2.7 2025.04.08 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 5 - concept.pdf
Tekst van het document
VERSLAG VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE GEMEENTE DORDRECHT DORDTSE DINSDAG D.D. 8 APRIL 2025 Vergaderzaal 5 1. Agendacommissie 2. Vaststellen Dordtse Omgevingsvisie 2.0; Eiland met kwaliteit – Raadsvoorstel Voorzitter: De heer Den Heijer Raadsgriffier: De heer Den Boer Verslag: NotuBiz Aanwezig: Dhr. Ayverdi (DENK) Mevr. Boom-Vos (VVD) Dhr. Bootsman (GroenLinks) Dhr. Damen (Partij van de Arbeid) Dhr. Van Dam Timmers (CDA) Mevr. Dijkstra (Gewoon Dordt) Dhr. Droog (ChristenUnie/SGP) Dhr. Gündogdu (Op Ons Eiland) Mevr. De Heer (Forum voor Democratie) Mevr. Jager (Beter voor Dordt) Mevr. Kamphuis (SP) Dhr. Laban (ChristenUnie/SGP) Dhr. Van der Meer (GroenLinks) Mevr. Striebeck (VSP) Dhr. De Vries (VSP) Dhr. Wringer (Beter voor Dordt) Portefeuillehouder: Ambtelijke ondersteuning: Dhr. Cornax De voorzitter: Goedenavond, dames en heren, jongens en meisjes, welkom bij de commissievergadering van de gemeenteraad van Dordrecht. En we gaan het vandaag hebben over het raadsvoorstel vaststellen Dordtse Omgevingsvisie 2.0, een Eiland met kwaliteit. Ik zie veel instemming. Het spreekt aan. Ik wil alle commissieleden van harte welkom heten, die hier vanavond zitten, achter mij mensen op de publieke tribune, ambtelijke ondersteuning, de heer Cornax. En ik kan me zomaar voorstellen dat de wethouder ergens in de buurt, of in de verre verte met heel veel aandacht deze sessie zal volgen.
En eigenlijk voor het verslag vraag ik de raads- en commissieleden zich kort voor te stellen. En ik begin, voor uw blik, aan mijn rechterzijde. En ik begin met onze griffier. De heer Den Boer: Mark den Boer, commissiegriffier. Mevrouw Boom-Vos: Karin Boom, Dordtse VVD.
1
De heer Van Dam Timmers: Jan van Dam Timmers, CDA Dordrecht. Mevrouw De Heer: Betsie de Heer, Forum voor Democratie. De heer Droog: André Droog, ChristenUnie/SGP. De heer Laban: Vincent Laban, ChristenUnie/SGP. De heer Bootsman: Nick Bootsman, GroenLinks. De heer Van der Meer: Frans Bauke van der Meer, GroenLinks. De heer Ayverdi: Emin Ayverdi, DENK. Mevrouw Kamphuis: Meta Kamphuis, SP Dordrecht. De heer Gündogdu: Aydin Gündogdu, Op Ons Eiland. De heer De Vries: André de Vries, VSP Dordrecht. Mevrouw Striebeck: Bernadette Striebeck, VSP. Mevrouw Dijkstra: Marjanne Dijkstra, Gewoon Dordt. De heer Damen: Leo Damen, Partij van de Arbeid. Mevrouw Jager: Ineke Jager, Beter voor Dordt. De heer Wringer: Jan-Willem Wringer, Beter voor Dordt. De heer Cornax: Lauran Cornax, beleidsadviseur ruimtelijke ordening gemeente Dordrecht. De voorzitter: En mijn naam is Rolin den Heijer. En ik mag vanavond jullie voorzitter zijn. In 2021 stelde de raad de Omgevingsvisie 1.0 vast. Toen al is er aangekondigd dat er binnen afzienbare tijd een Omgevingsvisie 2.0 zou komen, die belangrijker zou zijn dan de 1.0 versie. De 2.0 versie ligt vanavond voor de eerste keer voor. Het is een lijvig en veelomvattend stuk. En de heer Van Dam Timmers had op pagina 117 al een aantal opmerkingen. We gaan er met plezier voor zitten vanavond.
Het gaat echt over alle vraagstukken over de fysieke leefomgeving op het eiland van Dordrecht. Daarom is besloten het stuk in een aantal stappen te behandelen. We beginnen vanavond met een technische sessie over de opzet en de rol van de Omgevingsvisie 2.0. Aan het einde van de vergadering zal ik bij u inventariseren over welke deelgebieden ruimtelijke keuzes en/of overige onderwerpen uit de Omgevingsvisie 2.0 u nog meer technische toelichting wilt. Voor deze verdieping worden dan de Dordtse Dinsdagen van 6 en 13 mei gebruikt. Indieners van zienswijzen kunnen op deze data desgewenst ook inspreken. En dit is een langjarig traject. Ik denk dat de raadsleden, die ook in de vorige periode actief zijn geweest, hier veelvuldig mee kennis hebben gemaakt. En het is vandaag een belangrijk moment om ook met de nieuwe raad deze stappen en de werking van de
2
Omgevingsvisie nader te bekijken. En we hebben vandaag een gast. Mijnheer Cornax, van harte welkom. U heeft u zojuist ook voorgesteld. En ik geef de heer Cornax ook de gelegenheid om een presentatie te geven, is mij verteld. Gaat uw gang. Voordat u begint, moet ik altijd even de vraag stellen, wat vindt u zelf prettiger, wilt u gewoon door iedereen onderbroken worden tijdens uw presentatie? Of zegt u, wacht even tot het einde, veeg de boel even op? Of heeft u de presentatie op een manier ingericht dat beide varianten zelfs misschien mogelijk zijn. De heer Cornax: Ik zou de voorkeur hebben voor de tweede variant, de vragen achteraf. De voorzitter: Ik zie dat dat op instemming kan rekenen. Ik geef u de gelegenheid voor uw presentatie. Gaat uw gang. De heer Cornax: Dank u wel, voorzitter. Mijn naam is Lauran Cornax, beleidsadviseur bij de gemeente Dordrecht en tevens projectleider voor deze Omgevingsvisie 2.0. Ik zal vanavond een algemene toelichting geven op de Omgevingsvisie 2.0, het proces en algemeen over de inhoud van deze 2.0 versie. Daarbij, en dat komt zo meteen ook nog wel eventjes in beeld, wil ik meegeven dat, zoals jullie ook ondervonden hebben, is de Omgevingsvisie heel breed, raakt aan heel veel onderwerpen, heel veel thema's. En ik heb ook maar een beperkt vermogen, wat dat betreft. Ik zou niet op al die onderwerpen en thema's beantwoording kunnen voorzien.
Vandaar ook deze insteek, dat wanneer er nog vragen zijn of onderwerpen, doelen, deelgebieden nader uitgelicht moeten worden, dat we daar volgende sessies voor hebben. Vanavond wil ik het in ieder geval hebben over het instrument Omgevingsvisie. Werd net al meegegeven dat in Dordrecht hebben we al een Omgevingsvisie 1.0. Daar even op terugblikken. Dan wil ik stilstaan bij de Omgevingsvisie 2.0. En ik wil ook stilstaan hoe de stad daarbij betrokken is, om te komen tot die Omgevingsvisie 2.0. En uiteindelijk wil ik nog even een blik werpen op hoe we dan gaan werken met de Omgevingsvisie 2.0, als gemeente zijnde. Hier nog een keer de disclaimer van zojuist. Het instrument Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie is 1 van de 6 kerninstrumenten onder de Omgevingswet. Deze Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, de Omgevingsvisie is daar een instrument van. Andere instrumenten zijn bijvoorbeeld programma's of het omgevingsplan. In de Omgevingsvisie neemt een bevoegd gezag ambities en doelstellingen voor de fysieke leefomgeving voor de langere termijn op. En dit doet zij op hoofdlijnen, op een strategisch niveau en probeert dat ook integraal te doen. Vooral de samenhang te bekijken tussen verschillende beleidsvelden en hoe die zich verhouden tot elkaar in de fysieke leefomgeving. En zoals ik net aangaf, dat gebeurt in de Omgevingsvisie op de hoofdlijnen.
