CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2 Concept notulen Gemeente Dordrecht Commissie Sociale Leefomgeving 24 november 2021.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 1 februari 2022, gemeente DordrechtBij agendapunt: 2: Vaststellen van de notulen van de Gemeenteraad 21 december 2021, de commissie Sociale Leefomgeving 24 november 2021, de commissies Bestuur & Middelen, - Fysieke Leefomgeving - Sociale Leefomgeving 30 november 2021, de commissie Grote Projecten 8 decembe24.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

20

eerste vraag, wat mag je verwachten van de gemeente, die heeft ook nog een vervolgvraag. Wil je dan juist streven naar een integrale aanpak of wil je juist per domein afbakenen? Dus dat is eigenlijk tweeërlei. Als het gaat om die integrale aanpak of die afbakening gaat onze voorkeur uit naar een meer integrale aanpak. Kijk wat jeugdigen en gezinnen nodig hebben en kijk dan niet wat ons betreft meteen uit welk potje of uit welk budget dat moet komen. En zeg maar inhoud zou het budget moeten volgend dus dan zou onze voorkeur eerder uitgaan naar een integrale aanpak en het liefst natuurlijk ook gewoon een integraal budget voor het sociaal domein in plaats van een strengere afbakening vanuit welke wet je dit allemaal precies moet betalen. Het volgende punt is ook: waar ga je, even kijken hoor, waar ga je op af bakenen? Nou, dat is eigenlijk al een paar keer gezegd, op inhoud kun je niet afbakenen de jeugdzorg, dat zegt de wet. Want jongeren die zorg nodig hebben moet je dat geven. Even vast een voorschotje op onze discussie straks over de verordening. Wat mij betreft betekent dat dus ook dat we in een verordening alleen het hoogstnoodzakelijke moeten zetten en daar dus ook niet te veel in af moeten bakenen. Voorzitter, er zat ook een heel mooi stuk bij over dat narratief evalueren.

Daar zijn we nu ook met elkaar over aan het nadenken, omdat ik denk dat dat ons ook wel verder kan helpen in de vraag: wat levert de jeugdzorg nou eigenlijk op? Zijn jeugdigen en gezinnen hier nou mee geholpen en hoe zien professionals dat? Op het moment dat je daar zicht op krijgt, dan krijg je misschien ook veel meer zicht op al die hulp en ondersteuning, of dat nou ook echt bijdraagt aan de opgave die we hebben voor het kind. En als je dat weet, dan geeft dat denk ik wel een mogelijkheid om jeugdhulp af te bakenen. En tenslotte een iets algemenere opmerking, we kijken natuurlijk nu heel erg naar de jeugdhulp maar laten we ook niet vergeten dat heel veel problemen met elkaar te maken hebben. Dus problemen van jeugdigen en gezinnen, daar kan ook armoede een rol spelen en stress van schulden, problemen op school gecombineerd met psychische problemen dus het is vaak een combinatie daarvan. Dus ik denk dat het ook heel goed is dat we zicht houden op de bredere aanpak en ons niet alleen altijd op één domein focussen. Vraag twee, ja, de professionele vrijheid voor de Dordtse toegang en de hulpverleners. Ja, toegang en hulpverleners, die moeten gewoon professionele vrijheid hebben om hun werk te doen. Daar zijn ze voor opgeleid, daar worden ze voor betaald en dat mogen we ook van ze verwachten.

Daarbij is het natuurlijk wel essentieel dat de kwaliteit van de toegang en de hulpverleners ook gewoon goed is, dat we dus ook investeren in die kwaliteit. En ik denk dat we … Ja, we moeten altijd uitkijken dat we als gemeenteraad niet op de stoel van de professionals gaan zitten, maar we moeten wel de expertise vanuit die professionals en adviezen die daar vandaan komen ook gebruiken bij de beleidskeuzes die wij maken als raad. Dus ja, ik denk professionele vrijheid is goed. En aan de andere kant vraagt die professionele vrijheid ook om voldoende kwaliteit en investeringen in kwaliteit. De keuzevrijheid, ja, de heer Van der Net noemde het zal, onze partij is altijd een groot voorstander van keuzevrijheid en keuzevrijheid geweest. Ik denk dat het ook moeten blijven. En ja, mocht dat niet lukken dan heb je natuurlijk ook altijd nog de mogelijkheid van zorg in natura, dat mensen via PGP ook zelf de zorg in kunnen kopen die ze willen. Kijk, je moet ook realistisch zijn, keuzevrijheid dat kan tweehonderd aanbieders zijn, dat kan driehonderd aanbieders zijn, dus ik denk dat je daar nog best wel eens kritisch naar kan kijken. Alleen ga wat ons betreft niet te snel naar een bundeling van zorgaanbieders en kijk ook niet te snel naar dat hele grote aanbieders per definitie beter zouden zijn dan kleinere aanbieders want dat blijkt in de praktijk niet altijd zo te zijn.

De vierde vraag, de bovengebruikelijke zorg en het persoonsgebonden budget. Ja, kijk, wij vinden eigenlijk dat je de eigen regie van

21

gezinnen en jeugdigen, die moet je zo lang mogelijk respecteren en ondersteunen. En als dat via PGP informeel kan, dan is dat wat ons betreft een hele goede keus en een goede mogelijkheid. En ja, laat ook ouders kiezen en geef ook de mogelijkheden en laten we dat dan ook niet ontmoedigen. Daar hebben we in het verleden ook wel eens een debat over gehad, het ontmoedigen van de PGB middels de inkomenstoets. Ja, en dan komt nu de discussie over de bovengebruikelijke zorg. We moeten ook uitkijken dat we niet via heel nauw definiëren van wat nou gebruikelijke zorg is uiteindelijk toch weer dat PGB gaan onderuithalen. Kijk, en wat dan de gebruikelijke of bovengebruikelijke zorg precies is, ik denk dat dat wel heel goed is om daar nog een keer naar te kijken want daar zou ik nu zo snel geen antwoord op hebben. Maar dat is wel een discussie die we nog eens heel goed moeten voeren en waar volgens mij het ook wel niet heel erg lang meer zal duren voordat er ook wel jurisprudentie vanuit de rechtbank op zal komen. Begeleiden van gescheiden ouders. Ja, is dat eigenlijk wel of geen jeugdhulp? Kijk, echtscheiding is natuurlijk altijd triest en je kan niet elke echtscheiding met elkaar vergelijken, daar zitten hele diverse problemen onder.

Kijk, het is wel een soort uitgangspunt, de kinderen moeten niet de dupe worden van een echtscheiding, of die uitloopt in een vechtscheiding of … Maar wat ons betreft is dat eigenlijk, het helpen daarvan en die problemen bespreken en ouders daarin helpen, is niet zozeer een jeugdhulp. Vorige week was ik dan bij een regiobijeenkomst scheiden, en daar was de presentatie van het Adviespunt Scheiden, Kind en Ouderschap. Nou ja, dat vind ik wel een heel mooi middel waarin je ziet dat vanuit dat Adviespunt ook heel erg geprobeerd wordt om al heel vroegtijdig die steun en hulp te geven om te voorkomen dat er problemen aan het eind ontstaan. Dus ik denk dat we vooral ook in moeten zetten op vroege hulp en ondersteuning door professionals. Ja. Kijk, we hebben het altijd wel hier over opvoedingsondersteuning, dat vinden we allemaal heel normaal. Maar goed, misschien zouden we ook eens moeten nadenken als gemeente van of we niet in sommige gevallen een relatietraining aan zouden moeten bieden? Want dus je begint aan een huwelijk of langdurig samenwonen, dat is toch best wel ingewikkeld af en toe en dat is misschien ook wel eens goed om daar tijdig over na te denken. Vraag zes, de meldcode. Ja, dat vind ik best wel een lastige vraag. Want kijk, die meldcode die moet natuurlijk gebruikt worden als er echt signalen zijn en zorgen over mogelijk huiselijk geweld en kindermishandeling.

