240918 Artikelsgewijze toelichting Reglement van Orde gemeenteraad en commissies Dordrecht.pdf
Tekst van het document
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ 'REGLEMENT VAN ORDE VOOR VERGADERINGEN EN ANDERE WERKZAAMHEDEN VAN DE RAAD EN COMMISSIES GEMEENTE DORDRECHT' Enkel de artikelen die toelichting behoeven zijn opgenomen. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2. Elektronisch aanbieden In het verleden was het verplicht stukken schriftelijk aan te bieden aan de raads- en commissieleden. Gelet op de huidige stand van de techniek en wetgeving kan worden volstaan met het elektronisch aanbieden en publiceren van de stukken. Artikel 3. Het presidium Het presidium is een soort 'dagelijks bestuur' van de gemeenteraad en heeft een verantwoordelijkheid voor de praktische organisatie en het functioneren van de raad. Het presidium is via lid 8 van dit artikel door de raad gemandateerd hierover ook besluiten te nemen. Het presidium is een commissie o.g.v. artikel 84 van de Gemeentewet. Burgemeester en wethouders kunnen hier o.g.v. dit artikel geen lid van zijn. Daarom is de burgemeester, als voorzitter van de raad, geen lid van het presidium. De burgemeester kan wel voorzitter van het presidium zijn, zonder stemrecht. De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt.
De aanwezigheid van de gemeentesecretaris kan ook gewenst zijn, omdat de gemeentesecretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het zesde lid kan de gemeentesecretaris worden uitgenodigd. Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. Fractievoorzitters van afgesplitste fracties die tijdens een raadsperiode zijn ontstaan zijn geen lid van het presidium om het presidium qua samenstelling compact en slagvaardig te houden. Daarnaast moet afsplitsing niet worden 'beloond' met een plaats in het presidium. Artikel 4. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 van de Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het derde lid is daarover een bepaling opgenomen.
In verband met artikel 22 van de Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het vierde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Artikel 5. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Vooraf Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties.
De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.
Pagina 1/15
Eerste, tweede en derde lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Vierde lid Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Dit lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het procesverbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag.
Dit besluit is van belang om dat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn. Vijfde en zesde lid Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden.
De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. Artikel 6. Benoeming wethouders Vooraf Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Met de wetswijziging per 1 januari 2023 is in artikel 36a van de Gemeentewet toegevoegd dat een kandidaat-wethouder een VOG moet overleggen om benoemd te kunnen worden. Eerste en tweede lid Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de benoembaarheid in te stellen. Omdat de raad de wethouders benoemt is het instellen van deze commissie een bevoegdheid van de raad. De burgemeester heeft een verantwoordelijkheid voor de integriteit van het openbaar bestuur en het daaraan toetsen van de kandidaat-wethouders, maar mag volgens de Gemeentewet geen lid zijn van een door de raad ingestelde commissie.
Daarom is de rol van de burgemeester (en ook die van de griffier) het adviseren van de commissie Benoembaarheid wethouders. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.
Pagina 2/15
Derde en vierde lid Op verzoek van de Tweede Kamer bereidt het kabinet een wetsvoorstel voor om een risicoanalyse integriteit bij kandidaat-bestuurders verplicht te stellen. Zolang deze wettelijke verplichting er nog niet is is het goed dit in het RvO duidelijk te regelen met behulp van de Handleiding basisscan integriteit van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In lid 3 en 4 is vastgelegd wie de opdrachtgever voor een risicoanalyse is en hoe en met wie de uitkomsten van deze risicoanalyse worden gedeeld. De basis is dat de verantwoordelijkheid voor de risicoanalyse primair bij de raad ligt. De raad benoemt immers de wethouders. In de praktijk wordt, mede vanwege de burgemeesterstaak om de integriteit van het gemeentebestuur te bewaken en bevorderen, in veruit de meeste gevallen de burgemeester gemandateerd als opdrachtgever. Dat is in lid 3 ook als zodanig vastgelegd. Volgens genoemde handleiding is het van belang om af te wegen waarom iemand, naast de betrokken kandidaat, het rapport, de conclusies of een mondelinge terugkoppeling dient te ontvangen. Vanwege de grote hoeveelheid vertrouwelijke persoonlijke gegevens die wordt verzameld in een dergelijk rapport is gekozen voor een rapportage richting commissie en raad met enkel de conclusies. De burgemeester heeft als gemandateerde opdrachtgever sowieso zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse.
Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij, samen met de griffier, met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd. Artikel 7. Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In de Gemeentewet in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan.
Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee. Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het stembureau).
Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.