Een nadere uitwerking kan dan geschieden in het instrument programma's. En programma's kunnen thematisch van aard zijn. Denk daarbij aan bijvoorbeeld het programma Opwek Duurzame Energie wat eraan zit te komen. En programma's kunnen ook gebiedsgericht zijn. Zo werken we nu bij de gemeente aan zogenaamde gebiedsprogramma’s ook. Hier zien we de beleidscyclus onder de Omgevingswet. En in het rode kwadrant, dat is het kwadrant van beleidsontwikkeling, dat is daar waar de Omgevingsvisie zich bevindt. En in het volgende kwadrant, als we met de klok meegaan, komen we bij beleidsdoorwerking. En daar bevinden zich de programma's of het omgevingsplan, waarin eigenlijk die hoofdlijnen en kaders uit de Omgevingsvisie nader geconcretiseerd worden. Dan over de Dordtse Omgevingsvisie 1.0. Zoals net ook al aangegeven, die is in 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Dordrecht. En
3
eigenlijk na de vaststelling zijn we er als gemeente mee gaan werken. En dat zien we bijvoorbeeld dat bij ruimtelijke initiatieven die getoetst worden aan de 7 doelen uit die Omgevingsvisie. Als voorbeeld heb ik hier eventjes aangegeven de omgevingstoets voor het ontwerpbestemmingplan Maasterras. Daar is eigenlijk het hele voornemen van het Maasterras beoordeeld aan de hand van de 7 doelen van de Omgevingsvisie. Verder zijn er ook een ander soort ruimtelijke initiatieven die binnenkomen bij de gemeente. En ook die initiatieven worden eigenlijk langs de lat van de 7 doelen van de Omgevingsvisie gelegd. En wanneer ze voldoen of bijdragen aan deze doelen, dan kunnen we daar als gemeente medewerking aan verlenen. Maar daarnaast kan het ook nog zo zijn dat een initiatief niet bijdraagt aan de doelen of niet aan de prioritaire doelen. En als we daar als gemeente toch medewerking aan zouden willen verlenen, dan wordt de raad om adviesrecht gevraagd. Ik heb begrepen dat dat tot op heden nog niet vaak is voorgekomen, wat zou kunnen betekenen dat de meeste initiatieven dan wel conform de kaders uit de Omgevingsvisie zijn. Dat de raad niet om adviesrecht hoeft te worden gevraagd dan wel dat voor ruimtelijke initiatieven de raad gewoon in stelling wordt gebracht, bijvoorbeeld door middel van destijds nog een bestemmingsplan waar de raad het bevoegd gezag voor is, of nu het omgevingsplan.
Dan over de Omgevingsvisie 2.0. Zoals ook net al aangeven, is bij vaststelling van de 1.0 al aangekondigd dat er op korte termijn aan een Omgevingsvisie 2.0 zou worden gewerkt. En een aantal redenen daarvoor werden gegeven, was dat er nieuw beleid beschikbaar zou komen, bijvoorbeeld de Regionale Energiestrategie, Toekomstbeeld voor de Binnenstad, Slijpen aan een Diamant. Dat soort stukken gaven ook wel aanleiding om de Omgevingsvisie te actualiseren, om die informatie in ieder geval op een juiste manier mee te nemen. Een gebied was ook nog wel onderbelicht gebleven in de Omgevingsvisie 1.0. Dat was het buitengebied. Daar is nu meer aandacht aan besteed in de Omgevingsvisie 2.0. En het algemene doel eigenlijk van de Omgevingsvisie 2.0 was om de visie wat beleidsrijker te maken en wat meer richting te laten geven. Daar waar de Omgevingsvisie 1.0 misschien nog wel gezien kon worden als een samenvoeging van sectoraal beleid, is bij deze 2.0 toch wel getracht om integraal te kijken, de samenhang tussen die verschillende beleidsthema's of domeinen in samenhang te beschouwen. Daarbij moet ik zeggen dat de 1.0 wel de basis is gebleven voor het werken aan de 2.0. In de 1.0 was er een hoofdopgaven opgenomen. Aantal te realiseren woningen, aantal toe te voegen banen. Deze hoofdopgaven hebben we ook weer in de 2.0 meegenomen, zij het iets aangepast.
Wat meer passend bij de huidige situatie, zou ik zeggen. We werken weer met 7 doelen, die eerder ook in de 1.0 zijn gesteld. Ook wel met her en der wat nuances doorgevoerd, moet ik zeggen. En we werken ook weer met deelgebieden. En daar waar het in de 1.0 nog 6 deelgebieden waren, zijn het in deze 2.0 7 deelgebieden. Er is een extra deelgebied bijgekomen. Het is De Staart. Als we naar de Omgevingsvisie 2.0 kijken, wat valt dan het meeste op? Is dat we in ieder geval geprobeerd hebben, ook al is het een lijvig document, om hem toch wat toegankelijker te maken, door te werken met een lagenopbouw. We hebben de Omgevingsvisie voorzien van een zelfstandig leesbare samenvatting, die als het goed is, voor eenieder redelijk te begrijpen is. Daar kan ik dit plaatje voor laten zien trouwens. Bovenaan de eerste laag is de samenvatting. Daaronder hebben we een deel A, waarin eigenlijk de complete, volledige Omgevingsvisie wordt gegeven voor de geïnteresseerde lezer. En daarachter hebben we nog een deel B, wat veel achtergrondinformatie bevat en wat toch wel echt vooral door experts gelezen zal worden. En daarnaast hebben we
4
nog een laag met bijlagen. Zo hebben we de Omgevingsvisie in ieder geval wat toegankelijker proberen te maken. Zoals net ook aangegeven, integraler gekeken, integrale benadering. Zo hebben we gekeken, wat zijn kansen? Waar spelen nu confrontaties, als je verschillende beleidsdoelen naast elkaar legt? En waar leidt dat uiteindelijk tot het nemen van keuzes? En dat hebben we dan ruimtelijke keuzes genoemd. 28 zijn we er tegenkomen. Daar kom ik zo meteen nog even op terug. En we hebben aan deze Omgevingsvisie 2.0 ook kaartmateriaal toegevoegd, om het wat visueler te maken. En in deze kadertjes, voor jullie beeld, wat we nu rechts onderin zien, hebben even aangegeven, als er een wijziging is ten opzichte van de 1.0, dan hebben we dat daarmee aangeduid. Hier nog een keer de lagenopbouw, de samenvatting. Deel A, wat eigenlijk de complete Omgevingsvisie bevat. Sorry, deel A met de doelen en de deelgebieden en deel B met de nadere achtergrond. Ik laat dit plaatje even voor zich spreken. Zoals aangegeven, we hebben 7 doelen. En we hebben het op kaart visueel proberen te maken.
En als je dat allemaal op elkaar legt en daar eens een keer goed voor gaat zitten en naar gaat kijken, dan krijg je hopelijk scherp, waar bieden doelen nu kansen aan elkaar of waar treedt er misschien wel confrontatie op? waar zou je keuzes moeten maken? En dat is wat we in deze Omgevingsvisie 2.0 getracht hebben beter te doen. En een voorbeeld van die keuzes. Ik heb hier een aantal voorbeelden weergeven. Zoals ik net aangaf, zijn er uiteindelijk 28 van dit soort ruimtelijke keuzes geïdentificeerd en uiteindelijk ook toegevoegd aan de Omgevingsvisie. En dat loopt uiteen van concrete ruimtelijke keuzes, bijvoorbeeld, ik pak even de derde, we zetten in op 3 recreatiekerngebieden rondom de stad, tot principiële keuzes, of meer principiële keuzes, moet ik zeggen. En dat is dan de laatste, dat voor het buitengebied voorzien we een aantal hoofdfuncties, natuur, landbouw en recreatie. En stellen we dat wonen geen hoofdfunctie is voor dat buitengebied. Hoe hebben we de stad betrokken bij het komen tot deze Omgevingsvisie 2.0? Allereerst kon gesteld worden dat de stad en de inwoners en belanghebbenden al redelijk veel betrokken zijn op dit abstractieniveau. En met dit abstractieniveau bedoel ik dat van een Omgevingsvisie. En natuurlijk bij de 1.0 is ook een participatieproces georganiseerd en hebben participanten deelgenomen.
Iets langer daarvoor is bijvoorbeeld ook een nieuw Dordts spel georganiseerd, waarin ook aan de stad is gevraagd, hoe zien jullie Dordrecht nu, het eiland van Dordrecht in de toekomst? Daarnaast wordt er ook een stap concrete participatie georganiseerd. Bijvoorbeeld de verschillende thema's uit de Omgevingsvisie, die worden uitgewerkt in programma's. Denk aan mobiliteit, in het kader van het Mobiliteitsplan is er veel geparticipeerd. Klimaatneutraal is ook zo'n voorbeeld. En de ervaring leert ons dat hoe concreter een onderwerp is, hoe hoger de bereidheid om te participeren, lijkt in ieder geval. We hebben voor deze Omgevingsvisie, alles overwegend, gekozen om een doelmatige participatie te organiseren. Niet weer heel breed op te halen, hoe ziet u Dordrecht in 2040 of daarna? Want dat hebben we de afgelopen jaren al een paar keer gedaan. Maar om dit keer echt de kennis en kunde van de inwoners en belanghebbenden te benutten bij die ruimtelijke keuzes.
