2.4 2026.01.27 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 5 - concept.pdf
Tekst van het document
Ik denk dat het hartstikke mooi is zoals we het hier beschreven hebben, met de handleiding die er nu is. Dat we ook hier weer degene die het initiatief neemt gaan helpen, hoe ga je zo goed mogelijk je participatie vormgeven? Wij kunnen onze expertise beschikbaar stellen. Zoals u ook in de aanpak heeft gezien, we gaan met deze tussenstap van de verordening door, met de samenleving en met u als raad, met ervaringen delen, casuïstiek bespreken, het leren hoe je dat doet en op welke manier je dingen moet organiseren. Dan wat andere punten die, denk ik, nog niet lang zijn geweest en de kwetsbare groepen. Deze passage staat er heel bewust in, ook met de VNG besproken. Dat geldt ook voor de passage over orde en veiligheid. In de toelichting hebben we al heel erg begrensd waar je aan moet denken wanneer het college zou kunnen zeggen, in die gevallen maken we gebruik van de artikelen. Want ik ben het met u eens, dat moet geen vrijbrief zijn voor wanneer er een kwetsbare groep is en je dan zegt, we gaan helemaal niet participeren. Dat hebben we ook beantwoord en zo lees je het ook in de toelichting. We moeten de kwetsbare groep in die zin beschermen. Die kan vaak niet voor zichzelf opkomen. Vandaar dat je dan als gemeente moet zeggen, dan gaan wij, namens hen, wel kaders meegeven van, deze groep heeft ook recht op een plek in de samenleving, die bakenen wij af.
Maar daaromheen kunnen we nog met elkaar kijken wat en hoeveel je wil participeren. De voorzitter: Mijnheer Kuhlmann. De heer Kuhlmann: Voorzitter, ik ben toch even benieuwd. Want vanuit verschillende kanten in de commissie worden vraagtekens gezet bij de uitzondering dat er geen verplichting is tot participatie waar het gaat om beleid dat kwetsbare groepen raakt. Staat het college ervoor open als we per amendement die bepaling schrappen of wat aanpassen, zodat die verplichting er wel is? Met dan de openheid zoals die er op alle andere beleidsterreinen ook is, dat er gekozen kan worden in welke mate en vorm er aan participatie wordt gedaan. Mevrouw De Jonge: Voorzitter, ik ken de inhoud nog niet van het amendement, maar het schrappen van de passage voor kwetsbare groepen zou ik echt niet aanbevelen. De groep moeten wij op deze manier een plek geven in de verordening, zodat we als
19
gemeente kunnen zeggen, er is een groep mensen waar wij voor gaan staan als je het hebt over ontwikkeling en beleid. Als we beleid maken op sociaal gebied en we zeggen, deze mensen moeten ook gehuisvest kunnen worden, op dat niveau zeggen wij, vandaag gaan we er niet over participeren. Wel is de volgende stap, in welke wijk zouden ze dan komen en hoeveel zouden er kunnen komen? Dat is iets waar je weer wel over kunt participeren. Vandaar dat ik zeg, schrap niet deze passage, maar kijk in de beleidsuitvoering, in de participatieplannen, hoe gaan we dan om met de beschermde status van een kwetsbare groep, zonder dat we de belangen van de omwonenden of van andere organisaties uit het oog verliezen en niet mee laten wegen. De voorzitter: Ik wil graag even verder, mijnheer Kuhlmann, want we zitten op 20.45 uur. We moeten dadelijk ook nog gaan afronden. U bent nog niet klaar namelijk. Mevrouw De Jonge: We hebben zowel ChristenUnie/SGP als de SP, begrijpelijk voor de inwoners, daar zijn we het helemaal mee eens. Die slag moeten we maken. Dat proberen we in alle uitingen, ook vanuit de aanpak, op te pakken. We gaan kijken naar een publieksvriendelijke versie. We moeten even gaan kijken hoe dat eruitziet en waar we dat kunnen publiceren. Maar die oproep horen wij. Daar gaan we ook mee aan de slag. Informeren heb ik het al even over gehad. Daar kunnen we heel lang over discussiëren.
Dat hebben wij intern ook gedaan. Dan gaan we echt even terug naar literatuur. Ook met de VNG erover gehad. De participatieladders beginnen met informeren aan de onderkant. Vandaar dat we gemeend hebben om het hier op te nemen, want de laagste vorm is namelijk dat je helemaal niks doet. En informeren is altijd nog een betere stap dan dat je helemaal nooit wat van je laat horen. Vandaar dat wij zeggen, het is geen interactie, maar het is wel een vorm om de andere partijen op de hoogte te stellen van wat er gebeurt. De voorzitter: Kort, mijnheer De Heer. De heer De Heer: Ik begrijp het punt. Ik blijf het nog steeds ingewikkeld vinden om het wel participatie te noemen. Ik ben het ermee eens, we moeten informeren, maar moet je het dan zo noemen? Moet het in die ladder? Maar goed, de literatuur wordt daarvoor gebruikt, begrijp. Zou de wethouder misschien wel iets van een toezegging kunnen geven dat als we dan kiezen voor sec niveau een, informeren, dat er bij die vorm van informeren wel altijd de mogelijkheid wordt geboden om eenvoudig te reageren? Mevrouw De Jonge: Voorzitter, dat vind ik een interessante gedacht. Informeren kan op vele manieren. Soms hebben we een heel groot beleid of een publicatie van iets waarvan we zeggen, dat is ook informeren. Daar zit altijd een reactiemogelijkheid op.
Wij moeten dan, denk ik, meer in onze uitvoering mee gaan nemen dat als er gewerkt wordt met informatiebrieven, er altijd een contactpersoon in staat. Wij kunnen wel meenemen richting de uitvoering dat het een verplichting wordt, dat er altijd de mogelijkheid is om vragen te stellen of meer informatie te krijgen. Dan heb ik nog een vraag over het participatieverslag. Deze verordening is echt de uitkomst van, daar moeten zaken aan voldoen. Het proces van komen tot een participatieverslag is dat je eerst een concept maakt. Dat is echt iets wat in een participatieplan terecht gaat komen en wat in de
20
uitvoering, wat mij betreft, heel normaal is. Zelf wil je ook altijd eerst een verslag zien voordat het definitief wordt rondgemaild of bekend wordt gemaakt. Niet in de verordening, maar dit is echt procesafspraak in de uitvoering van participatie. Even kijken, voorzitter. Volgens mij heb ik dan toch wel inmiddels alles gehad. De voorzitter: Er was ook nog door een aantal mensen genoemd of er mogelijk een korte reflectie op de inspreker gegeven kon worden. Mevrouw De Jonge: Jazeker. Zoals ik al zei, we zijn erg blij met de inspraak die geweest is. We zijn in goed contact. We hebben het al even gehad over de gelijkwaardige samenwerking. Ik zou adviseren om dat niet in de verordening op te nemen. Dit is echt iets van wat we in de praktijk gaan meemaken met elkaar. Ik denk dat de samenwerking die we aan het opbouwen zijn met het Huis van Actief Burgerschap een steeds terugkerend punt is. Hoe zorgen we ervoor dat als mensen met initiatieven komen en gelijkwaardigheid is als de overheid mee gaat doen? Ik denk het meer procesafspraken zijn die we met elkaar moeten gaan maken, dan dat je dit vastlegt in de verordening. Want nogmaals, zodra het over de overheidsparticipatie gaat, zijn wij niet meer degenen die regie hebben en bepalen wat gelijkwaardigheid is en wie er deelnemen. Die zou ik er niet bij zetten. De opmerking over budget hebben wij in de verordening genoemd.
