CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2.IV aanvullend ecologisch onderzoek.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 24 juni 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Maasterras fase 1 - Raadsvoorstel13.440 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ptolemaeuslaan 40 3528 BP Utrecht T +31 88 99 04 800

AANVULLEND SOORTGERICHT ONDERZOEK Maasterrassen – Vleermuis, gierzwaluw, huismus

Ref.: NL202050632-R24-1413 29 oktober 2024

Gemeente Dordrecht

RPS advies- en ingenieursbureau bv

Contactpersoon

Christine Huibers-van de Velde

Projectreferentie

NL202050632-R24-1413

Adres

Spuiboulevard 300

Versie

Concept

3311 GR Dordrecht

Totaal aantal pagina’s

20

Projectleider: Adviseur/auteur: Controleur:

Luke Vrijens Eline Theuws Luke Vrijens

In verband met digitale verwerking van deze rapportage ontbreekt de handtekening. Dit rapport is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.

Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 2 van 20

INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING ................................................................................................................................... 4 Aanleiding ..................................................................................................................................... 4 Doel van het onderzoek ............................................................................................................... 4 Onderzoeksvragen ....................................................................................................................... 4 Leeswijzer .................................................................................................................................... 4

2 2.1 2.2

PROJECTOMSCHRIJVING ........................................................................................................ 5 Plangebied ................................................................................................................................... 5 Ingreep en planning...................................................................................................................... 6

3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2 3.3

TOEGEPASTE ONDERZOEKSMETHODE ................................................................................ 7 Vleermuizen ................................................................................................................................. 7 Uitvoering ..................................................................................................................................... 7 Apparatuur .................................................................................................................................... 7 Voorwaarden uitvoering ............................................................................................................... 7 Onderzochte functies ................................................................................................................... 8 Gierzwaluw ................................................................................................................................... 9 Huismus ....................................................................................................................................... 9

4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2 4.3

RESULTATEN ONDERZOEK ................................................................................................... 11 Vleermuizen ............................................................................................................................... 11 Gewone dwergvleermuis ............................................................................................................ 11 Ruige dwergvleermuis ................................................................................................................ 13 Rosse vleermuis ......................................................................................................................... 13 Gierzwaluw ................................................................................................................................. 14 Huismus ..................................................................................................................................... 14

5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2

EFFECTANALYSE .................................................................................................................... 16 Vleermuizen ............................................................................................................................... 16 Effecten ...................................................................................................................................... 16 Maatregelen en vervolgstappen ................................................................................................. 16 Gierzwaluw ................................................................................................................................. 17 Huismus ..................................................................................................................................... 17 Effecten ...................................................................................................................................... 17 Maatregelen en vervolgstappen ................................................................................................. 17

6

CONCLUSIE AANVULLEND ONDERZOEK ............................................................................ 18

7

BRONNEN ................................................................................................................................. 20

BIJLAGEN 1. 2. 3.

Natuurwetgeving Omgevingsvergunning Omgevingsdienst Haaglanden Kaarten waarnemingen

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 3 van 20

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De gemeente Dordrecht is voornemens woningen te slopen ten behoeve van een grootschalige herontwikkeling. Een quickscan is uitgevoerd door een derde partij. Hieruit is naar voren gekomen dat aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk is voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet worden getoetst of sprake is van strijdigheid met de Omgevingswet natuur (hierna Ow; bijlage 1). Om te bepalen of een vergunning in het kader van de Omgevingswet voor het verwijderen/tijdelijk verplaatsen van verblijfplaatsen van vleermuizen, huismus en gierzwaluw noodzakelijk is, is onderzocht wat de functie van het plangebied voor deze soorten is. Ten noorden van het plangebied heeft al onderzoek plaatsgevonden. Voor dit deel is al een Omgevingsvergunning uitgegeven (ODH1135592, Omgevingsdienst Haaglanden; bijlage 2).

1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van het aanvullend soortgericht onderzoek is inzicht te krijgen in de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten die kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden, wat de functie en populatiegrootte van het plangebied voor die soorten is en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten. De gegevens voortvloeiend uit het aanvullend soortgericht onderzoek geven duidelijkheid of verdere toetsing met een aanvraag van een ontheffing in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is.

1.3

Onderzoeksvragen

Het slopen van de woningen kan gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende beschermde flora en fauna. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Omgevingswet overtreden. De onderzoeksvragen zijn als volgt: 1. Op welke soorten is het aanvullend onderzoek gericht en welke onderzoeksmethode is daarbij gehanteerd? 2. Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden daadwerkelijk aanwezig en wat is de functie van het plangebied voor die soorten? 3. Welke effecten ondervinden de aanwezige beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten? 4. Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? 5. Is een verdere toetsing ten aanzien van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet en een vergunning in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk?

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de ligging van het plangebied beschreven, daarnaast zijn de voorgenomen werkzaamheden en planning opgenomen. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de resultaten van het uitgevoerde soortgericht onderzoek, in hoofdstuk 5 is de effectenbeoordeling en maatregelen en vervolgstappen opgenomen. Hoofdstuk 6 beschrijft de conclusie van de onderzoeken.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 4 van 20

2

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1

Plangebied

Het plangebied ligt in de wijk Weeskinderendijk en Dokweg in Dordrecht in de provincie Zuid-Holland en ligt in het kilometerhok (Amersfoortcoördinaten-systeem) 104-424. In figuur 2.1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied bestaat uit een bedrijventerrein en uit de straat Weeskinderendijk. Op het bedrijventerrein zijn gebouwen met platte daken aanwezig en bestaan voor een groot deel uit trespaplaten en voor een deel uit steen. Daarnaast zijn in het westen van het bedrijventerrein loodsen aanwezig. Het terrein is volledig verhard. Ten zuiden van het bedrijventerrein is struweel aanwezig. Ten noorden aan het bedrijventerrein grenzen tuinen van woningen die niet bij het plangebied horen. Ten oosten van het bedrijventerrein behoort dit deel van de straat Weeskinderendijk tot het plangebied. Aan deze straat liggen stenen woningen met dakpandaken. Ten oosten van de straat is een groenstrook aanwezig met grazige vegetatie en een bomenrij van linde. Figuur 2.2 toont een impressie van het plangebied aan de hand van foto’s.

