CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2015-03-Transformaties-in-De-Nieuwe-Energie-eindrapport-schermversie.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 20 mei 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Beantwoorden door het college van artikel 40-vragen RvO van de fractie VVD over Gebruikersruimte Kromhout-Kasperspad - Antwoordbrief artikel 40/4123.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Interessanter was de vraag hoe zij de situatie rond de gebruiksruimten (inclusief alcohol) beheersbaar houden, de gezondheid van cliënten van de gebruiksruimten beschermen en samenwerken met het andere personeel van de NE. De beveiliging werkt met een team van zes man. Zoveel mogelijk proberen zij als team continuïteit te bieden aan de NE en aan de passanten. Doordat zij als klein team al lang samenwerken in de NE hebben zij kennis van en affiniteit met de doelgroep opgebouwd. Op allerlei momenten werken zij samen met de medewerkers van de NE, ook en vooral bij het runnen van de gebruiksruimte. De beveiliging ziet er op toe dat alleen passanten in de gebruiksruimte komen die een adviesgesprek met Brijder hebben gehad. Vaak is er sprake van voorlopige toestemming, wanneer het adviesgesprek nog niet heeft plaatsgevonden. De beveiligers zien er ook op toe dat mensen die fors onder invloed zijn niet opnieuw de

18

gebruiksruimte in gaan. Met name in de alcoholgebruiksruimte is af en toe sprake van mensen die te veel hebben gedronken en dan de toegang wordt ontzegd. Dit gebeurt soms ook in de harddrugsgebruiksruimte. De overweging om de toegang te ontzeggen is tweeledig, vanuit een gezondheidsperspectief (een goede gastheer in de horeca schenkt niet ook door bij dronkenschap) en vanuit een beheersperspectief (liever een conflict voorkomen dan moeten ingrijpen). De samenwerking met de NE verloopt volgens de beveiliging niet altijd soepel, bijvoorbeeld wanneer een passant door de beveiliging tijdelijk de toegang is ontzegd tot een gebruiksruimte (resultaten derde onderzoeksronde). Het gebeurt regelmatig dat een passant zich beklaagt bij een medewerker en dat de medewerker vervolgens de beslissing van de beveiliging ongedaan maakt. Tegelijkertijd, zo stelt de teamleider beveiliging, is er onder het personeel erg weinig belangstelling voor het reilen en zeilen van de gebruiksruimte, waardoor passanten er in slagen beveiliging en andere medewerkers van de NE tegen elkaar uit te spelen. Dit ondermijnt het bij de beveiliging het teamgevoel (samen verantwoordelijk) en de rust in de NE. 3.4

Ontwikkeling in middelengebruik onder bezoekers van de Nieuwe Energie

3.4.1 Ontwikkeling in het type middelen Heeft de komst van de gebruiksruimten geleid tot een andere samenstelling van de groep bezoekers wat betreft middelengebruik? Dit kunnen we afleiden uit de resultaten van de enquête die op drie momenten is afgenomen. Het percentage bezoekers dat harddrugs gebruikt blijkt in de eerste ronde beduidend lager te zijn dan in de laatste twee rondes (tabel 3.2). Tabel 3.2 Harddrugsgebruik in de afgelopen maand

Afgelopen maand harddrugs* gebruikt

Augustus 2013 n = 71 59%

Juni 2014 n =77 74%

December 2014 n = 72 74%

*Heeft ten minste op 1 dag een van de volgende middelen gebruikt: pillen voor de roes, speed, XTC, snuifcoke, basecoke, methadon, heroïne.

Deze cijfers kloppen niet met observaties van een aantal cliënten en hulpverleners in de NE. Nu de gedoogsituatie op het Papegaaisbolwerk is beëindigd en een aantal ernstig verslaafde alcohol- en/of druggebruikers over de stad is verspreid, is volgens hen het aandeel cliënten dat middelen gebruikt afgenomen. Toch is het goed mogelijk dat de van de tweede en derde meting samenstelling van de populatie van de NE weerspiegelen. Zo waren in de laatste twee onderzoeksrondes de gebruiksruimtes open, waardoor een deel van de harddruggebruikers vaker in de NE kwam en daardoor een grotere kans had om te worden geënquêteerd. Het kan dus goed zijn dat er gevoelsmatig een afname is van harddruggebruikers in (en om) de Nieuwe Energie, samenhangend met de sluiting van het Papegaaisbolwerk en het uitwaaieren van de meest overlast gevende verslaafden, maar dat er tegelijkertijd een (lichte) toename is van harddruggebruikers die de Nieuwe Energie bezoeken. Opgemerkt is ook dat een deel van de verslaafden die destijds het Papegaaisbolwerk bezochten niet dakloos waren en daarom ook niet de Nieuwe Energie bezochten. De bovengenoemde observaties van hulpverleners en cliënten zien we wel gedeeltelijk terug als we kijken naar het soort middelen dat de cliënten die aan de enquête deelnamen gebruiken (tabel 3.3).

De ‘alledaagse’ middelen zoals tabak, alcohol en cannabis worden op alle meetmomenten door ongeveer evenveel mensen gebruikt. Het gebruik van de meer ‘harde’ middelen wordt bij de tweede onderzoekronde (in juni 2014) door

19

minder mensen gerapporteerd dan bij de eerste onderzoekronde (augustus 2013). Bij de derde onderzoekronde (december 2014) is weer sprake van een lichte toename. Het gaat niet om heel veel mensen, maar zij kunnen wel een verschil maken in rust en sfeer van de dagopvang. Tabel 3.3 Alcohol- en drugsgebruik in de afgelopen maand Augustus 2013 Juni 2014 n = 71 n = 77 Gebruikt Waarvan op Gebruikt Waarvan afgelopen 20 dagen of afgelopen op 20 maand meer maand dagen of meer Tabak 60 (86%) 48 (80%) 61 (78%) 53 (87%) Alcohol (≥ 5 consumpties)* 44 (62%) 22 (50%) 37 (47%) 17 (46%) Cannabis 31 (44%) 15 (51%) 34 (44%) 15 (44%) Pillen op recept 10 (14%) 7** 9 7 Pillen voor de roes 7 2 5 3 Speed 7 0 5 0 XTC 4 0 0 0 Cocaïne (snuiven) 9 3 1 1 Cocaïne (roken) 17 (25%) 7 11 (14%) 4 Methadon 12 (17%) 7 10 (13%) 8 Heroïne 14 (20%) 6 8 3

December 2014 n = 72 Gebruikt Waarvan afgelopen op 20 maand dagen of meer 65 (90%) 56 (86%) 37 (51%) 15 (41%) 33 (46%) 19 (58%) 11 (15%) 7 2 0 4 1 3 0 5 0 15 (21%) 5 13 (18%) 8 13 (18%) 7

* Onduidelijk of begeleiders (eerste onderzoeksronde) en enquêteurs (tweede en derde onderzoeksronde) voldoende hebben benadrukt of dat het hier gaat om dagen waarop 5 consumpties of meer zijn gedronken. **bij aantallen <10 in deze kolom geen percentages vermeld.

3.4.2 Locatie waar middelen worden gebruikt Van de mensen die mensen die de afgelopen maand alcohol gebruikten, was in beide onderzoeksrondes voor ongeveer een derde de alcoholgebruiksruimte de belangrijkste plek om te drinken. In de tweede onderzoeksronde wordt “buiten” iets vaker genoemd dan “bij vrienden” en in de derde onderzoeksronde is dat andersom. Het café wordt door een kleine minderheid genoemd als drinkplaats. Eén van de geschreven commentaren door een bezoeker van de alcoholgebruiksruimte gaat erover dat hij door de verplichte pauze “gedwongen” is buiten te gebruiken. Sinds de tijdlimiet, ingesteld op 30 oktober 2013, heb ik “buiten” ruim dertig bekeuringen opgelopen. Met aanmaningskosten heb ik het hier over zo’n 3500 à 4000 euro!!! (anoniem, tweede onderzoeksronde) In de tweede en derde onderzoeksronde waren voor de bezoekers van de NE ook gebruiksruimten voor softdrugs en harddrugs beschikbaar. Het grootste deel van de mensen die blowen (cannabis roken) zegt dat “buiten” de belangrijkste gebruiksplek is (tweede en derde onderzoeksronde), direct gevolgd door de gebruiksruimte als belangrijkste gebruiksplek. Ook bij cannabis zien we in de derde onderzoeksronde dat “bij vrienden” iets vaker worden genoemd dan “in coffeeshop”, in de tweede onderzoeksronde was het andersom. Heroïne en cocaïne wordt door weinig mensen gebruikt.

In zowel de tweede als de derde onderzoeksronde is voor de meesten de gebruiksruimte de belangrijkste plek om te gebruiken. Een enkeling noemt “buiten” en “bij vrienden” de belangrijkste plek (zie voor gebruiken in de gebruiksruimten hoofdstuk 3).