Pagina 3/15
Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook gebeuren. Tussentijds zal een nieuwe fractie enkel worden aangeduid als fractie met de naam van zijn fractievoorzitter. Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan hoofdstuk G van de Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze registratie geweigerd wordt.
HOOFDSTUK 2. DORTDSE DINSDAG - RAADSVERGADERINGEN Paragraaf 1. Voorbereiding raadsvergadering Artikel 8. Vergaderfrequentie- en tijden Per kalenderjaar wordt een schema vastgesteld door het presidium. Dit is leidend voor de data waarop raadsvergaderingen plaatsvinden. Dit schema is te raadplegen op de website van de gemeenteraad. Het presidium kan besluiten tot het bijvoorbeeld laten vervallen of verplaatsen van een raadsvergadering. De in lid 3 opgenomen vergadertijden- en locaties zijn bedoeld als handvat voor de raad en de voorzitter om de vergaderduur binnen de perken te houden. Dit ook ten behoeve van zorgvuldige besluitvorming door de raad. Artikel 9. Oproep en voorlopige agenda De raadscommissies adviseren de gemeenteraad over te behandelen onderwerpen. In eerste instantie bepalen de commissies of en hoe een voorstel op de agenda van de raadsvergadering komt. Op basis van de adviezen van de commissie stelt de griffier de voorlopige agenda van de raadsvergadering op die bij aanvang van de raadsvergadering door de raad wordt vastgesteld. Dordrecht kent dus geen agendacommissie. De rol wordt door de raadscommissie ingevuld. In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. De griffier is ervoor verantwoordelijk dit namens de voorzitter te verzorgen.
De schriftelijke oproep wordt niet per post verstuurd, maar op de website van de raad gepubliceerd. De raadsleden worden hiervan dan via email op de hoogte gebracht. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Artikel 10. Openbare kennisgeving vergaderingen Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In Dordrecht is de gebruikelijke wijze van publiceren, het aankondigen van de raadsvergadering (inclusief datum, aanvangstijd en plaats) op de website van de gemeenteraad. Artikel 11. Openbare publicatie van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet geeft ook aan dat de agenda en bijbehorende voorstellen ter inzage gelegd moeten worden op een aan te geven wijze. Alle stukken worden daarom gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden. Dat gebeurt sinds enige jaren niet langer meer fysiek op het Stadskantoor, maar alleen op elektronische wijze via de website van de gemeenteraad (digitaal raadsinformatiesysteem). Uitzondering hierop zijn de stukken waar geheimhouding op is gelegd.
Deze worden alleen gepubliceerd in de digitale vergaderapplicatie waarbij de toegang is beperkt tot collegeleden, raadsleden, burgerraadsleden en medewerkers van de griffie. De geheimhouding is met ingang van 1 april 2023 geregeld in een apart hoofdstuk van de Gemeentewet: hoofdstuk Va. Het begrip 'stukken' in het nieuwe hoofdstuk Va van de wet over geheimhouding verbreed naar 'informatie.' Conform de modelverordening van de VNG is deze verbreding ook doorgevoerd in het tweede lid
Pagina 4/15
Paragraaf 2. Ter raadsvergadering Artikel 12. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst. De presentielijst hoeft niet te worden ondertekend. De presentielijst is namelijk ook onderdeel van het verslag van de raadsvergadering en wordt als zodanig door de raad vastgesteld. Artikel 14. Voorzitter In artikel 9 van de Gemeentewet is vastgelegd dat de burgemeester voorzitter is van de gemeenteraad. Het kan voorkomen dat de burgemeester ziek is of om een andere reden is verhinderd en de raadsvergadering niet kan voorzitten. In artikel 77 van de Gemeentewet is opgenomen dat het voorzitterschap in dat geval wordt waargenomen door het langst zittende raadslid. De wet geeft aan dat de raad ook een ander raadslid kan belasten met de waarneming van het voorzitterschap. In Dordrecht wordt dit aan het begin van de raadsperiode geregeld door het bij raadsbesluit benoemen van één of meer plaatsvervangend voorzitters.
Als dat er meerdere zijn wordt ook vastgesteld wie de eerste en wie de tweede, derde enz. plaatsvervanger is. Artikel 16. Vaststellen agenda Zoals ook aangegeven in de toelichting op artikel 9 bepalen de raadscommissies hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Het derde lid heeft tot doel de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. In de leden 4 en 5 is aangegeven op welke wijze een voorstel tot het wijzigen van de agenda gedaan kan worden. Als een fractie bij de vaststelling van de agenda van een hamerstuk alsnog een bespreekstuk wil maken is daarvoor steun nodig van nog twee andere fracties. Als er geen steun van drie fracties is blijft het een hamerstuk waarbij overigens wel stemverklaringen afgegeven kunnen worden. Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing.