Gebouwen op bedrijventerrein

Struweel ten zuiden van bedrijventerrein

Straat Weeskinderendijk

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 5 van 20

2.2

Ingreep en planning

De voorgenomen ingreep betreft de sloop van gebouwen ten behoeve van een grote herontwikkeling in de wijk Weeskinderendijk en Dokweg. De werkzaamheden zijn: • Aanvoer en stalling van materiaal en materieel. • Verkeermaatregelen treffen in straten. • Slopen gebouwen. • Afvoeren materiaal. De start en de doorlooptijd van de werkzaamheden zijn tijdens het schrijven van dit rapport niet bekend.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 6 van 20

3

TOEGEPASTE ONDERZOEKSMETHODE

3.1

Vleermuizen

De inventarisatie is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021. Dit protocol is het resultaat van een evaluatie van het Vleermuisprotocol 2017 door deskundigen van Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. In de laatste versie van het protocol zijn de meest recente ecologische inzichten verwerkt. Werken volgens dit protocol geeft een grote mate van zekerheid dat het onderzoek van voldoende kwaliteit is om een eventuele ontheffingsaanvraag te onderbouwen. Deze manier van onderzoeken betreft een steekproef gebaseerd op momentopnames. Daarom kan niet uitgesloten worden dat soorten en/of functies niet waargenomen zijn tijdens de inventarisaties of soorten op een ander tijdstip wel aanwezig zijn in en rondom het plangebied. Deze manier van onderzoek doen is aanvaardbaar in termen van de Omgevingswet, omdat de methode en inspanning voldoende invulling geven aan de zorgplicht. De initiatiefnemer heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

3.1.1

Uitvoering

Het onderzoek is uitgevoerd tijdens het kraam- en paarseizoen van vleermuizen. In het plangebied is onderzoek gedaan gericht op verblijfplaatsen. In tabel 3.1 staan de onderzoeksrondes en weersomstandigheden weergegeven. Op grond van de ligging en aard van het onderzoeksgebied is het noodzakelijk onderzoek te doen in de volgende perioden: • Kraamperiode: 15 mei – juli: vaststellen aanwezigheid kraam- en zomerverblijfplaatsen. • Paarperiode: augustus – september: vaststellen zomer-, paar- en (massa)winterverblijfplaatsen. Vanwege de omvang van het plangebied waar het verblijfplaatsonderzoek (bedrijventerrein en Weeskinderendijk) is uitgevoerd, wordt met de inzet van acht vleermuisdeskundigen voldaan aan de voorwaarden die gesteld worden in het vleermuisprotocol 2021 om voldoende oppervlakte van het onderzoek tegelijkertijd te zien. Tijdens de paarrondes zijn twee en drie vleermuisdeskundigen Voor het middernachtzwermen volstaat dit met twee vleermuisdeskundigen. Voor het onderzoek van de woningen aan de Weeskinderendijk ten noorden van het bedrijventerrein buiten het plangebied van deze rapport, zijn al mitigerende maatregelen toegepast. De gegevens van de nacontrole van de mitigerende maatregelen, uitgevoerd door RPS, zijn meegenomen in de data.

3.1.2

Apparatuur

Het aanvullend soortgericht onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd met behulp van een batdetector (Titley Anabat Walkabout). Waarnemingen zijn zo veel mogelijk in het veld gedetermineerd op geluid. Daarnaast zijn waarnemingen opgenomen, zowel van soorten die in het veld konden worden gedetermineerd als van waarnemingen die niet met zekerheid konden worden bepaald. Door zichtwaarnemingen is het gedrag en daarmee de functie van het gebied voor vleermuizen vastgesteld. Vervolgens zijn de opgenomen geluiden ter controle in Anabat Insight geanalyseerd en waar mogelijk op soort gebracht aan de hand van de criteria uit de literatuur.

3.1.3

Voorwaarden uitvoering

De onderzoeksmethode voor verblijfplaatsonderzoek is in dit onderzoek aangepast op de soorten die (mogelijk) voorkomen in het onderzoeksgebied. Daarbij zijn de tussenperiodes tussen de onderzoeksrondes, de voorwaarden van de weersomstandigheden en de data waarin onderzoek voor specifieke soorten plaats moeten vinden voor alle mogelijk voorkomende soorten vleermuizen geborgd. rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 7 van 20

De onderzoeksrondes zijn alleen uitgevoerd wanneer het weer daartoe voldoende geschikt was (temperatuur van 12 °C of hoger, droog, geen harde wind). Alle waarnemingen zijn direct in een smartphone met GPS in het veld opgeslagen in het programma Field Maps.

3.1.4

Onderzochte functies

Kraam- en zomerverblijfplaatsen Het onderzoeksgebied is gedurende de kraamperiode tweemaal ’s avonds vanaf zonsondergang en eenmaal ’s ochtends geïnventariseerd. Tussen de eerste en de tweede onderzoeksronde is een tussenperiode van tenminste 20 dagen gehanteerd. Paar- en massawinterverblijfplaatsen Tijdens de paarperiode is het onderzoeksgebied tweemaal ’s avonds vanaf zonsondergang geïnventariseerd op paarverblijfplaatsen. Tussen de twee bezoeken voor het onderzoek naar verblijfplaatsen is een tussenperiode van tenminste 20 dagen gehanteerd. Naast paarverblijfplaatsen is het onderzoeksgebied tweemaal vanaf middernacht geïnventariseerd op massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis. Tussen de twee bezoeken voor het onderzoek naar verblijfplaatsen is een tussenperiode van tenminste 10 dagen gehanteerd. Foerageergebied Onderzoek naar foerageergebied is niet apart voor deze functie uitgevoerd. Tijdens de onderzoeken naar verblijfplaatsen is gelijktijdig onderzoek verricht naar foeragerende vleermuizen in het plangebied. tabel 3.1: onderzoek verblijfplaatsen

Onderzochte functie

Datum

Ronde Ecologisch deskundige

Kraam- en zomerverblijfplaatsen

22 mei 2024 1

27 jun 2024 2

28 jun 2024 3

J. de Jong E. Theuws M. Krabben T. Massar B. Hovius J. van Vulpen L. Freitag I. Cameron J. de Jong E. Theuws I. Cameron B. Hovius R. Kroone J. Kemkes N. van Haren J. van Vulpen J. de Jong E. Theuws I. Cameron B. Hovius R. Kroone J. Kemkes

Weersomstandigheden

Tijd

16°C, 3 Bft, ZW, bewolkt, droog

21:35u – 23:40u

19-20°C, 3 Bft, ZW-W, bewolkt, droog

20:02u – 00:20u

17°C, 3 Bft, ZW, half bewolkt, 20:30u – droog 22:30u

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 8 van 20

Onderzochte functie

Paarverblijfplaatsen

Datum

Ronde Ecologisch deskundige

19 aug 2024 4

9 sep 2024 5 Massawinterverblijfplaatsen 14 aug 2024 1 10 sep 2024 2

3.2

N. van Haren J. van Vulpen L. Freitag J. de Jong E. Theuws L. Freitag J. de Jong T. Massar E. Theuws L. Freitag J. de Jong

Weersomstandigheden

Tijd

18-21°C, 2 Bft, Z, helder, droog

20:55u – 00:05u

15-16°C, 3 Bft, NW, bewolkt, droog 19°C, 3 Bft, 1-2 Bft, NW-N, bewolkt, droog 14-16°C, 3 Bft, W, bewolkt, droog

20:30u – 00:00u 00:00u – 02:00u 00:00u – 02:00u

Gierzwaluw

Het onderzoek naar gierzwaluw is uitgevoerd conform het Kennisdocument Gierzwaluw van BIJ12 (versie 2.0, juli 2023). De aanwezigheid van gierzwaluw en de functie van het plangebied voor deze soort is bepaald door middel van drie veldbezoeken. Deze zijn uitgevoerd: • In de meest optimale periode (1 juni tot 15 juli). • Van 1,5 tot 2 uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang. • Onder gunstige omstandigheden (geen regen, geen kou en weinig wind). • Met een tussenperiode van minimaal 10 dagen tussen de veldbezoeken. tabel 3.2: data voor de onderzoeksrondes voor het aanvullend soortgericht onderzoek naar huismus.