Wij denken ook dat een professional die moet dat goed in kunnen schatten. Je mag van een professional ook verwachten dat die een meldcode dan ook goed gebruikt. Ik vind het dan ook wel buitengewoon triest als je vanuit het meldpunt in de rapportage maar ook vanuit het Ouderplatform dan ook wel hoort dat ouders het gevoel hebben dat het ook gebruikt wordt om druk uit te oefenen. Dan denk ik: dat is niet de bedoeling, dat is ook buitengewoon verkeerd. Dus ik denk dat het goed is … De voorzitter: Mijnheer Van der Net wil even reageren op wat u net heeft gezegd. Gaat uw gang, mijnheer Van der Net. De heer Van der Net: O, eerst even de microfoon. Sorry, voorzitter. Digitaal vergaderen. Ja, nou ja, het triggert me dan wel weer dat de heer Boersma wel ook weer zegt: dan moeten we mensen ook weer leren hoe ze een relatie aangaan. En ja, op den duur denk ik wel, en die trend zie ik nu ook wel overal gebeuren in Nederland, dat de overheid wel alles moet gaan oplossen. Ik sla wel aan op dit soort zaken. Dan denk ik: inderdaad, dat klopt, maar daar is de overheid in mijn geval niet voor vind ik. Dat moet je zelf doen met je eigen netwerk binnen de samenleving. En ja, u heeft uw kerkgenootschap, al dat soort

22

maatschappelijke organisaties die daar een rol in moeten spelen maar de overheid toch niet, mijnheer Boersma? De heer Boersma: Nou, kijk, in essentie ben ik het natuurlijk helemaal met de heer Van der Net eens, dat zal u wel begrijpen. Heel veel dingen kun je veel beter vanuit netwerken doen, familieverbanden, kerkelijke instellingen. Kijk, zo’n … Ik noem ook expres even zo’n voorbeeld van een relatietraining, dat binnen kerken gebeurt dat ook wel, dat jonge stellen gewoon een cursus aangeboden krijgen: joh, praat eens even door wat dat betekent als jij een relatie met elkaar aangaat. Maar wat we natuurlijk wel zien is dat heel veel mensen één: niet meer in deze netwerken zitten of die netwerken niet hebben. En twee: dat je je soms ook af moeten vragen als je gewoon de consequenties ziet aan het eind van trajecten, waarbij dus kinderen de dupe zijn en waarbij we het over grote problemen hebben, nou, tot op de woningmarkt toe. En ja, weet je, dat er ook heel veel dingen kapotgaan, dat denk ik ook wel eens: weet je, misschien moet je … Moet de overheid het doen of moet zo’n, hoe heet dat, zo’n adviespunt doorverwijzen naar particuliere instanties die het doen, dat maakt me eigenlijk helemaal niet zoveel uit.

Maar soms moet je misschien met zijn allen eens kijken: hoe kunnen we gewoon aan de voorkant mensen even aan het denken zetten en misschien ook wel even wat verder helpen in dit soort zaken? Ja, kijk, en terecht hoor dat u zegt: laten we alsjeblieft niet alles bij de overheid neergooien. Maar het probleem is wel dat heel veel dingen nu helemaal aan het eind van het traject wel bij de overheid terecht komen omdat die jongere die gewoon te maken heeft met conflictsituatie thuis en daardoor psychische problemen of andere problemen ondervindt, die moeten wij volgens de Jeugdwet gewoon helpen. De heer Van der Net: Ja, maar goed, daar we het net al over gehad dus dat probleem zie ik ook. Maar nogmaals, ik noem dat altijd: de overheid als geluksmachine. Gezien de stijging van de kosten moeten we daar toch wel heel voorzichtig mee zijn. Maar voldoende, voorzitter, dank. De voorzitter: Oké, dank u wel. Gaat u verder met uw betoog, mijnheer Boersma. De heer Boersma: Even kijken, ja, ik was volgens mij ongeveer klaar met de meldcode. Nog wel een opmerking, die, ja, weet je, die zie ik eigenlijk niet zozeer in de zes politieke vragen maar die komt natuurlijk wel steeds terug, dat is die onafhankelijke cliëntondersteuning, er zitten ook een paar stukken bij.

Ja, ik vind het wel een beetje zorgelijk dat uit die raadsinformatiebrief blijkt dat wel heel weinig mensen de onafhankelijke cliëntondersteuning weten te vinden, om wat voor reden dan ook. Misschien dat de wethouder daar nog iets meer over kan zeggen? Kijk, en als je dan hoort dat het Ouderplatform ongeveer driehonderd mensen per jaar krijgt die daar met vragen en zorg komen, dan denk ik: hé, hoe kan het nou dat zo’n organisatie wel de mensen krijgt die ergens tegenaan lopen en dat het ons niet lukt om met cliëntondersteuning, het eerste halfjaar nu dan twintig, dat is dan in ieder geval al een stuk meer dan de anderhalf jaar daarvoor. Ja, en ik vind dat wel zorgelijk dat dat dan niet van de grond komt. En daar zullen ongetwijfeld een aantal redenen voor aan te voeren zijn. Ik denk, wij betalen waarschijnlijk Stichting, volgens mij MEE Plus, die doet dat voor ons. Dus misschien dat de wethouder daar nog even wat op zou kunnen duiden: hoe kan het nou en hoe gaan we dat nou dan ook aanpakken, dat die cliëntondersteuning hier

23

gewoon nodig is en waaraan dus ook de jongeren ook soms behoefte aan hebben, dat we die in ieder geval wel kunnen bieden? Tot zover even, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Boersma. Dan gaan we verder met mevrouw Striebeck. Mevrouw Striebeck: Dank u wel, voorzitter. Ik ga niet op alle zes de vragen in. Wel vinden wij dat de noodzaak bepaalt welke jeugdhulp het meest passend is. Want alle kinderen moeten gezond en veilig kunnen opgroeien en wij hebben een zorgplicht voor onze jeugd. En die moet zo goed mogelijk uitgevoerd worden. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Striebeck. Dan gaan we naar mevrouw De Fouw van Gewoon Dordt. Mevrouw De Fouw: Dank u wel. Mijn woorden staan op die monitor. Eerlijk gezegd heb ik nog geen antwoorden op deze vragen omdat ik het gevoel heb dat ik nog niet genoeg inzicht heb. Maar ook omdat ik nog veel kennis, informatie en duiding mis in alles wat ik tot nu toe tot mij heb weten te nemen. Dus wat dat betreft zie ik ook zeker het nut van kwalitatief onderzoek in dit, zoals die narratief evalueren. Ik ga niet op de individuele vragen in maar ik zie iemand omhoog springen. De voorzitter: Dat is de heer Van Verk, die gaat waarschijnlijk vertellen dat hij voor u het woord had moeten krijgen, dat klopt. Maar misschien wil die ook een interruptie nog plegen maar anders ...

De heer Van Verk: Nee, dat was nog even hetgeen wat ik wilde laten weten. De voorzitter: Ja, maar dat wist ik. De heer Van Verk: Even mevrouw De Fouw … De voorzitter: U komt zo aan de beurt. De heer Van Verk: … de vraag afmaken. De voorzitter: Ja. Mevrouw De Fouw, gaat uw gang. Mevrouw De Fouw: Oké. Wat de eerste paar vragen betreft, vinden we het vooral van belang om ons ook te richten op efficiëntie van zorg. En dan zowel de aansluiting op de zorgvraag als de financiële kant, want daar lijkt ook nog veel winst te behalen. Ik kreeg veel verhalen mee over het afnemen van zorg die dan vervolgens niet wordt gebruikt maar het geld blijft daar dan maar liggen. Dus dat soort efficiëntie. De keuzevrijheid zou meer rekening moeten houden met het wettelijke recht op het kunnen gebruiken van een familiegroepsplan. Dus gezamenlijke besluitvorming en het betrekken van het netwerk van de cliënt. Het is ontwikkeld in Nieuw-Zeeland indertijd, ook om een manier om zorgkosten onder controle te houden, maar vooral ook omdat het heel goed hielp. Ik krijg de indruk dat het nog niet voldoende gebruikt wordt, ondanks dat het een plicht is. En zoals ook al werd aangegeven, worden cliënten nog veel te weinig op dat recht gewezen. Maar vooral ook dat het wordt toegepast. Het plan houdt veel meer rekening

