2025-1006 Rapport onderzoek Essenhof.pdf
Tekst van het document
doeltreffende maatregelen worden getroffen op het gebied van de eerste hulp bij ongevallen, de brandbestrijding en de evacuatie van werknemers en andere aanwezige personen, en doeltreffende verbindingen worden onderhouden met de desbetreffende externe hulpverleningsorganisaties; f. elke werknemer moet bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen, waarbij artikel 29, eerste lid, derde zin, van overeenkomstige toepassing is. 2. De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting. 3. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de werkgever zorg voor een goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de bij de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met de bekwaamheden van de werknemers.
76 / 92
4.
De werkgever toetst het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan en past de maatregelen aan zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.
Artikel 5 1. Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers. 2. In de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aandacht besteed aan de toegang van werknemers tot een deskundige werknemer of persoon, bedoeld in de artikelen 13 en 14, of de arbodienst. 3. Een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico's en de samenhang daartussen, een en ander overeenkomstig artikel 3, maakt deel uit van de risico-inventarisatie en -evaluatie. In het plan van aanpak wordt tevens aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. 4. De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. 5.
Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer. 6. De werkgever zorgt ervoor dat iedere werknemer kennis kan nemen van de risico-inventarisatie en -evaluatie. Artikel 8 1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken. Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de artikelen 13, 14, 14a en 15, in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd. 2. De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. 3.
Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen te gebruiken. 4. De werkgever ziet toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. 5. Indien binnen de onderneming werknemers jonger dan 18 jaar werkzaam zijn, houdt de werkgever bij de uitvoering van de in de voorgaande leden genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening met de aan de jeugdige leeftijd inherente beperkte werkervaring en onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van deze werknemers.
77 / 92
Artikel 11 De werknemer is verplicht om in zijn doen en laten op de arbeidsplaats, overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven instructies, naar vermogen zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en gezondheid en die van de andere betrokken personen. Met name is hij verplicht om: a. arbeidsmiddelen en gevaarlijke stoffen op de juiste wijze te gebruiken; b. de hem ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken en na gebruik op de daartoe bestemde plaats op te bergen, een en ander voor zover niet krachtens deze wet is bepaald dat werknemers niet verplicht zijn beschermingsmiddelen als vorenbedoeld te gebruiken; c. de op arbeidsmiddelen of anderszins aangebrachte beveiligingen niet te veranderen of buiten noodzaak weg te halen en deze op de juiste wijze te gebruiken; d. mede te werken aan het voor hem georganiseerde onderricht bedoeld in artikel 8; e. de door hem opgemerkte gevaren voor de veiligheid of de gezondheid terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degene die namens deze ter plaatse met de leiding is belast; f. de werkgever en de werknemers en de andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid, de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en de arbodienst, indien nodig bij te staan bij de uitvoering van hun verplichtingen en taken op grond van deze wet.
Arbeidsomstandighedenbesluit Het Arbeidsomstandighedenbesluit is een nadere uitwerking van de Arbeidsomstandighedenwet. De voor deze casus relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 3.5g en artikel 4.1. t/m 4.5. De artikelen zijn hieronder opgenomen. Artikel 3.5g 1. Indien kan worden vermoed dat de atmosfeer op een plaats of in een ruimte in zodanige mate stoffen bevat dat daardoor gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie, mag de werknemer zich alleen bevinden op die plaats of in die ruimte indien uit onderzoek blijkt dat het gevaar niet aanwezig is. 2. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie aanwezig is, worden doeltreffende maatregelen genomen, zodat de werknemer zich zonder gevaren op die plaats of in die ruimte, bedoeld in het eerste lid, kan bevinden. 3. Er is in ieder geval sprake van: a. gevaar voor verstikking indien de atmosfeer minder dan 18 volumeprocent zuurstof bevat; b. gevaar voor bedwelming of vergiftiging indien de concentratie van de betreffende stoffen in de atmosfeer hoger is dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.3; c.
gevaar voor brand of explosie indien in de atmosfeer de concentratie van zuurstof hoger is dan 21 volumeprocent of de concentratie van brandbare gassen of dampen hoger is dan 10 volumeprocent van de onderste explosiegrens. 4. Indien het niet mogelijk is om de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, te nemen en het noodzakelijk is om zich in de gevaarlijke atmosfeer, bedoeld in het eerste lid, te begeven, dan wordt de werknemer permanent geobserveerd en worden doeltreffende maatregelen genomen om deze werknemer: a. te beschermen tegen het gevaar, bedoeld in het tweede lid; b. bij direct gevaar onmiddellijk op doeltreffende wijze hulp te bieden. Artikel 4.1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. gevaarlijke stoffen: stoffen, mengsels of oplossingen van stoffen waaraan werknemers bij de arbeid worden of kunnen worden blootgesteld die vanwege de eigenschappen van of de omstandigheden waaronder die stoffen, mengsels of oplossingen voorkomen gevaar voor de veiligheid of gezondheid kunnen opleveren;
78 / 92
b.
c.
grenswaarde: 1e. de limiet van de concentratie of van het tijdgewogen gemiddelde van de concentratie voor een gevaarlijke stof in de individuele ademhalingszone van een werknemer gedurende een gespecificeerde referentieperiode; 2e. de limiet van de concentratie in het passende biologische medium van een gevaarlijke stof, de metabolieten daarvan of een indicator van het effect van de betreffende stof gedurende een gespecificeerde referentieperiode; ongewilde gebeurtenis: een plotselinge situatie, ongeval, voorval of noodsituatie die gevaar oplevert voor veiligheid en gezondheid van de werknemer of zijn omgeving, en die gelet op de toegepaste stoffen, procédés en maatregelen niet is voorzien.