Datum

Doel onderzoek

Ecologisch Weersomstandigheden deskundige

Tijd

5 juni 2024

Aantonen aanwezigheid nestplaatsen

E. Theuws J. Willemsen

13-15°C, 0-3 Bft, helder

20:00u – 22:15u

27 juni 2024 Aantonen aanwezigheid nestplaatsen

E. Theuws J. van Vulpen J. de Jong B. Hovius L. Vrijens

19-22°C, 3 Bft, helder

20:30u – 22:30u

17°C, 3 Bft, half bewolkt

20:30u – 22:30u

16 juli 2024

Aantonen aanwezigheid nestplaatsen

Door aanhoudende slechte weersomstandigheden (regen en veel wind) kon het laatste veldbezoek pas uitgevoerd worden op 16 juli in plaats van 15 juli.

3.3

Huismus

Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd conform het Soortinventarisatie protocol van Netwerk Groene Bureaus (november 2023). De aanwezigheid van huismus en de functie van het plangebied voor deze soort is bepaald door middel van twee veldbezoeken. Deze zijn uitgevoerd: • In de meest optimale periode van 1 april tot 15 mei. • Tussen 2 uur na zonsopkomst tot 2 uur voor zonsondergang. • Onder gunstige omstandigheden (geen regen, geen kou en een maximale windkracht van 4 Bft). • Met een tussenperiode van minimaal 10 dagen tussen twee veldbezoeken. Bij het veldbezoek is ook in beeld gebracht waar welke elementen van de functionele leefomgeving aanwezig zijn. Dit zijn plekken om te foerageren, slapen, stofbaden te nemen en te drinken, zoals struiken, hagen, klimop, kale grond en waterplassen. Het onderzoeksgebied betreft het plangebied en de directe omgeving van het plangebied. In tabel 3.3 zijn de data van de veldbezoeken voor het aanvullend soortgericht onderzoek van huismus weergegeven. rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 9 van 20

tabel 3.3: data voor de onderzoeksrondes voor het aanvullend soortgericht onderzoek naar huismus.

Datum

Doel onderzoek

Ecologisch Weersomstandigheden deskundige

Tijd

26 april 2024 Aantonen essentieel leefgebied

B. Hovius

7-8°C, 1-2 Bft, licht bewolkt

08:45u – 10:15u

8 mei 2024

B. Hovius

13-14°C, 2 Bft, bewolkt

0:820u – 09:45u

Aantonen essentieel leefgebied

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 10 van 20

4

RESULTATEN ONDERZOEK

4.1

Vleermuizen

Gedurende het onderzoek zijn binnen het onderzoeksgebied drie vleermuissoorten aangetroffen: • Gewone dwergvleermuis. • Ruige dwergvleermuis. • Rosse vleermuis. In tabel 4.1 zijn per soort de waarnemingen en functie weergegeven. In de daar opvolgende tekstuele toelichting is gespecificeerd hoeveel vleermuizen daadwerkelijke tegelijkertijd zijn waargenomen in het plangebied en naar verwachting rondvliegen. In bijlage 2 zijn verspreidingskaarten van de onderzoeksrondes opgenomen.

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Foerageergebied

Essentieel foerageergebied

Vliegroute

Essentiële vliegroute

tabel 4.1: overzicht van aangetroffen vleermuissoorten en functies.

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja

Nee

Nee

Ruige dwergvleermuis Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Rosse vleermuis

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Soort Gewone dwergvleermuis

4.1.1

Nee

Gewone dwergvleermuis

Gewone dwergvleermuis heeft verblijfplaatsen in gebouwen en bomen. Dit varieert van holtes tot spleten en kieren. In het plangebied zijn oude stenen woningen aanwezig met open stootvoegen, dakpandaken met kantpannen en mogelijk andere geschikte openingen en kieren. De gebouwen op het bedrijventerrein zijn ook oud en vervallen met gaten en kieren die mogelijk geschikt zijn voor gewone dwergvleermuis. De loodsen zijn daarentegen niet geschikt als verblijfplaats, aangezien het materiaal waaruit de loodsen bestaan uitsluitend metalen golfplaten betreft. Daarnaast is de bomenrij parallel aan de Weeskinderendijk ook geschikt voor gewone dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuis foerageert in gesloten tot halfopen landschap rondom opgaande elementen in een bebouwd gebied waarin groen aanwezig is, zoals langs kanalen, in tuinen en parken met vijvers, tussen boomkruinen, bomenrijen en houtwallen. Door de aanwezigheid van gebouwen en vegetatiestroken in het plangebied kan het plangebied fungeren als foerageergebied. Verblijfplaats In de kraamperiode zijn geen zomer- of kraamverblijfplaatsen vastgesteld. In ronde één is verblijfplaats indicerend gedrag waargenomen bij Weeskinderendijk 207. In het vervolgonderzoek zijn hier verder geen aanwijzingen waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke verblijfplaats.

Tijdens ronde zes en de nacontrole van de woningen ten noorden van het bedrijventerrein zijn twee paarterritoria van één à twee gewone dwergvleermuizen vastgesteld in de achtertuinen van de woningen aan de Weeskinderen ten noorden van het bedrijventerrein aan de hand van de hoeveelheid waargenomen baltsgeluiden (figuur 4.1; rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 11 van 20

bijlage 3). Gewone dwergvleermuis vloog aan de randen van het plangebied in het noordelijk deel van het bedrijventerrein. Paarverblijfplaatsen zijn niet aangetroffen in het tijdens het onderzoek in het plangebied.

figuur 4.1: vastgestelde paarterritoria en foerageergebied van gewonde dwergvleermuis in en direct rondom het plangebied.