En hen te vragen, we komen tot deze ruimtelijke keuzes als we het beleid op elkaar leggen, dat is misschien leuk bedacht hier op het Stadskantoor, maar wat zijn nog zaken waar wij overheen kijken en waar inwoners en belanghebbenden net ander zicht op hebben en eigenlijk die keuzes die voorliggen kunnen verrijken? Daaronder nog even, helemaal onderaan, een voorbeeldje gegeven van, waar waren we dan naar op zoek? En dan waren we echt op zoek naar input die ervoor zou zorgen dat je die keuze weloverwogen
5
zou maken. Bijvoorbeeld als je inzet op een recreatiekerngebied, houd er dan rekening mee dat de wegcapaciteit naar die gebieden toe aandacht vraagt. En waren we minder op zoek naar input als, als we inzetten op recreatiekerngebied richt het dan zo en zo in. Dat was voor dit participatieproces niet waar we naar op zoek waren. En voor dit participatieproces hebben we een digitale omgeving, Doe Mee Dordrecht, opgesteld, waar die 28 ruimtelijke keuzes werden voorgelegd. En we hebben ook een fysieke bijeenkomst georganiseerd, en hebben we die 28 ruimtelijke keuzes ook voorgelegd aan bezoekers en genoteerd wat men ons wilde meegeven. Voor die 28 ruimtelijke keuzes hebben we ook de gemeenteraad geconsulteerd, tijdens een raadsconclusie. En nieuwe inzichten die dat opbracht, die hebben we dan meegewogen bij die ruimtelijke keuzes. Een mooi voorbeeld vond ik dat een van de ruimtelijke keuzes die geïdentificeerd was van, probeer die leegstaande ruimtes boven de winkels in de binnenstad nu beter te benutten, bijvoorbeeld door het te transformeren naar woningen. En daarbij werd dan ook aangegeven, en als je dat doet, heeft dat nog als bijkomend voordeel dat je de sociale veiligheid vergroot en dat je die panden ook gelijk een kans biedt om te verduurzamen. Al met al waren er geen grote bezwaren tegen die 28 ruimtelijke keuzes. En daarom zijn die ook opgenomen in deze Omgevingsvisie 2.0.
Dat was het, ik noem het altijd maar eventjes tussen aanhalingstekens, informele participatieproces. En dan hebben we ook nog de wat formelere participatie. En dat was het moment dat we de ontwerp Omgevingsvisie 2.0 ter inzage hebben gelegd voor zienswijzen. Dat was eind vorig jaar, begin dit jaar. Daar zijn uiteindelijk 23 zienswijzen op ingediend. Uiteenlopend van particulieren tot organisaties en platforms. En daarnaast hebben we nog 5 overlegreacties ontvangen van de overlegpartners, zoals de provincie, het waterschap, Rijkswaterstaat. Het college heeft die zienswijzen en reacties van beantwoording voorzien in een Nota van Beantwoording. En naar aanleiding van een aantal punten uit zienswijzen zijn ook wijzigingen doorgevoerd in de Omgevingsvisie. En die staan allemaal opgesomd in hoofdstuk 4 van de Nota van Beantwoording. Dan, hoe gaan we werken met deze Omgevingsvisie 2.0? Heel mooi gezegd eigenlijk vind ik wel dat de Omgevingsvisie het fundament zal zijn bij toekomstige besluitvorming over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dat was 1.0 in principe natuurlijk ook. En dat proberen we met deze 2.0 nog meer te laten doorwerken binnen de gemeente Dordrecht, zowel ambtelijk als bestuurlijk. Ruimtelijke initiatieven zullen ook weer getoetst blijven worden aan deze 7 doelen uit de Omgevingsvisie.
En daarnaast positioneren we de Omgevingsvisie ook iets meer als de kapstok of de paraplu voor al het andere beleid voor de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld de uitwerking in programma's. Daar heb ik deze figuur nog eventjes, die dat probeert te visualiseren. Althans, bovenin staat de Dordtse Omgevingsvisie. En dat bevindt zich vooral op strategisch niveau. En uitwerking kan dan thematisch gebeuren, bijvoorbeeld in thematische programma's, of gebiedsgericht in gebiedsprogramma's. Nu moet ik ook zeggen dat er dan wel weer situaties ontstaan, dat naar aanleiding van het Mobiliteitsplan worden wel weer wijkuitwerkingen opgesteld. Dan zie je ook wel dat thematisch en gebiedsgericht ook wel weer door elkaar gaat lopen. Maar dat is denk ik ook wel hoe ... De praktijk moet gaan uitwijzen hoe we hiermee omgaan, onder de Omgevingswet. En dan als laatste kan ik nog meegeven dat deze Omgevingsvisie kijkt vooruit, maar ik kan natuurlijk niet alles over ontwikkelingen in de toekomst zeggen. Daarom is de Omgevingsvisie ook een dynamisch document. En als er ontwikkelingen of inzichten zijn die daarom vragen, kan de Omgevingsvisie daarop inspelen en op worden
6
aangepast. Maar daarbij zouden we wel willen meegeven dat de Omgevingsvisie 2.0 is de basis. En alleen als er echt aanleiding toe is, zou je toe willen werken naar wijzigingen. En op wat voor interval of wat voor termijn je dan wijzigingen kan verwachten, dat is ook iets wat de praktijk zal moeten uitwijzen. Sorry, als laatste, het is in ieder geval niet voor ons de bedoeling, althans, dat we over een paar jaar weer beginnen met een Omgevingsvisie 3.0 en dat groots aanpakken. En dat was dan eventjes mijn algemene toelichting over deze Omgevingsvisie 2.0. De voorzitter: Afgezien van het sombere einde, dank voor de heldere toelichting, volgens mij. Ik zag al een vinger achterin, bij de heer Van der Meer. En ik zie inderdaad mevrouw Kamphuis. Ik denk dat eigenlijk bij iedereen dan ... Ik inventariseer zo wel even eens wat. Zullen we gewoon links achterin starten? Fractie DENK, leidt het tot vragen aan uw zijde? De heer Ayverdi: Ik zal mijn vragen straks richten. Nu even niet. Dank u, voorzitter. De voorzitter: Graag gedaan. Dan ga ik naar de heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Dank u wel, voorzitter. Even een praktische vraag. Ik snap dat we niet elke twee jaar een nieuwe Omgevingsvisie gaan doen. Maar die Omgevingsvisie wordt vertaald naar programma's. Daar heb ik u over gehoord.
Ik heb u niet gehoord over het omgevingsplan, wat we wel als raad moeten vaststellen, als ik het goed heb. En ik neem aan dat die beide niveaus, als ik het zo mag noemen, wel regelmatiger kunnen worden bijgesteld, als daar aanleiding toe is, programma's en omgevingsplan. De voorzitter: De heer Cornax. De heer Cornax: Ik kan me goed voorstellen dat het omgevingsplan regelmatig wordt bijgesteld, ook wanneer er een nieuw initiatief zich aandient wat een wijziging van het omgevingsplan vraagt, maar wel in lijn is met de doelen van de Omgevingsvisie. Dan kan ik me voorstellen dat die situatie vaker voorkomt dan dat we de Omgevingsvisie aanpassen. De voorzitter: De heer Laban. Nee? Dan tel ik terug. De heer Van Dam Timmers, de spanning loopt op, maar gaat uw gang. De heer Van Dam Timmers: Dat is natuurlijk niet nodig, voorzitter. Dit bevat een document van 184 pagina's, waarin u net zelf zei, we gaat het de komende jaren niet meer aanpassen. Maar dan ontstaan er natuurlijk een paar vragen vanuit onze fractie, en dan met name over eigenlijk de status van dit document en wat er daarin ook nodig is om dat eventueel aan te passen. Want er staan bijvoorbeeld een heleboel plaatjes in dit document. Dat zijn, laat ik het zo zeggen, vaak hoog over plaatjes, waarin toch een soort vlekkenkaart wordt gebruikt.