Voor het overige is artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing om tot het besluit over de voorgestelde wijziging te komen. Artikel 17. Intrekken raadsvoorstel Om allerlei redenen kan het college een raadsvoorstel dat op de raadsagenda staat van de agenda af willen hebben. Als het op de agenda staat is het een voorstel dat door het college aan de raad is aangeboden dus is het de raad die beslist over de behandeling. Het college kan dus niet eigenstandig een voorstel van de raadsagenda af halen. Het college kan daartoe wel een verzoek aan de raad doen. De raad zal uiteindelijk wel zelf moeten besluiten het voorstel in dat geval niet te behandelen, maar 'terug te geven' aan het college. Artikel 19. Volgorde sprekers De grootte van fracties bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen is het uitgangspunt bij de sprekersvolgorde. Als tijdens de raadsperiode door een afsplitsing een nieuwe fractie ontstaat, komt deze achteraan in de sprekersvolgorde, na alle fracties die bij de laatste verkiezingen een of meer zetels hebben gehaald. Als er meerdere afgesplitste fracties zijn geldt voor die fracties voor de volgorde het moment van afsplitsing. De fractie die als laatste is ontstaan komt ook achteraan in de sprekersvolgorde. Artikel 20.
Aantal spreektermijnen en spreektijden Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het elfde lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit.
Pagina 5/15
Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. . De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp. De in lid 13 onder b. genoemde rapporteur is bijvoorbeeld de rapporteur van de commissie "benoembaarheid wethouders" of de rapporteur van de zogenaamde geloofsbrievencommissie. Hiermee wordt geregeld dat dergelijke commissies één rapporteur kennen die het woord zal voeren namens deze commissie. Deze woordvoering telt niet mee in het aantal spreektermijnen. Na een experiment met spreektijden in de raadsvergadering besloot het Presidium op 26 september 2019 spreektijden definitief in te voeren. In principe bepaalt de commissie na afronding van de commissiebespreking de spreektijd voor de raadsvergadering. Dit is standaard 2 minuten in de 1e termijn, tenzij de commissie 5 minuten nodig acht. De raad kan dit bij aanvang van het agendapunt in de raadsvergadering altijd nog wijzigen. Een motie vreemd aan de orde van de dag en een interpellatiedebat komt niet vanuit een commissie naar de raad. In die gevallen geldt ook de standaard spreektijd van 2 minuten, waarbij de raad dit zelf kan wijzigen in 5 minuten. Artikel 21.
Deelname aan de beraadslaging door anderen De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede, lid van de Gemeentewet. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan ook bepalen dat de griffier, deelneemt aan de beraadslagingen. In verband met het in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde verschoningsrecht is deze mogelijkheid expliciet in artikel 21 van dit reglement opgenomen. Artikel 22. Voorstellen van orde Zowel de voorzitter als een raadslid kan een voorstel van orde voor de vergadering doen. Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een (lees)pauze. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden. Paragraaf 3. Stemmingen Artikel 23. Stemverklaring Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker.
De stemverklaringen worden gegeven vóór de stemming begint. In een stemverklaring kan bijvoorbeeld worden aangegeven dat een raadslid of en fractie wordt geacht tegen te hebben gestemd in het geval dat geen hoofdelijke stemming plaatsvindt (zie ook artikel 25 lid 2 RvO). Artikel 24. Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet. Artikel 25. Stemming Nadat de beraadslagingen zijn gesloten vraagt de voorzitter of iemand stemming verlangt. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Indien ook maar één lid te kennen geeft stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen.
Pagina 6/15
Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In Dordrecht wordt gebruik gemaakt van een elektronisch stemsysteem waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet. Daarmee is een elektronische stemming in wezen een hoofdelijke stemming. Het kan dat door bijvoorbeeld technische problemen een elektronische stemming niet mogelijk is. In dat geval wordt gestemd door handopsteking waarbij de fracties worden genoemd die voor en tegen zijn. Als elektronische stemmen niet mogelijk is kan een raadslid ook vragen om hoofdelijke stemming. Het verzoek van één raadslid daartoe is daarvoor al voldoende.