Massawinterverblijfplaats Tijdens het massawinterverblijfplaatsonderzoek is tijdens de twee onderzoeksrondes geen zwermgedrag van gewone dwergvleermuis waargenomen. Het voorkomen van een massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis kan worden uitgesloten in het onderzoeksgebied. Foerageergebied Tijdens alle onderzoeksrondes zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen verspreid door het onderzoeksgebied waargenomen. Een schatting van het aantal foeragerende dieren in het plangebied is circa drie tot vijf individuen van gewone dwergvleermuis. Door de bewegelijkheid van de soort, de grootte van het plangebied en omdat vleermuizen ook niet altijd de verblijfplaatsen bezoeken tijdens de veldbezoeken betreft bovengenoemd aantal een schatting. In het zuiden van het bedrijventerrein en aan de Weeskinderendijk zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. De meeste waarnemingen van foeragerende gewone dwergvleermuis concentreerde zich in de groenstrook parallel aan de weeskinderendijk. Door de hoeveelheid waarnemingen gedurende het onderzoek, wordt dit deel van het plangebied beschouwd als essentieel foerageergebied van gewone dwergvleermuis (figuur 4.1; bijlage 3). De overige delen van het plangebied worden niet beschouwd als essentieel foerageergebied, doordat het aantal waargenomen individuen en de duur van het foerageren gedurende het gehele onderzoek beperkt was.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 12 van 20

Vliegroute Gewone dwergvleermuis is tijdens de onderzoeksrondes meerdere keren passerend door het onderzoeksgebied waargenomen. De hoeveelheid waarnemingen en de regelmaat van passeren zijn niet voldoende om delen van het plangebied aan te merken als vaste vliegroute voor gewone dwergvleermuis.

4.1.2

Ruige dwergvleermuis

Ruige dwergvleermuis heeft verblijfplaatsen in bomen. Dit varieert van boomholtes tot ruimte achter loshangend schors. De bomen in de groenstrook parallel aan de Weeskinderendijk zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats. Overwintering voor ruige dwergvleermuis vindt solo of in kleine groepjes plaats in gebouwen, houtstapels, boomholtes en nest- en vleermuiskasten. Van massawinterverblijfplaatsen is geen sprake bij deze soort. Ruige dwergvleermuis foerageert voornamelijk in half open bosrijke gebieden langs bosranden en houtwallen, boven open plekken en door lanen. Doordat het plangebied ligt tussen open en bebouwd gebied, is het plangebied minder geschikt voor ruige dwergvleermuis. Verblijfplaats In de kraamperiode zijn geen zomer- of kraamverblijfplaatsen vastgesteld en is geen verblijfplaats indicerend gedrag waargenomen van ruige dwergvleermuis binnen het plangebied. In de paarperiode zijn geen paarverblijfplaatsen, baltsgedrag of mogelijk winterverblijfplaats vastgesteld van ruige dwergvleermuis. Het voorkomen van verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis kan worden uitgesloten in het plangebied. Foerageergebied Tijdens het onderzoek is geen foeragerende ruige dwergvleermuis waargenomen. Doordat geen waarneming bekend is gedurende het gehele onderzoek, kan worden vastgesteld dat het plangebied geen essentieel foerageergebied is voor ruige dwergvleermuis.

Vaste vliegroute Ruige dwergvleermuis is tijdens de onderzoeksrondes meerdere keren passerend door het onderzoeksgebied waargenomen. De hoeveelheid waarnemingen en de regelmaat van passeren zijn niet voldoende om delen van het plangebied aan te merken als vaste vliegroute voor ruige dwergvleermuis.

4.1.3

Rosse vleermuis

Rosse vleermuis is uitsluitend een boombewonende vleermuissoort. Mogelijk zijn de bomen in de groenstrook parallel aan de Weeskinderendijk geschikt voor rosse vleermuis. Het is een luidruchtige soort, waardoor ze gemakkelijk te vinden zijn. Rosse vleermuis foerageert voornamelijk in open gebied boven water en moerassige gebieden. Verblijfplaats In de kraamperiode zijn geen zomer- of kraamverblijfplaatsen vastgesteld en is geen verblijfplaats indicerend gedrag waargenomen van rosse vleermuis binnen het plangebied. In de paarperiode zijn geen paarverblijfplaatsen, baltsgedrag of mogelijk winterverblijfplaats vastgesteld van rosse vleermuis. Het voorkomen van verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis kan worden uitgesloten in het plangebied. Foerageergebied Tijdens het onderzoek is geen foeragerende ruige dwergvleermuis waargenomen. Doordat geen waarneming bekend is gedurende het gehele onderzoek, kan worden vastgesteld dat het plangebied geen essentieel foerageergebied is ruige dwergvleermuis.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 13 van 20

Vaste vliegroute Rosse vleermuis is tijdens de onderzoeksrondes één keer passerend door het onderzoeksgebied waargenomen. De hoeveelheid waarnemingen en de regelmaat van passeren zijn niet voldoende om delen van het plangebied aan te merken als vaste vliegroute voor rosse vleermuis.

4.2

Gierzwaluw

De gebouwen in het plangebied zijn mogelijk geschikt voor gierzwaluwen op te nestelen, doordat de met pangedekte woningen aan de Weeskinderendijk structurele openingen bevatten die toegang geven tot onder het dak. Mogelijk hebben de verlaten gebouwen op het bedrijventerrein openingen die groot genoeg zijn voor gierzwaluw om te gebruiken als ingang naar een nest. Rust- en voortplantingsplaatsen Tijdens de onderzoeksrondes zijn geen nestplaatsen van gierzwaluw aangetroffen. Gierzwaluwen die nestindicerend gedrag vertoonden, laag door het plangebied vlogen of gierden of anderzijds gebonden waren aan gebouwen in het plangebied zijn niet waargenomen. Het voorkomen van rust- en voortplantingsplaatsen van gierzwaluw zijn niet vastgesteld in het plangebied. Hoog- en laagvliegende gierzwaluwen Maximaal twee individuen zijn tegelijkertijd hoog vliegend boven het plangebied waargenomen (bijlage 3). Dit kunnen dieren zijn die (nog) geen nest hebben of dieren die een nest elders in de omgeving hebben en voor korte tijd boven het plangebied foerageren om daarna door te vliegen. Ten oosten van het plangebied zijn tijdens de onderzoeksrondes een groep van circa vijftien gierzwaluwen foeragerend en hoog en laag vliegend waargenomen. Vermoedelijk zijn in dat deel van de wijk meerdere nestplaatsen aanwezig.