24

met de eigen kracht van de cliënt en zijn directe omgeving. Wat ook mogelijkheden biedt tot betere en goedkopere zorg. En ik heb ook berichten uit wijkteams gehoord, dat het daar gewoon niet tot weinig gebruikt wordt of leeft. Ik kreeg letterlijk de opmerking: ja, daar hebben we jaren geleden iets over gehoord. Nou, daar werd ik niet warm van. Wat betreft de begeleiding van gescheiden ouders van de jeugdigen bij met name natuurlijk echt een vechtscheiding, kijk, er is natuurlijk wel een belang voor die jongere want die kan een enorme emotionele schade daarvan oplopen en daar de rest van zijn leven zorgkosten op loslaten. Dus dat heeft wel aandacht nodig. Ik vraag me dan wel af of er geen mogelijkheden zijn om wel integrale zorg en begeleiding te bieden maar dan bijvoorbeeld te kijken naar, hoe financieren we dat? Kan je dat dan niet elders declareren? Dat zal wel ingewikkeld zijn maar dat vroeg ik me dan af. Misschien iets te praktisch. En als nabrander heb ik bij die cliëntondersteuning nog wel eens iets van, dat is mij bijzonder onduidelijk wat dat nou is. In de verschillende stukken wordt zowel gewone als onafhankelijke cliëntondersteuning door elkaar gebruikt. Ik kan het onderscheid niet zien. En ik kan ook niet begrijpen hoe werken voor dezelfde overkoepelende werkgever onafhankelijk genoemd kan worden? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw De Fouw.

Nou, mijnheer Van Verk, dan heeft u nu het woord. De heer Van Verk: Ja, ik geloof last best hè. De voorzitter: Nee, daar komt mevrouw Nijhof nog achteraan. De heer Van Verk: Ah, ja, natuurlijk. Nou, goed, voorzitter, volgens mij is de kernvraag bij dit alles: wat de burgers, de inwoners van Dordrecht in de toekomst mogen verwachten van de gemeente Dordrecht wanneer het gaat om zorg en bijstand en ondersteuning en noem maar op, voor de komende jaren. Ik merk dat veel collega’s het vooral over de financiën hebben, volgens mij is dat nou het laatste criterium wat je moet hanteren. Omdat zorg en ondersteuning reële vragen zijn, mits je wel de begrippen demedicaliseren en normaliseren ook wat meer inhoud gaat geven. Dat is één, dat is een algemene opmerking. Als het dan gaat over de zes vragen die zijn gesteld in het advies, dan zal duidelijk zijn dat wij pleiten voor een integrale aanpak. Het moet de burger niet uitmaken uit welk potje het komt, en het moet de gemeente geen zorgen baren dat het ene potje de koker Wmo, al dan niet sneller op gaat dan de koker jeugdhulp. Het gaat tenslotte om inwoners van onze stad die hulp en bijstand nodig hebben. En dat geldt eveneens voor de Participatiewet en het passend onderwijs. Voeg zoveel mogelijk van die kokers samen tot één grote pot zorg, en laat de verordening daarop voorsorteren.

Ik kreeg niet de indruk vorige week bij de inleiding van onze begeleidster dat dat nu erg sterk op het netvlies was. Sterker, mevrouw Smid-Marsman wist te vertellen dat het nog een enkele jaren ging duren. Iets waar we al vijf jaar over aan het praten zijn moet nog enkele jaren duren omdat klaarblijkelijk er in het stadskantoor onvoldoende motivatie is om dat te bewerkstelligen. En dat stelt mij teleur. Ik kreeg beelden als: yes, minister. Waarbij de minister vooral werd geadviseerd om dingen te doen die in het huis van de democratie in Engeland waren bedacht. Mensen die de serie ooit hebben gezien zullen nog wel herinneren hoe dat eraan toeging. De tweede vraag voor wat betreft de professionele vrijheid, denk ik dat de gemeenteraad überhaupt niet op de stoel moet gaan zitten, moet niet eens willen zitten, van de professionals. Ook collegeleden moeten dat niet willen. Professionele vrijheid moet optimaal zijn, die moet met een gezond

25

verstand beslissingen nemen. En ja, als daar in hun wijsheid een lama aaien de beste oplossing is, dan moeten we dat gewoon doen. En niet denken: nou, wij weten het beter dus we gaan dat niet doen. Of zaken altijd bewezen zijn dat ze ook helpen, nou, ik herinner mij de woorden van de heer Van Dam Timmers waarin die zei: ja, dat paracetamolletje dat slikken we ook massaal, en weten we eigenlijk ook niet van of dat echt helpt. Dat is nou eenmaal inherent aan zorg en ook gezondheidszorg. Dus laten we ons daar nou gewoon maar eens bij neer leggen en zorgen dat dat gewoon goed gebeurt. De keuzevrijheid, de vraag drie is dat, gunnen wij de Dordtse gezinnen. De voorzitter: Voordat u verdergaat, mijnheer Van Verk. De heer Van Verk: Ja, de heer Van der Net, ik dacht het al. De voorzitter: Mijnheer Van der Net. De heer Van der Net: Nou ja, kijk, ik sloeg aan inderdaad op het paracetamolletje. Maar ja, de heer Van Verk weet ook wel, dat paracetamolletje betaal ik zelf. Daar zit het verschil ook wel in. En ik vind dat allerlei gemeenschapsgeld een andere zaak is, en dat we daar toch best kritisch op mogen zijn, voorzitter. De heer Van Verk: Ja, zeker wel. De voorzitter: Een vraag? De heer Van Verk: Nee, dat is een stellingname van de heer Van der Net die we natuurlijk kennen, financiën voor alles.

En ik begrijp het ook best wel en ik zie ook wel, ik heb het rapport van de Wetenschappelijke Raad ook gelezen en daarin zie ik ook dat de houdbaarheid van de zorg, ons zorgen baart. En dat doet ook de PvdA, zorgen baren. Daar gaat het niet om. Maar je zou in dat kader eens na moeten denken aan een soort adviesorgaan wat behulpzaam is bij het nemen van besluiten. Een adviesorgaan dat bestaat uit deskundigen. Denk aan de Gezondheidsraad die ook elk jaar aangeeft welke medicatie wel of niet in aanmerking komt om te worden opgenomen in het pakket. Daar zou ik zeker niet tegen zijn. Dus dat je in die zin het wel enigszins inkadert en daar op basis van deskundigen, als politiek uiteindelijk een besluit over neemt. De heer Van der Net: Voorzitter, daar word ik dan wel weer gelukkig van natuurlijk, bij de heer Van Verk. Want dat zijn nou net inderdaad dan … Dan kan je een professioneel orgaan, kan je kaders laten stellen. Want ik vind ook eigenlijk dat ik dat als politiek niet moet willen. Dus ik denk dat we het eens zijn, voorzitter. De voorzitter: Dat is fijn om te horen. De heer Van Verk: En laten we dat dan ook proberen te regelen in de verordening dat dat opgenomen wordt, zo’n orgaan. De voorzitter: Gaat u verder. De heer Van Verk: Ja, de keuzevrijheid, voor de ouders.

In ons beeld zou het zo moeten zijn dat wanneer iemand, of die nou jong of oud is, dat maakt in deze niet uit, maar

26

wanneer iemand zich meldt voor zorg of ondersteuning, dat een goede triage, dat is dan een randvoorwaarde, een goede triage plaatsvindt waarbij de triageur bepaalt wat nodig is. En aan dat nodig zijn hangt een bepaald budget. En dat budget zou leidend moeten zijn voor de uitvoering van die zorg. En het liefst zou die triageur ook de regisseur moeten worden die het gezamenlijk, samen met het gezin, heel nadrukkelijk samen met dat gezin, een plan opstelt op welke wijze en wanneer de hulp geleverd wordt. En daar kan zo’n familieplan ook een onderdeel van uitmaken, maar het is nadrukkelijk de regisseur en het gezin of de hulpvrager die bepalen wat er moet gaan gebeuren. Er hangt een budget aan en dat budget dat kan besteed worden aan zorg. En dat zal een stelselwijziging in zich houden want dat betekent eigenlijk dat je niet meer vooraf kan inkopen. Hoogstens op basis van enige ervaring kan zeggen: nou, die organisaties zouden ongeveer zoveel aan zorg moeten gaan besteden maar het is niet meer de organisatie die het bepaalt, het zijn de cliënten die het bepalen. En dan kom je eigenlijk bij een vorm van PGB’s, al dan niet in samenwerking met een regisseur waardoor er zorg in natura ontstaat. Maar op die wijze kan je volgens mij de zorg beter gaan sturen, effectiever gaan maken en passender maken.