Hoe moet ik dat lezen? Hoe vast staat zo’n kaartje? En wat is dan de status van zo'n kaartje? Dat is eigenlijk vraag één. Bijvoorbeeld het kaartje op pagina 34, vind ik daar een interessant kaartje aan. En ik zou die graag wat breder toegelicht willen hebben van, wat de status is van de verschillende in de legenda genoemde stukken of artikelen? En de tweede vraag, die zou ik ook graag wat verder toegelicht willen hebben, op pagina 117 van de visie staan op zich een paar interessante dingen. Goed om ver vooruit te kijken. Maar ik vraag me dan af, er staat ook weer een plaatje, en dat is bij punt A6.7.6, toekomstbestendige economie, wat er dan precies
7
bedoeld wordt met subgebied 3? En wat daar de ideeën achter zijn? En dat is het even voor nu. De voorzitter: Er was al een disclaimer aangekondigd vanuit de ondersteuning. De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, mag natuurlijk ook als technische vraag uiteindelijk, als dat ... De voorzitter: Ja hoor, zeker. Laten we kijken hoever we vanavond komen. En we hebben natuurlijk nog straks het gesprek over de vervolgsessies, waar we misschien wel wat verder de verdiepingsslag kunnen maken. Maar laten we kijken hoever we in dit geval kunnen komen. Ik geef u het woord. De heer Cornax: Dank u, voorzitter. Voor de eerste vraag, de status van de kaartjes, het zijn inderdaad relatief hoog over kaartjes. En daar is ook wel doelbewust voor gekozen, omdat dat past bij het abstractieniveau van zo'n Omgevingsvisie. Je denkt vooral, noem het een vlekkenkaart of noem het in hoofdlijnen, en je zou niet willen dat als je ergens een hoofdlijn op een kaart weergeeft dat iemand vervolgens veel rechten wil ontlenen aan het feit dat er bijvoorbeeld een pijl over een perceel loopt, terwijl dat meer een indicatieve pijl is dan een heel harde plan juridische afkadering. De status van de kaartjes is denk ik passend bij het abstractieniveau van de Omgevingsvisie op hoofdlijnen. En in principe, de onderwerpen die op de kaart zijn weergegeven, die volgen wel direct uit de tekst uit de Omgevingsvisie.
In die zin verbeelden de kaartjes dat wat in de tekst is beschreven. De voorzitter: Dat leidt tot een vervolgvraag. De heer Van Dam Timmers: Nog een aanvullende vraag daarop. Stel ik ben als gemeenteraadslid ongelukkig met een deel van de vlekkenkaart, kan ik dan de kaart amenderen? De voorzitter: De kaart amenderen. De heer Cornax: Ik kan me dat voorstellen. De heer Van Dam Timmers: Er wordt een beetje gelachen, maar dat is natuurlijk een heel belangrijke vraag. Want als wij hier een Omgevingsvisie 2.0 vaststellen en er staan vlekken in die kaart, die vanuit onze politieke visie bijvoorbeeld daar niet mee stroken, dan kan dat natuurlijk een reden zijn om dat te willen amenderen. En ik wil graag technisch snappen hoe je dat eventueel zou moeten kunnen doen. De voorzitter: Uw vraag is volgens mij helder. Alleen ik kan me ook voorstellen, voor de mensen thuis, die hiernaar mee zitten te kijken, dat ze helemaal het spoor bijster zijn. Want ik denk niet dat ze op schoot de visie mee zitten te bladeren. Kunt u misschien iets nader duiden wat in dat kaartje staat, wat u daar ziet en wat het voorbeeld dan eigenlijk is wat u hier schetst? Zodat ook de rest er wat meer kennis van kan nemen.
8
De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, dat wil ik natuurlijk best doen. Maar dit gaat natuurlijk om een technische sessie. En het is natuurlijk geen politieke sessie. Ik probeer vandaag ... De voorzitter: Stel nou dat ... De heer Van Dam Timmers: Kijk. laten we pagina 34 voor ons nemen. We zitten hier met kaartjes. De voorzitter: Casus pagina 34. De heer Van Dam Timmers: Ik moet het met de kaartjes doen. Daarin zie je bijvoorbeeld grote bouwprojecten. En dan zie je ook verdichtingslocaties. Dat is natuurlijk eventuele toekomstvisie. Dat is niet door de raad vastgesteld beleid, op dit moment. In feite dit kaartje wat je nu vaststelt, is nieuw beleid op dat moment. Dat stellen we dan met elkaar vast. En stel ik vind een deel van die verdichting stom of vinden we vanuit onze fractie stom of we zijn daar geen voorstander van. De hoogwaardige entrees denken we, vinden we niet zo nodig bijvoorbeeld. Stel je bent dat van mening, dan is natuurlijk de vraag, hoe breng je dat dan onder de aandacht? Want het probleem is een beetje dat als je dit nu vaststelt, dan kan het college natuurlijk op basis van de visie die nu wordt vastgesteld over een paar jaar, maar in 2025 hebben jullie weloverwogen deze visie op deze manier vastgesteld. En dat was een abstracte kaart, maar hij is vastgesteld. En dat is een heel begrijpelijke gedachte.
En daarom wil ik begrijpen, hoe is de status en wat kun je daaraan doen, als je dat zou willen? De voorzitter: Volgens mij ziet uw vraagt dan op twee aspecten. Is het ergens terug te vinden in beleid of kaders die we wel als raad hebben meegegeven? En zo niet, kunnen we daar dan nog iets aan doen of kunnen we daar ook later nog over doorspreken, zonder dat we nu onszelf te ver vastgelegd voelen in de visie, zoals die nu voorligt? De heer Cornax, gaat uw gang. De heer Cornax: Ik denk voor dit voorbeeld van bijvoorbeeld verdichtingslocaties dat dat wel ... Dat waar het nu op de kaart is weergeven, dat dat ook wel een vertaling is van dat wat in de tekst is aangegeven. Verdichten rondom wijkcentra. Als dat niet gewenst is vanuit uw fractie of vanuit de raad, dan denk ik dat het goed is om dat signaal af te geven, bijvoorbeeld door te amenderen, en dan kan dat worden aangepast, kan ik mij voorstellen. De voorzitter: De andere vraag die daaraan voorafging was ook, op basis waarvan is dan die keuze gemaakt, waardoor dat nu in de Omgevingsvisie geland is? De heer Cornax: Dat is wel het principe van verdichten, waar we veel waarde aan hechten in deze Omgevingsvisie nu. Daar is dit eigenlijk een voortvloeisel van, het verdichten rondom wijkcentra.
En eigenlijk door dat op te nemen in deze Omgevingsvisie wordt dat kader vervolgens meegegeven voor verdere programma's of initiatieven of omgevingsplannen. De voorzitter: Daarmee is pagina 117 ook afgerond? Nee. Wilt u nog een volgende vraag stellen? Want wat mij betreft doen we gewoon het rondje allemaal vragen hoor.
9
De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, dat lijkt me prima hoor. We kunnen ook zo meteen daarover terugkomen. Maar dat is natuurlijk echt een ander onderwerp. Als het gaat over pagina 117, staan echt wel verdere details genoemd. En ik ben gewoon benieuwd hoe ik dat moet duiden. En ik ben daar gewoon heel erg in geïnteresseerd wat de gedachtes daarachter zijn. Ik las dat niet zo terug. Ik dacht, misschien kan daar verdere duiding op komen. De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Cornax: Dat gaat over subgebied 3 in het buitengebied, deze vraag. Ik kan een eerste antwoord geven, maar misschien is het ook wel goed om daar nog later een keertje op terug te komen, naar aanleiding van technische vragen, of misschien wel een volgende sessie aan te wijden. Maar zoals we net zagen, een van de ruimtelijke keuzes die we hebben toegevoegd aan de Omgevingsvisie is dat we voor het buitengebied een drietal hoofdfuncties voorzien. Dat is natuur, landbouw en recreatie. En daarbij hebben we op deze pagina 117 aangegeven dat voor dat subgebied 3 er iets meer ruimte is voor de functie wonen bijvoorbeeld of andere functies dan die 3 hoofdfuncties, waarbij dat absoluut geen hoofdfuncties zullen worden van dat subgebied 3, maar dat daar wel wat mogelijkheden geboden kunnen gaan worden.
Bijvoorbeeld wanneer verrommeling in dat gebied kan worden opgeruimd door het toevoegen van, laat ik nu even zeggen, een handjevol woningen, dan zou dat een mogelijkheid kunnen zijn. Maar je zou in dat subgebied 3 ook wat andere recreatieve functies kunnen voorzien. Daarbij moet ik zeggen dat hier nog een kader voor wordt opgesteld wat nu precies dan mogelijk gaat zijn daar. Maar in deze Omgevingsvisie geven we dan mee, ten opzichte van de andere subgebieden uit het buitengebied voorzien we in dit subgebied 3 iets meer mogelijkheid. Maar ik zal daar ook wel bij aangeven dat die mogelijkheden niet legio zullen zijn. De voorzitter: Dank voor uw beantwoording. Dan ga ik denk ik naar mevrouw Boom, van de fractie van de Dordtse VVD. Gaat uw gang. Mevrouw Boom-Vos: Dank u wel, voorzitter. Ik zal eerst even wat globale vragen doen. En dan bewaar ik mijn detailvragen voor een andere sessie of voor later. Ik zit nog steeds te puzzelen. U geeft aan, de uitwerking in de programma's wordt later gedaan. Ze worden uitgevoerd.
