CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2.9 2025.05.06 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 3 - concept.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 27 mei 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 2: Vaststellen van de notulen van de Gemeenteraad van 15 april 2025 en de Dordtse Dinsdag van 1 en 8 april en 6 mei 2025 Vergaderzalen 1, 3 en 518.772 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VERSLAG VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE GEMEENTE DORDRECHT DORDTSE DINSDAG D.D. 6 MEI 2025 Vergaderzaal 3 1. Agendacommissie 2. Vaststellen beleidsplan Schuldhulpverlening 2025-2029 Samen sterker met effectieve schuldpreventie – Raadsvoorstel Voorzitter: De heer Van der Net Raadsgriffier: De heer Boogaard Verslag: NotuBiz Aanwezig: Mevr. Balorian (VVD) Dhr. Bootsman (GroenLinks) Mevr. Dijkstra (Gewoon Dordt) Mevr. Van Engelen (GroenLinks) Mevr. De Groot (Beter voor Dordt) Dhr. De Heer (ChristenUnie/SGP) Dhr. ’t Lam (SP) Dhr. Pauwels (Partij van de Arbeid) Mevr. Pichel (Forum voor Democratie) Dhr. Safranti (DENK) Mevr. Schnabel (Partij van de Arbeid) Mevr. Striebeck (VSP) Dhr. Venderbos-Lambinon (Partij voor de Dieren) Mevr. Van Vugt-Roose (CDA) Portefeuillehouder: wethouder W. van der Kruijff Ambtelijke ondersteuning: mevr. Dekkers-Kamp De voorzitter: Gaat ze er weer vandoor? Nee toch. Hallo? Ik ga hem gewoon openen. Het is tijd. In ieder geval iedereen hier welkom, en ook de mensen die eventueel meekijken. Natuurlijk ook de wethouder welkom en de ambtelijke ondersteuning, bij deze. Ik ga eerst eventjes naar het voorstelrondje. En dan ga ik nog even oplezen waarom wij hier bij elkaar zijn. En dan gaan we een keertje naar rechts beginnen. De heer Boogaard: André Boogaard, commissiegriffier. De heer Pauwels: Sam Pauwels, kersvers commissielid van de PvdA.

Mevrouw Schnabel: Marije Schnabel, Partij van de Arbeid. Mevrouw Van Vugt-Roose: Franciske van Vugt, CDA. De heer ’t Lam: Jack ’t Lam, SP.

1

De heer De Heer: Robert de heer van de ChristenUnie/SGP. Mevrouw De Groot: Megan de Groot, Beter voor Dordt. De heer Venderbos-Lambinon: Cees Venderbos-Lambinon, Partij voor de Dieren. De heer Safranti: Mehmet Safranti, DENK Dordrecht. Mevrouw Pichel: Ruby Pichel, Forum voor Democratie. Mevrouw Balorian: Mailys Balorian, Dordtse VVD. Mevrouw Van Engelen: Yara van Engelen, GroenLinks Dordrecht. De heer Bootsman: Nick Bootsman, GroenLinks Dordrecht. Mevrouw Striebeck: Bernadette Striebeck, VSP. Mevrouw Dijkstra: Marjanne Dijkstra, Gewoon Dordt. Mevrouw Dekkers-Kamp: Leonie Dekkers, ambtelijke ondersteuning. De heer Van der Kruijff: Wim van der Kruijff, wethouder. De voorzitter: En mijn naam is John van der Net. En ik mag deze commissie voorzitten. Waarom zijn wij hier? Het college heeft de gemeenteraad voorgesteld het beleidsplan Schuldhulpverlening 2025-2029 vast te stellen. Op 1 april vond hier een beeldvormende vergadering over plaats, waarbij er nog één technische vraag openstond over de aflossingstermijn voor ondernemers. Het voorstel is samen met het antwoord op die vraag teruggestuurd naar de Agendacommissie. En die heeft op initiatief van de fractie van de SP besloten tot het houden van deze oordeelsvormende vergadering. Vanavond voeren wij dan ook het debat aan de hand van de volgende politieke vraag.

En die is volgens mij van de SP, als ik het goed heb, mijnheer ’t Lam. Zijn er voldoende middelen, inderdaad tussen haakjes geld en mensen, om bij een vermoedelijk oplopend beroep op schuldhulpverlening de nota volledig uit te voeren, met inachtname van de geldende termijnen? Wij gaan het hierover hebben. En ik denk dat ik dan als eerste ook naar de heer ‘t Lam kijk om het woord te nemen over deze vraag. De heer ‘t Lam: Dank u wel, voorzitter. U haalde het al aan, we hadden het eerder over het beleidsplan. En die vraag die nu op tafel ligt, stelde ik toen ook. Maar dat was een politieke vraag, en die mocht daar niet gesteld worden. En dat betekent dat we nu anderhalf uur uitgetrokken hebben om deze vraag alsnog beantwoord te krijgen. Tip van mijn kant aan degenen die over het vergadersysteem gaan, misschien moeten we wat soepeler zijn in de toekomst, door een eenvoudige vraag ook tijdens een andersoortige commissievergadering te laten beantwoorden. Dat scheelt tijd. De voorzitter: Dan grijp ik natuurlijk wel gelijk in, want ik voel me ook wel enigszins aangesproken. Ik volg de lijn natuurlijk, zoals we dat hebben afgesproken, mijnheer ’t Lam. En het lijkt mij handig om dan inderdaad op een ander gremium het over dit punt te hebben. Gaat u door.

2

De heer ‘t Lam: Uiteraard hebt u gelijk. Het was ook niet aan uw richting bedoeld. Maar omdat we anderhalf uur hadden, dacht ik, ik kan met deze zin beginnen. Dan ga ik nu terug naar het onderwerp. Er zijn 2 redenen om de politieke vraag te stellen. Ik heb dat vorige keer ook al even gememoreerd. In het beleidsplan staat een zinsnede dat het budget voor de minimaregelingen in 2027 teruggaat naar het niveau van 2022. Het college heeft op verzoek van de SP inmiddels ook een kort stukje geschreven hoe bepaalde zaken financieel en qua menskracht zitten. Daar hoef ik niet al te uitgebreid op in te gaan. Maar verlaging van de minimaregelingen betekent dat bestaanszekerheid van mensen zal afnemen en de kans op toename van het aantal aanvragen schuldhulpverlening neemt dan toe. In het stuk van het college staat dat er met dit soort zaken geen rekening is gehouden. Vanavond hebben we het ook niet over die minimaregelingen. Dat is niet helemaal aan de orde. Maar ik denk, ik wil wel meegeven dat als volgend jaar het nieuwe college gevormd wordt dat er goed gekeken moet worden of het wel verstandig is om de minimaregelingen weer terug te brengen naar het niveau van 2022. Want anders ga je een besparing doen op de ene regeling en zal je vermoedelijk op de andere regeling, de schuldhulpverlening, er extra geld bij moeten doen.

En dit is los van het feit wat het met mensen doet als ze in de schuldhulpverlening komen. Daar moeten we niet te min over denken. Tweede reden voor onze vraag was de opmerking in een brief van medewerkers van de Sociale Dienst in december, waarin staat dat er achterstanden zijn bij het proces van de schuldhulpverlening en dat het proces ook niet helemaal goed loopt. Ik zeg het nu in wat vriendelijker woorden dan het in die brief stond. In het bericht van het college staat een verwijzing, wat dit betreft, naar de cijfers van 2021 tot en met 2024 uit een vierde procesbrief die gestuurd is. En de wethouder kondigt aan dat er over 2024 op zeer korte termijn ook een overzicht komt. Vraag aan de wethouder is dan, wat is op zeer korte termijn? En dan tot slot, oude rapportages en toezeggingen dat er nog een rapportage komt, zegt niets over de huidige situatie en de gevolgen voor de toekomst. Mogen we uit het feit dat het college verder niets vermeld onder punt 2 van hun brief, en ook vanuit hun actieve informatieplicht niets heeft gemeld, aannemen dat er nu geen problemen zijn bij de schuldhulpverlening en dat het beleidsplan gewoon goed uitgevoerd kan worden? Dank u wel. De voorzitter: Ik zie iemand die graag … Dat is een interruptie of … Prima. Gaat uw gang. De heer Bootsman: Dank, voorzitter. Ik had een vraag aan de heer ’t Lam. U had het over een brief.

