2.7 Notulen Dordrecht Commissie Sociale Leefomgeving 20 april 2021.pdf
Tekst van het document
VERSLAG VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE COMMISSIE SOCIALE LEEFOMGEVING DORDRECHT D.D. 20 APRIL 2021 Vergaderkamer Voorzitter: dhr. Van Verk Commissiegriffier: mevr. Van Poppel Verslag: NotuBiz Aanwezig: Mevr. Van Benschop (GroenLinks) Dhr. De Boer (Beter Voor Dordt) Dhr. Boersma (ChristenUnie/SGP) Dhr. Bosman (ChristenUnie/SGP) Dhr. Burakçin (GroenLinks) Dhr. Van Dam Timmers (CDA) Mevr. Van Eck (Beter Voor Dordt) Dhr. Den Heijer (VVD) Mevr. Van der Ham (CDA) Mevr. Kruger (GroenLinks) Dhr. Kwaak (VVD) Mevr. Nijhof (Beter Voor Dordt) Mevr. Rutten-Alberts (PVV) Mevr. Stevens (PvdA) Mevr. Stolk (VSP) Mevr. Striebeck (VSP) Dhr. Tiebosch (D66) Portefeuillehouders: wethouder M. Stam, wethouder R. van der Linden Ambtelijke ondersteuning: de heer Oosterhof Gasten: mevrouw Van Driessche (Jeugdbescherming West), mevrouw Nienhuis (Jeugdbescherming West), mevrouw Eskes (Leger des Heils), mevrouw Van de Laar (Jeugdbescherming West), de heer Magnee (Service Organisatie Jeugd), mevrouw Van Zijtveld-van Esch (Service Organisatie Jeugd), mevrouw Melaet (William Schrikker Groep) 1. Opening, mededelingen en vaststellen agenda De voorzitter: Goedenavond, iedereen. Welkom bij deze toch speciale commissievergadering van Sociaal, in het teken van de jeugdzorg. En dan speciaal met de themabijeenkomst gecertificeerde instellingen, de jeugdbescherming en reclassering.
Welkom dan ook aan de gasten die hier namens het Leger des Heils, de William Schrikker Groep en Jeugdbescherming West en de Service Organisatie Jeugd een bijdrage komen leveren. De genodigden zijn, en misschien dat u gelijk even acte de présence kan geven, zodat iedereen weet wie wie is. Mevrouw Christel Nienhuis van Jeugdbescherming West. Mevrouw Nienhuis: Ja, dat ben ik. De voorzitter: Goedenavond.
Mevrouw Nienhuis: Goedenavond. De voorzitter: Dan mevrouw Christine Eskes van het Leger des Heils. Mevrouw Eskes: Ja, goedenavond, dat ben ik. De voorzitter: Goedenavond. Mijnheer Ed Magnee van de Service Organisatie Jeugd. De heer Magnee: Goedenavond. De voorzitter: Mevrouw Irene van Zijtveld-van Esch van de Service Organisatie. Mevrouw Van Zijtveld-van Esch: Ja, goedenavond allemaal. De voorzitter: Hoi. En mevrouw Linda Melaet van de William Schrikker Groep. Mevrouw Melaet: Goedenavond. De voorzitter: Goedenavond. Nou. Ik ga vervolgens nu de namen noemen van de deelnemers die op de lijst van mensen staan die we binnen hebben gekregen, zodat iedereen aangemeld is. Graag even bevestiging op het moment dat ik de naam noem. En dan begin ik met mevrouw Van Driessche. Mevrouw Van Driessche: Ja, goedenavond. De voorzitter: Mevrouw Van de Laar. Mevrouw Van de Laar: Ja, dat ben ik. Van Jeugdbescherming West ook. De voorzitter: Oké, ja, dat kan ik hier niet zien op mijn lijst. Mevrouw Van de Laar: Ja, en mijn collega Wendy Van Driessche van net is mijn collega ook vanuit Jeugdbescherming West. De voorzitter: Nou, hartelijk welkom. Mevrouw Van de Laar: Dank u. De voorzitter: Het is dat ik u niet heb aangemeld. Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Ik ben er. De voorzitter: Hey. Mijnheer Bosman. De heer Bosman: Ja, goedenavond, voorzitter en alle anderen. Ik ben aanwezig.
De voorzitter: Mijnheer De Boer van Beter Voor Dordt. De heer De Boer: Goedenavond, voorzitter.
De voorzitter: Mevrouw Van Eck. Mevrouw Van Eck: Present. De voorzitter: Mijnheer Burakçin. De heer Burakçin: Ja, aanwezig, voorzitter. De voorzitter: Mevrouw Van Poppel is ook aanwezig. Mevrouw Van Poppel: Ja, ik ben er ook. De voorzitter: Mevrouw Rutten. Mevrouw Rutten-Alberts: Ja, aanwezig, voorzitter. De voorzitter: Mijnheer Oosterhof, ambtelijke ondersteuning. De heer Oosterhof: Ja, goedenavond. De voorzitter: Goedenavond, mijnheer Oosterhof. Mevrouw Van den Heuvel. Arine? Mevrouw Van der Ham: Ja, voorzitter, aanwezig. De voorzitter: Hi. Sorry, ik deed het weer verkeerd. Mijnheer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Ja, aanwezig, voorzitter. Dat gaat gelukkig wel goed. De voorzitter: Ja, de achternaam staat er niet bij. Mevrouw Nijhof. Mevrouw Nijhof: Present. De voorzitter: Mijnheer Tiebosch. De heer Tiebosch: Present, voorzitter. De voorzitter: Mevrouw Striebeck. Mevrouw Striebeck: Aanwezig, voorzitter, goedenavond. De voorzitter: Mijnheer Boersma. De heer Boersma: Ja, goedenavond, voorzitter. Ik ben er ook. De voorzitter: Mijnheer Kwaak. De heer Kwaak: Goedenavond, voorzitter, ik ben er ook. De voorzitter: Mevrouw Stevens. Mevrouw Stevens: Goedenavond, voorzitter, ik ben er ook.
De voorzitter: En tot slot, mijnheer Van der Linden. De heer Van der Linden: Ja, goedenavond, ik ben aanwezig. De voorzitter: Goed. Dank voor iedereen zijn aanwezigheidsmelding. We hebben een afmelding van Gewoon Dordt en er zijn enkele mededelingen te doen. Bij de beantwoording van de technische … Er zijn technische vragen gesteld door het CDA met betrekking tot het vaststellen van de beleidsnotitie ontmoetingsplekken. En voor de goede orde ga ik ervan uit dat wij de beantwoording van die vragen zoals gebruikelijk met zijn allen kunnen delen, dus naar de volledige commissie kan worden doorgestuurd. En nou heb ik de chat natuurlijk niet bij de hand. Ik neem aan dat dat kan als ik geen reactie hoor. Tweede mededeling is dat de Sportraad een verzoek heeft ingediend om een gesprek aan te gaan met de commissie Sociaal, met ons dus. Aanleiding hiervoor is dat de Sportraad met de commissie van gedachten wil wisselen over een aantal actuele dossiers. Eerste vraag is, willen we daarin bewilligen? En de tweede vraag is, of we het dan nog kunnen doen voor de Kadernota? En ik zie niets in de chat verschijnen, dus dan ga ik ervan uit dat we daarin willen bewilligen? Mijnheer De Boer. De heer De Boer: Even een dubbel check of mijn chat het doet. Dank u wel, voorzitter. Ja, wij zijn inderdaad ook voorstander ervan dus, en hopelijk ook voor de Kadernota. Dank u wel.
De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Tiebosch. De heer Tiebosch: Voorzitter, volgens mij is de Sportraad echt een adviesorgaan van het college. Dus wat mij betreft hoef ik dan niet met de Sportraad te praten, maar zou ik wel graag op papier willen hebben waar zij het college hebben geadviseerd, en waar het college anders beslist. De voorzitter: Oké, dat is ook een benadering inderdaad. Ik weet niet of ze daarin kunnen voorzien, dat kan ik voor hun niet beantwoorden. De heer Boersma vindt het prima dat ze komen. Het is nu een beetje 50/50, tenminste, in de chat is het 2-1, maar graag nog even wat duidelijkheid. Prima. Dan neem ik aan, de komst van de Sportraad, dat zijn nu drie partijen voor, vier partijen voor, vijf. Ja, nu gaat het goed. Volgens mij zijn dat voldoende partijen, tenminste er is een grote meerderheid voor een ontmoeting met de Sportraad om eens met hen van gedachten te wisselen over een aantal dossiers. Waarbij de vraag van de heer Tiebosch, die uitermate interessant is, wel vooraf zal worden doorgegeven aan de Sportraad zodat zij zich daar ook op kunnen voorbereiden. Dat voor wat betreft de mededelingen. Dan gaan we over naar het vaststellen van de agenda. Zoals u weet sluiten we de vergadering om elf uur, en ik zal proberen de vergadertijd zo goed mogelijk te bewaken.
