2.3 2022-02-08 Gemeente Dordrecht Commissie Fysieke Leefomgeving - concept.pdf
Tekst van het document
We zien als we kijken naar de stad en ook als we kijken naar de ontwikkelingen van de afgelopen periode, dat niet iedere ontwikkeling, en die discussieer hebben we hier ook vaker gehad, 100 procent gelijk is qua verdeling en niet op iedere ontwikkeling kun je de verdeling van de Woonvisie plakken. Maar uiteindelijk is het wel de bedoeling dat we binnen die ambitie van 11.000 woningen om en nabij de taartpunten uit die Woonvisie
46
gaan realiseren. Dan moeten we dus ook echt een beentje bijtrekken. En we zien ook terug in de cijfers dat het vooral in de sociale huur zit om die 2000 woningen in planvoorraad te krijgen waar echt nog een achterstand is en in de goedkopere koopwoningen. Waarbij we ook in andere updates … De heer Van der Meer: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, een vraag aan de heer Noldus: hoe komt het toch dat die achterstanden vooral in deze categorieën plaatsvinden steeds? Tot nu toe is in de toelichting daarop steeds heel erg ingezet op het idee van doorstroming, er moeten dure woningen gebouwd worden, dan komt het wel op gang. Nu constateert ook de heer Noldus dat er toch nog steeds tekorten blijven. Wordt het inderdaad niet tijd om afstand te nemen van dat idee van doorstroming als het belangrijkste mechanisme om de woningmarkt op orde te krijgen en te concluderen dat er echt ander beleid nodig is waardoor er meer maatregelen genomen moeten worden voor die goedkopere categorieën? De heer Noldus: Ja, voorzitter, op zich heldere vraag en tegelijkertijd niet helemaal een terechte conclusie. Ik denk als je kijkt naar de huidige Woonvisie, zeker de dure woningen en dit is ook even over senioren, kom ik zo meteen op, is het verhaal van doorstroming nog steeds onverminderd, misschien nog wel belangrijker, onderdeel geworden van het hele proces.
Tegelijkertijd zie je dat we ook in die Woonvisie ook op sociale huur, ook op particuliere huur in de goedkopere koop aantallen hebben benoemd, percentages eigenlijk, is altijd ingewikkelder, hebben benoemd om te realiseren. Nou, dat zijn wat ons betreft nog steeds zaken die we moeten realiseren. We constateren hier dat de realisatie achterblijft. Dus een antwoord op uw laatste vraag: wat ons betreft is bijsturing in de uitvoering binnen de huidige kaders in de planvoorraad nodig en niet zozeer een nieuwe Woonvisie of nieuw beleid daarop. En als we dan kijken ook naar, en daar wou ik net dat sprongetje naartoe maken, optimalisering van de samenwerkingen. U heeft het ook over sociale huur, daar is de afgelopen periode veel over gedaan. We hebben er eerder ook informatiebrieven over gehad. Er zat vandaag ook bij de stukken reactie op de motie. Er is gewerkt, wordt gewerkt aan verkorte processen, slagkracht met partners in de markt en de woningcorporaties. We zien daarin echt een instrument wat opgetuigd wordt. Invulling gevend aan ook een van de adviezen die de rekenkamercommissie daarop meegeeft. De heer Portier: Voorzitter? De voorzitter: Ik weet niet of mijnheer Van der Meer al zijn antwoord volledig had. De heer Noldus: Hij keek heel tevreden. De voorzitter: Want dat was even de interruptie. De heer Van der Meer: Ja maar dat is mijn gewone gelaatsuitdrukking maar …
47
De voorzitter: Nee, nee, maar ik wil voorkomen dat mijnheer Van der Meer nog geen antwoord heeft terwijl u dan alweer ertussen zit, mijnheer Portier. Dus … De heer Van der Meer: Nee, mag ik nog één vervolgvraag stellen, de heer Noldus zegt in feite: de Woonvisie is prima maar hij is helaas niet helemaal goed uitgevoerd. Daar komt het eigenlijk op neer. En mijn vraag is: wat zijn nou de factoren, de mechanismen die ervoor gezorgd hebben dat juist in die segmenten waar we het nu over hebben, die tekorten zo hoog zijn? Heeft dat toch niet iets te maken met de visie die wij, die dit college op de ontwikkeling van de woningmarkt heeft? En is het niet nodig om toch die visie wat visionairder te laten zijn en beter te laten aansluiten op de uitdagingen die er op dit moment liggen? De voorzitter: Daar kan mijnheer Noldus heel kort op antwoorden. De heer Noldus: Het zou in theorie kunnen. Nou, om met het eerste punt te beginnen. Kijk, ik heb niet gezegd dat de uitvoering van de Woonvisie niet goed is. We hebben de Woonvisie bepaald tot 2030, we zitten nu op dit moment in 2022. Ik heb gezegd in de uitvoering moeten we een beentje bijtrekken op een aantal segmenten. Dat er verschillen ontstaan is niet heel gek want uiteindelijk ga je door de periode heen bepaalde plangebieden ontwikkelen. En daar zit niet overal, wat ik zei, de precieze verdeling van de Woonvisie onder.
Dus dan zie je als bijvoorbeeld grotere ontwikkelingen, ik noem even Amstelwijck als voorbeeld maar zo zijn er een paar, dat je dan scheeftrekt. Daarom de oproep: zorg dat we niet in 2030 maar ook eerder een beentje bijtrekken op de rest. En je ziet ook, en dat is wel een oprechte vraag die ik heb ook over de sociale huurwoningen, we krijgen daar af en toe nog wat wisselende cijfers. Soms zijn we in 2030 op het punt waar we willen zijn, in andere staatjes lijkt dat in 2000, even uit mijn hoofd, 2025 weer te zijn. Nou, volgens mij is dat een stap, een punt om met elkaar een stap te zetten. We hebben die Woonvisie niet voor niks neergezet, daar zijn wij voor de hele uitvoering daarin en ook niet voor alleen het hoge segment. Wat dus in deze debatten wel eens verweten of aangemeten wordt, waar ik me dan ook niet helemaal in herken. De heer Portier: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Portier. De heer Portier: Ja, ik constateer echter zelf dat er inderdaad zaken achterblijven in het lagere segment en in het sociale segment. Bent u niet achteraf blij met het amendement van het CDA om 15 procent op de Middenzone te bouwen? De heer Noldus: Ja … De heer Oostenrijk: Ja, voorzitter, ik voel me aangesproken. De voorzitter: Ja, u krijgt alleen nu het woord niet. Mijnheer Noldus krijgt het woord.
48
De heer Oostenrijk: Ja, het CDA wordt genoemd dus ja dan, dat kan de heer Noldus niet voor ons vertolken. De heer Portier: Nee, het was een vraag aan de heer Noldus of hij niet achteraf blij is … De voorzitter: Precies. De heer Portier: … met uw amendement om toch 15 procent sociale huur meer te bouwen. De voorzitter: Juist. Dus mijnheer Noldus gaat beantwoorden. De heer Noldus: Ja, nou, voorzitter, om daar terugwerkend, om daar ook naar te kijken. Als je nou ziet dat die ontwikkeling ook mede daardoor ook wel weer een andere koers is gegaan en ook wel wat risico en discussie heeft opgeleverd ook met de uitvoering, ja, durf ik niet te zeggen dat het met 10 procent hetzelfde pad was gelopen. Er zijn nu in ieder geval meer woningen in die categorie, dat is één ding wat zeker is. De angst, en dat ook een reactie van het college was, dat gaat de planvorming raken of dat gaat de realisatie daarvan raken. Nou, wij hebben dat natuurlijk wel gezien in de discussie die achteraf daarover is ontstaan in de businesscase en de looptijden van de huur. Ik heb daar nu niet een technisch inhoudelijk argument op of dat nou beter of minder zou zijn. Het heeft in ieder geval extra woningen in deze prijsklasse opgeleverd, dat is evident. Nou ja, evident, het was ook overigens een minimum dus wellicht had er anders ook hetzelfde aantal ingezeten overigens.