4.3

Huismus

Huismus is afhankelijk van bebouwing waar genesteld wordt onder dakpannen, in neststenen, in gaten in muren en in nestkasten. Aan de Weeskinderendijk zijn woningen aanwezig met dakpandaken. Mogelijk hebben de verlaten gebouwen op het bedrijventerrein openingen om te gebruiken als ingang naar een nest. Het hele jaar verblijft huismus binnen enkele honderden meters rondom het nest. Het is van belang dat in de functionele leefomgeving continu voedsel beschikbaar is, voldoende dekking aanwezig is rondom het foerageergebied en voldoende inheems groen en enkele hoge bomen aanwezig zijn. Dit is aanwezig in de tuinen van de woningen en het struweel ten zuiden van het bedrijventerrein. Droge, zandige plekken voor zandbaden en water voor drinken en baden is noodzakelijk in de functionele leefomgeving. Deze elementen zijn mogelijk aanwezig in de tuinen van de woningen. Rust- en voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied Tijdens het onderzoek is huismus in en direct rondom het plangebied aangetroffen. De grootte van de populatie huismus in en in de directe omgeving van het plangebied wordt geschat op circa tien tot vijftien individuen (bijlage 4). Door de bewegelijkheid van de soort, de grootte van het plangebied en omdat huismussen ook niet altijd de nesten bezoeken tijdens de veldbezoeken betreft bovengenoemd aantal een schatting.

Zowel rust- en voortplantingsplaatsen als foeragerende en kwetterende huismussen zijn waargenomen tijdens de veldbezoeken. De grootste activiteit concentreert zich ten noorden en ten zuiden van het bedrijventerrein. Dit ligt net buiten het plangebied. Twee nesten zijn waargenomen bij de woningen aan de rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 14 van 20

Weeskinderendijk buiten het plangebied, ten noorden van het bedrijventerrein. In het plangebied zijn geen nestplaatsen waargenomen. In de tuinen ten noorden van het bedrijventerrein en in het struweel ten zuiden van het bedrijventerrein zijn foeragerende en kwetterende huismus waargenomen. In het plangebied zelf is één keer een foeragerende huismus en één keer een roepende huismus waargenomen. Daardoor kan worden gesteld dat in het plangebied zelf geen elementen aanwezig zijn voor een functionele leefomgeving. De tuinen ten noorden van het bedrijventerrein en het struweel ten zuiden van het bedrijventerrein zijn wel onderdeel van de functionele leefomgeving van huismus. Tijdens het onderzoek zijn geen huismussen waargenomen die een (stof)bad namen. Mogelijk zijn de geschikte plekken hiervoor niet vanuit de straat te zien. Geconcludeerd kan worden dat in de directe omgeving van het plangebied rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied van huismussen aanwezig zijn.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 15 van 20

5

EFFECTANALYSE

De werkzaamheden kunnen effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Indien negatieve effecten aan de orde zijn, zowel op korte (tijdens de uitvoering) als op de lange termijn (na de uitvoering), zijn deze in dit hoofdstuk beschreven.

5.1

Vleermuizen

5.1.1

Effecten

Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Directe negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen als gevolg van de ruimtelijke ingreep zijn niet aan de orde. Aan de rand van het plangebied in het noorden van het bedrijventerrein zijn wel paarterritoria vastgesteld. De werkzaamheden kunnen de baltsende gewone dwergvleermuizen verstoren en paarverblijfplaatsen kunnen indirect worden beschadigd. Dit zijn overtredingen van Bal artikel 11.46, lid 1b en 1d. Echter, voor de woningen ten noorden van het plangebied is al een omgevingsvergunning (ODH1135592, Omgevingsdienst Haaglanden) uitgegeven, waarin toestemming is geven om dat deel ongeschikt te maken als paarterritorium. Aangezien het vastgestelde paarterritorium voor een klein deel in het plangebied ligt, het onderdeel is van het paarterritorium ten noorden van het plangebied en in het plangebied geen paarverblijfplaatsen zijn aangetroffen, is een aanvullende vergunning niet aan de orde in dit geval. Foerageergebied In het plangebied is essentieel foerageergebied aanwezig voor gewone dwergvleermuis in de groenstrook parallel aan de Weeskinderendijk. Er wordt vanuit gegaan dat de bomen in deze groenstrook behouden blijven en dat verder geen werkzaamheden op deze locatie plaatsvinden.

Op korte termijn kan verstoring plaatsvinden door tijdens de werkzaamheden gebruik te maken van breed uitstralende verlichting. Dit betreft een overtreding van Bal artikel 11.46, lid 1b en 1d. Deze overtreding kan voorkomen worden door de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien alsnog besloten wordt om in deze groenstrook bomen weg te halen of andere werkzaamheden uit te voeren, wordt het essentieel foerageergebied mogelijk minder tot niet geschikt als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis. Door het ongeschikt raken van essentieel foerageergebied worden vleermuizen verstoord en worden indirect mogelijk verblijfplaatsen verstoord. Dit betreft een overtreding van Bal artikel 11.46, lid 1b en 1d. Deze overtreding kan niet voorkomen worden met voorzorgsmaatregelen en is het noodzakelijk een omgevingsvergunning aan te vragen. Vliegroutes In het plangebied zijn geen vaste vliegroutes vastgesteld. Negatieve effecten op vaste vliegroutes van vleermuizen als gevolg van de ruimtelijke ingreep zijn niet aan de orde. Zowel op korte als lange termijn is geen sprake van overtredingen van verbodsbepalingen van de Omgevingswet (artikel 11.46 Bal) voor wat betreft vaste vliegroutes van vleermuizen.

5.1.2

Maatregelen en vervolgstappen

Maatregelen om negatieve effecten op huismus te voorkomen zijn noodzakelijk. Overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door: • In de periode april tot en met oktober: ’s nachts (tussen zonsondergang en zonsopkomst) geen (bouw)verlichting laten branden. Indien dit (bijvoorbeeld om veiligheidsredenen) niet mogelijk is: – Verlichting niet richten op water, struweel en bomen. – Gebruik maken van gerichte armaturen en vleermuisvriendelijke verlichting. rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 16 van 20

•

Bomen in groenstrook in het oosten van het plangebied blijven behouden.

Indien niet aan de maatregelen gehouden kunnen worden, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden bij de provincie Zuid-Holland, Omgevingsdienst Haaglanden.

5.2

Gierzwaluw

Het plangebied biedt geen functies voor gierzwaluw. Negatieve effecten als gevolg van de sloopwerkzaamheden van de gebouwen binnen het plangebied zijn niet aan de orde.