20

3.4.3 Verkooppunten van middelen Cannabis wordt door het overgrote deel in de coffeeshop aangeschaft, enkelen noemen ook “straat” en “telefonisch” als verkooppunten (zowel op straat als thuis afleveren). Heroïne en cocaïne worden door het grootste deel op straat gekocht. Twee mensen noemen telefonisch bestellen en op straat afleveren als de manier waarop ze aan hun middelen komen. Er wordt door de respondenten erg summier op deze vraag gereageerd (veel missende waarden). In de derde onderzoeksronde hebben we om die reden deze vragen niet in de vragenlijst opgenomen. Vanuit de beveiliging en de beheergroep (BVOR) zijn er geen aanwijzingen dat er overlast is van drugsaankopen rondom de Nieuwe Energie. 3.5 Bezoekers over het effect van de gebruiksruimten op kwaliteit van zorg en gezondheid Aan de bezoekers van de gebruiksruimten zijn 20 stellingen (zie figuur 3.2) voorgelegd (tweede onderzoeksronde) die samenhangen met de doelstellingen van de gebruiksruimte zoals geformuleerd door de gemeente en de mogelijkheden die De Binnenvest ziet om door middel van de gebruiksruimten de kwaliteit van zorg te verbeteren. Op elke stelling konden de bezoekers reageren op een 5-puntsschaal variërend van helemaal oneens (score 1) tot helemaal eens (score 5). Figuur 3.2 Twintig stellingen voorgelegd aan bezoekers van de gebruiksruimten (tweede onderzoeksronde) 1.

Gebruiken in de gebruiksruimte is praktisch /handig 2. Gebruiken in de gebruiksruimte is gezonder dan andere gebruiksplekken 3. Gebruiken in de gebruiksruimte is stressvol 4. Sinds ik in de gebruiksruimte kom praat ik vaker met hulpverleners over mijn gebruik 5. Gebruiken in de gebruiksruimte is gezellig 6. Gebruiken in de gebruiksruimte is hygiënisch 7. Gebruiken in de gebruiksruimte is veilig. 8. In de gebruiksruimte ben ik zuiniger met alcohol /drugs 9. De beveiliging gaat respectvol met mij om 10. In de gebruiksruimte deel ik mijn alcohol/ drugs met anderen 11. Sinds ik in de gebruiksruimte kom, let ik beter op mijn gezondheid. 12. Sinds ik in de gebruiksruimte kom krijg ik voorlichting/informatie over veilig gebruiken/drinken 13. De huisregels van de gebruiksruimte zorgen ervoor dat ik minder gebruik 14. Sinds ik in de gebruiksruimte kom is mijn contact met de hulpverleners van de Binnenvest verbeterd. 15. Sinds in de gebruiksruimte kom heb ik vaker contact met mensen van Brijder. 16. Sinds ik in de gebruiksruimte kom gebruik ik minder vaak op straat 17. In de gebruiksruimte heb ik voldoende tijd om te gebruiken 18. Het adviesgesprek met Brijder was nuttig. 19. De openingstijden van de gebruiksruimte zijn voor mij oké. 20. De verplichte pauze na bezoek is goed voor mij.

Om de mening van de bezoekers samen te vatten zijn de 20 stellingen naar vijf thema’s geclusterd (zie bijlage 3) om te zien door welke stellingen de clusters worden gevormd). In tabel 3.4 staat een overzicht van de gemiddelde schaalscore per cluster. De tabel laat zien dat de bezoekers de hoogste score geven aan “risico beperkende omstandigheden” (cluster 4a, d.w.z. het beperken van risico’s van drugsgebruik in de zin van gezondheid, minder onderlinge conflicten en minder kans op boetes van de politie) waarin de gebruiksruimten voorzien. Ook scoort het minder gebruiken op straat relatief hoog. Het laagst scoort de gebruiksruimte als een ‘onsociale’ plaats, d.w.z. de gebruikers vinden dat de gebruiksruimte wel een sociale functie heeft. Alleen de

21

clusterscores “geen sociale functie” van de gebruiksruimte en de “verbetert de kwaliteit van zorg” wijken negatief af2 van het overall gemiddelde (3,02) van de 20 stellingen. Tabel 3.4 Gemiddelde schaalscore per cluster van stellingen (n = 22) Cluster Gemiddelde score (van 1 tot 5) 1. Operationeel functioneren 3,2 2. Geen sociale functie 2,2 3. Verbetert de kwaliteit van zorg. 2,7 4. Beperkt gezondheidsrisico’s 3,7 (4a. omstandigheden) 2,9 (4b. gedrag) 5. Vermindert overlast 3,6 Kennelijk hebben de gebruiksruimtes voor hun bezoekers weldegelijk een sociale functie en verbeteren de gebruiksruimtes de kwaliteit van zorg niet, althans in de ogen van de bezoekers. Ten aanzien van het cluster “verbetert de kwaliteit van zorg” is nog wel een nuance aan te brengen. De mensen van de alcoholruimte scoren hier significant hoger dan de mensen van de drugsruimten (2,9 / 2,2)3. De overige clusters laten geen verschillen zien tussen alcohol en drugs. Uit de werkgroep, derde onderzoeksronde Gemiddeld mogen de alcoholgebruikers dan vinden dat de gebruiksruimte de kwaliteit van zorg verbetert, incidenteel zijn het juist de alcoholgebruikers die de hulpverleningsrelatie onder druk zetten. Dit gebeurt met name wanneer ze de toegang tot de gebruiksruimte wordt geweigerd omdat ze in de ogen van beveiliging en groepswerkers te dronken zijn.

Dit kan tot veel misbaar leiden en stelt de leiding voor een dilemma. Bij weigeren van toegang gaat de betreffende persoon hoogstwaarschijnlijk de straat op en veroorzaakt daar aanstoot. De persoon binnen houden kan leiden tot interne beheersproblemen en zet de hulpverleningsrelatie op scherp. We willen hier nog aandacht vragen voor één stelling in het cluster “operationeel functioneren”. De stelling “De openingstijden van de gebruiksruimte zijn voor mij oké” scoort significant lager4 (1,86) dan het overall gemiddelde (zie bijlage 3). Dit is congruent met bevindingen uit interviews en met uitspraken die tijdens de bezoeken aan de NE worden gehoord. Overigens zijn de openingstijden van de gebruiksruimten tussen de tweede en de derde onderzoeksronde verruimd (zie hierboven). 3.6 Praten over drugs en alcohol met hulpverleners In de hierboven besproken stellingen (die alleen aan bezoekers van de gebruiksruimten zijn voorgelegd) komt het praten over drugs en alcohol met hulpverleners al aan de orde. Deze stelling is ook voorgelegd de mensen die aan de bredere enquête meededen (tweede ronde). In tabel 3.5 presenteren we alleen de resultaten van mensen die zeggen van een van de gebruiksruimten gebruik te hebben gemaakt.

2

Resp: t:-6,313, df 6, p=.001 en t:-43,97, df 5, p < .01 t:2,435, df 19, p <.05 4 t :-4,498, df 21, p <.001 3

22

Tabel 3.5 Praten over alcohol en drugs met hulpverleners (n=29) (Helemaal) eens Hulpverleners van de NE praten met mij over het (veilig) gebruiken van alcohol of drugs 55% Ik praat open en eerlijk over het gebruik van alcohol en drugs met hulpverleners van de NE.

93%

(Helemaal) oneens 24%

3%

Uit tabel 3.5. blijkt dat het merendeel van de bezoekers van de NE met hulpverleners praat over hun middelengebruik. Los van de gegevens in tabel 3.5 is het de vraag of het de taak is van medewerkers van de NE om met cliënten over middelengebruik te praten. Er moet interesse voor zijn, maar ook een zekere expertise. De expertise is in huis gehaald door middel van het spreekuur van Brijder verslavingszorg. De medewerker van Brijder geeft aan dat met een deel van de hulpverleners goed wordt samengewerkt, maar ook dat veel hulpverleners niet goed weten wat het Brijder spreekuur inhoudt (tweede ronde). Volgens Brijder is er nog winst te behalen in het laten functioneren van de medewerkers als “de ogen en oren” van de specialistische zorg. Daartoe is het nodig dat de medewerkers van de NE enige kennis hebben van psychoactieve middelen, zodat zij gerichte vragen kunnen stellen en gedrag dat samenhangt met middelengebruik goed kunnen interpreteren. Uit de werkgroep, tweede onderzoeksronde Om medewerkers van de Nieuwe Energie de ogen en oren voor medewerkers van Brijder te laten zijn zou een training omtrent middelengebruik en verslaving behulpzaam zijn (eventueel i.s.m. met Brijder en met cliënten). Een training middelengebruik en/of motiverende gespreksvoering kan de motivatie van cliënten om hun gedrag te veranderen (ook op andere gebieden dan alleen middelengebruik) vergroten.