Bij een niet elektronische hoofdelijke stemming worden de namen van alle raadsleden een voor een opgenoemd waarna zij aangeven voor of tegen te zijn. Welk raadslid als eerst wordt opgeroepen zijn/haar stem uit te brengen gebeurt door loting. Artikel 26. Volgorde stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Ook als het voorstel zelf is verworpen, wordt er nog wel over ingediende moties gestemd. Een motie kan een oproep bevatten die, ook als een voorstel is verworpen, nog steeds relevant kan zijn. Het is altijd aan de indiener van een motie om de motie in te trekken als deze niet meer relevant is. Dat is niet aan de voorzitter van de raad. Artikel 27. Stemming over personen Eerste en tweede lid Het enige dat de Gemeentewet regelt is dat de raad de wethouders benoemt (artikel 35 Gemeentewet) en dat de stemming geheim moet zijn, omdat het om personen gaat (artikel 31 Gemeentewet).
Omdat de raad de procedure verder naar eigen inzicht kan vormgeven is de stemming over wethouders in het eerste lid van dit RvO-artikel apart beschreven. De keuze is beperkt tot voor of tegen een door een fractie voorgedragen kandidaat. Als de raad een andere dan de voorgedragen kandidaat wil benoemen moet hij dus tegen de voorgedragen kandidaat stemmen en een nieuwe voordracht afwachten. Daar komt wel bij dat, in het geval van een voor of tegen bij een voorgedragen kandidaat de kandidaat zelf raadslid is, hij/zij zelf niet mag meestemmen omdat hij/zij "behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken voor zover het geheim wordt gewaarborgd. Het huidige stemsysteem in Dordrecht heeft de mogelijkheid van geheim stemmen. Vierde lid Er is een stemming denkbaar waarbij de kandidaat of kandidaten niet vooraf vast staan. Er zijn geen kandidaten voorgesteld of voorgedragen; raadsleden kunnen elke willekeurige naam aandragen. In dat geval is sprake van een vrije stemming. Omdat elektronisch stemmen in dat geval niet mogelijk is vindt een dergelijke vrije stemming schriftelijk plaats.
Zij moeten dan de naam van hun voorkeur op een briefje schrijven. Artikel 28. Herstemming over personen bij beperkte keuze Eerste en tweede lid Als er wordt gestemd over personen waarbij de keuze is beperkt tot twee kandidaten of tot voor of tegen één voorgedragen persoon (bijvoorbeeld een kandidaat-wethouder) is het mogelijk dat de
Pagina 7/15
stemmen staken; er stemmen evenveel raadsleden voor en tegen, dan wel evenveel voor kandidaat 1 en voor kandidaat 2. Dat kan bijvoorbeeld doordat de raad ter vergadering niet compleet is en er een even aantal raadsleden stemt en/of doordat het raadslid waarover de stemming gaat zelf niet mag meestemmen (zie toelichting artikel 27 RvO). Artikel 31, tweede en derde lid, van de Gemeentewet geeft aan dat in dat geval een herstemming plaatsvindt in diezelfde raadsvergadering. Als de stemmen dan wederom staken beslist het lot. Derde, vierde en vijfde lid Als de keuze is beperkt tot voorgedragen kandidaten, maar er wel drie of meer kandidaten zijn, is het denkbaar dat in de eerste stemronde geen van de kandidaten de benodigde volstrekte meerderheid haalt (de helft plus één). Ook dan vindt in dezelfde raadsvergadering een herstemming plaats. Als dan wederom geen van de kandidaten de volstrekte meerderheid haalt vindt een derde stemronde plaats tussen de twee kandidaten die in de vorige ronde de meeste stemmen hebben gehaald. Als dan de stemmen staken beslist het lot. Artikel 29. Herstemming over personen bij vrije keuze Bij een vrije stemming kunnen raadsleden stemmen op elke willekeurige persoon. Als bij een eerste stemronde geen enkele persoon de volstrekte meerderheid haalt (de helft plus één) vindt een tweede stemming plaats.
Als dan nog steeds geen enkele persoon de volstrekte meerderheid heeft gehaald vindt een derde stemming plaats tussen de 2 personen die in de tweede ronde de meeste stemmen hebben gehaald. Paragraaf 4. Verslaglegging raadsvergadering Artikel 31. Verslag Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet). In Dordrecht wordt nog wel een woordelijk verslag van de raadsvergaderingen gemaakt, gepubliceerd en door de raad vastgesteld. In artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de raad de besluitenlijst op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar maakt. De gebruikelijke wijze in Dordrecht is dat de besluiten bij het betreffende raadsvoorstel of agendapunt in het raadsinformatiesysteem worden gepubliceerd. Door vaststelling van het verslag van de raadsvergadering wordt de formulering van de besluiten ook door de raad goedgekeurd. Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen Artikel 32. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren.
Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt. Artikel 33. Verslag besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering. Op het in een besloten raadsvergadering behandelde rust volgens hoofdstuk Va van de Gemeentewet van rechtswege geheimhouding. Deze geheimhouding geldt vervolgens dan ook automatisch voor het conceptverslag en het verslag. Hierop hoeft dan ook niet apart
Pagina 8/15
geheimhouding te worden gelegd. Wel moet de raad na vaststelling van het verslag besluiten of de geheimhouding wel of niet opgeheven kan worden. Op 19 december 2023 heeft de raad het Protocol geheimhouding gemeenteraad Dordrecht vastgesteld. Hierin zijn nadere afspraken over verslaglegging en geheimhouding vastgelegd. Deze zijn aanvullend op de wettelijke bepalingen uit de Gemeentewet. In dit RvO-artikel wordt naar dit protocol verwezen. Artikel 34. Opheffing / niet bekrachtigen geheimhouding Geheimhouding is met ingang van 1 april 2023 geregeld in een apart hoofdstuk van de Gemeentewet: hoofdstuk Va (artikel 87, 88 en 89 van de wet. De raad hoeft de opgelegde geheimhouding sindsdien niet meer te bekrachtigen. Op 19 december 2023 heeft de raad het Protocol geheimhouding gemeenteraad Dordrecht vastgesteld. Hierin zijn nadere afspraken over geheimhouding vastgelegd. Deze zijn aanvullend op de wettelijke bepalingen uit de Gemeentewet. In dit RvO-artikel wordt naar dit protocol verwezen. In het protocol wordt aan de raad nog wel de mogelijkheid geboden de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen. Dat kan de raad alleen doen nadat hierover in een besloten raadsvergadering is overlegd met het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd.
In het onderhavige artikel is deze overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Het is voor zorgvuldig en afgewogen kunnen besluiten over het opheffen van geheimhouding logisch hierover in een besloten vergadering te overleggen omdat dan ook op de inhoud van de geheime informatie en het belang daarvan kan worden ingegaan. Als de raad en/of het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd geen behoefte heeft aan overleg en de raad dus zonder overleg kan besluiten tot opheffen van de geheimhouding hoeft er uiteraard ook niet in een besloten vergadering over te worden overlegd.
HOOFDSTUK 3. BEVOEGDHEDEN EN INSTRUMENTEN RAADSLEDEN Artikel 35. Amendementen en subamendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. (sub)Amendementen worden ondertekend op papier ingediend. Zij worden vervolgens niet meer fysiek vermenigvuldigd en verspreid, maar digitaal beschikbaar gesteld in de digitale vergaderapplicatie van de raad en de website van de gemeenteraad. Ook inwoners kunnen zo direct kennisnemen van de ingediende (sub)amendementen. Zodra juridisch en technisch duidelijk is hoe een amendement ook digitaal ondertekend en ingediend kan worden, wordt dit ingevoerd. Het derde lid van dit RvO-artikel biedt hiervoor alvast de ruimte. Artikel 36. Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven.
Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Moties worden ondertekend op papier ingediend. Zij worden vervolgens niet meer fysiek vermenigvuldigd en verspreid, maar digitaal beschikbaar gesteld in de digitale vergaderapplicatie
Pagina 9/15
van de raad en de website van de gemeenteraad. Ook inwoners kunnen zo direct kennisnemen van de ingediende moties. Zodra juridisch en technisch duidelijk is hoe een motie ook digitaal ondertekend en ingediend kan worden wordt dit ingevoerd. Het derde lid van dit RvO-artikel biedt hiervoor alvast de ruimte. Artikel 37. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. In dit Reglement van Orde wordt dit onderscheid níet gemaakt. Beide vormen worden gezien als een en hetzelfde initiatiefvoorstel waarvoor de procedure in deze bepaling van het Reglement van orde is uitgewerkt.
In 2016 is een vierde lid aan artikel 147a van de Gemeentewet toegevoegd waarin is vastgelegd dat de raad pas een besluit over een initiatiefvoorstel kan nemen nadat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Dit is nu procedureel ook vastgelegd in het Reglement van Orde (artikel 37, derde lid). Daar is een termijn van vier weken bij opgenomen om de raad zekerheid te bieden en het college tot de nodige snelheid te manen. Ook als er na deze vier weken nog geen reactie van het college is gekomen, óf als het college aangeeft geen behoefte te hebben om te reageren, kan de raad een besluit nemen over het initiatiefvoorstel. Artikel 38. Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is 'verlof van de raad' nodig. Hier is gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid.