Wij hebben tot tien uur de tijd om met de gecertificeerde instellingen van gedachten te wisselen, en daarna gaan wij over naar de tweede termijn van de motie breed, sport op de Krommedijk. En daar tussendoor zullen we wel een korte pauze houden. Ik neem aan dat de commissie hiermee kan instemmen? Mevrouw Stevens heeft de rem ge… Ik denk dat dat prima moet zijn. Ik zie geen verdere opmerkingen of wijzigingsvoorstellen.
2. Vaststellen besluitenlijst Commissie Sociale Leefomgeving 13 april 2021 De voorzitter: Dan ga ik door naar het vaststellen van de besluitenlijst van de commissie Sociale Leefomgeving van 13 april, er zijn geen wijzigingen ingediend dus ik neem aan dat het ongewijzigd kan worden vastgesteld. 3. Vragen aan het College De voorzitter: Bij agendapunt 3, vragen aan het college, zijn er geen vragen binnengekomen, dus ook dat is daarmee afgehandeld. Stukken ter bespreking 4. Themabespreking Gecertificeerde Instellingen Jeugdbescherming en reclassering De voorzitter: En kunnen wij gaan starten met de themabijeenkomst gecertificeerde instellingen jeugdbescherming en reclassering. De commissie heeft in oktober 2020 besloten naar aanleiding van de raadsinformatiebrief Service Organisatie Jeugd over proces Jeugdbescherming West, vragen gesteld over de werking van de gecertificeerde instellingen, het dwangkader, de wettelijke bevoegdheden van de instellingen en dergelijke. Daarnaast vroeg een aantal fracties zich ook af wat de rol, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de gemeenteraad op dit thema zijn. Op verzoek hiervan is er een notitie voorbereid met deze achtergrondinformatie.
De commissie heeft aangegeven graag in gesprek te gaan met de professionals, over de samenwerking tussen organisaties en de keten van de jeugdbescherming, dus van toegang tot plaatsing, bewaking van de voortgang en de evaluatie. Ook zijn er ontwikkelingen waardoor de taakopvatting verandert waarover we graag met elkaar in gesprek gaan. Aan het eind van deze bijeenkomst zouden we graag knelpunten en verbeterpunten willen kunnen vaststellen, zodat we dit als vertrekpunt kunnen nemen voor de toekomstige ontwikkelingen. In de voorbereiding is aangegeven dat het voor de commissie helpend kan zijn om een voorbeeld van een pad dat een kind heeft bewandeld te schetsen, en zo te kunnen volgen hoe dit specifieke onderdeel van de jeugdhulpketen in de praktijk werkt. En wij hadden daarbij bedacht dat mevrouw, en ik moet even spieken, mevrouw Nienhuis van Jeugdbescherming West, daar wellicht een beeld van zou kunnen geven? Naar aanleiding daarvan is het de bedoeling dat we het gesprek starten. En bij het gesprek is mijn rol als voorzitter zeer terughoudend want ook als ik thuis in gesprek ben, zit er niet iemand aan het hoofd van de tafel die voortdurend zegt van, u moet via de voorzitter spreken. Dus ik laat de dialoog die gaat plaatsvinden tussen de leden, laat ik in die zin vrij gemakkelijk lopen, totdat het of een kakofonie van geluid wordt, dan grijp ik in.
Of totdat er allerlei herhalingen gaan plaatsvinden die tot niets leiden, dan vind ik het ook een moment waarop je kan zeggen van, nou, hier hebben we nu genoeg over gehad, laten we doorgaan. Maar voor de rest zou ik de commissie de vrije hand willen geven. En naarmate dat meer gedisciplineerd gebeurt, dus laat elkaar uitpraten, geef even aan in de chat of met een handje wanneer u het woord wil, dan laat ik dat gesprek zo open mogelijk plaatsvinden. Kan iedereen daarmee leven? Het is een soort van experiment maar de heer Van Dam Timmers is het ermee eens. Nou, dan gaan wij nu starten. En dan wil ik mevrouw, moet ik weer spieken, Nienhuis, wil ik vragen om de klantreis van een kind, die in dit soort omstandigheden terechtkomt, eens voor ons te
schetsen. En als zij op de hoogte is van de nieuwe ontwikkelingen, zou het misschien aardig zijn wanneer ze die ook meeneemt en aangeeft waar de grootste veranderingen zitten in de nabije toekomst. Mevrouw Nienhuis. Mevrouw Nienhuis: De laatste zin, het laatste stukje tekst van u heb ik helaas niet verstaan. De voorzitter: O, dan herhaal ik het. Mevrouw Nienhuis: Mijn geluid viel even weg. Dus ik denk, ik moet iets gaan doen maar ik weet dus niet wat u van mij precies verwacht. De voorzitter: Ik verwacht, ik hoop dat u ons kan schetsen wat de reis is van een kind wanneer het onverhoopt in de problemen komt, dan wel zijn ouders in de problemen komen, en het uiteindelijk in een gecertificeerde instelling terechtkomt met alle voor- en nadelen van dien. Mevrouw Nienhuis: Ja. De voorzitter: Daarnaast is het ons bekend dat er bij de Tweede Kamer op dit moment voorstellen zijn om dat geheel te veranderen. En wellicht dat u ons al enigszins kan meenemen in die veranderingen voor de nabije toekomst? Mevrouw Nienhuis: Oké. Ja, dat … Nou, wij vinden het allereerst hartstikke leuk dat wij vanavond zijn uitgenodigd bij deze commissievergadering. En dat zeg ik namens mijn collega’s van het Leger en de William Schrikker. Mevrouw Nienhuis gaat geen uitgebreid verhaal vertellen want daarvoor heb ik natuurlijk ook mensen meegenomen, die dat wel doen.
Wij willen jullie wel meenemen aan de hand van een soort van klantreis in van, hoe komt een gezin, een kind nu bij ons binnen, welke partijen betrekken we dan en hoe acteren we daar met elkaar in? Voor de drie GI’s staat veiligheid centraal, dus daarin zijn ook niet echt verschillen. We willen ook focussen op dat wat we gemeenschappelijk hebben. De doelgroepen zijn wellicht iets anders maar waar we met elkaar mee aan het werk moeten, dat draait om veiligheid. Ik weet niet of Denise in de voorbereiding al de praatplaat heeft kunnen uitdelen aan iedereen? De voorzitter: De praatplaat is niet aan iedereen uitgedeeld, maar is wel toegevoegd aan de stukken voor deze avond. Dus als mensen die plaat willen zien, dan kunnen ze hem zelf aanklikken in de bijlages van deze vergadering. Mevrouw Nienhuis: Ja, dat is wellicht wel handig omdat dat een beeld geeft van de casus en langs welke route die lopen. En Lieke Van de Laar van Jeugdbescherming West en Linda Melaet van de William Schrikker gaan u meenemen in een soort van klantreis en dat koppelen we meteen ook aan een casus. Dus meiden, zet hem op. Mevrouw Van de Laar: Yes, dank je wel, Christel. Mijn naam is dus Lieke Van de Laar, ik ben gedragswetenschapper bij Jeugdbescherming West. Nou, de praatplaat is met name ontwikkeld om voor ouders, maar ook voor kinderen inzichtelijk te maken, nou ja, hoe het hulpverleningstraject eruitziet.
We beginnen linksbovenaan, daar staat, het gaat niet goed thuis, jij of iemand anders maakt zich zorgen. Dat kan zowel school zijn, een
huisarts, familieleden, vriendjes van het kind. En die kunnen of een melding doen volgens de meldcode bij Veilig Thuis, en ouders kunnen zich daarop vervolgens aanmelden bij het Sociaal Wijkteam voor hulp en ondersteuning. Linda, ik laat het jou even illustreren met een voorbeeld. Mevrouw Melaet: Ja, is goed. Dank je wel, Lieke. Ja, nou ja, je moet je voorstellen dat dus een jeugdige, die komt bij de schoolmaatschappelijk werker, en die zegt van, nou ja, thuis is er sprake van huiselijk geweld. Mijn ouders, ja, die hebben vaak ruzie en er is fysiek contact. Er gebeurt iets op het scherm maar ik weet niet of dat de bedoeling is? Mag ik verdergaan? De voorzitter: Ja, dat is inderdaad wel de bedoeling. We proberen de plaat waar jullie het over hebben, in het scherm te krijgen want de website schijnt er weer eens eruit te liggen. Dus … Mevrouw Nienhuis: O, dat kan ik regelen. Eén moment, ik heb hem klaarstaan. Mevrouw Melaet: Top, Christel. De voorzitter: Dank je wel. Mevrouw Melaet: Dank je wel. De voorzitter: Nou. Mevrouw Melaet: Ja. Nee, de jeugd die heeft dus aangegeven dat er sprake is van huiselijk geweld, dat heeft ze bij de schoolmaatschappelijk werker aangegeven en de schoolmaatschappelijk werker, die handelt volgens de meldcode, en die meldt deze melding bij Veilig Thuis. School gaat vervolgens in gesprek met de ouders en de jeugdige over deze melding.
