CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2.IV aanvullend ecologisch onderzoek.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 24 juni 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Maasterras fase 1 - Raadsvoorstel13.440 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.

Indien één of meerdere in voorschrift 5 bedoelde maatregelen onverhoopt niet uitvoerbaar zijn, dienen hiervoor minimaal gelijkwaardige maatregelen voor wat betreft de functionaliteit en effectiviteit voor de betreffende soort(en) te worden getroffen.

7.

Tijdig, uiterlijk één maand voordat de in voorschrift 6 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd, dienen deze ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid te worden voorgelegd.

8.

De voorzieningen dienen te worden gemeld via het registratieformulier verblijfsvoorzieningen op https://eloket.odh.nl/verblijfsvoorzieningen. Hiervoor geldt: a. voor tijdelijke voorzieningen: uiterlijk twee weken na de verzenddatum van deze vergunning; b. voor permanente voorzieningen: uiterlijk één week voor het plaatsen van de permanente voorzieningen.

Specifieke voorschriften Huismus 9. Het ongeschikt maken van de nestlocaties en het verwijderen van de groenstructuren van de huismus dient uitgevoerd te worden onder begeleiding van de ecologisch deskundige (voorschrift 4). De deskundige dient te allen tijde verslag te doen in het ecologisch logboek (voorschrift 2) van alle handelingen welke een effect hebben op de huismus. Aan het ongeschikt maken zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. het ongeschikt maken dient te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare broedperiode welke loopt van 1 maart tot en met 31 augustus en buiten koude perioden, gedefinieerd als perioden met gedurende drie tot vijf dagen aanhoudende (nacht)vorst; b. indien er sprake kan zijn van late vervolglegsels dient ook de maand september te worden ontzien, dit is ter beoordeling van de ecologisch deskundige; c. het ongeschikt maken van de bebouwing dient te worden uitgevoerd door het verwijderen van dakpannen of het plaatsen van weringsborstels, na expliciete vrijgave door de ecologisch deskundige; d. na het ongeschikt maken en maximaal drie dagen voor aanvang van de werkzaamheden dient een controlebezoek te worden uitgevoerd door de deskundige om de aanwezigheid van huismussen in de bebouwing uit te sluiten, alvorens het plangebied mag worden vrijgegeven voor het starten van de werkzaamheden; e.

direct voor aanvang van de rooiwerkzaamheden dient de deskundig ecoloog een controle uit te voeren om vast te stellen dat er op dat moment geen huismussen in het groen aanwezig zijn. Indien deze hier wel foeragerend aanwezig zijn, mogen deze verjaagd worden. Het verjagen van foeragerende dieren is enkel toegestaan buiten de broedperiode. 10. Zowel de tijdelijke als de permanente voorzieningen moeten functioneel zijn voor de periode waarvoor deze worden ingezet. Dit houdt in dat de voorzieningen minimaal één keer per jaar gecontroleerd dienen te worden door of onder begeleiding van een ecologisch deskundige op functionaliteit en dat – indien nodig – de functionaliteit van de voorziening hersteld wordt. Het controleren op functionaliteit dient uitgevoerd te worden buiten de broedperiode van de huismus. Bovendien moeten de tijdelijke nestkasten zich te allen tijde buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te bevinden. 11. De tijdelijke voorzieningen mogen pas verwijderd worden wanneer de gewenningsperiode in acht is genomen en de permanente voorzieningen functioneel zijn. De verwijdering dient begeleid te worden door een ecologisch deskundige op het gebied van de huismus.

Indien blijkt dat de tijdelijke voorziening in gebruik is genomen, mag deze uitsluitend verwijderd worden buiten de kwetsbare periode van de soort en nadat door de deskundige is vastgesteld dat de voorziening is verlaten. ODH1135592

