2.8 2026.01.13 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 1 - concept.pdf
Tekst van het document
Op het moment dat er nieuwe contracten worden aangeboden en die wijken dusdanig af van het van het oude contract of er staan dingen in die niet in lijn zijn met wat er in de verhuurverordening staat, dan kunnen huurders ook bij het meldpunt terecht om dat te melden. Dan kunnen we daar iets mee doen, want die verhuurder houdt zich niet aan de afspraak van de Wet goed verhuurderschap. Daar kunnen we op handhaven. Mevrouw De Korte: Nog een aanvulling? Het kan ook worden gezien als intimidatie en dat is een van de dingen die onder de Wet goed verhuurderschap valt. Zo zou je het ook kunnen interpreteren. Dan kan het met de verhuurverordening worden geregeld. De voorzitter: Helder. De heer Van Dam Timmers: Voorzitter? De voorzitter: Niet allemaal. Mijnheer Oostenrijk krijgt eerst de gelegenheid om een technische vraag te stellen. De heer Oostenrijk: Voorzitter, even over dat al dan niet imaginaire voorbeeld van die 100 woningen. We hebben het over dat aspect leegstand. Kunt u bij benadering een beetje in beeld brengen … Het kan toch niet zo zijn dat een verhuurder 100 woningen heeft leegstaan waarop dan die bestuurlijke boete van die 700 zoveel van toepassing is?
42
Mevrouw De Korte: Mag ik wat zeggen? De voorzitter: Zeker, u mag wat zeggen. Mevrouw De Korte: volgens mij heeft u het over de ambitie van 40 procent bij de leegstandsverordening. Dat is een punt van de Agendacommissie dat wordt behandeld in de presentatie over de leegstandsverordening. We hebben het nu nog over de verhuurverordening. De voorzitter: Dat is op zich niet zo. Even kijken. Mijnheer Noldus zit heel nerveus zijn vinger op te steken. Gaat uw gang. De heer Noldus: Ik was niet heel nerveus, voorzitter. Maar ik had ik had twee vragen gesteld. De tweede vraag was beantwoord, maar de eerste nog niet. Daar probeer ik nog even aandacht voor te krijgen. Het ging over de vraag of er in de verhuurverordening instrumenten zijn om overlast gevende huurders aan te pakken of de verhuurders te beschermen. De heer Weber: Wil je een kort of een lang antwoord? Het korte antwoord is, nee. De voorzitter: Ik een kort … Dank u. De heer Van der Meer: Mijn tweede vraag is ook nog niet helemaal beantwoord. Dat was, waarom wordt alleen voor kwetsbare wijken gekozen? U heeft iets gezegd over veiligheid en dat daar de meeste overlast is. Dat begrijp ik en dat zou consequenties kunnen hebben voor toezicht en handhaving. Maar huurders in ook andere delen van de stad willen graag beschermd worden, denk ik.
De heer Weber: Het heeft simpelweg te maken met de capaciteit die we daar tegenover moeten stellen om de handhaving te regelen. Op het moment dat we dat in heel Dordrecht zouden doen, dan zou wellicht de afbeelding met al die getallen veel hoger moeten zijn. De heer Van der Meer: Het gaat mij erom dat een huurder in een andere wijk zich hierop kan beroepen als er misstanden zijn. Ook al handhaaft u niet in bepaalde wijken, dan kan daar nog een beroep op gedaan worden. De heer Weber: Daar is typisch het meldpunt Ongewenst Verhuurdersgedrag voor. Alle huurders in Dordrecht kunnen, behalve de huurders van corporaties, want daar geldt niet voor, maar alle huurders van particuliere huurwoningen kunnen zich daar melden met hun probleem met de verhuurder. De voorzitter: We gaan door naar de volgende ronde, denk ik. Mijnheer Groenewege bederft het dan weer een beetje. Gaat uw gang.