5.3

Huismus

5.3.1

Effecten

In de directe omgeving van het plangebied zijn rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied van huismus vastgesteld. Tijdens de werkzaamheden worden niet direct nestplaatsen verwijderd, doordat de nestplaatsen niet in het plangebied bevinden. De nestplaatsen kunnen wel worden verstoord door geluid en trillingen. Tijdens de broedperiode kunnen daardoor nesten indirect worden beschadigd en individuen van huismussen worden verstoord. Dit is een overtreding van Bal artikel 11.37, lid 1b en 1d. Echter, voor de woningen ten noorden van het plangebied is al een omgevingsvergunning uitgegeven, waarin toestemming is geven om dat deel ongeschikt te maken als rust- en voortplantingsplaats voor huismus (ODH1135592, Omgevingsdienst Haaglanden). Een aanvullende omgevingsvergunning is hiervoor dus niet aan de orde. Het struweel ten zuiden van het bedrijventerrein direct grenzend aan het plangebied is onderdeel van de functionele leefomgeving. Dit valt buiten het plangebied. Mocht besloten worden dit struweel alsnog te verwijderen heeft dit negatieve effecten op de functionele leefomgeving van huismus. Mogelijk worden daardoor nesten indirect beschadigd en worden individuen van huismussen verstoord. Dit is een overtreding van Bal artikel 11.37, lid 1b en 1d.

In dat scenario kan deze overtreding niet voorkomen worden met voorzorgsmaatregelen en is het noodzakelijk een omgevingsvergunning aan te vragen.

5.3.2

Maatregelen en vervolgstappen

Maatregelen om negatieve effecten op huismus te voorkomen zijn noodzakelijk. Overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door: • De werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode van huismus. Werkzaamheden kunnen dan plaatsvinden van september tot en met februari. • Struweel ten zuiden van het bedrijventerrein behouden. Indien niet aan de maatregelen gehouden kunnen worden, dient een Omgevingsvergunning Fauna-activiteit aangevraagd te worden bij de provincie Zuid-Holland, Omgevingsdienst Haaglanden.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 17 van 20

6

CONCLUSIE AANVULLEND ONDERZOEK

Gemeente Dordrecht is voornemens om sloopwerkzaamheden uit te voeren in de wijk Weeskinderendijk en Dokweg in Dordrecht. Aanvullend soortgericht onderzoek is uitgevoerd naar vleermuizen, gierzwaluw en huismus. De onderzoeken zijn van april tot en met september uitgevoerd door RPS, conform de geldende Soorteninventarisatieprotocollen (Netwerk groene bureaus, 2017; BIJ12, 2023; Netwerk groene bureaus, 2023). Tijdens het onderzoek naar vleermuizen zijn essentieel foerageergebied en paarterritoria aangetroffen van gewone dwergvleermuis. Daardoor kan gesteld worden dat het plangebied en de directe omgeving van het plangebied essentieel leefgebied biedt voor gewone dwergvleermuis. De voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op gewone dwergvleermuis. Indien niet aan de maatregelen kan worden voldaan zoals genoemd in tabel 6.1, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Voor wat betreft paarterritoria zijn vervolgstappen al genomen bij een andere fase van het project. Daarvoor is al een omgevingsvergunning opgesteld, waardoor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor wat betreft paarterritoria niet aan de orde is (ODH1135592, Omgevingsdienst Haaglanden). Tijdens het onderzoek naar gierzwaluw zijn geen functies voor gierzwaluw aangetroffen in het plangebied.

Negatieve effecten op gierzwaluw als gevolg van de werkzaamheden zijn niet aan de orde. Tijdens het onderzoek naar huismus zijn geen essentiële functies in het plangebied aangetroffen. Direct rondom het plangebied zijn wel nestplaatsen van huismus en struweel waargenomen dat bij de essentiële leefomgeving van huismussen behoort. Daardoor kan gesteld worden dat de directe omgeving van het plangebied de functies rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied biedt voor huismus. De voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op huismus. Indien niet aan de maatregelen kan worden voldaan zoals genoemd in tabel 6.1, is een Omgevingsvergunning Fauna-activiteit noodzakelijk. Voor wat betreft rust- en voortplantingsplaatsen zijn vervolgstappen al genomen bij een andere fase van het project. Daarvoor is al een omgevingsvergunning opgesteld, waardoor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor wat betreft rust- en voortplantingsplaatsen niet aan de orde is (ODH1135592, Omgevingsdienst Haaglanden). In tabel 6.1 is een overzicht weergegeven van de resultaten van het aanvullend soortgericht onderzoek en de noodzaak tot het treffen van maatregelen. tabel 6.1: samenvatting van de resultaten en noodzakelijke vervolgstappen van het aanvullend soortgericht onderzoek

Soort

Aangetroffen functies

Gewone dwergvleermuis

Essentieel foerageergebied Paarterritoria

(Voorzorgs)maatregelen noodzakelijk •

•

In de periode april tot en met oktober: ‘s nachts (tussen zonsondergang en zonsopkomst) geen (bouw)verlichting laten branden. Indien dit niet mogelijk is: – Verlichting niet richten op water, struweel en bomen. – Gebruik maken van gerichte armaturen en vleermuisvriendelijke verlichting. Bomen in groenstrook in het oosten van het plangebied blijven behouden.

Indien niet aan de maatregelen gehouden kan worden, is een Omgevingsvergunning faunaactiviteit noodzakelijk.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 18 van 20

Soort

Aangetroffen functies

(Voorzorgs)maatregelen noodzakelijk

Ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis

Geen essentiële functies aangetroffen

•

N.v.t.

Gierzwaluw

Geen functies aangetroffen

•

N.v.t.

Huismus

Rust- en voortplantingsplaatsen (in de directe • omgeving van het plangebied) Essentieel leefgebied (in de directe omgeving • van het plangebied)

Werkzaamheden uitvoeren tussen september en februari. Struweel ten zuiden van het plangebied behouden.

Indien niet aan de maatregelen gehouden kan worden, is een Omgevingsvergunning faunaactiviteit noodzakelijk.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 19 van 20

7 • • • • •

BRONNEN www.vleermuis.net BIJ12, 2023, Kennisdocument Huismus. BIJ12, 2023, Kennisdocument Gierzwaluw. Netwerk Groene Bureaus, 2023. Soorteninventarisatieprotocollen. Netwerk Groene Bureaus, 2021. Vleermuisprotocol 2021.

rps.nl Ref.: NL202050632-R24-1413 | 29 oktober 2024 Pagina 20 van 20

Bijlage 1. Natuurwetgeving Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming overgegaan in de Omgevingswet (Ow), met de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Met de Omgevingswet voegt de overheid de regels (waaronder verscheidene wetten) voor de fysieke leefomgeving samen: ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. De bepalingen en instrumenten uit de Wet natuurbescherming (2017-2023) waren hier al (grotendeels) op voorbereid. De Wet natuurbescherming verving in 2017 de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Een van de voornaamste wijzigingen voor natuur met de nieuwe Omgevingswet is dat voor flora- en faunaactiviteiten de (specifieke) zorgplicht concreter is, waardoor mogelijk minder aandacht komt op de vergunningsplicht. Het ‘nee, tenzij-’ (er een vergunning is) principe transformeert daarmee in een ‘ja, mits-’ (voldaan wordt aan de voorwaarden) principe. Daarnaast zijn er regels voor ongewone voorvallen. Beslistermijnen voor vergunningaanvragen zullen veelal korter zijn. Het bevoegd gezag is de provincie (artikel 2.18 Ow). Ten aanzien van projecten op nationale schaal blijft het Rijk het bevoegd gezag (artikel 2.19 Ow).

