2.3 2025.05.13 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 1 - concept.pdf
Tekst van het document
Want waar blijft dan de gemeenteraad daarin? Wanneer is de gemeenteraad eigenlijk aan zet? Want als je het bijna niet meer kan wijzigen, dan zou je moeten zeggen, dan zou je eigenlijk alles mogelijk moeten kunnen laten maken. Dan moet je als gemeenteraad gewoon per plan beslissen wat je uiteindelijk wil, zodat je jezelf niet voor de toekomst op dit soort terreinen eigenlijk klemzet. En dat geldt eigenlijk ook voor de gebiedsvisies. Wanneer zet je jezelf klem? De heer Langenberg: Wat ik voorstel, omdat het nu niet lukt om met het antwoord u het comfort te geven of richting te geven waar u naar op zoek bent, dat we dit dan schriftelijk gaan antwoorden, want dan staat het ook op schrift klip en klaar waar we het over hebben. En dan hoeven we daar niet meer over te twijfelen. En anders ga ik nu proberen allerlei herhalingen te doen met andere woorden. En dat gaat het denk ik niet helpen, schat ik in. De voorzitter: De heer Pauwels. De heer Pauwels: Dank u, voorzitter. Volgens mij is het wel duidelijk dat we afstevenen op een heel belangrijke politieke keuze. Een visie betekent keuzes maken. En zoals ik de Omgevingsvisie nu begrijp, zijn er ook bijvoorbeeld keuzes gemaakt over de inrichting van het buitengebied. Als we daar een keuze in maken, moeten we ons beseffen wat de gevolgen daarvan zijn.
Om dat iets concreter in beeld te krijgen, mijn vraag is, dit wordt nu vastgesteld voor tien jaar, is het bijvoorbeeld voor het ambtelijk apparaat ook niet mogelijk om gedurende die tien jaar plannen, ontwikkeling überhaupt op te pakken in de buitengebieden? Bijvoorbeeld op het moment dat wij nu zeggen dat wij die ontwikkelingen niet daar willen. Dank u.
41
De voorzitter: Kan daar kort op geantwoord worden, of moet dat ook nog eventjes wat meer doordacht en ook opgeschreven worden? Het lijkt me misschien voor deze ... De heer Pauwels: Stel dat wij nu zeggen bijvoorbeeld, in het buitengebied mag niet gebouwd worden, in deze Omgevingsvisie. Hoelang gaat het dan niet lukken om daar iets te bouwen? De heer Langenberg: Ik ga het proberen, want het is natuurlijk technisch. Kijk, voorheen had je structuurvisies. En die structuurvisies stelde je vast voor vijf, zes of meerdere jaren. En die klikte je ook zodanig vast. Wat met de Omgevingswet, en daarmee ook de Omgevingsvisie als instrument, wel een beetje die verandering is ingezet, is dat dat meer cyclisch elke keer zorgt voor een beleidsaanpassing of in ieder geval zorgt voor een up-to-date. Waarbij weleens een structuurvisie in de laatste jaren van dat het gelde bijna niet meer herkenbaar was met wat er allemaal in die tijd is gebeurd. En de Omgevingswet heeft eigenlijk het zo ingezet dat het een beleidscyclus is, waardoor je elke keer, ook jaarlijks bijvoorbeeld, kleinere aanpassingen rondom wetgeving van Rijk, provincie of iets dergelijks, ook aanpast. Het wordt meer een cyclusinstrument dan dat je hem nu vaststelt en over zes jaar er weer eens over gaat nadenken. Maar let wel, het zijn inderdaad keuzes. En het is een visie, waar je wel het gebied vaststelt.
De voorzitter: Dank u wel. Er zullen vast nog veel meer vragen zijn. Die wil ik even bewaren tot het schriftelijk stellen. En dan komen we bij het laatste blokje, waarvan ik denk ook dat we de vragen schriftelijk gaan stellen. We kijken even hoe ver dat we komen, want het is inmiddels al 21.45 uur. Mijnheer Persoon, doet u uw best. De heer Persoon: Aan mij de eer om het laatste stukje te presenteren. Die gaat over het buitengebied en de stadsrand. Ik begin even heel in het kort met wat we opschrijven in de Omgevingsvisie over het buitengebied. Daarin hebben we het over de sturingsfilosofie, waarin we heel erg behoudend van aard zijn. Waarin we kijken naar de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten die we daarmee willen behouden. Als we het dan toch hebben over ontwikkelingen, willen we die toetsen aan de kwaliteiten van het gebied. En om dit te kunnen doen, willen we een afwegingskader maken. En daar ga ik iets meer over uitleggen in deze presentatie. Heel in het kort, in de gebiedsindeling, die je nog eventjes ziet, over welk gebied hebben we het dan? Dat is in dit geval het bruine gebied. Om even een goed beeld te hebben.