En school geeft daarbij aan dat zij een melding hebben gedaan bij Veilig Thuis. En zullen verzoeken aan ouders, ja, om zich aan te melden bij het Jeugdteam/ Sociaal Wijkteam. En vanuit daar gaat dan de praatplaat weer verder. Mevrouw Van de Laar: Ja, dan neem ik hem weer over. Vervolgens gaat het Jeugdteam met het gezin en met dus het hele gezin en met het kind aan de slag. Er wordt gekeken welke hulpverlening er ingezet kan worden, aan welke doelen er gewerkt moet worden om, nou ja, zo het gezin verder te helpen. Mevrouw Melaet: Ja. Mevrouw Van de Laar: Ja, neem jij maar weer over, Linda. Mevrouw Melaet: Veilig Thuis, die start dan haar onderzoek. Die komt dan in contact met alle betrokkenen, onder andere de ouders en de jeugdige. Nou ja, die komen er al snel achter, het Jeugdteam is ingeschakeld door ouders, dus Veilig Thuis is dan, heeft een … Nou ja, die staat wat op de achtergrond, heeft dus minder contact met de betrokkene. Maar daar komt de jeugdprofessional om de hoek kijken. Ja, die gaat samen met het gezin onderzoeken wat eigenlijk de hulpvraag van de jeugdige en ouders en school is. Ze gaan dan gezamenlijk een plan maken en gaan daar passende ondersteuning op bieden.
En dat is voornamelijk gericht op het wegnemen van de onveiligheid binnen het gezin, en het versterken van de krachten om meer veiligheid te creëren voor de jeugdige. Nou ja, en dan, Lieke, dan ben jij weer. Mevrouw Van de Laar: Nou ja, stel dat dat nou onvoldoende van de grond komt, ze merken dat het huiselijk geweld, ondanks dat er hulpverlening in zit, gewoon door blijft gaan, of dat ouders uiteindelijk onvoldoende meewerken aan de ingezette hulpverlening. Dan kan het Jeugdteam een beroep doen op ‘Veilig opgroeien is teamwork’, waarin er iemand van de GI aansluit bij het Jeugdteam, om samen met de jeugdprofessional vanuit het Jeugdteam, met medeweten van ouders, dus dat wordt altijd gedeeld, op huisbezoek te gaan en om een veiligheidsplan op te stellen. En daarin kan het Jeugdteam dus echt een beroep doen op ons, omdat wij vanuit onze rol als gecertificeerde instelling echt onze expertise hebben op veiligheid van kinderen. En, nou ja, dat ook wel voor ouders een signaal is van, het is menens en er moet echt wat veranderen want we maken ons grote zorgen over jullie kinderen. Mevrouw Melaet: Ja, en daarbij is het verschil, zeg maar sinds 15 juni 2020, dat niet de GI de casusregie heeft, maar dat tijdens dit proces nog altijd het Jeugdteam/de jeugdprofessional de casusregie heeft. Dus de jeugdprofessional vliegt de GI in voor expertise en consultatie.
En dan inderdaad met medeweten van ouders, dus zij zullen ook in sommige gevallen het contact met de ouder en/of de jeugdige hebben, om in gesprek te gaan rondom het veiligheidsplan. Constant staat de veiligheid daarin van de jeugdige centraal, om de veiligheid te doen vergroten en de onveiligheid te doen afnemen. Nou ja, op een gegeven moment kan het zo zijn dat ook de inzet van de gecertificeerde instelling, binnen het ‘Veilig opgroeien is teamwork’, dat dat ook niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, ondanks de inzet en betrokkenheid van zowel de jeugdprofessionals, de GI. Dan kan de jeugdprofessional ervoor kiezen om een beschermd gesprek aan te gaan vragen bij de Raad. Dit doen zij in overleg met de GI en met ouders. En dan samen zullen zij het gesprek aangaan in die driehoeksverhouding met de Raad voor de Kinderbescherming. En dan ben jij weer, Lieke. Mevrouw Van de Laar: Ja. Vervolgens komt daaruit dat de zorgen toch wel groot zijn en dat de veiligheid van de kinderen in het gedrang is, dan gaat de Raad voor de Kinderbescherming, gaat een beschermingsonderzoek uitvoeren. Dat neemt ongeveer drie maanden in beslag. Zij hebben contacten met zowel de scholen, als met ouders, vaak al hulpverleners die al bekend zijn, de wijkagent, ook de jeugdprofessional en ook de GI als die in een eerder stadium betrokken is.
En zij brengen zeg maar, nou ja, de situatie in kaart en gaan met elkaar, of de Raad werkt multidisciplinair en zij gaan vervolgens met elkaar in overleg of zij wel of geen OTS gaan verzoeken bij de kinderrechter. Als zij een verzoek gaan indienen bij de kinderrechter voor een ondertoezichtstelling, dan hangt daar soms ook een machtiging uithuisplaatsing aan vast, dan wordt iedereen door de rechtbank uitgenodigd ter zitting. Hierin worden in ieder geval de ouders met gezag uitgenodigd. Als een kind ouder is dan 12, wordt het kind uitgenodigd voor een apart kindgesprek met de kinderrechter. En daarin ter zitting schuift ook iemand van de GI aan, dus of vanuit Jeugdbescherming West of vanuit het Leger of de WSG, afhankelijk van de doelgroep. En we streven er dan ook naar om degene die ter zitting aansluit, dat dat ook de jeugdbeschermer gaat worden. Dat is niet altijd haalbaar maar dat is wel ons streven. Zal ik hem weer terug doen naar jou, Linda?
Mevrouw Melaet: Prima. Nou ja, als de OTS daadwerkelijk is uitgesproken, dan neemt eigenlijk de GI het stokje van casusregie over van de jeugdprofessional. Dat wil zeggen dat de jeugdprofessional de casus bij hun afsluit, en dat de verantwoordelijkheid voor inzet van hulp en de financiering rondom de hulp bij de GI komt te liggen. In eerste instantie heeft de GI dan binnen vijf werkdagen een aanvangsgesprek met de ouders en de jeugdige, waarin zij de toelichting, wat is nou een ondertoezichtstelling, wat komt erbij kijken en wat kunnen we van elkaar verwachten? Maar ook, wat staat er in het Raadsonderzoek, en aan welke doelen moeten we gaan werken? Nou ja, de G1 maakt dan binnen zes weken een plan van aanpak. Deze informatie komt dan vanuit ouders, de jeugdige, de jeugdprofessional, vanuit de raad en de beschikking van de kinderrechter. En dat plan wordt gezamenlijk besproken, en er worden daar samen afspraken over gemaakt. Vervolgens gaat de GI kijken, wat is de passende organisatie, welke organisatie heeft hier het meest expertise in en de kunde, om in dit geval het huiselijk geweld te doen afnemen en de veiligheid te vergroten. Nou ja, de GI, ouders en de hulpverlening, die hebben op structurele basis gesprekken met elkaar, tussenevaluatiemomenten, dat is ongeveer tussen de één keer in de zes a acht weken.
Nou ja, en de GI is dan verantwoordelijk om de hulpverlening te volgen, is deze nog passend, kijkend naar de doelen, hoe ervaren de ouders en de jeugdige de hulpverlening? En de GI heeft dan ook contact bijvoorbeeld met de school, zijn er nieuwe signalen, zien zij gedragsverandering, heeft de jeugdige nog iets aangegeven of niet? Maar ook met het oog op partijen zoals de wijkagent, de buurvrouw, daarin brengt de GI ook het netwerk van de jeugdige in kaart. Kijken van, wat is het netwerk, wat betekenen ze nu? En is er misschien binnen dat netwerk, zijn er mogelijkheden om die te vergroten of te versterken, zodat de veiligheid toeneemt binnen de thuis- en opvoedsituatie. Mevrouw Van de Laar: En in een aantal gevallen, zoals ik net al noemde, is er ook een machtiging uithuisplaatsing nodig, en dan belanden we rechtsonderin de hoek. En waar Linda het net over had, die zit daar rechtsboven, de jeugdbescherming thuis. Als er een machtiging uithuisplaatsing is, dan is het kind geplaatst of binnen het netwerk, of binnen een pleeggezin vanuit een organisatie, of is een kind geplaatst op een leefgroepen of op een zelfstandig kamertrainingscentrum, en gezinshuizen hebben we inmiddels steeds meer, waar we ook gebruik van kunnen maken, en de gesloten jeugdzorg.