Daar zullen we, samen met u, het gesprek over aan moeten gaan, of u bereid bent om middelen beschikbaar te stellen om op deze manier een initiatief te ondersteunen die verder helpt met de participatie in onze Dordtse samenleving. Dat is een punt waar we later op terug moeten komen of waarvan u zelf met een initiatief voor kan komen. De voorzitter: Mijnheer Kuhlmann. De heer Kuhlmann: We zijn het er, denk ik, over eens, voorzitter, dat de bepaling voor wat betreft de sociale en emotionele veiligheid voor meerdere uitleg vatbaar is. Ik ben even benieuwd of de wethouder de toezegging kan doen dat wanneer bewoners een beetje geëmotioneerd of met wat stemverheffing deelnemen aan een participatiebijeenkomst, niet betekent dat ze dan de zaal uit worden gestuurd. Mevrouw De Jonge: Die toezegging kan ik niet doen, want ik weet niet wat er allemaal gaat gebeuren in de toekomst. De passage die wij wat betreft orde en veiligheid hebben, dat staat ook in de toelichting, gaat er echt om dat als er nu iets buiten gaat gebeuren en de burgemeester moet vanuit zijn bevoegdheid iets doen, dat er dan geen tijd is om te participeren en dat de urgentie dusdanig is dat als we niet ingrijpen, het mis kan gaan. En dat willen we niet. Die passage is niet bedoeld voor het moment dat we in participatie zitten en er zou in de zaal wat gebeuren. Daar moeten we onze mensen goed voor trainen.
Daar moeten we een voorzitter voor hebben die weet wat te doen. En als van tevoren de inschatting is, dit het zou best een hele spannende sessie kunnen worden, dan moeten we er ook voor zorgen dat er meer mensen aanwezig zijn die hulp kunnen bieden op het moment dat er iets gebeurt. Dat is niet de passage die in de verordening staat. Die gaat over de zaken waarbij orde veiligheid zodanig groot is, dat participatie te laat zou zijn om nog te kunnen ingrijpen door onze instanties. Zit ik ernaast? Dat klopt. Die ik voortgekomen uit de visie aanpak traject. De toezegging is wat ik net zeg, iedereen die begeleid aanwezig is om de participatie te organiseren, is hiervan op de hoogte en moet daarop kunnen acteren.
21
Wat u vraagt en wat ik net zeg, elke situatie zal anders zijn. Ik zou het in de verordening zo laten. Maar in onze praktijken en ervaringen met de casuïstiek die we gaan bespreken, kunnen we dit altijd terug laten komen. Hoe hebben we dat toen ervaren en is daar goed op gehandeld? De voorzitter: Wie heeft er nog een vraag die echt nu gesteld moet worden, omdat hij anders de week niet door kan? Mijnheer Van Antwerpen. De heer Van Antwerpen: Ik ben al wakker aan het liggen. Ik had een vraag gesteld over dat ik artikel 11 staat over evalueren. Daar staat 1 keer per 4 jaar. Mijn voorstel zou zijn om het in eerste aanleg wat vaker te doen. Mevrouw De Jonge: Dat klopt, voorzitter. Daar hebben wij het ook over gehad. We hebben toch gekozen voor vier jaar. Dat heeft ermee te maken, dit gaat over het evalueren van de verordening. Wat we wel continu doen, is het evalueren van alle participatietrajecten die hebben gelopen. In elk programma, project of andere zaken waar we participatie hebben toegepast zit standaard een evaluatie, waarmee we kijken, lopen de dingen zoals we dat willen? Mochten er tussentijds zaken naar bovenkomen die aanpassing van de verordening vragen, dan komen we actief naar de raad om dat te laten aanpassen. Periodieke evaluatie willen we graag op vier jaar laten staan. De voorzitter: Helder. Ik zag mevrouw Van den Bergh nog. U bent de laatste.
Mevrouw Van den Bergh: Ik had het daarnet gevraagd. Even een korte vraag, artikel 6.4, voor inspraak wordt niet gekozen als de belangen van betrokkenen al voldoende in beeld zijn gebracht et cetera. Kan ik daaruit begrijpen dat er dan ook geen bezwaar meer mogelijk is? Zijn er überhaupt nog wel mogelijkheden voor bezwaar bij deze participatieverordening? Dat wilden we nog weten, maar zeker als alle belangen van betrokkenen al in beeld gebracht zijn. Mevrouw De Jonge: Voorzitter, ik zal daar antwoord op geven. Dit artikel gaat over inspraak zoals we dat kennen vanuit de Gemeentewet, dat iedereen de mogelijkheid moet hebben om nog te kunnen inspreken. We hebben het vandaag ook gezien. Wat we hier aangeven, is dat we liever kiezen voor de participatie. Dat is echt de beweging om naar de voorkant te gaan. Dat er in participatieplannen staat, we gaan voor de optie inspraak. We willen dat iedereen nadenkt, hoe kan ik zoveel mogelijk naar de voorkant gaan in processen om te gaan participeren en het daarmee het niet aan te laten komen op inspraak. Maar we kunnen nooit verbieden om niet in te spreken, want dat is een wet en een recht van elke inwoner of organisatie. De voorzitter: Dames en heren, ik heb een aantal mensen gehoord over mogelijke moties of amendementen. Het betekent dat wij dit in de raad gaan bespreken.
Ik hoef niet te gaan vragen of u nogmaals oordeelsvormend in de commissie wil spreken, want daar kan u dan alsnog geen moties en amendementen indienen. Klopt het dat u het wil agenderen voor de raad volgende week, mits er moties en amendementen zijn? De heer De Heer: Voorzitter, mits ze dan ook echt komen. Ik hoor wel hier en daar een aankondiging.