En op het moment dat we het dan hebben over ontwikkelingen, waarom willen we dan deze wijziging erin doen, in verhouding met het eerdere beleid wat we hebben? Wat we heel erg zien, is dat we nu voor kleinere initiatieven geen goed antwoord kunnen bieden. Doordat we eigenlijk helemaal niet bouwen in het buitengebied lopen we gewoon kleine ontwikkelingen mis, die toch heel veel kwaliteit kunnen toevoegen. En zijn we eigenlijk aan het kijken van die stadsgrens die we hebben, kunnen we die wat minder hard maken, en kunnen we op de juiste plek een geleidelijkere overgang maken die wel die kwaliteit bewaakt. En daarnaast worden we ook door de Omgevingsvisie in een andere houding gezet. We moeten kijken naar een ja, mits-principe, in plaats van een nee, tenzij-houding. Dat betekent dat we niet altijd ja hoeven zeggen, maar wel kaders moeten gaan bedenken in welke gevallen we ja gaan zeggen. Om dit nog wat duidelijker te maken, gaan we nog even over de kwaliteiten die het gebied nu heeft. Ze stonden ook in de sturingsfilosofie, maar ik som ze nog even op. Dat is ruimtebeleving, de afwisseling van het landschap, de weidsheid van het open landschap, de waterranden en ook de historie en erfgoedbeleving, die
42
daarbij zit. Heel even een duidelijke afbeelding die daarbij hoort. We hebben een grote stad, die eigenlijk heel direct verbinding heeft met een landelijk gebied. Met daarin grenzen, waarbij die overgang echt heel duidelijk zichtbaar is. We hebben historische structuren van dijken en polders, met hele duidelijke dragers van deze structuur, die ook nog steeds leesbaar zijn in het landschap. En daarnaast hebben we een enorm stuk Biesbosch erin, die een groot contrast geeft met het traditionele polderlandschap wat we hebben, doordat we echt wildernis, natuur direct daartegenaan hebben liggen. Dan vanuit het afwegingskader, wat zijn dan ontwikkelingen die we wel en niet willen mogelijk maken? In het verleden zijn er een aantal grote ontwikkelingen geweest, waarvan we nu zouden zeggen, deze passen niet bij het doelen vanuit de Omgevingsvisie, zoals we hem nu vaststellen. Denk daarbij aan een ontwikkeling als het Naturapark, maar ook de ontwikkelingen die in de Zuidpolder gepland waren. En de ontwikkeling die hier te zien is, is een schets die in 2016 via een motie vanuit de raad geen doorgang heeft gevonden. En we blijven in lijn met de eerdere uitspraken die de raad heeft gedaan over de buitengebieden.
Een ander beeld wat we even willen laten zien, zijn ontwikkelingen die ook plaats hebben gevonden, zoals deze ontwikkeling aan de Zuidendijk, waarin je heel duidelijk ziet dat er een woningbouwontwikkeling heeft plaatsgevonden, met helemaal geen relatie tot de dijk. Waarbij de dichtheid hoog is en de doorzichten eigenlijk naar het achterliggende landschap vanaf de dijk worden ontnomen. En er ook veel verharding wordt toegevoegd. En er eigenlijk weinig oog was voor het behoud van groen op deze ontwikkeling. Waar we dan wel naar willen kijken, zijn kleine initiatieven, waarbij de gebouwen een ensemble vormen met vergelijkbare materialisatie. En een heel duidelijke kwaliteit wordt toegevoegd, door integratie in het landschap. En wat we hiervoor aan het ontwikkelen zijn, is een afwegingskader, met daarin een extra toetsing. Bij een normale ontwikkeling wordt er nu al naar de omgevingstoets gekeken, waarbij de doelen uit de Omgevingsvisie worden onderzocht tot de ontwikkeling die er is. Maar voor het buitengebied en de stadsrand van het buitengebied willen we daarbij dit afwegingskader toevoegen, waar voor de stadsrand net wat meer mogelijk is dan in de rest van het buitengebied. De landschappelijke waardes die daar spelen, worden zwaarder meegewogen in deze afweging.