43
De heer Groenewege: Die neiging heb ik. In antwoord op een vraag van mijnheer Van der Meer is aangegeven dat leges niet meeschalen met het aantal woningen dat gedekt wordt door een verhuurvergunning, maar dat het wel meer werk is voor de verhuurder om die vergunning aan te vragen vanwege het aantal documenten dat hij in moet dienen, maar niet meer werk voor de toetsing en voor de vergunningverlening. Dat betekent dat al die documenten niet inhoudelijk worden getoetst. Klopt dat? De heer Weber: Dat klopt niet. Als ik het puur heb over het werk voor de vergunningverlening, dat is een vergunning. Uiteraard het toetsen van al die documenten, dat vergt wel wat meer tijd. Maar we zullen nog even goed kijken naar die legeskosten en hoe die tot stand komen. Dat gaan we meenemen. Mevrouw De Korte: Nog heel kort aanvullen daarop. De kosten zijn ook een beetje als gemiddeld genomen, die 728. Een verhuurder met 1 woning zal waarschijnlijk lager uitvallen qua uren en kosten. Een verhuurder met veel meer woningen zal wat hoger uitvallen. We hebben geprobeerd daar een gemiddelde in te berekenen om algemeen kostendekken te zijn, want er wordt uiteindelijk wel maar 1 vergunning aangevraagd door een verhuurder. We kunnen niet voor elke woning een aparte lage opvragen. Dat is de redenatie erachter. De heer Groenewege: Ik ga het nog verder verpesten.
Ik had nog een openstaande vraag over categorieën van woonruimte en een opmerking dat in lid 5 van artikel 2 naar het verkeerde lid verwezen wordt. Doe ermee wat u wil. De voorzitter: Ik zit snel te lezen. Ik heb hem weer voor mijn neus, maar er wordt al heel druk gelezen. Ga ik nu toch snel even zeggen, gaan we over naar de volgende ronde? De categorieën nog. De heer Weber: Daar zijn we nog steeds niet helemaal uit. Dat blijft nog even staan, maar je krijgt vanavond nog of later antwoord. De voorzitter: Ik wilde net zeggen, de spanning bouwt langzaamaan op. Gaat uw gang. Mevrouw Das Dores: Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik ga over tot het laatste gedeelte van onze presentatie en dat gaat over de leegstandsverordening. Eerder heeft mijn collega al kort aangegeven wat het doel is van de leegstandsverordening. Wat we graag willen, is de beschikbare woonruimte beter benutten, in iets mindere mate het speculeren met leegstand tegen te gaan en we willen de druk op de woningvoorraad verlichten door onze ambitie, waar we het eerder over hebben gehad, 40 procent minder leegstand in Dordrecht. Daar kom ik zo nog even op terug. Uiteindelijk willen we bijdragen aan een evenwichtige en toegankelijke woningmarkt. Wij zijn van mening dat de leegstandsverordening ons helpt met inzicht te creëren.
Eerder is al aangegeven dat er op basis van CBS-cijfers 555 woningen zijn die hier langdurig leegstaan. Met het invoeren van de leegstandsverordening willen we daar meer zicht en grip op krijgen.
44
Wat ook erg belangrijk is, denk ik, voor de leegstandsverordening, is dat we op deze manier eigenaren, die niet altijd onwelwillend zijn, er zitten eigenaren tussen die wel iets willen, maar soms niet weten op welke manier ze dat zouden moeten doen, wij als gemeente kunnen helpen om ze meer te activeren, zodat de woningen die langdurig leegstaan weer bewoond worden. In het kort, het proces van de leegstandsverordening is dat eigenaren verplicht zijn om binnen 2 weken nadat een woning langer dan 6 maanden leegstaat, dit bij ons te melden. Dat kunnen ze digitaal doen. Nadat wij die melding binnen hebben gekregen, is het de bedoeling dat wij binnen 3 maanden in gesprek gaan met zo’n eigenaar om te vragen, wat is er nu precies aan de hand? Eigenlijk proberen we gezamenlijk tot een oplossing te komen. Het is wel echt de bedoeling om de verantwoordelijkheid bij de eigenaar zelf te laten. Het is de bedoeling dat de eigenaar uiteindelijk zelf met een oplossing komt, maar wij spelen daar een belangrijke rol in. In de praktijk zal het betekenen dat er vrij veel gesprekken met zo'n eigenaar zullen plaatsvinden om op zoek te gaan naar zo’n oplossing. Ter bescherming van de welwillende eigenaren wil ik erbij zeggen dat wij er niet op uit zijn, in eerste instantie, om sancties op te leggen.
