijn de eenheden weergegeven in twee boorprofielen. De boorbeschrijvingen en -staten zijn weergegeven in bijlage 1.
42
Afb. 27. De geo-archeologische interpretatie van de bodemopbouw op basis van de profielraaien A-B en C-D. Voor de ligging hiervan, zie afbeelding 26. De in rood aangegeven boorstaten behoren tot andere, oudere booronderzoeken die in en direct aangrenzend het plangebied zijn gezet (Dorst 2021, vakteam erfgoed).
Klastisch pakket 1: oudere kom- en oeverafzettingen Dubbel De oudste, aangeboorde afzettingen bestaan uit (licht)grijze, sterk siltige tot licht zandige klei en (licht kleiig) zand met zand- en verspoelde veenlensjes. Ook zijn er enkele hout- en plantenresten en detritusvlekken in aanwezig. Het betreft een oudere stroomgordelafzetting
43
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
van de Dubbel en kan geïnterpreteerd worden als kom- en oeverafzettingen waarvan de onderzijde vermoedelijk een overgang naar een oudere geulfase van de Dubbel is. Afzettingen van de oudere Dubbelafzettingen zijn aangetroffen in de boringen 1, 20, 21 en 27; aan weerszijden van de jongste Dubbelgeul. Aan de zuidzijde van de jongste Dubbelgeul is de top onder het veen aanwezig tussen 2,64 en 3,4 m – NAP (resp. B21, op 2,8 m – mv en B1, op 3,51 m – mv). Aan de noordzijde van de jongste Dubbelgeul is de afzetting aanwezig onder een middeleeuws (vermoedelijk) ophogingspakket (antropogeen pakket A) op een diepte van 4,52 – NAP (8,5 m – mv). Aan de zuidzijde van de jongste Dubbelgeul is de top van deze afzetting op een vergelijkbare diepte aanwezig als de met veen overgroeide, oudere Dubbelafzettingen zoals die zijn aangetroffen op de locatie geluidsschermen N3/ Gezondheidspark-Middenzone (noordoever Dubbel).31 De top van de afzetting is daar door middel van 14C-analyses van het bovenliggende veenpakket gedateerd in de periode Midden Bronstijd-Vroege tot Midden IJzertijd. Deze datering geldt mogelijk ook voor de top van deze afzetting in het plangebied. De afzettingen van klastisch pakket 1 behoren tot de Formatie van Echteld. Organisch pakket 1: Hollandveen Laagpakket Op de bovengenoemde, oudere stroomgordelafzettingen van de Dubbel zijn veenafzettingen aanwezig.
Dit behoort tot de Formatie van Nieuwkoop; het Hollandveen Laagpakket. Deze veengroei dateert in oorsprong van vóór het ontstaan van de oudste geulfase van de Dubbel welke mogelijk al dateert uit de periode Neolithicum – Vroege Bronstijd (5300-1800 vóór Chr.). Echter, binnen het plangebied is het aangetroffen veen aanwezig op de oudere kom- en oeverwafzettingen van de Dubbel. Het hier aanwezige veen zal dateren uit de periode ná de Late Bronstijd- Midden IJzertijd. Het betreft een bruin, overwegend mineraalarm veen dat in enkele boringen licht tot zeer kleiig is. In het veen is sprake van wortelhout en bomen/ stronken. Het veen is aangetroffen in de boringen 1, 3, 15, 20 en 21; overal ten westen van de jongste Dubbelgeul en op de afzettingen van de oudere stroomgordel Uitwijk / oudere Dubbelgeul. De diepte waarop de top van het veen aanwezig is verschilt sterk en is afhankelijk van de aanwezigheid van onderliggende oudere stroomgordelafzettingen van de Dubbel. Op geen enkele locatie ten oosten van de Dubbelgeul kon in het plangebied tot in het veen geboord worden. Er is wel één boring aan de rand van het plangebied bekend uit een ouder boorproject waarin het veen is waargenomen (afb. 26, B35 (project DDT 1113). De (onverstoorde) top van het veenpakket ligt aan de westzijde van de jongste Dubbelgeul tussen circa 1,5 m – NAP (B20, 1,65 m - mv) en 2,8 m – NAP (B3, 3,7 m - mv).
Aan de oostzijde van de jongste Dubbelgeul ligt de top op 3 m – NAP (B35, project DDT 1113). In boringen 20 en 21 waar de veengroei op de oudere Dubbelstroomgordel ligt, heeft het veenpakket een dikte tussen 105 en 125 cm. Klastisch pakket 2: jongste geulafzetting Dubbel Klastisch pakket 2 bestaat uit licht-bruingrijze, licht zandige klei met zandlensjes en detritus. De afzetting is alleen aangetroffen in boring 19, waar de top aanwezig is op 1,43 m – NAP (2,5 m – mv). Deze afzetting is vergelijkbaar met een afzetting die is aangetroffen in een oudere boring in het plangebied (afb. 26 en 27, B10, DDT 1809).32 Deze afzetting betreft waarschijnlijk de jongste geulfase van de Dubbel tot circa 1421-1430 en kan gerekend worden tot de Formatie van Echteld. De jongste (actieve) geulafzetting van de Dubbel is hier enigszins afwijkend ten opzichte van zoals deze in het overgrote deel binnen Dordrecht bekend is; het is gelaagder en er lijkt geen sprake te zijn van een duidelijk en sterk afgenomen stroomsnelheid (zwarte detritusrestgeulfase) in de top. Dit is mogelijk te verklaren door het feit dat de locatie van B19 vermoedelijk buitendijks / buitenwater van de dam ligt.
Boring 10 uit project DDT 1809 zou wel aan de binnenzijde moeten liggen, maar kent een vergelijkbare afzetting; dit is mogelijk te wijten aan de aanname dat het hier direct achter de veronderstelde dam met sluis zou liggen.
31 32
44
Dorst 2022, gemeentelijke projectcode DDT 2021-7. Hier aanwezig tussen 2,81 en 3,36 m – NAP. Dorst 2018a. Archis zaaknummer 4612304100.
