2015-03-Transformaties-in-De-Nieuwe-Energie-eindrapport-schermversie.pdf
Tekst van het document
(geïnterviewde 1409, derde onderzoeksronde) 6.5.1 Mate van thuis voelen in de Nieuwe Energie Op de stelling “In de NE voel ik me thuis” kwam kritiek van cliënten. Zij zeiden, terecht, dat het nooit de bedoeling kan zijn dat je je thuis voelt in een daklozenopvang. Beter zou zijn geweest te vragen of mensen zich op hun gemak voelen. Toch hebben we de formulering gehandhaafd om de resultaten bij de verschillende onderzoeksrondes te kunnen vergelijken. Het gemiddelde bij alle onderzoeksrondes is ongeveer gelijk. In de derde onderzoeksronde is de vraag “in de NE voel ik mij op mijn gemak” toegevoegd, en deze wordt iets hoger gescoord (2,2). Tabel 6.7 Mate van thuis voelen in de Nieuwe Energie Stelling: “In de Nieuwe Energie voel ik me thuis” Augustus 2013 n = 69 Schaalgemiddelde (0-4) 1,7
Juni 2014 n = 75 1,8
December 2014 n = 73 1,5
6.5.2 Waarschuwingen of schorsing In het verlengde van duidelijkheid van huisregels, de bejegening door personeel en je ‘op je gemak voelen’, ligt het aantal keer dat mensen zijn gewaarschuwd of geschorst. De frequentie van waarschuwen en schorsen is te beschouwen als het resultaat van bejegening enerzijds en gedrag van cliënten anderzijds. Uit de interviews met professionals komt naar voren dat de meest onaangepaste drugs- en alcoholgebruikers na ‘sluiting’ van het Papegaaisbolwerk zijn verspreid over de stad en niet, zoals door sommigen werd gedacht, meer gebruik zijn gaan maken van de NE. In de wandelgangen van de NE heerst het beeld dat het rustiger is geworden sinds de ‘sluiting’ van het Papegaaisbolwerk. Met deze observaties in gedachten is het te verwachten dat het aantal waarschuwingen en schorsingen in de NE is afgenomen. De percentages in tabel 6.8 laten zien dat het aantal mensen dat is gewaarschuwd of geschorst na de eerste onderzoeksronde inderdaad is afgenomen en daarna stabiel gebleven. Tabel 6.8 Gewaarschuwd of geschorst (afgelopen maand) Augustus 2013
Juni 2014
December 2014
39
Percentage dat ≥ 1x is gewaarschuwd Percentage dat ≥ 1x is geschorst
n = 64 25% 30%
n = 75 13% 9%
n = 70 11% 10%
Uit de werkgroep, tweede onderzoeksronde In de werkgroep bijeenkomst werd naar voren gebracht dat ook de dagbesteding, de inzet van herstelmethodiek en het gebruik van de ‘time out’ sanctie in plaats van schorsing een verklaring is voor de verbetering van de sfeer en afname van waarschuwingen en schorsingen.
40
7
Conclusies
7.1 Achtergrond bij het onderzoek naar de Nieuwe Energie Stichting De Binnenvest heeft het IVO in het voorjaar van 2013 verzocht een evaluatie uit te voeren van de handhaving van de buitenruimte rond de dag- en nachtopvang, het functioneren van de drugsgebruikersruimte, de ontwikkeling van de gezondheid van bezoekers en het beleid rond verslaafden in de doorstroomkamers. Het onderzoek had een procesondersteunend karakter: tussentijdse resultaten zijn telkens besproken in een werkgroep van betrokken professionals en cliënten, om een vinger aan de pols te houden en het veranderproces waar nodig bij te sturen. Alvorens in te gaan op de belangrijkste resultaten en conclusies bespreken we in deze paragraaf kort de vraagstelling en het verloop van de evaluatie. De evaluatie richtte zich op drie aspecten van de veranderingen die hebben plaatsgevonden: 1. Overlast: wat zijn de gevolgen van de ‘sluiting’ van het Papegaaisbolwerk, oktober 2013? Omdat deze sluiting zou kunnen leiden tot verplaatsing van de overlast is tegelijkertijd een gebruiksruimte voor hard- en softdrugs geopend. Werkt deze aanpak? 2. Doorstroomkamers: heeft het bewonen van een doorstroomkamer effecten op het gebruik (frequentie en hoeveelheid) van de verslaafde cliënten en hun kwaliteit van leven en zo ja, welke? 3.