En op het moment dat een regisseur samen met het gezin tot de conclusie komt dat de specialistische zorg die geleverd wordt geen zak uitmaakt, kan je ook halverwege zeggen: joh, je hebt het leuk geprobeerd maar het gaat niet, het werkt niet. En daarmee kan je meer grip krijgen op de uitgaven in de zorg in onze beleving. Daarmee heb ik misschien ook wel gelijk vraag vier beantwoord, want bovengebruikelijke zorg kan je willen gaan definiëren maar wat bovengebruikelijk is voor de een, is voor de ander nog gewoon. Dat is helemaal afhankelijk van capaciteiten die mensen hebben, omstandigheden waarin mensen leven en wonen. Dus ga zo’n begrip niet vastleggen, ernstig definiëren, maar kijk naar de omstandigheden als regisseur met het gezin wat er mogelijk en onmogelijk is, en handel daarnaar. Nou, dan het begeleiden van gescheiden ouders. Ik vond de suggestie van de heer Boersma helemaal niet zo gek. Van de week, en ik weet niet of die dat gelezen heeft, ik vermoed het eigenlijk wel een beetje, van de week stond in de NRC een artikel over relatietherapieën. En het advies was om aan iedereen, dus ook aan ons, om zo nu en dan je relatie eens in therapie te nemen omdat er komt altijd slijt in, dat weten we allemaal. Sleur en slijt zijn de grote vijanden van een relatie of de grootste gevaren.

En de betreffende, ik meen dat het iemand was die relatietherapie deed ook, dus misschien door eigen parochie sprak, maar die stelde wel vast dat vroeger de relatietherapieën in het ziekenfonds zaten en dus betaald werden door de overheid. Nu moeten mensen het zelf betalen en dat kost ongeveer tweehonderd euro per sessie. En hij zegt: als je één keer in de vijf jaar een paar sessies doet, dan blijft je relatie goed op orde. Bedenk wel dat elke scheiding, niet alleen een vechtscheiding maar ook al een gewone scheiding, heel veel maatschappelijke kosten met zich meebrengt. En als we dat eens zouden beseffen en ons dat zouden kapitaliseren, dan zou het misschien helemaal niet zo gek zijn om zo’n soort onderdeel op te nemen in je zorgpakket. En daarmee mensen te helpen die in de problemen raken met dat soort dingen. Een tweede aspect wat ik daarbij onder de aandacht wil brengen is dat zowel bij vraag vier als bij vraag vijf, nee, bij vraag vijf en bij vraag zes, bij de jeugdhulpverlening vooral de veiligheid van het kind leidend moet zijn. Als dat in het geding komt, door wat voor omstandigheid dan ook, dan moet die hulpverlening in ieder geval altijd geleverd moeten worden.

En dat kan heel breed gaan want een baby die voortdurend huilt, daar kan ik me soms bij voorstellen dat de ouders niet alleen zin hebben om het achter het behang te plakken, maar ook gewoon letterlijk te snoeren omdat je daar knettergek van kan worden. En dat kind heeft

27

gewoon niks misdaan, maar dan wel de veiligheid in het geding. Voor wat betreft de meldcode en het verhaal wat daarbij staat, we zouden eens moeten nadenken of Veilig Thuis nog wel binnen de jeugdhulp hoort? De Raad voor de Kinderbescherming is beter, adequater in zijn rapportages en betrekken de ouders daarbij voor zover ik weet, dan Veilig Thuis. Dus je zou in die zijn nog eens kritisch moeten kijken of Veilig Thuis niet veel meer terug moet naar waar ze vandaan komen namelijk, uit de Wet maatschappelijke ontwikkeling. En ze dit moeten richten op ouderenmishandeling en vrouwenmishandeling en dat soort volwassen groepen, en de kindermishandeling eruit te plaatsen richting jeugdbescherming. Ik weet helemaal niet of dat kan, wettelijk gezien en noem maar op. Maar je zou er op zijn minst over na kunnen denken want ja, een paar jaar geleden dachten we ook niet dat er 1,3 miljard zou komen van het Rijk, dachten we ook dat dat niet kan maar dat is toch ook maar mooi gekomen. Voorzitter, ik ga afronden want ik ben alweer een tijdje aan het woord begrijp ik. Ik wil nog twee dingen onder de aandacht brengen, dat is de cliëntondersteuning en het narratief evalueren. De cliëntondersteuning, ik vind dat het platform of hoe heet dat ding, het adviesorgaan wat we nu hebben ingesteld, het meldpunt voor klachten en adviezen, vind ik dat dat zijn nut heeft bewezen en dat moeten we koesteren.

En wij zouden er erg voor zijn om dit adviesorgaan het meldpunt voor het hele sociale domein in te stellen, dus een sociaal domein plus noemen ze dat meen ik. Dus dat iedereen zich daartoe kan wenden, dat dat meldpunt geprofessionaliseerd wordt in de zin dat dat meldpunt van voldoende middelen wordt gezien om zijn werk te kunnen doen. Ik weet dat het nu bestaat uit vrijwilligers, maar ik vind dat je daarover moet nadenken of je dat zo wil continueren. Of dat je zegt: nou, onderdeel van zo’n meldpunt hoort ook een zekere professionaliteit te zijn, en daar wil ik niets mee afdoen, absoluut niets mee afdoen van de mensen nu hebben gedaan. Maar er mag … Er wordt wel hard gewerkt door die mensen en daar mag wat tegenover staan. Ik heb uitgerekend dat ze sowieso zeshonderd uur, dat is bijna een halve weektaak, besteden aan het werk. Dus denk daaro… Laten we daar eens over nadenken en kijken of we dat kunnen financieren. Het tweede, het narratief evalueren. Het stoort mij bijzonder dat terwijl de gemeente Dordrecht bezig is met het ontwikkelen van een voorstel en van een plan om narratief evalueren in te voeren, dat de Stichting Jeugdteams datzelfde doet. Dat de Serviceorganisatie Jeugd zomaar zonder enig overleg, zonder daar rekening mee te houden, een andere organisatie vraagt voor het narratief evalueren.

Ik vind dat eigenlijk een teken van minachting voor raden en voor organisaties die gewoon hier het initiatief toe nemen. En ik waardeer dat absoluut niet. Ik zou graag willen dat onze wethouder, voorzitter van de Dienst Gezondheid en Jeugd, zijn collega die jeugd in zijn portefeuille heeft, de heer van dien, daar ernstig op aanspreekt en dat wij als Dordrecht ons niet laten leiden door de SOJ maar onze eigen weg daarin gaan. Voorzitter, dat was het wel. Ik zou nog wel van de wethouder willen weten wat de financiële gevolgen zijn van het woonplaatsbeginsel en van het starten van de veiligheidsteams in de regio, onderdeel van de stelselwijziging die het ministerie doorvoert. Dat heeft gevolgen voor onze begroting en daar hebben we nog nooit wat over gehoord van diezelfde SOJ. Dat was het. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Van Verk. Nou, u heeft er zelf nog een paar vragen bijgevoegd die eigenlijk vanavond niet aan de orde zijn maar we kijken wel in hoeverre de wethouder daar dan ook antwoord op geeft. En dan zijn we nu bij mevrouw Nijhof aangekomen van de fractie Nijhof. Gaat uw gang. Gaarne ook focussen op de zes vragen.