Belangrijke Algemene maatregelen van bestuur en Ministeriële regeling van de Omgevingswet ten aanzien van natuur zijn: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Omgevingsbesluit (Ob) en de Omgevingsregeling (Or). Kort gezegd regelen deze besluiten de volgende zaken. De Bal bevat algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving (waaronder verbodsbepalingen, vergunningsplicht en aanwijzing vergunningsvrije gevallen). De Bkl voorziet in regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. In het Ob staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De Or is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet, die vooral over technische en administratieve regels gaat. Beschermingsregimes Er zijn verschillende internationale regels voor het beschermen van planten, dieren en gebieden. Vanuit de Wet natuurbescherming die overgaat in de Omgevingswet, zijn ten aanzien van de Soortenbescherming twee richtlijnen en een nationaal beschermingsregime van toepassing, die in de Omgevingswet verder worden aangevuld: • Vogelrichtlijn (VR); • Habitatrichtlijn (HR); • Nationale soorten.

In de Omgevingswet draagt de specifieke zorgplicht meer zorg voor Rode lijst-soorten dan het geval was in de Wet natuurbescherming. Het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming gaat net als de VR, HR en nationaal soortbeschermingsregime over in de Omgevingswet.

Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn is een Europese richtlijn die in 1979 is vastgesteld en is gericht op de bescherming van vogelsoorten binnen de Europese Unie (EU). De richtlijn verplicht de lidstaten tot de instandhouding van de in het wild levende vogelsoorten op hun grondgebied en heeft betrekking op de bescherming van vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden.

De richtlijn draagt tevens zorg voor de extra bescherming van broed- en trekvogels die: • met uitsterven worden bedreigd; • gevoelig zijn voor veranderingen in de leefomgeving; • als bijzonder zeldzaam beschouwd worden; • bescherming nodig hebben vanwege de eisen die ze aan hun habitat stellen. Verbodsbepalingen (Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 11.37 Bal (voorheen artikel 3.1 Wnb) Lid 1a. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 1b. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in lid 1a te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 1c. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in lid 1a te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 1d. Het is verboden vogels als bedoeld in lid 1a opzettelijk te storen. Habitatrichtlijn De Europese Habitatrichtlijn is complementair aan de Vogelrichtlijn en richt zich op de bescherming van bijzondere planten- en diersoorten (uitgezonderd vogels) en hun leefgebieden. Deze richtlijn is inclusief het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). De in de Habitatrichtlijn genoemde maatregelen zijn gericht op: • het behoud van natuurlijke habitat en ecosystemen; • de bescherming van leefgebieden van bepaalde dieren en planten.

Met de richtlijn wordt getracht een Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen (Natura 2000), zodat migratie van planten- en diersoorten binnen de EU mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I van de Habitatrichtlijn wordt de beschermde habitat genoemd. In bijlage II zijn de planten- en diersoorten genoemd, waarvan de habitat beschermd moet worden om deze soorten in stand te houden. Een aantal van deze soorten heeft een prioritaire status, wat inhoudt dat niet alleen de soort, maar ook de leefomgeving hiervan als beschermd beschouwd moet worden. In bijlage IV worden de soorten genoemd die strikte bescherming genieten. Het is verboden deze soorten te doden, te vangen, te verontrusten of hun habitat aan te tasten. Veel soorten uit bijlage IV zijn ook genoemd in bijlage II. Verbodsbepalingen (Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 11.46 Bal (voorheen artikel 3.5 Wnb) Lid 1a. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b. Het is verboden dieren als bedoeld in lid 1a opzettelijk te verstoren. Lid 1c. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in lid 1a in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 1d.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in lid 1a te beschadigen of te vernielen. Lid 1e. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationale soorten

De nationale soorten betreffen een bescherming van een lijst met zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers (onderdeel A) en planten (onderdeel B). Het betreffende bevoegd gezag stelt in een verordening vast voor welke van deze soorten de verbodsbepalingen onverminderd gelden en voor welke soorten een vrijstelling geldt. Verbodsbepalingen (Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 11.54 Bal (voorheen artikel 3.10 Wnb) Lid 1a. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld in lid 1a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Lid 1c. Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Rode lijsten Op Rode lijsten staan soorten die worden bedreigd in hun voortbestaan.

In Nederland is inmiddels voor 18 soortgroepen een rode lijst gepubliceerd in de Staatscourant (meest recente publicatie, jaartal tussen haken): • zoogdieren (2020) • dagvlinders (2019) • bijen (2018) • vogels (2017) • vaatplanten (2015) • sprinkhanen en krekels (2015) • libellen (2015) • mossen (2015) • korstmossen (2015) • vissen (2015) • amfibieën (2009) • paddenstoelen (2009) • reptielen (2009) • platwormen (2004) • steenvliegen (2004) • kokerjuffers (2004) • land- en zoetwaterweekdieren (2004) • haften (2004) De Rode lijsten zijn een invulling van het Verdrag van Bern. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (artikel 2.19, lid 5, onder a, onder 3° van de Omgevingswet). Het verdrag van Bern vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en kwetsbaar zijn. Rode lijst-soorten hebben geen juridische status. Dat wil zeggen dat rode lijst-soorten niet automatisch onder specifieke beschermingsregels vallen. Het kan wel zijn dat een rode lijst-soort ook bijvoorbeeld een soort van nationaal belang (bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) of een vogel van de Vogelrichtlijn is. Voor die soorten gelden wel specifieke beschermingsregels. In dat geval valt een rode lijstsoort wel onder die specifieke beschermingsregels.

Hierdoor geldt ook dat aanpassing van de rode lijsten niet automatisch leidt tot specifieke beschermingsregels. Pas als bijvoorbeeld bijlage IX van het Bal is aangevuld met een rode lijst-soort, gaan de specifieke beschermingsregels gelden.

Provinciale en gemeentelijke overheden en terreinbeherende instanties worden geacht rekening te houden met de Rode lijsten bij het uitvoeren van beheer en het formuleren van beleid. Zij zijn verantwoordelijk voor het nemen van de nodige maatregelen voor het behoud of het herstel van rode lijst-soorten (artikel 3.57, lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Houtopstanden De Omgevingswet beschermt houtopstanden, hout en houtproducten in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Er geldt een meld- en herbeplantingsplicht voor het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. Daarnaast zijn regels opgenomen over handel in en het in bezit zijn van hout of houtproducten. Gemeentes zijn verplicht een bebouwingscontour houtopstanden aan te wijzen binnen het omgevingsplan (artikel 5.165b Bkl). Bescherming van houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtopstanden ligt bij de gemeente. De provincie is het bevoegd gezag voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour. De reikwijdte is opgenomen in artikel 11.111 van het Bal. De afdeling (11.3 Bal) is niet van toepassing op: a. Houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingsontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Bkl; b. Houtopstanden op erven of in tuinen; c.

bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: – wegbeplantingen; – beplantingen langs waterwegen; en – eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: – ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; – bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en – zijn aangelegd na 1 januari 2013. j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De herbeplantingsplicht van houtopstanden geldt in sommige gevallen niet: dit is vastgelegd in artikel 11.131 Bal.