22
De voorzitter: ik schat in dat er wel een aantal zullen zijn. Ik zie een aantal mensen heel blij kijken en knikken. Want dan wil ik namelijk voorstellen dat we niet nu nog een mening gaan geven of wat dan ook, maar dat we het laten terugkomen in de raad aan de hand van de moties en amendementen die er zijn. Wat zullen we doen? Twee minuten? Alleen over moties en amendementen. Zeker. Ik denk dat iedereen daar zijn verhaal wel genoeg in kwijt zal kunnen. Doen we dat zo en dan dank ik u allen hartelijk. Alles wat u hier vandaan mee kan nemen naar de pantry, zou fijn zijn. 2. Vaststellen Leegstandverordening Gemeente Dordrecht - Raadsvoorstel De agendapunten 2 en 3 worden gezamenlijk besproken. 3. Vaststellen Verhuurverordening – Raadsvoorstel Voorzitter: Mevrouw Koene Raadsgriffier: Mevrouw Bronsveld Verslag: NotuBiz Aanwezig: Dhr. Van Antwerpen (Beter voor Dordt) Mevr. Van den Bergh (PvdA) Dhr. De Feijter (ChristenUnie/SGP) Dhr. Groenewege (Partij voor de Dieren) Dhr. Hartmeijer (SP) Dhr. Katif (Beter voor Dordt) Dhr. Kolkiliç (DENK) Mevr. Kruger (GroenLinks) Dhr. Noldus (VVD) Dhr. Oostenrijk (CDA) Mevr. Striebeck (VSP) Portefeuillehouder: wethouder W. van der Kruijff Ambtelijke ondersteuning: mevr. Das Dores, dhr. Weber De voorzitter: Bent u er klaar voor, mijnheer Oostenrijk? De heer Oostenrijk: We zijn al drie minuten verder. De voorzitter: Ik weet het.
Maar er waren allemaal mensen naar buiten aan het rennen die nog drinken wilden pakken, enzovoorts. Toen dacht ik, dat moet misschien maar een keer kunnen. Per slot van rekening hebben we dan nu nog steeds 42 minuten. Volgens mij is dat lang zat voor wat er allemaal nog moet komen. Goedenavond allemaal. We hebben min of meer de vergadering vorige week geschorst en wij gaan nu verder met. We waren bezig met de verhuurverordening. Een aantal partijen hebben daar al het woord op gevoerd en een aantal nog niet. Daar gaan we mee beginnen. Aanwezig zijn, links mevrouw Bronsveld namens de griffie, mijnheer Katif en mijnheer Van Antwerpen namens Beter voor Dordt, mijnheer Oostenrijk, CDA, mijnheer De Feijter namens de
23
ChristenUnie/SGP, mijnheer Noldus namens de VVD, met een nieuwe haardracht, mijnheer Kolkiliç namens DENK, mevrouw Striebeck namens de VSP, mijnheer Hartmeijer namens de SP, mijnheer Groenewege namens de Partij voor de Dieren. De ambtelijke ondersteuning is vanavond mevrouw Das Dores en mijnheer Weber. Dan zit rechts van mij nog mijnheer Van der Kruijff namens het college. Voor wie het niet wist, ik ben Irene Koene. Even kijken, want ik heb hier staan dat Beter voor Dordt, PvdA, VVD en Partij voor de Dieren al aan het woord zijn geweest. Wie mag ik van de andere partijen het woord geven voor de verhuurverordening? Mijnheer Hartmeijer. De heer Hartmeijer: Dank u wel, voorzitter. De vraag van de Partij voor de Dieren of de verordening niet in elke wijk moet gelden, op zich hebben wij er begrip voor dat je eerst in wijken start waar nu vooral problematiek bestaat met bepaalde verhuurders. Je moet tenslotte ergens beginnen. Het financiële plaatje moet nog gemaakt worden. We weten nog niet helemaal waar we het over hebben op de lange termijn. Maar als de prioriteitenwijken eenmaal goed in beeld zijn en er wordt op geacteerd, zou je in ieder geval de vergunningsplicht, de regel, in de hele stad kunnen laten gelden. Ook als het betekent dat je nog niet overal per se kunt handhaven.
Over huisvesting arbeidsmigranten, de vraag van de VVD, zoals ik het begrijp kunnen we met deze verordening veel beter gaan monitoren en acteren. En dat is heel goed, want veel mensen huisvesten in een klein appartement zorgt voor sociale problematiek in wijken waar nu al diverse overlast plaatsvindt. Ook op deze punten steun vanuit de SP. De voorzitter: Dank u wel. Even kijken. Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Dank u, voorzitter. Onze fractie deelt de zorgen van het college over de effecten die vooral binnen de in het voorstel vermeldde, ook in dit opzicht, kwetsbare wijken. Vooral deze wijken zijn sterk gebaat bij het terugdringen van deze ongewenste situaties, waarbij er sprake is van regelmatige uitbuiting van huurders, overbewoning, illegale kamerverhuur, te hoge huren, niet in verhouding tot de kwaliteit van het gebodene. Dit alles in de gedachte dat de betreffende huurders in veel gevallen praktisch gezien in een onmogelijke situatie verkeren om er zelf iets aan te doen. Voor wat betreft de opstart en de aanpak kan onze fractie zich vinden in de voorgestelde aanpak van maximaal anderhalf jaar voor de invoering van deze verordening. Zorgvuldigheid en kwaliteit van opstart, uitvoering en vooral daarna handhaving in de wijken, zijn voor onze fractie essentieel.
Wij begrijpen dat het optuigen van een multidisciplinair team veel geld kost, maar voor onze fractie is dat het waard. Het belang van het leefbaar maken van deze wijken gaat zeker in dit geval boven de vraag of het wel een tandje minder mag zijn. Dank u, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Striebeck.
Mevrouw Striebeck: Dank u wel, voorzitter. De VSP steunt het doel van de verhuurdersverordening, namelijk het tegengaan van misstanden en het verbeteren van verhuurderschap. Zeer nodig ter bescherming van huurders in kwetsbare situaties. Tegelijkertijd is het voor de VSP de vraag of deze verordening in praktijk ook voldoende bescherming voor huurders biedt. Met name wanneer een verhuurder zijn vergunning verliest, moet duidelijk zijn hoe kan worden voorkomen dat huurders hier de dupe van
24
worden. Dat is essentieel om bereidheid tot melding te vergroten. De VSP heeft zorgen over de handhaafbaarheid. Regels zonder voldoende toezicht vinden wij onverstandig. Alleen als capaciteit voor toezicht en handhaving is geregeld, kan deze verordening effectief zijn. Ook vragen we aandacht voor handhaving van goed verhuurderschap in de gehele stad, niet alleen in de aangewezen gebieden. Misstanden beperken zich niet tot enkele wijken, maar kunnen door heel de stad voorkomen. We zien de verordening als een stap in de goede richting, maar wel een die nog versterkt kan worden. Met toezeggingen van het college op een huurdersbescherming staan wij open voor een positief oordeel. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Wie mag ik dan nog het woord geven? U had het woord al gehad. Wie heeft nog niet? Want ik heb hier staan, de ChristenUnie/SGP heb ik nog niet gehad, DENK niet en GroenLinks niet, over de verhuurverordening. Mijnheer Kolkiliç. De heer Kolkiliç: Voorzitter, ik heb in mijn tekst een soortgelijke woordvoering als de heren Hartmeijer. Ik sluit mij daarbij aan. Wij vinden dat de postcode niet mag bepalen hoeveel regels en controles je krijgt. Wij zijn meer voor een stadsbrede verhuurverordening. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer De Feijter. De heer De Feijter: Helemaal goed. Dank u wel, voorzitter.