Waar ik alleen mee zit, hoe gaan wij als raad, als wij bijvoorbeeld met bepaalde voorwaarden in programma's mee willen denken of willen veranderen, hoe kunnen wij daar dan dat aangeven? Want ik begrijp door de nieuwe Omgevingswet is als het programma hier nu in de Omgevingsvisie staat, dat dan de raad er alleen maar wensen en bedenkingen kan opgeven, en geen voorwaarden meer. Mijn vraag is, klopt dat? En hoe zouden we dat wel kunnen doen? U gaf ook aan, de duurte van deze Omgevingsvisie zo lang mogelijk. Maar hoe gaat u dan om met nieuw beleid? Wordt dat automatisch opgenomen? Hoe gaat u om met een nieuw college, volgend jaar? Ik zie hier een heleboel collegedoelen in staan, maar het zou best wel kunnen dat een klimaatneutraal versneld of vertraagd wordt of dat we toch gaan bouwen in polders en niet meer alleen maar verdichten. Er wordt hier nee geschud, maar dat zou best wel kunnen. Hoe gaat u daarmee mee om dan? En u gaf aan, er zijn 28 keuzes gemaakt. Waar kan ik die overzichtelijk vinden, welke keuzes er gemaakt zijn? En dan nog een meer praktische vraag. De Omgevingsvisie 1.0 is in 2021 vastgesteld. Daar zijn amendementen toen op ingevoerd. Zijn die meegenomen? Bijvoorbeeld Dordwijkzone
10
niet op slot. Ik zie wel een programma Dordwijkzone, maar ik weet niet wat die inhoudt. Is die daarin meegenomen? De voorzitter: Dat zijn vier vragen volgens mij. Beginnen bij één. De heer Cornax: We beginnen bij één. Eigenlijk ging de vraag over de mogelijkheden van de raad om nog uitgangspunten of aandachtspunten mee te geven bij de uitwerking van het programma. Daar hebben we een paar weken terug, op initiatief van de raadscommissie, een consultatie voor georganiseerd, denk ik, met eigenlijk diezelfde vraag, op welke manier kan de raad nog input meegeven of richting meegeven aan de uitwerking in de programma's? Als we sec de Omgevingswet bekijken, dan is het idee dat de raad de kaders meegeeft in de Omgevingsvisie, vaststelt. En dat het college vervolgens binnen die kaders een programma uitwerkt. Maar tijdens die consultatie kwam ook naar voren dat er toch wel behoefte is om wat meer betrokken te zijn dan enkel in de Omgevingsvisie de kaders mee te geven. En toen kwam onder andere naar voren dat voor onderwerpen en thema's waar bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie nog niet voldoende kaders zijn meegegeven, dat er dan gewerkt kan worden met bijvoorbeeld een Startnotitie. En dat is aan de voorkant van het opstellen van het programma.
En dat wanneer een programma richting vaststelling door het college gaat, want het college is bevoegd gezag voor het vaststellen van programma's, dat de raad dan inderdaad nog een keertje om wensen en bedenkingen wordt gevraagd, zodat het college die kan meewegen en overwegen bij de uiteindelijke besluitvorming. Dat zo aan de voorkant. En aan de achterkant de raad in ieder geval betrokken wordt. Mevrouw Boom-Vos: Voorzitter, mag ik daar een verdiepingsvraag op stellen? De voorzitter: Gaat uw gang. Mevrouw Boom-Vos: Want u refereert terecht terug aan die consulterende sessie. Volgens mij is die consulterend geweest. Ik hoor u ook dingen zeggen, maar er blijft nog heel veel onduidelijk. Wat is er mogelijk? Wat wordt er afgesproken met het college? Kan ik niet helemaal van u verwachten. Dat snap ik. Maar wanneer krijgen we daar duidelijkheid over? Of kan die vraag bij de griffie gelegd worden? De voorzitter: Een korte onderbreking. Mijnheer Van der Meer, u wilt hier op dit punt iets aanvullen? De heer Van der Meer: Ja, een aanvullende vraag ook. Want het blijft zo in dit scenario dat het college aan zet is, waar het gaat over programma's. Maar daarna moet het vertaald worden in het omgevingsplan. En daar gaat de raad wel weer over. En dat is in die consultatie ook aan de orde geweest.
De vraag is, als de raad vindt dat het college de visie niet goed vertaald heeft in de programma's, kunnen we dat dan bij het omgevingsplan corrigeren? De voorzitter: Ik hoorde ook nog een verzoek aan de griffier. Daar zal ik me zo eens even nader over laten informeren. En uw verzoek was gericht aan de hand aan de heer Cornax. Gaat uw gang.
11
De heer Cornax: Dat lijkt mij wel dat wanneer een omgevingsplan, hoe moet ik het zeggen, planologische mogelijkheden gaat bieden voor een initiatief, ja of te nee, dat is aan de raad uiteindelijk. En misschien dat ik voor mijn beurt spreek, maar om antwoord te geven op uw vraag, er komt een raadsinformatiebrief vanuit het college richting de raad, waarin het college aangeeft hoe zij het voor zich zien dat de raad betrokken wordt bij het opstellen van programma's. Mevrouw Boom-Vos: En daar zijn volgens mij verschillende aandachtsgebieden voor programma’s benoemd, toch? En daar staat dan ook in die raadsinformatiebrief wat er met welk programma gedaan wordt, die nu in Omgevingsvisie staat? Ik ga het gelijk even in detail vastleggen. De voorzitter: We kunnen dit ook gewoon zien als een verzoek wat nog doorgeleid wordt, via de griffie, naar het college, om deze onderdelen gewoon in een raadsinformatiebrief mee te nemen. Dan kan het college in al haar wijsheid besluiten wat ze daarmee al dan niet doet. Is dat de oplossing? Dan staat die bij deze genoteerd. U wilde nog reageren op de andere gestelde vragen, volgens mij. Gaat uw gang. De heer Cornax: Want dat was de eerste vraag.
De tweede vraag was, u vroeg zich af hoe nieuw beleid wordt meegenomen in de Omgevingsvisie? Het kan zomaar gebeuren dat er elk jaar een aantal nieuwe beleidskaders zijn, of dat er ontwikkelingen zijn in de wereld die misschien wel om een andere richting van de Omgevingsvisie vragen. Je zou kunnen denken dat je bij ... Laat ik even een concreet voorbeeld pakken. Stel er is een woningbouwproject wat niet in lijn is met de Omgevingsvisie, maar we met zijn allen toch wel graag zouden wensen, dan wordt de raad gevraagd om een adviesrecht. Of om een advies, sorry, moet ik zeggen. Zodat een omgevingsvergunning voor buitenplanse afwijking kan worden afgegeven. Maar op dat moment moet de raad dan eigenlijk ook gevraagd worden om de Omgevingsvisie aan te passen, want anders is die ontwikkeling strijdig met de Omgevingsvisie. En dat is even een concreet voorbeeld van dat het best wel aannemelijk is dat er ontwikkelingen zullen zijn die om aanpassing van de Omgevingsvisie gaan vragen. Hoe we daar in de praktijk mee om willen gaan, je zou bijvoorbeeld kunnen denken dat je niet bij elk concreet initiatief gelijk de Omgevingsvisie wijzigt, maar dat je het opschrijft en eind van het jaar even de balans opmaakt van, we hebben drie locaties die niet passend zijn, dat moeten we corrigeren. En we zien dat er een nieuwe Regionale Energiestrategie is, dat moeten we ook verwerken. Dat zou kunnen.
Ik durf dat niet met zekerheid te zeggen hoe dat in de praktijk eruit gaat zien. De voorzitter: Ik zie wel dat dat tot een vraag leidt bij de heer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, dank. Aanvullend of eigenlijk een beetje hier gelijk aan. Het gaat natuurlijk over, welk visiedocument is natuurlijk leidend? En dan heb je ook natuurlijk regionale visies nog inderdaad. We hebben natuurlijk provinciaal beleid, waar je als gemeente onder hangt. We hebben natuurlijk nog landelijk beleid, ook op het gebied van ruimtelijke ordening. Gaat soms best hard. Maar wat wint er in beleid op welk moment? En wat is dan die status van de Omgevingsvisie? Dat blijft voor mij toch een heel moeilijk punt.