Artikel 4.1a 1. De artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel h, 4.3, 4.4 en 4.10a, vijfde lid, zijn niet van toepassing op kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen als bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk en op asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk. 2. Artikel 4.7 is niet van toepassing op bedrijven, inrichtingen of delen daarvan waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 of afdeling 2 van hoofdstuk 2 van toepassing is. 3. Artikel 4.4 is niet van toepassing op loodwit als bedoeld in artikel 4.61b. 4. Artikel 4.10d is niet van toepassing op asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk. Artikel 4.1b 1. In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, zorgt de werkgever voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemer. 2. Aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan indien: a. in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, de aard, mate en duur van de blootstelling is beoordeeld in overeenstemming met artikel 4.2; b. doeltreffende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking van de blootstelling in overeenstemming met de artikelen 4.1c en 4.4 dan wel in overeenstemming met de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19; c.
preventieve maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van ongewilde gebeurtenissen in overeenstemming met artikel 4.6. Artikel 4.1c. 1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt, in het kader van artikel 3 van de wet, de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door: a. het ontwerp en de organisatie van de arbeidssystemen op de werkplek; b. gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen; c. gebruik te maken van adequate voorzieningen bij het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden; d. het aantal werknemers, dat wordt of kan worden blootgesteld te minimaliseren; e. de mate en duur van de blootstelling te minimaliseren; f. huidcontact te voorkomen of te minimaliseren door het dragen van doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen bij mogelijke blootstelling aan een enkelvoudige of samengestelde stof: 1e. die voldoet aan de criteria voor classificatie met een effect op de huid of ogen, inclusief de classificatie kankerverwekkend voor de huid, volgens Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van de
79 / 92
2.
Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 1967, 196) of Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200); 2e. als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of artikel 4.16, eerste lid, en waarbij is aangegeven dat die door de huid kan worden opgenomen; g. de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht te nemen; h. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen op de werkplek zoveel mogelijk te beperken; i. passende werkmethoden in te voeren, met inbegrip van regelingen voor de veilige behandeling, opslag en vervoer op de werkplek van gevaarlijke stoffen en van afvalstoffen die gevaarlijke stoffen bevatten; j. arbeid slechts te laten verrichten door personen die in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeren en op het gebied van die arbeid over een zodanige basiskennis beschikken, dat zij voldoende in staat zijn de daaraan verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen; k.
te zorgen dat op plaatsen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, niet wordt gerookt, gegeten, gedronken, geslapen of voedsel wordt bewaard. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn in overeenstemming met de stand van de wetenschap en techniek.
Artikel 4.1d 1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt in het kader van artikel 3 van de wet de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door op de verpakking van de gevaarlijke stof opvallend en goed leesbaar te vermelden: a. de officiële naam van de gevaarlijke stof en de relevante gevaarlijke bestanddelen; en b. de gevaarsymbolen, gevaarbenamingen en de waarschuwingszinnen. 2. In afwijking van het eerste lid hoeven op laboratoriumhulpmiddelen die voor steeds wisselende chemicaliën worden gebruikt, niet steeds alle verplichte aanduidingen te zijn aangebracht. Worden deze hulpmiddelen alleen gebruikt voor kortdurende handelingen dan zijn geen aanduidingen verplicht. Worden deze hulpmiddelen gebruikt voor andere dan kortdurende handelingen dan zijn op deze hulpmiddelen opvallend en goed leesbaar vermeld: a. voor een enkelvoudige stof: de officiële naam van de gevaarlijke stof; en b. voor een meervoudige stof: de officiële naam of namen van de relevante gevaarlijke bestanddelen. 3.
In het geval van opslag van gevaarlijke stoffen in grotere hoeveelheden in speciale opslagruimten wordt aan het eerste lid voldaan als de verplichte aanduidingen voor meerdere identieke verpakkingen door middel van één etiketafdruk opvallend en goed leesbaar zijn aangebracht. De aanduidingen zijn zodanig aangebracht dat voor elke afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter plekke duidelijk is dat de aanduidingen van toepassing zijn. Als gevaarlijke stoffen uitsluitend voor de handel zijn opgeslagen, kan worden volstaan met het aanbrengen van de bij aflevering in Nederland wettelijk verplichte aanduidingen. 4. In geval van vervoer en laden en lossen van gevaarlijke stoffen wordt aan het eerste lid voldaan als de vervoerders en de laders en lossers tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de gegevens die op grond van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde op het etiket zouden moeten worden vermeld.
80 / 92
5. 6.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van toepassing zijn. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste, tweede of derde lid.
Artikel 4.2 1. Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, ongeacht of met deze stoffen daadwerkelijk arbeid wordt of zal worden verricht, worden, in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, de aard, de mate en de duur van die blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen. 2. Met betrekking tot de aard van de blootstelling wordt in ieder geval vastgesteld aan welke gevaarlijke stoffen werknemers worden of kunnen worden blootgesteld, wat de gevaren zijn die aan die stoffen zijn verbonden, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op welke wijze blootstelling kan plaatsvinden. 3. Met betrekking tot de mate van blootstelling aan gevaarlijke stoffen wordt in ieder geval vastgesteld wat het blootstellingniveau is. 4. Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingniveau wordt gebruik gemaakt van geschikte, genormaliseerde meetmethodes, dan wel andere voor het doel geschikte meetmethodes of kwantitatieve evaluatiemethodes. 5. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a.
de informatie over de veiligheid en gezondheid die door de leverancier van een gevaarlijke stof bij of krachtens wettelijk voorschrift moet worden verstrekt, alsmede de voor de risico-evaluatie noodzakelijke aanvullende informatie van de leverancier of uit andere gemakkelijk toegankelijke bronnen; b. de omstandigheden tijdens werkzaamheden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, waaronder begrepen de hoeveelheid gevaarlijke stoffen waaraan werknemers worden of kunnen worden blootgesteld; c. de redelijkerwijs voorzienbare gebeurtenissen die kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de mate van blootstelling ook indien er preventieve maatregelen zijn getroffen; d. de effectiviteit van de genomen of te nemen preventiemaatregelen; e. voor zover van toepassing, de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b. 6. Indien sprake is van verschillende gevaarlijke stoffen, wordt de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op het risico dat die gevaarlijke stoffen in combinatie opleveren. 7. De in het eerste lid bedoelde mate van blootstelling wordt overeenkomstig het vierde lid getoetst aan de voor de betrokken stof vastgestelde grenswaarde. 8.