Toenmalig minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. Hij was hier echter geen voorstander van. Voor de democratie leek het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. Artikel 39. Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen.
Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het Reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.
Pagina 10/15
Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeente wettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid.
Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen. Artikel 40. Schriftelijke vragen Het vragenrecht uit artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord.
Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Met lid 6 is het vragenrecht onder dezelfde condities ook aan commissieleden toegekend.
HOOFDSTUK 4. DORDTSE DINSDAG - COMMISSIEVERGADERINGEN Artikel 41. Benoeming commissieleden en commissievoorzitters De raad bepaalt volgens artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de Gemeentewet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. In Dordrecht worden raadsleden niet specifiek benoemd als lid van een specifieke commissie. Elke politieke groepering die onderdeel uitmaakt van de gemeenteraad is echter in een commissievergadering welkom met raadsleden en/of maximaal 2 commissieleden. De politieke groeperingen zijn verder zelf aan zet om hun raads- en commissieleden over de verschillende commissievergaderingen te verdelen. Uit lid 1 sub b volgt dat de leden van een raadscommissie geen raadslid hoeven te zijn. Lid 2 geeft aan dat het de fracties zijn die de leden voordragen. De niet-raadsleden moesten – in verband met de kenbaarheid en kiezerlegitimiteit – wel tijdens de laatste raadsverkiezingen op de kandidatenlijst van de desbetreffende fractie gestaan hebben. Op 26 september 2019 besloot het Presidium dat dit alleen geldt bij benoemingen binnen de laatste zes maanden tot de eerstvolgende raadsverkiezingen.
Dit maakt het mogelijk dat fracties ook commissieleden kunnen voordragen die niet op hun kandidatenlijst hebben gestaan. Neveneffect van deze wijziging zou zijn dat ook afgesplitste raadsleden 2 commissieleden kunnen hebben. Want ook afgesplitste raadsleden vormen op grond van het RvO een nieuwe fractie. Zo'n fractie heeft dan uiteraard geen
Pagina 11/15
kandidatenlijst gehad bij de laatste verkiezingen. Het presidium heeft op 21 november 2019 besloten dat dat niet wenselijk is en dus vast te leggen dat fracties die na de verkiezingen door afsplitsing zijn ontstaan geen commissieleden kunnen voordragen. Op grond van het derde lid moeten commissieleden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken, geen functie als bedoeld in artikel 13 mogen vervullen en niet in strijd mogen handelen met artikel 15. Om dit te borgen leggen commissieleden na het raadsbesluit tot benoeming als commissielid de eed of belofte af. Dit is voor commissieleden, in tegenstelling tot raadsleden, overigens nergens in de wet verplicht gesteld, maar wel belangrijk. Om die reden is het op deze plek in het Reglement van Orde opgenomen. In principe geldt de benoeming van een commissielid voor de rest van de raadsperiode. De raad heeft op grond van het derde lid echter ook de mogelijkheid een commissielid voor een beperktere periode te benoemen. Dat kan de raad doen in het geval dat een commissielid voor 16 weken raadslid wordt ter vervanging van een ziek of zwanger raadslid. Een tijdelijk commissielid kan de tijdelijke vacature dan opvullen.
Zeker voor kleine fracties kan het belangrijk zijn dat zij die lege plek voor die 16 weken kunnen opvullen om in alle commissies actief te kunnen zijn. In artikel 82, vierde lid, van de Gemeentewet, staat dat een lid van de raad voorzitter van een commissie is. Om de werklast te verdelen en ervoor te zorgen dat zowel coalitie- als oppositiepartijen voorzitters leveren is in het zesde lid de afspraak opgenomen dat elke fractie minimaal één raadslid voordraagt als commissievoorzitter. Artikel 42. Zittingsduur commissieleden en commissievoorzitters De zittingsperiode van commissieleden en de voorzitter is in de basis even lang als de zittingsperiode van raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan. Het lidmaatschap van een commissie eindigt eveneens van rechtswege indien een lid niet meer voldoet aan de in artikel 41, tweede lid, gestelde eisen en indien een lid is benoemd op voordracht van een fractie die niet meer vertegenwoordigd is in de raad (tiende lid). Het eindigt ook van rechtswege als een commissielid raadslid wordt of aan het einde van de beperktere termijn waarvoor het commissielid is benoemd op grond van het tweede lid van artikel 41 van het Reglement van Orde.