4 / 15

12. Minimaal drie maanden voorafgaand aan de realisatie van het nieuwe leefgebied voor de huismus dient een plan van aanpak ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Hierbij dient minimaal hetgeen wat verloren gaat gecompenseerd te worden in dezelfde of betere kwaliteit, faciliterend voor tenminste twaalf huismussen (namelijk tweemaal de zes huismusnesten die zijn aangetroffen in het plangebied).In dit plan van aanpak dient in ieder geval het volgende opgenomen te zijn: a. een inrichtingsplan met daarbij één of meerdere tekeningen van de nieuwe situatie met hierin opgenomen de oppervlakten van de beplantingsvakken, de verschillende bomen en andere plantensoorten, bedekkingsgraad en afstand van de gerealiseerde alternatieve verblijfplaatsen van de huismus; b. een lijst met alle boom- en plantensoorten en leeftijd van de beplanting; c. een beheerplan met een looptijd van minimaal vijf jaar vanaf realisatie van het nieuwe leefgebied, waarin beschreven staat hoe gewaarborgd wordt dat het leefgebied functioneel blijft, welk beheertype(n) wordt toegepast en hoe de uitvoering contractueel is vastgelegd; d. een omschrijving van hoe de invulling van de groencompensatie voldoet aan de eisen die gesteld worden in het meest actuele Kennisdocument Huismus (BIJ12). 13.

Het nieuw te realiseren leefgebied dient tenminste te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. het nieuw leefgebied dient te bestaan uit volwassen bomen en struiken. Het is niet toegestaan om enkel bosplantsoen te planten, dit kan enkel als aanvulling op de volwassen bomen en struiken worden gebruikt; b. de samenstelling van de beplanting dient te bestaan uit inheemse boom- en struiksoorten die bij voorkeur vruchtdragend en/of bloeiend zijn gecombineerd met boom- en struiksoorten die in de winter groen blijven; c. de beplanting (volwassen bomen en struiken) dient met voorkeur op diverse locaties in groepsverband aangeplant te worden en voldoende dekking te bieden; d. er dienen voldoende plekken voor stofbaden en drinkwater gerealiseerd te worden; e. bovenstaand dient te worden gerealiseerd conform het meest actuele Kennisdocument Huismus (BIJ12). Gewone dwergvleermuis 14. Het ongeschikt maken van het paarterritorium van de gewone dwergvleermuis dient uitgevoerd te worden onder begeleiding van de ecologisch deskundige (voorschrift 4). De deskundige dient te allen tijde verslag te doen in het ecologisch logboek (voorschrift 2) van alle handelingen welke een effect hebben op de gewone dwergvleermuis. Aan het ongeschikt maken zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. het ongeschikt maken dient te worden uitgevoerd tussen 15 april tot en met 15 oktober.

Dit is in de actieve periode; b. om vleermuizen redelijkerwijs de mogelijkheid te geven de verblijfplaats(en) te verlaten voordat met de werkzaamheden wordt gestart, dienen exclusion flaps te worden geplaatst op de invliegopeningen; c. gezien de exacte locatie van de paarverblijfplaats die hoort bij het paarterritorium niet is vastgesteld, dient de gevel waarlangs het paarterritorium is aangetroffen in zijn geheel ongeschikt gemaakt te worden; d. indien invliegopeningen met elkaar in verbinding staan is het, onder voorwaarde dat minimaal één van deze openingen ongeschikt wordt gemaakt door middel van een exclusion flap, toegestaan om de overige openingen ongeschikt te maken door middel van weringsborstels, rondschuim of compriband zonder plakranden. De ruimte tussen exclusion flaps mag maximaal 3 meter zijn; e. het gebruik van materialen waarin vleermuizen verstrikt kunnen raken of aan vast kunnen plakken of verwonden, zoals (steiger)netten, glaswol of purschuim is niet toegestaan; f. de maatregelen, waaronder exclusion flaps, waarmee de bebouwing ongeschikt is gemaakt, dienen gedurende minimaal vijf dagen met gunstige weersomstandigheden (minimaal 10 graden, een windkracht van minder dan 5 Bft en droog) te worden ingezet. Minimaal drie van de vijf dagen met gunstige weersomstandigheden dienen aaneengesloten te zijn.

Bij overdag slecht weer en ’s avonds rond zonsondergang en in de nacht goed weer, telt dit nog steeds als een dag met gunstige weersomstandigheden; ODH1135592

5 / 15

g.

h.

na het ongeschikt maken en met inachtneming van de vereiste dagen met gunstige weersomstandigheden, dient een controlebezoek te worden uitgevoerd door de deskundige met behulp van een batdetector om de aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing uit te sluiten, alvorens het plangebied mag worden vrijgegeven voor het starten van de werkzaamheden; bij het ongeschikt maken in het najaar (1 september tot en met 15 oktober) geldt aanvullend op sub f en g hiervoor, dat de periode van vijf dagen met gunstige weersomstandigheden, waarvan drie aaneengesloten, en het daaropvolgende controlebezoek moeten zijn uitgevoerd op uiterlijk 15 oktober.