De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig herzien, in ieder geval indien wordt aangevangen met nieuwe werkzaamheden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en voorts wanneer gewijzigde omstandigheden of de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b, hiertoe aanleiding geven. 9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Artikel 4.2a Indien op de arbeidsplaats in verband met de aard van de werkzaamheden die daar worden uitgevoerd, gevaarlijke stoffen plegen voor te komen die bij of krachtens de Wet milieubeheer worden ingedeeld in de categorie «voor de voortplanting vergiftig», bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder n, van die wet, alsmede stoffen als bedoeld in richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 27 juni 1967 betreffende de
81 / 92
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) die met de waarschuwingszin R64 worden gekenmerkt overeenkomstig de criteria in paragraaf 3.2.8 van bijlage VI bij deze richtlijn, worden met betrekking tot die stoffen in de risico-inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, in aanvulling op artikel 4.2, de volgende gegevens vermeld: a. b. c.
de hoeveelheid van de stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met opslag; het aantal werknemers dat arbeid pleegt te verrichten op de arbeidsplaats waar de stof pleegt voor te komen; de vorm van de arbeid die met de stof pleegt te worden verricht.
Artikel 4.3 1. Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot in die regeling aangewezen gevaarlijke stoffen grenswaarden vastgesteld. 2. Indien er geen wettelijke grenswaarde voor een bepaalde gevaarlijke stof is vastgesteld, stelt de werkgever een grenswaarde voor die stof vast. Deze grenswaarde is op een zodanig niveau vastgesteld dat er geen schade kan ontstaan aan de gezondheid van de werknemer. 3. Bij overschrijding van een grenswaarde worden, met inachtneming van artikel 4.4, onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. 4. Zolang de maatregelen, bedoeld in het derde lid, nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, wordt de arbeid alleen voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen. Artikel 4.4 1. Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat de werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen in zodanige mate, dat hun veiligheid in gevaar kan worden gebracht of dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid. 2.
Voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, worden bij de toepassing van het eerste lid gevaarlijke stoffen vervangen door stoffen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of gezondheid worden blootgesteld. 3. Indien vervanging redelijkerwijs niet mogelijk is of indien er nog een gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers resteert, worden voor de toepassing van het eerste lid, zodanige technische maatregelen, werkprocessen, uitrustingen en materialen toegepast, dat het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is voorkomen of zodanig beperkt, dat gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers is voorkomen of zoveel mogelijk verminderd. 4. Voor zover de maatregelen, genoemd in het tweede en derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid of de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van het eerste lid collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron of organisatorische maatregelen getroffen, zodanig dat gevaar voor de veiligheid of de gezondheid wordt voorkomen. 5.
Voor zover de maatregelen zoals genoemd in het tweede, derde en vierde lid, redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid of de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van het eerste lid, daarvoor geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. 6. De duur van het dragen van de persoonlijke beschermingsmiddelen, bedoeld in het vijfde lid, wordt voor ieder van de werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt.
82 / 92
Artikel 4.5 1. Indien verontreinigde lucht wordt afgevoerd, is gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht gewaarborgd. 2. Het is verboden lucht die een gevaarlijke stof bevat, opnieuw in circulatie te brengen naar een arbeidsplaats waar de betreffende stof niet aanwezig is. 3. Het is verboden de lucht, die een stof bevat als bedoeld in het vierde lid opnieuw op dezelfde arbeidsplaats in circulatie te brengen, tenzij de werkgever aantoont dat de concentratie van een stof als bedoeld in het vierde lid in de lucht die wordt toegevoerd aan die arbeidsplaats, ten hoogste één tiende deel van de voor die stof vastgestelde grenswaarde bedraagt. 4. Dit artikel is van toepassing op de volgende stoffen: a. kankerverwekkende en mutagene stoffen als bedoeld in artikel 4.11, onderdelen b en d; b. een stof die vrijkomt bij een kankerverwekkend proces als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c; c. stoffen die voldoen aan de criteria, vastgesteld op grond van artikel 9.2.3.1, derde lid, van de Wet milieubeheer voor toekenning van de R-zin «kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing (R42)».
Bijlage XIII Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.15, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit In bijlage XIII behorende bij het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn wettelijke grenswaarden opgenomen zoals bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, en artikel 4.16, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Onderdeel A is de lijst met wettelijke grenswaarden. Het CAS-nummer geeft het nummer aan waaronder de stof is geregistreerd door de Chemical Abstract Service. TGG staat voor het tijdgewogen gemiddelde. Dit is de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingsduur van 8 uur per dag (TGG 8 uur). Voor sommige stoffen is tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogte 15 minuten (TGG 15 minuten). De grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20° en een druk van 101.3 kPa. De grenswaarden worden zowel geduid in concentraties van mg per m3 als ppm (deeltjes per miljoen). C staat voor ceilingwaarde. Hierbij is de grenswaarde een plafondwaarde. De waarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkomen. H staat voor huidopname. Voor stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen is in de lijst een H aangegeven.