Ten aanzien van gesprekken over middelengebruik maakt het uit welke visie iemand op verslaving en middelengebruik heeft. Het komt het gesprek ten goede wanneer een medewerker zich bewust is van zijn eigen visie daarop en zich als professional neutraal opstelt. Als het gaat om het optimaliseren van het spreekuur van Brijder maken enkele groepswerkers de vergelijking met GGZ Leiden. Brijder houdt een spreekuur in een klassieke spreekkamersetting, terwijl GGZ Leiden zich - binnen de muren van de Nieuwe Energie - ook outreachend opstelt. De indruk bestaat dat GGZ Leiden juist daarom meer en betere kwaliteit contacten heeft met cliënten dan Brijder. De aanwezige cliëntenvertegenwoordiger onderstreept het belang van toegankelijke medewerkers die in de wandelgangen zijn aan te spreken of daar zelf cliënten aanspreken. Uit de werkgroep, derde onderzoeksronde Hoewel de toegankelijkheid van het Brijder spreekuur is verbeterd, en ook de overdracht soepeler verloopt, heerst er nog steeds het idee dat medewerkers van Brijder zich vaker in of bij de gebruiksruimten zouden kunnen laten zien. De effectiviteit van het spreekuur zou hierdoor kunnen worden vergroot. Middelengebruik van cliënten behoort in het reguliere contact tussen hulpverleners en cliënten aan de orde te komen. Dit gebeurt ook, maar onduidelijk is of dit ook consequent gebeurt.

Het accent van de begeleiding ligt op praktische zaken zoals inkomen, zorgverzekering, financiën en huisvesting. Ondanks dat medewerkers zijn geschoold in middelengebruik en motiverende gespreksvoering, lijkt het erop dat middelengebruik - en in het verlengde daarvan de gebruiksruimten - marginaal onderdeel van de begeleidingsgesprekken zijn.

23

4

Doorstroomkamers

Na behoorlijke vertraging in verband met de brandveiligheidsvoorschriften zijn de doorstroomkamers in maart 2014 geopend. Het is lange tijd, ook nog rondom de openstelling, onduidelijk geweest welke toelatingscriteria er precies gelden en wat de huisregels zijn (tweede onderzoeksronde). Ook in de derde onderzoeksronde blijkt er bij medewerkers en cliënten onduidelijkheid te bestaan over huisregels en toelatingscriteria. In dit hoofdstuk worden de vragen over de doorstroomkamers beantwoord (onderzoeksvragen C, zie bijlage 1). In de eerste paragraaf rapporteren we over de instroom in de doorstroomkamers en animo ervoor onder cliënten (§4.1). Vervolgens komt in §4.2 de bezetting en uitstroom van de doorstroomkamers aan de orde (vraag 16). In §4.3 gaan we in op de begeleiding zoals bewoners van de doorstroomkamers die ervaren. Privacy en middelengebruik (vraag 17, 18, en 19) komen aan bod in §4.4 en in §4.5 wordt kort stil gestaan bij andere huisregels die gelden in de doorstroomkamers. 4.1 Bekendheid met regels en instroomcriteria van de doorstroomkamers In de tweede onderzoeksronde zegt ruim 45% van de bezoekers geen gebruik te willen maken van de doorstroomkamers. Een iets lager percentage wil er wel gebruik van maken en 10% weet het niet.

Bezwaren die door de ‘niet willers’ worden genoemd zijn: te hoge eigen bijdrage, te strenge regels voor thuiskomen en (iets minder dringend) het verplichte mee-eten. Een minderheid vult bij de mogelijke bezwaren “weet niet” in; er zijn dus nog meer redenen om niet in de doorstroomkamers te willen. Zoals de man die vertelde dat hij daar zijn kinderen niet kan ontvangen. Een groepswerker (tevens persoonlijk begeleider, derde onderzoeksronde) zegt dat hij de toelatingsprocedure en criteria “niet transparant en nodeloos ingewikkeld” vindt. De doorstroomkamers zijn opgezet om passanten, die zicht hebben op huisvesting na de Nieuwe Energie, naar deze tussenstop te laten doorstromen om ze te laten wennen aan meer zelfstandigheid. Vanuit dat perspectief is het soms niet goed te rijmen dat alleen mensen met een ZZP indicatie niveau 4 (met verblijf) in aanmerking komen voor een doorstroomkamer. Hierdoor ligt het karakter immers meer op ‘zorg’ dan op ‘sociale’ aspecten van tijdelijk verblijf. Volgens de groepswerker leiden de strenge en onduidelijke instroomcriteria ertoe dat sommige kamers tijdelijk niet worden bezet. In de derde onderzoeksronde is de bezoekers van de NE gevraagd wat ze van de regels vinden die gelden voor de doorstroomkamer. Driekwart geeft aan ze niet te kennen en dus ook niet te kunnen oordelen of ze redelijk zijn of te streng.

Uit de feedback van de interviewers bleek dat zij vaak aan de respondenten hebben uitgelegd wat doorstroomkamers zijn en welke regels en voorwaarden er voor gelden. Mede op grond van deze voorlichting ontstaat bij de bezoekers een beeld van de voordelen van doorstroomkamers (tabel 4.1). In de derde onderzoeksronde is ook gevraagd of mensen van de doorstroomkamers gebruik zouden willen maken. Een derde van hen wil dat niet, een derde wel en een derde weet het niet. Het maakt daarbij niet uit of mensen wel of niet in de NE slapen. Ten opzichte van de tweede onderzoeksronde zijn er dus meer twijfelaars en minder cliënten die er zeker geen gebruik van willen maken.

24

Tabel 4.1 Voordelen van doorstroomkamers (n=71 tot 73)* Ik vind privacy erg belangrijk Ik kan niet tegen slaapzalen Hierdoor kan ik sneller hier weg Dan kan ik beter mijn zaken regelen Dan krijg ik meer nachtrust Dan kan ik mezelf beter verzorgen

(helemaal) eens 70 (95%) 41 (56%) 42 (58%) 47 (66%) 50 (69%) 51 (71%)

* Het aantal respondenten wisselt per vraag.

4.2 Uitstroom en maximale verblijfsduur De maximale duur van het verblijf in een doorstroomkamer is zes maanden. Deze limiet werkt een van de bewoners behoorlijk op de zenuwen, doordat onzeker is of tijdig vervolghuisvesting wordt gevonden. Ook voor enkele cliënten die niet in een doorstroomkamer zitten is de tijdslimiet een stressvolle gedachte. Ik zou het wel willen, maar je mag er maar zes maanden zitten. Als je niks anders heb, dan sta je gewoon op straat. Na zes maanden word je er gewoon uitgeknikkerd. Voor twee weken extra zullen ze wel een uitzondering maken, maar niet voor twee maanden extra. (geïnterviewde 1405, tweede onderzoeksronde) Tot nu toe (derde onderzoeksronde) is het, op een persoon na, alle bewoners van de doorstroomkamers gelukt om binnen zes maanden uit te stromen. De ene persoon die er langer verblijft wacht op een plaatsje in het sociale pension. Volgens een persoonlijk begeleider heeft het te maken met selectie op doorstroomkansen en, zo is de ervaring, begeleiding van een maatschappelijk werker is noodzakelijk om succesvol door te stromen. Drie van de geïnterviewde cliënten in de derde onderzoeksronde zijn geïnterviewd toen ze, na in een doorstroomkamer te hebben gewoond, zijn doorgestroomd naar een zogenaamde c-woning.

Een c-woning is een woning gereserveerd voor ‘speciale doelgroepen’ die kunnen worden gehuurd als er (woon) begeleiding aan is gekoppeld. De doorstromers zijn drie verschillende personen die elk op hun eigen manier het proces van doorstromen en het zelfstandig wonen ervaren. De één is blij met de nieuwe kans die hij kreeg, en ervaart de nieuwe situatie als een grote verbetering. De ander lijkt meer gelaten, had liever een andere woning gehad maar wil niet klagen. Hij heeft geen vrienden, mist zijn familie en is weinig optimistisch over zijn toekomst. De derde persoon is gefrustreerd door de chaos die hij ervaart rondom afrekening van de eigen bijdrage van de doorstroomkamer, budgettering, reiskosten, boetes en schuldhulpverlening, bewindvoering, et cetera. Zijn situatie is complex, ook voor hulpverleners, en hij is zelf ook geen gemakkelijke, meegaande cliënt. De maatschappelijk werker zei tegen hem “ik weet geen raad met jou” en hij op zijn beurt wil haar niet meer: “ze heeft haar kans gehad”. Hij ervaart veel drukte in zijn hoofd maar blowt zich liever rustig dan er medicatie voor te nemen. Deze man heeft geen grip op zijn situatie en ervaart een machteloze woede over de hulpverlening en over Nederland. (…) Raak ik mijn huis kwijt, dan ben ik morgen een emigrant. Dan ben ik zo weg. Laat ik mijn kinderen achter. Ik zal zoveel woede creëren.