15. Zowel de tijdelijke als de permanente voorzieningen moeten functioneel zijn voor de periode waarvoor deze worden ingezet. Daarnaast dienen de tijdelijke en permanente voorzieningen minimaal één keer per jaar gecontroleerd te worden op functionaliteit en dient - indien nodig - de functionaliteit van de voorziening op zo kort mogelijke termijn weer te worden hersteld. Het controleren op de functionaliteit dient uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare kraam- en winterperiode van de gewone dwergvleermuis. Bovendien moeten de tijdelijke voorzieningen zich te allen tijde buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. 16. De tijdelijke alternatieve voorzieningen mogen pas verwijderd worden wanneer de gewenningsperiode voor elke verblijfplaats in acht is genomen en de permanente voorzieningen functioneel en beschikbaar zijn. Hieraan verbinden wij de volgende voorwaarden: a. de verwijdering dient begeleid te worden door de ecologisch deskundige (voorschrift 4); b. de gewenningsperiode voor paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis is zes maanden voorafgaand aan het paarseizoen; c. indien blijkt dat een tijdelijke voorziening in gebruik is genomen, mag deze uitsluitend verwijderd worden buiten de kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis en nadat door de ecologisch deskundige is vastgesteld dat de voorziening uit eigen beweging is verlaten; d.

de ecologische deskundige dient verslag te doen van het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen in het logboek (voorschrift 2). 17. Er dienen minimaal vier permanente voorzieningen voor de paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de gevels te worden gerealiseerd. Deze dienen te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het meest recente Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12), waarbij per voorziening de minimale breedte 15 centimeter en de minimale hoogte 80 centimeter dient te zijn. 18. Uiterlijk één maand voordat de permanente voorzieningen worden gerealiseerd, dient een plan van aanpak ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (voorschrift 1) te worden voorgelegd. Hierin dient het type voorziening, de exacte locatie, hoogte en oriëntatie van elke voorziening te worden opgenomen.

ODH1135592

6 / 15

Aanwijzingen voor gebruik Deze omgevingsvergunning geldt alleen voor de soorten en verboden handelingen die in dit besluit genoemd zijn en voor de werkzaamheden die conform de aanvraag uitgevoerd worden, voor zover in deze omgevingsvergunning zelf niet anders aangegeven is. Op alle van nature in het wild levende planten en dieren en hun leefgebied geldt de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Gelet op deze specifieke zorgplicht dient inzicht verkregen te worden met betrekking tot de aanwezigheid van soorten op de locatie van de activiteit. Hierbij geldt dat objectief vastgesteld moet worden of soorten negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen activiteiten. Indien noodzakelijk moeten maatregelen getroffen worden om negatieve gevolgen zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden te voorkomen. Indien negatieve gevolgen redelijkerwijs niet te voorkomen zijn, dient de activiteit gestaakt te worden. In het kader van de specifieke zorgplicht dient tevens rekening gehouden te worden met broedgevallen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.

Indien de vergunninghouder de onderhoudsverplichting van gerealiseerde maatregelen wenst over te dragen aan een derde, dan moet de vergunninghouder zorgdragen voor het contractueel vastleggen daarvan.

ODH1135592

7 / 15

OVERWEGINGEN Aanleiding Op 11 april 2024 hebben wij, namens Gemeente Dordrecht, een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het uitvoeren van een flora- en fauna-activiteit, zoals opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet (hierna: Ow). De aanvraag betreft de volgende schadelijke handelingen op een vogelrichtlijnsoort en een habitatrichtlijnsoort zoals opgenomen in artikel 11.37 en 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) ten behoeve van het realiseren van een nieuwbouwwijk in deelgebied M4 van het Maasterras te Dordrecht. De vergunning wordt gevraagd voor het overtreden van de schadelijke handelingen zoals genoemd in: -

artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bal voor wat betreft het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten van de huismus (Passer domesticus).

-

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bal voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);

-

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bal voor wat betreft het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).

De omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de periode 1 juli 2024 tot en met 1 augustus 2029. Omdat de startdatum van de werkzaamheden ten tijde van deze beschikking is verstreken, verlengen wij ambtshalve de vergunningperiode tot en met 31 december 2029. Bij de aanvraag zijn de volgende, voor dit besluit relevante, gegevens toegevoegd: - De aanvraag, 11 april 2024 (ODH1031542); - Activiteitenplan Maasterras, deelgebied M4 in Dordrecht, Tauw B.V., kenmerk: R001-1292203VSX-V02-hmeNL, 6 maart 2024 (ODH1031546). Op 21 augustus 2024 hebben wij de volgende aanvullende gegevens ontvangen: - (e-mail) RE: Verzoek om aanvullende informatie betreft omgevingsvergunningaanvraag Omgevingswet, zaaknummer: 01102916, Tauw B.V., 21 augustus 2024 (ODH1146828).

Procedure Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 16.64 van de Ow zijn toegepast op deze aanvraag. Doordat de aangeleverde gegevens onvolledig waren, is op 14 augustus 2024 verzocht om aanvullende gegevens. Op 21 augustus 2024 hebben wij de aanvullende gegevens ontvangen. Verlenging Met toepassing van artikel 16.64, tweede lid, van de Ow hebben wij op 27 mei 2024 de termijn voor de afhandeling van de aanvraag met zes weken verlengd. Bevoegd gezag De activiteit wordt verricht binnen de provincie Zuid-Holland. Gelet op de bepalingen in artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ow, artikel 11.24 van het Bal en artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit zijn wij bevoegd gezag voor de beoordeling van de aanvraag.

ODH1135592

8 / 15

Toetsingskader en grondslag beschikking De aanvraag is getoetst aan de Omgevingswet, de artikelen 11.37 en 11.46 van het Bal, artikelen 8.74j en k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) paragraaf 7.2.1 en de artikelen 7.197j, k en o van de Omgevingsregeling en de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. De huismus is een van nature in Nederland in het wild levende vogel en beschermd op grond van artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bal is het verboden: - het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren, of het opzettelijk wegnemen van nesten van de huismus; Op grond van artikel 8.74j, eerste lid, van het Bkl wordt een omgevingsvergunning slechts verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat; - de activiteit nodig is omdat tenminste één van de belangen genoemd in artikel 8.74j, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl aan de orde is; en - de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soort. De gewone dwergvleermuis is een van nature in Nederland in het wild levend dier van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn.

Op grond van artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b en d, van het Bal is het verboden: - de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis opzettelijk te verstoren; - voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis te beschadigen of te vernielen. Op grond van artikel 8.74k, eerste lid, van het Bkl wordt een omgevingsvergunning slechts verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat; - de activiteit nodig is omdat tenminste één van de belangen genoemd in artikel 8.74k, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl aan de orde is; en - er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Beoordeling Aanvraag Gemeente Dordrecht is voornemens om een nieuwbouwwijk te realiseren in deelgebied M4 van het Maasterras te Dordrecht. De aanvraag heeft betrekking op de volgende werkzaamheden: - het ongeschikt maken van de aangetroffen verblijfplaatsen en groenvoorzieningen; - het rooien van de aanwezige groenvoorzieningen; - de sloop van de huidige bebouwing; - bouwrijp maken van het plangebied; - het realiseren van een groot deel van de woningen die voor het gehele plangebied zijn beoogd (2.000 tot 5.000 woningen). De werkzaamheden staan gepland te starten direct na verlening van deze omgevingsvergunning en hebben naar verwachting een doorlooptijd van vijf jaar. ODH1135592

9 / 15

Schadelijke handelingen Om te bepalen of sprake is van flora- en fauna-activiteiten heeft in 2022 nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van de huismus binnen het plangebied. De onderzoeksinspanning is uitgevoerd conform het meest recente Kennisdocument Huismus (BIJ12). Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van het plangebied voor de huismus in kaart zijn gebracht. Hiermee zijn wij van mening dat de onderzoeksinspanning voldoende is geweest. De huismus is in het plangebied aangetroffen. Er zijn in totaal zes huismusnesten in het plangebied aangetroffen. In de Weeskinderendijk 29, 31, 45 en 83 zijn elk één huismusnest aanwezig, en in de Weeskinderendijk 43 zijn twee huismusnesten aanwezig. Met de geplande werkzaamheden gaan deze nestplaatsen verloren en wordt de schadelijke handelingen zoals bedoeld in 11.37, eerste lid, aanhef en onder b overtreden. Om te bepalen of sprake is van flora- en fauna-activiteiten heeft in 2022 nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol (2021), met uitzondering van het onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen. De woningen in het plangebied zijn slecht geïsoleerd en bieden daardoor geen geschikt klimaat waarbij een spouwmuur in koude perioden vorstvrij blijft.

Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van het plangebied voor de gewone dwergvleermuis in kaart zijn gebracht. Hiermee zijn wij van mening dat de onderzoeksinspanning voldoende is geweest. De gewone dwergvleermuis is in het plangebied aangetroffen. Langs de gehele Weeskinderendijk in het plangebied is een paarterritorium aanwezig. Op de voorgevel van een woning aan de Weeskinderendijk 93 tikte een vleermuis de gevel aan, naar aanleiding waarvan wordt gesteld dat er hier mogelijk een paarverblijfplaats aanwezig is. Van paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis mag er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat deze ook in gebruik zijn gedurende milde winters door één of enkele individuen als winterverblijfplaats. Met de geplande werkzaamheden gaat deze verblijfplaats, samen met het paarterritorium verloren en worden individuen opzettelijk verstoord. Hiermee worden de schadelijke handelingen zoals bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b en d, van het Bal overtreden. Voorgestelde maatregelen Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de huismus en de gewone dwergvleermuis tot een minimum te beperken, worden maatregelen voorgesteld zoals beschreven in ‘Activiteitenplan Maasterras, deelgebied M4 in Dordrecht’ van 6 maart 2024 en de aanvullende gegevens van 21 augustus 2024.

Deze maatregelen zien onder andere op het ongeschikt maken van de bebouwing in de minst kwetsbare periode van de huismus en de actieve periode van de gewone dwergvleermuis en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige met kennis van de huismus en de gewone dwergvleermuis. Geen andere bevredigende oplossing Het project is locatiegebonden aangezien het gaat om het uitvoeren van sloopwerkzaamheden om een nieuwbouwwijk te realiseren. De aanvraag ziet op het slopen van een oud en ongebruikt industrieterrein met daar omheen slecht geïsoleerde woningen. Daarvoor in de plaats beoogt de gemeente Dordrecht een duurzame nieuwbouwwijk te realiseren met woningen die toekomstbestendig zijn en een grote bijdrage levert aan het nationale woonbestand. Omdat het onwenselijk en vaak onmogelijk is om de komgrenzen van bestaande steden uit te breiden voor nieuwbouw, is het vervangen van het huidige woonbestand, waar dit een significante vooruitgang levert, vaak de enige optie. Alternatieve methoden zijn niet overwogen omdat de ingreep dermate omvangrijk is dat sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden de enige optie blijkt. Wanneer de ingreep niet uitgevoerd zou worden zou er geen vooruitgang in het nationale woonbestand plaatsvinden en zouden de woningen waar de ODH1135592

10 / 15

aanvraag op ziet op den duur verduurzaamd moeten worden, waardoor de aangetroffen nestplaatsen eveneens verloren zouden gaan. Wat betreft de werkzaamheden worden alle mogelijke mitigerende uitvoeringsmaatregelen getroffen om effecten op de huismus en de gewone dwergvleermuis te verminderen, hetgeen wordt opgenomen en geborgd in een ecologisch werkprotocol. Zo wordt er rekening gehouden met de kwetsbare periode van de huismus en de gewone dwergvleermuis en worden er maatregelen genomen om effecten tijdens de werkzaamheden te verminderen. Gelet op de noodzaak en wijze van uitvoering is voldoende aangetoond dat geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Met de gekozen werkwijze, planning en periode van uitvoering, wordt schade aan de huismus en de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk voorkomen. Belangenonderbouwing De vergunning is voor de huismus aangevraagd op grond van het belang van ‘de volksgezondheid of de openbare veiligheid’ zoals genoemd in artikel 8.74j, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl, en voor de gewone dwergvleermuis op grond van het belang van ‘de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ zoals genoemd in artikel 8.74k, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl.