Wat mij betreft, voorzitter, spring ik over naar een ander instrument dat door de rekenkamer wordt genoemd. Opkoopbescherming hebben we als raad een verstandig besluit genomen die in te vullen dus wordt op korte termijn aandacht aan gegeven. Wat we verder zien ook in de realisering van goedkope koopwoningen, en ik durf even niet meer te zeggen wie daar nou net iets over had, maar in de plannen van de Spoorzone wel wellicht op wat langere termijn voor het hele gebied maar voor het eerste gebied hebben we een subsidie landelijk weten binnen te halen om juist op die goedkopere koopwoningen te kunnen realiseren daar. Wat ons betreft een hele belangrijke stap om een paar honderd woningen in die prijsklasse daar te kunnen gaan realiseren. En terwijl ik dat zeg springt mijn notitie weg. O ja, een vraag richting de rekenkamer, ze zijn er vanavond gekomen, dank daarvoor, leuk jullie ook hier te zien. Dank u wel, voorzitter. Ja. In het rapport wordt aangegeven dat categorie woningen tot twee ton sterk is afgenomen. Dan denk ik, ja, nogal wiedes want de afgelopen acht jaar zijn die prijzen in de markt landelijk gezien met 66 procent gestegen. Dus dat is op zich denk ik logisch. Maakt het ook het vergelijken door de jaren heen lastig. Dus logisch zou dan wat ons betreft zijn om bijvoorbeeld NHG als grens te nemen of wellicht de woonlasten daarin.
Want ergens anders in het rapport worden woningen van 300.000+ als dure woningen betiteld. Nou, dat hangt er maar net af, dan is dat of een mening of prijs dat iets duur of goedkoop is, is altijd een abstract ding. De heer Van der Meer: Voorzitter? De heer Noldus: Dus dat maakt het in het rekenkamerrapport wat ons betreft soms lastiger te interpreteren.
49
De voorzitter: Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, die NHG-garantie of bedrag, dat is natuurlijk een mooi bedrag en dat zal best kloppen met de gemiddelde stijging van de huizenprijzen, maar dat klopt natuurlijk niet met de financieringscapaciteit van de mensen waar we het nu over hebben. En daarom ervaar ik het gemakshalve even opschuiven van tweeënhalf naar drieënhalve ton als wat nog betaalbaar is als meer boekhouden dan recht doen aan de belangen van de groepen waar we het nu over hebben. Hoe denkt de heer Noldus daarover? De heer Noldus: Ja, voorzitter, dan de Woonvisie nog even verder uit te diepen. Nee, ik herken wel wat de heer Van der Meer zegt en uiteindelijk is financieringsbehoud één ding, woonlasten aan de andere kant is een ander ding. Met de huidige lage rente is drieënhalve ton aan woonlasten wellicht een stuk lager dan je een tijd geleden voor een stuk goedkopere woning met een hogere rente weer had. Dus er zijn verschillende manieren om naar te kijken, dus duur of goedkoop is ofwel een mening of altijd wel relatief aan iets anders. Dus, maar uw opmerking over financiering is natuurlijk een terechte maar daar gaan we hier niet over. De heer Oostenrijk: Voorzitter, interruptie graag. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Ik snap helemaal dat woonlastenverhaal, in die zin dat dat niet het probleem is.
Nee, hoe kom je in aanmerking voor een hypotheek om tot dat gunstige plaatje van woonlasten terecht te komen? En nogmaals, daar gaan wij als gemeente niet over maar het is wel het probleem van velen die dus niet in staat worden gesteld om laten we zeggen op hun manier te kunnen wonen. De heer Noldus: Ja, nee, voorzitter, ik herken die zorg en want ik zei natuurlijk, daar gaan we niet over. Tegelijkertijd spreek ik ook veel starters, jongeren die zich, die een beetje schrikken van het feit, het bedrag wat zij uiteindelijk aan hypotheek kunnen krijgen omdat het uiteindelijk ook afhankelijk is voor een deel van de rentestanden. Dus het staat er ook niet helemaal los van. Maar laten we daar vooral geen gesprekken over voeren hier, wat je eigenlijk met je hypotheekadviseur zou moeten voeren. De heer Oostenrijk: Maar voorzitter, ik snap het hele verhaal van de heer Noldus maar zolang we die woningen niet bouwen helpen we die mensen in ieder geval niet. Als we nou even kijken op, u had het straks over pagina 10, een keurig tabelletje. Op pagina 11 staat er ook een hele leuke, dat betekent dat dus van de koop onder de drie ton, daar is van de drieduizend beoogde woningen, is 86 procent niet in de harde planvoorraad. Van de koop tussen … De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk, dat hebben we wel allemaal kunnen lezen. De heer Oostenrijk: Ja, maar ik ...
50
De voorzitter: Dus wilt u concreet een vraag stellen alstublieft. Want … De heer Oostenrijk: Het betekent nogmaals … De voorzitter: … anders zitten we hier om één uur vannacht nog. De heer Oostenrijk: Ja, het betekent nogmaals, en dan kom ik even terug op de opmerking van de heer Noldus in zijn betoog, hij had het straks over: we zijn in staat om dat integrale beeld telkens per locatie vorm te geven. Nee, dat zijn we dus niet in staat want we zitten telkens ad hoc over één locatie te beslissen welke type of welke prijsklasse woningen daar komt. Terwijl we dus dat integrale beeld niet hebben oftewel we lopen in die zin achter de feiten aan met als gevolg dat dus over die hele goedkope, die hele brede goedkopere huur- en koopsector, dat we daar achter de feiten aanlopen. Dat integrale beeld hebben we niet omdat ze namelijk niet in de harde planvoorraad zitten, dat is het probleem. De voorzitter: En uw vraag is? De heer Oostenrijk: Nou, deelt de VVD dat beeld, dat we niet in staat zijn om al die woningen die niet in de harde planvoorraad zitten, om die dan ook voor doelgroepen te bestemmen? De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Ja, die laatste vraag is wel denk ik een andere dan de opmerking die u maakt. Want ik ben mijn betoog begonnen met één, we moeten … De voorzitter: Graag antwoord op de vraag.
De heer Noldus: … inlopen … De voorzitter: En niet op alle andere dingen. De heer Noldus: Oké. Nou, iets wat niet op de harde planvoorraad is opgenomen om dat op doelgroepen te bestemmen, dat lijkt me denk ik dat je een stap overslaat. Wat ik heb gezegd: je kan niet op iedere ontwikkeling 100 procent de verdeling van de Woonvisie plakken, en op de aspecten waar we achterlopen in de harde planvoorraad is het zaak om een beentje bij te trekken. Volgens mij, zo interpreteer ik uw opmerking van zojuist ook, dat heb ik in het begin gezegd, dat herhaal ik nu hier. En ik weet daar niet hoe ik anders dan uw vraag kan beantwoorden daarin. De heer Oostenrijk: Nou ja, in die zin, ik deel het woord, een beentje bijtrekken. Nee, twintig benen bijtrekken. De voorzitter: Dat is een opmerking. Mijnheer Noldus, gaat u verder. De heer Noldus: Dank u wel, voorzitter. Even denken, ik had een opmerking gemaakt, vragen gesteld over de omvang van de woningen, ik heb een opmerking gemaakt over
51
de Spoorzone. Ja, dan maak ik een sprongetje, voorzitter, over de woonvormen voor senioren. Want in onze stad is net als in heel veel andere steden behoefte aan dergelijke woonvormen. We hoorden natuurlijk als we de deuren langsgaan in Dubbeldam, senioren willen graag kleiner wonen, de heer Tabak had het er net ook over, maar wel dichtbij bekende voorzieningen in de door hen zo geliefde wijken. En we spreken zelf, en daar spreekt de brief overigens ook over, senioren die zich schuldig voelen om een eengezinswoning voor een jong gezin bezet te houden. En wat ons betreft ook een duidelijk signaal. Tegelijkertijd, en daar komt ook de discussienota eigenlijk wel op, een oplossing is niet eenvoudig en ook niet eenduidig maar we zullen wel met meerdere concepten deze groep senioren moeten gaan bedienen. De term knarrehofjes is genoemd, die lezen we ook terug in de discussienota. Dus we zien daar graag een verdere uitwerking voor. En … De voorzitter: Mijnheer Struijk. De heer Struijk: Een korte vraag. Klopt het, mijnheer Noldus, dat de VVD dus een kleine verandering van beleid zou willen voorstellen van in plaats van dure huizen bouwen om doorstroming te bevorderen, nu vooral aantrekkelijke seniorenwoningen te bouwen om doorstroming te bevorderen? De heer Noldus: Nee, voorzitter, niet.
We hebben ook nooit gezegd dat we alleen maar dure huizen moeten bouwen of dat de enige oplossing is, doorstroming. Nogmaals, we zijn vanuit die Woonvisie met die hele verdeling, in de discussie en in debatten hebben we het vaak over die dure woningen gehad omdat daar, laten we heel eerlijk zijn, de grootste politieke verschillen dan over ontstaan in het debat. Het kan zijn dat in het debat daar het accent dan op ligt maar wij onderschrijven die hele Woonvisie. En voor doorstroming zit er zeker in de hogere prijssegmenten ook een bewezen praktijkeffect daarin, en het zit er ook in bij de woonvormen van senioren, lezen we terug, zien we terug, horen we ook. Dus voor ons betreft beide en er zijn meerdere stappen die daar nodig zijn. Als we naar die discussienota kijken zien we nog wel algemeen en zoekend. Als we verschillende artikelen lezen ook vanuit de andere publicaties landelijk en initiatieven die geland zijn, zien we veel leuke, mooie initiatieven waar we ook in Dordrecht ons voordeel mee kunnen doen. Dus ook daarvoor verdere planvorming hand aan de ploeg om daarmee aan de slag te gaan. Tot zover, voorzitter, een korte bijdrage. De heer Stolk: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Stolk. De heer Stolk: Ik had toch nog een vraag aan de heer Noldus en we hebben het steeds over huizen, dure huizen, goedkope huizen.
Ik wilde eigenlijk aan Noldus vragen: de harde planvoorraad, als ik dus kijk dan zit daar heel veel dure woningen in, is de VVD bereid om daarnaar te kijken en om daar een switching in te brengen? Want als ik hier op de lijst kijk, ook bij tabel 4.1, dan is de koopwoningen boven de vier ton, hebben we nog maar 2 procent openstaande opgaven. Dus ik denk dat de opgaven tot 2030 tot woningen van een half miljoen tot een miljoen, dat we die wel gehad hebben en dat we dus nu moeten gaan kijken naar de goedkopere en …
52
De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Ja, dank, voorzitter. Nou, of in die harde planvoorraad dan nog echt die wijzigingen zitten en of je die moet maken, weet ik niet. Ik heb al uitgesproken in het, hoe heet het, bij de Spoorzone komen honderden woningen die in het goedkopere prijssegment vallen onder andere door subsidie die we vanuit het land, vanuit het Rijk hebben kunnen krijgen. Wat ons betreft zetten we daar ook heel erg op in, beentje bijtrekken en per plan moeten we kijken wat de beste invulling is. Maar om nu in de harde planvoorraad te gaan schrappen in het hoge segment, lijkt me niet per definitie aan de orde. Tegelijkertijd zijn we heel blij, nog even als opmerking daarop afsluitende, dat we in deze periode de harde planvoorraad zo erg hebben laten doen stijgen dat in een aantal van die categorieën sprake is van voldoende planvoorraad om in ieder geval invulling te geven aan die ambitie. Want daar was aan het begin van deze periode bij verre geen sprake van. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Gündogdu. De heer Gündogdu: Voorzitter, dank u wel. Ik probeer het echt heel kort te houden. Mijn dank uiteraard voor de rekenkamercommissie en ik heb dan direct ook een vraag aan hen. U heeft aanbevelingen gedaan, althans, conclusies. En één belangrijke conclusie mis ik en ik wil weten of u dat mij daarin kunt bevestigen.
Eigenlijk geeft u aan: het college herziet dit beleid want dit werkt niet. Ik ben benieuwd naar uw reactie. Daarnaast, voorzitter, het fundament van onze Woonvisie dat dateert uit 2016. December 2016, kan ik me nog heel goed herinneren, hebben we een eerste discussie gehad in de gemeenteraad over de verdeling naar prijssegmenten. De basis van de Woonvisie was: we gaan bouwen naar de behoeften van onze inwoners en toekomstige inwoners vanuit het besef dat we die voorzieningen op niveau moeten houden, en dat zeggen wij nog steeds. Echter, voorzitter, realiteit is ook dat de wereld in een enorm rap tempo is veranderd. Eigenlijk datgene wat we altijd hebben geuit, dat we bouwen voor onze huidige inwoners, gezien de huidige cijfers, redelijk hebben losgelaten. Dat heeft een feitelijk gegeven, nog vrij recent, ik meen halverwege vorig jaar hebben wij de prijssegmenten zoals we die ooit eens hebben vastgesteld, tot drie ton verhoogd naar 325 omdat we de prijzen hebben geïndexeerd. Dit jaar zal er wederom een indexatie plaatsvinden, dus de prijs gaat minimaal naar drieënhalve ton. De heer Noldus: Voorzitter? Vraag aan mijnheer Gündogdu. De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Ja, u zegt: we hebben het principe dat we bouwen voor onze eigen inwoners losgelaten.
Hoe rijmt u dat met het uitgangspunt dat 75 tot 80 procent van de nieuwbouw in onze stad bewoond wordt door mensen die vanuit Dordrecht komen. En je ook terugleest dat een deel van de mensen die niet uit Dordrecht direct komen, terugkeerders zijn na bijvoorbeeld een studieverblijf of iets dergelijks. Hoe rijmt u dat dan met elkaar?
53
De heer Gündogdu: Ja. Nou, dat is heel eenvoudig uit te leggen. Ik heb met een aantal makelaars gesproken, ook met NVM zelfs contact opgenomen. Gegeven is, heel eenvoudig, modaal inkomen in Nederland is om en nabij 38.000 euro en in Dordrecht verdient een werkend gezin, één persoon is 34.000 euro. Zelfs twee keer model slaagt er niet in om een fatsoenlijke woning te kopen want immers, wij hebben in ons beleid al vastgesteld dat ons minimum ondergrens van de middeldure koopwoningen begint bij 325.000 euro en dat kan je bemachtigen mits je dus twee keer modaal verdient. Hoeveel Dordtenaren verdienen twee keer modaal? Waarom hebben wij altijd gezegd: wij gaan bouwen in beginsel voor onze eigen inwoners. Wat we nu feitelijk zien, de grote doelgroepen die eigenlijk langs de lijn blijven kijken, dat zijn de jongeren, starters en senioren. Die groepen, daarvan hebben wij altijd gezegd, die gaan we als eerste bedienen maar dat is dus feitelijk niet gebeurd, daar slagen wij momenteel niet in. Wat heeft het dan voor zin om met deze constatering vast te houden aan een visie die zijn oorsprong vindt in 2016, tot de horizon reikt naar 2030, waarvan we nu al weten dat er netto de afgelopen vier jaar 958 woningen zijn toegevoegd aan het bestand. Wij laten eigenlijk zien dat we een enorme tekortkoming hebben richting al die bewoners die een huis nodig hebben in deze stad.
Dus voorzitter, concluderend, het is een opgave voor het volgende college maar dit beleid is vanuit onze optiek eigenlijk niet meer staande te houden. Eenvoudigweg, wij zijn er voor doorstroming en doorstroming kan je voor elkaar krijgen door doelgroepen te selecteren die nu het hardst zijn getroffen en op zoek zijn naar een woning, en dat zijn senioren en starters, laten we daarmee beginnen. Vervolgens, voorzitter, over senioren gesproken, nog een belangrijke uitdaging is: heel veel senioren die wij spreken die willen graag in hun eigen wijk wonen. Maar wij hebben natuurlijk in de Structuurvisie voor de hele stad bepaald dat als we het hebben over hoogbouw, wat relatief goedkoper is dan laagbouw, dat hoogbouw in veel wijken niet meer mogelijk is. Dus ik ben benieuwd hoe wij de vraag van al die senioren, althans, diegene die in een flat willen wonen en gelijkvloers willen wonen, dat gestalte willen gaan krijgen met de huidige Structuurvisie? Nou, dat wilde ik even meegeven, voorzitter. De heer Oostenrijk: Voorzitter, een vraag aan de heer Gündogdu. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: De heer Gündogdu weet even goed als anderen hier dat niet alle wijken dezelfde mogelijkheid hebben, territoriaal grond laten we zeggen, grondplekken om iets te bouwen, om laten we zeggen utopie neer te zetten dat in iedere wijk alle mensen in hun eigen wijk kunnen wonen.
Dus we moeten wel even realistisch zijn dat we goed in beeld moeten krijgen waar de opties zijn en daar heel scherp op in te zoomen. Maar dat is iets anders als dat je dus veronderstelt dat dat automatisch in elke wijk kan. Is dat de heer Gündogdu met mij eens? De heer Gündogdu: Voorzitter, wat dat betreft helemaal eens met mijnheer Oostenrijk. Ik probeer alleen maar aan te geven dat dit gewoon een gegeven is. Degenen die wij spreken, en misschien hoort u dat ook, die willen bij voorkeur in hu eigen wijk wonen. Maar ja, daartegenover staat, de realiteit is, in heel veel van die wijken is hoogbouw hoger dan een X aantal meters niet mogelijk. En hoe rijmt dat met de wens van de
54
bewoners en de feitelijke situatie dat wij in de Structuurvisie hebben vastgesteld. Dus het is wel zo dat we met die behoefte van die bewoners wel ergens naartoe moeten om daar hen wel een bepaalde invulling aan te geven. De voorzitter: Oké. De heer Oostenrijk: Voorzitter, nog één keer, een Structuurvisie is niet in die zin allesbepalend over de vraag in welke wijk hoeveel verdiepingen, als het gaat over hoogbouw, kunnen worden gebouwd. Dat vraagt precisiewerk, dat vraagt maatwerk. Want we zien in allerlei soorten wijken dat ook elke waar een plekje grond is, dat daar toch de mogelijkheid bestaat om daar zo optimaal mogelijk een aantal woningen neer te zetten. Dus we moeten niet die Structuurvisie zien als een ijzeren wet, nee, we moeten kijken naar mogelijkheden. En daar gaat het om. De voorzitter: En uw vraag is? De heer Gündogdu: Ja. De voorzitter: U had geen vraag, prima. Mijnheer Gündogdu, u was klaar. De heer Gündogdu: Ik was klaar. De voorzitter: Oké. Iemand anders nog? Nee. Dat komt mooi uit want ik ga niet na elf uur door dus de wethouder. Volgens mij zijn er niet veel vragen richting het college gesteld, meer richting een volgend college heb ik het idee. Er zijn in ieder geval wel twee vragen meen ik aan de rekenkamercommissie maar eerst de wethouder. De heer Stam: Ja, er zijn inderdaad vrij weinig vragen gesteld dus ik zou nu kunnen zeggen van, bedankt.
Maar ook, ik wil graag de rekenkamercommissie bedanken voor het rapport. De aanbevelingen hebben we aangegeven als college dat we die gaan overnemen. Er zijn wel wat politieke vragen gesteld, daar wil ik toch nog wel even kort op ingaan, met name over die sociale markt omdat dat ook met de woningbouwcorporaties in mijn portefeuille zit. De vraag was: heeft het college zich gerealiseerd dat er achterstand was en is op de sociale woningbouw bij hun aantreden? Ja, ik denk dat ik daar volmondig ja op kan zeggen want dat heeft u ook geweten. In de periode voorafgaande aan deze collegeperiode is er natuurlijk fors gesloopt op sociale woningbouw. En een van de problemen die daar is ontstaan is dat er eigenlijk geen nieuwe planvorming is gemaakt maar die sloop, dat is allemaal vooruitgeschoven. Ik heb al herhaaldelijk aangegeven, op het moment dat je nu die planvorming gaat doen vanuit een stand still, dan heb je een traject met elkaar te doorlopen van ongeveer vier, vijf jaar voordat je die planvorming tot uitvoering kan brengen. Nou, dat hebben we nu ingekort tot drieënhalf jaar. Dus die plannen liggen nu klaar en ik heb ook al herhaaldelijk aangegeven op plots waar die sociale woningbouw plaats gaat vinden. Nou ja, dat is dan een uitvoering die een volgend college ter hand kan gaan nemen dus die kunnen daar mooi met die resultaten gaan pronken.
We hebben daar nu wel de weg voor opengezet. Daarnaast zie je natuurlijk ook in de differentiatie in de wijken die we willen, dat we de percentage sociaal die je zou moeten toevoegen, nog niet 100 procent
55
juist is. En die zou je op andere plekken goed moeten toe kunnen voegen want we hebben namelijk te maken met twee woningbouwcorporaties, één mag op eigen grond bouwen, twee heeft geen eigen grond en is afhankelijk van de grond die beschikbaar komt vanuit de gemeente of projectontwikkelaars. Daar heeft u de afgelopen periode heel fors over gesproken, je hebt daar op bepaalde plots gezien dat daar vanuit ontwikkelaars sociale woningbouw wordt gebouwd waarbij onze woningbouwcorporatie in participeert. Dus in die zin denk ik dat we goed bezig zijn om die sociale woningbouwachterstanden weg te halen. Neemt niet weg, als je kijkt naar de aanbevelingen vanuit het rapport van de rekenkamer, dat het natuurlijk altijd goed is om het beleid goed te evalueren en in ogenschouw te nemen wat je hebt afgesproken en wat je in de toekomst wil af gaan spreken, of je dan nog de juiste koers voert. En ik denk dat een college en elke politieke partij die hier aan tafel zit die mening wel deelt, en die deelt ook het college. Wij staan nog wel achter de Woonvisie, want we zien nog steeds dat onze woningvoorraad ongeveer voor 75, voor 70 a 65 procent bestaat uit een goedkoop woonsegment. Alhoewel de vraag tegenwoordig wel gerechtvaardigd is: wat is nu tegenwoordig goedkoop omdat de prijzen gewoon helemaal de pan uit rijzen.
Maar ik denk dat het goed voor een volgend college is en een volgende gemeenteraad om eens goed met elkaar te kijken: wat is nu nog realistisch en wat moeten we doen? Maar ik sluit me wel aan bij de heer Noldus, de Woonvisie die we hebben neergelegd en waar u als gemeenteraad toch mee heeft ingestemd, brengen wij nog steeds tot uitvoering. En die duurdere woningen die worden inderdaad, zorgen voor verdunning in onze stad. En die sociale woningen die moeten nu goed toegevoegd worden om ook die mensen, onze eigen Dordtenaren een meer dan goeie plek te geven en daar zetten we nog steeds vol op in. De heer Portier: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Portier. De heer Portier: Ja, de heer Stam zegt: het is nog steeds goed, de Woonvisie. Ja, een van de allereerste uitgangspunten van de Woonvisie, en eigenlijk zei u het, herhaalde u het ook een beetje: we hebben veel te veel goedkope en sociale huurwoningen. Staat u daar nog steeds echt achter? De heer Stam: Ja, mijnheer Portier, voorzitter, volgens mij heeft u dan niet goed geluisterd naar mij. Ik ben mijn betoog, heb ik afgesloten met het feit: het is goed voor een college en voor een gemeenteraad of elke politieke partij om eens goed na te kijken of we de juiste koers nog varen. De Woonvisie die wij hebben vastgesteld en dit college ter hand heeft genomen, daar sta ik nog steeds achter.
Maar misschien moet je op basis van alle bewegingen die er nu in de wereld zichtbaar zijn en ook in ons land, want het is een landelijk probleem, moeten we goed gaan kijken of die koers nog wel de terechte koers is? De heer Portier: Ja, voorzitter, ik constateer dat de wethouder, ik zeg maar hij wil de kool en de geit sparen, de visie was goed maar we moeten hem toch aanpassen.
56
De heer Stam: Ja, voorzitter, ik voer niks anders als de door de gemeenteraad vastgestelde visie uit. De voorzitter: Ja, oké. Dat was het, mijnheer Stam? Yes, oké. De reken … De heer Tabak: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Tabak. De heer Tabak: Mag ik nog dan even, ik had ook nog iets gevraagd aan de wethouder, kort terugkomend misschien op dat het beleid is nog steeds van de gemeente om senioren zo lang mogelijk thuis te laten wonen met zorg, nu dat het is. Hoe zit de wethouder daarin? Wil die daarin het beleid een beetje gaan verschuiven zodat senioren die dat willen makkelijker kunnen doorstromen naar een eventuele seniorenwoning? En de andere vraag was: hoe trekt de gemeente op met andere gemeenten om zo snel mogelijk de woningproblemen op te lossen? De voorzitter: Mijnheer Stam. De heer Stam: Ja, voorzitter, ik denk, kijkende naar senioren, daar zijn de geluiden continu verschillend. De ene keer hoor je: senioren willen blijven wonen waar ze wonen. De volgende keer hoor je: senioren willen naar een levensbestendige woning. De andere keer hoor je: senioren willen niet weg want nieuwe woningen zijn niet meer betaalbaar. Dus ik denk dat het heel goed is dat we daar nog eens even specifiek naar kijken van wat nu eigenlijk de wens is van die senioren.
Als ik gewoon kijk vanuit mijn portefeuille wat we aan ontwikkeling doen ten opzichte van levensbestendige woningen, dan zijn we met Woonbron in het gebied in Dordrecht-West, zijn we daar goed mee bezig om levensbestendige woningen te maken. Dat heb ik ook al eerder aangegeven. Dus wat dat betreft zijn daar doorstroommogelijkheden voor ouderen. Uw tweede vraag, landelijk, de woningbouwproblematiek is landelijk dus wij kijken ook heus bij andere gemeentes, hoe lossen jullie dit probleem op? Alleen de benchmarking is daar wel vrij lastig in. En we hebben natuurlijk ook regionale afspraken gemaakt met onze buurtgemeenten en die zijn al moeilijk genoeg om daar tot goede sociale afspraken te komen omdat niet iedereen, ja, die afspraken die dat we daar gemaakt hebben, ook wil uitvoeren. Dus dat verdient nog wel extra aandacht in de toekomst om dat te doen. Daar lopen wel allerlei onderzoeken door maar dat heb ik ook regionaal al aangegeven, onderzoeken zijn mooi maar daar bouw je geen huizen mee. Dus wij hebben wel op ons genomen om wat extra sociaal toe te voegen omdat die regiogemeentes niet meebewegen. En landelijk kijken we gewoon welke tendensen zijn er, welke mogelijkheden zijn er, welke bouwmaterialen zijn geschikt, hoe kan je snel bouwen. Nou, daar zijn we wel continu mee bezig. De voorzitter: Oké, dank u wel. Mijnheer Oostlander denk ik of mevrouw Sijbrandi.
Mevrouw Sijbrandi: Ja, voorzitter, u had het over twee vragen, er is in ieder geval één bij ons blijven hangen dus de tweede kunt u ons misschien helpen. De vraag van de heer Gündogdu.
57
De voorzitter: Er gaat vanzelf iemand piepen dat die geen antwoord heeft gehad. Mevrouw Sijbrandi: Dat denk ik ook. Ja, helemaal goed. De vraag van de heer Gündogdu was eigenlijk kort gezegd, hadden wij nog een conclusie moeten toevoegen en die had zullen luiden: herzie dit beleid van het werk niet. Kort gezegd is het antwoord eigenlijk: als een conclusie had gemist hadden wij ons werk niet goed gedaan. Dus het korte antwoord is: nee, er mist niet een hele conclusie. Het iets langere antwoord is: wij hebben het ook toegelicht bij de presentatie van het onderzoek namelijk ons onderzoek gaat over beschikbaarheid en beschikbaarheid is de achterkant, is de outcome. Voor de outcome komt de output, daar kijken wij naar van, is de prestatie gehaald, zijn de plannen uitgevoerd conform planning? Nou, daar hebben wij gezien, deels is het achtergebleven. Maar wij moeten eerlijk zeggen, als we dat vergelijken landelijk dan doet Dordrecht het ten opzichte van landelijk niet heel erg slecht. Het klopt inderdaad dat het een landelijk vraagstuk is. Alleen wat we zien, we zien een aantal oorzaken waardoor toch de beschikbaarheid onder druk staat. Eén, en daar hebt u het in uw midden al een aantal keer over gehad: de planvorming is achtergebleven of de realisatie is achtergebleven bij de planvorming.
Twee: ja, Dordrecht is populair, of misschien zijn andere regio’s is het nog erger hier rondom heen, de behoefte is gegroeid. En drie: ja, prijsstijgingen, het werd al even genoemd, maar die hebben wel, die hebben niet alleen maar invloed op betaalbaarheid van woningen maar hebben natuurlijk ook invloed op beschikbaarheid. De heer Van der Meer gaf het ook al aan, het kan wel zo zijn dat prijzen stijgen en dat is ook gebeurd, maar om nou te zeggen dat inkomens gelijkelijk meestijgen. Nou goed, ik heb me daar verder niet in verdiept maar wanneer prijzen stijgen, wij komen daar nog op terug in deel drie van het onderzoek, betaalbaarheid van wonen, maar als prijzen van woningen stijgen komt de beschikbaarheid automatisch bijna ook onder druk te staan voor met name de lagere inkomensgroepen. Dus daarmee eigenlijk drie oorzaken waardoor beschikbaarheid aan de achterkant, hebben wij geconstateerd, toch onder druk staat, ondanks dat Dordrecht het ten opzichte van een aantal andere gemeenten goed doet. En tot slot, moet ik nog even toevoegen, er werd gerefereerd door u dat bepaalde groepen onder druk staan, dat het zou kunnen helpen een doelgroepenbeleid te voeren. Het is niet aan ons om daar een uitspraak over te doen, maar het is dan altijd wel goed om te kijken naar de verhuisketen.
Als je aan de voorkant iets gaat toevoegen voor starters moet je aan de achterkant ook iets toevoegen aan het einde van de levensloop van de mens zeg maar in de ouderenwoningen. Dus volgens mij is dat mooi dat het vanavond ook werd geagendeerd gelijkelijk met dit onderzoek. En de tweede vraag hoop ik dat iemand mij nog in herinnering kan brengen. De voorzitter: Dank u wel. De heer Noldus: Voorzitter? De voorzitter: Is er iemand die een antwoord mist op een vraag? Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Jazeker. Dat ging over de categorisering van de prijzen waarbij ergens de beschikbare woningen tot twee ton wordt benoemd, elders 300.000+ woningen als
58
dure woningen worden bestempeld, of daar die categorisering die gebruikt wordt op enigerlei wijze gestandaardiseerd is of kan worden? Mevrouw Sijbrandi: Ja, ik zeg het uit mijn hoofd maar ik denk dat dat te maken heeft met een aantal standaardindelingen die inderdaad door RIGO en andere onderzoeksbureaus wordt benut. Ik zal dat nog nakijken. En twee is de link met de betaalbaarheid, wanneer de NHG stijgt wil dat niet automatisch zeggen dat mensen ook zoveel meer zijn gaan verdienen, dus daar zit druk. De voorzitter: Oké, dank u wel. Op het moment dat ik in mijn boekje keek zag ik inderdaad, vraag aan rekenkamer NHG. Ja, dus ik had hem wel, ik was hem alleen even kwijt. Ik ben net een dokter. Even kijken want we hebben nog één minuut. Ja, nou ja, goed, we moeten … Dan doen we de volgende keer de vraag aan het college. Even kijken, kan het raadsvoorstel, want het zijn verschillende stukken, de vraag is even of 36 en 37 ter kennisname kunnen? Daar ga ik vanuit van wel. En 35, het woononderzoek op zich, de heer Van der Meer heeft een amendement aangekondigd, dat betekent dat het automatisch een bespreekstuk wordt. Vraag is wel of u er behoefte aan heeft om het te bespreken of dat u alleen, dat lijkt me wenselijker eigenlijk, dat er alleen over wordt gestemd. De heer Oostenrijk: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk.
De heer Oostenrijk: Ja, ik zou in dit geval toch de heer Van der Meer dringend willen verzoeken om daarvan af te zien. Want op het moment dat je, want het gaat alleen maar over een paar algemene besluiten die in dat voorstel verpakt zitten. Op het moment dat we, ja, ik zou zeggen, in de verleiding komen om nu allerlei subelementen eraan toe te voegen, dan doen we geen recht aan het moment waarin we dit nu bespreken omdat we één ding zeker weten, dit wordt het kernpunt in een volgend college. De voorzitter: U zegt dus hameren. Prima. Twee voorstellen weer. De heer Van der Meer: Mag ik daarop reageren, voorzitter? De voorzitter: Natuurlijk mag dat, mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, ik begrijp dat op zich procedureel wel van de heer Oostenrijk maar inhoudelijk niet. Er ligt een voorstel om het college een opdracht te geven om de aanbevelingen van het rekenkamerrapport, zeg datgene wat uit het rekenkamerrapport naar voren komt en tot wijziging of aanpassing of aanscherping van beleid zou kunnen leiden, om daar een plan van aanpak voor te maken. Het amendement wat ik suggereer gebruikt een element uit het rekenkamerrapport waarin met name genoemde categorieën van woningen waar er te weinig voor zijn, waar die harde planvoorraad is achtergebleven, worden genoemd.
En het amendement houdt in om het college in die opdracht om een plan van aanpak te maken, ook expliciet te laten kijken naar hoe de
59
achterstanden in die categorieën kunnen worden weggewerkt. Dat lijkt mij een directe gevolgtrekking uit het RKC-rapport en waarom zouden we die niet dan meteen ook meegeven. De voorzitter: Mijnheer Portier. De heer Portier: Ja, ik weet even niet of het mogelijk is maar kijk na de verkiezingen krijgen we toch deze hele discussie weer opnieuw, kan dit voorstel dan ook niet aangehouden worden tot na de verkiezingen? De voorzitter: Ik zie ineens allemaal blije gezichten. Dus dat kunnen we zo doen. Dan houden we dat aan en dan kan de nieuwe raad daar … Ja, die kan het over doen, ja. Nou ja, goed maar … De heer Oostenrijk: Maar voorzitter? De heer Van der Meer: Maar dat betekent dus, betekent dat dan dus dat het raadsvoorstel wat nu voorligt naar aanleiding van het rekenkamerrapport niet geagendeerd wordt. Oké. De heer Portier: Maar voorzitter, ja, daar heb ik toch moeite mee. Ook al is het uit respect van dat rapport wat de rekenkamer heeft geproduceerd, heb ik er toch moeite mee. Dat gaat ook richting de heer Van der Meer, als ik even kijk naar aanbeveling drie, daar zit in feite impliciet zit daar hetgeen in wat de heer Van der Meer bewerkstelligt. Dus ik vind het in dit geval, zeker als het college heeft aangegeven dat ze alle aanbevelingen voluit onderschrijft, daar zit impliciet ook de aandacht in voor de heer Van der Meer.
Dus ik vind het een beetje flauw om dit nu te verhuizen naar het nieuwe college als we eigenlijk allemaal vinden dat die aanbevelingen het waard zijn om uitgevoerd te krijgen. De heer Tabak: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Tabak. De heer Tabak: Zouden we misschien heel kort de wethouder kunnen vragen of die, wat mijnheer Van der Meer nu vindt, of die dat ook onderschrijft? Want dan hoeven we volgens mij het amendement helemaal niet in te dienen. De voorzitter: We kunnen een poging doen. Mijnheer Stam. De heer Stam: Jeetje, ik had net ingepakt. Ja, ik denk, ik sluit me wel aan bij de woorden van mijnheer Oostenrijk. Zo’n amendement, ik denk dat je dit kan vaststellen want de discussie over hoe je je plannen gaat vormgeven in een volgend college en de gemeenteraad, ja, die gaan toch gebeuren. En dan kan je dit wel aanhouden maar inderdaad, ik vind het wel een, hard gezegd, een soort minachting naar de rekenkamer, die hebben hier keihard aan gewerkt. Dus ik vind het vaststellen prima en in de volgende collegeonderhandeling en de gemeenteraad zal dit ongetwijfeld weer vier jaar
60
een issue gaan worden. Dus ja, ik denk dat het wel verstandig is om het rapport nu vast te stellen. De heer Oostenrijk: Voorzitter? De heer Van der Meer: Voorzitter? De voorzitter: Oké, niet allemaal tegelijk. Mijnheer Van der Meer eerst want dat is de aanstichter. De heer Van der Meer: Nou ja, ik heb geen enkel probleem mee om dat rapport vast te stellen. In het raadsvoorstel wat voorligt wordt een opdracht aan het college gegeven. En nou kan de heer Oostenrijk het flauw vinden om dat door te schuiven naar na de verkiezingen, daar kan ik me iets bij voorstellen. Maar als we het niet doorschuiven naar na de verkiezingen, dan vind ik het flauw als de raad niet iets mag vinden van de inhoud van de opdracht aan het college. Dus het een of het ander, of we moeten kunnen praten over wat die opdracht aan het college is, of we moeten hem doorschuiven en dan zou je ook nog kunnen denken aan een amendement om de opdracht aan het college eruit te halen en dat inderdaad na de verkiezingen te doen. Maar ik vind het niet van een open discussie getuigen als je wel een opdracht aan het college wil geven en het flauw vindt als iemand daar een iets, een aanscherping van wil maken want dat is wat ik voorstel. De voorzitter: Mijnheer Kleinpaste.
De heer Kleinpaste: Ja, voorzitter, ik hou dan toch nog even een heel kort pleidooi dat ik wil me aansluiten bij wat de heer Portier erover zei, dat lijkt mij het meest sjieke. Ik bedoel, het alternatief is dat je het huidige college die opdracht geeft, die doen er een strikje om en geven het aan het volgende college. Dus per saldo komt dat op hetzelfde neer als wat de heer Portier al voorstelde. De heer Oostenrijk: Maar toch, voorzitter, ik vind het raar dat als wij als commissie eigenlijk, want ik heb nog niemand iets anders horen zeggen, wij omarmen de door het college omarmde aanbevelingen, dat wij niet het nu aandurven om diezelfde aanbevelingen ook laten we zeggen te omarmen, om het woord omarmen dan maar drie keer te gebruiken. Ik vind dat nogmaals van weinig respect tonen, zeker omdat we het met die aanbevelingen eens zijn. Wat is nu de reden om het niet aan te durven, jongens, het nieuwe college mag aan de slag met deze aanbeveling. Want anders dan zitten we in een niemandsland en niemand weet strikt genomen, formeel genomen dat we dus, of de raad het met deze aanbevelingen wel eens is. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk, mijnheer Van der Meer wil gewoon iets aanscherpen in het voorstel wat er ligt. En dat is zijn goed recht om daar een amendement voor in te dienen. De heer Oostenrijk: Ja, dat klopt, dat mag.
Ik heb alleen maar verzocht om het niet te doen maar hij mag het.
61
De voorzitter: Ja. Dus. De heer Van der Meer: Mag ik er nog één zin over zeggen, er is geen enkele reden om afstand te nemen voor ons van de aanbevelingen van de rekenkamer, die omarmen wij ook, ik bepleit alleen een toevoeging daaraan. Daar is toch niks raars mee. De heer Oostenrijk: Nee, ik heb in die zin liever een toevoeging dan er niets over vinden. De heer Van der Meer: Prima. De voorzitter: Heeft er iemand een dobbelsteen? De heer Noldus: Ja, voorzitter, ik sluit me wel graag aan … De heer Portier: Voorzitter? De heer Noldus: … bij het voorstel en de inbreng van de heer Oostenrijk. En als de heer Van der Meer daar een toevoeging op wil doen. Ja, de heer Tabak had net een goed voorstel, of het college daar een toezegging op deed. Of die voldoende is gedaan, dat laat ik even aan de heer Van der Meer. Als we gaan richting een amendement, de vorige raadsvergadering ben ik goed bevallen. Ik verwacht niet een heel groot amendement, ik zou eerst een reactie van het college willen vragen en dan wellicht stemmen of mensen hier nog vragen hebben. Dan kunnen we hem denk ik kort en klein houden, is denk ik wat mij betreft een passende invulling. De heer Portier: Ja, voorzitter? De heer Van der Meer: Ik denk dat de discussie hier genoeg gevoerd is dus dat kan. De voorzitter: Mijnheer Portier nog. De heer Portier: Ik kan mij hier helemaal in vinden, dat wou ik zeggen.
De voorzitter: Oké. Is het voor de griffier nu duidelijk wat precies de bedoeling is? Dus hij gaat naar de raad van de 22e, het voorstel en mijnheer Van der Meer gaat een amendement indienen. Mijnheer Van der Meer geeft aan dat die een amendement in gaat dienen, mijnheer Oostenrijk, en dat is zijn goed recht. En mocht dat niet zo zijn, dan zijn we heel snel klaar met dit onderwerp dus dat is mooi. Goed, hij gaat er natuurlijk dan wel voor zorgen dat dat op tijd iedereen bereikt zodat iedereen zich daarop kan voorbereiden en dat we er in principe de wethouder over aan het woord laten en daarna gaan we stemmen. Laten we dat dan met elkaar afspreken. Goed. We zijn over tijd. Nou zijn er fasen in iedereens leven dat dat erger is dan nu, hoewel ik had gedreigd dat we om elf uur zouden stoppen. Ja, nou ja, die zijn allemaal wat dat betreft over die tijd zeg maar in ieder geval. Even kijken, we hebben nog vragen aan het college. Dank aan de leden van de rekenkamercommissie, wel thuis. 3. Vragen aan het College
62
De voorzitter: We hebben nog vragen aan het college en laten we die maar doen en niet volgende week maar we doen dat wel even snel. Dus daar moeten compacte antwoorden op komen. Er is nog een wethouder dus ja, ondanks dat die alles ingepakt had moet die het misschien dan toch uitpakken want ik denk dat de commissieleden wel antwoorden willen hebben. Mijnheer Kleinpaste als eerste. De heer Kleinpaste: Dank u wel, voorzitter. Ik zal het proberen zo kort mogelijk te stellen de vragen ook. De nieuwe brug naar landgoed Klein Amstelwijck in Dordrecht die eind vorig jaar klaar zou zijn, ligt er nog steeds niet. Ik ga niet met het vingertje wijzen maar zou wel van het college willen weten: wat is er te doen om te bespoedigen dat die brug die nodig is, er ligt nu een glibberige noodbrug, toch zo snel mogelijk komt en wat is er communicatief nog mogelijk om belanghebbenden helder te maken waarom die vertraging erin zit zodat ze dat een beetje begrijpen? Dan is een rechtszaak misschien overbodig. De voorzitter: Mijnheer Stam. De heer Stam: Ja, voorzitter, ik kan er kort en bondig over zijn. Er ligt nu een aanvraag voor de vergunning bij de OZHZ. Er wordt nog een derde toets gedaan door een bedrijf over het materiaal wat gebruikt moet worden voor de brug.
Als daar een akkoord over is, en die verwachten we binnen nu, één a twee weken, dan zal de vergunning worden afgegeven en kan de brug worden vervangen. De voorzitter: Oké. Kijk, zo snel kan het gaan. Mijnheer Oostenrijk, u heeft ook een vraag. De heer Oostenrijk: Zelfs twee had ik er ingediend, voorzitter. De voorzitter: Ja, maar eentje aan de heer Stam. De heer Oostenrijk: Ja, goed, maar misschien heeft de heer Stam zoveel informatie dat die ze allebei kan beantwoorden. Dus we gaan weer even, we merken het wel. De eerste was, situatie aanleg waterbus Hooikade. Wat kan het college ons melden over de stand van zaken over het wegvallen van de Hooikade als halteplaats van de waterbus? In hoeverre is zij bereid gehoor te geven aan de vele duizenden ondertekenende petitie om dit alsnog te herstellen? En zo ja, wat betekent dat in tijd en financiën? Dat is de vraag … De voorzitter: Die vraag die gaat beantwoord worden door de heer Van der Linden. Stelt u uw vraag aan de heer Stam. De heer Oostenrijk: O, die komt eraan. Oké. Ja, dat wist ik dus niet dus. De tweede is, bestrating aan de aanlanding aan de westzijde van de Prins Clausbrug. Op dit moment wordt een groot deel van de bestrating en andere zaken zoals het aangelegde grasveld aan de stadskant van de Prins Clausbrug te weten aan het einde van de Schuttevaerkade verwijderd.
Kan het college toelichten wat de bedoeling is van deze werkzaamheden? Hebben deze werkzaamheden iets van doen met de afronding van het
63
project Prins Clausbrug? En zo ja, zijn de kosten hierin verdisconteerd zijnde begroot in het project? Zo nee, op welk besluit van de raad zijn de kosten van deze werkzaamheden gebaseerd? De voorzitter: En u zei, daarstraks hoorde ik u fluisteren over iemand die ergens dichtbij woonde waar die een vraag over stelde. Mijnheer Stam. De heer Stam: Ja, dank u wel, voorzitter. Hier kan ik wel antwoord op geven. De kade die onder de bestrating en het grasveld is versleten en is in hele slechte staat. Het kadeproject Noorderhoofd maakt onderdeel uit van de geprogrammeerde projecten vanuit ruimtelijke kwaliteit en wordt vanaf nu tot en met eind juni opgeknapt. De kadewerkzaamheden worden opgevolgd door de herinrichting van de buitenruimte. Hebben die dan iets te maken met de Prins Clausbrug? Nee, deze staan daar los van. De brug staat zelfstandig op eigen benen en het bleek niet mogelijk deze werkzaamheden onder te brengen bij de aannemer van de brug. Even kijken, zijn de kosten verdisconteerd in het project? Dat is dus ook nee. De kosten komen ten laste van de begroting van de kadeprojecten van de cluster ruimtelijke kwaliteit, dus die vervallen binnen de begroting zoals we die hebben opgesteld, ter vervanging en verbetering van de kades. De heer Oostenrijk: Dus met zoveel woorden, het betreft een kadevernieuwing want dat kan je als leek nu niet constateren.
De heer Stam: Dat ligt wel ten grondslag en dat zult u de komende dagen gaan zien dat het wel te maken heeft met die kademuren. De heer Oostenrijk: Oké. De voorzitter: Mijnheer Van der Linde, goedenavond. Er is door de heer Oostenrijk inmiddels al een vraag gesteld die u waarschijnlijk al van tevoren heeft gezien met betrekking tot de Hooikade als halteplaats van de waterbus. Dus daar willen we graag een antwoord op. De heer Van der Linden: Ja, dan hangt het er even van af hoe de vraag exact gesteld is. De voorzitter: Nou, dan gaat mijnheer Oostenrijk hem herhalen, let op. De heer Van der Linden: Kijk, dat dacht ik al. De heer Oostenrijk: Dat doen we dan vrolijk nog een keer, voorzitter. Wat kan het college ons melden over de stand van zaken over het wegvallen van de Hooikade als halteplaats van de waterbus? En in hoeverre is zij bereid gehoor te geven aan de vele duizenden ondertekende petitie om dit alsnog te herstellen? En zo ja, wat betekent dat in tijd en financiën? De heer Van der Linden: Ja, dank, helder. Nou, we hebben inderdaad twee weken terug zesenhalfduizend handtekeningen in ontvangst genomen, wat ieder geval duidelijk maakt dat dit ontzettend leeft bij een deel van de bevolking. We hebben het gesprek,
64
voeren we nu over wat er mogelijk is. Ik heb ook aangegeven, en ook collega Huizinga van Zwijndrecht heeft aangegeven dat wij … Kijk, het doel is meer en beter gewaardeerd OV. En als dat op deze manier helpt, dan nemen we dat mee in de evaluatie. Dan heb je een ander verhaal dan wanneer blijkt, nou, het valt eigenlijk tegen. We hebben al afgesproken dat we in mei, wie we ook zijn, dat in mei de nieuwe raadsperiode een gesprek plaatsvindt met onder andere de exploitant aan tafel en daar kunnen we dan de ervaringen van de winterdienstregeling meenemen. Een ander punt is de zomerdienstregeling, daar zijn ook vragen over gesteld, daar verwacht ik zeer binnenkort met een reactie te kunnen komen. En zeer binnenkort is snel want vandaag zijn er een aantal artikel 40-vragen beantwoord en die komen eind van de week uw kant op. De heer Oostenrijk: Toch nog een vraag ter toelichting: wat is de reden dat de wethouder verwijst naar eigenlijk de nieuwe raadsperiode? Omdat we weten ook dat er maandenlang een demissionaire status is. En het is maar de vraag als eind mei dat college een beetje in de steigers komt, of we dan natuurlijk keurig achter de feiten aanlopen. Wat is de reden voor het uitstel? De heer Van der Linden: Nou, dit is geen uitstel. Kijk, Blue Amigo voert een dienstregeling uit, dat doen ze conform programma van eisen.
Dat programma van eisen is drie jaar geleden besproken ook in deze raad en daar zijn heel veel reacties op geweest, dat is vastgesteld, dat voeren ze uit. Mocht je als individuele gemeente zeggen: hé, we zien dat je het uitvoert maar we willen iets anders, dan kun je daar natuurlijk afspraken over maken. En dan kan de vraag komen: is een individuele gemeente, of zijn gemeenten of is een regio bereid daar financiële middelen over te stellen? Mocht je constateren in dit geval naar de winterdienstregeling, hé, we hadden een heel goed idee met zijn allen want we gingen het zo doen, dat levert een beter OV op, dachten we, maar het levert minder goed OV op, dan kun je het gesprek in een constructie voeren en hoef je geen lokaal voorstel te doen, dan wordt gewoon die dienstregeling aangepast. Dat gesprek, hebben we afgesproken, gaan we in mei voeren. Dus dat is geen uitstel, dat is zo vroegtijdig mogelijk, net zoals we bij de bussen op het land doen zeg maar, met de Qbuzz-bussen, dat voeren we ver voorafgaand aan de nieuwe dienstregeling zodat je ook desgewenst aanpassingen kan afspreken wellicht. De heer Stolk: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Stolk. De heer Stolk: Een kort vraagje. De voorzitter: Nou ja, u had geen vraag aan het college dus … De heer Stolk: Maar misschien mag ik toch een vraagje stellen? De voorzitter: Ja, een vraagje graag, en een korte.
65
De heer Stolk: Begrijp ik hieruit dat als wij in maart of in mei een gesprek gaan voeren, dat het in ieder geval pas uitgevoerd gaat worden eind van het jaar of begin 2023? De heer Van der Linden: Als het over de winterdienstregeling gaat wel. En dat is ook, kijk, dit heeft een positieve bedoeling, meer en beter gewaardeerd OV. En als het dat niet wordt moeten we het echt niet zo voortzetten wat mij betreft. Dan nog steeds kan het standpunt zijn, ja, maar we voeren de concessie uit zoals afgesproken maar dan heb je een ander gesprek. Maar ik denk dat dat een politiek gesprek waard is, ook in uw raad. Nou, net zoals we bij de Qbuzz dienstregeling hebben afgesproken, dan gaan we vroegtijdig, zo vroegtijdig mogelijk voordat de vervoerplannen worden afgestemd op ‘23 zeg maar, het gesprek over aan. Zo geldt het ook voor de waterbus. De voorzitter: Oké. Mijnheer Noldus, u heeft ook een vraag aan de heer Van der Linde. De heer Noldus: Ja, voorzitter, dank u wel. Want bij de start van deze coalitieperiode hebben we ook duidelijke afspraken gemaakt over de groene golf op de Recklinghausenweg, Provincialeweg en Laan der Verenigde Naties. En terwijl het einde van deze raadsperiode nadert lijkt van de groene golf in de uitvoering nog geen sprake. En we doen ons best om als stad maximaal bereikbaar te zijn, op te treden tegen hardrijders.
En op dit moment kregen we ook zelfs een reactie van een betrokken inwoner uit de Visserstuin die zelfs de tip deelde die daar rondgaat dat met 70 km/h op die weg over het algemeen de meeste stoplichten wel groen te halen zijn. En zijn dagelijkse irritatie over zijn route wordt gedeeld door duizenden andere gebruikers, ook op deze route in de stad. Dus de vraag is: wanneer maakt het college en de wethouder eindelijk waar de afspraken die in 2018 zijn verzegeld, en worden er goed werkende groene golven gerealiseerd op deze genoemde wegen? Want eerder, voorzitter, was daar het argument dat de werkzaamheden bij de N3 afgerond zouden moeten worden. Ondertussen hebben we de oprit bij Willemsdorp is feestelijk geopend dus daar kan het ook niet meer aan liggen. Dank u wel. De voorzitter: Zo. Mijnheer Van der Linde. De heer Van der Linde: Ja, heeft u wel opgemerkt dat de oprit bij Willemsdorp geopend is? Dat hoop ik toch wel. Nee, heldere vraag. Even om precies het coalitieakkoord te citeren, daarin is afgesproken niet zozeer dat we de groene golf terugleggen zoals die was of dat die beter wordt maar dat we onderzoek doen naar manieren om een vlotte verkeersdoorstroming te bevorderen. Het is toen zo opgenomen omdat de klassieke groene golf die je met zeg maar de ouderwetse VRI’s hebt, nou ja, gezien de drukte op de weg, die werkt eigenlijk niet meer.
Want je kan natuurlijk altijd zorgen dat een Provincialeweg of een Laan der VN, als je erop zit dat je dan door kan rijden, maar dat heeft meteen effecten op de haakse wegen die daarop uitkomen. Dus dan zet je eigenlijk toch een hele grote hoop van het verkeer vast. Wij zijn bezig om een programma op te starten, en daar hebben we ook al een aantal verkeersregelinstallaties op geïnvesteerd dus dat past bij de coalitieakkoordenafspraak, die noemen we iVRI’s. Die zijn gekoppeld, dat zijn netwerkkoppelingen, ingewikkeld technisch verhaal. Tot nu toe was de gedachte met die iVRI’s kun je veel beter sturen op een dynamische groene golf, afhankelijk van de capaciteitsvraag op de toeleverende wegen of juist op
66
bijvoorbeeld Laan der VN of Provincialeweg. Dat is nog heel erg ingewikkeld blijkt dus we zijn ermee bezig en die iVRI’s moeten uiteindelijk de oplossing gaan geven. Maar zo simpel als dat we dachten dat het was, is het gewoon niet op het Dordtse wegennet. Dit is een heel kort antwoord, er kan veel meer bij. En ik zou willen voorstellen dat in een raadsinformatie brief te stoppen die u natuurlijk niet meer gaat behandelen. Maar ik kan ieder geval desgewenst dit als mondeling antwoord op schrift stellen zodat u ieder geval iets meer informatie heeft. Er is overigens wel degelijk op een aantal VRI’s een zodanige aanpassing toegepast dat je een soort van groene golfeffect hebt. Maar het helemaal zo hebben zoals je het zou willen hebben, is met de huidige techniek niet mogelijk. Dank u. De voorzitter: Zo. De heer Noldus: Voorzitter, mag ik daar heel kort op reageren? De voorzitter: Echt? De heer Noldus: Nou ja, als het kan heel graag die toegezegde informatie daarin. De antwoorden leek te suggereren dat het is wat het is en niet beter wordt. En het laatste deel van het antwoord halen we hoop dat er toch nog verbetering te halen is. Dus daar houden we ons dan aan vast en zien de informatie graag tegemoet. De voorzitter: Die groene golf, mijnheer Van der Kruijff die heeft daar denk ik twaalf jaar geleden, tien, elf jaar geleden voor gepleit en die zou er toen zijn.
Volgens mij is er nog nooit een groene golf geweest dus het zou heel fijn zijn als, ja, nou ja, tussen twee stoplichten, maar het zou heel fijn zijn als daar ooit een keer wat van komt. Goed. 29. Termijnagenda commissie Fysiek De voorzitter: Dan gaan we naar de termijnagenda en daarvoor geef ik het woord aan de commissiegriffier. De heer Den Boer: Ja, dank. Na de vergadering van vanavond resteerde er eigenlijk maar drie onderwerpjes voor volgende week. Dat zijn de eerste wijziging van de havenverordening in combinatie met de rib over het steiger- en halteerplan, die komt als het goed is deze week heb ik begrepen, het bestemmingsplan locatie Oudland, vanavond over gesproken, en dan een klein stukje moerascipres bij Thureborgh. Dus de agenda is heel overzichtelijk dus mijn advies zou zijn, we starten gewoon om acht uur volgende week. De voorzitter: Oké, ik zie blije gezichten, enzovoort. Dat is mooi. Sluiting 38. Rondvraag De voorzitter: De rondvraag? Niemand durft meer. Oké. 39. Sluiting
67
De voorzitter: Dan gaan we gezellig naar huis. Dank u wel allen.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 24 maart 2022. De griffier,
De voorzitter,
A.E.T. Wepster