Ik zit te denken wat mevrouw Striebeck aan het begin ook alweer zei, want ik ben het hele even kwijt. Zou ik dat tussendoor mogen weten? Want ik vond het namelijk een goed punt en daar wilde ik mij bij aansluiten. Dat is ook weleens fijn. De voorzitter: Mevrouw Striebeck, inkoppen. Wel even met de microfoon graag. Mevrouw Striebeck: Tegelijkertijd is voor de VSP de vraag of deze verordening in de praktijk voldoende is voor de bescherming van huurders. De heer De Feijter: Een ijzersterk punt direct. Voor de verhuurverordening houdt de ChristenUnie/SGP nog iets meer de kaarten tegen de borst. Dat zit vooral op het punt van de vergunningplicht voor woonruimte. Voor verblijfsruimte aan arbeidsmigranten lijkt het ons een hele goede gang van zaken. Het lijkt ons goed dat daar een vergunningplicht voor gaat komen. Voor wat betreft de vergunningplicht voor het verhuren van woonruimte vragen we ons af of we niet een grote papieren tijger aan het optuigen zijn. We maken ons zorgen om hetzelfde punt als wat mevrouw Striebeck van de VSP zojuist aanhaalde, in hoeverre de rechten van de huurder geborgd blijven bij misstanden en het niet naleven van de vergunningsplicht. Wat de VSP ook al noemde, was het handhaven van de Wet goed verhuurderschap in de hele stad. Dat is ook iets wat wij graag zouden willen zien.
We hebben het meldpunt goed verhuurderschap naar aanleiding van de Wet goed verhuurderschap. Daar wordt momenteel reactief op gehandhaafd, als het überhaupt handhaven genoemd kan worden. Wij zouden graag zien dat daar meer budget voorkomt. Maar we zien ook dat het daar knelt in de middelen. We vragen ons af in hoeverre de vergunningplicht voor verhuren van woonruimte echt nodig is en of we niet wellicht zonder die vergunningplicht kunnen gaan en met eventuele middelen die daarmee vrijvallen, wel
25
extra kunnen inzetten op het handhaven van de Wet goed verhuurderschap in heel de stad, als het nog te volgen is. Vergunningplicht voor het verhuren van verblijfsruimte aan arbeidsmigranten vinden we daarentegen top. De voorzitter: Mijnheer Groenewege. De heer Groenewege: Welke middelen vallen vrij zonder de verhuurvergunning? Want het is toch zo dat verhuurders een vergunning moeten aanvragen en daarvoor leges betalen. Dat levert toch middelen op? De heer De Feijter: Dat klopt. We zijn er ook nog op aan het puzzelen. Ik heb ambtelijk het een en ander laten checken. Ik heb me in ieder geval laten vertellen dat er daarmee middelen zouden moeten vrijvallen. Sowieso gaat het in die zin om vrijvallen van middelen die er nu nog niet zijn, maar wel worden meegenomen in de handhaving die nodig zal zijn op de vergunning voor het verhuren van woonruimte. Er zijn leges voor het initieel verlenen van die vergunning, maar vervolgens moeten er nog op gehandhaafd worden. Niet alle kosten daarvan zijn al in de leges meegenomen. Dat is hoe het zit, geloof ik. Maar dit is echt nog iets waar wij op aan het puzzelen zijn. En voor wat de gehele verhuurverordening betreft zijn we nog niet helemaal overtuigd van de nut en noodzaak om hem in de huidige vorm aan te nemen. Om nog even op een … De voorzitter: Een vervolgvraag, mijnheer Groenewege.
De heer Groenewege: De middelen die mijnheer De Feijter nu bedoelt, zijn dat niet exact dezelfde middelen die hij wil aanwenden voor het handhaven op goed verhuurderschap? En hij heeft niet echt gereageerd op het wegvallen van de inkomsten uit leges. De heer De Feijter: De leges zien alleen maar toe op de kosten van het verlenen van een vergunning. Als er geen vergunning verleend hoeft te worden, dan heb je daar geen kosten aan. De middelen vallen weg, maar de kosten vallen ook weg. Dat lijkt me geen enkel probleem. Het lijkt me wel belangrijk om te handhaven op de Wet goed verhuurderschap. Voor het handhaven als geheel zijn middelen opgenomen in het voorstel, als ik het goed begrijp. Die middelen zou je daar ten dele voor kunnen aanwenden. De heer Groenewege: Een laatste vraag, als het mag. De voorzitter: De laatste. De heer Groenewege: Het verlenen van de vergunning kost geld, zegt de ChristenUnie/SGP. Zoals wij het begrepen hebben, kost het inderdaad geld en dat geld gaat naar, is de verhuurder een goed verhuurder en heeft de verhuurder een onderhoudsplan. Dat zijn toch waardevolle handhavingstaken die de gemeente dan uitvoert bij het verlenen van de vergunning? De heer De Feijter: Ja. Dan zit het heel specifiek op de verhuurder zelf in plaats van alleen op alle verblijfsruimten.
Er worden niet per se extra middelen vrijgemaakt voor, hoe ik het in ieder geval begrijp, het handhaven, reactief, op meldingen die worden gedaan bij het meldpunt goed verhuurderschap. We zouden graag zien dat vooral op die
26
Wet goed verhuurderschap meer wordt gehandhaafd. Niet alleen maar op de vergunningverlening, maar ook op de gehele Wet goed verhuurderschap. Maar wij zijn, zoals ik zei, echt nog aan het puzzelen wat ons uiteindelijke standpunt hierop wordt. Over de leegstandsverordening hebben we een duidelijk standpunt ingenomen. Hier kijken we nog. We wachten ook het debat en de reactie van de wethouder verder af. Er was ook nog een vraag gesteld, een politieke vraag. De voorzitter: Een vraag van mijnheer Katif voor hij zijn bordje naar beneden gooide. Niet meer? Mijnheer Oostenrijk, ik zag u ook wapperen. De heer Oostenrijk: Voorzitter, toch de vraag, als je dit aspect laat lopen, niet ingaat op het vergunningensysteem, valt daarmee ook het handhaven niet compleet in het water? Want als je dat vergunningensysteem buiten beschouwing laat, wat heb je dan nog aan middelen en aangrijpingspunten om te kunnen handhaven? De voorzitter: Mijnheer De Feijter. De heer De Feijter: Je kan handhaven op het feit, heeft iemand wel of niet een vergunning? Daar valt op te handhaven. Maar je kan ook handhaven op het feit, wordt er gehouden aan de Wet goed verhuurderschap? Dat is een andere vorm van handhaven. De heer Oostenrijk: Voorzitter? De voorzitter: Aanvullend, mijnheer Oostenrijk? De heer Oostenrijk: Ja.