Gaat het over iets wat nu bij de stukken zit of gaat dat over de procesbrief, gezien de situatie bij de Sociale Dienst? Dat zou ik wel graag los van elkaar zien. De heer ’t Lam: Uiteraard moeten we dat los van elkaar zien, want over die situatie bij de Sociale Dienst op zich hebben we het vanavond niet. Het gaat over de toelichting op de uitvoering beleidsplan Schuldhulpverlening 2025-2028, die bij de stukken is gevoegd. De voorzitter: Dat klopt. We hebben de heer ‘t Lam gehoord natuurlijk. Mevrouw Schnabel, u wil daarop reageren. Mevrouw Schnabel: Dank u wel, voorzitter. We willen graag gewoon ook een woordvoering geven. Niet reageren op de heer ’t Lam, als in wel bedankt. De voorzitter: Geen enkel probleem. Gaat uw gang.

3

Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Allereerst dank voor het bijvoegen van de dialooggesprekken met jongeren. We zijn wel benieuwd hoe deze aanbevelingen worden meegenomen en of we hierover worden geïnformeerd per raadsinformatiebrief. En dan daarna, we vinden de gestelde ambities van het beleidsplan mooi. En we kunnen ons daar ook goed in vinden. Maar de uitvoering vinden we nog wel wat riskant. Vanaf 2027 zijn er voor de ambities beperkt middelen aanwezig, terwijl we nu een beleidsplan tot en met 2028 vaststellen. Dan is 2026 daarbij ook nog eens onderdeel van de afwegingen bij de Perspectiefnota. En vanaf 2027 komen we in totaal dan bijna 3 ton tekort. En kijkend naar de schuldenaanpak 1,5 ton. Ook met oog op de ambities die nu gesteld worden, vinden we dat spannend. En nu lezen we dat er voor 2027 een bedrag van 2 ton beschikbaar is vanuit de POK-middelen en dat dit bedrag over ‘27 en ‘28 verdeeld wordt. We vragen ons daarom af wat er niet meer gaat plaatsvinden. En dat is dan naast het geld dat aan Bureau Sociaal Raadslieden … Of waarop geïnvesteerd gaat worden. Maar misschien lezen we het verkeerd. En daarom graag een toelichting hierop van de wethouder. De heer Venderbos-Lambinon: Voorzitter, dank. Ik wil eigenlijk een aanvulling geven op wat mevrouw Schnabel net zei over de periode 2025-2028. Ik heb het even doorgerekend.

Voor 2026 is een lichte stijging van 0,5 procent te zien, maar daarna een daling naar 20 procent voor de jaren 2027-2028. Hebben we eigenlijk dezelfde verontruste vraag als mevrouw Schnabel, kan dit en hoe gaat het in de toekomst? Gebeurt het echt inderdaad dat we 20 procent minder te besteden hebben? De voorzitter: Mevrouw Balorian zag ik net iets eerder nog. Mevrouw Balorian: Dank u wel, voorzitter. Terechte vragen die er worden gesteld over het financiële gedeelte. Daar zijn wij ook benieuwd naar de antwoorden die daarop worden gegeven. Daarnaast wilden we nog opmerken dat het beleidsplan er goed uitziet, maar dat we ook nog wel wat vragen, zorgen hebben waarom er niet zo erg wordt ingegaan op ondernemers in het beleidsplan? Of daarover nagedacht is en of dat uitgebreid kan worden? Want enkel op pagina 33 staat er dan een passage over ondernemers en hoe dat via het Regionaal Bureau Zelfstandigen wordt uitgevoerd. Maar verder dan dat is het eigenlijk heel erg summier. De vraag is, in hoeverre kan het aangevuld worden? De voorzitter: Duidelijk. De heer Bootsman. De heer Bootsman: Zeker. Ook voor ons een aantal korte toevoegingen. De vragen over de financiën. In 2026 nieuwe raad, nieuw college. Maar het programma loopt natuurlijk langer dan ‘26 en de cijfers zijn wel schokkend. Ook daar zijn wij benieuwd naar.

De vraag die vanuit de SP natuurlijk als politieke vraag voorligt, is of er voldoende middelen zijn om het uit te voeren, ook als het beroep op deze hulp toeneemt. Kijk, voor het verwachte aantal aanvragen nu zijn er volgens het stuk voldoende middelen beschikbaar. Maar het is natuurlijk wel goed dat, mocht het druk oplopen, nog binnen deze periode dat via de reguliere P&C-cyclus het college terug kan komen naar de raad. Dat er dan misschien toch extra middelen moeten komen, wanneer de situatie daarom vraagt. Want de meeste mensen kiezen niet vrijwillig voor schulden, maar wij als gemeente kunnen er wel voor kiezen om dat te helpen en in te zetten op preventie. En dat vinden wij heel belangrijk. Dank u wel.

4

De voorzitter: Mevrouw Pichel. Mevrouw Pichel: Dank, voorzitter. Voor het grootste deel sluiten wij aan bij de woordvoering van de heer ‘t Lam van de SP. Een kleine toevoeging. Dank in ieder geval voor de toelichting van de uitvoering het beleidsplan. Die is duidelijk uitgestippeld. Waar ik wel even naar wil kijken, want die gaat eigenlijk voornamelijk in op het financiële deel. Dat had de wethouder in de oordeelsvormende toen ook al aangegeven, er is voldoende capaciteit en budget beschikbaar. Dat geloof ik ook zeker. Alleen de vraag gaat ook met name om de uitvoerbaarheid ten aanzien van wat er natuurlijk allemaal speelt. En dat dat dan inderdaad geen belemmering is of dat dat op de een of andere manier ook ervoor zorgt dat het om die reden niet uitvoerbaar is. En om nu al te denken, dat zal geen problemen opleveren, dat kunnen we natuurlijk niet van tevoren stellen. En het gaat er mij dan ook niet om dat daardoor het beleidsplan niet kan worden goed goedgekeurd, want dat zou natuurlijk gewoon prima kunnen. Alleen dat we er ons wel bewust van zijn dat het natuurlijk een effect kan hebben en dat we daar gewoon goed op letten en bepaalde dingen misschien voor kunnen zijn.

Dat zou eerder inderdaad een vraag zijn, wordt daar rekening mee gehouden en kijken we er op die manier naar? In plaats van nu te denken dat het waarschijnlijk geen beperking is in de uitvoering, omdat er capaciteit en budget beschikbaar is. Want dat zijn wat mij betreft wel twee verschillende dingen. En tot zover. De voorzitter: Mevrouw De Groot. Mevrouw De Groot: Dank u wel, voorzitter. Eigenlijk grotendeels sluiten wij ons aan bij de woordvoering van mijnheer Bootsman van GroenLinks. Eigenlijk dat we ons wel lichtelijk zorgen maken over de risico's en onzekerheden die er zijn, zoals landelijke wetgeving, cao-ontwikkelingen ook. En daarbij vinden wij ook een belangrijk signaal dat de verruimde minimaregelingen die schulden juist helpen voorkomen in 2027 terugvallen naar het niveau van 2022, waardoor het preventiewerken onder druk komt te staan. Dat vinden wij ook een zorgelijk punt. De voorzitter: De heer De Heer. De heer De Heer: Voorzitter, dan zal ik ook nog wel even wat zeggen. In principe denk ik dat we vorige keer een goede bespreking hebben gehad. Toen hebben we dat ook geconcludeerd met elkaar. Ik verhoud me eigenlijk ook vooral tot de vraag, zoals die gesteld, zijn er voldoende middelen? En dan lees ik in de ambtelijke toelichting in de eerste zin dat het antwoord daar ja op is.

Gaat onze fractie er tegelijkertijd ook vanuit dat de wethouder en alle ambtelijke voorbereidingen en capaciteit die erachter zit altijd van alle tijden ontwikkelingen in de gaten houdt. En dat het zeker op gebied van minima en schuldhulpverlening, dat dat wat er in den lande gebeurt of in de economie altijd een effect heeft op. Dat dat nu niet per se anders is dan andere jaren. In die zin gaan wij er ook vanuit dat dat wordt opgepakt. En als het inderdaad zo is dat er tussentijds meer middelen nodig zijn, dat er inderdaad ook gewoon een procedure voor is. En dat die via de reguliere cyclus dan ook alsnog naar ons toekomt. En het tweede punt tegelijkertijd baart ons ook zorgen, dat we inderdaad zien dat na ‘26 die middelen komen te vervallen. En als we daar niet op handelen dat dat terugvalt naar ’22. Maar dan zien we dat tegelijkertijd ook gewoon als een oproep aan onszelf dat we daar scherp op moeten zijn.