Maar we willen het gesprek aangaan met de eigenaar, omdat wij denken dat je daarmee uiteindelijk het meeste bereikt. Per situatie willen we maatwerk daarin bieden. Het verwachte effect is dat we meer grip krijgen op de leegstand, dat het duidelijker wordt waar die leegstand precies zit en wat de oorzaken daarvan zijn. Wat ik eerder al aangaf, we hebben soms het idee dat er zeker welwillende eigenaren zijn, maar dat zij zelf niet goed weten wat ze met hun pand aan moeten. Wij willen ze daar heel erg graag bij helpen. Doordat wij er tussenkomen, hopen we dat de eigenaren sneller gaan acteren en dat, doordat we met ze in gesprek gaan, die leegstaande woningen sneller benut worden dan nu. Wat ik net al aangaf, ons uiteindelijke doel is preventie van langdurige leegstand. Onze ambitie is 40 procent. Dat is iets wat we met zijn allen hebben bepaald. We weten dat het heel erg ambitieus is. Maar we zijn er ook van overtuigd, dat zie je ook bij andere gemeenten, voornamelijk Amsterdam heeft hele goede ervaringen met de leegstand … Dan ga ik even zittend verder. Excuses. Wat ik net aangaf, wij denken in ieder geval in de buurt te kunnen komen van de 40 procent, omdat we ervan overtuigd zijn dat we met de gesprekken die we met de eigenaren aangaan heel veel effect zullen bereiken.
Ter voorbereiding hebben er verschillende gesprekken plaatsgevonden met gemeenten die hier al ervaring mee hebben. We hopen daar ons voordeel mee te doen. Daar komt de 40 procent vandaan. De leegstandsverordening is geen nieuw instrument. Het is een instrument dat al een tijd bestaat en wij nu willen gaan invoeren. Maar het is wel zo, ik denk dat u daar ook wel van op de hoogte bent, dat de Leegstandwet is geëvalueerd en dat er een consultatie is geweest voor nieuwe wetgeving, waarin er regelgeving wordt aangepast, uiteindelijk ook in de Leegstandwet. Dat heeft als voordeel dat er, ten opzichte van de wet zoals het nu is, ruimere mogelijkheden voor de gemeente komen om de leegstand aan te pakken. Wij zijn er alleen maar heel erg blij mee. Maar we willen in de tussentijd al wel aan de slag met de huidige leegstandsverordening, zodat we daar al ons voordeel mee kunnen doen, doordat we al in gesprek zijn met de eigenaren. Een verandering die er mogelijk aan zit te komen, is dat, in plaats van dat wij huurders aandragen, een eigenaar oplegt om de woonruimte te gaan benutten. De verantwoordelijkheid die nu een beetje bij ons wordt neergelegd, die leg je daadwerkelijk bij de eigenaar neer. Hij moet er linksom of rechtsom ervoor zorgen dat de woning weer wordt gebruikt.
45
Nogmaals, dat zien we alleen maar als heel erg positief. Maar alsnog willen we met het instrument alvast ervaring gaan opdoen. Qua kosten, dat is ook in het voorstel opgenomen, is onze inschatting dat we er ongeveer 250.000 euro per jaar voor nodig hebben. Dat zit met name in de capaciteit, de mensen die dit uit moeten gaan voeren. De gesprekken waar ik het eerder over heb gehad, dat die daarmee gedekt worden. Eerder gaf ik ook al aan dat onze insteek niet per se is om bestuurlijke boetes op te leggen. Er zijn altijd notoire eigenaren die toch niet willen luisteren en waar we mogelijk wel een boete opleggen, maar qua kostendekking zal dat minimaal zijn, is onze inschatting nu. Er is nog echt wel geld nodig, waar we het eerder bij de verhuurvergunning over hadden. Daar wordt dan later dit jaar, door de nieuwe raad, op besloten. Qua implementatie, het voorstel moet nog door uw raad uiteindelijk worden omarmd. Ervan uitgaande dat dit gebeurt, zal er in de tussentijd de organisatie ambtelijk worden voorbereid op de verhuurverordening en de vergunningverlening die eraan zit te komen. Wij zullen onze systemen moeten inrichten op meldingen die op basis van een leegstandsverordening worden gedaan. Dat zullen we doen vanaf het moment dat de raad daarmee akkoord gaat tot aan het moment van invoering. Wat ons betreft is tot 1 september 2026.
