2.6 2024.02.13 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 3 - concept.pdf
Tekst van het document
Na het lezen van de visie, missen we een aantal onderdelen en dan met name de uitleg over wat preventief is. De uitleg daarvan kun je heel veel verschillende kanten mee op. Voor de jeugd wordt dat wel uitgelegd, maar niet echt voor de overige groepen. Als tweede hebben we net als mevrouw Schnabel, zien we veel nieuwe ideeën en ook plannen, maar de planning van de uitwerking daarvan die mist eigenlijk. We zijn eigenlijk wel benieuwd wat de gedachten daarover zijn? Ik snap ook dat je dat niet helemaal nu al kunt voorzien. Als derde, in het advies van de WMO zien we juist ook een advies om te investeren in laagdrempelige toegang van ontmoetingsplekken, zonder intake. Ook wij vanuit CDA Dordrecht vinden dat belangrijk, omdat uiteindelijk de zorg die je krijgt natuurlijk afhangt van hoe je daar komt. Hoe je in zorg komt, hoe je op de juiste plek komt. Daarom was het bericht van de wethouder van deze week dat die ontmoetingsplekken niet gingen sluiten, vonden we fijn, maar tegelijkertijd niet helemaal gerustgesteld, want de uitwerking van de plannen zou dus kunnen zijn dat die plekken wel sluiten.
Dan ben ik benieuwd, kan de wethouder dan toezeggen dat dit aantal vindplaatsen, of die ontmoetingsplekken van nu vijf, dat dat in ieder geval niet zal afnemen? We weten juist dat mensen met problemen in bestaanszekerheid of nood aan psychische hulp, moeite hebben om grote afstanden af te leggen of plaatsen te vinden, juist op het moment dat ze die hulp nodig hebben. Dus vandaar ook die aandacht voor laagdrempeligheid. Als vierde en ook als laatste punt, in het advies ook van de WMO-raad staat ook het advies om debat en dialoog aan te gaan voorafgaand aan de uitwerking. Mij was niet duidelijk in het lezen hiervan hoe dat precies in zijn werk gaat en hoe dat, wanneer dat dan we dat voor ogen hebben? Dat was het eigenlijk. Tot zover. De voorzitter: Dank u wel. Dan nog één keer. De cirkel is rond. De vraag of er toch fracties nog het woord willen voeren die dat niet hebben gedaan? Nee? Dan volgt nu de reactie van de portefeuillehouders, de portefeuillehouder en de andere wethouders, namens het college. Mevrouw Van Benschop.
39
Mevrouw Van Benschop: Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik ook toch nog even wel benoemen dat hier ontzettend veel werk in is gaan zitten. Dat er echt heel erg hard gewerkt is om het een integraal plan te laten zijn. Ik moet het toch even benoemen. Als je hier op de tribune kijkt, hier zit denk ik tachtig procent van de mensen die eraan mee heeft gewerkt en die hier ook echt iets mee te maken heeft. Dat laat ook zien dat de betrokkenheid er is. Dat echt de wil er is om hier gezamenlijk integraal samen te werken om rond die inwoner de juiste ondersteuning te kunnen bieden. Dat gezegd hebbende, als we het hebben over die inlooppunten, ik ga die als eerste maar eventjes adresseren, dat zijn geen ontmoetingsplekken in de wijk, zoals we die laagdrempelig hebben. We hebben de wijkcentra, we hebben ontmoetingsplekken op andere manieren van andere partijen die dat geopend hebben en die dat ook in stand houden. Dit gaat echt over de locaties waar mensen met een specifieke vraag voor het wijkteam binnen kunnen lopen. Dus we gaan geen ontmoetingsplekken sluiten. Wat we hebben gezegd is juist, we zouden willen dat mensen laagdrempelig die informatie kunnen krijgen op plekken in de wijken die al geworteld zijn, waar mensen sowieso komen. Dus bijvoorbeeld op zo'n ontmoetingsplek of op een school of op een andere locatie in de wijk waar mensen komen.
Dat past ook heel erg bij de opdracht die we hebben gegeven. Benoemde ik net al, ga outreachend te werk, vindt plaatsgericht, ga zorgen dat je bent waar de inwoners komen, in plaats van dat je vanaf een locatie werkt en wacht totdat inwoners naar jou komen. Dat betekent wel dat er een centraal inlooppunt van het wijkteam zal blijven. Dat is dan de Bankastraat. Dat is ook al eerder gecommuniceerd. Wat hier gebeurd is, is dat eerst de inlooppunten zijn gesloten, of tenminste één. Er was één inlooppunt gesloten, dus die beweging werd al ingezet nog voordat in de stad echt geland was, hoe gaan we nou op die vindplaatsen werken? Waar zijn we dan wel aanwezig? Hoe vinden inwoners ons als ze actief ons willen benaderen? Dat moet eerst gewoon geregeld zijn voordat je zo'n stap kan zetten. Dat is waarom het teruggedraaid is, niet omdat we niet achter de beweging staan. Er werd een vraag gesteld over die capaciteit. Dit heeft ook niks te maken met het afbouwen van capaciteit. Sterker nog, de beweging die gemaakt wordt is dat bijvoorbeeld het buurtwerk dadelijk makkelijker kan schakelen als er dergelijke vragen komen. Dat je meer een, integraal vind ik nu dus een ingewikkeld woord, omdat de hele visie al integraal heet, maar dat er meer een compleet plaatje aanwezig is aan kennis op dat moment dat een inwoner binnenkomt, dan een specifieke vraag voor een wijkteam.
Dat bijvoorbeeld ook een buurtwerker zou kunnen doorsturen of doorverwijzen. Het is juist de bedoeling dat er meer mogelijkheden komen voor inwoners om die vragen te kunnen stellen. De voorzitter: Ik heb een interruptie van mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel, voorzitter. Fijn om te horen. Wat ik me wel afvraag is, hoe zorg je er dan voor dat als je al die verschillende punten hebt waar mensen binnen kunnen komen, dat je ook de kwaliteit daarvan borgt? Zijn het dan professionals of wat is daar dan het idee achter? Want ik kan me namelijk voorstellen dat je met een heel laagdrempelige vraag misschien binnenkomt, die uiteindelijk dan niet beantwoord kan worden, omdat misschien juist de kennis dan niet voorhanden is. De voorzitter: Mevrouw Van Benschop.
40
Mevrouw Van Benschop: Voorzitter, dan is het heel mooi dat we dus een partij hebben, Dordrecht Sociaal, aan wie wij de opdracht voor buurtwerk, jongerenwerk, jeugdteams. Dat is een aanbesteding geweest, dus er is een partij die die kennis heeft. Het is niet zo dat ieder persoon uit het team dat in de wijk aanwezig is, alle informatie moet hebben. Ze moeten de ander weten te vinden. De andere professional die mogelijk wel het antwoord heeft. Wij hebben er vertrouwen in dat we dat gewoon op een goede manier gaan zien. Dat dat gewoon op de goede manier vormgegeven wordt. Dat is de opdracht die gegeven is, daar voeren we de gesprekken over. Wij hebben op dit moment geen enkele reden om te wantrouwen dat dat niet zou gaan. De voorzitter: Een vraag van de heer Van Dam Timmers.