28

Mevrouw Nijhof: Nou, er is al heel veel gezegd door voorgaande sprekers. Ik sluit mij het meest aan bij de heer Van Verk en bij Jan Willem Boersma in dit geval. Ik spreek ook, ik draai het even om zeg maar, als ik de heer Van Verk hoor over de enorme verbazing die er nu is dat er terwijl wij zeer serieus bezig zijn geweest om een manier te vinden om cliënten te horen, om verhalen te horen. Om te duiden van, of wij hier in Dordrecht een jeugdhulp hebben opgetuigd, die ook ertoe doet en die geen leed toevoegt, dat er tegelijkertijd nu ineens plotseling vanuit de inkooporganisatie, ik noem het altijd de inkooporganisatie Serviceorganisatie Jeugd, een aanbesteding is geweest waarin er gewoon een narratief evalueerder het nog eens over gaat doen. Ik vind dit ernstig, eerlijk gezegd. Ik sluit me geheel bij de woorden van de heer Van Verk aan, dat ik vind dat onze portefeuillehouder hier ook navraag naar moet doen en duidelijk moet krijgen hoe dit kan, dat dit op deze manier gebeurd is. En verder is het zo dat ik ook niet ga herhalen wat heel veel mensen zeggen. Ik vind het ingewikkeld eerlijk gezegd om de zes vragen achter elkaar te beantwoorden, omdat ik erbij blijf dat ook de vragen eigenlijk een vorm van afbakening zijn die helemaal niet bij ons ligt. De Jeugdwet is heel duidelijk. Er is bij de gemeente een zorgplicht.

Er is ook heel duidelijk wie er vanuit de gemeentes de zorg toe mag wijzen. En wie er dus de noodzaak bepaalt, dat zijn niet de gemeenteraadsleden maar dat zijn, en dat is ook niet de wethouder of de inkooporganisatie, dat zijn de professionals in de toegang die de noodzaak bepalen. Nou ja, goed, die behoren ook zoveel mogelijk professionele vrijheid te hebben, om die noodzaak te kunnen bepalen. Dus dat is in ieder geval antwoord op die vraag. En verder zeg ik in ieder geval iets ook naar aanleiding van hetgeen wat mevrouw Rietstap hier heel duidelijk ook vorige week heeft verwoord. Jeugdwet is een afgeleide van het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind, waarin universele rechten, kinderrechten leidend zijn. De kern van deze kinderrechten is onder andere dat een kind recht heeft om bij zijn ouders op te groeien. Je mag een kind niet onthechten. Dat is ook waar de verordening in dit geval een vorm van een afbakening doet, als je het zo zou kunnen zeggen. Dat betekent namelijk dat degene die de Jeugdwet uitvoert deze rechten zou moeten respecteren. Dat betekent dus eigenlijk dat wij als gemeentes, op het moment dat wij op onzorgvuldige wijze, dat er veel kinderen uit huis geplaatst worden, waar Nederland overigens kampioen in is, zoals wij allemaal weten, dat wordt ook vanuit Europa steeds gezegd, ik mag niet.

We zien nou de kwestie in de toeslagenaffaire waarin een groot aantal kinderen uit huis is geplaatst waar vragen over zijn hoe dat nou kan. En dat als jij in een armoedig gezin opgroeit, dat je dan misschien wel je kind kwijtraakt. Daar zijn allerlei discussies over. De heer Van der Net: Voorzitter? Mevrouw Nijhof: Daar hebben ook de deskundigen uitspraken over gedaan. De voorzitter: Ja, mevrouw Nijhof, als u ergens een punt achter wil zetten. Mevrouw Nijhof: Ja. De voorzitter: Achter in de zin, dan kan ik de heer Van der Net gelegenheid geven om even een interruptie te plegen. Mevrouw Nijhof: Ik zal het doen, ja.

29

De voorzitter: Ja? Nou, mijnheer Van der Net. De heer Van der Net: Twee, nou ja, in ieder geval één opmerking en één vraag, voorzitter, richting mevrouw Nijhof. Want ja, er zijn politieke vragen geformuleerd maar u geeft nu eigenlijk aan: ik heb daar geen mening over want daar ga ik niet over. Dan is mijn volgende vraag: waar praten wij hier dan eigenlijk uiteindelijk over nu? Mevrouw Nijhof: Nee, als het gaat over de toekenning van jeugdhulp, gaan wij daar niet over. Daar gaan wij als raadsleden niet over. Dus wij kunnen dat ook niet afbakenen zeg maar. We kunnen niet bepalen hier, net zoals wat ik bij de eerste rit zei over de lama’s, in principe is het zo dat op het moment dat degene die mag verwijzen bepaalt dat het voor dat unieke kind noodzakelijk is dat die bij een lama in de buurt blijft, ik ga het toch weer herhalen, dan is dat jeugdhulp. Ja, en dat klinkt heel … De heer Van der Net: Ja, maar voorzitter? Mevrouw Nijhof: Maar goed, dat is eigenlijk wat de wet daarover zegt. Goed, dus … De heer Van der Net: Voorzitter, ja, dan … De voorzitter: Ja. De heer Van der Net: … stel ik alleen maar vast dat wij hier al een hele tijd aan het discussiëren zijn over punten waar we volgens mevrouw Nijhof dus ook niet over gaan. Mevrouw Nijhof: Ja.

De heer Van der Net: En, nou goed, ja, ik wil dan gewoon ook wel weten van of dat nou echt zo is? Want ik zit toch constant te kijken, wat is nou de rol van ons als gemeenteraad, op het gebied van jeugdhulpverlening en … Mevrouw Nijhof: Ja. Nou, in de Jeugdwet staat, de heer Van der Net, wie er jeugdhulp mogen verwijzen. Wie er uiteindelijk de noodzaak van de indicatie, dus wie de indicatie mag stellen. Dat mogen wij als raadsleden niet. Dat mogen alleen gecertificeerde mensen doen. Die mensen mogen ook bepalen, en daar zeiden ook een aantal mensen iets over dat de wetgever daar nog steeds niet duidelijk over is geweest. De wetgever is zeer duidelijk geweest, de Centrale Raad van Beroep in dit geval, over hoe dat indicatieproces verloopt. En daar zitten ook stappen in die, nou ja, heel erg gaan over de noodzaakbepaling, over de zorgbehoefte van het kind. Dat is eigenlijk ook wel uitgeschreven, dat is een methode die vroeger gebruikt werd door het CIZ. Daar zijn ook echt formats van. En dat betekent dus ook dat je bijvoorbeeld als het even gaat over bovengebruikelijke zorg, want die vraag zit daar ook tussen, goed, moeten wij dat toestaan of niet, dat het in principe aan de professional is, die daarvoor opgeleid is, om te bepalen wat opvoeding is, dus wat bij gebruikelijke zorg hoort, en wat bovengebruikelijk is.

Nou, ik kan daar een heel technisch verhaal over houden maar dat is echt … De voorzitter: Nee, maar dat is niet de bedoeling, we zitten in de politiek.

30

Mevrouw Nijhof: Nee. Ja, maar goed, voorzitter, het is zo dat die vraag gesteld wordt. Dat is een van de politieke vragen. En daar geef ik nu antwoord op. Het vaststellen van de bovengebruikelijke zorg is aan de professional, en het PGB, zeg ik maar even, is een maatwerkvoorziening. En daarbij is het zo, en dat heb ik … Dat herhaal ik ook al ieder jaar, moet ik dat weer herhalen ook denk ik, PGB en zorg in natura zijn wijze van financieren en geen producten op zich. Dat is iedere keer wat er ook nog door deze discussie gaat. Het PGB geeft uitdrukkelijk de mogelijkheid voor een gezin, om zelf regie te houden door zelf te kiezen welke aanbieder bij het kind past en dit ook … Deze zorg ook te stoppen op het moment dat de zorg niet meer past. Dus wat dat betreft is het zo dat, als het gaat om waar de overheid, wat de overheid ook graag wil volgens mij, wat ook voorlag in 2014, dat is namelijk dat gezinnen zelf kunnen functioneren. Dat er zo min mogelijk overheidsbemoeienis is. Dan is in dit geval het PGB een heel mooi middel op het moment dat de noodzaak voor die jeugdige bepaald is, om het gezin zelf de regie te laten houden over de jeugdhulp. De voorzitter: Ja. Mevrouw Nijhof: Goed, nou, dat is in ieder geval dat antwoord op die politieke vragen.