Gezondheid en kwaliteit van leven: wat zijn op cliëntniveau de behaalde resultaten (frequentie en hoeveelheid van middelengebruik, gezondheidsrisico’s van gebruik, kwaliteit van leven) van de gebruiksruimten, de geboden zorg en begeleiding van de NE? Wat zijn volgens cliënten en medewerkers de werkzame elementen in de begeleiding die zij bieden? Het onderzoek is in grote lijnen volgens plan verlopen. Er hebben drie rondes van dataverzameling plaatsgevonden, waarin verschillende bronnen op verschillende manieren zijn geraadpleegd. Vanwege de uitgestelde opening van de doorstroomkamers is besloten om de looptijd van het onderzoek te verlengen. De geplande activiteiten hebben daardoor wat meer verspreid in de tijd plaats gevonden, waardoor het contact tussen onderzoekers en medewerkers van de NE langere periodes minder intensief was dan vooraf was beoogd. Dit heeft wellicht gevolgen gehad voor de mate waarin medewerkers het onderzoek als continue ondersteunende factor hebben ervaren. In de volgende paragrafen gaan we allereerst na of fysieke en organisatorische maatregelen zijn ingevoerd zoals beoogd en wat het effect is geweest op de overlast (§7.2).
Vervolgens worden de ontwikkelingen besproken vanuit het perspectief van de doorstroomkamers (§7.3) en aansluitend vanuit het perspectief gezondheid en kwaliteit van leven van de cliënten (§7.4) en dien sten die de Nieuwe Energie levert (§7.5). In paragraaf 7.6 sluiten we af met enkele algemene conclusies. 7.2
Sluiting Papegaaisbolwerk en opening gebruiksruimten: vermindering van overlast
7.2.1 Sluiting Papegaaisbolwerk In oktober 2013 is het Papegaaisbolwerk ‘gesloten’ en zijn de gebruiksruimtes voor hard- en softdrugs geopend. Uit de evaluatie is gebleken dat een deel van de groep die op het Papegaaisbolwerk verbleef zich meer op de NE is gaan richten, terwijl een ander deel van de groep - vooral degenen met forse verslavingsproblematiek – zich over Leiden verspreidde. Zij konden of wilden zich niet aanpassen aan de structuur en regels van de NE.
41
Overlast en leefbaarheid rondom de NE worden gemonitord door de Beheergroep Veilige Openbare Ruimte (BVOR), waarin belanghebbende organisaties en bewoners zitting hebben. Nadat in oktober 2013 een einde kwam aan de gedoogsituatie op het Papegaaisbolwerk heeft de Beheergroep eerst een toename van overlast in de buurt gezien, en daarna een gestage afname ervan. Substantiële uitwaaieringseffecten bleven uit en zijn zoveel mogelijk aangepakt, onder andere door samenwerking tussen politie en het outreachend werk van Stichting De Binnenvest. Eind 2014 is de situatie goed onder controle en worden er in het gebied rondom de NE minder overlastklachten gemeld dan toen het Papegaaisbolwerk nog open was. Er zijn geen aanwijzingen dat de gebruiksruimten nieuwe verslaafden en/of drugsdealers aantrekken. 7.2.2 Functioneren van de gebruiksruimten Als we alleen kijken naar hoe de alcoholgebruiksruimte en de nieuwe gebruiksruimten voor soft- en harddrugs operationeel functioneren, kunnen we zeggen dat het goed gaat. Het aantal bezoekers dat in alle gebruiksruimten komt schommelt rond de 25 personen per maand, waarvan de helft om de paar maanden nieuw is. Volgens bezoekers, beveiligers en hulpverleners is met deze aantallen, de huidige grootte van de ruimten en de geldende huisregels de voorziening prima te draaien.