5

En als we nu zeggen, dit beleidsplan, deze uitvoering vinden we belangrijk, dan hebben we daar zelf tegen die tijd ook op te reageren. Dank u wel. De voorzitter: De raad heeft het budgetrecht. Wat dat betreft is dat simpel, denk ik. Eerst mevrouw Van Vugt. Een reactie daarop? Dat mag wel, mevrouw Schnabel. Ik wist niet dat ik die invloed had, maar dan mevrouw Van Vugt. Mevrouw Van Vugt-Roose: Dank u wel, voorzitter. Ik kan het kort houden. Ik heb ook begrepen dat er de vorige keer best wel een goed gesprek over is geweest. En wij zien uit naar de uitvoering van dit plan, omdat er vooral veel aandacht is voor preventie. En dat vinden we echt een belangrijk punt. En verder gaan we er ook een stukje educatie wat erin zit, de vroegsignalering … En dat zijn voor ons echt belangrijke punten. En verder delen we ook wel de zorgen, maar daar hebben we ook zoiets van, we rekenen er ook op dat een college daarop tijdig acteert en daarna terugkomt naar de raad. De voorzitter: Nou zag ik volgens mij dat mevrouw Schnabel het weer weet waar ze het over wil hebben. Gaat uw gang. Mevrouw Schnabel: Dank u wel, voorzitter. Een vraag aan de heer De Heer. Want ik was benieuwd, de heer De Heer geeft aan inderdaad, we moeten gewoon te zijner tijd kijken wat we na 2026 kunnen doen. Maar we stellen nu wel, op basis van deze ambities, een beleidsnotitie vast.

Hoe kijkt de heer De Heer daar dan tegenaan? Wat stellen we dan vast met elkaar? De heer De Heer: Voorzitter, volgens mij is het sowieso niet ongebruikelijk om een beleid vast te stellen dat doorloopt dan de politieke periode. En dat het soms ook zo is dat er dan opnieuw middelen beschikbaar moeten worden gesteld. Dat is voor dit stuk dan ook zo. En ik besef me inderdaad dat als je nu iets vaststelt om deze lijn in te zetten tot en met die periode van 2028, dan vind ik het in ieder geval heel zorgvuldig dat er duidelijk wordt gezet, maar let wel op, dit is alleen uitvoerbaar als er tegen die tijd dan ook mosterd bij de maaltijd wordt gedaan. Want anders kom je inderdaad in een spagaat terecht. We stellen volgens mij met elkaar een beleid vast dat we zeggen, voor nu zeggen we met elkaar, we willen dit inzetten. Dat loopt tot langer dan deze periode. Willen we dat financieel ook haalbaar maken, dan zal er tegen die tijd iets moeten gebeuren. De voorzitter: Mevrouw Schnabel. Microfoon, mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Excuus. Kleine aanvullende vraag. Want ik kan mij voorstellen dat het voor samenwerkingspartners en inwoners natuurlijk best onzeker is. Die ambities bepalen ook de koers van organisaties. En als organisaties die twee jaar geen duidelijkheid kunnen krijgen, dan is het voor hen ook lastig om een koers uit te zetten.

Hoe kijkt de heer De Heer daar dan tegenaan? De voorzitter: De heer De Heer. De heer De Heer: Voorzitter, vind ik een hele terechte vraag. En dat is ook zo. En ik denk dat we ons dat ook goed moeten beseffen. Ik verhoud me ook gewoon tot de realiteit dat

6

we voor nu niet aan een knop hebben te draaien voor een besluit, langer dan ‘26. Volgens mij is dat met alles wat er nog op ons afkomt nu niet het moment daarvoor, maar dat we dat wel goed in het achterhoofd moeten houden. Wat dat betreft ben ik het helemaal eens met die opmerking van mevrouw Schnabel. De voorzitter: Dat is mooi, in ieder geval. Mevrouw Striebeck. Mevrouw Striebeck: Ik heb een woordvoering. Als het gaat om de uitvoering in praktijk met voldoende middelen en mensen, dan zien wij ook grote risico's. Wij sluiten ook aan bij de heer ‘t Lam van de SP. Wat betreft het beleidsplan Schuldhulpverlening, wat inzet op vroegsignalering, preventie en maatwerk, dat steunen wij. Wij benadrukken schuldhulp moet mensgericht zijn. En niet de regels, maar de situatie van de inwoner moet centraal staan. We maken ons wel grote zorgen over sommige ouderen die in stille armoede lijden, vaak digitaal minder vaardig zijn en moeite hebben met het vinden van hulp. Voor deze groep is persoonlijk contact essentieel. Financiële educatie is belangrijk, maar het beleid mag de structurele oorzaken van de schulden niet uit het oog verliezen, stijgende kosten, lage pensioenen en gebrek aan betaalbare woningen. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: En dan denk ik dat iedereen dat gezegd heeft wat ze op dit moment wilden zeggen.

En dan denk ik inderdaad dat de wethouder kan antwoorden op de gestelde vragen en de zorgen die geuit zijn. De wethouder. De heer Van der Kruijff: Voorzitter, het college heeft natuurlijk een memo aan u toegestuurd waarin het werd toegelicht. En daar leest u ook in dat de schuldhulp, zeker de curatieve schuldhulp, en dat is niet de preventie, maar wel als mensen in schulden zitten om ze uit de schulden te helpen, een openeinderegeling is. Daarmee kan het technisch nooit voorkomen dat er geld tekort is. Het kan wel gebeuren dat wij als gemeente nog een keer een naheffing krijgen, zal ik het maar even noemen, vanuit de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal, omdat er meer is uitgegeven dan begroot. En natuurlijk wordt de begroting ook bij de GR Sociaal elk jaar vastgesteld en opnieuw aangeboden. Op het moment dat er tendensen zijn en zicht is op dat het gebruik van schuldhulp toeneemt, om wat voor oorzaak dan ook, zal dat ook automatisch rekenen dat de GR Sociaal in zijn nieuwe begroting daar meer middelen voor zal vragen. En natuurlijk is daarbij op de huidige arbeidsmarkt altijd dan ook nog de vraag, en kan je dan ook voldoende mensen daarbij vinden? Op het moment is dat geen probleem. Was ook een van de vragen, loopt het nu goed? U heeft de tabel erbij gezien, het loopt op het moment goed.

De jaarstukken 2024 worden volgende week in de collegevergadering verwacht, ter besluitvorming. We komen kort daarna uw kant op als college, die je vaststelt voor wensen en bedenkingen, zoals die procedure netjes heet. Dan krijgt u ze zeer binnenkort, ik denk binnen een week of twee, via de griffie aangeboden. Die gaat u krijgen. We snappen natuurlijk de zorgen die erachter al zitten vanuit het lokaal minimabeleid, waarvoor wij in deze periode voor vier jaar, en dat loopt nog maar één jaar vanaf nu of twee jaar eigenlijk, ‘25 en ’26, anderhalf, de middelen gereserveerd hebben. Dat zijn op zich extra middelen geweest. En daarmee doen we het ook goed. Dat heeft u ook gezien bij de Minima-effectrapportage. Dat heeft echt zijn effect. Natuurlijk is het tegelijkertijd zo dat mocht dat stoppen over anderhalf jaar, en dat is aan u … Als college hebben we te doen ook met de begroting die u vaststelt. En die is nou

7

eenmaal voor vier vastgesteld met deze middelen, en niet voor daarna. Ik kan natuurlijk technisch een heel flauw antwoord geven, dat u bij de komende Perspectiefnota een amendement in kan dienen om het in de meerjarenbegroting langer te verankeren, want dat is namelijk ook waar bij het budgetrecht van de raad. Maar u weet ook allemaal dat we een ombuiging te gaan hebben. Al met al, en zo werkt de politiek, dat snapt u ook, dat na de volgende verkiezingen, want zo gaat het dan werken, ergens in de nieuwe coalitieonderhandelingen en de uitslag die daar dan is de partijen met elkaar tot een besluit zullen moeten komen of het programma tegen armoede gecontinueerd kan worden op deze manier, of meer of minder of anders. En daar kunnen we nu niet vooruitlopen. Vandaar dat we het ook wel netjes vonden om dat te melden. En daar heb je inderdaad een risico mee dat als je dat niet zou continueren, dat in de jaren daarna het aantal schulden toeneemt, omdat een aantal minima toch niet rond kan komen die dat nu met die maatregelen die we hebben wel kunnen. Dat kan ik ook niet ontkennen. Ga ik ook niet ontkennen. Tegelijkertijd moeten we ook allemaal snappen dat er heel veel dingen kunnen gebeuren in deze wereld, waardoor er meer mensen in de schulden komen. De economie kan omslaan, er kan een oorlog uitbreken, de cao-ontwikkelingen kunnen tegenvallen, het minimumloon kan veranderen.