Als een commissielid als raadslid is geïnstalleerd ter tijdelijke vervanging van een ander raadslid aan wie vanwege zwangerschap of ziekte tijdelijk ontslag is verleend, herleeft het commissielidmaatschap van rechtswege op het moment dat het tijdelijke raadslidmaatschap ten einde is gekomen. De raad kan een lid van een raadscommissie op voorstel van de fractie die het lid heeft voorgedragen ontslaan. Een commissielid en een commissievoorzitter kunnen ook altijd zelf ontslag nemen. Zij moeten dit schriftelijk aan de raad meedelen, zij zijn immers door de raad benoemd. Het ontslag gaat in per de datum die in de mededeling is opgenomen. Als in de schriftelijke mededeling geen datum is opgenomen gaat het ontslag met onmiddellijke ingang in. Artikel 44. De agendacommissie Een agendacommissie is juridisch gezien een commissie op grond van artikel 84 van de Gemeentewet. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van dit artikel geen lid zijn van deze commissie. De burgemeester kan deze dan ook niet voorzitten. De plaatsvervangend voorzitter van de raad zit dan ook de agendacommissie voor. De burgemeester kan wel adviseur zijn van de agendacommissie (niet zijnde lid en dus zonder stemrecht). De burgemeester is immers een belangrijke schakel tussen het college en de raad. De griffier treedt op als secretaris van de agendacommissie.
Voorwaarde is dat de agendacommissie zoveel als mogelijk apolitiek en technisch opereert. Daarom bestaat de agendacommissie uit twee leden van de coalitie en twee van de oppositie. De coalitie en oppositie bepalen met elkaar wie zij naar voren schuiven. De raadswerkgroep Dordtse Dinsdag vond het niet wenselijk dat de leden van de agendacommissie wisselen, zij zag daarmee de continuïteit in gevaar komen. Om bij de voorgestelde samenstelling alle fracties inbreng in de agendacommissie te kunnen laten hebben en de politiek er wel zoveel als mogelijk uit te halen is er de mogelijkheid van agenderingsverzoeken (zie artikel 45).
Pagina 12/15
Om te voorkomen dat een stuk, dat alleen een enkele technische onvolkomenheid bevat, terug moet naar het college en opnieuw via het college aan de raad moet worden aangeboden is met een college een aanpassingsprocedure afgesproken. Deze is als lid 5 aan het RvO toegevoegd. Dit voorkomt dat de behandeling van een stuk onnodig vertraging oploopt. Als de benodigde wijzigingen inhoudelijk van aard zijn wordt wel voorgesteld het stuk terug te sturen naar het college. Paragraaf 1. Opzet Dordtse Dinsdag - Commissievergaderingen Artikel 47. Consulterende commissievergadering Er vinden sinds de start van het vergadermodel 'Dordtse Dinsdag' in 2022 regelmatig consultaties van de raad plaats, meestal op verzoek van het college. De functie en invulling van dit soort vergaderingen was echter nog niet eerder beschreven. Daartoe is dit artikel toegevoegd, overigens bewust op deze plaats in het RvO omdat een consultatie altijd vooraf gaat aan de BOB-fases. Het is dus geen beeld- of oordeelsvormend onderdeel. Een consulterende commissievergadering is bedoeld om het college gevoelens, meningen, wensen en/of suggesties over een onderwerp mee te geven. Dit zijn geen uitspraken van de raad als geheel en hebben derhalve een vrijblijvend karakter. Een consulterende commissievergadering kan ook geen eindstation van de behandeling van een onderwerp zijn. Artikel 48.
Beeldvormende commissievergadering Het BOB-model (Beeldvorming - Oordeelsvorming - Besluitvorming) wordt toegepast om de verschillende fasen van het besluitvormingsproces duidelijk te onderscheiden. Het doel van de beeldvormende fase is dat aan het eind van de beeldvorming je vooral als fractie voldoende informatie moet hebben opgehaald. Door middel van bijvoorbeeld inspraak van inwoners en organisaties, gesprekken met deskundigen en/of technische of politieke vragen aan het college moeten fracties voldoende informatie hebben verzameld om te beoordelen of en hoe het beleidsvoornemen bij hun overtuigingen of het verkiezingsprogramma past. Debat tussen fractievertegenwoordigers onderling vindt hier dus nadrukkelijk nog niet plaats. Artikel 49. Oordeelsvormende commissievergadering Het BOB-model (Beeldvorming - Oordeelsvorming - Besluitvorming) wordt toegepast om de verschillende fasen van het besluitvormingsproces duidelijk te onderscheiden. Het doel van de oordeelsvormende fase is dat fracties elkaars standpunten leren kennen en tot een definitief standpunt kunnen komen. Fracties gaan de oordeelsvormende fase meestal met een voorlopig standpunt in. Maar fracties moeten hun voorlopige standpunt bij kunnen stellen naar aanleiding van de inhoud van de oordeelsvormende fase. Na deze fase moeten fracties in principe een definitief standpunt kunnen innemen.