Er zal een dag komen en het gaat helemaal fout. Want ze hebben mij mijn huis en kinderen afgenomen, omdat ik niet juist ben geholpen. Moet het echt allemaal zover komen? Ik heb mensen in mijn naaste buurt, waarmee ik ben opgegroeid, die nu in Syrië zijn. Waarom zou ik niet gaan dan? (geïnterviewde cliënt, 1408, derde onderzoeksronde)

25

Het is moeilijk om uit deze drie verschillende verhalen de grootste gemene deler te halen rondom hun overgang naar zelfstandig wonen. 4.3 Begeleiding in de doorstroomkamers De persoonlijk begeleider van iemand die in een doorstroomkamer verblijft komt minimaal een keer per week even op de kamer om te vragen hoe het gaat en tegelijk de toestand van de kamer te controleren. Het lukt niet alle persoonlijk begeleiders dit ook daadwerkelijk te doen. Je zou het in feite beter op tijd kunnen afspreken. Dan weet je zeker dat je een gesprek heb en anders is het wachten tot je ze ziet lopen. Ze komen niet naar je toe, jij moet echt naar hun toe. (geïnterviewde 1406, derde onderzoeksronde) Een persoonlijk begeleider (derde onderzoeksronde) vertelt dat hij zich enigszins moet forceren om de wekelijkse discipline erin te houden. In de dagelijkse hectiek van de opvang kom het werk meestal op de groepsleiders af, ze wordt continu aangesproken en zijn minder gewend om afspraken te maken en daarvoor tijd in te plannen. Daarnaast hebben de mensen in een doorstroomkamer te maken met een maatschappelijk werker. Deze heeft meestal de toeleiding naar de doorstroomkamer geregeld. Verder zijn maatschappelijk werkers bezig met budgettering en aanmelding bij De StadsBank wanneer er sprake is van schulden (meestal).

Zoveel mogelijk worden de cliënten zelf aan het werk gezet, bij de één is dat uitvoerend (zelf bellen, formulieren invullen etc.) bij een ander, minder vaardig, is het voldoende wanneer hij aangeeft wat er nodig is. 4.4 Privacy en middelengebruik in de doorstroomkamers De doorstroomkamers zijn tijdens de tweede onderzoeksronde in interviews met cliënten onderwerp van gesprek geweest. Vier van hen verbleven in een doorstroomkamer en een van hen had er korte tijd verbleven. De mensen die er nu verblijven waarderen de privacy. Het is belangrijk voor ze dat ze zich kunnen terug trekken, naar de wc kunnen zonder andere mensen te storen of naar muziek kunnen luisteren om in slaap te vallen. In interviews bij de derde onderzoeksronde, waarin we uitsluitend met cliënten van doorstroomkamers spraken, staan deze voordelen nog steeds overeind. Ja. Weet je wat het is. Met een doorstroomkamer, je heb gewoon je privacy weet je. En dat is, vind ik, heel belangrijk. Ik bedoel, ik heb ook heel lang vast gezeten. Daar is het gewoon, als er iets aan de hand is, dan sla je elkaar op de bek (…). Maar als je dan naar een doorstroomkamer kan, als er spanning is, zeg je ‘mazzel’ en ga je naar je kamer. Dat is ideaal. (geïnterviewde 1402, derde onderzoeksronde) In de doorstroomkamers mogen geen drugs worden gebruikt. Dat gebeurt echter toch hoewel dit niet heeft geleid tot incidenten of overlast.

Er is weinig begrip voor deze regel. De bewoners vinden dat als ze huur betalen ze ook rechten hebben. Ook de medewerkers van de NE vinden dat middelengebruik moet kunnen, met name wanneer verblijf in een doorstroomkamers een middel is om cliënten voor te bereiden op zelfstandig wonen. In de praktijk is er geen sprake van actieve controles op gebruik door medewerkers. Je doet gewoon wat je zelf wilt. Je kan gewoon [drugs, cb] roken op de kamer. Dat is geen probleem. Het wordt toch stiekem gedaan en dat controleren ze niet. In het begin heb ik het één keer gedaan, maar ik ben er vanaf. Ik wil niet meer roken. Ik wil een ander leven leven. (geïnterviewde 1405, derde onderzoeksronde)

26

In een interne evaluatie (september 2014) van de doorstroomkamers kwam ook het gebruiken op de kamer aan de orde. De regel was dat alcohol en drugs in een van de gebruiksruimten dienen te worden gebruikt. Deze regel bleek echter niet te handhaven, en als al er sprake was van gebruik op de kamer gaf dit tot nu toe geen overlast. Op grond van deze bevindingen is besloten deze regel te schrappen uit de huisregels. De basishouding is dat cliënten worden aangesproken op hun gedrag wanneer daar aanleiding toe is. 4.5 Mening van cliënten over andere huisregels in de doorstroomkamers De bewoners van de doorstroomkamers zijn het met enkele andere huisregels niet eens (tweede onderzoeksronde), zoals het verplicht omlopen via de beveiliging, het verbod om eten mee te nemen van de gezamenlijke maaltijden en het verbod om visite te laten overnachten. Om half elf thuis zijn is voor sommige ook wel eens lastig. Over de regel dat je 1x per week een nachtje mag wegblijven komen geen klachten. Eén persoon blijft vaak twee nachten weg en geeft dat telkens netjes door. Dit levert hem geen problemen op (tweede onderzoeksronde). Enkele andere bewoners vinden de hoge eigen bijdrage en het leefgeld van 50 euro te strenge voorwaarden. Ze redeneren dat ze, als ze willen doorstromen, spaargeld moeten hebben om een goede start te maken in een zelfstandige woning.

In de zes maanden dat ze in een doorstroomkamer zitten kan er niet worden gespaard en wordt doorstromen voor hun gevoel feitelijk onmogelijk.

27

5

Gezondheid en kwaliteit van leven

In dit hoofdstuk worden de vragen over gezondheid en kwaliteit van leven beantwoord (onderzoeksvragen C, vraag 20). Wat zijn op cliëntniveau de behaalde resultaten van de zorg en begeleiding van de Nieuwe Energie (frequentie en hoeveelheid van middelengebruik, gezondheidsrisico’s van gebruik, kwaliteit van leven)? Wat zijn volgens cliënten en medewerkers de werkzame elementen? Als eerste bespreken we een aantal algemene kenmerken van de cliënten van de Nieuwe Energie (§5.1) om in §5.2 te rapporteren over hun ervaren gezondheid. De ervaren kwaliteit van leven staat centraal in §5.3 en in §5.4 wordt dieper in gegaan op lichamelijke en psychische klachten. 5.1 Kenmerken van de bezoekers van de Nieuwe Energie In deze en volgende paragrafen bespreken we de resultaten op het gebied van gezondheid en kwaliteit van leven van de enquête die driemaal is afgenomen onder de bezoekers van de NE. Om de resultaten in de juiste context te zien is het belangrijk om eerst enkele kenmerken van de groep te bekijken. Het overgrote deel (ca. 90%) van de bezoekers van de NE is man. Tabel 5.1 Kenmerken van bezoekers van de Nieuwe Energie Augustus 2013 n = 71 Man 87% Leeftijd (gemiddeld) 43 Jongste / oudste 20 / 68 Verblijfsduur in de NE (maanden, gemiddeld): 34 Afgelopen 6 maanden in politiecel, hvb of gevangenis 19% Afgelopen 6 maanden in kliniek of ziekenhuis 13% *gemiddelde / ** mediaan

Juni 2014 n =77 87% 45 24 / 64 34 19% 13%

December 2014 n = 74 95% 43 23 / 61 16 20% 7%

De (demografische) kenmerken van de respondenten op de enquête zijn op de drie metingen vergelijkbaar. Wel is het percentage mannen in de derde meting iets hoger. Gezien de wijze van steekproef trekken lijkt dit een gevolg van de wijziging in samenstelling van de groep passanten. Opmerkelijk is de daling in de 3e meting van het aantal maanden dat passanten gebruik maken van de NE. Deze daling is conform het beleid van de NE dat er naar streeft de verblijfsduur in de NE tot maximaal drie maanden te beperken (zie ook §6.2.2) 5.2 Ervaren gezondheid van bezoekers van de Nieuwe Energie Met behulp van de CBS vraag “oordeel eigen gezondheid” informeren we naar hoe mensen hun gezondheid ervaren. Het is bekend dat in de maatschappelijke opvang meer mensen een minder goede gezondheid rapporteren dan de algemene bevolking. In de eerste kolom staat het percentage vermeld van alleenstaanden uit de algemene bevolking in de leeftijdscategorie 40-65 jaar. Deze groep is qua kenmerken redelijk vergelijkbaar met de mensen die in de maatschappelijke opvang komen. Aansluitend op de gezondheidsvraag hebben we gevraagd naar wat mensen van hun persoonlijke hygiëne en hun lichamelijke conditie vinden.