Mevrouw Melaet: Ja, nou, en tussentijds kan het zo zijn dat wij als GI ook vastlopen in een casus, omdat bijvoorbeeld de ingezette hulp niet toereikend is, en dat we binnen het zorglandschap niet zien welke mogelijkheden er nog meer zijn. Dan is er een mogelijkheid dat de GI de jeugdige, met toestemming van de ouder, de jeugdige aanmeldt bij de Expertisetafel. Vanuit die Expertisetafel volgt er dan een advies, en dit advies bespreekt de GI dan met de ouders en de jeugdige, en hoopt zo wel verdere stappen te kunnen nemen. Ja, de andere mogelijkheid die er nu bestaat is de doorbraakaanpak, daarbij krijg je vanuit de doorbraakaanpak, krijgt de jeugdzorgwerker een medewerker vanuit de doorbraakaanpak toegewezen die de meeste expertise heeft van het probleem wat je op tafel hebt gelegd. En die gaat samen met je op zoek naar de oplossing en, nou ja, laat ook niet los voordat het is opgelost. Nou, na een maand of negen moet de GI besluiten, als we het hebben over een jaar ondertoezichtstelling, na een maand of negen moet dan de GI besluiten om de OTS wel of niet te verlengen. Daarbij gaat dat in een multidisciplinair overleg, dat doet de jeugdzorgwerker niet alleen, daar is ook de gedragswetenschapper bij betrokken, maar ook bijvoorbeeld de
gedragswetenschapper van de ingezette hulpverlening. Er wordt gekeken of dat er doelen zijn behaald. Of dat de overgang naar het vrijwillig kader, of dat dat, nou ja, voldoende toereikend gaat zijn, of dat er ook vertrouwen is in de vrijwillige hulpverlening. En ja, in dit geval of dat het huiselijk geweld echt is afgenomen en dat veiligheid is vergroot. Ja, want als dat gebeurt, de afschaling, dan zal altijd weer het Jeugdteam, de jeugdprofessional weer betrokken worden bij deze afschaling. En zo heb je eigenlijk, bij de voorkant loopt de GI mee in het vrijwilligersstuk nog, richting mogelijke maatregelen. Maar als er een maatregel is, dan wordt het ook afgeschaald weer naar het Jeugdteam zodat die de laatste, nou ja, drie maanden om en nabij betrokken gaat zijn bij de afschaling van de maatregel. Mevrouw Van de Laar: Waarbij wij ook niet zomaar een casus af kunnen sluiten, dat moet ook altijd met een medeweten van de Raad, dus die moeten we dan ook altijd weer inlichten en hen hiervan op de hoogte stellen. Mevrouw Melaet: Ja, en dan uiteindelijk is dus de jeugdprofessional betrokken bij het gezin, die heeft dan weer de casusregie, die is dan weer verantwoordelijk voor de hulpverlening te volgen. Rondom financiën eventueel, om die hulpverlening te financieren, maar ook bijvoorbeeld het contact met de school waar in eerste instantie de melding vandaan kwam.
Dat was even de weg van de klantenreis. De voorzitter: Fijn, dank je wel, ik vond het een heel heldere uiteenzetting welke stappen er worden gevolgd voor zowel heen als gelukkig ook terug. Maar ik kan me zomaar voorstellen dat er bij de commissie op dit punt een aantal vragen zijn, voor verheldering, verduidelijking maar ook wellicht andersoortige vragen. Wie kan ik daarvan … Wie start het gesprek? Wie wil het gesprek starten? Mijnheer Kwaak, ga je gang. De heer Kwaak: Dank u wel, voor de toelichting. Het was voor mij heel duidelijk. Wat ik niet snapte was van de Expertisetafel, wat bedoel je daar precies mee? Mevrouw Van de Laar: Ja, zal ik die beantwoorden? Ik zit ook bij de Expertisetafel vanuit de GI, dus de Expertisetafel kan worden ingezet bij een complexe casuïstiek, als er meerdere problematieken zijn, waarin er ook niet één zorgaanbieder is die zeg maar aan de doelen kan werken maar waarin er ook een samenwerking gezocht moet worden. Waarin ook echt wel af en toe buiten de lijnen gedacht moet worden en creatief gedacht moet worden, dat is bijvoorbeeld bij een jongere waarin, nou, bijvoorbeeld zowel autisme speelt als een LVB-problematiek.
Waarin we eigenlijk zeggen, nou, Auriga, dat zou qua IQ het best passend zijn maar zou bijvoorbeeld op het gebied van dat autisme te weinig in huis hebben om dan, nou ja, ook met elkaar te kunnen kijken, nou ja, hoe we hier wel een passend zorgaanbod kunnen maken. Er zitten … Wij nemen dus deel aan de Expertisetafel, zowel de GI’s als de Jeugdteams kunnen daar een casus inbrengen. En wij komen één keer in de twee weken samen. En de zorgaanbieders, dus zowel Timon als Horizon, Enver, even kijken, wie zitten daar nog meer, Boba, Auriga, ASVZ, maken daar allemaal onderdeel van uit. Dus echt ook vanuit hun eigen expertise van, goh, hoe kijkt iedereen nou tegen die casus aan? En wat zou dit gezin, en specifiek dit kind nou het beste kunnen helpen? Ja. De heer Kwaak: O, oké. Ik snap hem, dank je.
De voorzitter: Mijnheer Boersma. Als je je microfoon aanzet, Jan-Willem, dan gaat het een stuk makkelijker. De heer Boersma: Ik dacht dat ik, excuus, ik dacht dat ik hem ingedrukt had maar nogmaals, dank dan voor de presentatie en het duidelijke verhaal. Ik heb nog een vraag over het rechterblokje zeg maar, de jeugdbescherming bij jou thuis. Dat werd daarnet even genoemd, dat kunnen verschillende soorten maatregelen of beschermingen zijn. Kunnen jullie iets aangeven over de verhouding in aantal, of percentages tussen die verschillende onderdelen zeg maar, dus even globaal, hoeveel jongeren zitten er nou in een pleeggezin, hoeveel jongeren zitten er in een gesloten setting, hoeveel in een gezinshuis? En de tweede vraag is, zie je daar nou het afgelopen jaar ook een ontwikkeling in zeg maar, dat, nou ja, dat gesloten jeugdzorg minder of meer wordt of dat je ziet dat er juist meer of minder mensen in pleeggezinnen terechtkomen? Mevrouw Van de Laar: Ja, zal ik deze ook op me nemen? Vul zeker aan hoor. Wij streven ernaar om kinderen zoveel mogelijk binnen het eigen netwerk of binnen een pleeggezin te plaatsen. Dat zijn we ook vanuit de richtlijnen jeugdhulp, ja, is dat wel echt het streven. Maar dat is wel afhankelijk ook van de kindfactoren, wat een kind laat zien, dus dat is niet altijd haalbaar.
Dan de volgende fase is dan dat we een gezinshuis prefereren, ook dat is niet voor alle kinderen haalbaar en dan is de volgende stap een leefgroep. En als de veiligheid dusdanig in het gedrang is, of de veiligheid van het kind zelf of de maatschappij, dan komen we uit bij gesloten jeugdzorg. De tendens die in ieder geval die ik zie is dat het aantal gezinshuize in ieder geval toegenomen is afgelopen jaren, omdat we ook wel zien dat de kinderen die bij ons in de zorg zijn, daar is vaak sprake van hechtingsproblematiek. En we weten dat dat ingewikkeld is voor deze kinderen om hen binnen een pleeggezin te plaatsen. Dat doet vaak een heel groot appel op de loyaliteit en ook op de relaties die ze aangaan. En een gezinshuis, ja, kan daar vaak beter bij aansluiten bij deze problematiek. Mevrouw Eskes: Ja, als ik misschien iets mag aanvullen, als je het hebt over de verhoudingen, bij ons denk ik, bij het Leger des Heils, maar dat kan per organisatie wel wat wisselen, is ongeveer een derde van de kinderen in een ondertoezichtstelling, wordt uit huis geplaatst. Dat wisselt ook wel een beetje, als je over de afgelopen jaren kijkt, hebben we elkaar ook in het nieuwe systeem wel een beetje moeten vinden. Dus is het ook een tijdje, heb je gezien dat de zaken wat meer in crisis bij ons terechtkwamen omdat ze bijvoorbeeld wat lang in voorveld of in vrijwillige hulpverlening bleven hangen.