Bij deze stoffen moeten – naast maatregelen tegen inademing – ook adequate maatregelen ten voorkoming van huidcontact worden genomen. Een van de stoffen die voor kan komen bij het ontbinden van lichamen is H2S, ook bekend als waterstofsulfide of zwavelwaterstof. Voor zwavelwaterstof zijn de wettelijke grenswaarden als volgt:
83 / 92
Beheersverordening Essenhof De beheersverordening Essenhof bevat lokale regelgeving voor het beheer en gebruik van de begraafplaats Essenhof. De beheersverordening is in werking sinds 1 januari 2015 en vigeert daarmee voor de onderzoeksperiode. De voor deze casus relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 2, artikel 5 en artikel 13. Artikel 2 1. Het beheer van de Essenhof omvat het onderhouden en exploiteren van de terreinen en de gebouwen en het bieden van faciliteiten voor lijkbezorging en voor de herdenking van overledenen. 2. De beheerder houdt een, niet openbaar, register bij van alle rechthebbenden en gebruikers van de graven en urnenplaatsen, met hun namen en adressen en aantekening van hun relatie tot de overledene. 3. De rechthebbenden en gebruikers zijn verplicht de wijziging van hun adres aan de Essenhof door te geven. 4. Rechthebbenden van particuliere graven die voorheen voor onbepaalde tijd zijn uitgegeven en waarvan de onderhoudsrechten voor onbepaalde tijd zijn afgekocht, zijn verplicht de Essenhof eens in de tien jaar te laten weten of men het graf nog wil laten voortbestaan. Artikel 5 1. Algemene zandgraven zijn bestemd voor het begraven van maximaal twee lijken. 2. Algemene keldergraven op de begraafplaats aan de Nassauweg zijn bestemd voor het begraven van maximaal vier lijken. 3.
Algemene kindergraven zijn bestemd voor het begraven van maximaal twee lijken. 4. In algemene graven worden geen asbussen bijgezet. 5. Plaatsen in algemene graven worden uitgegeven voor een termijn van tien of vijftien jaar. Plaatsen in algemene kindergraven worden uitgegeven voor een termijn van vijftien jaar. 6. Het gebruik van plaatsen in algemene graven wordt niet verlengd. Artikel 13 Bij de opgraving van lijken en ruiming van graven zijn geen andere personen aanwezig dan degenen die door de beheerder met deze werkzaamheden zijn belast.
Richtlijnen Inspectierichtlijn Lijkbezorging (1999) In 1999 heeft de Inspectie van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) de derde druk van de Inspectierichtlijn Lijkbezorging uitgebracht. De Inspectierichtlijn bevat onder andere richtlijnen voor hoe om te gaan met de inrichting, het technisch beheer en het onderhoud van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden. De richtlijn heeft sinds 2010 geen formele status meer, doordat de Inspectie is komen te vervallen. De Inspectierichtlijn doet nog wel dienst als bron voor antwoorden in de praktijk. De richtlijn maakt onderscheid tussen opgraven en herbegraven, en geeft van beide een definitie: “Onder opgraven wordt verstaan het uit een graf halen van een stoffelijk overschot met de bedoeling dit te herbegraven of te cremeren.
84 / 92
Onder herbegraven wordt verstaan het opnieuw begraven van stoffelijke resten in een lijkkist of ander lijkomhulsel.” Hierover wordt verder aangegeven: “Opgraven van lijken is op grond van Wlb art. 29 gehouden aan goedkeuring van de burgemeester en toestemming van de rechthebbende van het graf. Na verloop van de wettelijke termijn van grafrust van 10 jaar en het verlopen van de grafrechten mag een graf worden geruimd; een ruiming behoeft dan geen goedkeuring van de burgemeester (Wlb art. 31).” De richtlijn geeft aan dat opgraving binnen de termijn van 10 jaar onwenselijk is, en de grafrust verstoort. Er kunnen zwaarwegende belangen (zoals justitiële belangen) spelen die maken dat een verzoek tot opgraving wordt gehonoreerd. De afweging om een opgraving zoals bedoeld in artikel 29 Wlb toe te staan, is aan de burgemeester. De richtlijn geeft hierover het volgende aan: “In de praktijk blijken opgravingen vaak plaats te vinden op verzoek van nabestaanden om uiteindelijk het lijk alsnog een andere bestemming te geven (een ander graf en/of een andere begraafplaats of crematie). Het lijkt een taak van de begraafplaatsbeheerders en de uitvaartondernemers om via goede voorlichting te trachten deze gevallen tot een minimum te beperken. De inspecteurs voor de milieuhygiëne zullen, tenzij volledige skelettering mag worden verwacht, dan ook in het algemeen niet positief adviseren.
De Inspectie Milieuhygiëne stelt zich tevens op het standpunt dat graven uit het oogpunt van piëteit en arbeidsomstandigheden gedurende de minimaal voorgeschreven termijn van grafrust zoveel mogelijk ongeschonden dienen te blijven. Van dit standpunt wijkt de Inspectie Milieuhygiëne slechts af wanneer het verteringsproces nog niet of nauwelijks waarneembaar in gang is gezet en de kist nog intact is (tot ongeveer 2 maanden na begraving) of wanneer het proces geheel voltooid is (tijdsduur 10 jaar of langer; afhankelijk van de omstandigheden soms korter). In duidelijke gevallen is nadere advisering niet nodig en hoeft de inspecteur niet afzonderlijk te worden gehoord. Indien alle overwegingen leiden tot een positieve beschikking van de burgemeester tot opgraven, zullen voor en tijdens de feitelijke werkzaamheden bijzondere maatregelen nodig zijn.” In de richtlijn wordt ingegaan op de wijze waarop bij grootschalige ruimingen, na 10 jaar grafrust, om kan worden gegaan met onvolledige vertering: “Hoewel het principe hoe om te gaan met onverteerde resten in beide gevallen (red.
incidentele ruimingen en grootschalige ruimingen) fundamenteel hetzelfde is, zal het duidelijk zijn dat bij grootschalige ruimingen de voorzieningen veel meer omvattend zullen zijn dan bij individuele het geval zal zijn Als gevolg van de wijze van begraven of door een niet-optimale bodemsituatie kan men behalve verteerde, ook gedeeltelijk verteerde of zelfs geheel onverteerde stoffelijke overschotten terug vinden. Voordat definitief besloten wordt tot ruiming zal onderzoek moeten plaatsvinden naar de (algemene) toestand van het betreffende gedeelte van de begraafplaats. Hierbij kan een register van de wijze van begraving, zoals bedoeld in bijlage 2 onder 6, van dienst zijn. Als onvolledig verteerde overschotten worden aangetroffen of de kans op aanwezigheid daarvan groot is, moet men ernstig overwegen voorlopig van ruiming af te zien. De inspecteur zal in dergelijke gevallen dan ook niet zonder meer positief adviseren, doch eventueel, op grond van Wlb art. 31, lid 4, bevorderen dat de grafrusttermijn wordt verlengd.