De bezoekers vinden de zaken rond de gebruiksruimten praktisch en handig geregeld. Ze hebben over het algemeen voldoende tijd om te gebruiken en vinden dat de beveiliging respectvol met ze omgaat. Het in de tweede onderzoeksronde aangedragen verbeterpunt om de openingstijden van de gebruiksruimten beter te laten aansluiten op de andere tijden die in de Nieuwe Energie gelden, heeft geleid tot verruiming van de openingstijden. 7.2.3 Verminderen van de openbare overlast De doelstelling “het verminderen van overlast op straat” lijkt ruimschoots gehaald, althans wat betreft het gebruiken in het openbaar door hen die in de gebruiksruimten komen. Dit staat in principe los van de eventuele overlast die het beëindigen van de gedoogsituatie op het Papegaaisbolwerk heeft veroorzaakt. Hoewel initiële overlast is weggeëbd, mede dankzij intensief handhaven, is ook duidelijk dat de gebruiksruimten voor een deel van de vaste bezoekers van het Papegaaisbolwerk niet toegankelijk zijn of onvoldoende aantrekkelijk zijn. Het gaat een groep mensen met meerdere problemen (psychisch, financieel, verslaving, gedragsmatig) die zich individueel of in duo’s of trio’s over de stad hebben verspreid. In de werkgroep (tweede onderzoeksronde) is meerdere keren het woord “maatwerk” gevallen. Maatwerk kan het instrument zijn om kwetsbare individuen (zorgmijders) aan zich te binden.
7.2.4 Sociale functie van de gebruiksruimten Hoewel de gebruiksruimtes primair zijn opgezet om de hoogste nood te lenigen van mensen die middelen gebruiken, hebben de gebruiksruimte wel degelijk ook een sociale functie. Overal waar gebruikers van middelen elkaar treffen kleeft er aan gebruik een sociaal aspect. Dit is onvermijdelijk en er is ook geen reden om het gebruik volledig te medicaliseren. Er worden drugs en alcohol gedeeld, de beveiliging treedt daar niet tegen op en dat hoeft ook niet zolang het niet tot problemen leidt. De niet-delen regel stelt een goede norm waarop mensen elkaar onderling kunnen aanspreken wanneer delen bietsen wordt en waarop de beveiliging ook kan ingrijpen. Dit gebeurt overigens zelden. 7.3 Ervaringen met de doorstroomkamers Na een vertraagde start zijn in maart 2014 de doorstroomkamers in gebruik genomen. Door de vertraging maar ook doordat de informatie over criteria en huisregels niet bij iedereen goed aankwam, is de beeldvorming over de doorstroomkamers niet optimaal. Onder de bezoekers van de NE zijn de toelatingscriteria niet duidelijk en dat geldt deels ook voor medewerkers. Hierdoor lijkt de instroom soms te haperen en is er sprake van tijdelijke leegstand. De interviews laten zien dat in individuele gevallen wordt afgeweken van de nu geldende huisregels.
42
Dit lijkt de leefbaarheid ten goede te komen. Het controleren op naleving van het verbod op middelengebruik wordt niet frequent gedaan. Enerzijds vanuit de visie dat de bewoners hieromtrent zelf een grote verantwoordelijkheid hebben, anderzijds omdat frequente controles niet goed zijn voor de sfeer en omdat het te arbeidsintensief is. Bovendien hebben geen (overlast)incidenten plaats gevonden die aanleiding gaven tot frequente controles. Eind 2014 is besloten om het gebruik op de eigen kamer niet meer te verbieden. Er zijn enkele voorbeelden die er op wijzen dat toelating tot de doorstroomkamers een matigend effect heeft op middelengebruik. Deze voorbeelden kunnen niet worden gegeneraliseerd. In de werkgroep is gesproken over de eigen bijdrage die geldt voor de doorstroomkamers. Die zou een aantal mensen ervan weerhouden van de doorstroomkamers gebruik te maken. In de beeldvorming is kennelijk niet helemaal duidelijk dat de NE, inclusief de doorstroomkamers, een noodvoorziening is en geen “spaarkas”. Niettemin raakt het een relevant punt, namelijk dat budgetteren en sparen vanaf het begin voor veel cliënten wenselijk zou zijn, zodat ze bij uitstroom een kleine financiële buffer hebben om de sprong naar (meer) zelfstandig wonen te vergemakkelijken. Op één uitzondering na zijn alle cliënten in een doorstroomkamer binnen zes maanden uitgestroomd.