En soms zie je dat ook weer wat terugveren. En ik denk dat je de tendens die je ziet, is steeds zoveel thuis als mogelijk. Dus ook dan steeds meer kijken naar creatieve vormen van hulp, op andere momenten van de dag bijvoorbeeld, om te kijken van, welke ondersteuning kun je hier inzetten om het kind zoveel als mogelijk thuis op te laten groeien, of zo snel mogelijk weer na een uithuisplaatsing weer helder te krijgen of een kind ook weer terug kan naar huis. Omdat uiteindelijk denk ik, zo staan we er allemaal in, het voor een kind belangrijk is om zo snel mogelijk te weten, waar groei ik op. Omdat dat, ja, dan kom je ook pas weer aan je eigen ontwikkeling toe. Dus ik denk dat dat, dat je ziet dat die termijnen waarin je de helderheid wil hebben over waar een kind kan opgroeien, dat die ook in afgelopen jaren aanzienlijk verkort zijn, om vooral een kind ook snel helderheid en duidelijkheid te geven. De voorzitter: Oké.
De heer Boersma: Ja, bedankt, tot zover. De voorzitter: Mijnheer Tiebosch. De heer Tiebosch: Ja, nog maar even over die Expertisetafel, ik vroeg me af, worden daarna ook evaluaties gedaan? Als je op een gegeven moment met elkaar een bepaalde expertise hebt ingezet, waarmee je dan een bepaald traject voor het kind wordt ingezet, in hoeverre ben je dan ook als expertiseteam bij elkaar om met elkaar te kijken of je toen de juiste besluiten hebt genomen en wat het opgeleverd heeft? En wat leer je daar dan weer verder mee voor volgende kinderen die gaan komen? Mevrouw Van de Laar: Ja, dat is een hele mooie vraag, waar wij ook als Expertisetafel heel erg mee bezig zijn om inderdaad, de zorgbemiddeling houdt ook vinger aan de pols. Weet je, het is een advies wat door de Expertisetafel wordt gegeven, maar dat wil niet zeggen dat er ook direct plek is. Dus dat coördineert ook zorgbemiddeling. Maar inderdaad, ook voor daarna zijn we bezig om inderdaad de evaluaties ook rond te krijgen, zodat ook we weten hoe het afgesloten is, hoe succesvol het is geweest. En ja, om daar inderdaad ook wel lering uit te trekken voor de toekomst. De voorzitter: Mevrouw Stevens zag ik zich aanmelden voor vragen. Mevrouw Stevens: Ja, dank u wel. Ik hoorde net dat er bij de Expertisetafels behoorlijk wat samenwerking is, met de ketenpartners, om het zo te noemen.
En mijn vraag is van, in hoeverre is ook die samenwerking met de jeugd-GGZ? Mevrouw Nienhuis: Ja. Lieke. Mevrouw Van de Laar: Nou, er is zeker samenwerking, Yulius neemt ook deel aan de Expertisetafel, die was ik net nog vergeten. Er is zeker samenwerking met de jeugd-GGZ, hoewel we ook wel op een aantal vlakken merken dat er hiaten vallen, met name binnen onze doelgroep waarin gedragsproblematiek en psychiatrie bij kinderen, nou ja, veelvoorkomend is. En waarin we ook een stukje zorgaanbod wel missen. Dus dat is … Dat maken we ook wel steeds kenbaar en, nou ja, er is zeker samenwerking maar daar valt ook echt nog wel een slag in te slaan. Ja. Mevrouw Stevens: En voorzitter, als ik nog één vraag terug mag doen, dank denk ik, u geeft aan van, nou, daar is nog een slag in te gaan, betekent dat ook dat, ja, daar gesprekken over gaande zijn? Want ik denk dat dat toch wel een belangrijke partner is, en zeg maar zeker als je het hebt over preventief werken? Mevrouw Nienhuis: Ja. Mevrouw Van de Laar: Zeker, ja. En met name ook wat we zien bij de doelgroep die ook 18+ wordt, die ook vanuit de geslotenheid komt, dat we dan ook merken, wij moeten gewoon echt stoppen als een kind 18 jaar wordt. En dan merken we dat er, ja, vaak geen passende vervolgplek is, of daar ellenlange wachttijden voor zijn. Dat is ook inmiddels, echt maken we dat bekend bij zorgbemiddeling en bij de SOJ.
En ook met behulp van die doorbraakaanpak, ja, proberen we daarin echt wel een noodkreet te doen. Onlangs heb
ik ook nog contact gehad met een kinderombudsman, om dit ook voor een jeugdige van ons kenbaar te maken. Mevrouw Stevens: Ja. Oké, dank je wel. Mevrouw Nienhuis: Misschien mag daarop aanvullen nog, Inge, want we zijn ook samen met de SOJ en het OZJ ook bezig met de GI’s om te kijken naar de, in verband met de doorbraakaanpak, om te kijken van de casuïstiek, wat zijn de leerpunten, wat kunnen we eruit halen. Leerpunten voor de GI’s, maar ook leerpunten, aandachtspunten voor de inrichting van het zorglandschap in Zuid-Holland Zuid. En op het stuk van jeugd en GGZ, ja, daar missen we echt wel iets. En dat zijn ook dingen, die komen op tafel en daar kan dan ook gericht mee verder aan de slag. Dus dat is wel iets wat erg veel aandacht heeft en ook krijgt. Mevrouw Stevens: Ja, super. Mevrouw Nienhuis: Ja, moet ook krijgen, ja. Mevrouw Stevens: Oké, dank je wel. De voorzitter: Mag ik daar een vervolgvraag over stellen? Een beetje raar als voorzitter, ik zie dat de heer Burakçin ook een vraag heeft, maar ik wou toch maar even voordringen. Vandaag of gisteren of vandaag stonden er alarmerende berichten in de krant, met name ook van de kinderombudsman, maar die ze gebundeld heeft met een zestal andere autoriteiten die de alarmklok luidde over de jeugd-GGZ, waar het volledig vast dreigt te lopen.
Hoe kijken jullie daar tegenaan? Hoe is jullie ervaring daarmee? Mevrouw Eskes: Ja, herkenbaar denk ik want kijk, het knelt gewoon heel erg in de jeugdGGZ. En dat heeft natuurlijk heel veel verschillende oorzaken, dat kan deels met de inkoop te maken hebben, maar dat zie je ook wel dat het met capaciteit te maken heeft, voldoende personeel om zaken te behartigen. Maar wat het vervelende daarin is, ook vanuit onze rol, is dat als je acute problematiek hebt in een gezin, dan wil je dat een kind het liefst zo snel mogelijk aan behandeling toekomt. En op het moment dat daar aanzienlijke wachtlijsten zijn, soms zes maanden tot een jaar, dan verergerd de problematiek in een gezin, wat toch al kwetsbaar is, ook wel kwetsbaar ouderschap met zich meebrengt. En dan zie je dat dat soms risicofactor op risicofactor met zich meebrengt. Dus soms zie je dat de tijdigheid of de niet-tijdigheid van de in te zetten zorg, dat dat ook leidt tot escalaties, dus tot een eerdere uithuisplaatsing als ouders de problematiek niet aankunnen, of … Dus ik denk dat binnen de hele zorgsector en binnen de jeugdzorg, het best ingewikkeld is om voldoende capaciteit beschikbaar te hebben, dus dat gaat ook om mensen aan te kunnen nemen, ook voldoende zorgaanbod. En dat dat ook wel weer nieuwe problemen creëert.
Ik denk dat dat uiteindelijk, ja, dat niemand daarbij gebaat is en dat iedereen het liefst zo snel mogelijk problemen die zich voordoen ook adequaat behandeld zou zien. En natuurlijk gaan wij ook wel in gesprek om te kijken naar overbruggingszorg. Dus je probeert wel tijdelijk iets in te zetten om te ondersteunen, maar vaak is dat niet adequaat genoeg om dat ook langere tijd vol te kunnen houden. Dus ja, zeker, ik denk dat alle GI’s er tegenaan lopen dat je regelmatig toch wel in je maag zit met een kindje wat ernstig dringend zorg nodig heeft, en ook meer zorg dan op dat moment beschikbaar is.
De voorzitter: Ja, nou, die autoriteiten die gaven aan dat naast wellicht wat jij schetst, de kinderen die zorg nodig hebben, die vallen tussen wal en schip. Als een van de oorzaken gaven zij aan dat de instellingen liever lichte gevallen hebben, omdat die in een resultaatgerichte markt meer opleveren. Ja, ik zeg het maar zo plat als het is, meer geld opleveren als de moeilijke gevallen waarbij de resultaten maar twijfelachtig kunnen behaald worden. Oftewel, het resultaatgericht werken is feitelijk een perverse prikkel die we er zelf hebben ingebracht. Hoe kijken jullie daar tegenaan? Mevrouw Eskes: Het is voor ons natuurlijk best wel lastig te beoordelen. Kijk, natuurlijk is die perverse prikkel er, op het moment dat je beperkte capaciteit hebt en je kunt makkelijker zorg verlenen aan eenvoudige gevallen, dan zou dat een prikkel kunnen zijn. Tegelijkertijd zien wij natuurlijk ook maar een beperkt deel van de aanmeldingen bij de GGZ, dus je hebt natuurlijk vrijwillig kader, melden ouders zichzelf aan. En dus voor ons is dat niet altijd inzichtelijk om te zeggen van, nou, ze pakken de makkelijke gevallen wel en de gevallen die wij aanmelden met zwaardere problemen, die pakken ze niet. Ik denk niet dat dat het geval is.