Zo kunnen er heel veel dingen gebeuren waardoor we zullen moeten bijstellen. En terecht stelt u de vraag, stel dat er zoiets gebeurt, wat doet het college dan? Natuurlijk, u krijgt elk jaar sowieso een voortgangsrapportage, via een raadsinformatiebrief, hoe het loopt. We delen die trends met u. En als wij zien dat daar een hele zorgelijke trend is die tot bijstelling zou moeten leiden, zullen we dat ook aan u voorstellen. En in diezelfde raadsinformatiebrief, zeg ik meteen maar even tegen mevrouw Schnabel, komt ook netjes de dialooggesprekken en wat dat allemaal opgeleverd heeft en voor inzichten oplevert … Worden er ook netjes in opgenomen, zodat u ook die informatie tot u gaat krijgen in diezelfde raadsinformatiebrief. Als u dan kijkt, dat vroeg mevrouw Balorian, naar ondernemers, dat waren natuurlijk in de beeldvormende sessie ook een paar vragen over, staan ze misschien in dit stuk niet heel veel genoemd. Tegelijkertijd staat alles wat we hier ook doen voor alle inwoners van Dordrecht. Ook ondernemers in de schulden hebben gewoon recht op curatieve schuldhulpverlening. Ook waar we werken met preventie en vroegsignalering van mensen die de zorgverzekering niet meer betalen of de belastingen niet meer betalen of de gas, water, licht rekening niet meer betalen, waar wij signalen op binnenkrijgen worden ondernemers gewoon in meegenomen.

Ook ondernemers maken deel uit van de preventie, van de vroegsignalering, mochten ze in de schulden komen van de schuldhulpverlening. Daar wordt geen onderscheid in gemaakt. En dat betekent ook dat er geen aparte aandacht aan besteed is. Want er zijn natuurlijk heel veel doelgroepen waar je over na kunt denken, zoals bijvoorbeeld ook de VSP nu aan ouderen vraagt, wat doe je daar dan speciaal voor? En dezelfde vraag zou je ook kunnen stellen voor jongeren. En een aantal van die doelgroepen hebben we wel benoemd. Dat heeft u ook teruggelezen. We hebben laatst ook een RIB naar aanleiding van de door de VSP ingediende motie over communicatie met ouderen naar u gestuurd, waarin we aangegeven hebben hoe we de communicatie met ouderen willen doen. Dat geldt ook voor schuldhulpverlening. Er is wel aandacht voor. De voorzitter: Ik zag een interventie van mevrouw Balorian.

8

Mevrouw Balorian: Dank voor de toelichting over de ondernemers. De wethouder gaf aan zit ook in de reguliere aanpak dat het college heeft, maar dan vraag ik me af, is er dan niet een aparte, hoe moet ik het verwoorden, aanpak om ook zicht te krijgen op deze ondernemers die in de schulden zitten en die niet allemaal de juiste poort of loket weten te vinden? Zoals er bijvoorbeeld aandacht is op jongeren en ook op mensen met een migratieachtergrond, zag ik volgens mij voorbijkomen. Maar wat is de reden dat er niet dan op ondernemers nog een aparte aanpak is? De voorzitter: Een aparte aanpak. De heer Van der Kruijff: We hebben geen doelgroepenbeleid, laat ik daarmee beginnen, als gemeente. De schuldhulpverlening staat voor iedereen open. Er zijn wel een aantal doelgroepen onderkend. Jongeren en ouderen zijn onder meer genoemd. En ook migranten zijn genoemd. Dat klopt wel. Dat heeft grotendeels ook te maken met de manier waarop je die bereikt, taalvaardigheid, Nederlandse taal, andere taal, jongeren zitten weer anders in elkaar. En dat vergt een aparte benadering. En in die optiek denken wij niet dat je ondernemers met andere woorden of met andere brieven of met andere taal tegemoet hoeft te treden dan de andere inwoners van Dordrecht. Dat maakt dat we ze ook niet tot aparte doelgroep hebben gedefinieerd in onze communicatie naar buiten.

Want daar gaat het vooral over als je het over doelgroepen hebt, over de communicatie en hoe je dat doet en hoe je daarbij aansluit bij de betreffende groep. Dan was er geloof ik nog een vraag, die begreep ik niet helemaal, over de extra middelen. Als ik het goed begrijp, u heeft gelezen over POK-middelen. En die zijn maar voor twee jaar beschikbaar. En die worden met name ingezet, heb ik begrepen, om het Bureau Sociaal Raadslieden, de openingstijden te verruimen daarmee. En dat zou inderdaad betekenen, die middelen hebben we gekregen en daarmee kunnen we dat twee jaar doen. Dat is een mooie besteding van die middelen. En tegelijkertijd is het ook waar, als je die middelen voor twee jaar krijgt en daarna niet meer, is dat je het daarna niet meer daaruit zou kunnen financieren. Dan komt de vraag op ons af, zijn die extra openingsuren zodanig belangrijk dat we dat op een andere manier zouden moeten doen, want dat weten we ook na die twee jaar als we dat gedaan hebben. Of dat we zeggen, de middelen hebben we niet meer, dan moeten we terug naar wat we hadden. Mevrouw Striebeck had het nog over de grote risico's en stille armoede. We weten dat er stille armoede is. Overigens niet alleen bij ouderen. Dat is ook breder dan bij ouderen. En vandaar dat ook een van de speerpunten in dit plan is om het bereik te vergroten, omdat we ook weten dat we heel veel mensen niet bereiken.

Dat is soms vanuit schaamte, dat is trouwens het meest voorkomende, maar ook omdat mensen niet altijd op alle communicatiemiddelen zijn aangesloten. Daar vraagt u terecht aandacht voor. En ik heb zojuist ook beantwoord dat we bij een aantal groepen, waarbij we zien dat de communicatie ook wel een eigen aanpak verdient, zoals bij migranten en ouderen en jongeren, dat we dat daar ook doen. En daarmee hopen we in ieder geval het bereik te vergroten. Maar het is wel een collectieve verantwoordelijkheid voor ons allemaal om om ons heen te kijken en mensen te helpen en ook al die instellingen die in het schuldhulpplan staan, die u allemaal ziet. Ook vrijwilligers, ook professionelen, die allemaal proberen de oren en ogen open te houden en mensen hierop te wijzen. De voorzitter: Mevrouw Striebeck.

9

De heer Van der Kruijff: Maar dat is wel een uitdaging. Eens. De voorzitter: Mevrouw Striebeck. Mevrouw Striebeck: Ik begrijp wat u zegt. Maar de VSP vindt toch nog de aanpak naar de ouderen toe minder geschikt. Zeker mensen die niet digitaal zijn. We hebben toen die motie ingediend. Die is eigenlijk maar half uitgevoerd, wat ons betreft. Eigenlijk zijn wij niet tevreden. De heer Van der Kruijff: Ik ken uw opvatting. Wij hebben dat gedaan. We hebben het ook gecheckt bij de ouderenbonden. En de ouderenbonden zijn hier wel tevreden mee. Daar hebben we ons toch op gebaseerd. De voorzitter: Wethouder, dit was hem? De heer Van der Kruijff: Ja. De voorzitter: Mevrouw Schnabel zag ik. En daarna mevrouw Pichel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel, voorzitter. Goed om te horen dat de trends jaarlijks gedeeld worden en dat dit dan gemonitord wordt. Nog een vraag. Zou het dan niet goed zijn om in 2027 en ‘28 niet jaarlijks, maar halfjaarlijks een soort van voortgangsrapportage naar de raad te sturen, omdat dan natuurlijk ook de problemen wat hoger zijn en er minder budget is. En dan een tweede vraag is, hoe gaat de wethouder om met de samenwerkingspartners die nu hun koers bepalen op dit plan, en die dat mogelijk dan voor 2027 en ‘28 moeten bijstellen? Wat is daar het plan van aanpak op? De voorzitter: De wethouder.

De heer Van der Kruijff: Voorzitter, ik heb me zojuist laten informeren, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik dat ook niet helemaal scherp had. Maar het schijnt dat wij al twee keer per jaar een RIB sturen. U wordt op uw wenken bediend, we deden het al. En desalniettemin als natuurlijk ad hoc gewoon een aanleiding is om bij u in de lucht te komen vanuit onze actieve informatieplicht, omdat er echt onverwachte ontwikkelingen zijn die sneller een interventie plegen, komen we altijd bij u terug vanuit de actieve informatieplicht. Maar ik denk dat we vanuit de drukte van elkaar raadsinformatiebrieven sturen ook niet naar een hogere frequentie moeten opstijgen. Wat betreft de samenwerkingspartners. De samenwerkingspartners zijn breed in de stad actief, zijn ook vaak betrokken bij ons plan tegen armoede, Samen tegen Armoede. Die doen niet alleen maar schuldhulpverlening, maar schuldhulpverlening maakt wel een onderdeel van een pakket waar ook zij mede invulling aan geven. En al deze samenwerkingspartners weten ook dat wij voor vier jaar dit geld geregeld hadden en dat dat voor erna onzeker is. En daarmee zal niet al het geld vervallen, maar kan het wel minder en kan het betekenen dat ook zij in de intensiteit van wat ze aanbieden mogelijk moeten minderen als ze van subsidie afhankelijk zijn.