Zo geldt de herplantingsplicht onder andere niet: • voor maatregelen ten behoeve van natuurontwikkelingen (in het kader van het halen van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen)(lid 1a en b); • voor het creëren of onderhouden van brandgangen op natuurterreinen (lid 1c); en • wanneer het vellen en herbeplanten aantoonbaar wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wijze die is beschreven in een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode (die voldoet een de eisen zoals vermeld in lid 2)(lid 1d). Provincies kunnen vrijstellingsregels of nadere regels voor een vergunning voor melding van kap en/of herbeplantingsplicht opstellen.

Bijlage 2. Omgevingsvergunning Omgevingsdienst Haaglanden

Bezoekadres Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag

Zaaknummer Ons Kenmerk Datum

: 01102916 : ODH1135592 : 01-10-2024

Postadres Postbus 14060 2501 GB Den Haag (070) 21 899 02 vergunningen@odh.nl www.odh.nl

Beschikking Omgevingswet - Flora- en fauna-activiteiten Onderwerp Op 11 april 2024 hebben wij, namens Gemeente Dordrecht, een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het uitvoeren van een flora- en fauna-activiteit, zoals opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet.. De aanvraag betreft de volgende schadelijke handelingen op een vogelrichtlijnsoort en een habitatrichtlijnsoort zoals opgenomen in artikel 11.37 en 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving ten behoeve van het realiseren van een nieuwbouwwijk in deelgebied M4 van het Maasterras te Dordrecht. De vergunning wordt gevraagd voor het overtreden van de schadelijke handelingen zoals genoemd in: -

artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor wat betreft het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten van de huismus (Passer domesticus);

-

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);

-

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor wat betreft het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).

De omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de periode 1 juli 2024 tot en met 1 augustus 2029.

Besluit Wij besluiten: I.

de aangevraagde vergunning te verlenen aan Gemeente Dordrecht;

II.

de in het vervolg van dit besluit opgenomen voorschriften te verbinden aan deze vergunning;

III.

de onder ‘Relevante documenten’ genoemde stukken onderdeel te laten zijn van deze vergunning;

IV.

dat deze vergunning geldig is vanaf een dag na bekendmaking van dit besluit tot en met 31 december 2029.

Ondertekening Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,

ing. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden

Appendix: 1. de locaties van de gerealiseerde tijdelijke voorzieningen

Rechtsmiddelen Voor de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beschikking wijzen wij op de desbetreffende tekst in het begeleidende schrijven. ODH1135592

2 / 15

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1. De vergunninghouder dient: a. de start van vergunningplichtige werkzaamheden uiterlijk twee weken van tevoren te melden; b. het ecologisch werkprotocol voor aanvang van de werkzaamheden op te sturen; c. relevante wijzigingen in de uitvoering uiterlijk één week van tevoren te melden. Het betreft wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de effectbeoordeling van de aanvraag en/of de uitvoering van de voorgestelde mitigerende en/of compenserende maatregelen; d. de datum van beëindiging van de werkzaamheden uiterlijk één week voor de beëindiging te melden. Bovenstaande meldingen dienen gericht te worden aan de Unit Groen Bodem en Opsporing van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Postbus 550, 3300 AN te Dordrecht, telefoonnummer 078-7708585, e-mailadres toezichtnatuur@ozhz.nl onder vermelding van ‘Flora- en fauna-activiteit’. De meldingen mogen schriftelijk of digitaal worden gedaan. 2.

De vergunninghouder is ervoor verantwoordelijk dat zijn personeel en eventuele derden die betrokken zijn bij de uitvoering van het project, op de hoogte zijn van de voorschriften in deze omgevingsvergunning en de maatregelen in het rapport ‘Activiteitenplan Maasterras, deelgebied M4 in Dordrecht’ van 6 maart 2024 en de aanvullende gegevens van 21 augustus 2024. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In het ecologisch werkprotocol dient in ieder geval het volgende te worden opgenomen: a. de voorwaarden zoals opgenomen in deze vergunning; b. aanduiding van de locatie van het plangebied; c. de locaties van de huidige verblijfplaatsen binnen het plangebied (inclusief foto- en/of kaartmateriaal); d. de uit te voeren werkzaamheden; e. de periode waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden; f. de mitigerende en compenserende maatregelen (inclusief foto- en/of kaartmateriaal); g. de momenten waarop ecologische begeleiding ingeschakeld wordt; h. het logboek van de ecologische begeleiding dat door de deskundige wordt bijgehouden.

3.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een afschrift van deze omgevingsvergunning, het ecologisch werkprotocol van de ecologische begeleiding op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouders of opsporingsambtenaren. De genoemde documenten mogen, mits leesbaar, digitaal worden getoond.

4.

De flora- en fauna-activiteiten dienen begeleid te worden door een ecologisch deskundige 1 zoals bedoeld als in artikel 7.197j, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsregeling.

1

Een ecologisch deskundige is iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van leefgebieden en/of (beschermde) soorten. De ecologisch deskundige heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis, voortkomend uit of vergelijkbaar met een afgeronde mbo-, hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt Nederlandse ecologie en voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek uit te kunnen voeren en advies te kunnen geven. De ecologisch deskundige voldoet tevens aan de volgende punten: - (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van (beschermde) soorten; - heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeks- en monitoringsmethoden; - kan resultaten onderbouwd rapporteren en ecologische werkprotocollen uitwerken; - kan vergunningaanvragen opstellen of daarbij ondersteunen; - kan anticiperen op en heeft voortschrijdend inzicht in het uitvoeren van ecologisch werk in de praktijk (inclusief vrijstellingen en gedragscodes); - kan specifieke ecologische maatregelen toepassen en begeleiden; - zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam bij Nederlandse natuurorganisaties, (semi)overheidsinstanties en/of een ecologisch adviesbureau dat bij voorkeur is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. ODH1135592

3 / 15

5.

De vergunninghouder dient, met inachtneming van de voorschriften in deze omgevingsvergunning, de maatregelen uit te voeren zoals beschreven in het rapport ‘Activiteitenplan Maasterras, deelgebied M4 in Dordrecht’ van 6 maart 2024 en de aanvullende gegevens van 21 augustus 2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/935/documents/40728