De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, heel even aanhakend bij mevrouw Schnabel. Ik begrijp die zorgen eigenlijk wel, omdat als je op heel veel plekken vindbaar bent, dan kom je de willekeurige medewerker misschien tegen, terwijl juist als je aan het begin van een hulpvraag staat, heb je eigenlijk een hele goede medewerker nodig die je de juiste kant opstuurt. Snapt u die zorg? Ik zie u een beetje moeilijk kijken, maar snapt u misschien wel de zorg? De mensen willen graag op een goede plek terechtkomen. De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Waarom ik een beetje moeilijk kijk, is omdat ik de classificering van een goede medewerker dan wel ingewikkeld vind. Een goede medewerker, of een goede hulpverlener, is volgens mij iemand die luistert naar de vraag die gesteld wordt, een antwoord geeft als hij dat kan geven en doorverwijst naar de juiste persoon of de hulp erbij haalt die nodig is om aan de vraag te kunnen voldoen. Dat is precies de opdracht die gegeven is. Op dit moment gaat het, waar we het specifiek over hebben, de locaties van de wijkteams. Het wijkteam kan ook niet alle vragen beantwoorden, want soms hoort een vraag helemaal niet bij het wijkteam, maar hoort een vraag bij het buurtwerk of bij het jongerenwerk. Dus het gaat hier niet zozeer om of we wel of niet de goede medewerker neerzetten.
Het gaat erom, weten ze de verbinding te vinden? Weten ze wie ze moeten hebben om die inwoner die op dat moment binnenkomt, met wat voor vraag dan ook, de juiste richting in te helpen? Soms moet dat met meer begeleiding en dan gaat het wel door naar het wijkteam. Soms is dat niet nodig, kan het buurtwerk het zelf oplossen. Soms is er een voorliggende voorziening in de wijk waar iemand ook naartoe begeleid kan worden. Dat kan heel verschillend zijn, maar dat is nu ook al verschillend. De voorzitter: Dank u wel. Nog een vervolgvraag van de heer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, heel kort. Volgens mij zijn wij het gewoon eens. De voorzitter: Dat is altijd goed om te horen. Dan een interruptie van mevrouw Jager van Beter voor Dordt.
41
Mevrouw Jager: Voorzitter, ik denk bij dit hele verhaal direct aan een praktische situatie. Het wijkteam in Crabbehof zit midden in het winkelcentrum. Iedereen weet ze te vinden, iedereen gaat er ook naartoe. Buurtwerk weet niemand waar dat zit. Dat kom je af en toe tegen ergens, maar het is niet zo dat de mensen weten van, ik kan dit bij het buurtwerk gaan vragen. Daar zal toch nog wel wat moeten gebeuren, want stel voor dat je zegt, buurtwerk gaat twee keer in de week bij de bibliotheek zitten. Dat is helemaal aan de andere kant van de wijk waar dus een deel van de wijk wel makkelijk kan komen, maar een ander deel gewoon helemaal niet. Dat soort dingen, dat soort situaties, zijn dat mogelijkheden? Dat we niet weten waar de mensen terecht gaan komen of hoever ze moeten gaan lopen om bij het wijkteam te komen, terwijl het nu is op de plek waar ze boodschappen doen. Gewoon een voorbeeld uit een wijk. De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Dank u wel, voorzitter. Ik ken de situatie in Crabbehof. Klopt. Het sociaal wijkteam zit op het winkelcentrum. De Nieuwe Stoof ligt er een straat achter. Daar zit het buurtwerk nu ook al. Het is niet zo dat we, dat is precies de beweging die we wel maken, we willen aanwezig zijn, we willen graag dat Dordrecht sociaal en het wijkteam aanwezig is op plekken waar mensen al komen.
Dus als u zegt, sorry, als mevrouw Jager zegt, je kunt niet die inlooppunten sluiten voordat duidelijk is voor inwoners waar ze terecht kunnen, dat onderschrijven wij helemaal. Dat is ook precies het gesprek wat we voeren. Dat is ook waarom we die memo hebben gestuurd en terug hebben gedraaid dat er een van die inlooppunten gesloten is. Dat is wel een proces wat wij niet per se lopen, maar wat Dordrecht Sociaal en het wijkteam lopen. Uiteraard hebben wij daar overleg over en kijken we mee van, gaat dat de goede kant op? Maar niemand heeft er belang bij om punten te sluiten als het voor inwoners niet duidelijk is waar ze terecht kunnen. Dus die uitspraak durf ik hier zo heel duidelijk te doen. De voorzitter: Dank u wel. Dan is er nog een vraag van mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Nog een kleine verheldering, namelijk. Omdat toch best wel duidelijk wordt aangegeven in de visie dat we zo gaan werken, of althans, dat zo gewerkt gaat worden dat de inwoner diens hulpvraag en de sociale context centraal staan. Ik kan me voorstellen dat op het moment dat je een inlooppunt of een sociaal wijkteam binnenkomt en de juiste kennis is niet voorhanden, dat dan die twee uitgangspunten die we met elkaar afspreken, zoals bestaanszekerheid en preventief werken, wel in het geding komen.
Hoe wordt dan geborgd dat je niet heel de tijd doorverwezen wordt, omdat op heel veel verschillende plekken niet de juiste professionaliteit aanwezig is om die specifieke vraag te kunnen beantwoorden? De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Dank u wel, voorzitter. Dan wil ik toch de situatie van nu even schetsen. Die is namelijk misschien, niet misschien, die is denk ik nog veel meer zoals waar mevrouw Schnabel nu bang voor is, dan dat die dadelijk in de toekomst zal zijn. Op zo’n inlooppunt, bijvoorbeeld de Callistolaan, die dus gesloten is, dat is een locatie waar je echt alleen heen gaat omdat je voor het wijkteam komt. Er is daar verder niks, behalve een kantoor van … en een kantoor van nog wat partijen die daar zitten. Dat is niet echt de plek waar je gezellig even binnenloopt en je vraag stelt. Je gaat specifiek
42
naar het wijkteam toe. Daar stel je je vraag. Het wijkteam kijkt, moeten wij hier iets mee, even heel plat gezegd, of kunnen we dat weer terugleggen bij buurtwerk, jongerenwerk, wie er dan ook bij betrokken is? Vervolgens ga je in gesprek met de hulpverlener die jou wel kan helpen. Het is natuurlijk, of natuurlijk, ik vind het een illusie om te denken dat we in één medewerker alle expertise kunnen vangen die nodig is om alle vragen te beantwoorden. Dat gaat nooit gebeuren. Dus wat we moeten doen is dat mensen in ieder geval niet weggestuurd worden, dat ze op plekken terecht kunnen waar ze hun vraag kunnen stellen en dat we ervoor gezorgd hebben dat de mensen die daar aanwezig zijn, de verbinding hebben met dat hele netwerk wat erachter ligt. Of dat nou algemene voorzieningen zijn in de wijk of het buurtwerk of het jongerenwerk of het sociaal wijkteam en dat die verbinding gemaakt kan worden. Dat dit juist een warme overdracht is en niet, u staat bij het verkeerde loket, gaat u maar naar de volgende. De hele beweging, ik begrijp als we het dan hebben over inlooppunten sluiten, dan voelt dat alsof we mensen iets afnemen. Wat we juist beogen hiermee is dat we mensen het veel makkelijker maken om al die vragen op al die plekken te kunnen stellen. De voorzitter: Dank u wel. Ik stel voor dat u verder gaat met uw … Mevrouw Van Benschop: Dank u wel.