Dat is inderdaad wel iets wat we met elkaar ook geregeld hebben door het voor vier jaar te regelen, en wat we nu niet kunnen oplossen. Tenzij we

10

inderdaad zeggen, we gaan het nu structureel regelen. Maar daar zien we op het moment geen kans toe. De voorzitter: Mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Samenwerkingspartners zijn ervan op de hoogte dat voor 2027, ‘28 er minder geld beschikbaar is. En dat nemen zij dan ook in hun beleidsplannen mee? De heer Van der Kruijff: Wat elke partner precies in zijn eigen plan of koers heeft staan, daar durf ik u geen garantie op te geven. Dat is ook voor een heel groot gedeelte aan henzelf. Maar alle partijen die actief zijn in de armoedebestrijding en de schuldhulpverlening weten dat wij de middelen tegen armoede voor vier jaar op deze manier geregeld hebben en dat ze voor daarna nog niet geborgd zijn. En daar hebben ze ook deels hun eigen verantwoordelijkheid in hoe daarmee om te gaan. En ik proef een grote politieke wens hier in de volle breedte om het te continueren. Dan hopen we maar dat in 2026 na de verkiezingen het zich ook vertaalt dat het niet nodig is. De voorzitter: Mevrouw Pichel. Mevrouw Pichel: Dank, voorzitter. Ik heb nog niet heel duidelijk een reactie gehoord op mijn vraag over de uitvoering van het beleid. Even los van het financiële stuk, maar meer met betrekking tot wat er gaande is. Ondanks dat er steun is voor verdere continuering van het beleid, maar rekening houdend met wat er speelt en dat we er op bedacht moeten zijn.

En hoe daar tegenaan wordt gekeken. De voorzitter: De wethouder. Je microfoon, Wim. De heer Van der Kruijff: Ik probeer uw vragen even goed te duiden. Kijk, we weten dat we op het moment in de wereld en ook in Nederland leven waar heel veel aan het veranderen is, of het om armoede gaat of om landelijk beleid, maar ook hier lokaal om financiële middelen. En dat vraagt zowel van ons eigen lokale apparaat als ook van de GR Sociaal, als het gaat over de curatieve schuldhulpverlening, continu wel de vinger aan de pols houden van, hoe zijn de ontwikkelingen in beleid, in financiën, in hoe het economisch gaat, in alles wat dit beïnvloedt? En hoe we ons daarop moeten oriënteren en eventueel in beleid bijstellen. Kijk, dit plan geeft een richting. Daar is het plan voor. Dit willen we doen. We geven aan dat we weten waar de onzekerheden zitten. We geven onze speerpunten aan. Die staan overeind. Natuurlijk snappen we allemaal dat als er echt onverwachte ontwikkelingen of anders beleid is. Ik neem aan dat u dat snapt van, hoe wendbaar ben je? Zo duid ik uw vraag. En uiteindelijk komt het natuurlijk bij een college dan wel bij een bestuur van de GR Sociaal terug. Op het moment dat er aanleiding toe is om beleid bij te stellen, omdat de wereld om ons heen verandert, waar dan ook, dat dat altijd terug op de agenda komt.

Ik ervaar dat in ieder geval zelf als wethouder dat mijn beleidsadviseurs dat doen. En ik ervaar dat ook als algemeen bestuurslid bij de GR Sociaal. Dit plan is uitgaande van wat we nu weten en voldoende wendbaar om om te kunnen gaan met wat er beschreven is.

11

Mevrouw Pichel: Mag ik nog even, voorzitter? De voorzitter: Gaat uw gang. Mevrouw Pichel: Ik denk dat ik mijn vraag iets duidelijker moet maken. Maar ik zal dat even doen aan de hand van een concreet voorbeeld. We hadden natuurlijk ook de vraag gesteld over … Even zonder in te gaan op de problematiek van de SDD nu, want we zijn natuurlijk ook nog in afwachting van het onderzoek. Daar hoeven we niet inhoudelijk op in te gaan. Maar daar speelt natuurlijk het een en ander. Dat weten we allemaal. Wat daar natuurlijk ervaren wordt, en dan hebben we het inderdaad ook over de uitvoerbaarheid, dat de cliënten van de SDD natuurlijk door wat er gaande is soms heel erg lang moeten wachten of dat er iemand niet komt opdagen bij een afspraak, gewoon puur doordat er even wat onrust is. En dat gaan we oplossen. Dat is het punt ook niet. Daar heb ik ook wel vertrouwen in. Maar het gaat mij er ook om, en dat was de vraag die daaraan ten grondslag was, wat doet dat op de uitvoering van dit beleidsplan? Zonder te zeggen, we verwachten dat het geen problemen oplevert. Maar de vraag is eerder, is er rekening mee gehouden dat dit gewoon nu speelt, dat we nog even niet weten wat de uitkomsten zijn? En houden we dat even als uitroepteken bij dit beleidsplan.

De voorzitter: Ik hink ook een beetje op twee gedachten nu. Ik geef toch maar even de wethouder het woord. Maar laten we wel inderdaad bij dit blijven en niet bij de problematiek bij de SSD dan, in ieder geval. Maar de vraag, volgens mij, als ik hem formuleer is, inderdaad vanuit natuurlijk van wat we nu weten, of dat invloed heeft eventueel op dit plan dan, wethouder? De heer Van der Kruijff: Laat ik het zo zeggen, wat we op het moment zien, is dat als je gewoon operationeel kijkt naar wat er binnen de GR Sociaal of de Sociale Dienst gebeurt, dat de operatie doorgang vindt en dat er geen hele grote repercussies zijn op klanten van de Sociale Dienst. Wat nooit wil zeggen dat een individuele medewerker van de Sociale Dienst een keer uit zijn doen kan zijn of van de leg kan zijn en daardoor geraakt wordt. Maar we hebben op dit moment geen signalen dat er in de operatie nu enorme problemen zijn. En natuurlijk is er altijd de vinger aan de pols, maar kan ik ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek hoe dat in bepaalde domeinen wel of niet zit. Maar er is zeker aandacht voor, voor het welbevinden en het kunnen functioneren van de medewerkers van de Sociale Dienst en of daar eventueel problemen zouden zijn. Die heb ik op het moment niet gehoord. Mevrouw Pichel: Dank u wel. De voorzitter: De heer ’t Lam.

De heer ‘t Lam: Voorzitter, ik wil beginnen met de wethouder te bedanken voor zijn heldere antwoord. Mijn twee vragen zijn duidelijk beantwoord. Het onderzoek komt binnenkort, van 2024. Ik zeg onderzoek, de rapportage. En hij heeft gezegd dat de schuldhulpverlening nu in principe goed verloopt. Hij heeft er net nog een kleine kanttekening bij gemaakt, naar aanleiding van de vraag van mevrouw Pichel. Daar moeten we vanuit gaan. Het is ook prettig in feite, hoewel dat in theorie niet prettig is

12

voor een gemeente, maar dat de gemeenschappelijke regeling in dit geval een openeinderegeling is. Want dat betekent dat er misschien geld bij moet vanuit de gemeente, maar dat cliënten altijd geholpen gaan worden. En vanuit de cliënt gedacht is dat natuurlijk goed. Ik ben blij dat ook andere fracties aanhalen dat we na 2026 met dit minimabeleid in een situatie komen die misschien niet goed is. Dat we daar goed over moeten nadenken. Ik ben het niet helemaal met de wethouder eens dat er nu geen kans is om dat te veranderen, want dat is een kwestie van een politieke keus waar je het geld voor uittrekt. En ik heb ook de suggestie gehoord, je kunt bij de begroting met een amendement komen. Neem ik allemaal mee. Nogmaals dank aan de wethouder. De voorzitter: Mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Nog een korte vraag. Wat niet helemaal duidelijk is, in het voorstel staat 2025 tot 2029, maar in het beleidsplan staat 2025 tot en met 2028. Is dat een typefoutje? De heer Van der Kruijff: Als ik het goed begrepen heb, en anders word ik vast door de ambtelijke ondersteuning wel gecorrigeerd, is het een plan voor vier jaar. En dat is voor ’25, ’26, ’27, ’28. Dan is ’29, 1 januari. Mevrouw Schnabel: Tot. De voorzitter: Maar dat is nog net 2029 natuurlijk. Maar goed, dan weet u dat. Mevrouw Balorian. Mevrouw Balorian: Ik wil toch terugkomen op het antwoord over de ondernemers.