Je hebt eerst het vergunningsaspect en daaraan gekoppeld het handhaven? De heer De Feijter: Dat kan. Het is een optie. Dat is hoe het nu in het voorstel zit. In het voorstel nu wordt er een vergunning verleend. Dan moet er een check gedaan worden op de verhuurder en dan wordt er een vergunning verleend. Vervolgens wordt er gehandhaafd op het feit of iemand wel of niet een vergunning heeft. Maar je zou er ook voor kunnen kiezen om niet zozeer op die persoon te handhaven, op het wel niet hebben van een vergunning, maar op het naleven van de Wet goed verhuurderschap. Als het voldoende duidelijk is, maar ik weet niet of dat voor iedereen zo is. Maar goed, misschien ga ik wel feitelijk de mist in en dan hoor ik dat graag ambtelijk nog gecorrigeerd. Daar sta ik zeker voor open. De voorzitter: U wordt vanavond niet ambtelijk gecorrigeerd. Daar zit een wethouder voor. De heer De Feijter: Het mag ook door de wethouder gecorrigeerd worden. De voorzitter: Even kijken. Heeft GroenLinks behoefte aan een woordvoering over de verhuurverordening? Mevrouw Kruger: Nee, mevrouw de voorzitter. Ik hou het hier even bij. Ik luister.
27
De voorzitter: Dat is altijd mogelijk. Dan hebben we volgens mij iedereen gehad. En dan kijk ik naar rechts, naar mijnheer Van der Kruijff. De heer Van der Kruijff: Dank u wel, voorzitter. Voorzitter, ik zal de woordvoering maar even in de volgorde langsgaan zoals ze gehouden zijn. Mijnheer Hartmeijer had het erover dat het overal zou kunnen, in de hele stad. Dat zou in theorie kunnen. We hebben alleen gekozen om te beginnen in de meest problematische te wijken. En wat u ook ziet in de aanpak, is de eerste anderhalf, twee jaar een hele slag hebben te slaan om in die wijken al de vergunningen rond te krijgen. En mocht dat heel succesvol verlopen, dan sluiten we ook niet uit, maar dat moeten we maar eens evolueren, om het er tegen die tijd met elkaar over hebben of het zinvol is om dit instrument stadsbreed in te gaan zetten. Door het nu in de verordening zo op te schrijven, is het voor iedereen helder dat we in deze wijken gaan beginnen, in de andere wijken niet. Het is niet zo dat we het nergens willen doen, maar we moeten tegen die tijd met elkaar evalueren of het al dan niet zinvol is. In ieder geval, mocht je nu gaan opschrijven, het moet in de hele wijk, gaat het niet sneller. Tenzij je misschien het vergunningverleningsteam ook groter gaat maken.
Want uiteindelijk wordt het aantal vergunningaanvragen dat het team kan verwerken in een bepaalde periode niet groter als je opeens de hele stad aanwijst. Dan gaat het alleen maar langer duren voor je alles verwerkt hebt, in de hele stad. Dat wil ik dan maar meegeven. Dan is het vooral het allerbelangrijkst dat u zegt, wij vinden wel dat we in deze wijken moeten beginnen. We hebben met deze verordening duidelijk willen maken dat dit de inzet is van het college. Daarom hebben we het zo opgeschreven. De voorzitter: Mijnheer Hartmeijer. De heer Hartmeijer: Voorzitter, er zit geen licht tussen het antwoord van de wethouder en mijn betoog. Dat het helder is. Ik heb het precies zo bedoeld. De heer Van der Kruijff: Ik dacht even dat u zei, we moeten het voor de hele stad gaan doen. Maar dan heb ik het verkeerd begrepen. Niet nu al. Dan zijn we het daarover eens. Dan zijn we het ook eens met degenen die zich daarbij aansloten. Wat betreft de woordvoering … De voorzitter: Mijnheer Katif steekt zijn hand omhoog. De heer Katif: Er wordt gezegd, degenen die daarbij aansluiten. Wij van Beter voor Dordt niet. Simpelweg omdat wij zien dat wanneer je het voor de hele stad doet, er iets anders aan de hand is, namelijk de preventieve werking van zo’n verordening. Nu gaat u een wijk of twee pakken waar de problemen zijn en die licht u even uit. Dat is, wat ik zeg, terecht.
Maar tegelijkertijd vind ik dat zo’n verordening een preventieve werking heeft. Dat zou een doel op zich moeten zijn. De vraag is … De heer Van der Kruijff: Voorzitter, de preventieve werking zit in de wet. Er is een Wet goed verhuurderschap. Dat is al een paar keer genoemd. Alle verhuurders, zowel in Dordrecht als in heel Nederland, moeten zich aan de wet houden. In de hele stad, waar misstanden zijn en waar meldingen over komen, dat wordt weleens het piepsysteem genoemd, zullen we als straks een handhavingsteam is, dat is er nu overigens niet, daarmee heeft iedereen gelijk die zegt, we zouden meer moeten handhaven, we hebben daar nu de mensen en de middelen niet voor, zullen de meldingen opvolging krijgen. De
28
wet geldt overal en de handhaving zal op de wet, overal, plaatsvinden. Dan skip ik in een keer toch maar even naar iets anders, maar het sluit mooi aan op het betoog dat mijnheer De Feijter hield en dat hij zei, moet je het nu wel voor de hele stad invoeren en is dat zinvol? Het is bewust dat Wet goed verhuurderschap het instrument in de wet opschrijft als een middel voor gemeenten om dit uit te kunnen voeren. Dat schrijven ze er niet in omdat ze denken dat het een zinloos middel is. Sterker nog, in Utrecht en Amsterdam hebben ze dat middel al toegepast. Ik hoeft het niet te herhalen, u heeft het kunnen lezen, er zijn vragen over gesteld, die beantwoord, je ziet dat het ook in Utrecht en Amsterdam effectief is gebleken en dat er resultaten zijn. En uiteindelijk, als je zo'n vergunning aanvraagt, verklaar je ook dat je, je zult houden aan de wet. Je moet een meerjarenonderhoudsplan indienen waarvan de gemeente zal controleren of het deugt en waar een antwoord is op technische vragen die zijn gesteld, waar na verloop van tijd weer op teruggegrepen wordt. Er wordt dan gekeken, is dat allemaal nog steeds op orde en houdt u zich aan de vergunning? Je hoeft niet steeds opnieuw een vergunning aan te vragen. Dat was een vraag van de vorige week.