Klastisch pakket 3: jongste komafzetting Dubbel Klastisch pakket 3 bestaat uit licht tot donkerbruine matig siltige klei met wat detritusresten; het is een komafzetting die behoort tot de jongste Dubbelgeul. De afzetting is aangetroffen in de boring 1, 3 en 21; alle aan de westzijde van de jongste Dubbelgeul. Aan de oostzijde van de Dubbel is de top van de jongste komklei bekend uit het booronderzoek DDT 1113 (afb. 26 en 27, B35).33 De afzetting behoort tot de Formatie van Echteld. De afzetting is aanwezig op het Hollandveen Laagpakket en de top is overal in lichte mate geërodeerd door het water van het Bergsche Veld (ca. 1425-1560, klastisch pakket 4). De top is ten westen van de jongste Dubbelgeul aanwezig tussen 1,54 m – NAP (1,7 m – mv, B21) en 2,94 m – NAP (3,05 m – mv, B1). De top ten oosten van de jongste Dubbelgeul is aanwezig op 2,9 m – NAP (4,75 m – mv, B35, project DDT 1113), maar wel vergraven; hier is in de top sprake van een, vermoedelijk laatmiddeleeuwse sloot.34 De (oorspronkelijke) top van deze afzetting was in ieder geval vanaf de start van de middeleeuwse ontginningen tot circa 1421-1430 het leef-/loopniveau. Antropo-klastische pakket A: mogelijk antropogene ophogingen of verspoeld, natuurlijk pakket? In boring 27 is diepgelegen een moeilijk te interpreteren pakket uit de periode vóór circa 1421-1430 aangetroffen.
Het betreft een rommelig en sterk heterogeen pakket dat bestaat uit verschillende lagen. De top ligt op 3,52 m – NAP (7,5 m – mv) en de onderzijde ligt op 4,52 m – NAP; de dikte is 100 cm. De afzetting is afgedekt door een 20 cm dik laagje scherp zand dat kan behoren tot het Merwededek. Dit is echter onzeker; gezien de grote diepte in vergelijking tot de rest van de afzettingen van het Merwededek, zou deze zandlaag ook nog kunnen behoren tot deze oude ophoging. Van onder naar boven bestaat dit pakket uit een laagje zwarte, siltige klei met daarop een fragment hout met een dikte van 4 cm. Dit is bemonsterd voor een 14C-analyse; vondstnummer 2 (afb. 27, boring 27, V2, afb. 28). Dit leverde een datering op in de periode Vroege-Midden IJzertijd, tussen 756-414 Cal.AD.35 Hierop lag een laagje donkergrijze, siltige klei met daarop een laagje, licht-bruingrijs, licht kleiig zand met houtskool en rode keramiekfragmentjes. Hierop was een laag rode (vergane) keramiek, mogelijk een plavuis? en daarop tenslotte een laag licht-bruingrijze, licht zandige klei met zandlensje met een brokje rode keramiek en leembrokjes. Het is niet geheel duidelijk hoe dit pakket gevormd is; het kan zijn dat het een (middeleeuws?) ophogingspakket is met klei waarin hout uit de IJzertijd aanwezig is.
Het is ook mogelijk dat dit onderste traject nog bij de natuurlijke, ongeroerde oeverwal hoort en dat het zandiger traject daarboven een jonger (middeleeuws) geul-/overstromingspakket is. Ook de aanwezige keramiek hierin is niet eenduidig te dateren, mede door de sterke mate van verwering. Het kan zowel bouwmateriaal als serviesgoed betreffen en ook de datering is onzeker. Aangezien het direct onder de ophogingen van de 16e – 17e-eeuwse bedijking van het balkengat Papegat (Weeskinderendijk oostzijde) gelegen is, wordt het pakket in ieder geval gedateerd in de periode van vóór circa 1421-1430.
33 34
Dorst & De Boer, 2012, Archis OZ-nummer 50007. Dorst & De Boer, 2012, Archis OZ-nummer 50007.
35
Palstra, 2022, Groningen University, CIO-analysenummer GrM 30445, vondstnr. 2.
45
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Afb. 28. Het diepergelegen deel van het bodempakket in boring 27 met geheel onderin de natuurlijke, oudere kom-/oeverafzetting van de Dubbel. Daarop het rommelige pakket antropo-klastisch pakket A waarvan de aard onduidelijk is. Onderin is de laag met het hout dat dateert uit de Vroege-Midden IJzertijd (V2, Dorst 2022, vakteam erfgoed).
Klastisch pakket 4: afzettingen van het Bergsche Veld, 1425/1430-1560/1603, het Merwededek Alle bovenstaande afzettingen zijn (licht erosief) afgedekt door een pakket (licht)grijs, kleiig zand/zandige klei met wat spoelhout, kleilensjes, detritusvlekken en zoetwaterschelpen. Het is een energierijke afzetting van het zoetwatergetijden-gebied het Bergsche Veld/de Biesbosch. Dit zoetwatergetijdengebied ontstond na het doorbreken van de Merwededijk tussen 1425/1426 en had hier mogelijk pas invloed ná 1430.36 Op basis van kaarten kan gesteld worden dat hier vanaf circa het derde kwart van de 16e eeuw (ca. 1560) waarschijnlijk al geen aanwas van het Merwededek meer plaatsvond en dat men rond deze periode al begonnen is met de herinrichting van het gebied als balkengathaven. De onderzijde van het Merwededek ligt in het plangebied tussen 1,4 en 2,6 m – NAP. Klastisch pakket 4 is de jongste afzetting van de Formatie van Echteld. Antropogeen pakket B: bedijking balkengat Kerckelant/Papegat, 1560/1603 – 19e eeuw In boring 27 is een dik pakket antropogene ophoging(en) aanwezig. Deze boring is gezet in de noordoosthoek van de Weeskinderendijk (afb. 26). Tussen 1,6 m en 7,3 m – mv is hier een pakket ophogingen aanwezig dat bestaat uit verschillende lagen licht tot donkerbruine klei met een mate van zandbijmenging.
Het pakket bevat zandbrokken, schelpresten, onduidelijke organische brokjes, mogelijke mortelresten, kiezel en (gerolde) fragmenten baksteen.
36
46
Van Heeren 2021. De einddatering 1430 is gebaseerd op de laatste bekende, historische vermelding van Dubbeldam.