Ik denk dat uiteindelijk er vaak echt wel ook wel triage plaatsvindt, dat er ook wel gekeken wordt als er acute problematiek is, dat er ook vanuit de GGZ wel geprobeerd wordt aanbod te leveren. Dus ik denk dat het iets te eenvoudig is om dat zo plat slaan van dat zware gevallen buiten de deur gehouden worden. Maar het is wel zo dat natuurlijk in het systeem vaak wel bepaalde prikkels zijn die het niet altijd makkelijker maken. Mevrouw Nienhuis: Nee, dat klopt. Ik … De voorzitter: Ik zag mevrouw, ja, ik noem u maar even Wendy, die zag ik in ieder geval op een bepaald moment hartgrondig nee gaan schudden, dus u was het ergens niet helemaal mee eens of … Mevrouw Van Driessche: Jawel, ik ben het er wel mee eens, wat ik door de jaren heen heb gezien is dat wij vroeger al bij de GI’s vaak enkelvoudige problematiek binnenkregen, en dat we nu toch wel heel veel van die zware complexe meervoudige problematiek terugzien, waar het een zoektocht wordt, wat staat op de voorgrond? Staat de GGZ nu op de voorgrond, staat de gedragsproblematiek nu op de voorgrond, en wie moet als eerste insteken? En ik denk mogelijk als ik een beetje al voor mijn ding ga spreken, dat een slag zou kunnen geslaan worden, mochten die twee ketens beter gaan samenwerken, dat daar samenwerkingsverbanden ontstaan. De voorzitter: Oké.
En dat is dat de keten van de GGZ en de … Mevrouw Van Driessche: Samen met de gedragsproblematiek bijvoorbeeld een Horizon die vaak met die zware gedragsproblematiek aan de slag gaan, daar een goed samenwerkingsverband komt met de GGZ, waardoor er gewoon een parallel hulpverlening kan geboden worden. En dat is de grote zoektocht waar wij mee worstelen, maar vooral het gezin. De voorzitter: Ja. Oké. Nou, dank jullie wel in ieder geval. Ik zag dat mijnheer Burakçin een vraag wilde stellen.
De heer Burakçin: Ja, dat klopt, voorzitter. Dank u wel. Ja, ik heb eigenlijk twee vragen, wat met elkaar te maken heeft. Als eerste, zijn er bij jullie cijfers beschikbaar van recidive gevallen, dat iemand, dat een kind bijvoorbeeld preventief weer een heel zelfde traject loopt en vervolgens bij jullie terechtkomt. En stel dat dat ook plaatsvindt, wordt er bijvoorbeeld ook rekening gehouden met hulpverleners die bijvoorbeeld met dat gezin of die jongeren te maken heeft gehad, weer dezelfde hulpverleners krijgen? Ik kan me voorstellen dat het mogelijk het traject versneld of wat dan ook. Mevrouw Nienhuis: Ik kon het eerste stuk van uw verhaal niet goed ontvangen, dus ik weet niet of de anderen het hebben gehoord? De voorzitter: Nee, ik kon het ook niet goed verstaan. Ik … De heer Burakçin: Momentje. De voorzitter: Probeer het nog eens opnieuw, mijnheer Burakçin. De heer Burakçin: Voorzitter, ik ben even terug. Ik heb eventjes de wifi uitgeschakeld want volgens mij ligt het aan de wifi. Ben ik zo wel hoorbaar? De voorzitter: Ja. Mevrouw Nienhuis: Ja. De voorzitter: Zo bent u veel beter verstaanbaar. De heer Burakçin: Oké, ja. Nee, ik had twee vragen, wat eigenlijk op elkaars verlengde zit.
Ten eerste, zijn de cijfers bekend van recidive gevallen? Zeg maar dat een jongere weer bijvoorbeeld het complete traject opnieuw doet en vervolgens bij jullie terechtkomt? En stel dat dat het geval is, wordt er rekening gehouden bijvoorbeeld met hulpverleners die te maken hebben gehad met die jongeren, zodat ze bijvoorbeeld weer dezelfde hulpverleners krijgen of wat dan ook, waar mogelijk een versnelling in kan zitten in het traject? De voorzitter: Wie? Mevrouw Eskes: Ja, ik kan er wel iets over zeggen. Het is niet … Kijk, als er een traject bij ons volledig is afgerond, dan komt het wel eens voor dat een gezin weer terugkeert, soms heeft dat te maken met een levensfase, dat het op een bepaald moment goed genoeg is, vrijwillige hulpverlening het overpakt, maar dat in een bepaalde levensfase een kind weer opnieuw bepaald gedrag vertoont wat voor ouders heel ingewikkeld is. Zoveel als mogelijk denk ik dat we allemaal proberen zelfde gezichten, en zeker waar dat goed in de samenwerking verliep, weer terug te laten keren. Wat dat betreft hebben wij natuurlijk ook te maken met zwangerschappen, met mensen die een nieuwe baan vinden, met, ja, dus dat blijft altijd wel een zoektocht in hoeverre je dat ook stabiel door kunt zetten. Maar het heeft altijd de voorkeur, op het moment dat een traject succesvol is afgesloten en een kind keert terug, gebeurt overigens niet ontzettend vaak.
Moet ik heel eerlijk zeggen, dat als ik bij ons kijk naar het aantal zaken die naar verloop van tijd weer terugkeren, is echt wel heel beperkt. Ik kan niet helemaal goed voor de andere
spreken maar ik herken dat eerlijk gezegd niet. Omdat je vaak ook wel heel zorgvuldig het nazorgtraject wel weer probeert te borgen met vrijwillige hulpverlening, dus er echt wel langdurig ook wel weer een vinger aan de pols gehouden wordt. Mevrouw Nienhuis: Ja. Mevrouw Van de Laar: Ja, ik denk dat dat bij ons zeer zeker wel ook herkenbaar is. Ik heb de cijfers ook niet maar als ik kijk naar dat ik nog niet veel kinderen weer heb terugzien keren. Wat we nog wel eens zien is dat kinderen later terugkeren als ouder. Dus dat zien we wel. En dan, nou ja, vragen ze soms ook nog specifiek naar hun oude jeugdbeschermer, nou ja, die er dan soms nog wel of niet is. Maar dat is wat we nog wel eens zien, ja. Ook omdat er vaak natuurlijk echt wel sprake is van transgenerationele problematiek, die echt doorgegeven wordt van generatie op generatie, maar wat we proberen te doorbreken maar wat we ook weten dat dat zo immens moeilijk is. Mevrouw Melaet: Ja, en ik hoor ook de vraag volgens mij ook niet alleen maar de vaste gezichten vanuit de GI, bij terugkeer, maar ook volgens mij in hulpverleningsland algemeen. Heb ik dan die vraag goed begrepen? Of ging dit alleen gericht op de GI? De heer Burakçin: Nee, dit ging nu inderdaad op GI, dat ze het hele traject hebben gevolgd, dan vervolgens bij jullie terechtkomen na bijvoorbeeld een uitspraak van een rechter.
Mevrouw Melaet: Ja, en dan het verzoek om dezelfde jeugdzorgwerker. Ja, oké, nee ik dacht, ja, als we ook een hulpverleningstraject positief hebben afgesloten bij bijvoorbeeld een ASVZ, dat je dan kijkt van, nou, bij ASVZ, wie was er toen, kan die opnieuw in worden gezet? Maar dan was dat niet de vraag. Nou, ik herken hetgeen wat er wordt gezegd door die cijfers zijn echt niet hoog, ik kan die ook niet opnoemen. Maar uiteraard daar bij een positieve afsluiting kijken naar de vaste jeugdzorgwerker. Maar ja, we weten ook dat we te maken met wisseling van jeugdzorgwerkers door ziekte, zwangerschap of nieuwe baan. Maar ja, en terugkeer van zwangere moeders. Ja, zeker. Mevrouw Van de Laar: Nou ja, en wat we daarin ook nog wel eens zien, wij zeggen altijd, wij zijn passanten, wij nemen even deel, maar zo gauw het kan gaan we ook weer. Wij zijn zelf natuurlijk niet de hulpverlenende instantie. Dus je ziet heel vaak, als het in een gezin weer wat slechter gaat, dan gaan ouders vaak niet ons bellen, maar dan wel de hulpverlening die ze in het verleden hebben gehad want die is natuurlijk veel frequenter in het gezin geweest. Dus inderdaad, is zo’n ASVZ daar een periode geweest, dan gaan ze, gaan ouders eerder kloppen ze weer bij hen aan, zodat het ook niet zover komt dat er weer opnieuw een OTS komt.