Ik begin wel steeds meer mijn stem kwijt te raken, merk ik. Ik word steeds heser. Gelukkig heb ik nog versterking. Nee, het lukt prima. Nu raak ik in de war. Er werd net een suggestie gedaan. Of tenminste, ik begrijp de zorg over het tekort aan personeel. Dat speelt eigenlijk op alle domeinen waar we ons op begeven en niet alleen binnen de overheid, maar overal. Dat betekent ook dat we keuzes moeten maken. Dat je moet kijken naar waar gaan we wel op inzetten en waar zetten we minder op in? Het is niet dat we alles kunnen doen, en dat zien we aan wachtlijsten, onder andere bij de WMO, maar de collega's hebben daar ook voldoende last van op andere beleidsterreinen. Het is niet zo dat we onze ogen sluiten door deze ambities neer te leggen. Zij hebben geen personeelstekorten, die heb ik alleen blijkbaar. Het is niet dat we onze ogen sluiten voor die arbeidsmarkttekorten. Het is ook niet dat we hier een ambitie neerleggen waarvan we weten, met de capaciteit die er is, gaan we hem niet waarmaken. Het is juist, door te prioriteren, maar ook door keuzes te maken en soms dus aan te geven, dit gaat niet. Door te prioriteren in de hulpvraag, de capaciteit die we hebben, zo zorgvuldig mogelijk en zo doelmatig mogelijk, effectief mogelijk in te zetten, zodat we mensen met een hulpvraag ook echt kunnen helpen als dat moet op dat moment.
Dan werd de suggestie gewekt, kunnen we dan ouderen bijvoorbeeld weer, of mensen die met pensioen gaan weer aan het werk zetten, helpen. Dat is ook zo'n balans waar je het steeds over moet blijven hebben, want ook deze mensen, we hebben het vaker over verzilvering tegenwoordig, die vervullen weer allerlei andere rollen. Bijvoorbeeld door op te passen op kleinkinderen, door vrijwillige inzet of vrijwillige energie heb ik gehoord dat het tegenwoordig zo moet heten. Door vrijwillige energie, door mantelzorg, door noem het maar op. Allerlei bijdragen leveren. Je wil ook niet dat je aan de ene kant iedereen aan het werk helpt. Is natuurlijk ook altijd de discussie om deeltijd te werken. En aan de andere kant dat we tekorten te krijgen juist op die vlakken waar mensen ook weer inzet plegen. Dus het is een discussie die we met dit stuk sowieso niet op gaan lossen, maar het idee is om wel keuzes te maken in, waar zetten we de capaciteit die we hebben nou op in? Werd er gevraagd naar de uitvoeringsplannen. Daar hebben we gewoon een schema voor. Ik kan het opnoemen,
43
maar ik denk niet dat dat helemaal onthouden wordt. Het uitvoeringsprogramma Elkaar Helpen gaat over sociale cohesie, mantelzorg en vrijwillige inzet, verwachten we nog in het tweede kwartaal van dit jaar. Algemene voorzieningen, het uitvoeringsprogramma derde kwartaal van dit jaar en de specialistische hulp en bestaanszekerheid aan het einde van dit jaar. Dan lopen natuurlijk nog de trajecten van de integrale verordening, de herijking van de P-wet en dat soort zaken die lopen eigenlijk vanaf dit moment, als de visie vastgesteld wordt, gaan die ook lopen. Mevrouw Schnabel: Voorzitter? De voorzitter: Dank u wel. Een vraag van mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Misschien heb ik het gewoon over het hoofd gezien door de hoeveelheid, maar ik heb die uitvoeringsprogramma's niet erin zien staan dus, dat kan. Ik bedoel, dat is mogelijk met de hoeveelheid, maar zit dat gewoon bij de stukken? De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Excuus. Nee, dat zit niet bij de stukken. Dat is waar we nu de verwachting hebben dat ze naar de Raad komen, maar als u dat graag even wil ontvangen, dan kunnen we dat ongetwijfeld delen. Mevrouw Schnabel: Voorzitter. Ja, dat lijkt ons in ieder geval heel fijn om te weten wanneer we wat kunnen verwachten. Mevrouw Van Benschop: Dat regelen we. Dan werd de vraag gesteld vanuit de VVD over cultuursensitief en cultuurspecifiek.
Het verschil daartussen is eigenlijk dat bij cultuursensitief de hulpverlener in gedachten houdt dat er verschillen zijn in achtergrond en eigenlijk dat je dus heel erg bezig bent met wie ben ik nu aan het helpen? En cultuurspecifiek is echt dat er ingezet wordt op dat we de cultuur leidend laten zijn in de zorg. Laat ik het zo even omschrijven. Waar wij op inzetten is echt op het cultuursensitief. Dus wie heb ik hier voor me en wat is voor deze persoon ook van belang? Dat kan gewoon hele kleine dingen zijn, maar, tenminste dat noem ik nu hele kleine dingen, dat kunnen ook hele grote dingen zijn, maar bijvoorbeeld dat je bij dagbesteding ook rekening houdt dat er andere mensen met een andere cultuur komen, dat je daar rekening mee houdt met het eten. Noem het maar. Of dat je mensen op een bepaalde manier benadert. Dat je je realiseert vanuit welke cultuur zij de vraag stellen, of tenminste van wie zij zijn. Dus het is niet zo zwart wit dat we zeggen van, we gaan nu overal een specifieke zorg verlenen voor een specifieke doelgroep. Wij vragen juist van hulpverleners, kijk naar wie je voor je hebt en wees je daar bewust van. Dus dat bijt ook absoluut niet met het integrale, met de uitvoeringsagenda van inclusieve stad. GroenLinks had de vraag over mantelzorg. Die zorg die delen wij ook wel. Je vraagt veel van een sociaal netwerk, dus ook veel van mantelzorgers.
We gaan met het uitvoeringsprogramma wat ik net noemde, wat we in het tweede, derde kwartaal van 2024 naar de Raad laten gaan, die we dan presenteren ook echt wel kijken van, gaan wij nou inzetten op extra ondersteuning van die mantelzorger? Ook wel een hele belangrijke vraag, waar geeft die mantelzorger aan behoefte aan te hebben? Dus in gesprek met mensen over welke ondersteuning is dan gewenst? Want wij kunnen wel denken dat mensen allemaal heel graag ondersteuning willen. Misschien hechten ze wel heel veel
44
waarde aan de waardering of andersom. Dat is wel het gesprek wat je uiteindelijk met de mensen voor wie het is, gaat voeren. Dus daar hebben we zeker aandacht voor. We zijn niet blind voor de beweging die we maken en dat dat iets vraagt van het eigen netwerk. Dan werd de hele concrete vraag gesteld of het verhaal over de participatiewet hetzelfde was als bij Smart Delta. Voor een deel gaat het over die arbeidsmarktopgave waar de participatiewet natuurlijk ook onderdeel van is, maar dit gaat wel een stap verder. Dit gaat over die herijking en daar kan collega Heijkoop meer over vertellen. Al werd dat daar wel toegelicht. Even kijken hoor. De capaciteiten van het wijkteam had ik al iets over gezegd. Ik heb allemaal blaadjes inmiddels. Sorry. Er werd nog ook gevraagd door de PvdA over die vrijheid eigenlijk die we aan professionals geven. Dat ze met de inwoners, met de hulpvragen gaan kijken, wat is dan nodig? Wat is dan je sociale netwerk? Welke draagkracht, welke draaglast? U stelt daar uiteindelijk kaders voor. Er werd gevraagd, hoe houdt de Raad grip? U stelt kaders vast in deze integrale visie, in een integrale verordening en vervolgens zijn dat de kaders waarbinnen die vrijheid bestaat, maar we maken wel de beweging dat we maatwerk mogelijk maken. Dan hebben we het niet over de maatwerkvoorziening in de WMO, maar echt maatwerk.