12
De voorzitter: Hoe verhoudt de Omgevingsvisie van Dordrecht zich tot beleid van andere overheden, tenminste medeoverheden? En tegelijkertijd ook daarbij opmerkend dat er zojuist gesteld is dat dat herijkt zal worden, regelmatig. Het is een beetje een soort APVconstruct. Zo alles bij elkaar geveegd en aan het eind van het jaar ... Kunt u misschien wat nader toelichting geven over de aspecten die de heer Van Dam Timmers daarin naar voren brengt, hoe dat zich ook verhoudt tot beleid van medeoverheden? De heer Cornax: Ik denk, het beleid van hogere overheden, dat dat in principe doorwerkt naar gemeentelijk niveau. Ik kan me voorstellen dat wanneer daar wijzigingen in plaatsvinden, die ervoor zorgen dat onze Omgevingsvisie daar sterk van afwijkt, dat we dat dan wel moeten corrigeren. De heer Van Dam Timmers: Voorzitter. De voorzitter: De heer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Dan misschien ietsje scherper. Wat er nu in de Omgevingsvisie staat, dat klopt met het huidige provinciale en landelijke beleid? Kan ik dat dan zo vaststellen of is dat niet het geval? Daar ben ik wel benieuwd naar. De voorzitter: De heer Cornax. De heer Cornax: Voor zover ik weet, klopt dat. En van de provincie hebben we een zienswijze ontvangen, maar daarin is niet aangegeven, dit wijkt sterk af van ons beleid.
Van de landelijke overheid hebben dan geen zienswijze ontvangen, maar ik ga ervan uit dat dat in dezelfde lijn is. De voorzitter: Er waren, als het goed is, nog twee resterende vragen. De heer Cornax: De derde vraag ging over de 28 keuzes, waar die te vinden zijn. Die zijn in de samenvatting te vinden, in de witte kaders. Daar zijn ze per deelgebied onderverdeeld. En achter de presentatie, die jullie als het goed is ook als pdf hebben ontvangen vandaag. Na deze sheet, ik kan het wel even laten zien eigenlijk, heb ik ze ook allemaal nog een keertje opgenomen. Daar zijn ze te vinden. Dan de vierde vraag, hoe zijn de amendementen op de 1.0 meegenomen? Volgens mij zijn die verwerkt. Ikzelf heb geen reden om aan te nemen dat dat uiteindelijk niet is gebeurd. Ik was destijds niet betrokken, moet ik eerlijk bekennen. Maar dat is mogelijk iets wat ik ook nog even zou kunnen nakijken. De voorzitter: Mevrouw Boom refereerde aan een specifiek amendement, volgens mij. Maar misschien kunnen we dat ook via de griffier even onder de aandacht brengen. U wilde er nog even op door? Mevrouw Boom-Vos: Ik wil er meer een begrijp-vraag van doen. De voorzitter: Daar zitten we voor. Mevrouw Boom-Vos: Want u zegt, alles is verwerkt. Ik zie in de Omgevingsvisie een speciaal programma Dordwijkzone. Dat was een van de amendementen waar ik naar
13
vroeg. Hoe kunnen wij dan als raad weten dat dit verwerkt is? Hoe zien wij dat programma Dordwijkzone ooit terug? Ooit als wens en bedenking? Of in een omgevingsplan? Maar hoe vaak? Ik heb nog nooit een omgevingsplan gezien. Het is allemaal nieuw. Hoe vaak gaat dat komen? De voorzitter: De heer Cornax. De heer Cornax: Dat is ook iets wat vorige keer tijdens de consultatie voorbij is gekomen, dat wanneer het college ... Stel het college gaat aan de slag met dit programma, dan kunnen ze de raad vragen om uitgangspunten in een Startnotitie mee te geven. Dat zal niet voor elk onderwerp of elk thema aan de orde zijn, verwacht ik. Aan het eind van het proces kan de raad om wensen en bedenkingen worden gevraagd. En voor die thema's en onderwerpen waarvan het college inschat, dit programma werken we gewoon uit binnen de kaders die in de Omgevingsvisie staan, of het is de verwachting dat die kaders uit de Omgevingsvisie volstaan voor de uitwerking van het programma, dan zullen ze, wanneer het college een programma vaststelt, ook via een raadsinformatiebrief de raad informeren over het feit dat dat programma is vastgesteld. Mevrouw Boom-Vos: Nog mijn laatste vraag. De voorzitter: Gaat uw gang. Mevrouw Boom-Vos: Want u zegt, het college kan wensen en bedenkingen opvragen.
Maar ze kunnen het ook niet doen? De heer Cornax: Dat is, en dan moet ik niet voor mijn beurt gaan praten, want dat is aan het college om dat uiteindelijk te besluiten hoe ze dat willen gaan doen. Maar zoals ik net aangaf, je kan je voorstellen dat er bepaalde onderwerpen of thema's zijn waarvoor kaders zijn gegeven in de Omgevingsvisie, die duidelijk genoeg zijn voor het college om daar binnen die kaders een programma uit te werken. En of ze dan daarvoor ook nog de raad om wensen en bedenkingen willen vragen? Ik kan me voorstellen, maar dan spreek voor mijn beurt, dat het niet voor elk onderwerp of elk thema aan de orde is dat een college dat zou willen doen. Maar misschien besluit het college anders en willen ze dat wel doen. Dat durf ik niet zeggen. De voorzitter: Volgens mij hebben we daar de vragen bij deze beantwoord. En dan gaan we naar de andere kant. Ik geef mevrouw Jager het woord. Gaat uw gang. Mevrouw Jager: Dank u. Twee dingetjes. Pagina 113 allebei. Daar valt mij op dat de poldergebieden worden genoemd. Poldergebied 1, 2 en 3. Maar die haal je hier niet uit. Zou het kunnen dat, op andere plekken ben ik er ook al tegenaan gelopen, dat als delen van wat getekend is, benoemd worden, dat dat ook aangegeven wordt? Die delen in een apart kleurtje doet, met een nummertje erbij. Want niet iedereen is doorgestudeerd in de polder. Voor anderen is dat wel handig.
En ook als er iets aangelegd wordt van een park dat van daar naar daar loopt, dat dan even de weg die er langsloopt, die je duidelijk ziet, ook soms daar even bijgezet wordt welke dat is, want het is niet altijd helder. En ik denk, voor mensen die dat niet helemaal goed weten, maar die dat wel moeten bekijken, dat dat erg fijn zou zijn. Dat scheelt een heleboel tijd. En dan heb ik nog een vraag. En die is wat lastiger, denk ik. Dingen die we al eerder besloten hebben, die uitgevoerd zijn, in
14
hoeverre wordt er met die ervaring nog iets gedaan van de resultaten daarvan binnen deze Omgevingsvisie? Ik zal een voorbeeld geven. Er staat hier bijvoorbeeld, de Nieuwe Dordtse Biesbosch is een nieuw gevarieerd natuur- en recreatiegebied dat zich ontwikkelt tot een Biesbosch-achtig landschap, met een duurzaam, robuust watersysteem als basis. Dat watersysteem was bedoeld om de stad te voorzien van fris water, in de sloten en vijvers. En dat lukt niet helemaal. Want toevallig van de week kregen we nog nieuws dat het Biggetjespark gesloten moet worden, omdat de vijvers zo vervuild zijn en dat de sloten in Sterrenburg vervuild zijn. Sterrenburg was het eerste wat fris water zou moeten hebben. Dit staat hierin. In hoeverre worden dergelijke plannen, die in het verleden gemaakt zijn en uitgevoerd zijn, gecontroleerd of dat waar is, in plaats van dat er gewoon op doorgeborduurd wordt? Dat zou ik wel graag willen weten. Dat is het, wat mij betreft, voor nu. De voorzitter: Dat zijn geen twee dingetjes hoor dit. Zijn wel stevige dingen. Gaat uw gang. De heer Cornax: Voor wat betreft de eerste vraag, over het verduidelijken van kaartmateriaal, specifiek dat voorbeeldje op bladzijde 113, dat volg ik. Er wordt gesproken over poldergebied 1. En vervolgens wordt dat niet op dat kaartje ernaast weergeven. Ik kan me voorstellen dat dat helpt om dat te verduidelijken.
En de tweede vraag is lastig. Wat mij het eerste te binnen zou schieten, is dat het denk ik juist goed is dat we nog een keer in deze Omgevingsvisie 2.0 ook weer benadrukken dat die waterkwaliteit, of hoe benoemde u het, de basis is van dat nieuwe gebied. Mevrouw Jager: Het staat hier hoor, robuust watersysteem als basis. De heer Cornax: Robuust watersysteem. Mevrouw Jager: Daar is een gigantisch grote put voor aangelegd zelfs. De heer Cornax: En de praktijk laat nu zien dat het nog niet het gewenste effect heeft. Het is des te belangrijker, denk ik, dat we nogmaals in deze 2.0 de aandacht daarop vestigen. Mevrouw Jager: Dat begrijp ik. Hij staat nog aan. Dat begrijp ik. Maar nu komt het boven water even. Er zitten vast wel meer dingen in die eerder besloten zijn en uitgevoerd en wat niet helemaal is wat het wezen moet. Maar hoe komt dat bij elkaar? Ik bedoel, ik zeg het nu en het wordt wel opgenomen, maar niemand gaat daarmee aan de gang, tenzij iemand zegt, die Omgevingsvisie moet daar en daar en daarop getoetst worden. Wie moet dat zeggen en hoe gaan dat gebeuren? De heer Cornax: Zonder dat ik de precieze inhoud weet, maar ik kan me goed voorstellen dat deze kaders, die in de Omgevingsvisie en ook al in de 1.0 dan zijn meegegeven, dat die vervolgens zijn uitwerking kennen in bijvoorbeeld het programma Groenblauw.
Waarin dan concreet maatregelen verder worden uitgewerkt en waarin dan, als het goed is, ook een vorm van monitoring wordt voorgesteld om te kijken of die maatregelen die worden voorgesteld worden de gewenste effecten hebben. Maar daarbij dan even de kanttekening dat ik niet zeker weet of dat ook zo is uitgewerkt in dat
15
programma. Maar dat zou een weg kunnen zijn om scherp te houden, waar willen we naartoe, welke maatregelen nemen we daarop en hoe werken die maatregelen? Mevrouw Jager: Maar het gaat me vooral om het feit dat we dergelijke maatregelen genomen hebben en dat we die uitgevoerd hebben en dat het niet gebracht heeft wat de bedoeling was. En hoe gaan we voorkomen dat het nu weer gebeurt? Dat is het punt. En kun je zeggen, we gaan monitoren, dan komen we er op een gegeven moment achter dat het weer niet gewerkt heeft. Ik zou graag willen dat we het voorkomen. De voorzitter: Hij begint nu een beetje in een scheidslijn techniek, politiek te geraken, maar ik begrijp uw vraag wel gewoon heel goed hoor. Maar ik denk dat de heer Cornax ook niet verder de toelichting kan geven, dan zoals nu verwoord in de Omgevingsvisie en de vragen die daaraan raken, die door u gesteld zijn. De voorzitter: Ik begrijp dat die mijnheer het niet verder uit kan leggen op dit moment, maar ik wilde het eventjes kwijt. De voorzitter: Maar ik denk ook dat het goed voor u is om daar een scherp politiek oog op te houden, ook in de vervolgbesprekingen van dit stuk. De heer Damen, gaat uw gang. De heer Damen: Dank u, voorzitter. Voorzitter, het kan zijn dat ik eroverheen gelezen heb, maar ik mis een paar onderwerpen. En ik wil graag weten of dat een bewuste keuze is geweest.
Het gaat dan met name om het beleid ten aanzien van voetgangersverkeer. We gaan uit van het STOMP-principe. Daar staat stappen op de eerste plaats. In het hele verhaal kom ik daar weinig over tegen. Eigenlijk niets. En daarop aansluitend uiteraard het verkeer van mensen die in een rolstoel zitten of zich daarin moeten verplaatsen. Daar ook op aansluitend mis ik de winkelfuncties in de gebieden Krispijn en Reeland, Vogelbuurt. En met name dan, dat sluit op het vorig punt aan, langs de aanloopstraten. Is dat ook een bewuste keuze of is dat een omissie? En ten slotte, in de nota wordt gesproken over een strategische kantoorreserve. Maar dat vindt vrij weinig, tenminste, mij is geen goede analyse bekend over wat de kantoorfunctie van Dordrecht precies zou moeten zijn binnen de zuidvleugel van de Randstad. Ik heb het idee dat we langzamerhand een beetje op Zoetermeer beginnen te lijken, wat dat betreft. En dat lijkt me niet zo wenselijk. Dat lijkt me een onderwerp waar je ook in deze visie wat uitgebreider aandacht aan moet besteden, om te kijken wat je kansen en mogelijkheden zijn. De voorzitter: Ik denk dat het zowel politiek als technisch waar is dat je nooit op Zoetermeer moet willen lijken. Dank voor die toevoeging. Dat we daar geen motie voor nodig hebben. Er zijn drie punten naar voren gebracht die de heer Damen mist. Ik hoop dat u daarop in kan gaan.
De heer Cornax: Dank u wel, voorzitter. De eerste vraag of opmerking ging over voetgangersverkeer en het STOMP-principe. In principe, bij het doel bereikbare stad wordt het STOMP-principe aangehaald en worden de hoofdlijnen voor wat betreft eigenlijk het hele mobiliteitsthema gegeven. En dit is misschien een voorbeeld van dat de Omgevingsvisie de hoofdlijnen bevat en dat de uitwerking in een programma gebeurt. En in dit geval is het programma dan het Mobiliteitsplan 2040. En dat is een verwarrende
16
naam, dat het niet mobiliteitsprogramma heet. Maar feitelijk is het mobiliteitsplan een programma onder de Omgevingsvisie. De voorzitter: De heer Damen. De heer Damen: Maar ook daar ontbreekt de aandacht voor het wandelen, naar mijn idee. De voorzitter: Volgens mij is de toelichting gegeven dat het als programma eronder hangt. Hoe dat verder vertaald zit in de Omgevingsvisie en of dat voor u voldoende is of voldoende gewaarborgd daarmee, daar kunt u alleen vragen of daar inderdaad beleidsmatige keuzes op zijn geweest? En u had ook nog twee andere voorbeelden genoemd. De heer Damen: Winkelfunctie in combinatie met de aanloopstraten in de gebieden Krispijn. En dan met name op de Krispijnseweg en het Land van Valk. En dan praat je over de Vrieseweg, Reeweg en Sint Jorisweg. De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Cornax: In het deelgebied woonwijken wordt ingegaan op voorzieningen, voorzieningenaanbod en er wordt gesproken, zie ik, over wijkwinkelcentra. Zoals ik het nu zo zie, wordt er volgens mij voor geen wijk de precieze centra benoemd bij naam. De heer Damen: Maar wel op het kaartje op pagina 34, waar we het eerder over hadden hier. De voorzitter: Pagina 34. Pak hem er allemaal even bij. Gaat uw gang. De heer Cornax: Dat is het kaartje waarop de verdichting rondom wijkcentra is aangegeven. Hier is hij.
Deze wijkcentra, waar rond verdichting kan plaatsvinden, die volgen uit de analyse van de verdichtingsstudie. Die komen daaruit voort. Of daar ook een bewuste keuze in is gemaakt om dat voor de genoemde twee locaties niet mee te geven, het verdichten rond die wijkcentra, dat zou ik moeten nazoeken. Dat kan ik nu zo niet beantwoorden. De voorzitter: Dat kan de heer Damen zelf ook, want volgens mij is de verdichtingsstudie al bekend bij de gemeenteraad. We kunnen straks natuurlijk ook sowieso de verdiepingsslag even maken voor de andere twee sessies. Dat we überhaupt wat thema's gaan aanraken waar we dan even verder over door kunnen praten, want uw vragen raken ook gewoon aan, volgens mij, concrete thematiek met de verdichting, voorzieningenaanbod, welke keuzes daarin gemaakt zijn. Zullen we het zo doen? De heer Damen: Ja, prima. Dan had ik nog een vraag over de analyse van behoefte aan kantoren en de kansen. De voorzitter: Dat is inderdaad, daar nog niet op ingegaan. Die kans niet onbenut laten.
17
De heer Cornax: Klopt. Een analyse specifiek voor de Dordtse situatie is er inderdaad nog niet. Onlangs is er wel een provinciale analyse uitgebracht. Ik weet niet of u die toevallig voorbij hebt zien komen. Maar daar geeft de provincie Zuid-Holland ook aan, kantoren op locaties rondom intercity treinstations zijn wenselijk binnen de provincie. Dat is misschien een eerste stap in de analyse. Maar ik zou het bij de collega van economie kunnen peilen hoe zij ertegenaan kijken om ook zo’n analyse specifiek voor de Dordtse situatie te doen. Ik weet wel dat we het erover hebben gehad en dat het beeld bestaat dat die behoefte er is, kantoren rondom het station hier. Maar heel hard met cijfers te onderbouwen kon op dat moment nog niet. Daar zou een analyse aan kunnen bijdragen. De voorzitter: Helder. Dan stap ik over naar de fractie Gewoon Dordt. Geen vragen? VSP. De heer De Vries. De heer De Vries: Dank u wel, voorzitter. Graag. Ik wilde even teruggaan naar pagina 1, de samenvatting. Kort en begrijpelijk. En waar ik eigenlijk benieuwd naar ben ... Het is een hele mooie visie, heel optimistisch, duidelijk. En dan zie ik bijvoorbeeld staan, de manier waarop de leefomgeving is ingericht, draagt bij aan gezondheid en ontmoeting. Zo is een meer samenredzame gemeenschap ontstaan. Meer betrokkenheid bij en vertrouwen in elkaar en de buurt.
Het welzijn van de inwoners is verbeterd, de sociaaleconomische positie van onze stad is hoger. Nou is er de laatste tijd nogal aardig wat veranderd. En de wereld zit op het moment heel vreemd in elkaar. Vandaar dat ik die optimistische vraag ... De VSP zou graag een onderbouwing zien voor de beweringen over de positieve effecten van de leefomgeving op gezondheid, ontmoeting en gemeenschapszin, en zeker over de betrokkenheid en vertrouwen in elkaar en in de buurt. Want die zie ik eigenlijk alleen maar afbreken op het moment. Dat was mijn vraag. De voorzitter: De heer Cornax. De heer Cornax: Om te beginnen, de tekst die geciteerd wordt, komt uit het toekomstbeeld Dordrecht. Het toekomstbeeld dat we voor 2040 met zijn allen zouden hebben voor Dordrecht. Een toekomst waar inderdaad meer betrokkenheid en vertrouwen in elkaar in de buurt is. En u vraagt om een onderbouwing waaruit blijkt dat wanneer de fysieke leefomgeving op een bepaalde manier wordt ingericht dat dat bijdraagt aan zo'n doel of zo'n samenleving. Heb ik de vraag zo goed begrepen? De voorzitter: De heer De Vries. De heer De Vries: Ja, dat klopt. U heeft die vraag zo begrepen. En ik weet dat er eigenlijk geen goed antwoord op te geven is. Maar ik wilde toch wel even die zorgen mededelen. Ik vind dat je gewoon in een visie ook ... De visie gaat tot 2040.
En dan moet je ook zulk soort aspecten mee gaan nemen en over nadenken hoe we daarmee verdergaan. Dat is mijn zorg. De voorzitter: Misschien kunt u dat het onbeantwoorde, of tenminste de vraag die onbeantwoordbaar is toch beantwoorden. De heer Cornax: No pressure. Ook hiervoor, ik zou u graag van een antwoord voorzien. Zelf heb die kennis niet, maar ik heb wel collega's die, dat noemen we dan zogenaamde doelcoördinatoren, betrokken zijn bij deze Omgevingsvisie, die zich verdiept hebben in
18
het doel, Dordrecht is een gezonde stad, waar dit deels ook onder kan vallen. Voordat ik zeg, ik heb het antwoord niet, zou ik graag nog even die collega's raadplegen en hopelijk u wel van antwoord kunnen voorzien. De voorzitter: De heer De Vries. De heer De Vries: Nog even een heel klein stukje. Ik zou het heel fijn vinden, ik hoop eigenlijk dat de commissie het met mij eens is, dat er over zulk soort dingen nagedacht moet worden, want er is echt heel wat veranderd in de wereld. De voorzitter: En we kennen u allemaal als een waanzinnig positief mens, maar ook positieve mensen hebben in deze tijd soms ... Dat erken ik ten zeerste. Maar ook die mensen worden geconfronteerd met inderdaad een wereld waar best een hoop lelijke dingen gebeuren. En wat je daarover opschrijft in je eigen visiestukken, dat is eigenlijk uw oproep, daar hebben we wel rekening mee te houden. Dan ga ik naar de heer Gündogdu. De heer Gündogdu: Voorzitter, dank u wel. Ik heb ook een aantal vragen. Mijn eerste vraag is, voorzitter, er is zojuist wel even aan gerefereerd, maar om het toch even goed te begrijpen. Deze Omgevingsvisie heeft een scope naar 2040. En een aantal jaren geleden hadden we ook de Omgevingsvisie 2040 al vastgelegd. Ik neem aan dat dit de plaats inneemt van de Omgevingsvisie 2040. Nu hebben wij in die Omgevingsvisie 2040 al een aantal uitspraken gedaan, en ze ook vastgelegd.
Bijvoorbeeld, bebouwen in de polders. Dat is concreet gemaakt, in ieder geval tot 2040 kan er niet gebouwd worden in de polders. Vervolgens is mijn vraag, dit document is ook aardig politiek gevoelig ... En op het moment dat er een nieuw college aantreedt, met wat partijen die menen daar een andere visie op te hebben, op de polders, terwijl u aangeeft, we gaan niet om de zoveel jaren een visie veranderen, wat is dan het mandaat van een raad die dit toch ter discussie wil stellen? Dit is mijn eerste vraag. De voorzitter: Die vraag is ook al een tijdje geleden gesteld door, maar wellicht kunnen we daar toch nog even een nadere toelichting op krijgen. Maar help mij even. Maar volgens mij was dat een deel waar de RBI ook op terug zou moeten komen, toch? Of gaat dat weer over een heel ander ... Dan gaat het over hoe je omgaat met omgevingsplannen, et cetera, en welke vrijheid het college daarin heeft, of niet? Daar hebben we net wel een discussie over gehad, maar misschien kan de heer Cornax daar nog enige toelichting op geven, in het licht van de Omgevingsvisie die voor ons ligt. De heer Cornax: Ik ben van mening dat wanneer je een Omgevingsvisie vaststelt, dat het het sterkste overkomt als je die zo lang mogelijk volgt.
Maar mochten er zich ontwikkelingen voordoen in de wereld, lokaal, die vragen om een wijziging van de Omgevingsvisie, dan kan ik me voorstellen dat daar vanuit de raad of een college een signaal wordt afgegeven van, let op, er zijn nu zulke ontwikkelingen gaande, dat strookt niet meer met de Omgevingsvisie die wij hebben, misschien moeten we hem toch op dat punt herzien. Ik denk dat die mogelijkheid bestaat. Maar nog even herhalend wat ik als eerste zei, ik denk dat het ook sterk is om een Omgevingsvisie neer te zetten waarvan je in ieder geval verwacht dat die de komende jaren als basis wordt gebruikt. De voorzitter: De heer Gündogdu.
19
De heer Gündogdu: Voorzitter, om het nog concreter te maken. Kijk, het huidige college en de raad heeft gezegd, we willen in 2040 energieneutraal zijn, terwijl landelijk 2050 eigenlijk het punt op de horizon is. Ik kan me zo voorstellen, want dit is een politieke keuze geweest, dat een nieuw college en een nieuwe raad zegt, daar stappen we van af. Wat is de speelruimte van een nieuw college en een ruimte om straks daar iets van te vinden wat nu door deze raad wordt vastgesteld? Ik hoef nu geen antwoord, maar dat is wel even wat ik wil meegeven in ieder geval. Misschien dat dat ook in de raadsinformatiebrief verwoord kan worden. De voorzitter: Er is door een aantal andere partijen dit ook naar voren gebracht. En het is volgens mij, of er inderdaad door zowel autonome als externe veranderende omstandigheden de ruimte bestaat om de Omgevingsvisie te herijken. Dat zijn volgens mij de vragen die hierover gedeeld zijn. En daar is wel met instemming tot nu toe ook op gereageerd dat dat kan. De heer Gündogdu: Mooi. De voorzitter: Ik zit hier voor, ik hoor het voorbijkomen. De heer Gündogdu: Ik vind het mooi. De voorzitter: Maar het is ook aan u als commissie en als raad dat als u een visie vaststelt, dat het dan wel iets ... Een visie is niet iets wat morgen zomaar kan gebeuren. Dat zal wel langjarig zijn. Dat is ook de andere kant van de medaille, die ik zojuist gehoord heb.
Maar daar gaan we vast op een ander moment nog even over door. De heer Gündogdu: Jazeker, maar dan moet het ook een gedeelde visie zijn door mij. De voorzitter: Terecht dat u dat opmerkt. De heer Gündogdu: Maar dat is politiek. Daar doen we niet aan. Voorzitter, een andere vraag is, wat ik in dit document opvallend genoeg wel mis, is dat wij de Regionale Energiestrategie hebben vastgelegd. En een van de uitwerkingsrichtingen was, vanwege onze bodemkwaliteit en waterkwaliteit in de bodem, we hebben aquathermie en geothermie. Ik ben geen kenner. Maar dat we daar juist in onze buitengebieden zouden gaan investeren, omdat daar heel veel potentie ook is vanwege de opgave die wij onszelf hebben gegeven. Ik zie in deze visie niks terug over hoe wij onze energievoorziening willen gaan realiseren vanuit ons eiland. Is dat een keuze? Gaat dat nog komen? Althans, ik beschouw dit als een visie op langere termijn. Daar zouden we iets over moeten willen roepen, want dat hebben we namelijk eerder al gedaan. En dat gaat ook over het punt voedsel uit eigen bodem. Er komt een Voedselvisie, maar ook in eerdere opgaven hebben we gezegd, voedsel met een zo min mogelijke voetprint uit ons grondgebied zouden we moeten aanjagen. En ik denk naar de visie 2040 en verder, daar zouden we ook een duidelijke uitspraak over moeten willen doen.