Er zal een kwartiermaker worden aangewezen en dat ben ik als u daar uiteindelijk mee akkoord gaat. Die zal echt de voorbereiding doen en de uitvoering van deze 2 verordeningen. Ik durf wel te zeggen, er is best veel werk aan de winkel. In eerste instantie zal het heel erg gericht zijn op de systemen die moeten worden ingericht hiervoor. Uiteindelijk zal het zich heel erg gaan richten op de toezicht en handhaving waar je, wat ons betreft, niet aan ontkomt. Zonder de middelen waar we het eerder over hebben gehad, ben ik bang dat we niet heel erg op zullen schieten met deze verordeningen. Met de ontwikkelingen binnen onze gemeente zelf en de integrale aanpak die we hiervoor willen kiezen, is er geld nodig voor toezicht en handhaving. Ervaring leert dat pandeigenaren hier echt hulp bij nodig hebben. Dat vraagt een proactieve aanpak vanuit ons. Dat is mijn presentatie voor nu. De voorzitter: Dan gaan wij over tot de vragen. Mijnheer Van der Meer is nu echt de eerste. De heer Van der Meer: Ik heb twee vragen. De eerste is, waarom is deze leegstandsverordening beperkt tot woningen? Er zijn ook andere gebouwen die voor bewoning gebruikt kunnen worden.
Waarom zijn die niet meegenomen? De tweede vraag sluit aan bij de voorstellen die de inspreker inbracht, namelijk als u vanuit de gemeente mensen kunt voordragen of een deel daarvan inderdaad betrekking kan hebben op daklozen of andere thuislozen, zodanig dat daarmee het experiment Wonen Eerst en de doelstellingen van de huisvestingverordening gerealiseerd kunnen worden, is dat een mogelijkheid of zijn daar formele of technische bezwaren tegen? Mevrouw Das Dores: Ik zal antwoord geven op uw eerste vraag. De tweede vraag is naar mijn idee politiek en daar kan ik zelf geen antwoord op geven. Wat was uw eerste vraag? Hij zat in mijn hoofd. De heer Van der Meer: Waarom het tot woningen is beperkt.
46
Mevrouw Das Dores: Dat is puur op basis van de wetgeving op dit moment. De nieuwe wetgeving waar ik het net over had, die in consultatie is geweest, daarin worden ook kantoren en scholen … Dan wordt het verbreed. Maar voor nu is de Leegstandwet echt alleen beperkt tot woonruimte. De heer Van der Meer: Het zou wel de intentie zijn van de gemeente om daar dan bij aan te sluiten? Mevrouw Das Dores: Absoluut. De voorzitter: Mijnheer Groenewege. De heer Groenewege: Een paar vragen. Mijn eerste vraag is de meest inhoudelijke. Hoe zit het met woningen die te koop staan en waarbij de eigenaar al een andere woning heeft gekocht en is verhuisd? Staan die woningen leeg en vallen die ook onder deze verordening? Mevrouw Das Dores: Dat is een goede vraag. De heer Weber: Als je puur naar de definitie kijkt, gaat het om langdurige leegstand en dat betekent langer dan zes maanden. Die moet je melden. Het kan zijn dat een woning langer leegstaat dan die zes maanden, terwijl het te koop staat. In de mogelijke gesprekken die dan gaan volgen, als daar de situatie goed besproken wordt, dan hoef je niet de verordening volledig toe te passen. Waarschijnlijk zijn er heel veel situaties waar het logisch is dat sommige woningen langer dan een half jaar leeg staan, bijvoorbeeld bij erfenissen en dat soort situaties.