De verhalen van een drietal mannen dat is uitgestroomd levert geen eenduidig beeld op. De een is zeer tevreden over zijn nieuwe situatie en over de begeleiding, de ander gelaten en pessimistisch en een derde boos en teleurgesteld in de begeleiding. 7.4
Ervaren gezondheid en kwaliteit van leven
7.4.1 Gezondheid lijkt niet te verbeteren door instellen gebruiksruimten Afgezien van het beschikbaar zijn van de gebruiksruimten op zich – en dus de mogelijkheid om rustig te gebruiken - , lijken de gebruiksruimten met name voor de druggebruikers weinig toegevoegde waarde te hebben als het gaat om het verbeteren en/of intensiveren van de zorgcontacten met de NE. Voor de mensen die voornamelijk in de alcoholruimte komen is de meerwaarde groter. Uit de werkgroep komt naar voren dat niet alleen medewerkers van de NE cliënten bij het spreekuur zouden kunnen ‘afleveren’, maar dat de effectiviteit en het bereik van het spreekuur zouden verbeteren als de medewerkers van Brijder meer outreachend zouden werken. De outreachende manier van werken van GGZ Leiden wordt als voorbeeld aangehaald. Vanuit de beveiliging bestaat de indruk dat medewerkers van de NE weinig belangstelling hebben voor het reilen en zeilen van de gebruiksruimten. De doelstelling van de gebruiksruimten gericht op het beperken van gezondheidsrisico’s voor verslaafden zijn op twee manieren aan de orde gekomen in de stellingen die aan bezoekers van de gebruiksruimten zijn voorgelegd. In de ogen van de bezoekers voldoen de gebruiksruimten ruimschoots aan de risicobeperkende, ze hoeven niet meer buiten te gebruiken en lopen dan geen boetes op.
Het betekent echter nog niet dat zij ook vinden dat hun gedrag ‘gezonder’ is geworden. Hulpverleners voeren met cliënten gesprekken over middelengebruik. In de werkgroep is geopperd dat medewerkers zich bewust zouden moeten zijn van hun persoonlijke visie op middelengebruik en dat een neutrale houding het meest adequaat is (indachtig de uitgangspunten van de gesprekstechniek motiverende gespreksvoering). 7.4.2 Ontwikkeling van het middelengebruik: minder gebruikers van harddrugs In de onderzoeksrondes is te zien dat het voorkomen van gebruik van tabak, alcohol en cannabis niet erg van elkaar verschilt. Wat lijkt afgenomen tussen de eerste en tweede onderzoeksronde is aantal mensen dat heroïne en/of cocaïne gebruikt in de derde onderzoeksronde zien we weer een toename. De afname in de tweede onderzoeksronde lijkt te onder andere te verklaren door de ‘sluiting’ van het Papegaaisbolwerk en
43
toename in de derde onderzoeksronde wellicht door mensen die aanvankelijk uitwaaierden toch eieren voor hun geld kozen en zich bij de NE meldden. 7.4.3 Geestelijke gezondheid heeft aandacht nodig Psychische klachten van de cliënten van de NE zijn ernstig in vergelijking met de algemene bevolking. Een logische consequentie daarvan is dat hiermee in de bejegening en het dienstenaanbod rekening wordt gehouden. In de werkgroep was deze bevinding aanleiding om te spreken over bejegening van cliënten en over de NE als ongunstige context om trauma’s en psychische klachten te verwerken. In dit verband is de afgenomen tevredenheid onder cliënten met het Actieplan en de lagere waardering voor de kwaliteit van de hulpverlening noemenswaardig. In de werkgroep werd de vraag gesteld of, naast de grootschaligheid, ook de druk op cliënten om snel door te stromen en de in het Actieplan afgesproken taakverdeling verklarende factoren zouden kunnen zijn. Niet alle cliënten kunnen die verantwoordelijkheid aan; het is juist de reden waarom ze bij de NE aanklopten. Voor hulpverleners is een van de kenmerken van herstelwerk het voorzichtig manoeuvreren tussen het overlaten van verantwoordelijkheid aan cliënten, en waar nodig taken overnemen. Ook veel cliënten moeten aan deze rolverdeling wennen. Uit de interviews met cliënten blijkt dat zij vinden dat ze heel veel zelf moeten doen.
Dit leidt bij minder stabiele en/of vaardige cliënten tot frustratie. 7.5 Ervaringen van cliënten met de aanvullende diensten van de Nieuwe Energie De mogelijkheid tot het aanhouden van een postadres vormt in de ogen van de cliënten de belangrijkste dienst van de NE. Het is de toegangspoort tot maatschappelijk herstel. Daarnaast vinden cliënten de gesprekken met hulpverleners (persoonlijke begeleider en maatschappelijk werker) belangrijk, op de voet gevolgd door “avondeten”. Bij de laatste onderzoeksronde stond avondeten in de ranglijst zelfs boven de gesprekken met hulpverleners. De meeste passanten voeren dagelijks een of twee klussen uit. Enerzijds als tegenprestatie voor de geboden diensten, anderzijds om mensen te activeren. Over het algemeen is er begrip en zelfs waardering voor het verplichte klussen. In de derde ronde zijn de mogelijkheden om extern te klussen afgenomen omdat daar een indicatie voor is vereist. Het spreekuur van Brijder verslavingszorg kent de grootste bezoekersaantallen. Dit wordt verklaard door het verplichte karakter van een adviesgesprek teneinde toegang te krijgen tot de gebruiksruimte. Bij GGZ Leiden en ActiVite ontbreekt een dergelijke prikkel en de spreekuurhouders zijn daarom iets meer outreachend om passanten te spreken (GGZ Leiden) of te meten en te wegen (ActiVite).