In het Energieakkoord is afgesproken dat de gebouwde omgeving in Nederland in 2050 energieneutraal is. Dat betekent dat er 4,5 miljoen huur- en koopwoningen, laagbouw en hoogbouw, rijtjeswoningen en vrijstaande huizen, energieneutraal gemaakt moeten worden. Het gaat om woningen en bedrijfspanden uit de jaren 1930, met energielabel D tot en met G. Alleen door vergaande verduurzaming van de bestaande woningvoorraad kan dit doel worden bereikt. Daarnaast heeft Nederland ingestemd met het Klimaatakkoord. De opgave om de nationale broeikasgasuitstoot in 2030 met 49% terug te dringen ten opzichte van 1990 is het centrale doel van dit Klimaatakkoord2. De geplande werkzaamheden dragen bij aan de reductie van CO2 uitstoot en daarmee aan de internationale en nationale klimaatdoelstellingen om klimaatverandering tegen te gaan. Het terugdringen van de CO2-uitstoot is essentieel voor het beperken van klimaatverandering en dient daarmee een groot maatschappelijk belang, onder meer op het vlak van veiligheid, natuurbescherming, welzijn en welvaart. Het verminderen van fossiele emissies leidt bovendien tot een verbeterde luchtkwaliteit en heeft daarmee een positief effect op de volksgezondheid. Om invulling te geven aan de doelen van het Energie- en klimaatakkoord zijn op 30 juni 2022 de Nationale Prestatieafspraken ondertekend.

Woningcorporaties, gemeenten, huurders en het Rijk hebben hierin bindende afspraken gemaakt3. Hierin is onder andere opgenomen dat corporaties al hun woningen met een E-, F-, of G-label tot en met 2028 versneld verduurzamen. Dit sluit aan op het doel om in 2030 675.000 woningen vergaand te isoleren en om 450.000 bestaande corporatiewoningen aardgasvrij te maken. Tevens draagt de ingreep bij aan de regionale en nationale woningmarkt. Door een aantal slecht geïsoleerde woningen te slopen wordt er plaatsgemaakt om in deelgebied M4 een groot aandeel van de geplande 2.000 tot 5.000 woningen te creëren die gepland zijn voor de gehele omvorming van het Maasterras. Het woonbestand zal worden aangevuld met meerdere prijsklassen aan woningen en zal voorzien in 18,8% sociale huurwoningen, 5% middenhuurwoningen en 32% betaalbare koopwoningen. Vanwege de gespannen woningmarkt is het van groot belang om te voorzien in een divers woonaanbod. Hieruit volgt dat de realisatie van het project kan worden beschouwd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

2

https://www.klimaatakkoord.nl/binaries/klimaatakkoord/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord/klimaatakkoord.pdf https://aedes.nl/verduurzaming/nationale-prestatieafspraken-verduurzaming ODH1135592 11 / 15 3

Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel het belang van ‘de volksgezondheid of de openbare veiligheid’ en ‘de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ voldoende is onderbouwd om de negatieve effecten op de huismus en de gewone dwergvleermuis, welke als gevolg van de uitvoering van het project zullen optreden, te rechtvaardigen. Staat van instandhouding Huismus Als gevolg van de werkzaamheden gaan zes nesten van de huismus verloren. Op 14 en 15 februari 2024 zijn zeventien tijdelijke nestkasten van het type Unitura HMT1 gerealiseerd. De locaties zijn aangegeven in appendix 1. In de permanente situatie worden zeventien permanente voorzieningen van het type Vivara Pro NK MU 07 ingebouwd in de gevels van de nieuwbouwwoningen. Hiermee worden er gedurende en na de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden aangeboden ter compensatie voor hetgeen dat verloren gaat.

Buiten de kwetsbare broedperiode van de huismus, die loopt van 1 maart tot en met 31 augustus, en buiten koude perioden (gedefinieerd als perioden met gedurende drie tot vijf dagen aanhoudende (nacht)vorst), worden de huismusnesten ongeschikt gemaakt om te voorkomen dat huismussen aanwezig zijn in het plangebied ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. In deze tijd dient tevens ook het essentieel leefgebied ongeschikt gemaakt te worden en de bestaande groenstructuren verwijderd te worden. Dit is opgenomen in de voorschriften. Indien sprake kan zijn van late vervolglegsels dient ook de maand september te worden ontzien, dit is ter beoordeling van de ecologisch deskundige (voorschrift 4). Het ongeschikt maken van de bebouwing voor de huismus dient te worden uitgevoerd door het verwijderen van de dakpannen of het plaatsen van weringsborstels, onder begeleiding van en na expliciete vrijgave door een ecologisch deskundige. Hiervan dient verslag te worden gedaan in het logboek (zie voorschrift 2). Indien er nesten in gebruik zijn, dient het ongeschikt maken plaats te vinden nadat de vogels de nestlocaties uit eigen beweging hebben verlaten. Maximaal drie dagen voor aanvang van de werkzaamheden zal er door een ecologisch deskundige een controle plaatsvinden om vast te stellen dat er op dat moment geen huismussen in het plangebied verblijven.