De heer Groenewege: De eigenaren hoeven dan niet per se op een boete te rekenen, omdat hun woning traag verkoopt wellicht? Mijn tweede vraag ging over lid 3 van artikel 7. Het gaat over de leegstandbeschikking. Het is misschien een wat technische vraag, maar het is een technische sessie. Waarom niet? Er staat, het college kan de eigenaar verplichten om binnen een door hem te bepalen termijn de door hem aan te geven voorzieningen te treffen. Wie is hem? Is dat het college of de eigenaar? Want als het de eigenaar is, dan is het wel een heel vrijblijvend lid. Het college. Mevrouw Das Dores: Voor de verduidelijking. De heer Groenewege: Dan heb ik er nog 1, want in de verhuurverordening viel het me op dat in artikel 1 de wet werd gedefinieerd. Daar stond de wet. Daarmee werd bedoeld de Wet goed verhuurderschap. In de leegstandsverordening wordt de wet niet gedefinieerd, maar overal wordt de wet genoemd. Dan moet je doorscrollen naar de toelichting om erachter te komen welke wet wordt bedoeld. Is dat handig? Dat is mijn technische vraag. Mevrouw Das Dores: We zullen ernaar kijken om ze een beetje in overeenstemming te brengen met elkaar. Dat is wel zo handig.
47
De voorzitter: Mijnheer Groenewege, dat waren uw vragen? Prima. Dan ga ik eerst naar mijnheer De Feijter. De heer De Feijter: Dank u wel, voorzitter. Ik heb over diezelfde leegstandbeschikking, artikel 7, nog een vraag. Die is vrij technisch. In artikel 5 van de Leegstandwet is geregeld dat het college een gebruiker kan voordragen na 12 maanden. In artikel 6 van diezelfde wet staat dat in het besluit van die voordracht het college de eigenaar mag verplichten voorzieningen te treffen. Geeft dat het college de mogelijkheid om de eigenaar hiertoe te verplichten na 12 maanden, wat de wet lijkt te suggereren of in theorie direct bij leegstand middels de leegstandbeschikking, zoals het nu is verwoord in artikel 7. Mijns inziens dat eerste, maar het zou het laatste kunnen zijn. Het is nu op de laatste manier verwoord. Maar ik wil ook eventueel nog dingen toesturen als dat helpt. Mevrouw Das Dores: Graag. De heer De Feijter: Dat is misschien fijner. Mevrouw Das Dores: Dank u wel. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Voorzitter, toch nog een verduidelijkende vraag over die 555. Hoe traceer je elk van die 555? Want die zijn op de een of andere manier boven water gekomen. Kunt u toelichten hoe die worden ontdekt? De heer Weber: Wat ik kan vertellen, is dat wat cijfers zijn die vanuit het CBS komen voor Dordrecht.
Maar een van de dingen die we willen met deze verordeningen, is inzicht krijgen in wat er precies speelt en waar het precies speelt. Die 555 woningen, daar hebben we niet de adressen en eigenaren van. Maar op het moment dat wij de leegstandsverordening publiceren, dan verwachten wij dat er dat er meldingen gaan komen. Wij kunnen niet aan het CBS vragen, dit zijn adressen en dit zijn de eigenaren daarvan. Dat moet zich vanzelf gaan vullen. De heer Oostenrijk: Sorry, ik kan niet antwoorden. De voorzitter: U had het woord nog niet gekregen. Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Als 555 niet traceerbaar zijn, dan heeft u wel de ambitie om daar 40 procent van op te sporen. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk, het antwoord is al twee keer gegeven, denk ik. De heer Oostenrijk: Maar ik wil graag enige realiteit in een ambitie hebben. De voorzitter: Maar er is aangegeven hoe die 555 bepaald is en hoe er aan de 40 procent daarvan gekomen gaat worden. Punt. De heer Oostenrijk: Dat is voor mij totaal onhelder.