De voorzitter: Mag ik misschien heel provocerend vaststellen dat wanneer er sprake zou zijn van recidive, zoals de heer Burakçin dat schetst, dat dan eigenlijk de hulpverlening aan alle kanten gefaald heeft? Want u heeft … Dus ik zie u al nee schudden, is door een zware en een gecertificeerde instelling geholpen, die wordt daar na een jaar teruggestuurd naar de huisarts, ik zeg het maar even zoals ik dat dan op zijn janboerenfluitjes. En zou dan een half jaar later of een jaar later weer terugkomen, dan gaat er iets volgens mij niet erg goed.
Mevrouw Eskes: Nee. Mevrouw Nienhuis: Nou … De voorzitter: Is de vraag ook niet relevant van, hoe vaak worden die hulpverleningstrajecten verlengd? Dus en dan … Mevrouw Eskes: Nou, verlengd, kijk … Ja. De voorzitter: Wordt er een evaluatie gedaan. Mevrouw Nienhuis: Nou ja, verlenging is … Mevrouw Eskes: Nou, wat … Mevrouw Nienhuis: Ja, sorry, Christine. Mevrouw Eskes: Nou, wat … Mevrouw Nienhuis: Een verlenging, dat is wel eens vaker aan de orde omdat je natuurlijk nog niet altijd, en je soms ook afhankelijk van de problematiek je doelen kan bereiken. En wat maakt, ik vind niet dat we dan kunnen stellen dat we hebben gefaald, want je hebt met ook, je bent ook afhankelijk van andere factoren.
En waarin ik wel vind waarin wij veel beter zijn geworden, is dat we echt systeemgericht werken en dus niet alleen maar focussen op het gedrag en de problematiek bij het kind of de jongere, maar vooral kijken ook naar, wat ligt er onder, wat zijn de patronen, wat moeten we met elkaar gaan doorbreken? En soms, dat wordt nu … Dat zie je ook al bij denken in, nou in Dordrecht ook, we hadden onlangs hadden we een (…)plaatbijeenkomst, dan wordt er ook met elkaar gesproken over, als er zoveel problematiek speelt in een systeem, dan kunnen we wel van alles gaan vragen van die ouders maar als eerst huisvesting opgelost moet worden, dan moeten we zorgen dat we de woningbouwcorporaties aan tafel hebben. Dus dat je eerst gaat kijken, wat moeten we eerst aanpakken om vervolgens op andere vlakken ook succesvol te kunnen zijn. En dan kan het zijn dat je nog moet verlengen, dat kan. Maar wij, dat we echt kinderen terug zien komen omdat er weer opnieuw sprake is van een grote terug, dat is echt sporadisch dus komt niet vaak voor. Mevrouw Eskes: Wat je wel vaak ziet is dat bijvoorbeeld, zeker met de ouders met een want lagere intelligentie, is dat je ziet dat je een traject vervolgens stabiel kunt krijgen. Maar dat ze op dat moment om kunnen gaan met een kind in die leeftijd. En op het moment dat er een kind bijvoorbeeld dan gaat puberen, dat ze het dan ineens weer ingewikkeld vinden.
Dan kun je niet zeggen dat het allemaal gefaald heeft, en soms lukt het dan ook met de vrijwilliger die er nog beschikbaar is. Maar soms is het dan ook ineens zo ingewikkeld dat het ook weer onveilig wordt, dus dan keert het weer terug. Maar dan is het ook soms een hele tijd wel goed gegaan. Dus ik denk dat je dat niet altijd kunt zeggen. Wij stappen er ook niet uit op het moment dat het gezin daar helemaal goed draait. Wij stappen eruit op het moment dat de risico’s voldoende belegd zijn. Dus het kan soms zijn dat er nog best aanzienlijke problemen zijn, maar dat het gezin weer goed samenwerkt met de zorg. En dan is een gedwongen kader niet meer nodig. Dus als de ouders vrijwillig zorg accepteren, ook al zijn er dan nog zorgen, dan zijn wij niet meer
nodig vanuit de gecertificeerde instellingen. Dus ook dan zie je, kan het nog wel eens zijn dat de ouders een terugval krijgen, al probeer je dat zo goed mogelijk in te schatten. Maar het komt ook wel echt sporadisch voor, dus ik denk, die aantallen zijn wel heel beperkt, dat je echt ziet dat een gezin weer terugkeert in een heel gedwongen traject. Maar verlengingen komen wel regelmatig voor. Als ik kijk naar een gemiddelde duur van een ondertoezichtstelling, bij ons is dat zo’n tweeënhalf jaar. Dus dat betekent dat je vaak te maken hebt met, dat je eigenlijk bijna altijd wel te maken hebt met verlengingen. Soms ook langjarig, dus soms ook wel tien jaar, als er problematiek vrij invasief is. Of soms dat het ook leidt tot een gezagsbeëindigende maatregel waardoor je soms ook nog wel veel langer, of met een voogdijmaatregel bijvoorbeeld vertrokken bent of … En dan probeer je soms ook wel weer het gezag bij pleegouders te beleggen. Maar er zijn ook echt kinderen, die bij ons van 0 tot 18, dus ja, bij ons in de organisatie aanwezig blijven. Tenslotte nog, ik heb één jeugdbeschermer, die één kindje vanaf de geboorte tot, nu is het kindje 16, nog steeds dezelfde jeugdbeschermer heeft. En dat is wel uitzonderlijk, maar dat komt ook wel voor. Dus het is echt wel afhankelijk van de problematiek en van datgene wat speelt van hoe zo’n project verloopt. Dat kan heel erg wisselen.
Soms na een jaar afsluiten positief, en dan … Maar dat, het is ook vaak anders. Vaak is de problematiek niet in één dag ontstaan, dus is het ook niet echt in korte termijn opgelost. De voorzitter: O ja, dank je wel. Ik zie inmiddels een vraag van mevrouw Nijhof, de heer van Dam Timmers en de heer Kwaak. Mevrouw Nijhof. Mevrouw Nijhof: Mijn wifi laat een beetje te wensen over volgens mij. De voorzitter: Nou u bent goed zichtbaar hoor. Mevrouw Nijhof: Ja. Ik, nou ik had eigenlijk een vraag over de gemiddelde lengte van een ondertoezichtstelling? Maar die is al deels beantwoord. Want mevrouw Eskes is, bent u van Jeugdbescherming West? Nee, u bent van de WSG. Mevrouw Eskes: Nee, van het Leger Des Heils jeugdbescherming, ja. Mevrouw Nijhof: Van het Leger, ja. Maar goed, want geldt die lengte zeg maar ook voor de andere GI’s die hier aan tafel zitten of niet? Dus met dan de lengte van tweeënhalf jaar. Mevrouw Van Driessche: Ja, ik denk het wel, dat dat gemiddeld twee à drie jaar. En dat wat we merken is dat we nu vooral ook gaan insteken om goed geborgen dat een blijvende veiligheid gewaarborgd is. Terwijl als je soms kijkt puur naar de juridische kaders, hebben we niet altijd nog de juridische grond om te verlengen. Maar doordat we toch zo goed willen insteken op die blijvende veiligheid, en daar een aantal stappen nog voor moeten zetten, doen we verlenging.
Dus ik denk dat het overeenkomt, twee verlengingen. Ja. Mevrouw Nienhuis: Klopt. Mevrouw Melaet: Ja, en vanuit de William Schrikker is dat, ja, is dat mogelijk wel langer maar ik denk wel dat er een verschil zit tussen kindjes die thuis wonen, waar wij een OTS
hebben, en waarbij je probeert ook inderdaad de thuissituatie zo goed mogelijk te houden, veilig mogelijk te houden. Dan kan het zijn inderdaad dat zo’n OTS langer duurt omdat, nou, vooral voor onze doelgroep, dat die wat langer de tijd nodig hebben om inderdaad die veiligheid te gaan waarborgen en risico’s weg te nemen. Maar je hebt natuurlijk ook de situatie dat kindjes uit huis zijn geplaatst. En bij een uithuisplaatsing als perspectief biedend, in een perspectief biedend pleeggezin bijvoorbeeld zijn geplaatst, dan is … Nou ja, dan gaan we ervan uit dat er geen mogelijkheden meer zijn in de thuissituatie. Dan heb je te maken met een t termijn van een uithuisplaatsing. En dat verschilt tussen een half jaar en een jaar. Dat zijn gewoon de richtlijnen waar we ons ook aan moeten houden en waar ook de rechter ons op toetst als GI natuurlijk van, houden jullie je aan die richtlijnen? We kunnen namelijk niet in een perspectief biedend pleeggezin kan je niet jaar in jaar uit verlengen. Dan zal je je ook moeten onderbouwen richting de kinderrechter. En daarvan zie je dus wel dat die OTS bij, als er al snel sprake is van uithuisplaatsing, dan kom je tot het perspectief, als die niet thuis ligt, dat zijn wel kortere OTS’ en want dan, ja, als het perspectief niet meer thuis ligt, dan ga je over naar een verzoek tot onderzoek voor de gezagsbeëindigende maatregel.