Even over die opvoedondersteuning, de eerste vraag is, ik deel met de heer Van der Net, want hij haalde mij daar zelf ook bij, dat in principe opvoedondersteuning als je kijkt aan wie het ondersteuning geeft, eigenlijk geen jeugdhulp is. Want het is ook … Het is ondersteuning aan de ouder in dit geval. Dus je zou eigenlijk moeten zeggen: dit bekostigen wij niet vanuit de Jeugdwet want dat wordt onterecht geregistreerd op naam van een kind. Waardoor ook cijfers allemaal gewoon niet meer te duiden zijn. Het is alleen wel zo dat er in de Jeugdwet staat dat je er als gemeente alles aan moet doen om dat kind thuis te laten opgroeien en zich thuis te laten ontwikkelen. Op het moment dat een ouder niet in staat is om die opvoeding zonder ondersteuning te doen, dan ligt dus in het verlengde dat je dan die ouder moet gaan ondersteunen om in ieder geval dat kind zo goed mogelijk uiteindelijk zich te kunnen laten ontwikkelen. Nou, dan sluit ik aan bij alle vorige sprekers, ik heb het vorige week overigens ook al benoemd. Kijk, ik maak ook nu even het trapje naar het familiegroepsplan, zeg maar, wat mevrouw De Fouw heel specifiek noemde. Het familiegroepsplan is, laten we zeggen, staat binnen de Jeugdwet. Er is binnen Jeugdwet echt beschreven als een recht wat ouders hebben om daar om te vragen.

Dat familiegroepsplan dat komt inderdaad uit Nieuw-Zeeland, en dat is namelijk afkomstig uit een afgeleide van the Signs of Safety methode. Dat is een methode die ontwikkeld is door de heer Turnell, dat is ook allemaal wetenschappelijk onderzocht, en die deed namelijk onderzoek en hulpverlening aan Aboriginalsgezinnen. En Aboriginalsgezinnen, die blinken uit, ik kom zo tot mijn punt, mijnheer Tiebosch, die blinken uit … De voorzitter: Ja, maar volgens mij is dat nou echt niet de bedoeling, mevrouw Nijhof, dat u dat helemaal technisch gaat uitleggen. Mevrouw Nijhof: Nou. De voorzitter: Nee, dat ligt niet voor vanavond. Mevrouw Nijhof: Nou, nou. Oké, dan ligt het niet voor. Nou, wat ik in ieder geval wil zeggen is dat dat familiegroepsplan niet voor niks in die Jeugdwet terecht is gekomen.

31

Dat familiegroepsplan zegt namelijk dat een gezin, om het kind te beschermen, dat er gekeken moet worden naar de Signs of Safety. Dus dat de signalen van veiligheid en niet naar de signalen van onveiligheid. Er moet gekeken worden naar de signalen van veiligheid en die moeten versterkt worden, daar moeten mensen in ondersteund worden, daar moeten zorg in geboden worden om dat kind thuis te houden. Dus dat wil ik even … Daar hebben mensen ook recht op. Heel veel mensen in de toegang weten dat niet eens meer. Dat zijn dus echt dingen om naar terug te keren als je de Jeugdwet, laten we zeggen, goed wilt respecteren en als je binnen de wet wil blijven. Dat wil ik alleen maar zeggen eigenlijk. De voorzitter: Oké. Mevrouw Nijhof: En laten we zeggen dat familiegroepsplan is ook mede ondersteuning voor het idee wat mijn voorgangers allemaal, en wat ik vorige week ook zelf gezegd heb, dat is een verordening sociaal domein omdat ook in dat familiegroepsplan dan vaak ondersteuning wordt gevraagd vanuit andere wetgeving, die in principe ook eigenlijk geboden moet worden vanuit gemeentes.

Dus we hebben het ondersteund … De voorzitter: Is er nog iets dan specifieks wat u op één van die zes vragen aan ons mee wil geven? Mevrouw Nijhof: Nou ik zou zeggen, het enige wat ik wil meegeven is precies wat mevrouw Rietstap vorige week gezegd heeft, in die verordening, daar moeten alleen de noodzakelijke zaken in staan. Daar moet de jet moet gewoon gevolgd worden, dus de Jeugdwet in dit geval. En wat daar heel goed georganiseerd moet worden is de onafhankelijke cliëntondersteuning. Ik heb dezelfde vragen als de heer Van Verk, en opmerkingen daarover, en ook de heer Boersma volgens mij. Dat het mij ook … Nou ja, als wij het goed willen regelen en we kijken naar de cijfers die er zijn vanuit onafhankelijke cliëntondersteuning vanuit MEE plus, de achttien casussen waarin de ondersteuning geboden wordt. En datgene wat mevrouw Rietstap en haar mensen zeg maar laten we zeggen aan klachten en vragen gekregen hebben, dat zijn er driehonderd. Is natuurlijk verbazingwekkend dat dat … De voorzitter: Maar over die onafhankelijke cliëntondersteuning gaan we het 14 december nog uitgebreid hebben, dus dat wil ik nu echt niet gaan doen. Mevrouw Nijhof: Ja, ja. Nee, maar ik zal u wel vertellen dat het wel zo is dat wij, als het gaat om het inrichten van de verordening, dat het noodzakelijk is dat we dat goed regelen.

En ik … Wat dat betreft … De voorzitter: Dat klopt allemaal maar we zouden het vanavond echt over die zes vragen hebben. En we komen 14 december nog uitgebreid terug over de organisatorische inbedding van het meldpunt en de onafhankelijke ondersteuning. En 18 januari hebben we nog een uitgebreide technische avond verder over die verordening. Dus anders dan wordt het gewoon te breed. Mevrouw Nijhof: Maar voorzitter …

32

De voorzitter: En we hebben met elkaar als commissie hebben we deze zes vragen geformuleerd, dus ik heb dat bij iedereen gevraagd om te doen, dus ook aan u. Mevrouw Nijhof: Ja, maar dat doe ik. Maar dan is het ook zo dat u wat dat betreft … De voorzitter: Nee, u gaat iets te breed. Dus ik wil u echt … Mevrouw Nijhof: Nou, ik heb mijn voorgangers net zo breed horen gaan. Sorry hoor, dat ik het zeg, dat vind ik echt een beetje flauw. De voorzitter: Ik wil u vragen om nu op die zes vragen, of u daar nog iets hebt? En anders dan denk ik dat een stuk van uw verhaal komt of de 14e of de 18e januari, komt nog uitgebreid aan de orde. Mevrouw Nijhof: Maar mag ik u dan wel even, ook de opmerking maken dat hier heel duidelijk staat dat de agendapunten 4 tot en met 9, worden samen besproken. Daar zitten stukken tussen, en daar hebben mijn voorgangers ook aan gerefereerd, die gaan over de onafhankelijke cliëntondersteuning. Die gaan over de jeugdbescherming. Ja, zeg ik maar. En die moeten namelijk ... De voorzitter: Maar er staat echt expliciet … Nee, maar er staat echt expliciet bij dat bij die stukken, ook die zes vragen aan de orde zijn. Mevrouw Nijhof: Oké, goed. Nou, weet u, volgens mij doe ik helemaal niet veel anders als mijn voorgangers, eerlijk gezegd. Ik zeg ook iets over onafhankelijke cliëntondersteuning, dat mag ik ook doen volgens mij.

Dus ik wil dat het zo goed mogelijk georganiseerd wordt. En ik sluit daaraan bij, bij de woorden van volgens mij de heer Van Verk, dat het heel noodzakelijk zou zijn dat dat geprofessionaliseerd wordt. En dat wij zeker moeten gaan kijken of … Er gaat geld naar MEE plus voor onafhankelijke cliëntondersteuning, wat noodzakelijk is om de jeugdhulp uit te voeren. Als we willen dat het beter verloopt moeten we misschien kijken of er een andere modus gevonden kan worden waarin de organisatie van Rietstap of in ieder geval een soortgelijke organisatie, die ondersteuning met dat geld gaat doen. Dat was het. De voorzitter: Oké, dank u wel. Nou, dan denk ik dat het goed is om nu even tien minuten te schorsen en dan geef ik het woord aan wethouder Van der Linden. Die kan mogelijk nog wat dingetjes toelichten of nog zaken waarvan hij denkt: nou, ik heb iets gehoord waar ik toch nog even wat verder op in wil gaan. En dan zou ik daarna met u naar de conclusie willen gaan van wat er vanavond is besproken. Dus we zien elkaar weer om vijf over tien. De voorzitter: Nou, welkom terug bij de commissie Sociaal. Het is goed om zo de wethouder het woord te geven. Ik vraag hem eigenlijk toch om in zijn woordvoering in te gaan op het professioneel adviesorgaan wat door een aantal is genoemd. Over de triage, met name het inschatten wat voor wie nou eigenlijk nodig is.