Ik blijf een beetje aan bandje dat in herhaling valt. Maar ik heb even nagedacht. Want de wethouder gaf aan, het is niet nodig om ondernemers met een andere taal toe te spreken, want die behoren tot de reguliere doelgroep. Alleen je wilt namelijk ook dat ondernemers daadwerkelijk bereikt worden. In het beleidsplan staan mooie KPI’s genoemd, met doelen die … KPI’s die gesteld worden voor over vier jaar. Daar wordt geen aandacht besteed aan ondernemers. In hoeverre weet je dan of je ze bereikt of niet? Staan mooie plannen, zoals inderdaad meer contact met werkgevers, zodat je vroeg al inwoners van Dordrecht kan bereiken, als het gaat om schuldhulpverlening. Maar ondernemers hebben natuurlijk geen werkgever, in die zin. Hoe zorg je er dan voor dat je die ook bereikt in die vroegsignalering, of nogmaals, dat die ook het loket weten te vinden? Mijn vraag is eigenlijk, in hoeverre is de wethouder bereid om het beleidsplan iets aan te vullen? En wellicht wordt er al een hoop gedaan op deze doelgroep, maar staat het niet in het beleidsplan. Maar in hoeverre is de wethouder bereid om dat toch verder aan te vullen? De voorzitter: De wethouder. De heer Van der Kruijff: Mevrouw Balorian maakte als inleiding de opmerking dat inderdaad werkgevers benaderd worden om te kijken of we op de werkvloer ook mensen met schulden gesignaleerd kunnen worden, in het kader van de vroegsignalering.

Dat klopt. Overigens geldt dat wel voor de werkgevers hier in de regio. Mocht je Dordtse werknemers hebben die in Rotterdam of Den Haag of weet ik al werken, wil dat niet zeggen dat die signalen allemaal in Dordrecht doorkomen. Ook niet alle werknemers

13

bereiken we opnieuw. We hebben in het kader van de vroegsignalering, en dat is heel wat anders, het binnenkrijgen van signalen waar schulden zijn, een aantal bronnen. En een van die bronnen is onder andere ook werkgevers, naast al die anderen die genoemd staan. Waar we het hebben over de doelgroepen, gaat het niet over de bronnen waar je de vroegsignalering vandaan haalt, maar gaat het over hoe je mensen bereikt die mogelijk in de schulden zitten in het aanreiken van de mogelijkheden die er zijn. Het bereik vergroten. En dan denken wij dat je echt ook ondernemers zelf prima kunt bereiken op de manier die we nu doen. En zien we geen meerwaarde. Ik zou ook niet weten op welke manier ik dat moest gaan doen. Ik kan foldertjes bij een werkgeversloket neerleggen, maar ik denk ook niet dat alle ondernemers bij een werkgeversloket een foldertje komen ophalen. Als je ook als ondernemer schulden hebt, denk ik juist dat ondernemers heel goed in staat zijn om ook gewoon op een website op te zoeken wat er allemaal aan regeling is, waar je terechtkunt, waar er hulp te krijgen is. En dat is niet anders dan voor een werknemer. De voorzitter: Mevrouw Balorian heeft een idee, of niet? Mevrouw Balorian: Dan moet ik wel even heel goed gaan graven. Het is een lange dag geweest vandaag. Maar ik hoor de wethouder zeggen, een ondernemer kan wel op een website kijken en dan de juiste hulp vinden.

Maar dat geldt ook voor bepaalde reguliere inwoners natuurlijk, die wel werknemer zijn. Maar er is ook een groep die dat niet kunnen. Die wel bepaalde extra hulp en die aanpak nodig heeft. Dat geldt ook voor sommige ondernemers. De ondernemers in schulden blijft landelijk gezien ook gewoon stijgen. Ik heb niet in beeld hoe dat in Dordrecht precies is, maar ik kan me voorstellen dat ook hier dat het geval zou kunnen zijn. Nogmaals, het zou wenselijk zijn als in dat beleidsplan toch iets meer de focus wordt gelegd op ondernemers, aangezien je steeds meer mensen hebt die als zelfstandige aan de slag gaan of die ondernemer zijn. Het verzoek blijft staan. De voorzitter: Maar goed, we hebben natuurlijk altijd politieke middelen om dat verzoek natuurlijk dan ook politiek om te zetten, mevrouw Balorian. Misschien is dat dan inderdaad de overweging. Ik denk niet dat de wethouder nog meer daaraan toe te voegen heeft. De heer Van der Kruijff: Voorzitter, en natuurlijk vinden we ondernemers … Een ondernemer die schulden heeft, die zal op een gegeven moment ook achterraken in het betalen van zijn gas, water, licht, van zijn belastingen, van zijn huur, van zijn weet ik wat, waar al onze bronnen vandaan komen. Daarmee bereiken we echt vanuit de vroegsignalering ook de ondernemers. Wij bereiken ze echt op het moment dat ze vanuit die bronnen boven water komen.

Daar hoef je echt geen onderscheid in te maken. De voorzitter: Mevrouw Balorian. Mevrouw Balorian: Waarschijnlijk zullen we een motie of iets dergelijks indienen, want amendementen moeten we echt zelf gaan bedenken, wat moet er precies in staan? Maar de kans is groot dat er een motie … Even met de fractie overleggen. De voorzitter: Maar goed, ik denk ook als we het daar toch over gaan hebben, en ik kijk een beetje in de rondte, dat we inderdaad wel naar een afsluiting kunnen overgaan. En

14

dan is natuurlijk de vraag ook richting de commissie, hoe wij dit stuk verder gaan behandelen? En ik hoorde vanuit de VVD in ieder geval toch eventueel. Maar goed, dat kan altijd nog. Maar de rest van de commissie horende en zien ook naar alle blikken die mij toe worden geworpen, denk ik dat dit als hamerstuk naar de raad kan. En als ik dan even rondkijk. En dat biedt dan de mogelijkheid natuurlijk om altijd daar nog in in te grijpen natuurlijk, mevrouw Balorian. En als iedereen dat beaamt, dan ga ik ervan uit dat dit stuk inderdaad als hamerstuk naar de raad ging. En ik wilde bijna afsluiten, maar dan kijkt mevrouw Schnabel me toch weer lief aan. En dan gaan we toch even naar mevrouw Schnabel weer. Mevrouw Schnabel: We nemen de input mee naar onze fractie. En dan kijken we of we nog eventueel moties en amendementen …

De voorzitter: Maar goed, ik bedoel, de voorlopige conclusie is hamerstuk. En goed, u heeft altijd de mogelijkheid om daar nog wat mee te doen dan tijdens de raadsvergadering. U kent de weg, toch? Dan ga ik deze commissie sluiten. En iedereen dank. En aandacht om in ieder geval al het glaswerk en kopjes en dergelijke weer mee te nemen. Ik dank u wel. 3. Beantwoorden door het college van artikel 40-vragen RvO van de heer Den Hartog (GroenLinks) over Verlengde private aansluiting Voorzitter: Mevrouw Van Vugt Raadsgriffier: Mevrouw Vermeulen Verslag: NotuBiz Aanwezig: Dhr. Aarden (Partij voor de Dieren) Dhr. De Gelder (ChristenUnie/SGP) Dhr. Gorter (Op Ons Eiland) Dhr. Den Hartog (GroenLinks) Mevr. Kamphuis (SP) Dhr. Kuhlmann (VVD) Dhr. Oostenrijk (CDA) Dhr. Van Pelt (Forum voor Democratie) Dhr. Roggekamp (Gewoon Dordt) Dhr. Safranti (DENK) Dhr. Stolk (VSP) Dhr. Tutupoly (Op Ons Eiland) Dhr. De Vries (VSP) Dhr. Wringer (Beter voor Dordt) Portefeuillehouder: wethouder R. van der Linden Ambtelijke ondersteuning: Dhr. Kraak, dhr. ‘t Lamp