28

Tabel 5.2 Ervaren gezondheid, persoonlijke hygiëne en lichamelijke conditie (% minder dan goed) Algemene bevolking Augustus 2013 Juni 2014 December (alleenstaande 40-65 2014 jaar) n = 71 n = 76 n = 73 Gezondheid 35% 44% 46% 53% Persoonlijke hygiëne 21% 12% 15% Lichamelijke conditie 44% 25% 43% Zoals verwacht is de ervaren gezondheid van de groep die we hebben geënquêteerd minder goed dan een vergelijkbare groep uit de algemene bevolking. Het lijkt erop dat in de groep die in december 2014 is geënquêteerd zich wat meer mensen bevinden die hun gezondheid niet zo goed ervaren dan in de eerste twee onderzoeksrondes. Minder dan een vijfde van de cliënten beoordeelt hun eigen hygiëne “minder dan goed” en meer cliënten, oplopend tot ruim 40%, vinden hun lichamelijke conditie “minder dan goed”. 5.3 Kwaliteit van leven van bezoekers van de Nieuwe Energie De ervaren kwaliteit van leven is met behulp van 16-tal stellingen uitgevraagd en vastgelegd met behulp van een schaal (1= vreselijk; 7 = prima). In tabel 5.5 worden de schaalgemiddelden (1-7) van verschillende leefgebieden gepresenteerd. De verschillen tussen de scores in de opeenvolgende onderzoeksrondes zijn, zoals toegelicht in paragraaf 1.4.4.,niet getoetst op statistische significantie.

Bij een face value beoordeling van de scores valt alleen de stijging op van woonomstandigheden (2,7 naar 3,4), sociale relaties (4.2 naar 4,7) en veiligheid (4,0 naar 4,5). Er komen uit de andere databronnen geen ontwikkelingen naar voor die deze veranderingen zouden kunnen verklaren. Tabel 5.5 Ervaren kwaliteit van leven

Algemene kwaliteit van leven (2 items) Uw woonomstandigheden (2 items) Uw privacy (1 item) Uw financiële situatie (2 items) Uw tijdsbesteding (1 item) Sociale relaties (3 items) Veiligheid (3 items) Gezondheid (1 item) Psychische gezondheid (1 item)

Augustus 2013 n = 71 4,2 2,7 2,8 3,1 4,2 4,2 4,0 4,3 4,5

Juni 2014 n = 77 4,4 3,3 2,9 3,0 4,7 4,6 4,6 4,3 4,6

December 2014 n = 74 4,4 3,4 3,1 3,2 4,1 4,7 4,5 4,6 4,6

Is er wellicht een verschil tussen scores van mensen die wel en niet in de NE slapen? In de eerste en derde onderzoeksronde zijn de verschillen in ervaren kwaliteit van leven tussen mensen die wel en niet in de NE slapen statistisch significant5 (tabel 5.6). Mensen die wel in de NE slapen hebben een hogere ervaren kwaliteit van leven dan mensen die er niet slapen. Op de afzonderlijke thema’s binnen de kwaliteit van leven zijn geen

5

Resp.: t= 2.607, df 69, p < 0,051 en -2.659, df 72, p < 0,01

29

verschillen gevonden tussen mensen die wel en niet in de NE slapen. In de tweede onderzoeksronde zien we helemaal geen verschil. Tabel 5.6 Algemene kwaliteit van leven van mensen die wel en niet in de Nieuwe Energie slapen Algemene kwaliteit van leven Augustus 2013 Juni 2014 December 2014 n= 65 n = 78 n = 67 Slaapt WEL in de NE 4,5 4,4 4,7 Slaapt NIET in de NE 3,6 4,4 3,9 Wat is de achtergrond van deze verschillen? Zijn daklozen in de NE beter af dan daklozen die informeel iets hebben geregeld? Het is niet moeilijk voor te stellen dat buitenslapers het moeilijker hebben, maar geldt dat ook voor mensen die ergens bij iemand op de bank slapen? Wellicht is het verschil te verklaren doordat mensen die in de NE slapen meer zekerheid hebben en wellicht ook meer zicht op verbetering van hun situatie, bijvoorbeeld omdat ze een persoonlijk actieplan hebben. Althans, dat was de redenering tijdens de eerste werkgroep. Mensen die niet in de NE slapen hebben minder vaak een persoonlijk actieplan. De mensen met een persoonlijk actieplan scoren op het leefgebied ‘financiële situatie’ significant beter dan mensen zonder actieplan, respectievelijk 3,6 vs 2,86. N = 7 (zie ook §5.5). Het verklaren van verschillen is gemakkelijker dan verklaren waarom er geen verschillen zijn in de tweede onderzoeksronde.

Verklaringen vinden we dan ook niet in de andere onderzoeksbronnen (interviews, werkgroep, informele gesprekken). 5.4 Lichamelijke en psychische klachten De BSI (Brief Symptom Inventory) is een gevalideerde korte vragenlijst die informeert naar het voorkomen en de ernst van de drie meest voorkomende psychopathologische symptomen in de Nederlandse bevolking. Het gaat om somatische-7, depressieve- en angstsymptomen. De 5-puntsschaal loopt van 0-4 (zie tabel 5.7). De normscores waarmee de scores van de NE worden vergeleken zijn in deze tabel van autochtone mannen van 30 jaar of ouder. Tabel 5.7 Somatische klachten, depressie- en angstsymptomen (alleen mannen) Augustus Juni December Gemiddelde score 2013 2014 2014 algemene bevolking, autochtone mannen 30+ jaar n=39 n = 66 n = 69 Somatische 0,60 0,72 0,61 0,15 – 0,29 klachten Depressieve 1,00 1,18 1,01 0,18 – 0,33 stemming Angstklachten 0,72 0,86 0,68 0,00 – 0,17

Scores Nieuwe Energie in vergelijking met algemene bevolking

Hoog* Hoog** Hoog***

*Hoog: betekent een score van 0,44 -1,00; **van 0,51 – 1,17; ***van 0,51-1,00

Wat tabel 5.7 vooral laat zien is dat klachten van de cliënten van de NE ernstig zijn in vergelijking met de algemene bevolking.

6

t:-2,464, df 64, p = .05 Psychische klachten worden met name onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders vaak ervaren als lichamelijke klachten en ook zo geuit. Met name depressie gaat vaak gepaard met lichamelijke klachten. 7

30

Uit de werkgroep, tweede onderzoeksronde Het instellen van een kerngroep in de Nieuwe Energie is een manier om wensen, klachten en noden van cliënten op te vangen en waar mogelijk te vertalen naar regels en beleid. Dat is nodig, omdat ook uit cliënttevredenheidsonderzoek blijkt dat er ruimte is voor verbetering op het gebied van veiligheid, hygiëne en bejegening. Bejegening is een belangrijk onderdeel van de herstelbenadering waarmee in de Nieuwe Energie wordt gewerkt. Nieuwe medewerkers krijgen een vierdaagse training en zij die de training hebben gevolgd gaan twee dagen per jaar op herhaling. Maar tegelijk wordt geconstateerd dat, hoe goed individuele vaardigheden ook zijn, het weinig verandert aan de relatieve grootschaligheid van een voorziening als de Nieuwe Energie. Het is geen ideale plek om je thuis te voelen en trauma’s en psychische klachten goed te kunnen verwerken. In een kleinschaliger omgeving kan meer maatwerk worden geleverd. Op directieniveau wordt nagedacht over de eventuele consequenties van dit inzicht.

31

6

Diensten van de Nieuwe Energie: ervaringen van cliënten

In dit hoofdstuk worden de vragen over de diensten van de Nieuwe Energie beantwoord (onderzoeksvragen D, 21 t/m 25, zie bijlage 1). Als eerste worden in §6.1 enkele algemene kenmerken van de cliënten gepresenteerd. Vervolgens wordt in §6.2 ingegaan op de andere diensten die de Nieuwe Energie aanbiedt waaronder spreekuren van externe hulpverleners, waaronder Brijder Verslavingszorg (vraag 21, 23 en 25). In de volgende paragraaf (§6.3) gaat het om de duur van het verblijf dat steeds verder afneemt. Herstel ondersteunend werken is het onderwerp van §6.4 en hieronder vallen onder andere het aanbieden van maaltijden, het doen van klussen en het actieplan. Onderzoeksvragen 22 en 24 zijn al beantwoord in hoofdstuk 3. De kwaliteit van de hulpverlening komt aan de orde in §6.5. Hiermee samenhangend wordt in deze paragraaf ook besproken of cliënten zich in de Nieuwe Energie thuis voelen en of ze te maken krijgen met waarschuwingen en schorsingen. 6.1 Slaapplaatsen van cliënten De primaire taak van de NE is het opvangen van dakloze mensen, zowel overdag als ’s nachts. Er kunnen 40 mensen overnachten. Een veelvoud (rond de 150 mensen) heeft alleen een postadres bij de NE. Zij slapen elders. Zoals uit tabel 6.1 blijkt zijn bij elke onderzoeksronde in verhouding meer cliënten bereikt die gebruik maken van de nachtopvang (telkens ca. 45 personen) dan cliënten (telkens ca.