Het is zelfs denkbaar dat door de informele en outreachende werkwijze mensen die met de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (GGZ Leiden) hebben gesproken dit niet eens als zodanig hebben herinnerd toen ze de vragenlijst invulden. De samenwerking met de Nieuwe Energie is niet helemaal vanzelfsprekend. Zowel spreekuurhouders als medewerkers van de Nieuwe Energie zijn zoekende (maar soms ook afwachtend) hoe een prettige en doeltreffende samenwerking vorm te geven. 7.6 Tot slot Terugkijkend op enkele belangrijke veranderingen die in de Nieuwe Energie hebben plaatsgevonden lijkt het erop dat deze goed hebben uitgepakt. Vooral de sluiting van het Papegaaisbolwerk heeft het aangezicht van de Nieuwe Energie ten goede veranderd. Dankzij een doeltreffende samenwerking tussen de Nieuwe Energie/ De Binnenvest met de gemeente, politie en buurtbewoners is de overlast ingedamd en lijkt de uitgewaaierde overlast steeds verder verdund. De gebruiksruimten spelen daarin een bufferende rol: minder gebruik op straat is goed voor de buurt en ook voor gebruikers, die hierdoor veel minder boetes oplopen. De doorstroomkamers
44
kwamen door technische problemen later beschikbaar dan gepland. Voor veel passanten, maar ook voor sommige medewerkers, verloopt de toegang tot een kamer ondoorzichtig. De voorziening lijkt daardoor nogal afgescheiden van de nachtopvang, ondanks het feit dat het in hetzelfde pand is ondergebracht. Dit staat het functioneren van beide voorzieningen niet in de weg. De Nieuwe Energie is een locatie met veel dynamiek, waar op verschillende niveaus zorg en begeleiding wordt geboden. Er komen (veel) cliënten met uiteenlopende, soms ernstige en complexe, problemen. Naast individuele hulpverlening aan cliënten en passanten door groepswerkers, maatschappelijk werkers en externe hulpverleners, moet er ook door bijna 50 mensen driemaal daags worden gegeten en worden overnacht. Ook worden drie gebruiksruimten gerund. Sommige medewerkers ervaren flinke werkdruk en cliënten voelen zich daardoor mogelijk niet altijd gezien of gehoord. Goede onderlinge samenwerking in deze constellatie is noodzakelijk maar niet vanzelfsprekend. Zo is er de terugkerende vraag tussen medewerkers onderling en tussen medewerkers en externe hulpverleners wie verantwoordelijk is voor een goede overdracht. In enkele interviews en in de wandelgangen klinkt de behoefte aan meer zichtbare en duidelijker aanwezige leiding die de onderlinge samenwerking en afstemming ondersteunt.
45
8
Geraadpleegde bronnen
Essen, J. van, Horst, K., Van der, Wieske, E., Ruyten, M., & De Jong, C. (2011). Richtlijn Alcoholgebruikruimten. Amersfoort: Stichting Resultaten Scoren. Havinga, P., & Van der Poel, A. (2012). Organisatie en inrichting van gebruiksruimten in Nederland. Verslaving, 8(2). Korthout, L., Penaat, M., Strojil, M., Molenaar, E., & Van der Klaauw, M. (2013). Plan van Aanpak gebruiksruimte NE (werkdocument). Leiden: De Binnenvest. Ouwerkerk, M. (2012). Uitbreiding zorg in de Nieuwe Energie. Leiden: Gemeente Leiden. Van der Stel, J. (2012). Focus op persoonlijk herstel bij psychische problemen. Den Haag: Boom / Lemma uitgevers. Zonder Auteur. (n.d.). Procesbeschrijving Samenwerking OGGZ Leiden. no city: no publisher.