Het pakket heeft een dikte van 570 cm, waarvan de top in de 20e eeuw is vergraven/recenter opgehoogd; de ophogingen zijn hier aanwezig vanaf 1,6 m – mv. Het ophogingspakket is gelegen op het 20 cm dikke zandlaagje dat op het onduidelijke pakket Antropo-klastisch pakket A aanwezig is. Het is dus mogelijk dat deze mogelijke oude bedijking van de Groote Waard dus vrijwel droog lag ten tijde dat de bedijking van het balkengat is aangelegd. Het is niet geheel duidelijk wat de fasering van dit ophogingspakket is; vermoedelijk zal het diepergelegen, grootste deel in één aanlegfase zijn opgebracht in de periode laatste kwart 16e en eerste kwart 17e eeuw. Klastisch pakket 5: water kil/uitwateringswetering Dubbeldamse polder, 16e – 19e eeuw In boring 26 is onder het 20e-eeuwse, verstoorde pakket vanaf een diepte van 1,62 m – mv (2,3 m – NAP) een afzettingspakket aanwezig dat bovenin bestaat uit licht-bruin(grijze), siltige klei met zandlensjes en detritus en onderin uit grijs, kleiig zand. Op een diepte van 4,5 m – mv (1,17 m – NAP) is de boring gestaakt op iets ondoordringbaars. Vermoedelijk is hier de kil/uitwateringswetering van de Dubbeldamse polder aanwezig (zie afb. 12). Deze watergang is te dateren in de periode 16e – 19e eeuw en de afzettingen kunnen gerekend worden tot de Formatie van Echteld.
Antropogeen pakket C: opgebracht/verstoord 20e eeuw In alle boringen bestaat het jongste bodempakket uit recente ophogingen of verstoringen. Het varieert hier van recent opgebracht straatzand met een (minimale) dikte van 60 cm (B21) tot diepe verstoringen tot wel 520 cm (B12). Met name in de hoek tussen de Hugo de Grootlaan, Diepenbrockweg en de A16 (boringen 2-13) is sprake van een diepe verstoring. Wat hiervan de oorzaak is, is onduidelijk. Wel is duidelijk dat hierdoor het oude, pre-1421 landschap met mogelijke ophogingen (dijk?) en mogelijke bewoning verstoord is. In één van de boringen (B9) is dieper gelegen een vergraven kluit, mogelijke ophoging aangeboord op een diepte van 2,55 m – mv met daarin een fragment aardewerk (V1). Het gaat om een fragmentje grijsbakkend aardewerk dat zal dateren uit de periode van vóór circa het begin van de 15e eeuw. Dit geeft aan dat op deze locatie mogelijk sprake is van een verstoorde leeflaag of ophoging (dijk Groote Waard/woonheuvel?) uit de periode van vóór 1421.
Afb. 29. Het fragment grijsbakkend aardewerk (V2) uit een kluit vergraven (mogelijke) ophoging uit boring 9 (Dorst 2022, vakteam erfgoed).
47
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
5.2.2 Archeologie Zoals hierboven al zijn alleen in de boringen 26 en 27 (vermoedelijke) intacte, archeologische resten aangeboord. Het gaat in boring 27 om een rommelig bodempakket uit de periode van vóór de St. Elisabethsvloeden van 1421-1424 (antropo-klastisch pakket A, afb. 30). De top hiervan ligt op 3,52 m – NAP (7,5 m – mv) en de onderzijde ligt op 4,52 m – NAP; de dikte is 100 cm. Dit pakket kan een antropogeen ophogingspakket zijn, maar het is ook mogelijk dat het een natuurlijke afzetting betreft. Dit blijft op basis van één waarneming onduidelijk. Ook op basis van de vondsten in dit pakket is het niet duidelijk; er zitten ondateerbare fragmentjes rode keramiek in, maar ook een fragment hout dat gedateerd is in de periode Vroege-Midden IJzertijd. Van de afzetting is alleen zeker dat het dateert uit de periode van vóór 1421-1430, maar de juiste datering en de aard van de afzetting zijn niet duidelijk. Het is mogelijk dat het te relateren is aan de bedijking van de Groote Waard, maar dit is voor nu zeer speculatief. Hierop is een dun laagje zand aanwezig; mogelijk een minimale afzetting die behoort tot het Bergsche Veld; het zoetwatergetijdengebied dat ontstond ná de ondergang van de Groote Waard vanaf 1425-1426. Hierop is een dik pakket jongere ophogingen aanwezig welke zal behoren tot de bedijking van het balkengat Kerckelant/Papegat, nu Weeskinderendijk.
Deze dijkophogingen dateren vanaf de late 16e en begin 17e eeuw tot in de 19e eeuw en hebben een dikte van 570 cm. De verstoorde top hiervan is waargenomen onder het 20e-eeuwse straatzandpakket op 1,6 m – mv (2,36 m + NAP), maar dit kan elders ook hoger gelegen nog intact(er) aanwezig zijn. In boring 26 is een afzetting gevonden die vermoedelijk de opvulling is van de kil/ uitwateringswetering van de Oud Dubbeldamse polder (klastisch pakket 5, afb. 30). De top hiervan is aanwezig vanaf een diepte van 1,62 m – mv /(1,70 (2,3 m +– NAP)) en reikt tenminste tot 4,5 m – mv (/ (1,17 m – NAP)), waarop de boring is gestaakt op iets ondoordringbaars. Deze watergang zal (in de gekanaliseerde aanpassing van de natuurlijke kil) dateren uit de periode 16e – 19e eeuw.
48
Afb. 30. Een overzicht van de geo-archeologische resultaten van het booronderzoek. De boringen in het deel van het woonwagencentrumkamp rondom de Brandts Buysstraat (geel) zijn nog niet uitgevoerd (Dorst 2022, vakteam erfgoed).
49
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
50
6. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen Tussen januari en oktober 2022 is voor het plangebied Maasterras; Weeskinderendijk en omgeving in de gemeente Dordrecht een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. In totaal zijn er 27 boringen gezet. Ten aanzien van de, in het PvA geformuleerde vraagstellingen is het volgende geconstateerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat het deel rondom de Brandts Buysstraat nog niet onderzocht kon worden. Aangezien hier mogelijk sprake is van een deel van de bedijking van de Groote Waard en mogelijk de dam en sluis in de Dubbel, kunnen enkele (delen) van de onderzoeksvragen nog niet beantwoord worden. -
Hoe is de algemene bodemopbouw in het onderzoeksgebied vanaf het huidige maaiveld tot in het Hollandveen Laagpakket of stroomgordelafzettingen van de Dubbel?
-
Wat is de aard van de verschillende afzettingspakketten en de relatieve ouderdom daarvan? Is het mogelijk om de startdatering van de Dubbelgeul te bepalen? En komt deze voort/of is gelijk aan de oudere Uitwijkse Stroomgordel in dit gebied? En is er dus sprake van verschillende fases van oeverwallen?
-
Wat is de ligging en oriëntatie van jongste (rest)geul en oeverzones van de Dubbel binnen het onderzoeksgebied? Specifiek; loopt deze geul vanuit het zuidoosten in noordwestelijke richting door via het Papegat of buigt deze ter hoogte van het Hugo de Grootplein af in westelijke richting, naar/via de N16?