15

De voorzitter: Goedenavond iedereen. Ik wil iedereen van harte welkom heten, alle raads- en commissieleden, ambtelijke ondersteuning. En voor de wethouder is hier ook een plekje, maar hij heeft ervoor gekozen om nog even op de publieke tribune te zitten. Ik wil voor het raadsverslag vragen of iedereen zich even wil voorstellen. En ik wil hier aan mijn rechterhand beginnen. De heer Wringer: Jan-Willem Wringer, Beter voor Dordt. De heer Den Hartog: Paul den Hartog, GroenLinks Dordrecht. De heer Roggekamp: Erik-Jan Roggekamp, Gewoon Dordt. De heer Kuhlmann: Alexander Kuhlmann, Dordtse VVD. De heer Aarden: Tristan Aarden, Partij voor de Dieren. Mevrouw Kamphuis: Meta Kamphuis, SP Dordrecht. De heer Safranti: Mehmet Safranti, DENK Dordrecht. De heer Van Pelt: Dirk van Pelt, Forum voor Democratie. De heer Stolk: Leo Stolk, VSP. De heer De Vries: André de Vries, VSP. De heer Gorter: Wouter Gorter, Op Ons Eiland. De heer Tutupoly: Gersom Tutupoly, Op Ons Eiland. De heer Oostenrijk: Theo Oostenrijk, CDA. De heer De Gelder: Peter de Gelder, debuut makend commissielid CU/SGP. De heer Kraak: Robert Kraak, ambtelijke ondersteuning. De heer Ramp: Wouter Ramp, ambtelijke ondersteuning. Mevrouw Vermeulen: Laurette Vermeulen, commissiegriffier. De voorzitter: En ik ben Franciske van Vugt, vanavond uw voorzitter. Eerst een korte toelichting op het hoe en waarom we hier zitten.

We hebben hier vanavond een technische sessie over de juridische en technische aspecten van het opladen van een elektrische privéauto. En het gaat over het thuis laden, de laadpaal op de weg en de privélaadpalen op openbaar terrein. Tijdens de presentatie, heb ik begrepen, mogen er vragen gesteld worden. De heer Ramp: Ik had met Laurette er even over. Als er termen gebruikt worden waardoor u het verhaal even niet meer volgt, dan graag gelijk een vraag stellen. Vragen die daarna kunnen, graag daarna.

16

De voorzitter: We spreken af, verduidelijkende vragen kunnen meteen gesteld worden en de vragen die om wat meer uitleg, toelichting vragen, die sparen we even op. Dan kunnen we eigenlijk al beginnen. De prestatie zit ook in de stukken. Als het beeld wat ver weg is, kunt u dat erbij pakken. En we kunnen ook meekijken op het scherm. En de heer Ramp zal dat verder aan ons toelichten. Aan u het woord. De heer Ramp: Dank u wel, voorzitter. Hartelijk welkom, alle commissieleden. Dank u wel. De voorzitter: Wacht even. Speelt er iets, mijnheer de Vries, mijnheer Gorter? De heer Gorter: Ik krijg hem al een hele tijd niet geladen. Het kan aan mijn pc liggen, maar ik hoor dat er meer mensen problemen hebben met laden. De voorzitter: Ik had het zelf net ook even, maar op een gegeven moment komt hij. Misschien zijn we nu allemaal tegelijk aan het laden. De netcongestie slaat toe hier. Maar hou hem even open of sluit hem even. We gaan toch beginnen aan de presentatie. Er kan in elk geval op het scherm meegekeken worden. Opnieuw de heer Ramp. De heer Ramp: Dank u wel. We zijn, zoals de voorzitter al zei, bij elkaar om in een technische sessie vragen te beantwoorden en vooral voor jullie om te stellen, denk ik, over de juridische, technische aspecten van thuis laden, verlengd privaat laden onder andere ook en laadpalen aan de openbare weg.

We hebben deze presentatie in een soort trechtervorm gestoken. We willen eigenlijk beginnen eventjes met de algemene informatie rondom laadinfrastructuren. Daarna ons huidige beleid, de Laadvisie en daaraan vasthangend het plaatsingsbeleid. Daarna wil ik even iets verder ingaan op de verlengde private aansluiting, of het verlengd privaat laden, zoals het ook wel genoemd wordt. En daarna gaan we het nog even hebben over de actualisatie van het beleid. Er zijn drie soorten van laadinfrastructuur. Dit noemen we de ladder van laden. In principe als men op een eigen oprit kan laden of bij kantoor is dat stap 1. Als dat niet gaat, kunnen we op publieke locaties laden of semipublieke locaties. Dan moet u denken aan parkeergarages of parkeerterreinen bij winkels, of dergelijke. Dan stap 3 is laden in de openbare ruimte. Dat is met alle laadpalen die we in de openbare ruimte zien verschijnen. En daaraan vast hangt ook de verlengde private aansluiting. Want in principe parkeer je dan op de openbare weg, maar heb je een eigen aansluiting. En dat kan alleen onder voorwaarden met een APV-vergunning. Dan hebben we ook nog een aantal verschillende soorten laadpunten. Om links te beginnen, dat is de wallbox voor thuis. Levert het minste stroom, duurt het langst om op te laden. Deze tijd, die erbij staat, is op basis van 200 kilometer bijladen. Niet een hele volle auto, maar 200 kilometer.

Van links naar rechts wordt er steeds meer kilowatt geleverd. En vanaf 50 kilowatt hebben we het over een snellader. Het regulier laden is een laadpunt tot 22 kilowatt. Die zien we vooral in de stad staan en is het normale laadpunt. De voorzitter: De heer Gorter, zal heel even helpen om het apparaat uit te schakelen. De heer Ramp: Ik ga rustig door. En dan vanaf 22 kilowatt hebben we het over snellader. Dat onderscheiden we in 3 subcategorieën. Het kortparkeerladen of semi-snelladen is tussen de 22 en 125 kilowatt. Die vind je onder andere bij supermarkten, hotels, vergaderlocaties, dat soort dingen. Het ultrasnel laden voor personenvervoer tussen de

17

125 en 350 kilowatt is vooral voor de wat nieuwere elektrische voertuigen geschikt. Die kunnen tussen die 125 en 350 gewoon laden. Dat zie je veel bij de snellaadstations langs de snelweg. En dan hebben we ook nog het ultrasnel laden voor logistiek en openbaar vervoer. Dat is hoger dan 350 kilowatt. En dat gaat dan om bussen, vrachtwagens en dergelijke. En bij dit type is de belasting op het energienet het grootst. Dan hebben we hier een plaatje van Dordrecht, met de locaties van de laadpalen in Dordrecht. De hoeveelheid laadpunten is er op dit moment 678, waarvan er 5 in bezwaar zijn. Dat zijn de gele stipjes. Die ziet u waarschijnlijk niet zo goed, maar dat zijn er ook maar 5. En de blauwe zijn de palen die nog geplaatst moeten worden. En dat zijn er op dit moment nog 130. Het huidige beleid is de Laadvisie die in 2021 is vastgesteld. Daar hoorde het plaatje wat op de sheet staat bij. Toen was dat de prognose van 2030. We zitten nu in 2025. Die prognose is inmiddels al aangepast. Daarin zien we wel dat de prognose inderdaad steeds wordt aangepast en dat die nu een stuk hoger is dan 400 laadpalen. In de Laadvisie hebben we gekozen voor een vergunningenmodel. Ook wel het open markt model. Je hebt eigenlijk 2 manieren om dit te doen. Dat is het open markt model, dat CPO’s, dat zijn de aanbieders van de laadpalen, die kunnen inschrijven.

En door middel van loting kunnen zij locaties voor palen krijgen. Dat is hoe we dat nu doen. Je hebt ook nog een concessiemodel. Kom ik later op nog terug. De ladder van laden hebben we er ook ingezet. Die heb ik net al even behandeld. De plaatsingsstrategie is een combinatie van vraaggestuurd. Dat betekent dat bewoners en forensen een aanvraag kunnen indienen bij de gemeente. En dan gaan wij die aanvraag beoordelen. Strategisch en datagedreven hangt heel erg met elkaar samen. Strategisch houdt in dat de laadpalen kunnen gerealiseerd worden op plekken waar mensen geen aanvraag kunnen doen, zoals bezoekerslocaties, toeristische trekpleisters, andere knooppunten. En datagedreven, daar kijken we door middel van data wat goede plekken zijn om palen te plaatsen. En die worden dan ook opgenomen. En dan hadden we ook nog de verlengde private aansluiting. Die hebben we onder strikte voorwaarden en een APV-vergunning in het huidige beleid staan. Daar is in 2023 het plaatsingsbeleid bijgekomen. Dat hangt onder de Laadvisie. Daar zien we dat het vraaggestuurd plaatsen nagenoeg gelijk is gebleven. Er zijn een aantal criteria waar men aan moet voldoen om zo'n vraag in te dienen. En aan de locatie zijn ook een aantal criteria om die te plaatsen.