Maar als je eenmaal de vergunning hebt, is het wel zo dat vanuit handhaving van tijd tot tijd gekeken gaat worden of het allemaal nog in orde is. Want door die vergunning weten we waar de adressen zijn, weten we wie een vergunning heeft en weten we waar we moeten gaan kijken. Als je geen vergunningen hebt, er geen meldingen komen en er geen piepsysteemebben is, hebben wij geen zicht waar er verhuurd wordt. Dan is het lastiger om te weten waar je moet gaan kijken, want dan ben je afhankelijk van meldingen die je krijgt. Wij hebben anders geen inzicht in deze adressen en al helemaal geen preventieve mogelijkheid aan de voorkant om bij vergunningverlening te zorgen dat er een fatsoenlijk onderhoudsplan, en waar allemaal nog meer opgelet wordt, aanwezig is. Het college vindt het een waardevol instrument uit de wet. Wij willen dat graag in Dordrecht toepassen, zoals in het voorstel staat een aantal fracties zich daar ook bij aansluit. De VSP, mevrouw Striebeck zegt, en daar sloot mijnheer De Feijter zich bij aan, hoe zit het met de huurderbescherming als iemand zijn vergunning verliest? Dan gebeurt er met de huurder helemaal niets, want de huurder kan blijven wonen. De huurder heeft een huurovereenkomst, heeft huurbescherming en blijft in zijn pand wonen.
Als iemand zijn vergunning verliest en je mag niet verhuren, betekent het niet dat de huurder eruit gezet wordt, maar dat als het niet beter gaat, eventueel de gemeente het kan overnemen en aanwijzingen gaan geven. Juist deze hele vergunning is ter bescherming van de huurder en is volkomen risicoloos voor de huurder. Het is vooral riskant voor de verhuurder. Hij raakt zeggenschap kwijt, want de gemeente kan ingrijpen. Daar zit een verkeerde veronderstelling achter dat als je de vergunning kwijtraakt ook de huurovereenkomst zou eindigen. Zo zit de wet niet in elkaar. De voorzitter: Een politieke vraag, mevrouw Kruger? De heer Van der Kruijff: Mijnheer Kolkiliç van DENK had het over stadsbreed. Daar heb ik net al een antwoord op gegeven over hoe we daar tegenaan kijken. Even kijken. Mijnheer De Feijter. Misschien toch nog wel goed om even toe te lichten hoe het nu financieel zit. We hebben heel veel werk te verrichten om de vergunningen te gaan verlenen. Daar gaan we een aantal fte op aantrekken en dat kost geld. Die fte worden volledig betaald uit de leges. Daar had mijnheer Groenewege helemaal gelijk in. Op het moment dat we het team zouden afschakelen, dan gaan de leges omlaag, maar wordt
29
ook het team kleiner. Op het moment dat we ooit zouden besluiten het ook in de rest van de stad in te gaan voeren, dan krijgen we daar weer leges uit en kan het team wat groter blijven. Maar hoe je het ook wendt of keert, de leges moeten de kosten van de vergunningverlening volledig dekken. Daar hebben wel capaciteit voor nodig, maar geen extra geld, want dat komt uit de leges. Handhaving, daar hebben we geld voor nodig. En of je wel of niet vergunning verleent of op het piepsysteem afgaat, de wet geldt. Wat er ook gebeurt, we zullen moeten handhaven. Dat kunnen we op het moment niet. In alle gevallen is er geld nodig, dat komt bij de Perspectiefnota, zoals in het voorstel staat, om een handhavingsteam in het leven te kunnen roepen. Vorige week heb ik ook al verteld dat we gaan kijken naar schaalvoordelen, hoe we samen kunnen werken met andere handhaving die te maken heeft met wonen en leefbaarheid. Maar je kunt dat niet uit elkaar trekken. Er vallen ook geen middelen vrij als je niet tot vergunningverlening zou overgaan. Natuurlijk hebben we middelen, dat hebben we gezegd, voor het kwartiermaken. Het kwartiermaken heeft deels te maken met vergunningverlening, maar het ook met het inrichten van een handhavingsteam, hen de juiste instrumenten, kennis, kunde en inzicht in Dordrecht geven, zodat het uit de startblokken kan komen.
Daar zal je financieel geen hele grote winst behalen. Ik denk misschien wel niks, maar als het iets is, dan is het verwaarloosbaar. Ik denk dat ik alle vragen beantwoord heb, voorzitter. De voorzitter: Volgens mijnheer Groenewege niet. De heer Groenewege: Het is een nieuwe vraag. In reactie op mijnheer De Feijter geeft de wethouder aan dat er alleen gehandhaafd kan worden als er een vergunningensysteem is, omdat je dan de verhuurders en de woningen waar verhuurd wordt in beeld hebt. Voor een heel aantal wijken is dat, ook met invoering van dit systeem, niet het geval, omdat daar de verhuurders geen vergunning nodig hebben en niet in beeld zijn. Hoe werkt de handhaving daar dan? Is het dan zo dat daar volgens dit voorstel niet gehandhaafd kan worden, tenzij er meldingen worden gedaan? De heer Van der Kruijff: Voorzitter, de praktijk zal zijn dat we gaan handhaven waar de meldingen binnenkomen, omdat we niet alle andere adressen weten waar we anders zouden moeten gaan controleren en handhaven. Met vergunningverlening moeten mensen zich melden. Doen ze dat niet, kunnen ze boetes en andere narigheid krijgen. Dan krijgen we zicht op waar er verhuurd wordt door particuliere verhuurders. Dan kunnen met dat inzicht aan de slag op die adressen om te kijken of het allemaal in orde is. En op het piepsysteem kun je altijd reageren.
Sterker nog, als we de capaciteit hebben, zullen we dat doen. De voorzitter: Was u door de antwoorden heen? De heer De Kruijff: Ja. De voorzitter: Dan ga ik even rondkijken. Mijnheer De Feijter trekt een heel moeilijk gezicht en gaat nu een vraag stellen. De heer De Feijter: Een beetje een aanvullende vraag weer op de vraag die mg Groenewege zojuist heeft gesteld, zegt de wethouder hiermee dat het handhaven op de Wet goed verhuurderschap door de vergunningen efficiënter en goedkoper is dan door reactief te handhaven middels meldingen die binnenkomen?
30
De heer Van der Kruijff: Die stond nog aan. Efficiënter is het niet. Vooral het bereik en het inzicht wordt veel groter, waar we moeten gaan handhaven. Door vergunningverlening krijgen we heel goed zicht, aan de ene kant, waar er allemaal verhuurd wordt. Want je mag het niet doen zonder vergunning. Verhuurders moeten zich melden. Dat zullen we allemaal communiceren. Doe je dat niet, ben je in overtreding en krijg je boetes. Doe je het wel, dan gaan we controleren of het goed gaat. Het is de breedte van het inzicht waar we moeten zijn met handhaving. Reageer je op meldingen, piepsysteem of krijg je door middel van vergunningen beeld waar er allemaal verhuurd wordt en kun je daar achteraan? Dat is op handhaving. Het allerbelangrijkste, laten we dat niet vergeten, is preventie. Voorkomen dat het fout gaat door vergunningen aan te moeten vragen, een meerjarenonderhoudsplan aan te moeten reiken en alle andere documentatie die erbij horen om zo een verhuurder in feite te laten verklaren dat hij zich houdt aan de Wet goed verhuurderschap. Dat klinkt een beetje raar, want zonder verklaring moet je, je ook aan die wet houden. Maar goed, daar maak je wel afspraken over en dat maak je duidelijk. Dan voorkom je ook dat er situaties ontstaan, omdat je daar in de vergunningverlening goed op let. Het heeft ook een grote preventieve werking naar onze overtuiging.