46
Bijlage 1 Vraagstelling van de evaluatie A. Handhaving buitenruimte: 1. Welke afspraken zijn met politie en bewoners gemaakt over handhaving van de buitenruimte en hoe worden deze nageleefd? 2. Wat is de ervaren overlast van bewoners in de directe omgeving van het Papegaaisbolwerk en is deze veranderd sinds de opening van de drugsgebruiksruimte? Vinden zij dat ze voldoende bij het beleid worden betrokken? 3. Wat is in de tweede helft van 2013 (na opening van de gebruiksruimte) het aantal druggerelateerde incidenten rond het Papegaaisbolwerk in vergelijking met de tweede helft van 2012? 4. Hoe is de veiligheidsbeleving van bewoners van het district Binnenstad Noord in 2013 t.o.v. 2011, in vergelijking met de andere negen districten in Leiden? 5. Zijn er concrete aanwijzingen dat er sinds de opening (juli 2013) een aanzuigende werking van de gebruiksruimte op dealers en verslaafden van buiten de stad heeft plaatsgevonden? B. Het functioneren van de drugsgebruiksruimte en het effect op bezoekers: 6. Wat zijn de voorwaarden voor toelating en worden deze voorwaarden goed gemonitord? 7. Hoeveel unieke cliënten maken per maand gebruik van de gebruiksruimte? 8. Is de groep die gebruik maakt van de gebruiksruimte stabiel of wisselend van samenstelling? 9. Hoe is de bezetting van de gebruiksruimte (per dag in de week, per dagdeel)? 10.
Wat zijn de huisregels van de gebruiksruimte (hoe lang mag je in de ruimte, met hoeveel) en hoe is de omgang van personeel en cliënten met deze regels? Welke suggesties voor verbetering doen medewerkers en cliënten? 11. Is er een plan voor noodsituaties? Worden calamiteiten volgens dit plan afgehandeld en worden ze geregistreerd? 12. Zijn er duidelijke EHBO-instructies beschikbaar voor de medewerkers van de gebruiksruimte en is het personeel geschoold in EHBO gericht op drugsgebruik? Zijn cliënten geschoold? 13. Melden zich méér nieuwe cliënten die verslaafd zijn dan voor de opening van de drugsgebruiksruimte, bijvoorbeeld uit de regio of juist andere regio’s? 14. Waar en hoe vaak per dag kopen de cliënten hun drugs? Is hier een verschuiving te zien na de ingebruikname van de gebruiksruimte en zo ja, welke? 15. Wat zijn de achterliggende mechanismen van een eventueel vastgestelde toe- of afname van het aantal incidenten rond het Papegaaisbolwerk? C. Het beleid rond verslaafden in de doorstroomkamers: 16. Hoe is de bezetting en de doorstroom in de doorstroomkamers? Naar welke woonvormen stromen cliënten door? 17. Heeft het bewonen van een doorstroomkamer effecten op het gebruik (frequentie en hoeveelheid) van de verslaafde cliënten en hun kwaliteit van leven en zo ja, welke? 18.
Wat is volgens cliënten en medewerkers van de Nieuwe Energie het effect van de mogelijkheid van gebruik op de eigen kamer op het gebruik van cliënten en hun kwaliteit van leven, in vergelijking met gebruik in de gebruiksruimte? 19. Wat zijn volgens cliënten en medewerkers van de Nieuwe Energie de voor- en nadelen van een eventueel verschil in middelenbeleid op de doorstroomkamers ten opzichte van de nachtopvang? D. Zorgaanbod, het zorggebruik en de beperking van de gezondheidsrisico’s van de cliënten:
47
20. Wat zijn op cliëntniveau de behaalde resultaten van de zorg en begeleiding van de Nieuwe Energie (frequentie en hoeveelheid van middelengebruik, gezondheidsrisico’s van gebruik, kwaliteit van leven)? Wat zijn volgens cliënten en medewerkers de werkzame elementen? 21. Hoe ervaren verslaafde cliënten en medewerkers van de Nieuwe Energie in het algemeen de kwaliteit van zorg vanuit de Nieuwe Energie en ketenpartners zoals Brijder? Welke veranderingen waarderen zij het meest en welke het minst? 22. Heeft de mogelijkheid van drugsgebruik in de gebruiksruimte effect op de frequentie van het gebruik van de verslaafde cliënten en op de gezondheidsrisico’s door de wijze van gebruik? 23. Hoe is de samenwerking met Brijder en de GGZ bij de begeleiding van verslaafden? Worden de spreekuren door Brijder ingevuld volgens afspraak? Hoe verloopt de afstemming met het Veiligheidshuis? 24. Hoe ervaren de cliënten de ruimere aanwezigheid van verslavingszorgmedewerkers? Is er inderdaad intensiever contact met medewerkers van Brijder dan voorheen? 25. Hoeveel mensen stromen door naar behandeling voor verslaving of worden toegeleid naar diverse vormen van zorg (GGZ en verslavingszorg)?