-
Zijn er aanwijzingen voor de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden op de oeverwallen uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen en eventueel ook oudere bewoningssporen? Hierbij moet rekening gehouden worden dat er mogelijk sprake is van verschillende bewoningsniveaus in de oeverwalafzettingen met dieper gelegen mogelijke waarden uit de periode IJzertijd-Romeinse periode en in de top waarden uit de Middeleeuwen. En zo ja, waar liggen deze en wat is de eventueleaard, ouderdom en de diepteligging?
-
Gerelateerd aan de vraag met betrekking tot de jongste, (rest)geul van de Dubbel; is de veronderstelde grens tussen aan-/afwezigheid van een zwarte, restgeulafzetting tussen de lijn Diepenbrockweg 116 en de Weeskinderendijk 181 toe te schrijven aan de middeleeuwse (13e-eeuwse) dam met sluis in de Dubbel? Deze dam zou dan aanwezig moeten zijn in het zuidwestelijke verlengde van de Weeskinderendijk Oostzijde. Dit is naar verwachting het verlengde van het dijktracé van de Groote Waard. De dam zou hier dan aanwezig zijn in deze bedijking en liggen tussen circa Weeskinderendijk 181 en de zuidelijkste huizen aan de Brandts Buysstraat nrs. 10 en 11.
-
Is het dieper gelegen niveau van de Weeskinderendijk Oostzijde een restant van de bedijking van de 13e-eeuwse Groote Waard? En is het veronderstelde, zuidwestelijke verlengde ervan aanwezig op de lijn Weeskinderendijk 203 (hoek met Weeskinderen dijk Boven) en de hoek Diepenbrockweg-Verhulststraat? Ter hoogte van de Weeskinde rendijk Oostzijde zou deze dan mogelijk zijn voortgezet als 16e–17e–eeuwse bedijking van het Papegat. Ten zuidwesten hiervan kunnen de oudere dijkophogingen zijn afgedekt door afzettingen van het Merwededek. Indien er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van de bedijking van de Groote Waard; zijn er materialen in het dijkpakket aanwezig die gebruikt kunnen worden voor een 14C-analyse?
-
Wat is gemiddeld de diepte van het recente, 20e–eeuwse verstoringsniveau van de bodem? En is op basis hiervan een inschatting te doen naar de mate van verstoring van de archeologische waarden/elementen uit de periode tussen de 16e–20e eeuw?
51
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
- Worden de mogelijk aanwezige, archeologische waarden door de geplande bodemingrepen verstoord? En zo ja, is hierbij aan te geven in welke mate en waar dat plaats zal vinden?
Samenvatting Geologie en (mogelijke) archeologische waarden uit de periode vóór 1421-1430 Dieper gelegen is in het plangebied sprake van een veengebied waarin zich op een gegeven moment de rivier de Dubbel heeft ingesneden. Aan weerszijden van de jongste Dubbelgeul is sprake van oudere stroomgordelafzettingen van de Dubbel (afb. 30). Dit is echter voor het noordelijk deel van het plangebied (vrij) onzeker; ten noorden van de Weeskinderendijk Beneden konden vrijwel geen boringen gezet worden door ondoordringbare (puin)lagen; vermoedelijke dempingen van de balkengaten binnen het Papegat en de Spoorweghaven. Echter, op basis van de gegevens van oudere, omliggende booronderzoeken en de nu uitgevoerde boringen kan aangenomen worden dat vrijwel binnen het hele plangebied diepergelegen sprake zal/kan zijn van stroomgordelafzettingen van de oudere fases van de Dubbel. Deze oudste Dubbelgeul kan dateren uit de periode Neolithicum – Vroege Bronstijd (5300-1800 vóór Chr.).37 Aan weerszijde van de jongste Dubbelgeul zijn dus ook kom- en oeverzone-afzettingen van deze oudere Dubbelgeul aanwezig. Deze afzettingen zijn afgedekt door een jongere fase van veengroei van het Hollandveen Laagpakket. Aan de westzijde van de jongste Dubbelgeul (het zuidelijke deel van het plangebied tussen lijn B1 en B19) is de top onder het veen aanwezig tussen 2,64 en 3,4 m – NAP (resp.
2,8 m – mv en 3,51 m – mv). Een goede waarneming van de diepteligging van deze afzettingen in het gebied ten oosten van de jongste Dubbelgeul is niet verkregen. De top van deze afzettingen zijn elders in Dordrecht door middel van 14C-analyses van het bovenliggende veenpakket gedateerd in de periode Midden Bronstijd-Vroege tot Midden IJzertijd.38 In/op de top hiervan kan dus sprake zijn van bewoning gedurende deze perioden. In de periode vanaf circa de IJzertijd legde de Dubbelgeul zich vast binnen het tracé zoals dit in afbeelding 30 is weergegeven. Er lijkt aan de zuidzijde sprake van een lichte buitenbocht; de geulinsnijding/-restant lijkt hier vrij scherp in het jongere komklei-op-veen op oudere stroomgordelafzettingen aanwezig te zijn. Deze jongste Dubbelgeul had een breedte van circa 240 meter. Dit was ook de geulsituatie die men ten tijde van de laatmiddeleeuwse ontginningen eind 10e - begin 11e eeuw zal hebben aangetroffen. De dijkgrens van de 13e -eeuwse Groote Waard is vermoedelijk ook in het plangebied aanwezig. Het gaat hier om de bedijking hiervan. Naar verwachting liep deze vanuit de stad via de Prinsenstraat-Hoge Bakstraat via het oostelijke deel van de Weeskinderendijk verder in zuidelijke richting.
In één boring in dit deel van de Weeskinderendijk is diepergelegen sprake van een rommelige afzetting die mogelijk deel uit kan maken van een antropogeen ophogingspakket. Echter, het kan ook een natuurlijke afzetting met verspoeld materiaal zijn. Het belangrijkste deel van het plangebied waar deze bedijking zou kunnen worden waargenomen - (rondom de Brandts Buysstraat -), kon echter niet worden onderzocht. Het gebied ten zuiden hiervan blijkt tot grote diepte verstoord. Hiervan kan echter wel gesteld worden dat er sprake was van vermoedelijke ophogingensgrond/leeflaag uit deze periode; hierin is een scherf grijsbakkend aardewerk gevonden. Een andere aanwijzing dat hier sprake is/kan zijn van een leeflaag uit de periode van vóór 1421 is gebaseerd op een booronderzoek in de Diepenbrockweg, die de zuidgrens van het plangebied vormt. Tijdens dit onderzoek is het westelijk deel van deze straat geïnterpreteerd als een zone met waar sprake is van een brede oeverzone met aanwijzingen vooran menselijke activiteit. Echter, op basis van dit onderzoek kan dit gebied mogelijk ook als een bewonings-/activiteitenzone gerelateerd aan de bedijking van de Groote Waard worden geïnterpreteerd.