De voorzitter: Als er verder op dit moment geen reactie is, dan ga ik de vraag stellen. Mijnheer Oostenrijk zei het vorige week, we moeten ook nog … Mevrouw Van den Bergh heeft wel een vraag? Mevrouw Van den Bergh: Even een korte toelichting van de wethouder, want mijn buurvrouw had het over de positie van huurders. Daar hadden wij vorige week ook een vraag over. De wethouder zegt dat de huurders zijn beschermd, ze kunnen blijven wonen. Kunt u dat uitleggen? Hoe moet ik me dat voor me zien als de huisbaas niet meer mag verhuren? Hij heeft geen vergunning. Hoe kunnen de huurders dan blijven wonen? Wie int de huur? De voorzitter: Dat heeft de wethouder al duidelijk uitgelegd. Maar ik kijk even heel vriendelijk naar rechts of hij het in een zin nog een keer kan. De heer Van der Kruijff: Eerst stel een verhuurder in staat om misstanden te herstellen en in orde te maken. Dan gaan we daarop toezien. Dat is de eerste inzet die we zullen plegen. Intussen kan de huurder blijven wonen, want die heeft huurbescherming. Als uiteindelijk blijkt dat zo'n verhuurder het niet doet, de regels aan zijn laars lapt en het laat afweten, dan heeft de gemeente de mogelijkheid om de verhuur over te nemen, een indeplaatsstelling te doen. Dan kan de huurder blijven wonen, gaat de gemeente de verhuur regelen en zorgen dat de woning aan de voorwaarden voldoet waar deze aan moet voldoen.
Dat ook nog eens op kosten, tenminste, ik maar even naar mijn buurman, van de verhuurder. Ik zie allemaal ja-knikken. Dat zeg ik goed. De voorzitter: Dan ga ik verder met de vraag. Want ik wil graag dat jullie in de tweede termijn aangeven wat je met deze twee verordeningen wil, wat het standpunt is en of er behoefte is aan een bespreking in de raad, bijvoorbeeld als u denkt aan een motie of een amendement. Ik ga even kijken wie daarop wil reageren. Mijnheer Oostenrijk als eerste.
31
De heer Oostenrijk: Wat ons betreft mag het een hamerstuk zijn, maar ik sluit niet uit dat er iets aan toegevoegd wordt. Maar ik zou willen voorstellen om ons dan in de bespreking te beperken tot de eventueel ingediende moties. De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, dank u wel. Wij waren er vorige week al met onze inbreng op de verhuurverordening. Toen hebben we het punt gemaakt dat ons signalen bereiken dat er op dit moment geen logiesheffing geïnd wordt voor huisvesting van arbeidsmigranten, buiten hotels en B&B-achtige locaties. Daar hebben we technische vragen over gesteld. Die zijn beantwoord, zitten ook bij de stukken. Dank daarvoor. En op basis daarvan hebben we een conceptmotie opgesteld, die op dit moment bij de stukken zit, en we graag willen indienen. Die motie roept op om, conform de afspraken die we als gemeente al hebben in de logiesverordening, logiesheffing in rekening te brengen bij arbeidsmigranten die niet ingeschreven staan in de BRP, maar wel in Dordrecht verblijven. En nogmaals, dat is op dit moment al de regeling zoals het geldt, maar niet hoe het op dit moment wordt uitgevoerd. Zie daarvoor ook de beantwoording van de technische vragen. Op zich kunnen we ons er wel wat bij voorstellen dat het heel moeilijk is om die groep op een goede manier in kaart te brengen.
Maar met dit voorstel, zoals het nu voorligt, wordt er een verhuurvergunning verleend aan partijen die gaan verhuren aan arbeidsmigranten. Dan zou het, wat ons betreft, relatief simpel moeten zijn om dan of logiesheffing te gaan innen of te zorgen dat de arbeidsmigranten worden ingeschreven in de BRP, met ook allerlei andere voordelen van dien. Dat voorstel van ons zit al in conceptmotie beide stukken. We zijn benieuwd naar de reactie van andere partijen. Maar dat is in ieder geval iets wat wij daarop graag willen indienen. En het tweede punt, voorzitter, dat gaven wij vorige week al aan en ik hoor het bij een aantal andere partijen wel terug, zit er vooral in dat wij het stuk rondom de verhuurvergunning voor arbeidsmigranten wel steunen, dat we daar toegevoegde waarde in zien, maar dat we nog niet helemaal overtuigd zijn dat het ook voor de verhuurvergunning voor reguliere woningen van toepassing zou moeten zijn. We overwegen daar nog een amendement in te dienen om wel de verhuurvergunning voor arbeidsmigranten in te gaan voeren, maar niet de verhuurvergunning voor reguliere woningverhuur. Die twee punten vanuit de VVD, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Wie mag ik nog meer het woord geven? Mijnheer Katif. De heer Katif: Dank u wel, voorzitter. Ik heb in twee termijn al aangegeven dat wij op zichzelf de verordeningen best goede verordeningen vinden.
Het enige dat ons een beetje dwarszit, sommige partijen stappen daar zo gauw overheen, is dat de financiële borging. En ik vind het heel jammer dat een aantal partijen niet in acht neemt dat we een financiële verordening hebben die regelt dat ieder raadsvoorstel vanuit het college gedekt moet zijn. Het moet namelijk van een financieel plaatje voorzien zijn. Een financieel plaatje moet een structureel plaatje zijn en niet een incidenteel plaatje. Dit is eigenlijk het enige dat ons een beetje dwarszit. Daar zullen wij in ieder geval een motie voor indienen, als het gaat om een stukje zorgvuldigheid voor de voorbereiding van de verhuur- en leegstandverordening. En hetgeen de VVD bij monde van mijnheer Noldus gezegd heeft, daar moet ik nog even over overleggen.