30) met alleen een postadres. Tabel 6.1 Slaapplaatsen van cliënten van de Nieuwe Energie Augustus 2013 n = 71 Nachtopvang NE 46 (65%) Straat, buiten, kraakpand, caravan 18 (25%) etc. Bij vrienden of kennissen 5 (7%) (permanent en tijdelijk) Doorstroomkamer Overige 2 (3%)

Juni 2014 n = 78 43 (55%) 25 (32%)

December 2014 n = 74 47 (64%) 13 (18%)

4 (5%)

5 (5%)

2 (3%) 4 (5%)

2 (3%) 6 (8%)

Uit interviews in de tweede onderzoeksronde weten we iets van mensen die niet in de NE slapen. Eén persoon slaapt bijvoorbeeld in een auto, een ander slaapt bij een vriend maar kan zich op dat adres niet inschrijven. Een volgende slaapt op een bootje in de haven en een vierde persoon slaapt in een tentje. Eén van hen zegt dat het lotingsysteem hem tegen staat. Deze man heeft een tentje gekregen van de Binnenvest, maar gebruikt deze niet: Ik moet mij laten inloten. Dat is een vervelend punt. Het duurt lang om ingeloot te worden. Er zijn teveel mensen buiten. Zolang de personen hier binnen blijven, dan blijft het vol en is er geen loting. Als je dat vijf of tien keer hoort dan heb je er geen zin meer in. (geïnterviewde 1410, tweede onderzoeksronde) 6.2 Aanvullende diensten in de Nieuwe Energie De NE biedt, behalve de mogelijkheid tot overnachten, een serie aanvullende diensten. Een belangrijke daarvan is het postadres, dat mensen in staat stelt een uitkering aan te vragen. Vierenzeventig van de 78 bezoekers in de tweede onderzoeksronde maakt er gebruik van. Andere diensten zijn de maaltijden, de gesprekken met een maatschappelijk werker, de persoonlijk begeleider, verslavings- en GGz specialisten en een spreekuur voor lichamelijke klachten en aandoeningen. De klussen of dagactiviteiten zijn ook een dienst (activering/

32

dagbesteding) maar zijn door het verplichte karakter eerder een voorwaarde om van de andere diensten gebruik te kunnen maken. In tabel 6.2 is te zien van welke diensten cliënten recent gebruik hebben gemaakt. De meest opmerkelijke stijgingen tussen de eerste en tweede onderzoeksronde zijn te zien bij het aantal mensen dat zegt gesprekken te hebben gevoerd met de persoonlijke begeleider of maatschappelijk werker. Interviews met de medewerkers bevestigen echter niet dat er meer tijd in cliënten wordt geïnvesteerd door maatschappelijk werk en persoonlijke begeleiders. Enkele van de geïnterviewde cliënten zeggen er wel iets over, onder meer: Wat ik wel zie is, dat als mensen hier binnen komen dat ze binnen een week of twee gelijk gekoppeld worden aan hulpverlening. Ik heb zelf ondervonden dat je kon rondspoken zonder dat iemand je opmerkt. (geïnterviewde 1402, tweede onderzoeksronde) Tabel 6.2 Aantal mensen dat van diensten Nieuwe Energie gebruik maakte (afgelopen week)* ** Soort dienst Augustus 2013 Juni 2014 December 2014 Postadres Dagactiviteit NE Dagactiviteit elders Ontbijt Lunch Avondeten Gesprekken Persoonlijke Begeleider Gesprekken Maatschappelijk werker Gesprekken Brijder Gesprekken GGZ Leiden Medisch Spreekuur Gebruiksruimte Alcohol Gebruiksruimte Harddrugs Gebruiksruimte Softdrugs

67 (95%) 47 (69%) 30 (46%) 45 (64%) 51 (74%) 52 (73%) 34 (51%)

74 (95%) 47 (64%) 27 (35%) 46 (61%) 49 (65%) 51 (68%) 55 (71%)

66 (90%) 40 (56%) 18 (26%) 40 (55%) 46 (64%) 52 (71%) 48 (66%)

38 (54%)

56 (73%)

44 (60%)

18 (27%) -

26 (34%) 6 17 (23%) 16 (21%) 7 19 (25%)

22 (32%) 8 13 (18%) 16 (23%) 11 (16%) 20 (28%) * Door wisselende aantallen respondenten (n) per vraag verschillen soms de percentages bij gelijke aantallen. Bij absolute aantallen kleiner dan 10 personen zijn geen percentages weergegeven. ** De tijdsreferentie “afgelopen week” lijkt in beide onderzoeksrondes niet erg te zijn gerespecteerd. Dit is af te leiden uit het aantal mensen dat zegt gesprekken te hebben gevoerd met GGZ Leiden en Brijder verslavingszorg. Eerder lijkt het erop dat mensen bij het beantwoorden van deze vragen de afgelopen maanden in gedachten hadden dan “afgelopen week”. Dat in de tweede enquêteronde zeven mensen aangeven gebruik te hebben gemaakt van de harddrugsgebruikersruimte, terwijl uit de registratie blijkt dat er in mei 2014 slechts drie mensen kwamen, is ook een indicatie dat de tijdsreferentie “afgelopen week” niet is gerespecteerd.

In de derde onderzoeksronde is het aantal mensen dat zegt gesprekken te hebben gehad met maatschappelijk werk of persoonlijke begeleider weer iets gedaald. Van de externe hulpverleners is Brijder de organisatie waar ongeveer een derde zegt gesprekken mee te hebben gehad en circa 10% met een medewerker van GGZ Leiden. Van ‘doorstromen’ (onderzoeksvraag 25) naar GGZ en verslavingszorg is niet echt sprake; de meeste behandeling vanuit de verslavingszorg en GGZ vindt ambulant plaats en via de samenwerking op locatie van de NE is deze zorg outreachend van karakter. Onbekend is hoeveel behandeltrajecten (diagnose

33

behandelcombinaties) Brijder en GGZ Leiden zijn gestart naar aanleiding van het spreekuur bij de Nieuwe Energie. Uit de werkgroep, derde onderzoeksronde Het aantal personen dat externe dagbesteding doet is in de derde ronde afgenomen. Dit laat zich verklaren doordat de toegang tot dagbesteding elders is bemoeilijkt. Ten tijde van de laatste enquête moest, in tegenstelling tot eerder, vooraf een indicatie “dagbesteding” zijn afgegeven en werd er strenger op naleving van de criteria toegezien. De afspraken met de maatschappelijk werker zijn meestal wekelijks. Dit lijkt bij de geïnterviewde cliënten (tweede onderzoeksronde) over het algemeen goed te lopen. De contacten met de persoonlijke begeleider zijn vaak wat vrijblijvender, ook al omdat deze meestal niet op afspraak plaats vinden. Voor de mensen die full time werken is het maken van afspraken met de maatschappelijk werker lastig. Ze nemen niet graag vrij voor zo’n afspraak, enerzijds vanwege het geld dat zij dan mislopen (degenen die als ZZP-er werken krijgen geen geld als ze uren missen), anderzijds omdat zij de continuïteit van hun werk niet in gevaar willen brengen. Zo kan het zijn dat de mensen die veel werken het minst worden geholpen, terwijl zij die hulp wel nodig hebben om bijvoorbeeld stabiele huisvesting te verwerven.

De relatieve vrijblijvendheid van de contacten met de persoonlijk begeleider leidt soms tot een lagere waardering van dat contact, misschien wel wederzijds, waardoor enige assertiviteit van cliënten wordt gevraagd: Mijn pb-er die zag ik toevallig nu en gister was hij er ook. Ik maak er een praatje mee. Het is een beste vent, maar ik heb er geen klik mee. Had hij dus dat mailtje niet gestuurd en wilde toen een bakkie pakken. Ik zei ‘nee [naam], je gaat nu eerst even dat mailtje sturen.’ Het is uiteindelijk geregeld. Maar zoals hij bij zijn cliënt moet doen, moet ik nu bij hem doen. Even achter zijn reet aanzitten. (geïnterviewde 1402, tweede onderzoeksronde) Niet iedereen is even assertief als de man in bovenstaand citaat. Het is in te denken dat sommige cliënten zich afhankelijk voelen van hun persoonlijk begeleider (en/of maatschappelijk werker) en daarom de relatie niet onder druk willen zetten. (..) Ik schiet ze aan wanneer ik ze nodig heb. Ik zag haar bijvoorbeeld bij de beveiliging en ik schoot haar aan. Toen werd aangegeven dat ze er zo aankwam. Dat duurde nog een uur.