En de landschappelijke inpassing gaat in dit geval altijd over beeldkwaliteit, de effecten en de impact op de omgeving die er is. Ook de waardes en de kwaliteiten die het buitengebied heeft. En daarbij ook de relaties tot de dijken en de andere hoofdstructuren die in het buitengebied zijn. Om nog heel veel duidelijk te maken, we hebben het hier over de stadscontour. Die is anders dan de bebouwde kom. Deze ligt veel meer in lijn met wat de provincie vaststelt als het bestaande stads- en dorpsgezicht. En dit verhoudt zich eigenlijk met de stadsrand, zonder dat dat heel duidelijk gedefinieerd is. Want de landschappelijke elementen geven eigenlijk aan hoe groot de stadsrand is, rondom de stadscontour, waarbij juist dijken ervoor zorgen dat de stadscontour eigenlijk heel dicht bij de stadsrand blijft. En als laatste punt hierop nog de bevoegdheden die er voor de raad en het college zijn rondom het afwegingskader. De raad stelt de kaders op hoofdlijnen vast via deze Omgevingsvisie 2.0, en houdt verder een bindend adviesrecht in het geval er een ontwikkeling is die afwijkt van het omgevingsplan. Wat vaak het geval gaat zijn, want het omgevingsplan is in bijna het hele buitengebied agrarisch of recreatief. Of als ze strijdig zijn met de Omgevingsvisie, waarin we ook spreken voor het hele buitengebied over de functies recreatie, natuur en
43
landbouw. En het college heeft de bevoegdheid om de gestelde kaders, ook de ruimtelijke uitwerking, vast te stellen via het afwegingskader. De voorzitter: Dank u wel. Dan komen weer de vragen. Dat gaan we nu niet meer doen, helaas, want over vijf minuten komt er een volgende commissie. Ik wil u vragen, mocht u vragen hebben naar aanleiding van deze laatste presentatie, maar ook de eerdere presentaties, niet alleen van de ambtenaren, maar ook van de insprekers, stelt u die technisch. Dan zou ik nu de commissie moeten beëindigen met de vraag of er voldoende inventarisatie is en voldoende informatie om tot een politiek standpunt over het raadsvoorstel te komen? Ik zie al mensen voorzichtig nee schudden. We hebben nog een uitwijk naar volgende week, om andermaal deze Omgevingsvisie 2.0 op de agenda te zetten. En het lijkt mij, gezien toch wel de belangrijkheid, de zwaarte en de complexiteit van dit thema, om dat te doen. Mevrouw Boom. Mevrouw Boom-Vos: Voorzitter, ik zat nee te schudden. Ik weet niet waarom de andere mensen nee schudden. Voor mij is het nog te onduidelijk wat de verdichtingsgevolgen zijn. En dat heeft geen zin, zoals de heer Langenberg zei, om dat naar volgende week op te schuiven, want die informatie komt pas later. Ik weet niet wat de reden voor de andere mensen was.
Ik moet er nog heel even over nadenken hoe we dat gaan doen, maar voor mij is verschuiven naar volgende week geen optie voor mijn vragen. De voorzitter: Begrijp ik. De heer Gündogdu: Voorzitter. De voorzitter: De heer Gündogdu. De heer Gündogdu: Er komt ook nog een oordeelsvormende sessie? De voorzitter: Zeker, die komt ook nog. En die zouden we volgende week hebben, maar die kunnen we ook de 27e nog doen. In die zin geef ik u eigenlijk respijt om toch eventjes wat meer ruimte te hebben om na te denken over de technische vragen. We kunnen ook nog wat anders afspreken. Hoelang is dat nodig? Ik zit altijd in tijd zo ingewikkeld. Maar ik zit te denken, als we voor het weekend kunnen bekijken of die technische vragen zo ingewikkeld zijn dat we toch ook nog een beeldvormende sessie nodig hebben. Het kan zomaar zijn dat die beantwoord worden en dat iedereen zegt, voor nu is het goed en kunnen we overgaan naar een oordeelsvormende sessie. Ik denk dat dat op zich een goed idee is. En dan gaan we met de griffie schakelen wat dan het voorstel zal worden. Ik kan nu iedereen erover laten beslissen, maar we hebben helaas geen tijd meer. Het spijt me. Ik wil toch even nu gaan afronden. Ik wil mevrouw Verleun, de heer Gast, de heer Cornax, de heer Hinborch, Schreuder en Persoon hartelijk danken voor het inspreken.
Mijn excuses dat dat zo onder hoge druk en stomend water moet, voor zo'n belangrijk onderwerp en zoveel toch nog onduidelijkheden die we allemaal moeten afwegen. Ik wil deze commissie nu afsluiten. De heer Stolk: Ik heb toch nog even een vraag, voorzitter. De voorzitter: Dan kunt u die na de commissie stellen.
44
De heer Stolk: Nee, want dat heeft nu te maken met, hoe heet dat, zit er ook een tijdsdruk op? De voorzitter: Ik heb net aangegeven, mijnheer Stolk, dat wij op zich nog tot volgende week de tijd hebben. De heer Stolk: Maar daarna. Wanneer moet er een beslissing genomen worden? De voorzitter: Daar zit geen harde deadline op. Excuus. Hartelijk dank voor iedereen hier aan tafel, op de tribune en mogelijk ook de kijkers thuis. Voor hier aan tafel, neem uw glazen en flesjes mee terug naar de pantry, zodat de volgende ploeg aan een schone tafel kan komen te zitten. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 1 juli 2025.
De griffier,
De voorzitter,
A.E.T. Wepster
N. Mol
45