48
Bijlage 2 Methodische verantwoording In onderstaande tabellen een schematisch overzicht van de de belangrijkste onderzoeksthema’s en de informatiebronnen die zijn gebruikt om de bij behorende vragen te beantwoorden. Eerste onderzoeksronde (augustus 2013) Overlast buitenruimte Schriftelijke vragenlijst onder 71 cliënten Interviews cliënten (n = 16) Interviews medewerkers (n =4) Groepsinterview Beheerscommissie Werkgroep
Functioneren gebruiksruimten
Gezondheid en kwaliteit van leven
Zorgaanbod
Functioneren doorstroomkamers
X
X
X
X
-
X
-
X
X
-
X
-
X
X
-
X X X
X
X X
X X
-
Functioneren gebruiksruimten
Gezondheid en kwaliteit van leven
Zorgaanbod
Functioneren doorstroomkamers
X
X
X
X
X
X
-
X
X
-
X
X
X
-
-
X
X
X
X
X
-
-
-
-
-
X
-
-
-
-
X
X
X
X
X
Gezondheid en kwaliteit van leven
Zorgaanbod
Functioneren doorstroomkamers
Tweede onderzoeksronde (mei/juni 2014) Overlast buitenruimte Schriftelijke vragenlijst onder 78 cliënten Interviews cliënten (n = 12) Stellingen gebruiksruimten Interviews medewerkers (n = 3) Groepsinterview Beheerscommissie (telefonisch, voorzitter) Werkgroep
Derde onderzoeksronde (november/december 2014) Overlast Functioneren buitenruimte gebruiksruimten Schriftelijke vragenlijst onder 74 cliënten Interviews cliënten doorstroomkamers (n = 6)
X
X
X
X
X
X
-
X
X
X
49
Interviews medewerkers (n = 3) Groepsinterview Beheerscommissie (telefonisch, voorzitter) Werkgroep
-
X
X
X
X
-
-
-
-
-
X
-
-
-
-
X
X
X
X
X
50
Bijlage 3 Stellingen gebruiksruimten geclusterd (tweede onderzoeksronde) De bezoekers van de gebruiksruimten is 20 stellingen voorgelegd die samenhangen met de doelstellingen van de gebruiksruimte zoals geformuleerd door de gemeente en de mogelijkheden die De Binnenvest ziet om door middel van de gebruiksruimten de kwaliteit van zorg te verbeteren. Op elke stelling konden de bezoekers reageren met een vijfpuntsschaal. Hoe hoger de score, hoe beter de gebruiksruimte voldoet aan de verwachtingen. Om de mening van de bezoekers samen te vatten zijn de stellingen naar vijf hypotheses (of thema’s) geclusterd. 1. De gebruiksruimte functioneert operationeel goed In dit cluster gaat het om het praktische, alledaagse functioneren van de gebruiksruimten. De stellingen in dit cluster zijn: Gebruiken in de gebruiksruimte is praktisch /handig De beveiliging gaat respectvol met mij om In de gebruiksruimte heb ik voldoende tijd om te gebruiken De openingstijden van de gebruiksruimte zijn voor mij oké. Gemiddelde score: 3,2 2. De gebruiksruimte heeft geen sociaal functie De Binnenvest vindt dat de gebruiksruimte geen sociale functie mag hebben. In dit cluster twee stellingen: Gebruiken in de gebruiksruimte is gezellig In de gebruiksruimte deel ik mijn alcohol/ drugs met anderen Gemiddelde score: 2,2 Toelichting: kennelijk heeft de gebruiksruimte wel een sociale functie voor haar bezoekers. 3.