Ingeval men vanwege zwaarwegende argumenten (zoals acuut ruimtegebrek) toch tot ruiming overgaat moeten soortgelijke maatregelen, maar dan op grote schaal, worden getroffen als die bij de opgraving van lijken (zie bijlage 3).” De richtlijn schetst vervolgens maatregelen die na 10 jaar grafrust kunnen worden genomen om de oorzaak van de slechte vertering op te lossen na constatering daarvan bij ruimingen: “Indien men voorlopig van ruiming afziet, moet de oorzaak van de slechte vertering worden vastgesteld, opdat alsnog maatregelen kunnen worden getroffen om het verteringsproces beter te laten verlopen. Uitstel van ruiming heeft anders meestal weinig zin. De te treffen maatregelen komen overeen met voorzieningen ter verbetering van bestaande begraafplaatsen. Ook als de oorzaak niet in de bodemsituatie ligt, maar in de wijze van begraven (zoals in een lijkwade van kunststof of een luchtdichte kist), ontstaat een dilemma: enerzijds zou men van ruiming af moeten zien, maar anderzijds kan slechts ruiming (in dit geval is het beter van opgraving te spreken) ertoe leiden dat het verteringsproces weer op gang wordt gebracht. Hier prevaleren de voordelen van ruiming (opgraving), mits vervolgens herbegraving (of crematie conform de Wlb art. 29, lid 3)
85 / 92
plaatsvindt. Bij herbegraving zal de omhulling die de zuurstoftoetreding belemmert, dienen te worden verwijderd, maar als dit niet mogelijk is in elk geval luchtdoorlatend moeten worden gemaakt en het verteringsproces wellicht ook anderszins weer op gang moeten worden gebracht. Arbo-technische begeleiding kan hierbij niet worden gemist. De hier besproken problematiek kan ernstige gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van voldoende vrije begraafruimte. De planning dient daarom voldoende in het beleid van de begraafplaats te zijn opgenomen, opdat tijdig alternatieven kunnen worden ontwikkeld om bij tegenvallende ruimingen niet in een dwangpositie te geraken.” De inspectie geeft aan dat de voorkeur ligt bij het “ruimen en ter aarde bestellen van adipocire lijken”, boven het laten liggen. In het geval bij ruiming na 10 jaar grafrust adipocire lijken worden aangetroffen, geeft de inspectie aan dat maatregelen kunnen worden genomen om optimale condities te realiseren, zodat het verteringsproces alsnog op gang komt of wordt verbeterd.
In het geval van opgravingen met herbegraving tot doel, onder voorbehoud van de goedkeuring van burgemeester en toestemming van de rechthebbende van het graf voor de opgraving conform artikel 29 Wlb, wordt het volgende geadviseerd: “Indien kledingstukken of andere omhulsels worden aangetroffen die het verteringsproces ernstig vertragen, wordt de ondoordringbaarheid voor lucht van deze omhulsels bij de herkisting afdoende opgeheven. Indien mogelijk wordt het omhulsel verwijderd.” Voor opgravingen refereert de Inspectierichtlijn niet aan andere maatregelen die genomen kunnen worden in het geval er bij een opgraving sprake is van onvolledige skelettering. In 2014 zijn twee bijlagen uit de Inspectierichtlijn Lijkbezorging geactualiseerd. 1 In de bijlage ‘technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven’ wordt gerefereerd aan artikel 5 van het Besluit lijkbezorging. In artikel 5 zijn bepalingen opgenomen voor de afstand tussen graven. In het technisch advies wordt aangegeven dat bestaande begraafplaatsen – gerealiseerd voor de inwerkingtreding van het Besluit op de lijkbezorging uit 1997 – niet altijd voldoen aan deze voorschriften.
Hierover wordt aangegeven: “In dergelijke gevallen is het uiteraard wel gewenst andere maatregelen, mogelijk met het toevoegen van een organisch middel om het verteringsproces te “initiëren of te versnellen” te treffen ter bevordering van een betere vertering. Na een eventuele ruiming zal bovendien wel aan deze voorschriften moeten worden voldaan.” Over ruimingen, na 10 jaar grafrust, wordt het volgende aangegeven: “Uit hygiënische en psychohygiënische overwegingen dienen menselijke resten uit een graf op de begraafplaats ter aarde te worden besteld. Overige resten zoals die van de kleding of van de kist kunnen op zorgvuldige wijze worden aangeboden aan een erkende vuilverbrandingsinstallatie. Wanneer tijdens een ruiming blijkt dat één of enkele stoffelijke overschotten niet volledig zijn geskeletteerd (bijv. door adipocire-vorming), is het noodzakelijk de oorzaak hiervan (bijv. een lijkhoes) weg te nemen en het lijkverteringsproces onder betere omstandigheden te laten vervolgen. Indien bij van een voorgenomen ruiming blijkt dat de lijkvertering op grote schaal onvolledig heeft plaatsgevonden, dient adequaat gehandeld te worden. Daarbij kan worden gedacht aan het toevoegen van een organisch middel om het verteringsproces te “initiëren of te versnellen”.
Het is gewenst bij de planning van de benodigde begraafruimte (ook in een verdere toekomst) rekening te houden met dergelijke fenomenen.” In beide citaten wordt gerefereerd aan een organisch middel om het proces te initiëren of te versnellen. In het tweede citaat wordt het toepassen van een middel genoemd als maatregel bij ruimingen waar op grote schaal sprake is van onvolledige vertering.
1
Technische adviezen voor inrichting van begraafplaatsen en graven, https://www.begraafplaats.nl/wp-content/uploads/2016/08/14-
modelvoorschr_asvertrooiing_techn_adviezen_inrichting_begraafpl_en_graven-2014.pdf.
86 / 92
Handleiding Opgraven en Ruimen (2010) In 2011 zijn de VROM-inspecties opgehouden te bestaan. Met het vervallen van de inspectie, is meer ruimte gekomen voor zelfregulering door de sector. In 2010 is een model-beheersverordening begraafplaatsen uitgebracht door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). In de model-beheersverordening wordt uitgegaan van een zorgplicht voor begraafplaatsen. Deze zorgplicht omvat dat de beheerder “er zorg voor [draagt]dat met de menselijke resten die bij de ruiming van een graf worden aangetroffen te allen tijde respectvol wordt omgegaan. Er dienen bovendien maatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat bezoekers van de begraafplaats met de menselijke resten worden geconfronteerd.” In 2010 is een handleiding opgraven en ruimen uitgebracht door de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (LOB), dat richtlijnen biedt voor het omgaan met opgraven en ruimen. Deze handleiding volgt op een eerdere versie uit 2001. In de handleiding wordt de volgende definitie gehanteerd voor opgraven: “We spreken van opgraven als het de bedoeling is een stoffelijk overschot of stoffelijke resten individueel te herbegraven in een ander graf (op dezelfde of op een andere begraafplaats) of te cremeren.
Hierbij is een rechthebbende (bij een particulier graf) of een belanghebbende (bij een algemeen graf) in het spel die een verzoek tot opgraven heeft ingediend (of in ieder geval toestemming geeft voor het indienen van een verzoek).” In paragraaf 2.3.1.2. wordt verder ingegaan op welke handelingen vallen onder een opgraving: “Zo lang er sprake is van een individueel stoffelijk overschot dat niet overgeplaatst wordt naar een verzamelgraf of -kelder, is er sprake van een opgraving en moet dit worden aangevraagd.” De volgende definitie wordt gehanteerd voor herbegraven: “Onder herbegraven wordt verstaan het opnieuw begraven van stoffelijke overschotten of stoffelijke resten in een lijkkist of ander lijkomhulsel. Ook is het mogelijk dat de stoffelijke overschotten of stoffelijke resten niet opnieuw worden begraven, maar gecremeerd. De rechthebbende van het graf geeft opdracht tot herbegraving of crematie. De herbegraving of crematie kan plaatsvinden op een andere begraafplaats of in een crematorium in of buiten Nederland.” Over het verschil met ruimen wordt aangegeven: “Indien het overplaatsen in een ander omhulsel in opdracht gebeurt van een rechthebbende van een particulier graf of een belanghebbende van een algemeen graf, dan is sprake van een herbegraving en niet van ruiming”.
De volgende definitie wordt gehanteerd voor ruimen: “Onder ruimen wordt verstaan het leegmaken van een graf, waarbij de resten van een overledene opnieuw op een begraafplaats ter aarde worden besteld. Ruimen kan alleen gebeuren als de grafrechten van het particuliere graf zijn vervallen en er dus geen sprake meer is van een rechthebbende. Bij algemene graven vindt ruiming plaats na het verstrijken van de wettelijke grafrusttermijn van tenminste 10 jaar.” In de paragrafen 2.3.1.1 t/m 2.3.1.5 wordt ingegaan op het verlof voor opgraving, de procedure en de overwegingen voor het wel of niet verlenen van een verlof. In paragraaf 2.3.1.6. wordt ingegaan op mogelijke redenen om geen verlof te verlenen zoals bedoeld in artikel 29 Wlb. “Een verantwoordelijk burgemeester zal hoogstwaarschijnlijk negatief beslissen voor een verlof tot opgraving: • binnen de termijn van 10 jaar • indien bij een algemeen graf de resten van andere overledenen beroerd moeten worden • indien de motieven van de aanvrager van onvoldoende gewicht zijn • als de rechthebbende van een particulier graf zelf geen toestemming geeft. Indien de burgemeester geen vergunning voor opgraving verleent omdat de redenen voor de opgraving hem van onvoldoende gewicht lijken, kan de indiener tegen dit besluit bezwaar maken op grond van de Algemene wet
87 / 92
bestuursrecht. De burgemeester moet zijn besluit dan heroverwegen. Indien het besluit wederom voor de aanvrager negatief uitvalt, kan deze zich tot de bestuursrechter wenden.” In de handleiding wordt gesproken over het belang van grafrust. De handleiding geeft aan dat het gewenst is om “terughoudendheid te betrachten bij het honoreren van verzoeken om opgraving. Arbeidsomstandigheden en piëteit voor de grafrust spelen daarbij een cruciale rol”. Over de grafrusttermijn wordt het volgende opgenomen: “De wet noemt het criterium grafrust niet. Het is een criterium dat wel altijd in de jurisprudentie een rol heeft gespeeld. Het afgelopen decennium is als beleid gehanteerd dat opgraving kan worden toegestaan als een aanvraag om vergunning bij de burgemeester is ingediend òf binnen 2 maanden na de begrafenis òf minstens 10 jaar erna. De eerste maanden na een begrafenis is een kist gewoonlijk nog intact en kan de kist, zonder de overledene te hoeven beroeren, uit een graf worden genomen. Dit aspect is ook van belang als om een opgraving wordt verzocht uit een algemeen graf en er dan tevens een of meer andere kisten tijdelijk uit het graf zullen moeten worden verwijderd. […] Een opgraving kan feitelijk ook geschieden binnen de grafrusttermijn van 10 jaar, maar dan niet zonder de grafrust van de overledene te storen.
Het is technisch uitvoerbaar, maar feitelijk zeer belastend voor het uitvoerende personeel. Na 10 jaar zijn de kisten meestal vergaan en zijn de stoffelijke resten geskeletteerd. In de tussenliggende periode kan een kist en stoffelijk overschot in het algemeen niet worden opgegraven, zonder het stoffelijk overschot te beroeren.” De handleiding gaat verder in op de werkwijze voor het opgraven van lichamen in de zin van artikel 29 Wlb waarvoor een vergunning is verleend door de burgemeester. Benoemd wordt dat bij een dergelijke opgraving op basis van een vergunning kledingstukken – die het verteringsproces vertragen – waar mogelijk verwijderd dienen te worden. Evenals aanwezige lijkhoezen. Er worden geen andere maatregelen benoemd om het verteringsproces te bevorderen. Dergelijke maatregelen worden wel benoemd als het gaat om het ruimen van graven. Bij ruimen, na 10 jaar grafrust, kunnen onvolledig verteerde resten worden tegengekomen.
Hierover wordt aangegeven: “Indien het verteringsproces van de stoffelijke resten niet volledig is afgerond en er dus nog sprake is van niet of onvolledig verteerde resten, dan kan er niet worden geschud! Volgens de Inspectierichtlijn lijkbezorging, Bijlage 3 (1999), moeten niet- of onvolledig verteerde resten opnieuw ter aarde worden besteld.” Verderop in de handleiding wordt over het ruimen van onvolledig verteerde resten, na 10 jaar grafrust, aangegeven: “Belangrijk is dat het verteringsproces op een natuurlijke manier geschiedt en niet wordt bevorderd door welke onnatuurlijke toevoeging (ongebluste kalk, e.d.) dan ook. Toevoeging van organische middelen die het verteringsproces versnellen is bespreekbaar, mits een dergelijk middel wordt gekeurd voor dit doel bij een gerenommeerd onderzoeksbureau en ook door de LOB is erkend. Een dergelijk middel is bij het opstellen van dit boek nog niet bekend.” Over het algemeen geeft de handleiding aan dat – wanneer onvolledige vertering kan worden verwacht – een langere graftermijn kan worden overwogen. Dit is volgens de handleiding niet altijd een optie, bijvoorbeeld wanneer sprake is van adipocirevorming. Het langer laten liggen van adipocire resten houdt namelijk een onwenselijke situatie stabiel.
Veilig en gezond werken op begraafplaatsen (2024) In 2007 heeft IPC Groene Ruimte de eerste versie van het boek ‘veilig en gezond werken op begraafplaatsen’. In 2024 is deze versie gecorrigeerd en geactualiseerd. Het boek wordt uitgegeven in samenwerking met de LOB. Het boek geeft praktische handvatten voor het invullen van de arbowetgeving, specifiek op begraafplaatsen. Hierbij gaat het met
88 / 92
name over de feitelijke werkzaamheden op de begraafplaats en de risico’s en veiligheidsmaatregelen die volgen uit de werkzaamheden.2 Het boek gaat eerst in op de arbowetgeving, de verantwoordelijkheden en verplichting die hieruit volgen en de belangrijkste aandachtspunten vanuit de wetgeving. Denk aan de RI&E, ziekteverzuim, bhv, preventiemedewerkers, voorlichting en scholing, toezicht en bedrijfsongevallen. Vervolgens wordt ingegaan op persoonlijke beschermingsmiddelen, fysieke belasting, grafdelving, ruimingen en opgravingen, biologische agentia en het welzijn van medewerkers. Voor dit onderzoek is vooral het hoofdstuk omtrent ruimingen en opgravingen relevant. In het boek worden de volgende definities gebruikt: Ruimingen: oude graven vrij maken van de verteerde stoffelijke resten, zodat daar weer nieuwe graven uitgegeven kunnen worden. Opgravingen: het op enig moment opgraven van stoffelijke resten. Dit kan gebeuren om de stoffelijke resten op een andere plek te herbegraven of te cremeren, of in het kader van een gerechtelijk onderzoek van de stoffelijke resten.
Bij ruimingen en opgravingen heeft de werkgever als verantwoordelijkheden om zorg te dragen voor werkomstandigheden, waarbij de gevaren op veiligheids-, gezondheids- en PSA-gebied voor de medewerkers aanvaardbaar zijn, en het voorlichten van medewerkers over mogelijke schadelijke gevolgen en de voorgeschreven maatregelen. De werknemer heeft de verantwoordelijkheid om de voorlichtingen te volgen en de interne voorschriften tijdens de werkzaamheden uit te voeren. In het hoofdstuk ‘ruimingen en opgravingen’ wordt specifiek ingegaan op risico’s bij het ruimen van grafkelders. Hierover wordt aangegeven: “bij het betreden van de kelders kan men blootgesteld worden aan een tekort aan zuurstof in de omgevingslucht. Ook kunnen sporen van schimmels ingeademd worden. zorg dat er dan altijd ademhalingsbeschermingsmiddelen gedragen worden (red. het boek maakt onderscheid in een P1-filter (stofrestfilter) of een P2. Een P2-masker wordt als voorzorg aanbevolen indien onverteerde resten of schimmels verwacht kunnen worden) en laat eerst korte tijd de buitenlucht toetreden. Betreed nooit een grafkelder zonder dat een collega zich in de omgeving bevindt. De veiligheids- en gezondheidsaspecten zijn afhankelijk van de inrichting van de grafkelders. Grafkelders waarbij kisten op (onverteerbare) schotten zijn geplaatst, kunnen met behulp van een portaalkraan opgetakeld worden.