Fracties moeten na deze fase ook een goed beeld hebben van hoe de politieke verhoudingen liggen ten aanzien van het voorliggende stuk. Het quorum (lid 1) kan op twee manieren worden bepaald. Doordat er steeds meer (kleine) fracties zijn gekomen werd het oorspronkelijke quorum (meer dan de helft van het aantal in de raad zitting hebbende fracties) bij commissievergaderingen steeds vaker niet gehaald. Met als consequentie dat onderwerpen noodgedwongen doorschuiven. Daarom besloot het presidium op 27 februari 2024 de definitie van het quorum uit te breiden met het aantal vertegenwoordigde raadszetels. Er is sprake van een quorum als aan een van beide wordt voldaan. Artikel 51. Inspreekrecht belanghebbenden Het geven van spreekrecht aan belanghebbenden is een manier om burgers meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad. Uitgangspunt is daarom dat inspreken voor inwoners laagdrempelig moet zijn. De gemeenteraad moet er echter wel iets mee kunnen (het moet zinvol kunnen zijn) en herhalingen zijn ook niet wenselijk. Belanghebbenden kunnen de gelegenheid tot inspreken krijgen als een onderwerp beeldvormend op de agenda staat, dan wel het beeldvormend te laten agenderen als geen beeldvorming was voorzien en zich toch insprekers melden. Dat kan ook gelden voor onderwerpen die niet op de agenda staan.
Tijdens de oordeelvormende en besluitvormende fase kan niet meer worden ingesproken. Op dat moment moeten de fracties immers alle informatie hebben verzameld om tot een standpunt te kunnen komen. Het spreekrecht geldt voor zowel onderwerpen die op de agenda van de commissie staan als voor onderwerpen die niet op de agenda staan.
Pagina 13/15
Paragraaf 2. Voorbereiding commissievergadering Artikel 52. Oproep en agenda Op basis van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet (dat artikel 19 van de Gemeentewet ook op commissies van toepassing verklaart) nodigt de commissievoorzitter raads- en commissieleden schriftelijk uit voor de vergadering. Omdat de Dordtse Dinsdag een verzameling van afzonderlijke commissievergaderingen is worden alle vergaderingen gebundeld in één oproep. De schriftelijke oproep wordt niet per post verstuurd, maar op de website van de raad gepubliceerd. Raads- en commissieleden worden hiervan dan via de digitale Donderdagbrief op de hoogte gebracht. De oproep vermeldt de voorlopige agenda (het dagschema van de Dordtse Dinsdag) en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de geheime stukken. Deze worden alleen gepubliceerd in de digitale vergaderapplicatie waarbij de toegang is beperkt tot collegeleden, raadsleden, commissieleden en medewerkers van de griffie. Artikel 53. Openbare kennisgeving vergaderingen In artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet staat dat artikel 19 van de Gemeentewet ook van toepassing is op vergaderingen van raadscommissies. Met dit RvO-artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
In Dordrecht is de gebruikelijke wijze van publiceren, het aankondigen van de raadsvergadering (inclusief datum, aanvangstijd en plaats) op de website van de gemeenteraad. Artikel 54. Openbare publicatie van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet geeft ook aan dat de agenda en bijbehorende voorstellen ter inzage gelegd moeten worden op een aan te geven wijze. Alle stukken worden daarom gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden, met uitzondering van de geheime stukken. Deze worden alleen gepubliceerd in de digitale vergaderapplicatie waarbij de toegang is beperkt tot collegeleden, raadsleden, commissieleden en medewerkers van de griffie. Paragraaf 3. Ter commissievergadering Artikel 56. Handhaving orde en schorsing Artikel 26 Gemeentewet geeft aan dat de voorzitter bij raadsvergadering bevoegd is om de orde te handhaven. Voor de commissievergaderingen ontbreekt een dergelijke bepaling, deze is daarom hier opgenomen. Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, de vergadering sluiten.
In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd. Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Artikel 57. Voorstellen van orde Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen. De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de raadscommissie. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raadscommissie. Bij het staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een (overleg) pauze of een voorstel over de (beperking van de) spreektijden van de leden en overige deelnemers aan de commissievergadering. Paragraaf 4. Verslaglegging commissievergadering Artikel 58. Besluitenlijst en verslag Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de commissiegriffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht.