2.6 2024.05.28 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 3 - concept.pdf
Tekst van het document
VERSLAG VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE GEMEENTE DORDRECHT DORDTSE DINSDAG D.D. 28 MEI 2024 Vergaderzaal 3 3. Vaststellen Startnotitie Verdichtingsplannen – Startnotitie (technische sessie) Voorzitter: Mevrouw Boom-Vos Raadsgriffier: De heer Den Boer Verslag: Notubiz Aanwezig: Dhr. Alders (VVD) Dhr. Ayverdi (DENK) Dhr. Damen (PvdA) Dhr. Gündogdu (Op ons eiland) Dhr. Katif (Beter voor Dordt) Dhr. Laban (CU-SGP) Dhr. Portier (SP) Dhr. Roggekamp (Gewoon Dordt) Dhr. Struijk (CU-SGP) Dhr. Van der Kruijf (CDA) Dhr. Van der Meer (GL) Mevr. Van Herwijnen (VSP) Dhr. Wringer (Beter voor Dordt) Overige aanwezigen: Dhr. Van Oosterhout (ambtenaar) Dhr. Van Hemert (Stedenbouwkundige bij Bureau De Zwarte Hond) Dhr. Zandbelt (Stedenbouwkundige bij Bureau De Zwarte Hond) Portefeuillehouders: wethouder M. Burggraaf Voorzitter: Welkom allemaal, raadsleden, commissieleden, mensen in het publiek. Wethouder Burggraaf zal dadelijk nog aanschuiven, verwachten we. En, welkom aan onze gasten de heer Zandbelt, de heer Van Hemert van het ontwerpbureau De Zwarte Hond en de heer Van Oosterhout vanuit onze ambtelijke organisatie. Voor de notulen ga ik even vragen, of dat iedereen zich voor wil stellen. Dan wil ik toch ook even bij u beginnen. Dhr. Zandbelt: Daan Zandbelt, stedenbouwkundige en partner bij bureau De Zwarte Hond. Dhr.
Van Hemert: Jan-Maarten van Hemert, stedenbouwkundige, collega van Daan bij De Zwarte Hond. Dhr. Van Oosterhout: Mark van Oosterhout, ambtenaar.
1
Dhr. Van der Meer: Frans-Bauke van der meer, GroenLinks. Mevr. Van Herwijnen: Irma van Herwijnen, Partij voor de Dieren Dhr. In ’t Veld: Richard in ’t Veld, VSP. Dhr. Noldus: Robin Noldus, Dordtse VVD. Dhr. Wringer: Jan-Willem Wringer, Beter voor Dordt. Dhr. Katif: Jacques Katif, Beter voor Dordt. Dhr. Ayverdi: Emin Ayverdi, DENK Dordrecht. Dhr. Struijk: Leen Struijk, ChristenUnie-SGP. Dhr. Laban: Vincent Laban, ChristenUnie-SGP. Dhr. Van der Kruijff: Wim van der Kruijff, CDA. Dhr. Roggekamp: Erik-Jan Roggekamp, Gewoon Dordt. Dhr. Damen: Leo Damen, Partij van de Arbeid. Dhr. Gündogdu: Aydin Gündogdu, Op ons Eiland. Dhr. Portier: Ronald Portier, SP. Dhr. De Boer: Mark de Boer, commissiegriffier. De voorzitter: Dank u wel. Op 14 mei besloot de Agendacommissie, om nog een technische sessie rondom dit onderwerp te houden. Omdat er vooral nog veel informatiebehoefte was, aan de totstandkoming en de mogelijkheden van de negen verdichtingsprincipes. Want die moeten we gaan vaststellen, of niet gewijzigd of niet in de raad. Die verdichtingsprincipes zijn ook leidend voor de verdichtingsplannen per wijk. Die later dit jaar, ter vaststelling aan de raad worden aangeboden. Dus we gaan vanavond ons goed toe laten lichten. Ik heb met de heren afgesproken, dat we even zoveel mogelijk de presentatie afwachten en de vragen aan het einde stellen.
Zijn er echt verduidelijkingsvragen op dat moment, dan kan dat altijd. Maar het liefst, de vragen bewaren tot aan het einde, zodat we genoeg tijd houden. Dan wil ik nu het woord geven aan de heer Van Oosterhout, voor een korte inleiding. Oh, ga uw gang. Mevrouw ‘Van Herwijnen’: Ik had nog even een vraag over het voorstel an sich. De, in het voorstel staat, dat de verdichtingsstudie en de kaart, dat die voor kennis worden genomen. Is, hoort die dan wel of niet, bij het voorstel? De voorzitter: Ter kennisnemen, dan neemt u er geen besluit over. Is puur ter informatie, dus daar neemt u geen besluit over. De heer Portier.
2
De heer Portier: Aanvullend, hierop. Voor we kennis kunnen nemen van de verdichtingsstudie, moeten we die wel hebben en die zit niet bij de stukken. De voorzitter: Dat klopt. Dat las ik van de week en toen dacht … Ik weet niet, of dat u dat dadelijk uit kunt leggen, de heer Van Oosterhout? Of, wanneer het wel komt. De heer Van Oosterhout: Nu eerst gelijk? Nee, dat kan. Ja, wat u hier ziet, zijn in ieder geval de verdichtingsprincipes, die we willen hanteren. Daarvan is het van belang, dat u die ook als raad vaststelt, zodat wij een kader hebben, waarmee we vervolgens verder gaan. De hele studie heeft eigenlijk ook geleid tot die principes en een aantal ja, berekeningen, die De Zwarte Hond denk ik, dadelijk ook zal laten zien. Waarmee we gevoel krijgen en zicht krijgen, op hoever dat dit bij kan dragen aan onze woningbouwopgave, die we als gemeente hebben. Vervolgens worden die uitgewerkt, naar echt plannen per wijk. En nou ja, die uitwerking, die komt dan ook echt naar de raad, om ook weer als raad vastgesteld te worden voor de verdere stappen, die wij daarin gaan zetten. Dat is de bedoeling ervan, in ieder geval. De Voorzitter: Maar het document van de verdichtingsstudie, die nu nog niet beschikbaar is. Weet u dat, of moeten we dat dadelijk aan de wethouder vragen? De heer Van Oosterhout: Dat lijkt me het handigste, om dat laatste te doen.
De voorzitter: Ik zag de heer Damen ook een vraag hebben? De heer Damen: Ja, voorzitter. U zei net, dat de negen principes leidend zijn. Maar een, ik heb ook gelezen in de stukken, dat bij iedere locatie weer afgewogen wordt van, aan de hand van de factoren ter plekke, van wat je precies gaat doen. Dus nou is het voor mij onduidelijk, in hoeverre de principes die we nu dadelijk in de raad gaan vaststellen, bepalend zijn voor wat we verder doen, of dat die nog ruimte laten voor nadere afweging. De voorzitter: Nou, laten we eerst de presentaties afwachten. En als die op het einde dan nog, dit, deze vraag nog op tafel ligt, dan ga ik bewaken, dat die beantwoord wordt. De heer Van Oosterhout: Ja, heel graag. Ik hoop, dat dat inderdaad in de laatste sheet, waar we het over het vervolg gaan hebben, dat die daarop beantwoord wordt. Maar als dat niet zo is, dan horen we het graag. Dat vrees ik, daar vrees ik geen moment voor. Even kijken, ja, de, het onderzoek waar u aan refereert, onze bouwopgave. In 2018 gestart, we willen elfduizend woningen bouwen tot de periode na 2030. Ikzelf werk sinds april 2019 bij deze gemeente. We hebben toen gemerkt, dat we om de ambitie van toen vierduizend woningen in de periode 2018 tot 2022 te maken, dat we eigenlijk gewoon te weinig planvoorraad hadden, om dat te kunnen doen. Dus te weinig zachtere planvoorraden.
Gewoon ideeën, schetsen van, waar dat zou kunnen. En harde planvoorraad, gewoon vastgestelde bestemmingsplannen door de raad, die onherroepelijk zijn geworden. Nou, daar is in die tijd een flinke nou ja, flinke push op gegeven. Ook met de Commissie Grote Projecten. Dat heeft ertoe geleid, dat we nu in deze periode 2022 tot 2026 naar onze inschatting, voldoende plannen hebben om dat waar te kunnen maken. Als het economisch tij ook een beetje meezit, want dat is
3
natuurlijk een beetje lastig op dit moment. Maar voor de periode 2026 tot 2030 en daarna, als we echt die duizend woningen per jaar willen halen, dan hebben we gewoon nog meer plannen nodig. Nou, er zijn er een aantal, die zijn in ontwikkeling. Komt zo in de presentatie ook naar voren. Maar om zeker te zorgen, dat we aan voldoende plannen komen, zijn deze verdichtingsstudies gedaan. Daarvoor geef ik graag het woord aan Daan Zandbelt. De heer Zandbelt: Dank je wel. Ja, ik zal het eerste deel, een korte toelichting geven. Dus wij zijn gevraagd door de gemeente als bureau De Zwarte Hond, samen met bureau Ravenkop. Wij zijn stedenbouwkundigen en Ravenkop zijn economisch, of financieel specialisten. We hebben eigenlijk onderzocht, wat kansrijke plekken zijn voor verdichting. Allereerst, wat we daar al heel duidelijk bij willen maken. Die verdichting op zich, is geen prakwedstrijd. Het gaat er niet om, dat we zoveel mogelijk woningen in die bestaande stad kunnen realiseren, alleen met dat als doel. Wij zien, dat verdichting een kans is om extra kwaliteit te maken, om in, te investeren in bestaande buurten. En daarmee, niet alleen maar woningen te realiseren, maar ook andere opgaven die daar spelen, om die daaraan te koppelen. Zodat het een kwalitatief verhaal wordt. Ja, wat je doet om de straat, de buurt en de stad sterker te maken.
Dus dat is eigenlijk het leidende thema en dat wordt ook een afwegingskader, lijkt me. Nou, dat sluit ook best wel goed aan natuurlijk, op allerlei ambities die er al in Omgevingsvisie zijn vastgelegd, in coalities binnen de raad, binnen het college. En het sluit natuurlijk heel erg goed aan bij het feit, dat Dordrecht een groeiende stad is. Die van 2018 naar 2030 groeit met zo’n twintigduizend inwoners en zo’n elfduizend woningen erbij. Dan kun je misschien werk met werk maken, dat was eigenlijk de gedachte van de studie. Wij zijn als bureau een bureau, dat niet alleen stedenbouwkundige studies doet. Wij maken ook strategieën op een groter schaalniveau, waarbij we onderzoek doen en ook hogere overheden bedienen. Maar we zijn ook een architectenbureau, dat gewoon veel gebouwen maakt. Dus we weten wel waar we het over hebben, als we weten, als we voorstellen doen over het verdichten. En Ravenkop is een partij, die dus ook op financieel gebied daar ook veel expertise in heeft. Dat hebben we samen opgepakt. We hebben eigenlijk drie vragen meegekregen.
De eerste vraag was eigenlijk, hoe kan verdichting bijdragen aan de verbetering van de stad Dordrecht? Dus in al die maatschappelijke opgaven, die hier spelen en welke rol speelt woningbouw daarin? En hoe staat eigenlijk die verdichtingsambities of die verdichtingspotentie, hoe verhoudt zich die eigenlijk tot de bestaande planvoorraad? Is die bestaande planvoorraad voldoende, of kun je die ongeveer verdubbelen? Of, nou … En, in hoeverre is dat ook duurzaam? En ja, zien we dus ook kans, om die planvoorraad uit te breiden? Nou, nou is Dordrecht natuurlijk al best wel een compacte stad, hè. Vanuit hier, vanuit het hart van de stad ben je altijd binnen vijf kilometer, wel ongeveer buiten. Nou, ligt een beetje aan je fietstempo, maar dat, in een minuut of twintig ben je al best wel een heel end. Dat is dus eigenlijk al een kwaliteit, die er heel erg is. Maar die ook wel, in die traditie kun je natuurlijk ook wel verder bouwen, maar de stad kent natuurlijk ook wel heel veel verschillende gedaantes, van de binnenstad tot meer de randen van de stad. Daar wordt het wel minder dicht. En dat kan ook heel aantrekkelijk zijn als woonmilieu, natuurlijk. Nou, wat we, hebben we als eerste gedaan? We hebben allereerst gewoon eens even in kaart gebracht, welke bestaande plannen zijn er allemaal en hoeveel, tot hoeveel telt dat op? Dat was nog eigenlijk niet zo helder in
4
kaart gebracht. Alle plannen kent u allemaal vast wel individueel, maar in totaal zijn er al zesendertighonderd woningen sinds 2018 gebouwd. En er zijn ook al vierendertighonderd woningen, onherroepelijk. Dus die hebben, daar zijn de vergunningen voor in orde. Dat samen, zevenduizend woningen al. Nou hebben we ook verder gekeken. Dan hebben we een bandbreedte van vier tot zesduizend woningen extra, die we ook hebben gevonden. En ja, dat is, die we ruimtelijk hebben gevonden. Dat kan nog best zijn, dat er allerlei bezwaren zijn vanuit financiën, of vanuit mobiliteit of voorzieningenaanbod. Dat zijn vervolgstappen, die we in die, per wijkstudies moeten ontdekken en in de verdere uitwerking. Daar horen natuurlijk ook het Leerpark bij, het Maasterras en Spuiboulevard. Dus dat zijn ook plannen, die nog niet morgen allemaal, niet voor 2030 allemaal gerealiseerd worden. We hebben niet met één bril gekeken. We hebben naar verschillende aspecten gekeken, dus daar horen verschillende kaarten bij. Naar economie, naar natuur, naar mobiliteitsaspecten en, hoe dat samenhangt met verdichting. En eigenlijk komen daar een aantal nou, principes of eerste koppelkansen, hoe kan woningbouw bijdragen aan andere zaken? Nou, het eerste is natuurlijk, dat als we woningen bouwen dan faciliteren we, dat de stad kan groeien.
Dat we, aan de ene kant komen er meer inwoners en aan de andere kant daalt het aantal mensen per huishouden. Er wonen steeds minder mensen in één huis. Daarvoor moeten we ook extra woningen maken. En dat helpt natuurlijk ook, dat we op die manier ook de bestaande voorraad wat kunnen verduurzamen, als mensen eruit verhuizen naar een nieuwe woning. De tweede regel gaat eigenlijk over dat, er zijn nog best veel plekken, die zijn heel auto afhankelijk en er is ook veel zware infrastructuur door de stad. Dus we kunnen die verdichting ook inzetten om te zorgen, dat meer mensen andere vervoersoptie hebben, dan ze nu alleen de auto hebben. Dat ze daarnaast ook betere fietsroutes krijgen, beter openbaar vervoer of lopend, ook al op heel veel plekken kunnen komen. Een derde kans gaat eigenlijk over, dat we de balans tussen de stad en het landschap en ook de klimaatadaptatie, hoe kunnen we ons voorbereiden op meer extremer weer? Dat het heel veel meer regent, of dat het veel warmer is, langere tijd droog wordt. Dat ook de bestaande stad, dat, daarop voor kunnen bereiden, doordat we daarin mee investeren. Een vierde kans, zit eigenlijk veel meer in de relatie met werk en onderwijs.
Hoe kunnen we zorgen, dat we ook met verdichten zorgen, dat er meer scholen en meer innovatiekansen zijn? Doordat scholieren en ondernemers elkaar makkelijker weten te treffen en dat die economie ook verduurzaamd wordt. Dat zittende bedrijven schoner kunnen werken. En als laatste, maar niet onbelangrijkste. De verdichting kan ook bijdragen aan het voorzieningenniveau, dat dat hoger wordt en dat we ook voor een bredere doelgroep, dat toegankelijk kunnen maken. Nou, vanaf hier gaat mijn collega Jan-Maarten het overnemen. Die zal jullie meer gaan vertellen over die negen principes, die wij hebben gevonden en, hoe zich die ook verhouden tot de toekomstige plannen. De heer Van Hemert: Yes. We hebben de, eigenlijk het afgelopen jaar in samenwerking met de ambtelijke organisaties, in samenwerking met specialisten van verschillende afdelingen en met name, in het bijzonder de afdeling Stedenbouw, hebben wij eigenlijk gezocht naar negen vrij praktische ruimtelijke principes, om invulling te geven aan, op welke plekken dat dan het beste zou kunnen. Die negen, daar loop ik even kort met jullie doorheen. Die heb ik zo meteen ook voorzien van negen Dordtse voorbeelden. Want heel veel wordt hier eigenlijk de afgelopen jaren, al gedaan in deze stad. Ze zijn van klein naar groot en ze beginnen bij één en twee eigenlijk, op pandniveau.
Er liggen kansen, om bestaande panden een extra verdieping te geven. Optoppen, in het jargon. Om grote
5
woningen bijvoorbeeld te splitsen of om te verbouwen, zodat er extra woonruimte vrijkomt. Daarvoor is vooral samenwerking nodig met particulieren, maar bijvoorbeeld ook met corporaties. Het tweede verdichtingsprincipe onderzoekt de mogelijkheden, om leegstaand vastgoed te herontwikkelen. Zowel gemeentelijk vastgoed als bijvoorbeeld private partijen te verleiden, datzelfde te doen. Drie en vier, zijn al een stukje grotere schaal. Dan kijken we op stedenbouwkundig niveau naar de bestaande wijkstructuren en naar onderbenutte gronden. Zit daar bijvoorbeeld een ruimte in, om extra bij te bouwen op een plek, waar je nu eigenlijk een gat in de buurtstructuur verwacht? Of, kunnen we de gronden op een andere manier beter benutten? Denk bijvoorbeeld aan grootschalige parkeerterreinen, kunnen we dat niet slimmer, compacter organiseren en daarmee eigenlijk die ruimte slimmer inzetten? Als we kijken naar vijf, dan gaat het om de koppeling met de voorzieningen, die er zijn. In dit geval, de stationsvoorzieningen. We zien, dat het goed is, om mensen meer mogelijkheden voor vervoer te geven en dat het daarom slim is, om in te zetten op de best bereikbare plekken voor iedereen. Of je nou wel of geen rijbewijs hebt, of geen auto hebt. Datzelfde principe van nabijheid, geldt eigenlijk ook voor principe zes. Het bouwen dichtbij de wijkvoorzieningen, liefst op loopafstand.
Wijkvoorzieningen is eigenlijk breder dan alleen winkels, gaat ook over zorg, over onderwijs. Als je daarbij in de buurt kan, meer kan wonen, mooi voorbeeld hebben we natuurlijk in Wielwijk, dan komt dat de sociale cohesie en ook de, komt dat het ten goede. Nou, zeven en acht gaan ook in op het principe van nabijheid. Zo vinden we het interessant om aan de groenstructuren, daar aan te kijken, wat daar voor mogelijkheden liggen. Te kijken, wat er in de buurt van werkgelegenheid te organiseren is, verdichten met functiemenging. En tot slot, principe negen, die is iets abstracter. Er zijn in veel wijken ook aanleidingen om, eigenlijk minder ruimtelijke aanleidingen, om te investeren in de wijk. En ook daar, zou je werk met werk kunnen maken. Dan hebben we het bijvoorbeeld over sociale opgave, maar ook de energie opgave, de warmtetransitie, een zaak als klimaat. Nou, omdat dit nog vrij abstract en theoretisch is, hebben we deze toegelicht met negen Dordrechtse voorbeelden. Waarbij u links bovenin, voorbeeld één uit Sterrenburg, een bestaande flat, die is uitgebreid en opgetopt. Voorbeeld twee, verbouwing van het regiokantoor VOLT aan de Noordendijk. Drie, is een inbreiding in de Stadspolderswijk. Vier, is een plan in de ontwikkeling bij het, op het grote parkeerterrein tussen het ziekenhuis en het Sportpaleis.
Vijf, is de kansrijkheid, die wij zien nou, over de foto station Stadspolders. Maar we zien, dat bij andere stations ook in de stad. Zes, is Wielwijk. Zeven, is langs de groenstructuren in Krispijn. Acht, is hier in de binnenstad. En negen, is een plan in ontwikkeling in, wederom in Krispijn. Dus het is eigenlijk helemaal niet nieuw, eigenlijk doen we dit al. Nou, Daan vertelde net al, we hebben de bestaande harde plannen en de bestaande studies onderzocht. En we hebben eigenlijk om die negen verdichtingsprincipes toe te passen, hebben we eigenlijk gezegd van, oké, we moeten dat in twee sporen gaan onderzoeken. Eentje op de termijn, eigenlijk op de kortere termijn van, hoe kunnen we dat nu eigenlijk per wijk gaan uitpluizen? En eentje, met een wat middel tot lange termijn impact, zijn echt de wat grotere locaties, waar Mark het net al over had. Belangrijk daarbij en met name, als je het hebt over dat Spoor A per wijk is, dat elke wijk anders is. En dat elke wijk zijn eigen kansen en uitdagingen heeft. Dat heeft vooral te maken met de manier, waarop wijken hun leeftijd hebben en in welke mate ze bijvoorbeeld, gemengd of juist vrij monotoon zijn. Dat heeft ook te maken met, dat woonopgave verandert. Net zo goed als, dat de woonopgave toen de binnenstad gebouwd was,
6
anders is dan toen Sterrenburg gebouwd werd. Zo zien we die nu ook meer, weer veranderen. Dat hij zich meer dan voorheen, focust op de vraag naar één à tweepersoons huishoudens. En dat we met name zien, dat de eigendomssamenstelling en de samenstelling van de verschillende woningtypen per wijk, leiden tot accenten in de verschillende wijken. Nou, concreet, wat gaan we dan doen in Spoor A? Is eigenlijk, per wijk een kansenprofiel opstellen vanuit de stedenbouwkundige blik, maar wel in samenspraak met de gebiedsmanagers Fysiek en Sociaal. Daarbij ook aandacht naar de juiste balans in elke wijk. Wijken met een lage sociale voorraad is het goed om te kijken van, waar kunnen we daar, kunnen we die balans beter brengen? En niet alleen kijken, wat de gemeente zelf kan doen. Maar ook kijken, welke voorwaarden of welke ruimte de gemeente kan stellen, om particulieren en corporaties en andere private partijen, mee te nemen in onze ambities. Daarnaast, kijken we op een wat verdere bril van, zijn er ook opgaven of zijn er eigenlijk ook verdichtingsprincipen, die mogelijk leiden tot grotere kansrijke gebiedsontwikkelingen? Die zien we met name, in de koppelingen met de verdichtingsprincipes vijf tot met acht. Daar kijken we naar de plekken, waar dichtbij stations, dichtbij de voorzieningen, dichtbij werkgelegenheid en aan de randen.
Natuurlijk, niet in het groen, maar het mag niet daar ten koste van gaan. Maar kijken, hoe je daar werk met werk van kan maken. Die plekken, die zien we eigenlijk verspreid over de stad, maar dus in het bijzonder in de stationsgebieden en de plekken, waar voorzieningen zijn. Mevrouw Van Herwijnen: Mijnheer Van Hemert? De heer Van Hemert: Spoor B bestaat eruit, omdat … De Voorzitter: Mag ik heel even wat toevoegen? De wethouder heeft net bevestigd, de kaart, die u daar laat zien, dat is de kaart, die in het gevraagd besluit staat, om kennis te nemen. En die staat ook in het Raadsinformatiesysteem, als de kaart uit Spoor B. Dus hij is wel toegezonden. Alleen, de naam is net wat anders. De voorzitter: Zegt het eens mevrouw Van Herwijnen. Mevrouw Van Herwijnen: Nou, mijn vraag is dan wel, of mijn verzoek, kan er dan wel een legenda aan toegevoegd worden? De voorzitter: Ja. Ik hoor hier een, ja. Dus dat … De heer Struijk: Voorzitter? En heel concreet, mag ik, als ik vragen mag. Die hartjes met die cirkels eromheen, bijvoorbeeld, wat betekent dat? Mevrouw Van Herwijnen Nou, ik ga u niet langer lastigvallen, de heer Van Hemert. Ik weet niet, of dat u antwoord kan geven, wat die hartjes betekenen. De heer Van Hemert: Ja, dat kan ik. Je ziet het eigenlijk ook al een beetje aan de kleuren.
De, we hebben hier vier legenda eenheden en ze corresponderen met de verdichtingsprincipes vijf tot met acht. De paarsblauwe gebieden, dat zijn de stationsgebieden. De gele gebieden, dat zijn de clusters van wijkvoorzieningen, waar wij denken dat er een kans ligt. De oranje gearceerde gebieden, dat is principe acht, in en naast werkgebieden. En de donkergroen gearceerde rand van Dordwijkzone, dus met
7
name niet in de Dordwijkzone, maar de randen daarvan, willen wij koppelen aan principe zeven. Maar volgens mij, kunnen we na afloop een nieuwe kaart aanleveren en die via de kanalen bij u terecht laten komen. Nou, met permissie, maak ik even het verhaal af. In Spoor B hebben wij al voor een aantal van deze locaties heel schetsmatig onderzocht, wat daar, ter inspiratie, wat daar zou kunnen. Dus we hebben gekeken naar bijvoorbeeld de omgeving van station Stadspolders, het Neurenberg park, Neurenberg Hof, pardon en wijkcentrum Crabbehof, wat daar voor stedenbouwkundige kansen zouden liggen. Ongehinderd, door te veel plaatselijke kennis. Acties zijn daar vooral, om in duidelijke samenwerking met de stedenbouwkundigen hier, de scope en de haalbaarheid te bepalen. Voort te borduren op de studies, die er al liggen. Te kijken wat er voor samenwerkingen kunnen worden opgetuigd, in de organisatorische kans. En ook hier weer die meerwaarde te creëren, door werk met werk te maken. Even terug naar de aanleiding, waarmee wij op pad zijn gestuurd. Hoe verdichting kan bijdragen aan verbetering van de stad, waar de voorraad staat ten opzichte van de ambities en waar de kansen liggen voor het vergroten van de planvoorraad? Nou, om met die laatste twee te beginnen. Hoe het staat met de voorraad.
Mijn collega Daan, die noemde het net al, dat de gerealiseerde, plus de harde plannen, plus de plannen in de studie, leidt al een heel eind in de goede richting van elfduizend. De ambitie is gesteld. En de schattingen, die wij in deze studie voor Spoor A en Spoor B hebben gedaan, die zijn ook best fors. Er hangt een hele grote disclaimer aan vast, want wij bekijken dat met een optimistische bril. Dat is ook ontzettend afhankelijk van het economisch tij, van het versch… het soort woningtypes en het soort stedelijkheid, waar je mee werkt. Afweging in andere domeinen. Nou, onder andere mobiliteit, natuur, werkgelegenheid, noemt u ze maar op. En de keuzes, die de politieke organen van deze stad daarin maken. Maar de ambitie en de kansen, zien wij er vanuit onze bril, zeker. Daarnaast zien wij vooral de kans, dat verdichting als een investeringsmotor voor de andere domeinen en de kwaliteit van de stad, werkt. En dat gaat door de verschillende thema's heen. Wij zien dan ook, dat een integrale benadering hiervan, dus niet alleen kijken naar die woonkansen, maar juist ook die koppeling zoeken met groenblauw, met mobiliteit, met economie, met het sociale domein. Dat er allerlei kansen ontstaan, maar ook dat die integrale benadering eigenlijk een randvoorwaarde is. Dus dat je vanuit het hele plaatje moet kijken en dat je dan die kansen voor straat, stad en buurt, kan verzilveren.
Dan kunnen er uiteenlopende en interessante effecten voor de stad ontstaan. En dat is natuurlijk, waar we het voor doen. Het kwalitatief verdichten van de stad, om de stad als geheel door de schalen heen, van klein tot groot, sterker te maken. Dat is de belangrijkste kans, die in deze opgave ligt. Nou, tot zover mijn inhoudelijke toelichting. Geef ik het woord nog heel even aan Mark voor het laatste stukje over, hoe nu verder. De heer Van Oosterhout: Ja, precies. Dank je wel, Jan-Maarten. Ja, de twee sporen die zijn toegelicht, werken we op dit moment verder uit. Spoor A, dat is dus echt per wijk bekeken, welke verdichtingsprincipes kun je wel hanteren, welke verdichtingsprincipes zijn nou net in die wijk, wat minder voor de hand liggend. Dat moet uiteindelijk leiden tot een overzicht van kansen. Die kunnen dan vervolgens tot een kavelpaspoort uitgewerkt worden en die komen dan natuurlijk, ter besluitvorming naar het college en uit, uw raad. Nou, de voorzitter gaf al aan, dat dat dit jaar moet gaan gebeuren. Dat klopt, dat dat voor de eerste wijken inderdaad dit jaar, waarschijnlijk wel gaat lukken. Maar zeker niet voor de hele stad, want daar is het toch wel echt te veel werk voor. Dus dat loopt door in
8
volgend jaar. Maar we vonden het ook zonde, om alle wijken op te stapelen en in één keer aan u aan te bieden. Want dan wacht je op de laatste en dan duurt het natuurlijk ook het langst. Het zou zonde zijn, om de eerste dingen die er dan al liggen, ja, nog niet te kunnen benutten. Uitwerking Spoor B. We merken, dat nou ja, de eerste casussen zijn gepubliceerd. Er zijn daarover oriënterende gesprekken met verschillende geïnteresseerde partijen. En ook daar willen we kijken van, nou, kan dit tot een ontwikkeling komen die wij, waarmee we de stad mooier en beter en sterker kunnen gaan maken. Op dat moment geldt natuurlijk precies hetzelfde. Op het moment, dat dat leidt tot kaders, tot kavelpaspoorten en dergelijke, dan melden we ons bij uw raad. Daarbij zijn de aantallen, die Jan-Maarten denk ik, net heeft laten zien, nou, voor Spoor A, tweehonderdvijftien tot vijftienhonderd woningen. Daar over de stad verspreid, lijkt me dat vrij reëel. De vijfduizend tot tienduizend woningen in Spoor B. Ik denk, dat het, opmerking heel terecht was. Op het moment, dat je helemaal doorstoomt naar tienduizend, dan gaat het met een vrij positieve bril, als je kijkt vanuit woningaantallen. Maar je wil natuurlijk veel meer in je stad, dan kijken naar een stedelijkheid, die we hier eigenlijk nog niet kennen. Dus ik denk dat het, wat dat spoor aangaat, wel wat lager ligt.
Maar goed, dat neemt niet mee, dat we denk ik, een heel mooi kader hebben straks, om verder te kunnen werken aan de ontwikkeling van de stad. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel voor de informatie. Ik kijk even om mij heen. Of dat dit, nog tot extra vragen leidt? De heer Gündogdu. De heer Gündogdu: Voorzitter, dank u wel. Bedankt voor de presentatie, heldere toelichting. Kan ik teruggaan naar een kaartje, waarbij in oranje-geel is gestreept zeg maar, waarbij potentiële zoeklocaties in beeld kwam. Eens even kijken. Ja, ja, ja. Want u gaat een, nog een verdiepingsslag maken, met alle betrokkenen in de wijken. Mogen wij ook vanuit deze commissie, straks misschien vanuit de raad ook, onderzoekslocaties aanwijzen? De heer Van Oosterhout: Vanzelfsprekend.’ De heer Gündogdu: Voorzitter, mag dat nu al? De voorzitter: Laat, ik denk, dat we nog voldoende tijd hebben, dus ik geef u vijf minuten max. De heer Gündogdu: Ja. De voorzitter: Gaat dat lukken? De heer Gündogdu: Dat gaat zeker lukken. Voorzitter, waar ik zelf enorm gecharmeerd ben. Waarvan ik denk, dat dat enorm veel potentie heeft, in het kader van al die uitgangspunten is, het kleine industrieterrein tegen het voormalige OMC-terrein Visserstuin. Zou u dat alsjeblieft kunnen meenemen in uw overweging? De voorzitter: Dank u wel. Ik zie, dat er hard geschreven wordt. Geen vragen. De heer Damen en daarna ga ik naar de heer Noldus.
9
De heer Damen: Ja, ik heb ook wel eens iets gelezen, over het dubbel grondgebruik. En dat kom ik nou niet als verdichtingsmogelijkheid tegen. In Sterrenburg is bij het winkelcentrum een grote Jumbo neergezet op de plek, waar vroeger een kantoortoren stond. Toen dacht ik van, verdorie, waarom staat daar niet een grote woontoren bovenop die Jumbo? Want dat zou een mooi verdichtingsmogelijkheid zijn, op de goede plek ook. Tweede vraag is van, af en toe komen locaties die nu ook in beeld zijn gebracht, in strijd met, lijken mogelijk in strijd met bijvoorbeeld het groenblauwe principe. Met name daar, waar de verbinding is tussen Park XXL en de begraafplaats Nassauvijvers, Weizigtpark. En dat, ik kan me voorstellen, dat je dat tot verdichtingslocatie uitwerkt. Waarbij je, wel het groen spaart, het groenblauwe verbinding spaart, maar dat betekent dat je een, zeg maar aanvullende voorwaarden moet gaan stellen. Vraag is van, zit dat idee ook hè, van aanvullende voorwaarden en ook mogelijk aanvullende investering, in dit verhaal? Of … De voorzitter: Kunt u hem voor mij … Want ik weet niet, of dat u hem goed heeft begrepen, maar voor mij … Oh, u begrijpt hem. Nou, gelukkig. De heer van, dan weten ze, wie ze moeten hebben dan. Ik ga u het woord geven, de heer Van Oosterhout.
De heer Van Oosterhout: Nee, dus wat je in Spoor A gaat zien is, dat we en trouwens in Spoor B ook, dat we verder gaan verfijnen, wat, waar, kan. En wat u zegt over het groen, die randen gaan we daar zeker bij definiëren, want anders hou je het groen niet meer over. Het is juist de bedoeling, dat aan de randen het intensiever wordt qua wonen, zodat het groen meer gebruikt wordt. En dat bijvoorbeeld op nou ja, waar het veel minder gebruikt zou worden en je op rustige momenten vaak merkt, dat het ook niet zo'n prettige omgeving is. Dat je juist zorgt, doordat het er drukker is, dat het een prettigere omgeving wordt. Nou, dat soort randvoorwaarden. Dit is er een voorbeeld van, maar dat komt verder mee, komt in die kavelpaspoorten. En in die verdere uitwerkingen, wordt dat meegenomen. Uw eerste vraag over de Jumbo, was dat een goede plek geweest? Ook daarvoor geldt eigenlijk weer van, nou, op moment dat we verder in gaan zoomen per wijk, waar die interessante plekken liggen, zijn dit voorbeelden die naar voren kunnen komen. Waarbij we niet gaan zeggen, daar moet het. Maar wel kunnen zeggen van, nou, dit zou een logische plek kunnen zijn om dit toe te staan. De voorzitter: Dank u wel. De heer Noldus. De heer Noldus: Ja, voorzitter, dank u wel. Dank voor de presentatie, vrij ruimtelijk ingestoken wel.
Ruimtelijk ingestoken verhaal, dat misschien verwacht nog wel … Kan ik iets aan de microfoon … De voorzitter: Mijnheer Struijk, zou u misschien kunnen kijken, of dat de microfoon uitstaat van de presentatie? De heer Struijk: Antwoord is, ja. Moet ik hem uitdoen? De voorzitter: Graag, dank u wel. De heer Noldus: Ben ik wel benieuwd, of er naar andere instrumenten is gekeken. Of je bijvoorbeeld ook met een aanpak, ruimte kan bieden aan corporaties en Verenigingen
10
van eigenaars, omdat ook optoppen daar bijvoorbeeld een enorme kans biedt, om de opbrengsten van die extra woningen ook te investeren in nou, de kwaliteit van die woningen. Maar ook, de duurzaamheidsmaatregelen daarvan. Daar zie ik nog niet veel van terug, in het verhaal. Zit daar een aanpak aan vast? De heer Katif: Voorzitter. Ja, sorry, een aanvullende vraag, maar … De voorzitter: Als die, ongeveer hetzelfde onderwerp is, is het handig om dat gelijk te doen. De heer Katif: Maar als we het hebben over locaties die uitgekozen worden, waar we inderdaad voor verdichting gaan kiezen, voor wie doen we het? Wij doen het toch voor de Dordtenaren, of zie ik het verkeerd? In hoeverre, is de Dordtenaar überhaupt in eerste instantie, in eerste instantie bij betrokken? En moeten we dat gewoon niet doen? Moeten wij niet even aangeven, joh, er zijn ook mensen, die zeggen, joh, ik vind het hartstikke leuk. Ik zou het heel geweldig vinden, als naast mij dat, die huizen zouden komen. Waarom zou het niet kunnen? De voorzitter: Ik vind hem op het randje van technisch, moet ik zeggen. U houdt hem nog net … De heer Katif: Ik kan hem technisch maken. De voorzitter: Maar kunt u uw vraag, ietsje bondiger … U vraagt eigenlijk, in hoeverre houden we rekening met de bewoners, bij het opstellen van de verdichting? De heer Katif: Oké, voorzitter. U, is prima.
De voorzitter: Nou ja, als u hem, dit … Oké, u zegt oké. Dan ben ik daarmee eens. Ga ik, gaan we kijken naar de beantwoording. De heer Van Oosterhout: Nou, we hebben in beginsel inderdaad, te beginnen bij mijnheer Noldus, vrij technisch ingestoken. Dat klopt. We kijken dus echt, wat zou, waar kunnen? Als u het echt gewoon vanuit de nou ja, de technische ‘…’ benadert. Dat is ook de reden, waarom dat we met andere partijen, waaronder ook woningbouwcorporaties gesproken hebben en ook nog meer gaan spreken. Om juist ook te kijken van, nou, waar liggen die koppelkansen rond nou ja, energietransitie en al dat soort dingen. Wij kijken hier en dat is misschien ook het antwoord op de tweede vraag, vooral naar, wat is er ruimtelijk mogelijk? En als er dan een initiatief komt, wat daadwerkelijk moet gaan lopen en waar je daadwerkelijk gaat kijken van, nou, op deze manier gaan we het invullen. Ja, dan is het natuurlijk ongelooflijk belangrijk, om met die mensen uit de buurt te gaan praten. Om te kijken van ja, hoe doe je dat dan? Maar het enige wat wij hier doen is, vooral het kader scheppen, waar zouden we het toe kunnen staan? En op moment, dat er een initiatief komt, dan is een gesprek met bewoners heel erg belangrijk om te kijken, hoe wordt dat plan uiteindelijk echt. De heer Van Hemert: Wellicht nog als aanvulling op de eerste vraag.
Pak ik hem heel even terug naar de negen principes. Geldt natuurlijk, dat het principe van optoppen en panden verbouwen, in principe één zit. Nou hebben we natuurlijk een vrij groot
11
voorbeeld, maar dit kan natuurlijk ook op een, van toepassing zijn op eengezinswoningen of op andere kleinere panden. De voorzitter: Oké, heeft u een korte verdiepende vraag? De heer Noldus: Ja, een vraag op de laatste opmerking. Kijk, dit was ook aanleiding voor mij, om de vraag even te stellen. Want dit is een fysieke insteek. Kijken, wat kan er nu en welke ruimte hebben we? Dat is hele logische goede. Alleen uiteindelijk, bied je door zoiets te doen en dat is bij dit geval ook gebeurd en bij voorbeeld twee ook, bied je juist de ruimte, financieel gezien om ook veel meer kwaliteit toe te voegen aan het pand, aan de bewoners die daar komen, aan de voorzieningen, lift, trappen, gezamenlijke voorzieningen. Je trekt een heel investeringspotje open om ja, veel meer te betekenen, dan alleen de ruimtelijke plaat toelaten. Dus dat is de achtergrond van mijn vraag. De voorzitter: Oké, dank u wel voor de verheldering. Ik hoorde geen vraag. De heer Portier. Ja, ik heb hierna de heer Roggekamp. Mijnheer Katif, als die nog … Oh, die is voldoende. De heer Van der Meer, mevrouw Van Herwijnen, mijnheer Van der Kruijff en de heer Wringer. De heer Portier: Ja, ik had een vraagje over dat Spoor A, want er is sprake van een ruimte voor vijfhonderd tot vijfentwintighonderd woningen. Dat vind ik nog een hele ruime marge qua schattingen, hè. Want dan denk ik van, waarom nou niet 400 tot 4000, hè.
Maar ik denk, dat het dan wel inderdaad belangrijk is van, wat is inderdaad de beredenering en de berekening hierachter, hè? Dus nog, maar misschien dat de wethouder daar straks wat over kan zeggen. Ik denk dat het echt wel belangrijk is, de studie zelf ook te zien om te begrijpen van, hoe dit soort ruime marges van schattingen inderdaad tot stand komen. Dus de vraag is inderdaad van, waar komt die vijfhonderd tot vijfentwintighonderd vandaan en hoe kan het, dat er zo’n grote marge in zit? De heer Van Hemert: Ja, zonder daar al te diep op de technische materie daarachter, in te gaan zien wij, dat in vergelijkbare studies die wij als bureau uitvoeren, dat binnen de bestaande wijkstructuren er circa één tot vijf procent van de bestaande woningaantallen, dat dat een vrij realistische schatting is uit het veld. Die hebben we dan dus ook toegepast op het onderzoek, zoals nu. Met vervolgens, ook de vraag vanuit de ambtelijke organisatie, oké, hier komt een opgave uit voort, om dat concreter te maken. De voorzitter: En nog een aanvulling, zie ik. De heer Zandbelt: Ik denk, dat in dit stadium van het onderzoek, dat die bandbreedte helemaal niet zo breed is. Dat dat eigenlijk nog best wel precies is, omdat we nog niet weten, hoe groot die woning is. En, of we elke straat die wij voor ogen hadden, ook meteen door iedereen geaccepteerd wordt als een vorm.
Dus er gaat aan alle kanten nog van alles, op of af. Vandaar die ruime bandbreedte. De voorzitter: Mijnheer Portier, beantwoordt dat uw vraag? De heer Portier: Ja, ik begrijp, dat er gewoon een percentage, nou, twee percentages genomen zijn van de aantallen woningen, die er al zijn.
12
De voorzitter: Oké, dank u wel. Dan ga ik door naar de heer Roggekamp. De heer Roggekamp: Ja, dank u wel, voorzitter. Voorzitter, in het stuk staat ook, dat er veel plekken auto afhankelijk zijn. En dat geldt natuurlijk niet alleen voor de woningen, dat geldt ook voor, waar mensen naartoe gaan. Er wordt aangegeven, we gaan proberen, dat mensen veel meer kunnen lopen en kunnen fietsen. Voor lokale voorzieningen kan dat natuurlijk heel goed. We wonen wel op een eiland, maar we leven niet op een eiland. Er wordt NS aangegeven bij de spoorwegen. Nou maak ik daar best wel vaak gebruik van, die hebben ook geen capaciteit meer. Dus voor ons is wel belang, van belang, ook wat CROW aangeeft, dat er meer voertuigen komen, dat er dus wel degelijk ook genoeg parkeervoorzieningen zijn. Ik zie dat niet in die negen ja, principes terugkomen, maar staan die er wel impliciet in, of is dat niet meegenomen? De voorzitter: Is al bijna oordeelsvormend. Maar u vraagt eigenlijk, hoe houdt u rekening met de mobiliteit en de parkeerplaatsen? Kunt u daar antwoord op geven? De heer Zandbelt: Volgens mij, in algemene termen. Dus volgens mij is mobiliteit, is één van de koppelkansen. En dan is het denk ik, aan uw raad en aan college om te besluiten, welke kant dat op moet. Maar er is een relatie tussen verdichten en mobiliteit.
We zien wel in de praktijk, ook uit wetenschappelijk onderzoek en al twintig jaar in Nederland, dat gebieden die verdicht worden, dat mensen daar percentueel net iets meer gaan lopen, net iets meer gaan fietsen. Omdat ze gewoon, dichtbij hun dagelijks leven kunnen organiseren. Dat heeft ook een voordeel, omdat dan de mensen die auto afhankelijk zijn, hebben meer capaciteit op de weg en qua parkeerplekken. Maar dat is wel een afweging, die u met elkaar moet maken. De voorzitter: Ik zie, dat dat voldoende antwoord is. De heer Van der Meer, u had ook nog een vraag. De heer Van der Meer: Ja, die sluit hier wel een beetje op aan. Ik wil graag wat meer gevoel hebben voor, wat verbetering van de stad betekent, in het kader van dit voorstel hè. Ging net over mobiliteit. Natuurlijk kun je kiezen voor locaties, waar de incentives om te lopen, te fietsen en openbaar vervoer te gebruiken, zo groot mogelijk zijn. Dat snap ik. Maar tegelijkertijd is de voorspelling, dat bijvoorbeeld het autoverkeer nog steeds toeneemt. Dus wordt het er per saldo in de stad, op die dimensie beter van, is mijn vraag. Of, is dat de bedoeling niet? Iets soortgelijks geldt voor groen en klimaatadaptatie. Natuurlijk kun je dat zo goed mogelijk adresseren, bij de keus van locaties. Maar hoe je het ook wendt of keert, er treedt een stukje verharding van het oppervlak op.
Dus is het per saldo niet zo, dat verdichting leidt tot een groter, in plaats van een kleiner probleem van klimaatadaptatie. De heer Zandbelt: Nou, dat hoeft niet. Ik denk, dat eigenlijk in de volgorde is, volgens mij brengen wij ook in die volgende stap de potenties in kaart, wat kan verdichten betekenen en welke koppelkansen zijn daaraan te verbinden? Dan is het denk ik aan u, om te bepalen, of u dat een kwalitatieve verbetering vindt, of een verslechtering? Maar ik kan me als expert wel heel goed voorstellen en dat dat zien we ook in de praktijk, dat verdichten hand in hand gaat, met meer vergroenen. Zodat we, investeren in buurten ook leidt tot, dat we beter om kunnen gaan met extremer weer. Dat heeft ermee te maken, dat we niet alleen onze stad hebben verhard met gebouwen, maar ook met heel
13
veel bestrating. En je ziet, dat je daar wat anders mee om kan gaan en, dat dat dan ook leidt tot ja, kan leiden tot groenere omgevingen. Maar of dat een kwaliteitsverbetering is, dat is aan u. De heer Van Oosterhout: Misschien, dat ik daar kleine praktijkvoorbeelden aan mag koppelen. Als je kijkt naar de plannen, die we nu aan het maken zijn voor bijvoorbeeld de Spuiboulevard, zijn we woningen aan het toevoegen, veel minder verkeer erin. Enorm veel vergroenen, om ook met name te zorgen, dat nou ja, hier aan het eind van de straat de woningen niet meer onder water lopen. Maar ook hier gewoon, een veel prettiger verblijfklimaat hebben. Waar je echt ja, wil zijn en blijven op moment, dat we hier toch ja, meer dan vijfhonderd woningen toevoegen. Als voorbeeld. De voorzitter: Dank u wel voor dit antwoord. Mevrouw van Herwijnen. Mevrouw Van Herwijnen: Ja, dank u wel. Even een verduidelijkende vraag en even een zorgenpuntje. Die verdichtingsprincipes, puntje numero twee. Daar verstaan we transformatie denk ik, onder. Het staat er niet zo expliciet, maar ik neem aan, dat dat ook transformatie is van panden. Naar, van een ander gebruik, naar woonfunctie. De heer Van Hemert: Ja, dat kan eronder vallen. Mevrouw Van Herwijnen: En mijn andere vraag is inderdaad, een beetje in dezelfde lijn als de heer Van der Meer. Over puntje numero vier, de onbenutte gronden.
Als het gaat om verharde gronden, dan kan ik me er best iets bij voorstellen. Maar als het gaat om het laatste beetje groen, om die te gaan bebouwen in de wijken, ja, dan, dat heb ik daar enige zorgen bij. De heer Van Hemert: Nee, dat snap ik. Dat is ook geenszins de insteek daarvan. En ook één van de redenen, dat uiteindelijk de stedenbouwkundige en landschapsarchitect hier van dienst, die de desbetreffende locaties goed kennen, daar horen wij dezelfde geluiden van. Dus dat, die zitten dus ook als voorwaarde mee, dat een locatie ook kwalitatief goed moet zijn. En uiteindelijk gaat inderdaad, gaat u daar met zijn allen over. De heer Zandbelt: Dat was ook de reden, waarom we zeiden, dat het geen prakwedstrijd… Daarom gaven we ook aan, dat dat verdichten geen prakwedstrijd moet zijn. Dus het moet niet ten koste gaan van dingen, die we waardevol vinden, die we belangrijk vinden. Het gaat niet om, een wedstrijdje zoveel mogelijk bouwen. De voorzitter: Dank u wel. De heer Van der Kruijff, u had ook een vraag. De heer Van der Kruijff: Ja, voorzitter. Ik was, ben benieuwd naar, binnen welke geografische grenzen van de stad u gaat zoeken. Kijkt u bijvoorbeeld ook langs de randen van de stad, hè? Bijvoorbeeld langs Dubbeldam, Stadspolders, Sterrenburg liggen ook groenzones, hier en daar ook verrommeld. Hier en daar ook nog een boomgaard, die verwilderd is.
Ooit is het tuincentrum Pap bebouwd. Nou, daarnaast ligt ook grond. Is dat voor u in scope, of is dat buiten scope, om te kijken?
14
De heer Van Oosterhout: Nou, op dit moment, kijken we gewoon naar de versteningscontour, zodat hij in de Omgevingsvisie staat. En daar zien we op dit moment, dat er voldoende ruimte is om de aantallen te halen, die we nu noemen. En als daar andere besluiten over genomen worden, ja, dan zien we dat. Maar op dit moment, is dat gewoon ons kader. De voorzitter: Dank u wel. De heer Wringer. De heer Wringer: Ja, dank, voorzitter. En dank voor de presentatie. Als ik het goed begrijp, deze onderzoek, Spoor A en Spoor B is om extra harde plancapaciteit te krijgen na de elfduizend woningen, die al gepland staan, zeg maar en gerealiseerd zijn. Is dit een plan voor na 2030, tussen 2030 en 2040? Of, begin je nu al met deze verdichtingsopgave? En, kan ik hieruit de conclusie trekken, als deze naar vijfenvijftighonderd tot twaalfduizendvijfhonderd woningen extra komen, dat we dan als stad doorgroeien naar honderdvijftigduizend-plus inwoners? Of, is dat de verkeerde conclusie? Ik zie de heer Van Oosterhout heel diep nadenken, dus ik … De heer Van Oosterhout: Kan ik goed, hè? Als u dat in ieder geval allemaal gelooft, dan is dat al helemaal plezierig.
Het, nee, wat daar, wat je ziet eigenlijk in de woningbouwopgave, zoals we die tot nog toe gerealiseerd hebben is, die zesendertighonderd woningen die er nu staan, die zijn, zeker in het begin zijn dat heel veel kleine plannetjes geweest, die door particuliere initiatiefnemers zijn gerealiseerd. Ik denk, dat we dat hier ook gaan zien. Op moment, dat wij duidelijkere kaders weggeven, dat dat eigenlijk al leidt tot dat soort plannen. En verder, ik weet niet of dat, mijn buurmannen daar nog iets op aan willen vullen. Maar volgens mij, is de stad altijd in ontwikkeling. En ik denk, dat u daar altijd besluiten over gaat nemen, op de één of andere manier. In het verleden hebben we gezien, dat er wijken verdund zijn. Andere keer hebben we gezien, dat wijken verdicht zijn. Dus ik denk, dat die beweging constant blijft, omdat er constant een noodzaak en een wens blijft, om de stad ja, te verbeteren en mooier te maken. En ik denk, dat u dat in dit licht moet zien. De eerste dingen zullen dus al vrij snel kunnen ontstaan. Dat het er allemaal voor 2030 staat, nee, dat geloof ik niet. Nee. De voorzitter: De heer Zandbelt wil graag, wat aan toevoegen. De heer Zandbelt: Ja, misschien nog het laatste punt over de … Volgens mij, gaat het niet per se, dat die stad hoeft te groeien. Maar het is heel vaak slim, om al een voorraad te hebben van meer plannen, mocht het noodzakelijk zijn.
Dus die hoef je niet per se te bouwen. Maar je loopt nog wel eens tegenaan, dat een plan toch niet doorgaat of met minder gaat, dan wil je niet in de problemen komen. Dus, daarop voorbereid zijn. De voorzitter: Nou, ik zie de heer Wringer glimlachen, dus dat gaat goed. De heer Laban, u had ook nog een vraag. De heer Laban: Ja, dank u wel, voorzitter. Een vraag. We hebben heel veel plannen, er zijn heel veel ideeën ook, om dingen te doen. Tenminste, zijn nog geen plannen, maar ideeën vooral. Maar mijn vraag is eigenlijk, als we gaan verdichten, als we gaan inbreiden in de stad, is inbreiden duur? Of, betekent het ook, dat we sociale woningbouw
15
kunnen toevoegen? Of, wordt het alleen maar duurdere panden of hoogbouw, die overdag dan ook wel duurder is? De heer Van Oosterhout: Dat ligt eraan. Het standaard antwoord, natuurlijk. Nee, maar dat dat is inderdaad echt precies, die verdere invulling. Ik denk, dat je constant zou moeten zoeken naar van, ja, wat is de kwaliteit, die je op een bepaalde plek wil toevoegen? En vervolgens ga je, als dat geld moet gaan kosten, want soms dan levert woningbouw genoeg op, om ook gewoon die extra kwaliteit te kunnen voegen. Nou, ja, dan lukt dat wel. Op moment, dat dat te weinig is, dan ga je kijken van, of we gaan extra geld zoeken hier binnen het huis of binnen alle potten in het land en in Europa, die daarvoor te vinden zijn. Of, we besluiten van, ja, dan doen we het dus niet. De heer Noldus: Daarnaast nog aan te vullen. Natuurlijk in het begin van de presentatie heeft u benadrukt, dat juist ook de afstemming met die andere domeinen, daar zo belangrijk in is. En, dat wij die woonopgave ook als een investeringsmotor, voor de kwaliteit van de bestaande stad zien. Dus, dat werk met werk maken. Dat is daar ontzettend belangrijk in. De voorzitter: Ik kijk nog even rond, of dat we voldoende informatie hebben opgehaald, over deze verdichtingsprincipes. Volgens mij, zijn er geen vragen meer. Zie ik mensen jaknikken, dat dit voldoende informatie is.
Dan zou de vervolgvraag zijn, hoe gaan we hiermee verder? Gaan we naar een oordeelsvormende sessie over de verdichtingprincipes, of kan dit door als hamerstuk? Ik probeer wat gezichten te lezen, maar jullie kunnen zo pokeren. Ik zie daar een hamer gaan. Ik zie nog de heer, dat de heer Portier hier graag iets toe wil voegen. De heer Portier: Ja, ik denk, dat we pas kunnen hameren, als we inderdaad het onderliggende stuk hebben. De voorzitter: Het onderliggende stuk staat nu al in het Raadsinformatiesysteem, als kaart Spoor B. En we hoorden net een toezegging van de wethouder, dat daar een legenda aan toegevoegd … Klopt dat, wethouder? De heer Burggraaf: Nee, dat klopt. Er zijn twee onderliggende stukken, feitelijk. Dat is, wat u nu heeft gezien, de presentatie en dat is de kaart, waar inderdaad geen legenda opstaat, maar die wordt nog toegevoegd. De heer Portier: En de studie? De heer Burggraaf: Dat is de studie. Dat is dit en de kaart, die u heeft. En de vervolgstap is de, zijn de verlichtingsplannen dus per wijk, die principes vast toepassen en daar dan concreet per wijk, de uitwerking van te doen. De voorzitter: De heer Portier is nog aan het nadenken. Ik zie een voorkeur, naar een hamerstuk. Dat klopt, volgens mij.
16
De heer Katif: Volgens mij, voorzitter, wel een meerderheid voor. En iedereen staat het vrij, namelijk, om straks tijdens de raadsbehandeling, oftewel als hamerstuk, een stemverklaring af te leggen. De voorzitter: Kan. De heer Gündogdu, u wil nog wat toevoegen? De heer Gündogdu: Voorzitter, even voor de zekerheid. Ik heb zojuist een voorstel gedaan, voor een mogelijke locatie. Neemt u dat ook direct mee? Als u dat kunt toezeggen, dan kan het een hamerstuk zijn. De heer Burggraaf: Nee, voorzitter. Zoals ik zei, de vervolgstap is gericht op de wijkplannen, dus die komt ook vanzelf bij u terug. En dan zullen we voor de locaties ook aangeven, waarom ergens wel of niet, ontwikkeld kan worden. Ik kan in ieder geval meegeven, dat bedrijvigheid en kleinschalige bedrijvigheid ook een hele belangrijke functie is in onze stad. En, dat we daar ook voldoende ruimte voor moeten bieden. Dus de locatie, waar u het over heeft zit ook wel waardevolle bedrijvigheid, die ook niet, we ook niet zomaar weg kunnen poetsen en zouden moeten willen poetsen, in de stad. Maar goed, om concreet antwoord op te geven op die vraag, die reflectie zult u krijgen bij het wijkplan.
De voorzitter: Ja. Want het besluit vraagt, om de startnotitie vast te stellen over de plannen en de verdichtingsprincipes ook vast te stellen. Oké. Dan besluiten we hierbij, hamerstuk. Indien er nog moties, nee, helemaal geen moties, spreek, stemverklaringen zijn, dan kan dat op dat moment. Dank u wel. 4. Stadas: Ontwerpbestemmingsplan Maasterras - Bijpraatmoment voortgang proces (technische sessie) Voorzitter: De heer Struijk. Raadsgriffier: De heer Den Boer Verslag: Notubiz Aanwezig: Dhr. Bootsman (GroenLinks) Dhr. Ayverdi (DENK) Dhr. Den Hartog (GroenLinks) Mevr. Van Herwijnen (Partij voor de Dieren) Dhr. In ’t Veld (VSP) Dhr. Kuhlmann (VVD) Dhr. Portier (SP) Dhr. Roggekamp (Gewoon Dordt) Dhr. Laban (ChristenUnie-SGP) Dhr. Wringer (Beter voor Dordt) Dhr. Buitenhek: programmadirecteur Stadsas. Dhr. Kramer: gebiedsprojectmanager Maasterras Portefeuillehouders: wethouder M. Burggraaf
17
De voorzitter: Goedenavond, mensen. Wij zijn hier vanavond bijeen voor het Ontwerpbestemmingsplan Maasterras beeld, beeldvormend. Het gaat over de voortgang. Het is een bijpraatmoment, het is een technische sessie. Ik heet ieder die hier aanwezig is, dat wil zeggen de raad en commissieleden, onze twee vaste gasten en voor een groot deel ook vaste gasten, wethouder Burggraaf. Ook welkom, uiteraard. Achter ons, achter mij zitten ook een paar vaste gasten, ook hartelijk welkom. En uiteraard geldt dat ook voor de mensen, die thuis meekijken en meeluisteren. Zoals gebruikelijk is het gewenst voor het verslag, dat iedereen zich eventjes voorstelt. En ik ga nu maar weer eens een keertje, linksom beginnen bij Peter. De heer Kramer: Goedenavond, Peter Kramer, gebiedsprojectmanager Maasterras. De heer Buitenhek: Ronald Buitenhek, programmadirecteur Stadsas. De heer Burggraaf: Maarten Burggraaf, wethouder Stadsontwikkeling. Mevrouw Van Herwijnen: Irma van Herwijnen, Partij voor de Dieren. De heer In ’t Veld: Richard In ’t Veld, VSP. De heer Ayverdi: Emin Ayverdi, DENK Dordrecht. De heer Wringer: Jan-Willem Wringer, Beter voor Dordt. De heer Bootsman: Nick Bootsman, GroenLinks. De heer Den Hartog: Paul den Hartog, GroenLinks Dordrecht. De heer Laban: Vincent Laban, ChristenUnie-SGP. De heer Roggekamp: Erik-Jan Roggekamp, Gewoon Dordt.