Blijven er veel resten in de kelder over, dan kunnen deze met een kraantje of handmatig naar boven gehaald worden.” Over opgravingen is opgenomen: “zeker bij de opgraving van een stoffelijk overschot dat recent begraven is, kan de confrontatie aangrijpend zijn. Opgravingen moeten eigenlijk alleen door gespecialiseerd personeel of gespecialiseerde bedrijven uitgevoerd worden.” In het boek worden schimmels specifiek genoemd als biologische agentia die kunnen worden aangetroffen in grafkelders. Hierover is opgenomen: “bij het openen van grafkelders kunnen sporen van schimmels vrijkomen, die via de ademhalingsorganen in het lichaam kunnen worden opgenomen. De gevolgen hiervan kunnen op korte termijn geïrriteerde luchtwegen zijn. Op lange termijn kunnen zich hierdoor diverse infectieziekten aan de luchtwegen voordoen met mogelijk ernstige gevolgen.”
2
Veilig en gezond werken op begraafplaatsen, IPC Groene Ruimte (2024).
89 / 92
Publieke websites Op verschillende sites, zoals uitvaart.nl en groeneuitvaart.nl, kunnen vragen worden gesteld aan juridische experts op het gebied van de lijkbezorging. Een aantal van deze vragen draaien om de noodzakelijkheid van een verlof om een graf te mogen openen. In 2004 wordt de volgende vraag wordt gesteld: “Een familie wil bij ons een graf laten openen om zekerheid te hebben wie er begraven ligt; om bepaalde redenen is er bij de familie - niet bij ons - twijfel ontstaan. Wellicht wil men DNA laten afnemen. In dit geval is het graf 23 jaar oud, is opnieuw ingehuurd na 20 jaar. Nu zou wel toestemming nodig zijn [red. van de burgemeester]?” Het antwoord is als volgt: “Jazeker is verlof van de gemeente (de burgemeester om precies te zijn) nodig. Kijkt u s.v.p. in de wet (artikel 29 Wlb), in mijn boeken (handboek Wet op de lijkbezorging uit 1993 of Begraving uit 2000), artikelen in het blad De Begraafplaats, of de sub-rubrieken Ruimen en Opgraven in deze juridische adviesrubriek. Er is een groot principieel verschil tussen het openen van een graf (dat gelijk staat aan opgraven) en ruimen. Ruimen mag zonder verlof. Maar opgraven of openen van het graf mag alleen en uitsluitend met verlof van de burgemeester, ook nadat dit 23, 46, 80, of 200 jaar na de begraving is. Na ruimen is er formeel geen graf meer voor wat betreft de geruimde stoffelijke resten.
Bij opgraving/herbegraving of opening is het (nieuwe) graf wel (nog steeds) het formele graf van de begraven persoon. Het criterium is dus het voortzetten van de grafrechten voor de begravene.”3 Bij een vraag omtrent het kunnen openen van een graf voor het verwijderen van sieraden uit 2002 wordt het volgende geantwoord: “Voor het openen van het graf is toestemming nodig van de burgemeester (niet van het college van burgemeester en wethouders) op grond van artikel 29 Wlb.”4 Bij een vraag omtrent het kunnen openen van een oude grafkelder voor DNA-onderzoek wordt het volgende aangegeven: “Een graf kan alleen geopend kan worden met toestemming van de rechthebbende van dat graf en een vergunning van de burgemeester van de gemeente waar de begraafplaats ligt. Er is soms discussie of verlof ex artikel 29 Wlb van de burgemeester wel nodig is, omdat dat artikel over opgraving gaat. Maar hier is sprake van (een beetje) opgraving in de zin van het wegnemen van stoffelijke resten, hoe klein of weinig ook.”5 Bij een vraag omtrent het mogen openen van een graf om te controleren of een overledene nog in het graf aanwezig is wordt geantwoord: “Het is niet zonder meer toegestaan om een graf te openen. Opening van het graf om de kist van de overledene of de stoffelijke resten te zien geldt als opgraving.
Daar is verlof van de burgemeester voor nodig op grond van artikel 29, eerste lid, Wet op de lijkbezorging. Er is toestemming nodig van de rechthebbende op het graf.”6
3
Vraag: Toestemming opening graf, verschil ruiming,
https://www.groeneuitvaart.nl/?s_page_id=68&scat=37&id=4308&pid=1#:~:text=Er%20is%20een%20groot%20principieel,jaar%20na%20de% 20begraving%2 0is. Laatst geraadpleegd op 14 augustus 2025. 4
Openen kist na begraving voor sieraden, https://www.uitvaart.nl/juridisch/begraven/sieraden-e-a-grafgiften/openen-kist-na-begraving-voor-
sieraden/990#:~:text=Antwoord:,door%20een%20professioneel%20bedrijf%20gebeurt.&text=Ook%20verstandig%20om%20in%20te,de%20kist%20mee%20 begraven%20worden?. Laatst geraadpleegd op 14 augustus 2025. 5
Vraag: Grafkelder openen voor DNA onderzoek, https://www.groeneuitvaart.nl/?s_page_id=68&scat=37&id=14969&pid=1. Laatst geraadpleegd op 14
augustus 2025. 6
Opgraven om zekerheid te krijgen, https://www.uitvaart.nl/juridisch/begraven/overig-begraven-begraafplaats/opgraven-om-zekerheid-te-krijgen/1728.
Laatst geraadpleegd op 14 augustus 2025.
90 / 92
91 / 92
Werken met TwynstraGudde betekent samen maatschappelijke transities werkend krijgen. Met advies, management en opleidingen helpen we mensen en organisaties bij duurzame veranderingen. Denk aan energie en klimaat, wonen, veiligheid, landbouw, mobiliteit, zorg en onderwijs. Onze kracht ligt in daadkracht. In het creëren van oplossingen die werkbaar zijn én werkbaar blijven. Samen met onze opdrachtgevers - en alle belanghebbenden daaromheen - werken we aan een samenleving die schoon, veilig, gezond en weerbaar is. Zo maken we blijvend impact op morgen.