52
37
Dorst 2022, gemeentelijke projectcode DDT 2021-7. Op de locatie geluidschermen N3Gezondheidspark is de oudste fase van de Dubbelgeul door middel van 14C-dateringen geïnterpreteerd gedateerd in de periode Neolithicum – Vroege Bronstijd (5300-1800 vóór Chr.).
38
Dorst 2022, gemeentelijke projectcode DDT 2021-7. Hier aanwezig tussen 2,81 en 3,36 m – NAP.
Veel zekerheid met betrekking tot de bedijking van de Groote Waard is er op basis van het nu (incompleet) uitgevoerde onderzoek nog niet verkregen. Er kan alleen gesteld worden dat er een mogelijk ophogingspakket uit de periode van vóór 1421 aanwezig is onder de jongere (16e- 19e-eeuwse) bedijking van het oostelijke deel van de Weeskinderendijk. Dit pakket is hier aangetroffen op 3,52 m – NAP (7,5 m – mv) en de onderzijde ligt op 4,52 m – NAP; de dikte is 100 cm. Hierbij moet wel rekening gehouden worden dat hier mogelijk een lagergelegen deel van deze oudere ophogingen (dijk Groote Waard?) kan zijn gevonden. Elders onder de bedijking van de Weeskinderendijk (oostzijde) kan dit hoger gelegen aanwezig zijn. Als hier de bedijking van de Groote Waard aanwezig is, dan is de kans groot dat op de locatie van het woonwagencentrum aan de Brandts Buysstraat sprake is van een dam met sluis, aangezien hier de bedijking dan de geul van de Dubbel zal kruisen. Echter, dit deel is nog niet onderzocht en hierover kunnen op dit moment nog geen concrete uitspraken gedaan worden. Archeologische waarden uit de periode 1560/1603 – 19e eeuw Gedurende de periode 1560-1603 wordt het gebied dat, na het verloren gaan van de Groote Waard, weer ingepolderd en in gebruik genomen.
De historisch-archeologische waarden uit deze periode zijn grotendeels te herleiden uitvan de verschillende kaarten en beschrijvingen van het gebied. Voor wat betreft het plangebied gaat het hier met name om het noordelijk deel; vanaf de spoorlijn tot aan de Weeskinderendijk Beneden. Dit gebied is vanaf 15601603 ingericht als balkhaven; een rondom bedijkte zone met toegang tot het water van de Oude Maas waarbinnen verschillende balkengaten lagen. Deze werden gebruikt als opslag voor de vele bomen/hout dat via de Rijn met grote balkvlotten vanuit met name het Zwarte Woud werden aangevoerd. Op de bedijking rondom de balkhaven vestigden zich verschillende houtverwerkende industrieën waaronder met name houtzaagmolens. Aan het water langs de Oude Maas waren ook enkele steenplaatsen aanwezig. Aan de oostzijde van de huidige Dokweg lagen drie ovens waar bakstenen werden gebakken terwijl de velden rondom waarschijnlijk gebruikt werden als droogvelden (afb. 12). Naast deze vroeg-industriële complexen zijn er verder nog bedijkingen aanwezig van de Oud Dubbeldamse Polder en de polders De Mijl en Zuidpolder (afb. 10). Ten slotte is er nog sprake van de een tot uitwateringsslootwetering omgevormde Boerenkil. Deze is aanwezig aan de noordzijde van het noordelijke deel van de Weeskinderendijk (afb. 12 en 30).
Ter hoogte van het kruispunt Weeskinderendijk-Dokweg-Laan der Verenigde Naties kunnen hierin de resten van de uitwateringssluis van de vroeg 17e-eeuwse polder Oude Dubbeldam aanwezig zijn. Uit dit booronderzoek is gebleken dat er op veel locaties wel sprake is van (diepe) verstoringen die zijn veroorzaakt door bodemingrepen in de 19e en 20e eeuw. Alhoewel er niet veel boringen op/in de bedijking zelf zijn gezet, kan gezien de aanwezige (latere) bebouwing gesteld worden dat aanwezige, oudere funderingsresten hier dieper liggen dan 1 m – mv. De te verwachten historisch-archeologische elementen uit de periode 1560/1603 – 19e eeuw zijn weergegeven in afbeelding 12. Van een aantal hiervan is vrijwel zeker dat ze geheel of grotendeels al zijn verdwenen door latere vergravingen. In afbeelding 31 is een overzicht gegeven van de (geplotte) RD-coördinaten van de mogelijk nog aanwezige resten van de verschillende industriële elementen op en aan de bedijking van het Papegat/ (Weeskinderendijk) en Oud Dubbeldamse Polder (Dokweg). De locaties van de bedijkingen, de balkhaven Kerckelant/Papegat en de uitwateringsslootwetering uit de periode 1560-1603 zijn hierin niet opgenomen; voor de locaties hiervan zie afbeelding 25.
Voor wat betreft deze cultuur-landschappelijke elementen kan de hele bedijking met balkenhaven, de ring Weeskinderendijk met de daarbinnen gelegen, lagere balkenhaven ook aangemerkt worden als een behoudenswaardige, historische structuur welke in grote lijnen nog dateert uit de periode 1560-1603.
53
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Afb. 31. Een overzicht van de locaties van verschillende historisch-archeologische elementen uit de periode 1603-19e eeuw waarvan mogelijk nog resten in de ondergrond aanwezig kunnen zijn. De locaties hiervan zijn bepaald door middel van het plotten van de kadastrale minuut van 1832 op de huidige topografische kaart. De opgegeven coördinaten zijn dus bij benadering. De locaties van de bedijkingen, de balkhaven en uitwateringswetering uit de periode 1560-1603 zijn hierin niet opgenomen; voor de locaties hiervan zie afbeelding 25 (Dorst 2022, vakteam erfgoed).