Heeft ze eindelijk tijd voor mij zegt ze: “als je toch niks belangrijks te melden hebt, dan gaan we volgend week wel verder.” Ik denk, ‘wat heb ik er nu aan?’ (geïnterviewde 1406, derde onderzoeksronde) Het lijkt erop dat persoonlijk begeleiders en andere medewerkers van de NE vooral praktische zaken met de cliënten willen regelen. Er is sprake van werkdruk en daardoor weinig tijd en gelegenheid om meer persoonlijke gesprekken te voeren. 6.2.1 Belangrijkste dienst voor het verbeteren van de situatie van de cliënt We vroegen de mensen welke van de diensten van de NE zij het belangrijkst vinden voor het verbeteren van hun situatie. We vroegen vervolgens wat voor hen de tweede belangrijkste dienst is. De mogelijkheid tot overnachten behoorde niet tot de keuzemogelijkheid van belangrijke diensten. De meeste mensen (tweede onderzoeksronde 58%, derde ronde 55%) vinden een postadres de belangrijkste dienst van de NE, gevolgd door gesprekken met de persoonlijke begeleider (tweede onderzoeksronde 15%, derde ronde 7%) en de

34

maatschappelijk werker (tweede ronde 12%, derde ronde 15%). Het “tweede belangrijkste” worden de gesprekken met de maatschappelijk werker gevonden (tweede onderzoeksronde 26%, derde ronde 21%). Ten opzichte van de tweede ronde is het in de derde ronde opmerkelijk dat meer mensen gesprekken met de persoonlijk begeleider de tweede belangrijkste dienst vinden (van 5% naar 24%). Enkele geïnterviewde cliënten zijn hun postadres bij de NE kwijt geraakt of dreigen die kwijt te raken. Uit de interviews wordt niet helemaal duidelijk waarom; het heeft iets te maken met de frequentie waarmee zij zich bij de NE melden. Blijven ze te lang weg of zijn er sterke aanwijzingen dat het postadres oneigenlijk wordt gebruikt, dan vervalt het. Het is wel mogelijk dat men zich na verloop van tijd opnieuw bij de NE inschrijft en van voor af aan begint. Dit kan niet altijd op begrip van de betrokken cliënten rekenen. Als het niet lukt, mag ik weer terug komen. Dan zit ik weer hier en dan kunnen ze mij wel helpen. Dan gaan ze een ander plan opstellen. Dan kunnen ze opeens een ander plan opstellen, terwijl ik hier een jaar heb gezeten zonder resultaat! Ze willen niks of ze kunnen niks. (geïnterviewde 1407, tweede onderzoeksronde) De man uit bovenstaand citaat kan niet meer overnachten bij de NE. Hij verbleef er te lang en hij wordt geacht zelfstandig zijn weg op de woningmarkt te kunnen vinden.

Hij heeft onlangs te horen gekregen dat ook zijn postadres zal worden opgeheven. Uit de werkgroep, tweede onderzoeksronde In de werkgroep wordt duidelijk dat men in principe maximaal drie maanden in de Nieuwe Energie kan verblijven. Na die termijn wordt een cliënt geacht te zijn doorgestroomd. In de Procesbeschrijving Samenwerking OGGZ Leiden staat dat verlenging van de verblijfsduur is mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de problematiek te ernstig is (Zonder Auteur, n.d.). 6.3 Duur van het verblijf in de Nieuwe Energie De duur van het verblijf (looptijd van het verblijf, in maanden) kan een indicatie zijn hoe snel mensen doorstromen naar vervolgopvang of huisvesting. Enkele cliënten geven aan dat ze al heel lang bij de NE komen, zelfs al voor de tijd dat de NE op deze locatie is gestart. Deze mensen rapporteren dus hun contact met De Binnenvest en niet de NE als voorziening. Tabel 6.3 Duur van het verblijf in of contact met De Nieuwe Energie, in maanden Augustus 2013 Juni 2014 December 2014 n = 68 n = 36 n = 55 # Gemiddelde Mediaan* Gemiddelde^ mediaan Gemiddelde# mediaan Slaapt WEL in NE 32 20 14 5 16 5 Slaapt NIET in de NE 38 12 33 8,5 16 2,5 * De mediaan is het aantal maanden dat de groep precies in tweeën splitst: de helft van de groep verblijft er korter, de andere helft langer dan de mediaan.

# Verschil tussen slapen in NE en elders niet significant ^ verschil significant (t: 2.303, df 32,235, p < 0,05)

Omdat de gemiddelde verblijfsduur hier sterk wordt vertekend door cliënten die al zeer lang contact hebben met de Binnenvest of Nieuwe Energie is ook de mediaan berekend. De mediaan laat onder cliënten die slapen in de NE eerst een forse afname zien van de duur van het verblijf bij de tweede onderzoeksronde, en

35

stabilisatie bij de derde ronde. De periode dat mensen een postadres hebben (dit is de groep die elders slaapt) neemt gedurende onderzoeksperiode af. Wat zijn mogelijke verklaringen hiervoor? Uit interviews met professionals en cliënten (tweede onderzoeksronde) blijkt dat een aantal harddruggebruikers bij de tweede meting uit de NE is verdwenen toen een einde kwam aan het gedogen op het Papegaaisbolwerk (zie paragraaf 3.3). Een deel van deze mensen sliep ook in de NE en had daar waarschijnlijk al een lange historie. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat een aantal langdurig daklozen is uitgestroomd (al dan niet succesvol). De afnemende duur bij de derde meting van het contact met de NE van mensen die er niet slapen weerspiegelt ook aanscherping of strengere handhaving van geldende regels voor het aanhouden van een postadres. Die aanscherping was tijdens de tweede onderzoeksronde nog niet geëffectueerd. 6.4 Herstel en activering Belangrijke inzet binnen de NE is het streven naar een herstelondersteunende hulpverlening. Het begrip herstel kent verschillende vormen (klinisch, functioneel, maatschappelijk en persoonlijk) (Van der Stel, 2012). Een belangrijk aspect is dat cliënten zelf de regie krijgen op het moment dat zij dat kunnen/willen. Er zijn echt wel mensen die geholpen moeten worden.

Je moet je trots en controle uit handen geven, maar je wilt het ook weer zo snel mogelijk terug. (geïnterviewde 1402, tweede onderzoeksronde) Bovenstaand citaat is afkomstig van een assertieve cliënt en geeft goed aan waar het bij zelfregie om draait. Het vinden van een goede balans tussen zelfredzaamheid en ondersteuning is een subtiel proces tussen cliënt en hulpverlener. Waar de ene persoon graag zoveel mogelijk zelf regelt, vindt de ander dat hulpverleners “hun werk moet moeten doen”. Nou, ik vind dat ze te weinig vertellen. Ze verwachten van je dat je er zelf mee komt. Dus dat je zelf komt met ‘dat wil ik geregeld hebben’. En dat zij aangeven hoe je dat dan moet doen. Maar ze komen er niet zelf mee dat is wel duidelijk. (geïnterviewde 1406, derde onderzoeksronde) In de NE wordt met een herstelmethodiek gewerkt. Medewerkers worden daarin getraind en regelmatig bijgeschoold. Een aantal medewerkers is ook herstelcoach. Eén van hen vindt (interview derde onderzoeksronde) dat de theorie van herstel sterk is, maar dat het moeilijk in de praktijk is te brengen. Van de drie instrumenten is vooral het actieplan behulpzaam. De krachteninventarisatie en de VIP-kaart (netwerk analyse) worden veel minder vaak ingezet. Er worden verschillende redenen aangedragen: in de dagelijkse hectiek is het lastig tijd vrij te maken voor toepassing van deze tijdrovende instrumenten.