Wat is mogelijk en nodig voor deze inwoner? Daar hoort ook een stukje bij dat je vrijheid geeft aan een professional om die keuzes te kunnen afwegen. Dat we die dus niet helemaal vasttimmeren en vastleggen in een verordening. Volgens mij, even kijken hoor, heb ik alles gedaan. Ik denk het. Ik denk het wel. De voorzitter: Niemand durft iets. Mevrouw Van Benschop: Nee, niemand durft meer. De voorzitter: De heer Bootsman twijfelt mogelijk aan de compleetheid van de antwoorden. De heer Bootsman. De heer Bootsman: Wij hadden in onze eerste termijn net gevraagd, als je nu aan het toewerken bent naar een integrale verordening, worden dan ook de potjes, dus het potje jeugdhulp, het potje WMO, wordt dat dan ook integraal ja of nee? De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Graag. Nee, we hebben de doorbraak methode werkt daar al mee dat dat mogelijk is. Als de Raad daar wat ruimte voor wil geven dan is dat denk ik een hele mooie uitkomst van dit debat. De voorzitter: Dan de heer De Heer van ChristenUnie/SGP. De heer De Heer: Voorzitter, dank u wel. Ik heb er twee gemist. De eerste ging over het normaliseren. Of de wethouder iets zou kunnen zeggen over hoe we dat concreter gaan maken de komende tijd en hoe ook de Raad daarbij betrokken zal worden.
De tweede vraag ging over de zorg van het stapelen van zorg en de kosten die daarbij komen kijken, omdat er op verschillende momenten verschillende wetten van kracht zijn. De voorzitter: Mevrouw Van Benschop.
45
Mevrouw Van Benschop: Die tweede vraag, het stapelen van zorg omdat op verschillende momenten verschillende petten worden opgezet? O, wetten. Dan begin ik daar even mee. Verschillende petten. Wie gaat er allemaal. Juist de hele gedachte achter deze beweging is dat je de inwoner centraal stelt. Hoewel dat heel vaak geroepen wordt, hebben wij het hier gewoon in Dordrecht voor elkaar gekregen om een plan neer te leggen. Dan zijn we echt voorloper. We gaan zien hoe dat in de praktijk dus ook allemaal bij elkaar komt, maar dit is wel juist die beweging die we willen maken. Dat je niet meer het ene loketje en de ene afdeling die zich bezighoudt met een hulpvraag op armoede, terwijl aan de andere kant ook gekeken wordt door het loket WMO en aan de andere kant ook weer gekeken wordt vanuit het loket participatiewet. Ik noem maar even een paar van die dingen die hierin zitten. De hele gedachte is juist dat je die inwoner centraal stelt, dat je een integrale verordening krijgt, zodat je juist eigenlijk het totaalplaatje in beeld krijgt en van daaruit de juiste en passende ondersteuning kunt inzetten. Want ik ben met u eens, het moet niet zo zijn dat je nu een heleboel bij elkaar legt en daarmee ook een heleboel inzet op één inwoner. Dat is juist niet de bedoeling. Het moet juist beter met elkaar gaan communiceren, waardoor je de passende zorg op de passende plek krijgt.
Die andere vraag was normaliseren. Ik heb hem nog. Hoe we dat concreter gingen maken? Uiteindelijk staat in deze visie een vertaling van wat er vast is gelegd in die startnotitie. Het normaliseren gaat er uiteindelijk over dat je niet kunt vaststellen, wat is dan normaal? Dat klinkt een beetje … Hoe zeg je dat nou? Er is niet één normaal, dus je kunt ook niet zeggen, dit valt wel binnen het kader van normaliseren en dit valt buiten het kader van normaliseren. Want wat is dan normaal? Het is veel meer de beweging van het niet problematiseren altijd, dus ga je in gesprek met een inwoner omdat er daadwerkelijk volgens de inwoner een probleem ligt. Ga je het gesprek aan om te kijken moeten we daar zorg op inzetten? Of is er een lichtere vorm van ondersteuning die iemand kan helpen om dat probleem te overwinnen? Dat is de ene kant. De andere kant is ook dat we zien dat er soms vanuit professionals, omdat we nou eenmaal die kaders zo hebben geschetst, van dit is normaal, terwijl er is geen normaal, er bepaalde zorg op wordt ingezet, terwijl er misschien helemaal geen probleem is. Dat zegt … Je zit te lachen. Het woord normaal is zo ingewikkeld, want je kunt geen vierkantje maken van, dit valt binnen normaal en dit valt erbuiten. De voorzitter: De heer De Heer. De heer De Heer: Voorzitter, misschien nog een vervolgvraag. Dank ook voor de antwoorden.
Ik denk me te herinneren dat we ook meteen tot doelgroepenvervoer, hebben we het ook een keer gehad over normaliseren en over kaders, dat we daar als commissie heel concreet bij werden betrokken. Ik heb dat erg gewaardeerd. Ik kan me zo voorstellen in aanloop naar deze verordening dat het ook op een aantal punten waar misschien het college zelf aan de uitwerking denkt. Dit zou wel heel goed zijn om toch de commissie wat dichterbij te halen en het gesprek daarover te voeren. Het zou in ieder geval van deze kant een aanmoediging zijn om te doen waar dat nuttig lijkt. De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Als dat de concrete vraag is, dan snap ik ook welke richting we opgaan. Volgens mij is dat een hele goede. Dat hebben we inderdaad met de
46
doelgroepen hiervoor gedaan. Er zitten hier genoeg elementen in waarmee we met de Raad kunnen spreken over welke kaders geeft de Raad dan mee, bijvoorbeeld in zo’n verordening, van hier vinden wij dat wel inzet op gepleegd zou moeten worden of dat echt zorg passend is en hier vinden we dat minder of zien we andere mogelijkheden. Als dat de vraag is dan, tuurlijk, dat kunnen we zeker gaan doen, ook richting die integrale verordening. De voorzitter: Dank u wel. Dan een vraag bij de heer Stam. Fractie van Waardhuizen. De heer Stam: Dank u wel, voorzitter. Die vraag die lag er nog. Een stukje nazorg en repressief beleid. De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Ik denk dat ik voor nu heel even het woord dan doorgeef, want anders gaan we, want wethouder Heijkoop en Van der Linden die gaan iets zeggen over hun eigen specifieke onderdeel. De voorzitter: Dan zag ik nog een vraag bij de heer Van Dam Timmers. Was die aan mevrouw Van Benschop? De heer Van Dam Timmers: Voorzitter, dat was inderdaad wel een vraag aan mevrouw Van Benschop. Een beetje aanvullend aan wat de heer De Heer ook zegt in die verdere uitwerking. Dat was mijn vraag van, worden daar eigenlijk betrokkenen en andere betrokkenen, zoals bijvoorbeeld WMO-adviesraad ook in die uitvoering verder betrokken? Daar kwam u niet verder op terug hoe u dat in gedachte had op dit moment.