32
De voorzitter: Daar hoeft u nu geen uitspraak over te doen, want de motie is pas later. Dat maakt helemaal nog geen onderdeel uit van deze vergadering, maar wel voor de Raad. De heer Katif: Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Daar kan u nog op studeren deze week en eventueel contact zoeken met mijnheer Noldus als u daar vragen over heeft. Mijnheer Oostenrijk, u bent al geweest. Mijnheer Groenewege. U krijgt zo meteen het woord. Eerst mijnheer Groenewege. De heer Groenewege: Dank u wel. Voorzitter. De Partij voor de Dieren heeft vorige week al aangegeven positief tegenover deze twee verordeningen staan. Hoewel we ook helemaal snappen wat mijnheer Katif van Beter voor Dordt zegt over de structurele dekking. Dat is ons bij wel meer voorstellen een doornstruik in het oog geweest. Een hele struik. We zijn voor een groene stad, voorzitter. Even kijken. Een gedifferentieerd legestarief. Daar hebben we het al over gehad. We gaan kijken of we voor volgende week eens een mooie motie kunnen bakken daarover. Het liefst met GroenLinks, Beter voor Dordt en het CDA en misschien nog wel wat andere partijen die daaraan mee willen doen. We zitten nog wel een beetje in ons maag met de oude woningen in het centrum en wat we daarmee moeten. We vinden het zonde dat daar in ieder geval de komende jaren geen onderhoudsplan van verhuurders wordt verwacht.
Ook omdat de meeste doorwaaiwoningen van Dordrecht zich daar bevinden. Wat we daarmee moeten dat, daar gaan we nog even op broeden voor volgende week. En we zitten een beetje met de toetsing. Want er werd net door de wethouder gezegd, het onderhoudsplan kan meerdere keren of tussentijds worden opgevraagd bij de verhuurder om te toetsen of alles nog in orde is. Maar dat staat niet in zoveel woorden in de verordening. Waar beroep je, je dan op als handhavende organisatie, vragen wij ons af. Daar zitten we nog een beetje mee en daar gaan we ook op broeden voor volgende week. Dat is het wel zo’n beetje. De voorzitter: Helemaal goed. Dank u wel. Mijnheer Oostenrijk, eigenlijk ben ik niet volledig geweest, want het afconcluderen, om het even lelijk te zeggen, is op dit moment voor beide verordeningen. Vandaar dat ik het idee had dat u al uw zegje had gezegd, maar ik was niet volledig. U mag nu iets over het andere stuk zeggen. De heer Oostenrijk: Dat gaat puur over de aangekondigde motie van de VVD. Als ik kijk naar het verzoek aan het college … De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk, wij bespreken nu niet de motie, want die is er eigenlijk nog niet. De heer Oostenrijk: Die is er. De voorzitter: Die is er wel. Maar we hebben vorige week een vergadering geschorst. Daar zijn we nu op verdergegaan en er zijn moties. Maar niet iedereen heeft al kennis kunnen nemen van de moties.
U mag ook de hele week broeden en vragen stellen aan mijnheer Noldus. Even kijken. Wie? Mijnheer De Feijter, gaat uw gang.
33
De heer De Feijter: Dank u wel, voorzitter. Ik hoor nog een hoop wellicht nuttige toevoegingen over in ieder geval de verhuurverordening die, denk ik, de verhuurverordening beter en sterker zouden kunnen maken. We gaan ons er als fractie nog op beraden wat we daarmee gaan doen. Wat betreft allebei de verordeningen, ze kunnen, denk ik, naar de raad. Dan zullen we het gaan hebben over de moties en amendementen erbij. Dat lijkt me een goed idee. En ik maak direct van de gelegenheid gebruik om aan te kondigen dat GroenLinks samen met ChristenUnie/SGP met een motie komt wat ziet op de voordrachtmogelijkheid die onder de leegstandverordening is geboden. Die heeft mijnheer Van der Meer vandaag verstuurd naar de leden van deze commissie. ChristenUnie/SGP, met PvdA en GroenLinks, dient nog een motie in wat ziet op het aansluiten bij het Chw-experiment, ook onder de leegstandsverordening. Dat zit ook in uw inbox. Tot zover. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Hartmeijer. De heer Hartmeijer: Dank, voorzitter, voor het woord. Nog een toevoeging richting mijnheer De Feijter. Vorige week was er wel een toezegging over dat Chw-experiment, dat het college het verder gaat onderzoeken en nog terugkomt naar de Raad. Maar goed, dat moeten we dan nog maar even nader bespreken misschien. Er is wel een toezegging, geloof ik, op geweest.
De heer De Feijter: Persoonlijk, voorzitter … De voorzitter: Sorry, ik moet het allemaal ook even opschrijven. De heer De Feijter: Snap ik. Er zijn een paar woorden over gezegd. Het was mij nog niet helemaal helder wat er precies uit is gekomen. Wij gaan het inhoudelijk nog over de motie hebben in de raad. Maar wij zien wel meerwaarde in het aansluiten bij Chwexperiment. Daar zouden wij graag een uitspraak van de raad over willen. De voorzitter: Helder. Iemand anders nog voor de tweede termijn? Dan gaan we hem agenderen in de raad van volgende week. Gezellig. Dan heb ik wel even een gewetensvraag voor jullie. Want we hebben nu in deze oordeelsvormende commissie de verordeningen uit elkaar getrokken, die hebben we apart behandeld. Ik weet niet of dat echt applaus verdient, in de zin van of het praktisch was. Het lijkt me dat het in de raad beter tegelijkertijd aan de orde kan komen, maar dan wel de vraag aan iedereen die een motie of iets indient of wat zegt, om daarbij duidelijk aan te geven of het over de leegstandverordening gaat of over de verhuurverordening. Mijnheer De Feijter heeft daar een andere gedachte bij. De heer De Feijter: Dank u wel, voorzitter. Ik heb daar wel een tegenvoorstel bij. Ik heb nu het idee dat er best wel een hoop verschillende moties en amendementen worden aangekondigd, bij zowel de leegstandverordening als de verhuurverordening.
Ik ben bang dat het een beetje chaos gaat worden met betrekking tot met welke motie en welk amendement bij het een hoort en welke bij de ander hoort. Ik zou ervoor pleiten om ze na elkaar te behandelen. De voorzitter: Prima. Wie is daar ook voor? Ik zie handjes de lucht in. Altijd gezellig. Dan gaan we dat zo doorgeven aan de voorzitter van de raad.
34
De heer Katif: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Katif. De heer Katif: Voorzitter, ik zeg, ja. Dat moet je uit elkaar halen. Alleen, mijn motie gaat over beiden. De voorzitter: Dat mag het als laatste. De heer Katif: Dat kan wel. De voorzitter: Ik wilde nog zeggen, mijnheer Katif, u bent absoluut heel creatief om daar wat op te verzinnen. Ik wil nog heel even aandacht, want we zijn er nog niet. Ik wil graag weten van jullie of het twee of vijf minuten gaat worden. Wie wil twee? Mevrouw Kruger. Mevrouw Kruger: Voorzitter, ik denk twee per onderdeel.
De voorzitter: Twee per punt. Ook weer de handjes allemaal de lucht in. Helemaal leuk. Kijk eens, dat kunnen we met zijn allen. Dan zien wij elkaar wat dat betreft volgende week in de raad op dit punt. Dank aan de wethouder en de ambtelijke organisatie. En alle flesjes en dergelijke gaan opruimen. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 10 maart 2026.
De griffier,
De voorzitter,
G.J.P. van Soest
N. Mol
35