Conclusies De kans dat er bij de voorgenomen herinrichting en bijbehorende graafwerkzaamheden behoudenswaardige historisch-archeologische waarden verstoord zullen worden, is groot. Uit de periode van vóór de late 10e eeuw tot 1421-1430 gaat het om eventueel aanwezige bewoningssporen op de beide oevers van de Dubbel. Op/in de dieper gelegen, oudere oeverafzettingen kunnen bewoningssporen aanwezig zijn uit de periode Midden BronstijdVroege tot Midden IJzertijd. Op/in de top van de jongere Dubbel oeverzoneafzettingen kunnen bewoningssporen aanwezig zijn uit de periode Vroege/Midden IJzertijd – Vroege Middeleeuwen. In de boringen zijn hiervoor echter geen directe aanwijzingen gevonden. Voor wat betreft de middeleeuwse periode vanaf de start van de Grote Ontginningen vanaf de late 10e – begin 11e eeuw is dit waarschijnlijk wel het geval. Binnen het plangebied is mogelijk sprake van een deel van de 13e-eeuwse bedijking van de Groote Waard. Deze kan aanwezig zijn onder het gehele oostelijke deel van de Weeskinderendijk. Het noordelijke verlengde liep via het parkeerterrein onder het spoor door naar de Hoge Bakstraat-Sluisweg-Prinsenstraat. Het zuidelijke verlengde liep waarschijnlijk via het woonwagencentrum aan de Brandts Buysstraat. De bedijking van de Groote Waard kan hier aanwezig zijn als een dam met sluis aangezien het hier de (geul van de) rivier de Dubbel kruiste.
Dit deel van het plangebied was echter niet toegankelijk en moet daarom in een later stadium zeker nog worden onderzocht. Ook voor wat betreft de bedijking van de Groote Waard is er door het booronderzoek geen zekerheid verkregen dat deze onder het westelijk, noord-zuid georiënteerde deel van de Weeskinderendijk aanwezig is. Indien dit zo is, dan zal deze vermoedelijk liggen onder de hier nu aanwezige huizen. Uit de post-middeleeuwse periode is in het noordelijk deel de nu nog aanwezige en herkenbare, vroeg-industriële structuur van de bedijkte balkhaven uit de periode 1560-1603 aanwezig. Hieraan en -op kunnen in de ondergrond nog resten aanwezig zijn van bedijkingen, een wetering/kil met sluis/sluizen, verschillende molens en bijbehorende industriële bebouwing en een baksteenoven. Aanbevelingen Ten aanzien van de te verwachten archeologische waarden in de ondergrond zijn de volgende aanbevelingen met betrekking tot nader onderzoek opgesteld. In afbeelding 32 zijn de verschillende advieszones met de daarbinnen te verwachten archeologische waarden verbeeld.
54
Afb. 32. Een overzicht van de vijf verschillende advieszones waar bij een bepaalde bodemverstoring een nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd. Voor advieszone 4 zijn in rood de locaties van de molens weergegeven (Dorst 2022, vakteam erfgoed).
Advieszone 1: booronderzoek middeleeuwse dam, sluis en bebouwing Dubbeldam 1280-1421/1430 Dit is het deel van het plangebied dat nog niet toegankelijk was voor onderzoek; het woonwagencentrum rondom de Brandts Buysstraat. Gezien de hoge verwachting op de mogelijke aanwezigheid van een middeleeuwse dam met sluis in de rivier de Dubbel, wordt geadviseerd hier nog zeker het al eerder verplicht gestelde inventariserende booronderzoek uit te voeren.
55
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Hiervoor kunnen de geplande boringen en vraagstellingen met betrekking tot deze dam uit het Plan van Aanpak van dit huidige onderzoek worden aangehouden. Afhankelijk van de resultaten hiervan, kan hier mogelijk sprake zijn van noodzakelijk nader archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving. Advieszone 2: proefsleufonderzoek of opgraving prehistorische bewoningssporen op oevers Dubbel Dit betreft de zones ten zuiden en noorden van de jongste Dubbelgeul. Hier is, onder een pakket Hollandveen afzettingen sprake van oudere oeverzones van een oudere Dubbelgeul. Deze oudere oeverzone-afzettingen zijn aanwezig vanaf 2,6 m – NAP. Hierop en -in kunnen bewoningssporen aanwezig zijn uit de periode Midden Bronstijd-Vroege tot Midden IJzertijd. Er wordt aanbevolen om bij graafwerkzaamheden dieper dan 2,6 m – NAP een nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Afhankelijk van de grootte van het te verstoren deel en de mogelijkheden tijdens de herinrichting(splannen) kan dit bestaan uit een proefsleuvenonderzoek of opgraven conform archeologische begeleiding. Advieszone 3: booronderzoek en eventueel opgraving dijk van de Groote Waard 1280-1421/1430 Binnen deze zone kan, onder een jonger pakket antropogene dijkophogingen/mogelijk Merwededek sprake zijn van antropogene ophogingen uit de periode van vóór 1421-1430.
Hier is mogelijk sprake van een deel van de bedijking van de 13e-eeuwse Groote Waard en eventueel daaraan gelegen woonheuvels. Het gaat om het huidige, oostelijke (noordzuid georiënteerde) deel van de Weeskinderendijk. Dit was vermoedelijk de westelijkste bedijkingsgrens van de Groote Waard; het gebied ten westen hiervan zal gedurende de Late Middeleeuwen tot 1421-1430 buitendijks gebied zijn geweest. Alhoewel de top van een mogelijke ophoging uit de periode van vóór 1421 hier aangetroffen is op een diepte van 3,52 m – NAP (7,5 m – mv) kan het zijn dat het een lagergelegen voet is kan zijn van een dijk/woonheuvel. Elders kan de top hiervan hoger aanwezig zijn. Voor deze zone wordt geadviseerd om bij bodemingrepen dieper dan 0,7 m onder het huidige maaiveld/straatniveau een nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Bij sloop van de bestaande bebouwing hier dient dan eerst (vanaf onderzijde sloopniveau) een aanvullend booronderzoek naar de eventueel aanwezige middeleeuwse bedijking te worden uitgevoerd. Daarna kan, afhankelijk van de verstoringsdiepte die gepaard gaat met de geplande bouwwerkzaamheden eventueel nog een opgraving noodzakelijk zijn. Advieszone 4: opgraving industriële bebouwing Weeskinderendijk vanaf ca 1560 Deze zone betreft de bedijking van de balkhaven Kerckelant/Papegat en de Oud Dubbeldamse Polder uit de periode 1560-1603.