De methodiek lijkt geschreven voor de situatie waar sprake is van één cliënt en één hulpverlener, terwijl een cliënt in de NE soms wel te maken heeft met vier hulpverleners. De methodiek en de gehanteerde begrippen in de methodiek worden ervaren als nogal breed interpreteerbaar en niet eenduidig. 6.4.1 Maaltijden en dagactiviteiten Een ander aspect van de transformatie waar de NE op inzet is enerzijds het aanbieden van maaltijden en anderzijds het verplichte karakter van de dagactiviteiten. Het doen van één of meer klussen is verplicht voor iedereen die blijft slapen. Als mensen elders overnachten, kan het doen van een klus wel een maaltijd opleveren. Als mensen in aanmerking willen komen voor een doorstroomkamer is één van de voorwaarden dat zij een dagactiviteit hebben. Tegenover deze voorwaarden staat dat er gratis maaltijden worden aangeboden. Hoe kijken de bezoekers tegen deze diensten en verplichtingen aan? De meeste cliënten hebben niet meer de

36

oude situatie (voor de invoering van een meer activerende bejegening) meegemaakt en voor hen is er dus ook geen sprake van een verandering. Hierop wordt hieronder ingegaan. Ruim 80% vindt het goed of heel goed dat er maaltijden worden aangeboden. De enkele mensen die een toelichting geven op hun antwoord zeggen dat ze de maaltijden niet lekker vinden, te weinig gevarieerd en niet voedzaam genoeg. Eén persoon vindt het sneu voor de mensen die bij Visie-R werken en een maaltijd missen. Over de verplichte dagactiviteiten zijn iets minder mensen positief, 56% vindt het goed of heel goed, 18% zegt “gaat wel” en een kwart vindt het “niet goed” of zelfs “slecht”. Uit de spaarzame toelichtingen maken we op dat het verplichte karakter niet wordt gewaardeerd en ook dat mensen zich soms te naar voelen om te klussen. Uit gesprekken met cliënten leren we dat het voor mensen die net bij de NE binnenkomen het klussen soms (te) veel gevraagd is. Ze hebben behoefte om eerst een paar dagen bij te komen voordat ze een klus oppakken. Verder is er bij de cliënten die we hebben gesproken meestal waardering voor de dagactiviteiten, hetzij bij Visie-R of bij de NE. Uit de gesprekken blijkt ook dat de groepswerkers van de NE bereid zijn om maatwerk te leveren en waar nodig soepel om te gaan met de behoeften en verplichtingen van cliënten.

Als je op een doorstroomkamer zit, mag je hier binnen eigenlijk niet klussen. Er is een uitzondering gemaakt. Ik doe bardienst, dweilen, tafels afnemen, toiletten, boven douches, het maakt niet uit. (geïnterviewde 1406, tweede ronde) 6.4.2 Persoonlijk Actieplan Een ander element van de activerende benadering van cliënten is het Actieplan. In principe maken alle bezoekers van de NE, in samenwerking met een maatschappelijke werker, een Actieplan. Hierin worden doelen geformuleerd en acties omschreven die nodig zijn om deze doelen te bereiken. Belangrijke elementen in het Actieplan zijn inkomsten en huisvesting. In tabel 6.4 wordt een onderscheid gemaakt tussen mensen die wel en niet in de NE slapen om te laten zien dat niet alleen degenen die van de nachtopvang gebruik maken een Actieplan hebben - zij het wel een meerderheid - maar ook mensen met alleen een postadres. Tabel 6.4 Aantal cliënten met persoonlijk actieplan Augustus 2013* n = 71 Ja Nee Slaapt wel in NE 27 10 Slaapt niet in NE 8 13 Totaal 35

Juni 2014^ n = 61 Ja Nee 29 15 12 14 39

December 2014# n = 53 Ja Nee 26 16 6 19 32

*13 weet niet; ^7 weet niet; #3 weet niet

Het grotere aandeel mensen dat in de tweede onderzoeksronde geen Actieplan heeft wordt misschien verklaard door hetzelfde als waardoor afname van de duur van het verblijf wordt verklaard. Doordat er relatief veel nieuwe cliënten in de NE komen, is de kans groter dat zij nog geen Actieplan hebben, eenvoudig omdat er nog onvoldoende tijd was om deze te maken. Tabel 6.5 Tevredenheid met persoonlijk actieplan Augustus 2013 n=34 (zeer) tevreden 18 (53%)

Juni 2014 n=39 5 (13%)

December 2014 n=32 13 (41%)

37

Er is geen statistisch significant verschil in waardering voor het actieplan tussen de mensen die alleen een postadres hebben en mensen die ook in de NE slapen (alle onderzoeksrondes). Uit de werkgroep, tweede onderzoeksronde Zoekende naar verklaringen die de afname van de tevredenheid over het actieplan, komen verschillende observaties op tafel. Een woonmaatschappelijk werker zegt het heel leuk te vinden met een actieplan te werken. De doelen die worden benoemd en de taakverdeling is heel concreet. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat er “intern gedoe” is met de actieplannen, de manier waarop de actieplannen worden opgesteld zou achterlopen op de methodiek van herstelgericht werken. Een cliënt merkt op dat veel mensen het actieplan niet snappen waarop een groepswerker zegt dat veel cliënten het niet als “hun actieplan” ervaren. Feit is dat een actieplan verantwoordelijkheden bij de cliënten legt. Wanneer gekoppeld aan een maximum verblijfsduur zouden mensen dat als bedreigend kunnen ervaren. Ze zijn misschien bang om te falen. 6.5 Ervaren kwaliteit van de hulpverlening De kwaliteit van de hulpverlening van de NE is bij elk van de drie onderzoeksrondes onderzocht. We hebben kwaliteit van de hulpverlening opgevat als een begrip dat meerdere aspecten in zich draagt. We hebben het schaalgemiddelde (0-4) genomen van de antwoorden op vier stellingen/ vragen: 1.

Mijn persoonlijk begeleider is te vertrouwen. 2. Mijn persoonlijk begeleider helpt me mijn situatie te verbeteren. 3. De huisregels zijn duidelijk. 4. Wat vindt u van de kwaliteit van de hulpverleners van De Binnenvest die in de NE werken? Tabel 6.6 Kwaliteit hulpverlening

Schaalgemiddelde (0-4)

Augustus 2013 n = 63 3,4

Juni 2014 n = 78 2,6

December 2014 n = 73 2,6

In tabel 6.6 zijn de gemiddelde scores op deze items weergegeven. Opgemerkt moet worden dat alleen naar de persoonlijke begeleider is gevraagd en niet naar het maatschappelijk werk. Het lijkt erop dat de cliënten van de NE na de eerste onderzoeksronde minder tevreden zijn met de kwaliteit van de hulpverlening van de NE. Als het werkelijk zo is dat de tevredenheid afneemt is hebben we geen aanwijzingen die dat kunnen verklaren. Wel zijn, met name uit de semigestructureerde interviews, klachten van cliënten naar voren gekomen die richting kunnen geven aan verdere verbetering van de hulpverlening maar die los staan van schijnbare afname van tevredenheid zoals gerapporteerd in tabel 6.6. Cliënten en hun situaties zijn vaak verschillend. De ene cliënt werkt actief mee, de ander stelt zich meer afhankelijk op. Toch is het denkbaar dat meer mensen met onderstaande situatie te maken krijgen. Laatst voor mijn einddatum werd er door de maatschappelijk werkster aangegeven dat ik bij mijn pb-er moest wezen en mijn pb-er stuurt mij terug naar maatschappelijk werk. Ik word er gek van. Ik ben naar de teamleider gegaan en hij zei dat hij er niks mee te maken had en stuurde mij weer terug naar de maatschappelijk werkster. Zij moest er toen een beslissing over nemen. Het heeft anderhalf tot twee weken geduurd voor ik antwoord kreeg. Ik word er alleen maar zenuwachtiger van.

(geïnterviewde 1405, derde onderzoeksronde)

38

Uit het citaat blijkt dat de communicatie in de driehoek cliënt - maatschappelijk werker - persoonlijk begeleider niet goed is afgestemd. Uit de interviews zijn meerdere punten te halen waarin cliënten ontevreden zijn over de samenwerking en overdracht tussen maatschappelijk werkers en persoonlijk begeleiders. Er zijn ook voorbeelden van mensen die vinden dat ze te veel aan hun lot worden overgelaten. Ze moeten zelf gesprekken aanvragen, gesprekken zijn gehaast, of ze worden afgewimpeld. In meerdere interviews, zowel in de tweede als derde onderzoeksronde, vertellen cliënten in de doorstroomkamers dat ze maar weinig contact hebben met hun persoonlijk begeleider. Vanuit een herstelgedachte is het goed dat mensen die het kunnen zelf aan de slag gaan. Maar als het ertoe leidt dat zij de hulpverlening als te gehaast of te druk ervaren is het de vraag of dit de zelfredzaamheid ten goede komt. Ik praat door ervaring. Meestal als ik naar mijn pb-er ga, dan is het altijd gehaast en hebben ze geen tijd. (…) Ik zeg niet dat ze amateur is maar ik wil dat hier professionele mensen zijn. (…) Ik praat niet voor mij alleen, maar in het algemeen. Er zijn mensen die vergeetachtig zijn, mensen die ziek zijn, mensen die zwaarder zijn dan ik, mensen die alcoholist of junkies zijn. Als er geen professioneel personeel aanwezig is, dan blijven ze gewoon doorgaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1016/documents/39894