48
De voorzitter: Dan gaat u dat vast achteraf nog een keer extra uitgelegd krijgen. Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, dank u wel. Mijn vraag gaat deels over hetzelfde als mijnheer Oostenrijk, die 555. Dat antwoord hebben we gehad. De tweede vraag die we hebben gaat over de 40 procent. Welke subcategorie aan woningen, woningtypen of doelgroepen is de verwachting dat we met deze verordening vooral zullen beïnvloeden om leegstand te beperken? Zijn er cijfers uit Amsterdam of andere gemeenten die ingebracht kunnen worden ter onderbouwing van de aanname? Mevrouw Das Dores: Er zijn cijfers uit Amsterdam. Dat kunnen we. De heer Noldus: Een procesvraag, wordt dat gedeeld na de vergadering en bij de stukken toegevoegd? Dat vraag ik via de voorzitter. De voorzitter: Mevrouw Kruger vindt dat het kan. Dat gaan we doen. Helemaal goed. Even kijken. Mijnheer Van der Meer was aan de beurt. De heer Van der Meer: Ik had nog een vraag over die aantallen. In het begin ging het over het aantal particuliere huurwoningen in Dordrecht. Toen vroeg ik, gaat die regeling alleen daarover? Uit het latere antwoord begrijp ik dat ook koopwoningen die leegstaan onder de regeling kunnen vallen. Mij is niet helemaal duidelijk hoe die aantallen particuliere huurwoningen en het CBS-getal van 555 zich dat tot elkaar verhouden. Dat is mij niet zo duidelijk.
De heer Weber: Volgens mij gaan we met de leegstandsverordening leegstand proberen terug te dringen. Dat geldt in principe voor alle categorieën. De voorzitter: Ik zag nog de hand van mijnheer De Feijter. De heer De Feijter: Dank u wel, voorzitter. Toch nog een vraag over die leegstandbeschikking. Op dit moment, in artikel 7, lees ik daar alleen maar over, in de leegstandbeschikking wordt bepaald of de woning geschikt is voor gebruik. Kan er kort worden verteld wat de leegstandbeschikking nu gaat doen? Want ik dacht te begrijpen dat de leegstandbeschikking echt een soort verplichting is vanuit het college van, ga een gebruiker zoeken voor die woning. Eigenlijk is dat niet met zoveel woorden omschreven in het artikel. Kan dat nog worden verhelderd? Mevrouw Das Dores: In de praktijk is het zo dat er woningen zijn die op dat moment niet geschikt zijn om te bewonen. Daar ziet dat artikel op. Het kan zo zijn dat, omdat we in gesprek zijn met zo’n eigenaar, zelf ter plaatse gaan en zien, het is hier onmogelijk om in de staat zoals die woning nu is, daar een huurder in te zetten. Daar ziet het artikel op. Dat is net even een andere insteek dan het voordragen van een huurder. De woning moet daar ook wel geschikt voor zijn. De voorzitter: Mijnheer Hartmeijer. Mijnheer Van der Meer, wilt u uw microfoon uitzetten?
49
De heer Van der Meer: Sorry. De voorzitter: Dank u wel. De heer Hartmeijer: Voorzitter, het sluit een beetje aan op mijnheer De Feijter. Het ging ook over die twaalf maanden. Eerst werd verteld, de eigenaar doet een voorstel om leegstand op korte termijn op te lossen na die zes maanden. Dan heeft de gemeente alleen maar een rol als gesprekspartner. Maar wat houdt het tegen om dat wat eerder te doen dan twaalf maanden? Blijkbaar heeft die eigenaar al zes maanden geen nieuwe huurder gevonden. Wat gaat dat verschil dan maken? Is er dan niet een actievere rol van de gemeente al nodig? Mevrouw Das Dores: Zeker een actievere rol. Die spelen we op dat moment dan al. Het is alleen dat wettelijk gezien daar een termijn van twaalf maanden voor staat. Maar het staat ons vrij om het er in een stadium daarvoor al met een eigenaar over te hebben. Alleen, we kunnen het niet afdwingen. De voorzitter: Mijnheer Kolkiliç. De heer Kolkiliç: Dank u wel, voorzitter. Het lijkt erop alsof we om het jaar met los beleid komen. Verhuurverordening, leegstandsverordening, enkele jaren geleden de opkoopbescherming. Is het dadelijk nog wel allemaal te handhaven? De heer Weber: Ik kan de vraag nu niet beantwoorden, omdat we voor de handhaving hebben gezegd, als we deze verordeningen gaan invoeren, dan moeten nog de middelen geregeld worden voor de handhaving.