Pas als dit wordt vastgesteld kunnen de werkzaamheden aanvangen. Het essentieel leefgebied binnen het plangebied, wat verloren gaat met de werkzaamheden, dient gecompenseerd te worden. De aanvrager is voornemens 5.000m² voor de huismus functioneel groen te planten in de nieuwe situatie. Verder wordt 2.000m² aan verwildering van landschap toegepast en wordt 250m² aan zand- en stofbaden gerealiseerd. Extensief beheer zal worden toegepast op het functioneel groen en er zal biodiverse waterberging in het plangebied worden gerealiseerd. Omdat de groencompensatie slechts in grote lijnen is opgemaakt, dient een plan van aanpak voor een beplantingsplan opgesteld te worden. Hierbij dient minimaal hetgeen wat verloren gaat gecompenseerd te worden in dezelfde of betere kwaliteit, faciliterend voor tenminste twaalf huismussen (namelijk tweemaal de zes huismusnesten die zijn aangetroffen in het plangebied).

Het plan van aanpak moet tenminste bevatten een inrichtingsplan met daarbij één of meerdere tekeningen van de nieuwe situatie met hierin opgenomen de oppervlakten van de beplantingsvakken, de verschillende bomen en andere plantensoorten, bedekkingsgraad en afstand van de gerealiseerde alternatieve verblijfplaatsen van de huismus, een lijst met alle boom- en plantensoorten en leeftijd van de beplanting, een beheerplan met een looptijd van minimaal vijf jaar vanaf realisatie van het nieuwe leefgebied, waarin beschreven staat hoe gewaarborgd wordt dat het leefgebied functioneel blijft, welk beheertype(n) wordt toegepast en hoe de uitvoering contractueel is vastgelegd en een omschrijving van hoe de invulling van de groencompensatie voldoet aan de eisen die gesteld worden in het meest actuele Kennisdocument Huismus (BIJ12). Dit hebben wij vastgelegd in de voorschriften. De groenstructuren die aangeplant zullen worden, moeten bestaan uit beplanting die voldoende dekkingsmogelijkheden en slaapgelegenheden biedt en voldoende voedsel levert voor ten minste twaalf ODH1135592

12 / 15

huismussen (namelijk tweemaal de hoeveelheid huismussen die zijn aangetroffen in het plangebied), en dienen afgewisseld te worden met landschapselementen waar voldoende drinkwater is te verkrijgen en waar de mogelijkheid is om stofbaden te nemen. Deze elementen dienen te worden gerealiseerd conform het meest actuele Kennisdocument Huismus (BIJ12) en groei van de lokale populatie te ondersteunen. Dit is opgenomen in de voorschriften. De huismus komt verspreid voor in de directe omgeving van het plangebied en op grotere schaal binnen Dordrecht. De aangetroffen nestplaatsen in het plangebied maken onderdeel uit van een groter netwerk aan nestplaatsen in de directe omgeving. Slechts een klein deel van de kolonie ondervindt gevolgen van de geplande werkzaamheden. Door de voorgenomen maatregelen effect is het aannemelijk dat de huismus in de directe omgeving aanwezig blijft en na de ingreep de mogelijk heeft om terug te keren naar het gebied. Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de voorgestelde maatregelen, met inachtneming van de voorschriften, voldoende zijn om negatieve effecten te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken en dat de werkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de huismus.

Gewone dwergvleermuis Als gevolg van de werkzaamheden gaat één paarverblijfplaats met bijbehorend paarterritorium van de gewone dwergvleermuis, met mogelijk milde winterfunctie, verloren. Op 14 en 15 februari 2024 zijn vier tijdelijke vleermuiskasten van het type Unitura VMT1 gerealiseerd. De locaties zijn aangegeven in appendix 1. In de permanente situatie worden acht inmetselkasten van het type Vivara Pro IB VL 05 of vergelijkbaar gerealiseerd in de nieuwbouw. De maatgeving van de voorgestelde permanente kasten voldoen niet aan wat is gesteld in het meest actuele Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12). De permanente inmetselkasten dienen ten minste 80 centimeter hoog en 15 centimeter breed te zijn. In de directe omgeving van de huidige type verblijfplaats bevinden zich daarnaast voldoende natuurlijke alternatieven voor de gewone dwergvleermuis. Hiermee worden gedurende en na de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden aangeboden voor de gewone dwergvleermuis ter compensatie voor hetgeen dat verloren gaat. In actieve periode wordt de paarverblijfplaats ongeschikt gemaakt om te voorkomen dat er vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. Dit wordt uitgevoerd door het toepassen van exclusion flaps.