Dus daar wil ik even het onderscheid in hè, van kindjes thuis, ja, dan zijn inderdaad wat langere OTS’en voor nodig, ook om te komen om die doelen te kunnen behalen. En daarnaast denk ik ook wel dat in zo’n thuissituatie, je hebt zo’n onderzoek van de Raad, die komt kortdurend erin, die geeft dat advies voor een ondertoezichtstelling en gaat er weer uit. Die ziet en hoort ook niet alles. En tijdens zo’n maatregel, zo’n hulpverlener die dan misschien twee keer in de week thuiskomt bij die ouders, die gaat ook zien, dingen zien en mensen spreken. Het kan zomaar zijn dat er toch ook wel nieuwe situaties, bijvoorbeeld inderdaad, dat we nog niet wisten van schulden, en dat er ineens schulden opduiken. Ja, dat is natuurlijk een belangrijk element om ook als GI en als hulpverlening aandacht voor te hebben, want het heeft ook weer een risico voor het kind. Dus dat zou ook nog reden kunnen zijn inderdaad, of in ieder geval, dat zien we vaker bij kindjes die thuis wonen met een ondertoezichtstelling. Mevrouw Nijhof: Oké. Ik had nog een tweede vraag, wij hebben hier een tijdje geleden een discussie gehad in de commissie over de gesloten jeugdzorg. Naar aanleiding van een brief van een ouderplatform die zich heel veel zorgen maakte over de plaatsing van hun kinderen in gesloten jeugdzorginstellingen.
En, nou goed, die discussie ging toen over de gesloten jeugdzorg specifiek, maar wij kwamen ook uit op de vraag van, in de gesloten jeugdzorg wordt over het algemeen eigenlijk altijd geplaatst door een gecertificeerde instelling. En dat kan eigenlijk niet anders in dit geval, gaat via de rechter. Hoe zit het … Nou ja, goed, de discussie die avond ging heel erg over de wantoestanden in die specifieke, nou ja goed, jeugdzorgplus instelling. Waar ook suïcides zijn gepleegd, nou ja goed, kinderen zeer langdurig verwaarloosd zijn zeg maar. En eigenlijk was in ieder geval mijn specifieke vraag daarover aan jullie, hoe zit dat nou met jullie toezichthoudende rol? Want we hebben het hier heel erg over, nou ja, laten we zeggen het samenwerken met de anderen en ook met ouders om uiteindelijk weer tot afschaling te komen. Maar hoe zit het nou met jullie rol op het moment dat een kind bijvoorbeeld in een gesloten jeugdzorginstelling geplaatst wordt, en die overkomt daar heel veel dingen, wij hebben dat ook kunnen lezen in inspectierapporten. Hoe kan het dan zijn dat een, laten we zeggen een gezinsvoogd of een voogd, daar geen weet van heeft dat dat gebeurt met een kind? Dus hoe zit dat eigenlijk met die toezichthoudende rol? En wat doen jullie op het moment dat je merkt dat je pupil, nou ja, in zo’n instelling
eigenlijk niet goed zit? Wat voor wegen kun je dan bewandelen om, nou ja, uiteindelijk je kind veilig te stellen? Want in principe hoort een kind natuurlijk veilig te zijn in een instelling waar je die plaatst. Dus in hoeverre, waar ligt die verantwoordelijkheid en hoe zit dat met die toezichthoudende rol? Mevrouw Nienhuis: Nou, Lieke, hier ligt jouw hart hè. Dus ik zou zeggen, pak hem even op. En het is heel ingewikkeld, mevrouw Nijhof, want we weten ook dat de problematiek van de kinderen die gesloten worden geplaatst, dat die ook toeneemt. Dus de GGZproblematiek is vaak ook een enorm, dus die organisaties staan ook wel voor grote uitdagingen en het is nog niet makkelijk. En wij merken het zelf doordat we, doordat ze ook voorzichtiger worden met het plaatsen van kinderen met bepaalde problematiek. Maar goed, Lieke kan misschien wat meer inhoudelijk op het andere stuk van je vraag ingaan. Mevrouw Van de Laar: Ja. Nou ja, weet je, soms moeten we inderdaad gebruikmaken van gesloten jeugdzorg. Misschien ter illustratie een voorbeeld, we hadden laatst een jongen die vanuit het Jeugdteam met een VOTS, dus echt met een spoedmaatregel, een jongen die 14 was, veel onbeschermde seksuele contacten met andere mannen, fiks drugsgebruik, automutilatie.
Nou ja, waarin echt, hij liep steeds weg vanuit de open groepen, dus hij is uiteindelijk geplaatst bij Harreveld, dan ontkomen we er niet aan. In hoeverre wij toezicht houden, als wij een jongere daar plaatsen, dan moet dat altijd via de rechtbank. En wordt hij ook gezien door een onafhankelijke gedragswetenschapper, die moet een instemmingsverklaring afgeven. Dus er zit nog een extra toetsing tussen, dat een onafhankelijke gedragswetenschapper moet zeggen, ik stem in, de veiligheid is dusdanig in gevaar en deze jeugdige, ja, moet inderdaad nu naar een jeugdzorgplus instelling. Wij zijn dan de plaatsende instantie als GI, dus als een jongere … Het liefst brengen we ze zelf, dat lukt ook niet altijd vanwege onze veiligheid, dus wordt dat dan met GGZ-vervoer gedaan. En dan vindt er ook een startgesprek plaats waarin ook ouders worden uitgenodigd. Er worden dan ook gezamenlijk de doelen gesteld. En dat is eigenlijk net als hoe Linda het met de praatplaat uitlegde, dan als een gewone hulpverlening start binnen een gezin, zijn wij daar ook niet wekelijks. Het is dan de behandeling vindt plaats binnen de gesloten jeugdzorg. En er zijn wel evaluatiegesprekken, we hebben wel de jeugdbeschermer heeft echt wel veel contact met de jeugdige.
En ik weet van locaties die wij nu ook in Harreveld hebben, is de jeugdbeschermer echt heeft wekelijks wel afspraken en gaat om de week gaat ze daar ook naartoe. Ja, onze rol met betrekking tot toezicht, natuurlijk houden wij toezicht ook op de veiligheid van deze jongeren. Maar wij zijn daar natuurlijk niet, nou ja, 24 uur. Dus dit komt wel ter sprake in de evaluatiegesprekken, wordt er gewerkt aan de doelen, hoe gaat het, hoe vindt de jongere zelf dat het gaat? Dus dan komt dat wel ter sprake. En ook wordt er altijd de afweging gemaakt, ja, moet deze plaatsing nog langer voortduren of kan het binnen een ander kader? Is toch misschien de GGZ meer passend? Want daarin zien we echt wel een grote overlap. Als er een incident plaatsvindt, dan zijn wij ook verplicht om dat te melden. Binnen onze eigen organisatie moeten we dat dan kenbaar maken, en dan wordt het ook doorgezet in een aantal gevallen naar de inspectie en wordt er ook dan een inspectie-onderzoek gedaan. Ik had de vraag … Mevrouw Nijhof: Wat bedoelt u met incident, mag ik dat vragen?
Mevrouw Van de Laar: Nou, bijvoorbeeld als jongeren weglopen vanuit een gesloten instelling, als jongeren … Nou, we hadden laatst die jongere op Harreveld, die liep weg, is naar een apotheek gegaan, heeft daar een injectiespuit gekregen en heeft zichzelf geïnjecteerd met chloor. Nou, dat is echt een heftig incident, waarin we ook zorgvuldig later met Harreveld hebben afgestemd, hebben we daar nou signalen gemist met elkaar? We hebben dat eindeloos met elkaar uitgelopen, en ook met deze jongere over gehad van, hoe heeft dit nou kunnen gebeuren? Maar dat moeten wij dan inderdaad melden, suïcides moeten we melden, maar ook de wegloopincidenten moeten we ook al melden. Omdat we daar ook, ja, dat zijn we ook verplicht aan onze jongeren en aan de ouders van deze jongeren. Mevrouw Nijhof: Ja. Mevrouw Van de Laar: Heb ik voldoende, en ik had wel mee zitten schrijven, of ik voldoende antwoord op alle vragen heb gegeven? Weet je, de gesloten jeugdzorg heeft echt te maken met hele complexe problematiek, en waarin we ook wel zien dat niet alle kinderen daarvan opknappen van een gesloten setting.