De opkoopbescherming wordt op dit moment al gehandhaafd. Dat is een soort van administratieve handhaving. Maar voor de nieuwe regelgeving, het nieuwe beleid, extra capaciteit moet komen voor handhaving en toezicht. Mevrouw Das Dores: Wellicht nog in aanvulling daarop, eerder hebben we het gehad over integrale aanpak. We zijn ons ervan bewust dat er verschillende instrumenten zijn. Het afgelopen jaar is dat misschien veel geweest, maar we zoeken elkaar in die zin juist op om uiteindelijk de handhaving zo effectief mogelijk te maken. Dat is iets wat ik uiteindelijk als kwartiermaker zal moeten doen, verder uitwerken, hoe kunnen we dat op de meest efficiënte manier gaan doen? De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, een vraag over de dekking. Een beetje in lijn met de vorige vraag. Ik worstel nog een beetje met dat we nu wel de verordening hebben liggen, maar dat de dekking nog niet in dit voorstel zelf zit. Er wordt deels verwezen naar de handhaving, wat nog deels geregeld moet worden, maar ook naar de boetes. De vraag is, kan er indicatie gegeven worden van de verwachting hoeveel er dan opgehaald wordt met boetes? Voor de rest van de dekking, dat is feitelijk die 250.000 euro, wordt verwezen naar de perspectiefnota.
50
De vraag is, we hebben met de komende perspectiefnota waarschijnlijk een beleidsarme perspectiefnota. Is dat dan het moment dat we dit terug gaan vinden? Is dat tijdig genoeg voor een verordening die we per september al gaan invoeren? Dat is de vraag, voorzitter. De heer Weber: Kort antwoord, is ja. De heer Noldus: Dat is dan het antwoord op de laatste vraag, denk ik, voorzitter. Bij de Perspectiefnota 2027 wordt geld gereserveerd voor vanaf september 2026. Is dat correct? De voorzitter: De wethouder financiën zit aan tafel. Gaat hij knikken? U mag een technisch antwoord geven. De heer Van der Kruijff: Voorzitter, vroeger hadden we een kadernota, waarbij we alleen kaders vaststelden voor de begroting het jaar daarop. Sinds we een perspectiefnota hebben, is het gecombineerd. Niet alleen de kaders, maar je kunt ook een aantal financiële dingen regelen in het jaar waar je in zit. Dat kan. De voorzitter: Ik zag nog een hand van mijnheer Van der Meer. Ik wil wel langzaamaan … Sorry. De heer Noldus: Het andere deel van de vraag was, welke omvang is de schatting van wat opgehaald wordt met de boetes? De voorzitter: Daar komen we op terug. Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Mijn vraag van zonet, de invulling van het voordrachtbeleid van de gemeente, is kennelijk een politieke vraag. Dat moeten we op een ander moment bespreken.
Maar in relatie tot het punt wat mijnheer Noldus nu naar voren brengt, wil ik toch nog even vragen, de inspreker suggereerde dat als we een aantal dak- en thuislozen in de leegstaande woningen weten onder te brengen, de 250.000 euro binnen korte tijd gedekt. Kunt u daar nog op reageren, op die optie? Mevrouw De Korte: Het zijn misschien in feite kosten die we besparen, omdat we ze niet maken. Maar het zijn niet opbrengsten. Ik weet niet of je het op die manier kan dekken. Dat is, denk ik, een andere vraag. De voorzitter En omdat we er misschien allemaal ook nog wat van willen vinden, is mijn vraag afrondend van deze commissie, want we zitten bijna aan de tijd, is er behoefte om hier oordeelsvormend met elkaar over te spreken in de commissie? Ik zie mijnheer Van der Meer knikken, mijnheer Katif. Mijnheer Groenewege ook, maar mijnheer Katif zie ik naar de microfoon grijpen. Wat wilt u zeggen? De heer Katif: Ik zou het graag oordeelsvormend willen bespreken. Simpelweg omdat er allerlei vragen zijn en sommige vragen zijn niet beantwoord. Ik moet sowieso terug naar mijn fractie om nog eens een keer met elkaar door te nemen, hoe staan wij hierin? En als het moet, dan heb ik nog een politieke vraag.