Hier zijn allerlei (vroeg) industriële elementen aanwezig uit de periode begin 17e – 19e eeuw. Het zal gaan om funderingen van molens en bijbehorende, andere industriële gebouwen en erfsporen. De mate van verstoring kan hier sterk verschillen. Bij deze zone dient gefocust te worden op de locaties van de verschillende molens. Voor de molenlocaties in deze zone wordt aanbevolen om bij bodemingrepen dieper dan 1 m – mv een nader archeologisch onderzoek uit te voeren door middel van een opgraving. Voor de algemene herinrichting van het gebied binnen de bedijking van de Weeskinderendijk wordt tevens aanbevolen om de huidige toestand van de hogergelegen ringdijk rond de daarbinnen aanwezige, lagere balkhavenzone indien mogelijk te behouden. Een dergelijk vroeg-industriëel landschappelijk cultuurelement uit de periode late 16e-vroege 17e eeuw is behoudenswaardig. Indien mogelijk dient alleen op en aan de dijk gebouwd te worden en de balkhaven vrijwel onbebouwd te worden gelaten in de herinrichtingsplannen. Advieszone 5: opgraving poldersluis, baksteenoven(s) en baksteenfundering vanaf ca 1560 Deze advieszone betreft drie specifieke elementen uit het cultuurlandschap vanaf 1560-1603. De eerste betreft de locatie van de uitwateringssluis van de Oud Dubbeldamse polder (afb. 32, advieszone 5, oranje). Deze wordt verwacht op het kruispunt Weeskinderendijk-DokwegLaan der Verenigde Naties.
Naar verwachting kunnen eventuele resten hiervan aanwezig zijn vanaf circa 1,6 m – mv. Direct ten noorden hiervan, langs of deels onder de huidige Dokweg kunnen resten aanwezig zijn van een baksteenoven uit de periode 19e eeuw of ouder (afb. 32, advieszone 5, paars). De derde locatie betreft de plek waar met bij de aanleg van de verkeersbrug naar Zwijndrecht in het verleden al eens een baksteenfundering is heeft
56
aangetroffen (afb. 32, advieszone 5, blauw). De aard en ouderdom hiervan zijn onduidelijk. Voor deze drie locaties binnen advieszone 5 wordt aanbevolen om bij bodemingrepen dieper dan 1,5 m – mv een nader archeologisch onderzoek uit te voeren door middel van een opgraving. De beslissing hierover wordt genomen na toetsing van dit rapport door de bevoegde overheid, de gemeente Dordrecht. Hierover dient contact opgenomen te worden met mevr. J. Hoevenberg, senior KNA-archeoloog van de gemeente Dordrecht, tel. (078) 770 4905. Voor vragen over de bevindingen en conclusies in dit rapport kan contact worden opgenomen met dhr. M.C. Dorst, senior KNA-archeoloog van de gemeente Dordrecht, tel. (078) 770 4904.
57
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
58
Bronnen Literatuur Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse Delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Boer, de G.H., M. Rietkerk, J.A. Schenk & B. Jansen, 2009: Stad en Slib. Het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht. Een archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het buitengebied en de historische stad. RAAP-rapport 1672. Borsboom, A.J., 2004: Plangebied Lebrethhof, gemeente Dordrecht; een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAP-notitie 637. Dorst, M.C. & A.V.A.J. Bosman, 2022: Vindplaats 1, Gezondheidspark West-Middenzone, gemeente Dordrecht. Een archeologische opgraving met bewoningssporen en vondsten uit de IJzertijd, Romeinse periode en Middeleeuwen. Dordrecht Ondergronds 145. Gemeente Dordrecht, vakteam erfgoed. Dorst, M.C., 2022: Geluidsschermen N3, Gezondheidspark-Middenzone, gemeente Dordrecht. Een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend, inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Dordrecht Ondergronds 139. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C., 2021: Plangebied Componistenbuurt-rioolvervanging, gemeente Dordrecht. Een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend, inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Dordrecht Ondergronds 106. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C., 2018a: Blok Weeskinderendijk Beneden, Vlietweg, Spieghelstraat.
Erasmuslaan, gemeente Dordrecht. Een archeologische kartering van de middeleeuwse Dubbel. Dordrecht Ondergronds 106. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C., 2018: Hoek Spieghelstraat - Vlietweg, gemeente Dordrecht. Een archeologisch onderzoek op de noordelijke oeverwal van de Dubbel met middeleeuwse bewoningssporen. Dordrecht Ondergronds 101. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C. & G.H. de Boer, 2014: HVC restwarmtetransportnet, gemeente Dordrecht. Een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Dordrecht Ondergronds 53. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C. & A.V.A.J. Bosman, 2013: Gemeente Dordrecht, plangebied Gezondheidspark, deellocaties Amnesty Internationalweg 7-9 en Karel Lotsyweg 21. Een archeologisch onderzoek. Dordrecht Ondergronds 17. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C. & G.H. de Boer, 2012: Gemeente Dordrecht en Zwijndrecht, plangebied Spoorzone. Een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Dordrecht Ondergronds 25. Gemeente Dordrecht. Dorst, M.C., 2011: Gemeente Dordrecht, plangebied Gezondheidspark, deellocaties Amnesty Internationalweg 7. Opgraving van een kerkhil met kerkhof uit de Late Middeleeuwen, vóór 1421. Dordrecht Ondergronds 6. Gemeente Dordrecht. Easton, C., 1917: Het Dordtse probleem, de vroegere loop der rivieren bij Dordrecht.
In: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 34, 1917, pag. 1 37. C.J.P. Grol & J. Zondervan-van Heck, 2008: Draaiende wieken, stappende paarden. Molens op het Eiland van Dordrecht. Jaarboek van de Vereniging Oud-Dordrecht, 2008.
59
plangebied Maasterras, Dordrecht Ondergronds 148
Heeren, H. van, 2021: Ondergang van de Groote Zuidhollandse Waard (2). Het noorden en oosten van de waard. In: Oud-Dordrecht, tijdschrift bam de historische vereniging oudDordrecht. 39e jaargang – 2021 nr. 2, pag. 116-126. Hos, T.H.L. & M.C. Dorst, 2010: Zonnen op Gods akker. Archeologisch onderzoek van een laatmiddeleeuws nederzettingsterrein. Gemeente Dordrecht, plangebied Gezondheidspark. Dordrecht Ondergronds 4. Gemeente Dordrecht, Bureau Monumentenzorg & Archeologie. Jong, H. ‘t, & Dorst, M.C., 2009: Een archiefonderzoek naar vermeldingen van nederzettingen in de Groote Waard van vóór 1421. Dordrecht Ondergronds Briefrapport 23. Gemeente Dordrecht, vakteam erfgoed. Raczynski-Henk, Y. & G.H. de Boer, 2007: Plangebied S.M. Hugo van Rijnweg, gemeente Dordrecht; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-rapport 1517. Schiereck, G.J., 2017: De Dordtse uitdaging. De vroegere loop van de rivieren bij Dordrecht. Tijdschrift voor Historische Geografie, 2e jaargang 2017, nummer 1. Vos, P.C., J. Bazelmans, H.J.T. Weerts en M.J. van der Meulen, 2011: Atlas van Nederland in het Holoceen, Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam. Kaart ook op: https://archeologieinnederland.nl/sites/default/files/map_attachments/ Paleogeografische%20kaart%20800nc.pdf Verantwoording afbeeldingen Afb. 1.