De heer Kuhlmann: Alexander Kuhlmann, van de Dordtse VVD. De heer Portier: Ronald Portier, SP. De heer Den Boer: Mark den Boer, commissiegriffier. De voorzitter: En mijn naam is Leen Struijk en ik mag ook vanavond deze club weer voorzitten. We zien een paar gezichten, die er anders niet zitten. Dat heeft te maken met een parallelle sessie over huisvesting, waardoor sommigen die hier graag bij hadden willen zijn, die hier normaal altijd bij zijn, zich laten vervangen door een ander, die ongetwijfeld net zo betrokken en deskundig is. Korte toelichting op de reden van deze vergadering. Het is weer een bijpraatmoment, over de zaken rondom de Stadsas en het Maasterras. Op 26 maart bent u geïnformeerd over de MIRT verkenning, naar het aanpassen van het hoofdstation Dordrecht. Een nieuw station Dordrecht Leerpark en het inpassen van het City Sprinter-concept. Omdat de komende periode op het landelijk niveau, vervolgstappen worden gezet in de besluitvorming over het MIRT, wordt u vanavond bijgepraat over de stand van zaken en wie kan dat beter doen, dan Ronald Buitenhek? Ik ga hem het woord geven. Ronald, hij is aan jou.
18
De heer Buitenhek: Dank u wel, voorzitter. Zoals al aangegeven is en dat hebben we in de vorige sessie ook gedaan, met betrekking tot de MIRT. Dan heeft u ook het filmpje gezien, waarin aangegeven stond, hoe we tussen Leiden en Dordrecht een City Sprinterconcept willen uitrollen met de opgave, om zo’n ongeveer een honderdzeventigduizend woningen te bouwen, rondom de Lijn, de Oude Lijn. Vanavond neem ik u mee, met betrekking tot de deelstudie voor de Knoop Dordrecht. De Knoop Dordrecht houdt in, dat is de deelstudie die te maken heeft met het hoofdstation. Ik kom straks ook even terug met het raakvlakproject, met betrekking tot het Leerpark. Maar de Knoop, zoals die in de MIRT zit is vooral, laten we zeggen, het hoofdstation. In de MIRT zit ook het City Sprinterconcept, zoals net al even genoemd. Dat is een trein met een hoge frequentie. En daar zit ook de koppeling met het Leerpark in. Dus ik zal het straks even uitleggen. Maar zo doende hebben we voor Dordrecht, in een uurtje tijd kan ik u helemaal meenemen, in de ontwikkelingen van de MIRT en de consequenties, die dat heeft op de besluitvorming, het komende jaar. Wat ik hier u heb aangeven, is vooral even de deelstudie. Dan gaat het vooral even, over de tekst met betrekking tot de startbeslissing. Startbeslissing is ongeveer anderhalf jaar geleden genomen, met betrekking tot de start van deze MIRT, dit MIRT onderzoek.
En daar is eigenlijk het uitgangspunt zoals hier staat dat, Dordrecht heeft een grote verstedelijkingsopgave. Praten we ongeveer over zo’n circa tienduizend woningen plus voorzieningen en daar zit ook nog een verdichtingsopgave. Ik heb begrepen, dat u dat net afgelopen uur gedaan heeft. Nou, dat bij elkaar opgeteld, hebben we nu even een uitgangspunt genomen, van ongeveer die tienduizend extra. Maar of dat er nou twaalf of elf zijn, dat maakt voor deze studie even niet zo gek veel uit. Waar we naar gekeken hebben, is vooral de gebiedsontwikkeling die eraan gekoppeld, de Maasterras, de gebiedsontwikkeling van het hoofdstation en Leerpark gezondheidspark. Ik wijs het toch nog even hier aan, Maasterras. Hier in het midden, de ontwikkeling van het centrum en hier de ontwikkelingen van het Leerpark. Wat we daar als uitgangspunt hebben genomen in die deelstudie, dat mobiliteit en verstedelijking maken die hoogwaardige openbaar vervoer schaalsprong noodzakelijk. Dus we hebben die stationskaart nodig. Maar ook de frequentieverhoging op het spoor hebben we heel hard nodig, om ervoor te zorgen, dat we deze gebiedsontwikkelingen met een lage parkeernorm kunnen realiseren. Uitgangspunt van de MIRT is, dat we kijken naar vervoersstromen, hoe we die veilig en goed kunnen faciliteren.
Dus dat houdt in, hoe gaan we de stations ontwikkelen rondom tussen Leiden en Dordrecht? Om ervoor te zorgen, dat de passagiers het prettig vindt om het te gebruiken. Dat we dat ook op een veilige en sociaal veilige manier doen en goed toegankelijk en goed bereikbaar. Maar, dat we dat ook combineren met een grote goederenstroom, die hier natuurlijk ook over het spoor zitten, inclusief een ICT. Dat allemaal bij elkaar, dat zit in de MIRT, om dat tot een goed onderzoek te doen. Het tweede punt is, het behoud van de monumentale status van het stationsgebouw. Dat is een goede, maar daar zijn we wel naar op zoek, hoe we die optimaal gaan benutten. Gaan we die benutten voor de reizigers of gaan we die benutten voor andere faciliteiten? Om toch te zorgen, dat dat pand goed gebruikt wordt. En de derde is eigenlijk, hoe gaan we de ruimtelijke kwaliteiten, rondom het gebied van het station doen? We hebben het nu over een voor- en een achterkant. Wij gaan het in de toekomst houden over twee voorkanten. Dus, zowel een voorkant aan het stations-, of aan de stadskant, als een voorkant aan het Weizigtparkkant. Dan zullen we vooral inzetten, op het bereik van dat
19
station door voetgangers en fiets. Dat is het STOMP-principe, wat we ook in andere projecten gebruiken, om ook die parkeernorm naar beneden te halen. Nou, daar hebben we naar gekeken. En dan gaat het vooral even over, dat staat op de rechterpagina dan, over dat overstapproces. Dus, hoe sluiten we goed, bijvoorbeeld de MerwedeLingenlijn en de bus in een hoge frequentie aan, goed op de spoorgerelateerde zaken. Nou, dat is best een hele opgave, om dat goed te doen. Daar hebben we een paar doelstellingen naar voren gehaald en die hebben wij vastgelegd in een plan van aanpak en ook in een programma van eisen, die we meenemen in deze studie. Daar hebben we er drie van. Het gaat over een hoogwaardig multimodale knoop. Dat houdt in, dat alle stromen goed met elkaar, op elkaar aangesloten zijn. We faciliteren daarmee de gebiedsontwikkelingen, die ik net genoemd heb. En hier staan ze nog even in het groot, staan ze erop. Daar moeten we doen. De opgave is ook, die u ons meegeeft, om goede interwijkverbindingen te organiseren. Dus wij gaan kijken bij het hoofdstation, hier de Knoop, gaan we kijken, welke verbindingen zijn er nu, zijn die optimaal of zouden die eigenlijk beter gemaakt moeten worden. En we gaan betekenis geven in het monumentale stationsgebouw.
Hoe we dat hebben gedaan in de studie, deze studie, dat is eigenlijk een studie waarin we gaan kijken, hoe we eigenlijk de verschillende oplossingsrichtingen voor zo'n nieuw station onderzoeken. Daar komt eigenlijk straks een nota van kansrijke oplossingen uit. Dus wij kijken nu nog niet van, we willen een station er zo uit laten zien, maar we kijken wel, wat er nu in de huidige situatie speelt. En hoe zouden we dat later op kunnen lossen? Want hoe we dat doen en dat hebben we eigenlijk hier al even bij de huidige situatie uitgeprobeerd. We hebben hier aangegeven, welke knelpunten er eigenlijk in de huidige situatie zitten. Die hebben we aangegeven. U ziet ook met de rode uitroeptekens van, waar moeten we dan op letten? Maar zo kan je zien, dat als we die knelpunten, die zich voordoen in de huidige situatie of eventueel later, het kan, op korte en lange termijn kunnen die zich voordoen. Een voorbeeld daarbij is. Stel voor, dat het reizigersaantal met, twee keer zoveel wordt als nu. Even als ruim voorbeeld. Dat zal niet voor, maar laten we dat even als voorbeeld nemen. Dan zie je dus hier nu, waar het straks gaat knellen als je bij wijze van spreken, te smalle perrons hebt. Of, als de trappen niet breed genoeg zijn. Of, als de liftfaciliteiten het niet goed doen. Nou, zo onderzoeken wij eigenlijk die huidige situatie, met de getallen voor de toekomst.