51
De voorzitter: Dat is mijn volgende vraag. Als er voldoende steun is, en dan kijk ik even om mij heen, want volgens mij is het … Er staat hier, een meerderheid van het aantal aanwezige fracties, maar het is een raadsvoorstel Wie wil het oordeelsvormend bespreken? Steek even de handen omhoog. Helemaal goed. Dat is ruim gehaald, mevrouw de griffie. Anders doe ik dat weer niet goed. Er zijn twee verordeningen en ik wil per verordening dan minimaal een politieke vraag hebben. Mijnheer Katif. De heer Katif: De politieke vraag zou kunnen zijn, vindt de raad het verantwoord om deze verordeningen vast te leggen, zolang structurele capaciteit voor toezicht en handhaving niet expliciet is geregeld en gedekt? De voorzitter: Ik zie mensen nadenken. De heer Noldus: Voorzitter, mag ik een vraag stellen aan mijnheer Katif? Is dit bij beide voorstellen of is dat bij een van beide voorstellen, uw politieke vraag? Dat is een vraag via de voorzitter. De heer Katif: Met uw toestemming, voorzitter. De voorzitter: Zeker. De heer Katif: Ik had het voor de beiden, omdat ze als geheel zijn behandeld in deze commissie. De voorzitter: Bij beiden dezelfde politieke vraag. Mijnheer Van der Meer, u heeft ook een politieke vraag? De heer Van der Meer: Ja. Of in de leegstandsverordening niet ook iets geregeld moet worden over hoe het voordrachtbeleid van de gemeente vorm krijgt.
In een leegstandsverordening worden mogelijke bewoners voorgedragen aan eigenaren. Moet de vraag welke bewoners worden voorgedragen daarin geregeld worden of dat moet dat gekoppeld worden aan de huisvestingsverordening bijvoorbeeld of aan het experiment Wonen Eerst. De voorzitter: Wat vindt de raad ervan? De heer Van der Meer: Zou dat niet in deze regeling opgenomen moeten worden? De voorzitter: Mijnheer Groenewege. De heer Groenewege: Ik vond de punten die mijnheer Van der Meer maakte bij de verhuurverordening toch wel heel het bespreken waard. Willen we bijvoorbeeld een gedifferentieerd legestarief voor de verhuurverordening? Dat vind ik een interessante. En of we niet in alle wijken willen sturen op goed verhuurderschap, ook al kost dat wat meer. Dat is bij uitstek een politieke vraag, zou ik zeggen. De voorzitter: Mijnheer Noldus.
52
De heer Noldus: Voorzitter, voor de leegstandsverordening zouden wij graag de politieke vraag willen toevoegen, vindt de commissie het uitgeven van 250.000 euro per jaar voor een zeer beperkt instrument en resultaat doelmatig? De voorzitter: U kunt zich er verder allemaal in vinden? De heer Noldus: Voorzitter, nog een als dat mag. De voorzitter: Mijnheer Noldus, vooruit. De heer Noldus: Voor de verhuurverordening de vraag, wordt met de verhuurverordening voldoende instrument geboden om de huisvesting van arbeidsmigranten en eventuele misstanden zoveel als mogelijk te beperken? De voorzitter: Wordt ook opgeschreven. Dan gaan we aan de hand van deze politieke vragen … Wanneer is er plek? 20 januari. Dat is volgende week. Dan is het streven naar volgende week. Dan heeft u allemaal de gelegenheid om zich voor te bereiden. Ik zie u wellicht dan weer. Wilt u allemaal uw attributen en dergelijke meenemen naar de pantry? Ik wens u nog een fijne avond. En ik heb nog een verzoek aan mevrouw Van den Hoek, wilt u uw bijdrage naar de griffie sturen? Dan zetten we dat erbij in het systeem. Top. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 3 februari 2026.
De griffier,
De voorzitter,
C. Bronsveld
N. Mol
53