Om vleermuizen redelijkerwijs de mogelijkheid te geven om de verblijfplaats te verlaten voordat met de werkzaamheden wordt gestart, dienen exclusion flaps gedurende minimaal vijf aaneengesloten dagen te worden ingezet. De weersomstandigheden dienen op deze dagen gunstig te zijn (minimaal 8 graden en een windkracht van <5 Bft) en deze dienen door de ecologisch deskundige te worden opgenomen in een logboek. Dit hebben wij opgenomen in de voorschriften. Daarmee wordt voorkomen dat individuen worden verwond of gedood. De genoemde maatregelen worden getroffen conform de richtlijnen uit het meest actuele Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12). De gewone dwergvleermuis komt verspreid voor in de directe omgeving van het plangebied en op grotere schaal binnen Dordrecht. Door de voorgenomen maatregelen en de beperkte omvang van het effect is het aannemelijk dat de gewone dwergvleermuis in de directe omgeving aanwezig blijft. Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de voorgestelde maatregelen, met inachtneming van de voorschriften, voldoende zijn om negatieve effecten te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken en dat de werkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de huismus en de gewone dwergvleermuis.

ODH1135592

13 / 15

Ecologisch werkprotocol De start van de werkzaamheden dient gemeld te worden bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De werkzaamheden en de wijze waarop de maatregelen worden uitgevoerd dienen in een ecologisch werkprotocol te worden opgenomen. Dit protocol dient bij het melden van de start van de werkzaamheden meegestuurd te worden. Voorts dient het protocol op de locatie aanwezig te zijn. Hierdoor weten ook de uitvoerders op welke wijze de werkzaamheden zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Wij hebben dit in de voorschriften 1, 2 en 3 vastgelegd. Samenhangende besluiten Bij deze beoordeling is uitsluitend gekeken naar mogelijke effecten op de huismus en de gewone dwergvleermuis op basis van de aangeleverde informatie. Er kunnen nog andere toestemmingen nodig zijn om de gevraagde activiteiten te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld van de gemeente of het waterschap.

Conclusie Op grond van het vorenstaande kan de gevraagde ontheffing op grond van artikelen 8.74j en k, eerste lid, van het Bkl worden verleend.

ODH1135592

14 / 15

Appendices Appendix 1: de locaties van de gerealiseerde tijdelijke voorzieningen Adres/locatie

Type voorziening

Vlietweg 17, voorgevel

Vleermuiskast (1)

Spieghelstraat 15, voorgevel

Vleermuiskast (1)

Vlietweg 32, voorgevel

Vleermuiskast (1)

Vlietweg 52, voorgevel

Vleermuiskast (1)

Vlietweg 17, zijgevel

Huismuskast (3)

Vlietweg 18, voorgevel

Huismuskast (2)

Vlietweg 19, voorgevel

Huismus (1)

Vlietweg 20, zijgevel

Huismuskast (3)

Spieghelstraat 13, achtergevel

Huismuskast (3)

Spieghelstraat 15, achtergevel

Huismuskast (1)

Spieghelstraat 10, voorgevel

Huismuskast (1)

Spieghelstraat 14, voorgevel

Huismuskast (3)

ODH1135592

15 / 15

Bijlage 3. Kaarten waarnemingen

figuur 1: Data van vleermuizen verzameld tijdens de onderzoeksrondes in en rondom het plangebied (rode omlijning). . Pp = gewone dwergvleermuis, Pn = ruige dwergvleermuis, Nn = rosse vleermuis.

figuur 2: Data van gierzwaluwen verzameld tijdens de onderzoeksrondes in en rondom het plangebied (rode omlijning).

figuur 3: Data van huismus verzameld tijdens de onderzoeksrondes in en rondom het plangebied (rode omlijning).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/935/documents/40728