De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Jazeker. Ik ga niet voor alle uitvoeringsprogramma’s. Ik denk dat de wethouders daar zelf wat meer duiding op kunnen geven, maar voor een groot deel, in ieder geval als het gaat over algemene voorzieningen, als het gaat over elkaar helpen, dan gaan we dat absoluut doen met partners in de stad. Dat benoemde ik net al even toen het ging over mantelzorg. Het is niet dat wij nu allerlei uitvoeringsprogramma’s gaan zitten schrijven en ervan uitgaan dat dat wel goed landt. Het is juist een co-creatie met die mensen die hierbij betrokken zijn. Of dat nou partners in de stad zijn of, bijvoorbeeld, mensen over wie het gaat, maar dat is wel echt een cocreatie. De voorzitter: Mevrouw Schnabel heeft nog een klein vraagje. Klein. Mevrouw Schnabel: Het was meer omdat ik nadacht over het antwoord dat mevrouw Van Benschop net gaf over de verordening en de professionele vrijheid, of althans, de vrijheid van professionals, dat ligt in elkaars verlengde natuurlijk, maar het is dan toch aannemelijk dat er in die verordening ook vastgelegd wordt op basis waarvan dan zo'n professional zegt van, hier en hier heb je recht op een maatwerkvoorziening, bij wijze van spreken. Dat u daar dan ook als wethouder achter staat, omdat ik me voor kan stellen dat een soort van vrijheid je niet kan opnemen in een verordening.
47
De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Nee, uiteraard. Wij komen gewoon met een voorstel voor die verordening en de Raad stelt die verordening vast. Het is niet dat vrijheid voor de professional betekent dat zich niet aan de regels moeten houden die de Raad heeft gesteld. Het is uiteraard binnen de kaders die gesteld worden, maar dat betekent wel dat in sommige gevallen ook gewoon het echte gesprek gevoerd moet worden. Ik trek hem heel even naar de WMO, omdat dat echt specifiek mijn portefeuille is. Wat doen we op het moment dat iemand bij ons aankomt en zegt, het schoonmaken wordt moeilijker of ik vind het lastiger om mijn huis schoon te houden, dus ik wil graag een voorziening aanvragen voor huishoudelijke ondersteuning. Is het dan, u vraagt, wij draaien, of voeren we het gesprek met iemand en zeggen we, wat kunt u nog wel? Welke mogelijkheden heeft u nog? Wat kunt u in uw netwerk opvangen? En gaan we gewoon het eerlijke gesprek aan over welke bijdrage zouden wij kunnen leveren in de opgaven die u heeft op dit moment. Dat maakt een verschil hoe je dat aanpakt en of je daar ook het oprechte gesprek durft te voeren met iemand die de zorgvraag heeft. De voorzitter: Dank u wel. In het kader van de tijd wil ik nu wel echt doorgaan naar de volgende wethouder.
Ik dank mevrouw Van Benschop voor haar reactie, inclusief een filosofische benadering op het begrip, wat is normaal? Mevrouw Van Benschop: Ik niet. De voorzitter: De heer Heijkoop. De heer Heijkoop: Voorzitter, normaal is een heel relatief begrip. Daar zouden we denk ik een hele avond aan kunnen wijden. Fijn om het stokje over te mogen nemen van de bevlogen collega die denk ik de grote lijnen al goed heeft neergezet. Ook wat dieper in is gegaan op een aantal zaken rondom de toegang. Ik zal mijn licht vooral laten schijnen over de thema’s bestaanszekerheid, vrijwilligersinzet en ook al in relatie tot de financiën. De bestaanszekerheid, staat ook in het stuk, is toch wel de basis waar het mee begint. Als de bestaanszekerheid niet op orde is, dus een toereikend inkomen, een dak boven je hoofd, toegang tot zorg, is het recept voor ellende, voor stress, problemen met werk, problemen in het gezin. Wat niet zelden leidt tot schulden en ook tot zorgproblemen. Daarmee zie je wel dat als je daar aan de voorkant op investeert en je zorgt dat mensen zich bestaand zeker wanen, kun je veel kosten aan de achterkant voorkomen. Als we dan kijken naar deze visie, dan proberen we dat bij elkaar te brengen. We hebben een aantal keer gesproken met elkaar in integrale stuurgroepen. Dan probeer je ook met elkaar die doelstellingen vanuit verschillende thema's te verbinden.
Dat heeft zijn weerslag gekregen in deze visie. Het is goed te horen vanuit het college dat u eigenlijk daar ook in waarderende termen over spreekt, in de zin de integraliteit, maar ook de wijze waarop dat in dit stuk is vormgegeven. Als het gaat over de ambities die we hierin stellen, die staan echt wel overeind, ook op het moment dat we met elkaar ingewikkelde gesprekken gaan voeren over de toekomstige gemeentefinanciën en de soliditeit van de meerjarenbegroting. Dan is het juist des te belangrijker dat je een soort stip op de horizon zet met elkaar, dat je een visie met elkaar vaststelt van, dit vinden wij belangrijk, want dan kan je op het moment dat je een keuze moet maken, die visie daar ook als het
48
ware leidend in laten zijn. Wij zijn in beginsel ook niet ervoor om te gaan kaasschaven, want die kwam langs. Dat kan soms op onderdelen een uitkomst zijn, als het gaat over indexering van subsidies. Maar wij zullen u als Raad altijd aanmoedigen om uiteindelijk keuzes te maken langs de lijn van de inhoud, langs de lijn van de inhoudelijke stukken die u ook heeft vastgesteld. Dan niet over het sociaal domein, maar echt over de totale gemeentebegroting. Binnen het college spreken we daar ook over en werken we ook aan een voorstel om u daar ook nader over te informeren. We hopen daar ook binnen een maand daar meer over met u te kunnen delen. Als het gaat over die uitvoeringsprogramma's, daar geldt ook voor, dat zijn integrale uitvoeringsprogramma’s. Dat betekent dus niet dat we alles helemaal over een andere boeg gooien, maar als het dan bijvoorbeeld gaat over die vrijwillige inzet, dat je dan nadrukkelijk kijkt van, kan je het bezien tot de andere onderdelen? Dus tot mantelzorg, tot die sociale cohesie. Maar dat betekent niet dat wij straks ons beleid op die vrijwillige inzet anders zullen vormgeven, maar we willen wel de mogelijkheden benutten om dat op elkaar te laten versterken. Als het gaat over die bestaanszekerheid preventie, de laagdrempeligheid, dan is dat heel erg belangrijk.
Vanuit het armoedeprogramma zijn we al geruime tijd bezig om ook alle organisaties die bezig zijn met die ondersteuning van mensen met schulden, mensen die te maken hebben met armoede, om die organisaties met elkaar te verbinden. Dat gaat ook goed. Dat helpt ook, want het begint erbij dat je elkaar kent. Want op het moment dat je ergens binnenkomt, mensen laten zich niet altijd leiden door loketten en plekken waar ze kunnen zijn. Sommige mensen vinden het prettig om een duidelijke plek ergens in de stad waar ze misschien ook wat anoniemer naartoe kunnen en sommige mensen vinden het heel prettig om een laagdrempelige plek in de wijk, zoals een Crabbehof. Maar er zijn ook mensen waar je toch meer erop uit moet gaan. Dan kan ook een school een vindplaats zijn of een sportvereniging of een maatschappelijke organisatie als de voedselbank. We zijn voortdurend aan het nadenken, wat zijn de plekken waar we mensen kunnen zien en spreken en waar kunnen we laagdrempelig dat eerste contact ook leggen. Collega Van Benschop gaf al aan, niet iedereen weet overal alles vanaf, maar dan is het wel belangrijk dat je van elkaar weet wie het dan wel weet. Is ook niet zo'n hele fraaie zin, maar u begrijpt wat ik bedoel. Dan gaat het ook over dat je niet in van het kastje naar de muur-achtige taferelen terechtkomt.
Dat je altijd streeft naar een warme overdracht, dus dat je niet iemand loslaat voordat de ander degene heeft vastgepakt. Dat beogen we ook wel met deze visie. Als het gaat over de participatiewet en werk, de heer Hartmeijer heeft even van zijn hart geen moordkuil gemaakt. Ik moet zeggen, zijn gebrekkige enthousiasme voor die participatiewet wordt aan deze kant wel gedeeld. In ieder geval ook door mij. We hebben ook echt wel hard, we hebben ons ook echt wel voor ingezet om die participatiewet structureel te laten hervormen. Ik vind dat het kabinet daar de laatste tijd ook echt wel goede voorstellen heeft gedaan. Dat helpt ons ook als gemeente om, binnen de invloed die we wel hebben, ons werk te kunnen doen. Dan gaat het soms om bepalingen dat je dingen moet doen in die wet, waar de minister nu van zegt, dat kan je doen. Dat geeft ook vertrouwen aan de professional om de goede dingen te doen. Wat niet goed is, is om mensen te laten werken tegen een uitkering. Dat doen wij ook niet. Wij doen niet aan proefplaatsingen. Er wordt wel eens naar gevraagd door werkgevers. Doen we niet. Wij proberen zaken te doen met sociale werkgevers. Dat is echt wel een principieel punt. Het is wel zo dat we participatieplekken hebben.
49
De voorzitter: De heer Hartmeijer heeft een vraag. De heer Hartmeijer: Voorzitter, ik heb dat opgenomen in mijn bijdrage. Dat heb ik natuurlijk niet verzonnen, maar dat staat gewoon op de site nog steeds van baanbrekend. Vandaar dat ik dat heb toegevoegd aan mijn bijdrage. Dus als dat anders is, dan hoor ik dat graag, maar het staat nog steeds op de site vermeld. De voorzitter: Dank u wel. De heer Heijkoop. De heer Heijkoop: Voorzitter, we hebben tal van instrumentaria vanuit de P-wet. Dat gaat over loonkostensubsidie, zetten we heel vaak in. Dan is het zo, mensen verdienen gewoon een loon en dan leg je het wel het verschil tussen de loonwaarde en het te verdienen loon, dat leg je wel dicht met loonkostensubsidie. Je hebt ook een no-riskpolis, dus dat je in die zin de risico's wegneemt bij de werkgever, dat die ook zijn nek durft uit te steken om ook mensen die misschien een wat moeilijkere achtergrond hebben een kans te geven. We doen heel veel aan jobcoaching, begeleiding op het werk, maar we maken geen gebruik van proefplaatsingen. Het is wel een instrument dat in het verleden gebruikt werd. Als u zegt, dat staat nog ergens in de krochten van het internet, dan moet dat weg. Het is sowieso. Het is vanuit baanbrekend Drechtstede hebben we wel het gesprek nu over de strategie van de toeleiding naar werk.
Want, richting de heer Hartmeijer, dat is ook wel richting de VVD, dat je wel ziet dat de populatie vanuit de participatiewet wel wijzigt. Waar tien, vijftien, twintig jaar geleden nog relatief veel mensen dicht bij de arbeidsmarkt waren en je nog echt als een banenmotor snel mensen kon weg plaatsen, zie je dat er nu veel meer begeleiding en ondersteuning nodig is. Het vraagt ook een andere strategie van baanbrekend Drechtstede. Als er hier en daar in het verleden, en ook op dit moment, een kritische noot wordt gekraakt over die dienstverlening, dan denk ik, daar ben ik het wel mee eens. Want je ziet dat wij ook ons op die manier opnieuw moeten blijven uitvinden. De uitstroom, dat gaat nog steeds goed, maar je wil nog meer kwaliteit toevoegen aan die begeleiding, omdat mensen die nu van de uitkering afhankelijk zijn, gewoon relatief wat meer ondersteuning en begeleiding nodig hebben. Het sociaal werkbedrijf is daar nadrukkelijk onderdeel van. We hebben de Drechtwerk en de sociale dienst geïntegreerd. Vanaf één januari vorig jaar is het één sociale dienst. Dat doe je ook omdat je leerontwikkellijnen wil opzetten, omdat je mensen de infrastructuur van Drechtwerk wil je nadrukkelijk revitaliseren. Je wil daar mensen via trajecten richting de logistieke sector, de vervoerssector of andersoortig werk toeleiden, dat ze ook duurzaam kunnen uitstromen.
Daar zijn we nu echt mee bezig om daar weer volgende stappen in te zetten. Voorzitter, waar het gaat over die bestaanszekerheid, ging het ook over de schulden en de nazorg bij schulden. De heer Stam heeft daar wat zaken over gedeeld die ik wel onderschrijf. Zeker nu ook de minister de saneringstermijn verkort heeft van drie jaar naar anderhalf jaar. Dus dat mensen relatief sneller weer een volwaardig inkomen krijgen, is de kans op terugval nog wat groter. Dat maakt de aandacht voor nazorg nog belangrijker. Waar we vaak voor kiezen is om mensen dan onder budgetbeheer te plaatsen. Heel vaak willen mensen dat zelf ook. Ik ken zelf ook wat inwoners die heel gelukkig zijn onder budgetbeheer. Dan heb je namelijk wel je eigen inkomen, maar je wordt geholpen om je uitgaven op orde te houden. Waar we ook veel mee samenwerken is Stichting Schuldhulpmaatje, die daar ook een hele goede rol in kan vervullen in de toeleiding, want dat is een vertrouwde organisatie laagdrempelig.
50
Maar Schuldhulpmaatje kan ook een hele mooie rol vervullen als mensen weer op eigen benen staan, dat ze nog een oogje in het zeil houden. Voor de toekomst wordt dit nog belangrijker. De heer Stam heeft in die zin absoluut een heel terecht raakpunt te pakken. De voorzitter: De heer Stam heeft nog een interruptie. De heer Stam: Een aanvullende vraag aan de wethouder. Dat is allemaal op vrijwillige basis. Is het nu ook mogelijk om dat toch wat dwangmatiger te doen, zodat mensen toch min of meer verplicht worden om die schuldhulpverlening een X-periode te doorlopen? De voorzitter: De heer Heijkoop. De heer Heijkoop: Voorzitter, ik ben het eigenlijk wel met u eens. We hebben met de dienst hier zelfs een keer ook landelijke media gehaald, omdat wij nadrukkelijk een uitkering ook verbonden aan dat je ook met je schulden aan de slag zou moeten gaan. Dat vinden we heel belangrijk. Het raakt ook wel de vrijheid van een individu. Als je een uitkering verlangt, mag er ook van de samenleving worden verwacht dat je probeert je financiën op orde te houden. We merken dat, we hebben alles hier ook in huis. Dat helpt ook. We hebben ook bewindsvoering zelf in huis. We merken wel dat als je in dat gesprek zit, en ook vanuit die vertrouwde omgang vanuit dienstverlening met een client, dat veel mensen wel bereid zijn om die hulp te accepteren. We kunnen niet dwingen.
Dat is lastiger, maar we zetten daar wel volop op in. We zijn ook bij de sociale dienst op een iets andere manier gaan werken. Echt met bestaanszekerheidsteams waar ook alles aan boord is. Zeker ook die kennis kunnen rondom schulddienstverlening en een budgetbeheer en dergelijke. Dan tot slot, voorzitter. Ik zal het wat korter houden dan mijn collega. Het gaat nog over de gemeente die zelf dingen doen. De heer Van der Linden: Bedoel je mij? De heer Heijkoop: Want collega Van der Linden is erg uitgebreid. Gemeenten die zelf dingen doen, de Twentse gemeenten kwamen langs. In Groningen gebeuren er hele mooie dingen. Daar doen ze het nodige met basis banen. Dat is niet een kunstje dat je vanuit een sociale dienst kan doen. Dat vraagt echt een collectieve inzet. Daar hebben we ook al eens het gesprek over intern. Bijvoorbeeld in Groningen werken ze ook met fietsstewards wat heel mooi is. Dan zijn eigenlijk mensen die in de binnenstad de boel een beetje netjes houden, krijgen ook een volwaardig inkomen. Dan neem je eigenlijk gewoon mensen vanuit de P-wet zelf in dienst. Daar kan je altijd keuzes in maken. Op onderdelen zijn er natuurlijk veel mensen met afstand op de arbeidsmarkt ook aan de slag bij Drechtwerk en dergelijke. Maar dat denken moet zeker niet stoppen. We zien ook zeker nog wel toekomst, in de toekomst nog wel mogelijkheden. Tot zover, voorzitter.
De voorzitter: Dank u wel. Dan het woord voor de heer Van der Linden. Kijken of die dat nog korter kan. De heer Van der Linden: Dank u wel, voorzitter. Ik ga mijn best doen. Er lagen nog twee vragen en die waren heel concreet. De heer Hartmeijer vroeg, kennen we signalen of meer dan dat op het gebied van geweld rond jeugdzorg? Ik heb in de loop van de afgelopen jaren heus wel eens een opmerking gekregen, af en toe, over wat er hetzij bij teams of bij individuele trajecten af en toe eens een klein beetje misgaat, maar dat zijn
51
geen bijzondere signalen. Verder weten we dat bij instellingen natuurlijk ook wel af en toe wat gebeurt. Wij hebben nu geen actuele signalen die duiden op verergering of vermeerdering. Kan natuurlijk, in de sector gebeurt geregeld wat. Dat weten we, maar daar hebben wij geen extra's op te melden. Niks extra's op te melden. Tweede vraag was van mevrouw Schnabel en die ging over, die maakt zich wat zorgen over de overgang achttien plus. Er staat in de hervormingsagenda jeugd een hele paragraaf is daaraan gewijd. Die problematiek, zoals die genoemd wordt, en dat is het toch vaak ook wel, die wordt als heel belangrijk beschreven en er wordt ook aangekondigd, en dat is eigenlijk niet nieuw, maar dat wordt dan opnieuw bevestigd, dat jeugdhulp, … en gemeenten zich gaan committeren om voor de overgang naar achttien tijdig een plan te maken over hoe het verder moet. Er zijn nog een aantal andere afspraken gemaakt, daar wordt invulling aan gegeven. Dat hebben we in Dordt ook al een tijd geleden afgesproken. Dat gaat heus niet altijd vanzelf, bijvoorbeeld als het gaat om, hoe gaat het eigenlijk met wonen? Dat is vaak zo’n kwestie. Maar die afspraken staan. De voorzitter: Dank u wel. Nog een vraag van mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Dus als ik het goed begrepen heb, is het zo dat wij ook als gemeente zelf daar proactief al beleid op gaan maken.
Of in ieder geval dat we daar al mee bezig zijn om daar zelf ook een oplossing voor te vinden hoe we met dat probleem straks omgaan. De voorzitter: De heer Van der Linden. De heer Van der Linden: Dank. Het is geen nieuw probleem. Het is in de afgelopen jaren een paar keer ook wel in uw Raad besproken, omdat het zeker een jaar of vijf, zes geleden echt niet vanzelf ging. Er waren toen echt wat problemen in die aansluiting. Bijvoorbeeld dat je niet op tijd genoeg begon met het gesprek over, je bent zeventien en een half, het wordt tijd om na te denken. Daar hebben we goede afspraken over gemaakt. Die staan opnieuw herbevestigd ook in de hervormingsagenda jeugd, maar die hebben we zelf ook een tijd geleden vastgelegd. De voorzitter: Nog een keer dan, mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Straks komt er natuurlijk ook een uitvoeringsprogramma jeugd. Is dat dan, is daar dat dan ook onderdeel van? De voorzitter: De heer Van der Linden. De heer Van der Linden: We gaan een heleboel dingen uitwerken, onder andere in de verordening, die integrale verordening. Er zijn een aantal andere uitvoeringstrajecten waar het ook aan de orde kan komen, maar dit gaat er wel onderdeel van zijn. De voorzitter: Dank u wel. Dit was dan de reactie van het college en dan kijk ik even rond of er behoefte is aan een tweede termijn. Ik zie daar van een aantal fracties wel de handen omhooggaan.
Dan gaan we dat doen. Dan ga ik allereerst naar de heer Stam. De heer Stam: Dank u wel, voorzitter. Het is eigenlijk meer een algemene opmerking. Wat ik wel jammer vind nu van de commissies. We moeten kijken naar de visie en ik
52
hoor heel veel vragen die betrekking hebben op die uitvoeringsplannen en het beleid wat nog ontwikkeld moet worden. Als je dan kijkt naar de reactie van de wethouders, dan gaat het mij een beetje duizelen, want dan denk ik, we hebben het helemaal nog niet gehad over kaders. Hoe gaan we daarmee om? Wat kan wel, wat kan er niet? Dan lijkt het een beetje, om het grofweg te zeggen, van Dordrecht is gered, want we gaan alles doen. Ik heb me gericht op die visie. Die kapstok die vind ik goed, heb ik net ook aangegeven. Maar als je zo gaat kijken, dan denk ik, ik heb ook nog een aantal mensen die misschien, daar hoef ik nu geen vraag of geen antwoord op te hebben. Maar als je bijvoorbeeld kijkt naar een problematiek rondom een SSF. Dat denk ik, wellicht kan er nog een tweede SSF komen. Als ik kijk naar problemen van mensen die in sociaal instrument zitten of op straat leven. Richt een aantal zuiphuizen in waar ze hun gang kunnen gaan en afbouw met hulp. Dat kan je doen. Als ik bijvoorbeeld kijk naar armoedegrenzen, wil ik wel eens het gesprek voeren met het college van, wat ziet u nu als armoede? Bestaanszekerheid? Welke doelgroepen pakken we daarvoor? Ik kom ook regelmatig bij een stichting die ziet wat mensen van meubelen.
Daar zie je nu ook wat frictie ontstaan van hoe dat allemaal loopt in die processen van, wat accepteren mensen? Wat kunnen ze krijgen en wat willen ze niet? Dus daar spelen dan wel legio vragen. Maar nogmaals, ik vind het jammer dat we nu al vooruitlopen op een aantal stukken die nog komen. Dus die visie die is goed als kapstok. Heb ik voldoende antwoord op gehad. De rest heb ik aangehoord, maar vond ik nu nog even overbodig. De voorzitter: Dank u wel. Wie kan ik verder het woord geven? De heer Bootsman. De heer Bootsman: Dank u wel, voorzitter. Wij hebben ons in onze bijdrage ook proberen te richten op de visie inderdaad. We gaan er natuurlijk vanuit dat de verdere uitvoering gewoon nog terugkomt in onze Raad als het zover is. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. De heer Van Ballegooijen. De heer Van Ballegooijen: Dank u wel, voorzitter. Twee punten. Eén gaat over de beantwoording van mevrouw Van Benschop over cultuursensitief en of cultuurspecifiek werken. In de beantwoording gaf zij aan dat het eigenlijk voornamelijk, of misschien wel volledig, om cultuursensitief gaat. Waarbij we ervan uitgaan, waarbij de gedachten zou zijn, een professional houdt rekening met wie heb ik voor mij? Niet noodzakelijkerwijs werken of ondersteuning volledig vanuit de cultuur.
Wat ik me dan afvraag, waarom staat er dan in het stuk, dit vraagt om cultuursensitief en cultuurspecifiek werken, alsof het twee gelijke delen zijn. Is dat correct of zou dat in een andere verwoording misschien beter tot zijn recht komen? Het andere punt waar nog niet op gereflecteerd is, is eigenlijk de bijdrage van zowel van PvdA als van ons over monitoring. Hebben we ook een oproep eigenlijk allebei onafhankelijk van elkaar aan verbonden. Ik zou daar graag een reactie op hebben. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Wie kan ik dan het woord geven? Ja of nee, mevrouw Schnabel? Nou, vooruit. Mevrouw Schnabel: Excuus. Ik wil graag heel kort in aanvulling op de heer Van Ballegooijen zeggen dat wij ook graag antwoord zouden hebben op de monitor. Want we vinden de visie mooi, al hadden we er natuurlijk wel vragen bij die ook voor een heel
53
groot gedeelte beantwoord zijn, maar we zouden graag de monitor loskoppelen van de visie om hem apart te bespreken. De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer De Heer. O, niet. Ik dacht van wel. Nu raak ik helemaal van het pad af. Zijn er verder nog fracties die het woord willen voeren? Zo nee, dan wilde u reageren? Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Er werd volgens mij nog een extra vraag gesteld over waarom het op deze manier beschreven staat. Het cultuursensitief en cultuurspecifiek werken. In de voetnoot kunnen we het altijd nog over hebben, moet het er zo staan? In de voetnoot staat heel specifiek dat we met organisaties werken die cultuursensitief de dienstverlening aanbieden. Ik wil wel een kleine slag om de arm houden. Er is een kleine groep waarvan we in ieder geval weten, en je weet niet of je nog meer tegen gaat komen, maar bijvoorbeeld dementerende ouderen. Bijvoorbeeld de eerste generatie Turkse of Marokkaanse Nederlanders. Je weet het als mensen ouder worden en ze gaan dementeren, in sommige gevallen, dat ze terugvallen op het verleden. Laten we het zo noemen. Dat betekent dat de taal anders wordt, dat mensen weer terugvallen op de moedertaal of dat ze eigenlijk teruggaan in de tijd. Dan is het natuurlijk wel een discussie waard of je voor die mensen echt recht doet aan de situatie van die mensen als je alleen richt op cultuursensitief werken.
Of dat je dan misschien wel zou moeten kijken naar bijvoorbeeld dagbesteding voor deze groep of dergelijke die je echt cultuurspecifiek inricht. Dat is dus niet het uitgangspunt. Het uitgangspunt is cultuursensitief, maar er bestaan natuurlijk situaties waarin je deze afweging wel wil kunnen maken. Dan was er nog een vraag over monitoring, voordat die nog een keer gesteld moet worden. De monitoring zoals die nu is opgenomen in de integrale visie, die gaat echt op hoofdlijnen. We krijgen dadelijk die uitvoeringsprogramma's, en daar bent van harte uitgenodigd mee te denken, mee te kijken, op hoe kunnen we die monitoren concreter maken. Dan dus ook specifieker per uitvoeringsprogramma die we uiteindelijk nog voorleggen. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie mevrouw Schnabel toch wel weer bedenkelijk kijken. Mevrouw Schnabel: Ik was benieuwd. Bedankt. Ik was benieuwd, als dit dan een integrale of samenhangende visie is, dan zou het toch eigenlijk aannemelijk zijn dat al die punten die in verschillende uitvoeringsprogramma’s staan, maar misschien is dat niet zo, dus het is meer een vraag, ook onderdeel zijn van die algemene monitor? De voorzitter: Mevrouw Van Benschop.
Mevrouw Van Benschop: Als je ze heel concreet wil maken, dan denk ik dat als je hem in deze visie opneemt, dat je een lijst krijgt van misschien wel zeven pagina's, omdat het uiteindelijk toch gericht is op wat je per uitvoeringsprogramma wil monitoren wat je bereikt. Dat betekent niet dat je geen algemene doelstellingen hebt waar je ook algemenere indicatoren aanhangt. Die staan opgenomen in de visie en de meer concrete monitoring doe je dan aan de hand van de interventies in een uitvoeringsprogramma. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we nu naar een afronding van deze vergadering. Dan is allereerst de vraag, hebben wij voldoende oordeel kunnen vormen om het
54
raadsvoorstel door te sturen naar de Raad? Als dat het geval is, ik zie vooral instemmend geknik, dan is de vraag, hoe? Als hamerstuk? Als bespreekstuk? Indien het een bespreekstuk is, waarover gaan we het dan hebben? De heer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Dank u wel, voorzitter. Ik denk vanuit onze fractie dat het als hamerstuk zou kunnen. Ik wil er wel bij opmerken dat we in de uitvoering natuurlijk goed zullen letten op de laagdrempelige plekken waar mensen deze zorg kunnen vinden. Maar dat is niet over de visie, want de visie staan wij achter. De voorzitter: Dank u wel. De heer Bootsman van GroenLinks. De heer Bootsman: Wat ons betreft dan kan dit prima als hamerstuk naar de Raad. De voorzitter: Zijn er fracties die daar anders over denken? Dan concluderen wij dat het stuk als hamerstuk naar de Raad toegaat. Dan zijn we aan het einde gekomen van deze vergadering. Dan rest mij u te vragen uw flesjes, bekers, et cetera even hiervandaan mee te nemen. Dan wens ik u een fijne avond. Dank u wel. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van …… 2024.
De griffier,
De voorzitter,
A.E.T. Wepster
A.W. Kolff
55