Zo is bijvoorbeeld op minder dan 200 meter loopafstand van de aanvrager tot de laadpaal bij bestaande parkeerplaatsen dicht bij het ondergrondse net. Want hoe verder ervan weg hoe duurder. Ook is er vastgesteld bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting dat we gelijk kijken, kunnen we palen plaatsen? Dat scheelt tijd en geld. Op dit moment staan we snelladen voorlopig niet toe binnen de bebouwde kom, omdat deze veel groter zijn dan de reguliere laadpalen. Vragen veel meer stroom, want snelladen gaat op middenspanning en niet op de spanning die we allemaal in huis hebben. Trekt veel verkeer aan, omdat dat natuurlijk makkelijker is om even een kwartiertje te laden en door. Maken geluid. Schijnt een soort zoem af te komen. Als je die naast je huis hebt, dat schijnt niet heel fijn te zijn. En we moeten daar goede plekken voor in de openbare ruimte vinden. En we zijn bezig in de regio om een snellaadplan daar te maken, om te kijken waar we deze locaties kunnen plaatsen. De voorzitter: Ik onderbreek even, met het gaan naar punt 3. Ik zie dat sommige mensen nog steeds de presentatie niet hebben. Er is nog een ander WIFI-netwerk. Dan kunt u kiezen voor publiek. En dan gastvrij als wachtwoord. WIFI publiek, en dan gastvrij.

18

Mijnheer Safranti, u had hem ook nog niet, toch? Nu wel. Kan er een specifieke vraag aan gekoppeld worden? Ging het over de vorige dia. De heer Safranti: Dat niet. Maar gewoon echt het idee op zich van … De voorzitter: We proberen er straks nog op te komen. Is goed. Dan mag u het weer vervolgen. De heer Ramp: Zoals ik net al zei, uit het plaatsingsbeleid op strategisch en datagedreven plaatsing is een plankaart naar voren gekomen. En die zijn we nu al aan het uitwerken. Die procedure is vastgelegd in de nadere regels. Dan zou ik nog even terugkomen op de verlengde private aansluiting wat, denk ik, de grondslag bijna is van deze vergadering, waar ook vragen gesteld zijn door GroenLinks. Die is op dit moment strikt. We hebben 1 vrijstelling voor verlengd privaat laden. En dat is als er nagenoeg geen gebruik van de openbare ruimte gemaakt wordt. Dat is zeer zelden. En zoals u kunt zien in artikel 12, het verlengd privaat laden, daar staat onder 1A een punt wat we willen gaan opheffen, aangezien dat nogal oneerlijk in de praktijk blijkt te zijn. Dat is wel iets wat het college wil gaan aanpassen. En men kan een verlengd privaat laadpunt aanvragen als geen enkele CPO interesse heeft om een laadpunt in zijn buurt te plaatsen. De heer Kuhlmann: Voorzitter, een korte, verduidelijkende vraag. De voorzitter: Dat mag.

De heer Kuhlmann: Ik hoorde de gever van de presentatie zojuist zeggen dat de regels worden aangepast, de mogelijkheid wordt opgeheven. Heel concreet betekent dat dat dan sub A geschrapt wordt. Begrijp ik dat goed? Of bedoelt u iets anders? De voorzitter: Over welke sub A heeft u het? Bij 1A? De heer Kuhlmann: Artikel 12 lid 1 sub B blijft bestaan, als ik het goed begrepen heb. Maar er wordt ook een mogelijkheid opgeheven. Tenminste, dat kon niet helemaal goed volgen. Iets met oneerlijk, of wat dan ook. Maar misschien begrijp ik u verkeerd. Vandaar deze verduidelijkende vraag. De voorzitter: Als u nog goed wil uitleggen wat er hiervan overeind blijft en wat er oneerlijk is en wat er daarna niet meer oneerlijk is, dan zijn we een heel eind. De heer Ramp: U begrijpt goed dat lid 1A verwijderd wordt. En waarom het oneerlijk is, is dat er mensen waren die een elektrische leaseauto hadden en van de werkgever per se op eigen terrein moesten laden, of zo dicht mogelijk bij huis, mochten ze die blijven rijden. En in die zin hebben we dat toegestaan toen, omdat we die aanvragen toentertijd veel zagen. Maar we zien nu meerdere vormen van aanvragen. Vandaar dat we deze willen schrappen. De voorzitter: De vraag naar vergunningen is eigenlijk veranderd, of een andere bron. De leaseauto's vragen niet meer laadpunten. Daar komt het op neer.

19

De heer Oostenrijk: Voorzitter. De voorzitter: De heer Wringer was eerst. De heer Wringer: Dank, voorzitter. Kunt u definiëren wat nabij het adres … Welke afstand heeft u het over? Want dat is natuurlijk een subjectief gegeven. De heer Ramp: Dat is onder B. Dat is 200 meter. De voorzitter: En dan nog een verduidelijkende vraag van de heer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: CPO. De voorzitter: Is in het begin even verteld. De heer Ramp: CPO is de aanbieder van een laadpaal. En dat zijn er veel. De voorzitter: En nog een vraag vanuit GroenLinks. De heer Den Hartog. De heer Den Hartog: Dank u, voorzitter. Mijn vraag borduurt voort op die van de heer Wringer van BvD. Nabij is 200 meter. Is dat een keuze die de gemeente heeft gemaakt? En indien ja, is het dan ook mogelijk om daarvan af te wijken? De voorzitter: Dat is een vraag die nu ook wel meteen kan. Het is niet per se een verduidelijkende, maar we keuren hem goed. Is het landelijk zo of kunnen we als gemeente afwijken? En daar zit ook een vraag achter, maar die stel ik niet. De heer Ramp: Ik kijk heel even naar links. De heer Kraak: Ik weet niet of dat een standaardafmeting of -afstand is, of dat we daarin kunnen kiezen. Maar volgens mij kunnen we daar zelf regels voor opstellen. 200 meter is wel een afstand die in het parkeren, ook als het gaat bij bouwvergunningen, wel als acceptabele loopafstand wordt gehanteerd.

Het is wel een maat die vaker terugkomt, ook bij andere onderwerpen. De voorzitter: De heer Wringer nog aanvullend. De heer Wringer: Even daarop doorbordurend. Als je natuurlijk 200 meter hemelsbreed gaat kijken, dan zijn er denk ik maar erg weinig plekken in Dordrecht waar nog geen laadpaal staat. Eigenlijk kan je dan alles afwijzen. De heer Kraak: Klopt. De voorzitter: Ik keek net uw kant op, maar toen zag ik geen reactie meer. Maar de heer Gorter. De heer Gorter: Dank u, voorzitter. De reactie heb ik een paar keer gegeven hoor. Even voor de duidelijkheid, artikel 12 wordt alleen maar B? De voorzitter: Dat is al een paar keer gezegd.

20

De heer Gorter: Ik vraag even voor de duidelijkheid. De voorzitter: Ik pak hem even terug. De heer Gorter: Dat wordt, alleen punt B blijft over? De voorzitter: Als voorstel is dat hier gegeven. Dat wordt het voorstel waar we binnenkort dan denk ik iets van mogen vinden. De heer Ramp: Klopt. De voorzitter: U kunt verder. De heer Ramp: Dit zijn de eisen van de verlengde private aansluiting. Ik ga ze niet allemaal oplezen. Maar u ziet dat we veel aandacht hebben voor de veiligheid, omdat een kabel over het trottoir voor onveilige situatie kan zorgen. Het moet deugdelijk worden afgedekt. Het mag bijvoorbeeld alleen liggen als men oplaadt, en niet standaard. Het mag niet te ver over de stoep liggen en niet door openbaar groen, zodat een gemeenteambtenaar ineens de kabel doorknipt als hij het groen aan het doen is. Daar zitten natuurlijk voor- en nadelen aan een verlengde private aansluiting. De voorzitter: Er is weer een vraag. De heer Den Hartog. De heer Den Hartog: Voorzitter, en ik heb dit keer echt alleen een verduidelijkende vraag. Als het gaat om oplaadpunten op eigen terrein, wordt daar dan ook mee bedoeld een stopcontact in het huis? De heer Ramp: Ik denk het wel. Dat is eigen terrein. En de kabel loopt dan waarschijnlijk over de stoep. De voorzitter: U kunt verder. De heer Ramp: Ik wilde nog even wat voor- en nadelen van het verlengde private laden aanwenden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/891/documents/40006