De gebruiksruimte verbetert de kwaliteit van zorg. Met de ingebruikname van de gebruiksruimte streven gemeente en De Binnenvest naar het verbeteren van de zorg voor verslaafden. De Binnenvest rekent daartoe ook het opbouwen van de hulpverleningsrelatie met passanten die verslaafd zijn of middelen gebruiken. In dit cluster zijn vijf stellingen ondergebracht. Sinds ik in de gebruiksruimte kom praat ik vaker met hulpverleners over mijn gebruik Sinds ik in de gebruiksruimte kom krijg ik voorlichting/informatie over veilig gebruiken/drinken Sinds ik in de gebruiksruimte kom is mijn contact met de hulpverleners van de Binnenvest verbeterd. Sinds in de gebruiksruimte kom heb ik vaker contact met mensen van Brijder. Het adviesgesprek met Brijder was nuttig. Gemiddelde score: 2,7 4. De gebruiksruimte beperkt gezondheidsrisico’s Doordat gebruikers niet meer genoodzaakt zijn om (altijd) op straat te gebruiken en de mogelijkheid hebben in veilig en hygiënisch omstandigheden de gebruiken, verminderen de gezondheidsrisico’s. Dit thema is gesplitst in twee subthema’s: omstandigheden en gedrag. 4a. De omstandigheden zijn risicobeperkend: Gebruiken in de gebruiksruimte is gezonder dan andere gebruiksplekken Gebruiken in de gebruiksruimte is stressvol Gebruiken in de gebruiksruimte is hygiënisch Gebruiken in de gebruiksruimte is veilig
51
Gemiddeld score: 3,7 4b. De bezoekers gebruiken minder risicovol: In de gebruiksruimte ben ik zuiniger met alcohol /drugs Sinds ik in de gebruiksruimte kom, let ik beter op mijn gezondheid. De huisregels van de gebruiksruimte zorgen ervoor dat ik minder gebruik De verplichte pauze na bezoek is goed voor mij. Gemiddelde score: 2,9 5. De gebruiksruimte vermindert overlast Als mensen niet op straat gebruiken maar binnen, onder gecontroleerde omstandigheden, vermindert dat de overlast in de publieke ruimte. Eén stelling in dit thema. Sinds ik in de gebruiksruimte kom gebruik ik minder vaak op straat Gemiddelde score: 3,6 Stelling 1. De gebruiksruimte functioneert operationeel goed 2. De gebruiksruimte heeft geen sociale functie 3. De gebruiksruimte verbetert de kwaliteit van zorg. 4. De gebruiksruimte beperkt gezondheidsrisico’s 5. De gebruiksruimte vermindert overlast
Gemiddelde score (max. 5) 3,2 2,2 2,7 3,7 (omstandigheden) 2,9 (gedrag) 3,6
De bezoekers die de alcoholgebruiksruimte het belangrijkst vinden scoren significant hoger op het cluster: gebruiksruimte verbetert de kwaliteit van zorg (2,9 / 2,2)8. De overige clusters laten geen verschillen zien tussen alcohol en drugs.
8
t:2,435, df 19, p = .025
52
Stellingen Gebruiksruimten De Nieuwe Energie gemiddelde score per stelling 0
0,5
1
1,5
2
2,5
3
3,5
4
4,5
5
1. Gebruiken in de gebruiksruimte is praktisch /handig 2. Gebruiken in de gebruiksruimte is gezonder dan andere… 3. Gebruiken in de gebruiksruimte is stressvol 4. Sinds ik in de gebruiksruimte kom praat ik vaker met… 5. Gebruiken in de gebruiksruimte is gezellig 6. Gebruiken in de gebruiksruimte is hygiënisch 7. Gebruiken in de gebruiksruimte is veilig. 8. In de gebruiksruimte ben ik zuiniger met alcohol /drugs 9. De beveiliging gaat respectvol met mij om 10. In de gebruiksruimte deel ik mijn alcohol/ drugs met… 11. Sinds ik in de gebruiksruimte kom, let ik beter op mijn… 12. Sinds ik in de gebruiksruimte kom krijg ik… 13. De huisregels van de gebruiksruimte zorgen ervoor dat ik… 14. Sinds ik in de gebruiksruimte kom is mijn contact met de… 15. Sinds in de gebruiksruimte kom heb ik vaker contact met… 16. Sinds ik in de gebruiksruimte kom gebruik ik minder vaak… 17. In de gebruiksruimte heb ik voldoende tijd om te… 18. Het adviesgesprek met Brijder was nuttig. 19. De openingstijden van de gebruiksruimte zijn voor mij oké. 20. De verplichte pauze na bezoek is goed voor mij
53
@MF ?\\diXX[jj`e^\c(0+ *')(;DIfkk\i[Xd K'('+),**-='(').-*0// J\Zi\kXi`XXk7`mf%ec nnn%`mf%ec