De ligging van het plangebied (rood) in de gemeente Dordrecht (Dorst 2022, vakteam erfgoed). Afb. 2. Het plan- en onderzoeksgebied in detail (Dorst 2022, vakteam erfgoed). Afb. 3. Linksboven: een globaal herinrichtingsplan voor het plangebied Maasterras met de verschillende deellocaties. Rechtsboven: het plangebied met aanduiding van de aard van de te bouwen elementen. Onder: een sfeerimpressie van de voorgestelde (geplande) herinrichting (concept-ontwikkelplan door Mecanoo; interne, gemeentelijke presentatie d.d. 7-10-2021). Afb. 4. Het onderzoeksgebied (blauwe kaderlijn) weergegeven op een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart (2009) van de gemeente Dordrecht. In groen is het jongere, laatmiddeleeuwse komklei-op-veenlandschap te zien. In roze is de verwachte breedte van de stroomgordel van de Dubbel weergegeven. De gestippelde rode zone geeft de maximale breedte van de oeverzone (kronkelwaardafzettingen) van de Dubbelstroomgordel aan. De afzettingen van de oudere stroomgordel Uitwijk / oudere geul Dubbel is aangegeven in paars/ blauw. De omkaderde rode vlakken betreffen in de tekst besproken, geo-archeologisch onderzochte locaties, onder vermelding van de gemeentelijke projectcode (De Boer et al., 2009, kaartbijlage 3, bewerkt door: Dorst 2022). Afb. 5.
Het onderzoeksgebied (rode kaderlijn) op de kadastrale kaart met daaromheen weergegeven de resultaten van verschillende archeologische onderzoeken in de omgeving. In blauwe lijnen is de jongste geul van de rivier de Dubbel tot 1421 te zien. Aan weerszijden daarvan een smalle oeverwal (groenen lijnen). Met paarse lijnen zijn de oudere geulafzettingen van de Uitwijk stroomgordel of oudere Dubbelfase weergegeven. In oranje lijnen zijn de archeologische onderzoekslocaties aangegeven op basis waarvan deze reconstructie is gemaakt (Dorst 2022, vakteam erfgoed). Afb. 6. Een geologisch bodemprofiel over de Dubbel-stroomgordel ter hoogte van de Frans Lebretlaan, vakteam erfgoed projectcode DDT 1202-5 (voor locatie, zie afb. 5). In het midden is de (rest)geul van de Dubbel te zien. Aan weerszijden de lage oeverzones. In het oosten zijn de afzettingen in de oeverzone hooggelegen door de aanwezigheid van een oudere geulfase in de ondergrond. In het westen is de lage oeverzone (vermoedelijk) tot een vergelijkbare
60
hoogte opgehoogd, door de aanleg van een dijk/kade/woonheuvel (uit: Dorst & De Boer 2014, afb. 16, bewerkt door Dorst 2022). Afb. 7. Een bodemprofiel over de westelijke oeverzone van de Dubbel-stroomgordel op de locatie van de Diepenbrockweg tussen de Willaertstraat (oost) en de Van Blanckenburgstraat (west). Anders dan aan de Frans Lebretlaan is de restgeulafzetting hier in de westzijde van de geul gelegen. In de top van de westelijke oeverwalafzettingen zijn twee antropogene ingravingen/ophogingen aanwezig (uit: Dorst 2021, afb. 12, bewerkt door Dorst 2022). Afb. 8. Een uitsnede van de zogenoemde “reuzenkaart” van (vermoedelijk) Cornelis Schilder uit 1540. Het betreft de periode waarop het buitengebied nog grotendeels onderwater stond; het zoetwatergetijdengebied ‘t Bergsche Veld. Daarnaast zijn hierop ook gereconstrueerde, pre-1421 zaken aangegeven zoals de ligging van rivieren en de locaties van ambachtskerken en -grenzen. In rood is bij benadering de locatie van het onderzoeksgebied aangegeven, ter hoogte van de Dubbeldam-schutting (RAD inventarisnr. 552_299001, bewerkt door Dorst 2022, vakteam erfgoed). Afb. 9. Links: het onderzoeksgebied (rood) bij benadering weergegeven op een kaart van Pieter Sluyter uit 1560 (NA, inventarisnr. 4.VTH-1895A, bewerkt door Dorst 2022, vakteam erfgoed).
Rechts: het onderzoeksgebied (blauw) weergegeven op een uitsnede van een kaart van Symon Jansz Indervelde en Daniel Schellincx uit 1611. Vermoedelijk net ten zuiden van het onderzoeksgebied was bebouwing aanwezig dat bekend stond onder de naam Nadorst. Afb. 10. Het onderzoeksgebied (rood) weergegeven op een kaart uit 1617-1619 van F. en J. Symonsz. van Jansz & Schellincx. De locatie ligt binnen de polders Oud Dubbeldamse polder (1603) en De Mijl (voor 1611?) of Zuidpolder (1617). Vermoedelijk bestaat het in eerste instantie (vrijwel) geheel uit onbebouwde landbouwgronden. In het uiterste zuidoostelijk deel is mogelijk nog een kreekrestant aanwezig (RAD inventarisnr. 552_300308, bewerkt door Dorst 2021, vakteam erfgoed). Afb. 11. Boven: vrijwel het gehele onderzoeksgebied (rood) weergegeven op een uitsnede van een kaart van Van Nispen (ná 1684 en vóór 1700, RAD inventarisnr. 552_308048, bewerkt door Dorst 2022, vakteam erfgoed).39 Onder: een tekening van het Papegat door landmeter Matthijs de Vries uit 1742 (RAD inventarisnr. 552_231594, bewerkt door Dorst 2022, vakteam erfgoed). Afb. 12. Het onderzoeksgebied (onderste deel bij benadering) weergegeven op de kadastrale minuut van 1811-1832.