Het zou fijn zijn als de wethouder een reactie zou kunnen geven op het rapport over dat narratief evalueren. Er is nog een opmerking gemaakt of een vraag gesteld: hebben we bij de toegang nou de goede mensen zitten? En verder ook, hebben we bij de … Hebben we de gespecialiseerde zorg niet te regide toegankelijk gemaakt? Dat zijn zo … En, o ja, er is

33

nog een vraag gesteld over Veilig Thuis, moet dat nou niet eigenlijk uit de jeugdhulp? Over het woonplaatsbeginsel is nog wat gevraagd. Nou, volgens mij zowat voldoende punten. Ik schrijf ondertussen mee met de antwoorden die de wethouder geeft en gaat uw gang, wethouder. De heer Van der Linden: Dank u wel, voorzitter. Even mijn geluid ietsje harder. Ja, dit waren ook de punten die ik had opgeschreven als ofwel vraag ofwel in ieder geval opmerking waar ik iets mee zou moeten. Misschien eerst even het woonplaatsbeginsel, ik meen me te herinneren dat daar vorige week of twee weken terug nieuws over is geweest dus dat komt uw kant uit. Ik neem hem even mee als technische vraag. We gaan hierover informeren. En volgens mij is die informatie er maar dus dat zou de gemeenteraad. De voorzitter: Dus dat is een toezegging, hè? De heer Van der Linden: Zeker, dat is een knal van een toezegging. Ja, nee maar dat zal binnen enkele dagen uw kant opkomen. Ja, Veilig Thuis, daar zijn wat opmerkingen over gemaakt en ook, kunnen we met dingen stoppen? Ja, Veilig Thuis heeft wel wettelijke taken, en daar hoort ook de k van kinderen bij. Natuurlijk kun je wel nog eens goed kijken: hoe is alles georganiseerd, hoe is de beschermtafel georganiseerd? Aan het begin bij de inspraak van … Of bij het inspreken van mevrouw Anke-Elze Rietstap ging het ook over het hoorrecht.

Ja, er is hoorrecht van kinderen en ouders. Daar wordt niet altijd gebruik van gemaakt. Nou, daar kunnen we best eens naar kijken, maar dat het de aandacht heeft is mij duidelijk. Maar Veilig Thuis heeft een wettelijke basis en daar moeten we natuurlijk ook gewoon aan voldoen. Daar komen we nog over te spreken. Dan is er een en ander gezegd over het meldpunt zelf en over onafhankelijke cliëntondersteuning, dat zijn natuurlijk wel twee verschillende dingen. Ik hoor enkelen van u zeggen: nou, het lijkt heel verstandig om het meldpunt wat is ingesteld, om dat voort te zetten en daar een professionaliseringslagje op te doen. Professionalisering in de zin van ook faciliteiten. Nou, ik hoor eigenlijk twee dingen, ik hoor: maak het iets professioneler en maak het ook voor de rest van het sociaal domein. Ik denk dat we daar even goed over moeten hebben met elkaar, want ik sta daar niet … Ik sta daar op zich positief neutraal in. Ik zou het heel fijn vinden als het wel door kan gaan in ieder geval. Maar ik weet bijvoorbeeld dat, ja, er zijn natuurlijk meer sociaal domeinorganisaties die zich in de adviserende zin uitlaten over de rest van het sociaal domein. Dus dat geeft natuurlijk ook wel wat aandacht dan, wat doe je daarmee. Maar het lijkt me goed om daarover door te praten. Oco, onafhankelijke cliëntondersteuning, praten we op 14 december over door.

Nou, ik merk dat u een aantal hele scherpe dingen dan echt behandeld wil zien: hoe gaat het eigenlijk met de aandacht daarvoor en halen we genoeg op van de vragen die er zijn, en kan dat beter of kan dat anders georganiseerd worden? In ieder geval praten we daar de 14e over door. Dan de triage, daar zijn maar een paar opmerkingen over gemaakt maar toch is dat eigenlijk een van de allerbelangrijkste dingen, een van de allerbelangrijkste elementen om te zorgen voor goede toegang. En ook snelle, adequate, afweging van: hé, dit kun je in het kader van normaliseren, hoeft hier niet heel veel te gebeuren, of hé, hier moet onmiddellijk hele zware zorg op, of nou, hier moeten we … Dit kan iets minder snel maar daar moet ook iets op georganiseerd worden. De jeugdteams, de Stichting Jeugdteams, sociale wijkteams die hebben sinds anderhalf, twee jaar maken ze gebruik van de integrale

34

klantroute heet dat. Een traject waar we ook aan de voorkant een paar ton hebben ingestopt zelf vanuit onze eigen middelen. Dat werkt heel goed. Natuurlijk ben je voor de kwaliteit van die toegang afhankelijk van de stroom aan mensen die voor de poort staan en ook van de mensen die achter het bureau zitten. Arbeidsmarkt is wel een issue. In heel sociaal domein, en trouwens niet alleen daar, op heel veel andere plekken ook, maar het is ook bij de sociale wijkteams wel een issue. Zeker gezien het feit dat er best veel mensen om zorg en ondersteuning binnenkomen. Ik heb nu niet de indicatie dat we in de buurt zitten van enorme wachtlijsten of wachtrijen, maar dat is steeds een aandachtspunt. De kwaliteit van die klantroute is goed, krijgen we her en der te horen. Ik denk wel dat er altijd nog, dat we scherp moeten blijven op die kwaliteit, ook op de capaciteit ervan. Want nogmaals, hoe sneller je daar aan de voorkant het gesprek aan kan gaan, hoe sneller je de hulpverlening in kan. Dan hoor ik enkelen van u iets zeggen over het narratief evalueren. Ja, ik vind het hartstikke mooi dat u besloten heeft om dit te doen. Ik heb het rapport nog niet helemaal goed kunnen doornemen. Het is mij wel toegestuurd, dit weekend geloof ik. Volgens mij heeft de SOJ geen traject lopen op narratief evalueren.

Ik weet wel dat de Stichting Jeugdteams iets soortgelijks aan het doen is ten aanzien van een programma dat heet: Anders Zorgen. Nou, dat kan natuurlijk best naast elkaar bestaan maar ik denk niet dat de Stichting wist dat de raad van Dordt ook met iets bezig is wat voor een deel dezelfde vragen bestrijdt. Ik denk, ik hoop dat we elkaar goed kunnen aanvullen maar ik ga dat eventjes achterhalen. De voorzitter: Maar u komt nog met een reactie toch op dit rapport? Oké. De heer Van der Linden: Ja hoor, zeker. Ja. De voorzitter: Fijn. De heer Van Verk: Mag ik … De voorzitter: Mijnheer Van Verk heeft een interruptie. De heer Van der Linden: Ja. De heer Van Verk: Ja, voorzitter, wij werden door vitae erop gewezen dat het SOJ niet alleen een traject heeft lopen maar afgelopen, ik citeer: ons bereikt het gerucht dat vandaag of afgelopen vrijdag het bedrijf jb Lorenz van mevrouw Den Outer, is gecontracteerd voor het uitvoeren van narratief evalueren cliëntonderzoek. De heer Van der Linden: Oké. Nou, nogmaals … De heer Van Verk: Ik zou het op prijs stellen als u nagaat of dit klopt, dit gerucht? En als dat klopt, de nodige stappen te ondernemen om op zijn minst ons ongenoegen hierover te uiten. De heer Van der Linden: Nou, ik ga eventjes achterhalen wat er gebeurd is. Ik weet dat niet.

Maar mag ik even iets meer duiding op waar het ongenoegen zit? Want ik snap heel goed dat de raad van Dordt heeft een opdracht gegeven om narratief onderzoek te doen. Ik ken de achtergrond van het onderzoek van de SOJ of van de Stichting

35

Jeugdteams niet, dus het kan best zijn dat het perfect naast elkaar kan bestaan. Als er een dubbeling in zit dan is dat spijtig, maar dat gaan we even achterhalen. De heer Van Verk: Nou ja, ik vind het überhaupt raar, daar zit in ieder geval een stukje ongenoegen, is dat je als SOJ zou behoren te weten dat de gemeenteraad Dordrecht met iets dergelijks bezig is, dat de Stichting Jeugdteams iets dergelijks aan het doen is, en dan gewoon plompverloren zelf ook maar iets gaan doen. De heer Van der Linden: Oké. De heer Van Verk: Ik vind dat bijna een vorm van sabotage. De heer Van der Linden: Oké. Ik weet niet zeker of ik het woord sabotage ga gebruiken in mijn vragen aan de SOJ maar ik heb. De heer Van Verk: Nee, dat hoeft u niet, die neem ik wel voor mijn eigen rekening. De heer Van der Linden: Nou, ik wil het … Maar ik ga het even achterhalen voor u. De heer Van Verk: Oké. De heer Van der Linden: Oké. Dan heb ik de vragen beantwoord. De voorzitter: Nou, dan komt er nog een vraag van de heer Boersma. De heer Boersma: Ja, voorzitter, dan nog even doorgaand op de SOJ dan met dat narratief evalueren. Kijk, los van hoe dit proces wel of niet zal lopen kun je ook afvragen of een organisatie die voor ons zeg maar een beetje, laat ik zeggen, de wat zakelijke kant doet. En ons ook dus de, om in de term van dat narratieve evalueren te blijven, de koude data levert, dus gewoon de cijfers.

Of je daar ook van moet vragen dat ze zeg maar de warme data leveren of dat je juist moet zorgen dat die twee een beetje uit elkaar gehouden worden? Omdat het narratief evalueren dan ga je in gesprek met en degene die die zorg ontvangen, en met de professionals, en dan moet je eigenlijk denk ik niet in opdracht doen van een serviceorganisatie die ook over de inkoop gaat. Dus dan zou je misschien veel beter, want dat zou misschien een argument zijn ook nog richting de SOJ, dat moet je eigenlijk gewoon uit elkaar houden. En uiteindelijk moet dat voor ons in de raad de mogelijkheid geven om die twee naast elkaar te leggen, dat geldt natuurlijk voor het college ook, dat je dan twee informatiebronnen hebt die je met elkaar combineert en vervolgens verder komt. De heer Van der Linden: Ja, nou, ik ga het even na, nogmaals. Volgens mij is het onderzoek waar het dan over zou kunnen gaan, is een verplicht onderzoek. Maar dat weet ik niet helemaal zeker. En narratief evalueren is natuurlijk gewoon een methodiek. Ik heb zelf in mijn arbeidsverleden ook een tijdlang organisatieonderzoek gedaan en daar heel vaak narratief onderzoek, iets soortgelijks gedaan, waar andere bureaus met kwantitatief onderzoek bezig waren. En met narratief onderzoek haal je veel, haal je andere dingen op die ook interessanter en soms ook warmer zijn. Dus ik ga dat eventjes na. Ja?

36

De voorzitter: Oké. Nou, dank u wel, wethouder, dat was dan duidelijk. 5. Raadsinformatiebrief over onafhankelijke cliëntondersteuning en het Adviesen Meldpunt Jeugd Dordrecht - Raadsinformatiebrief De voorzitter: Dan kom ik aan het eind met de vraag om een conclusie te trekken over het vervolg van de behandeling van deze rib en het rapport Advies- en Meldpunt Jeugd. En mijn voorstel zou zijn om het aan te houden ter behandeling van het onderdeel onafhankelijke cliëntondersteuning. Dat gaat dus over de organisatorische inbedding van het meldpunt en de onafhankelijke ondersteuning per commissiebehandeling op 14 december aanstaande. Voor wat betreft het onderdeel jeugdhulp, om dat aan te houden tot aanbieding van de gewijzigde Verordening Jeugdhulp. En mijn vraag is of u zich daarin kunt vinden? Nou, dat is het geval, dan gaan we dat zo doen. Dank u wel. 7. RIB DG&J Eindrapportage IGJ rapport 8. Brief van Ouderplatform ZHZ met reactie op regiorapport vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd De voorzitter: Dan kom ik bij het vervolg, dat is de conclusie over de RIB DG&J, over de eindrapportage IGJ rapport en de bijbehorende brief van het Ouderplatform Zuid-Holland Zuid met reactie op regiorapport vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd. Het voorstel is om die ter kennisgeving aan te nemen door de commissie. Oké. Prima.

En dan hebben we de … De heer Van Verk: Nou, voorzitter, ja. De voorzitter: Ja? De heer Van Verk: Ik was misschien niet zo snel met reageren. Ik zou die brief eigenlijk willen aanhouden tot nadere orde, laat ik zeggen, ook tot de vaststelling van de verordening uiterlijk. Omdat ik wel vind dat hier een aantal zaken inzitten waarvan je zou kunnen zeggen, dat zou je bij verordening zomaar kunnen regelen. De discussie rondom het wel of niet inkopen van bepaalde vormen van zorg hoort daar wel in thuis. Even los van of het kan ja of nee, dingen uitsluiten. Daar hebben we het net al even over gehad. De voorzitter: Ja, oké, dat is prima. Dan houden we die ook aan. 9. Wethoudersbrief Beantwoording diverse raadsvragen n.a.v. 1 e Burap SOJ 2021 De voorzitter: De wethoudersbrief dan vervolgens met de diverse vragen naar aanleiding van de eerste Burap SOJ 2021 van 22 oktober 2021, ter kennisgeving aannemen door de commissie is het voorstel. Nou, oké. Nou, dan sluit ik dit onderwerp af. Agendadeel: nieuwe behandelvoorstellen 10. Raadsinformatiebrief over Eigen bijdrage crisisopvang – Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Dordrecht - Raadsinformatiebrief

37

De voorzitter: Dan gaan we naar het agendadeel van de nieuwe behandelvoorstellen. Dan komen we bij punt 10, de raadsinformatiebrief over de eigen bijdrage crisisopvang, Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Dordrecht. En het voorstel is, u wordt geadviseerd deze raadsinformatiebrief ter kennisgeving door te sturen naar de gemeenteraad. Akkoord. 11. Afdoening Toezegging 210330/T4 Opbouw in tarifering De voorzitter: Dan gaan we naar punt 11, dat gaat over de afdoening van de toezegging. En dan staat er 210330/T4, opbouw in tarifering. U wordt voorgesteld de afdoening van toezegging voor kennisgeving aan te nemen. De fractie van het CDA heeft aangegeven dit punt ter bespreking te willen agenderen met de volgende onderbouwing: uit de geleverde informatie blijkt dat er voor twee verenigingen afwijkende afspraken zijn gemaakt over de door de vereniging te dragen kosten voor kunstgrasvelden. Dit geldt voor DMHC en voor Oranje Wit. En deze posten drukken bij beide verenigingen behoorlijk op de begroting. Ook zijn eerdere toezeggingen gedaan dat deze systematiek of overal toegepast zou gaan worden en als dat niet zo zou zijn, de verrekening zou worden aangepast.

Dus het CDA, we zouden daarom dit stuk graag in de commissie willen agenderen met de volgende politieke vraag: hoe krijgen we de financiering van oudere kunstgrasvelden in lijn met de afspraken die nu gemaakt worden, zodat een gelijk speelveld ontstaat? En dan is de vraag of hier voldoende steun is van de aanwezige fracties. Ik kijk nog even naar het CDA, ik heb het zo goed verwoord? Mevrouw Van der Ham: Ja, voorzitter, prima, ik had het niet beter kunnen doen. De voorzitter: Nou, top. De heer Van der Net: Voorzitter? De voorzitter: Ja, mijnheer Van der Net. De heer Van der Net: Ja, nou ja, ik ken ook wel de historie en ik weet gewoon dat Oranje Wit twee kunstgrasvelden heeft, waarvan het hoofdveld, dat ze dat voor de helft zelf hebben betaald. Dus daar zit ook een reden achter, die bij die andere vereniging weet ik niet. Maar ik bedoel: ik ben voor een gelijk speelveld maar in het geval van Oranje dit is er ook. De voorzitter: Oké, maar ik heb net … De heer Van der Net: ... De voorzitter: Ja, maar het gaat er nu niet om dat punt nu inhoudelijk te bespreken maar de fractie van het CDA … De heer Van der Net: Ja, maar ik geef het even mee. Ik ben wel voor om dit te bespreken, dan kunnen we het erover hebben. De voorzitter: Oké, VVD. Mijnheer Van Verk.

38

De heer Van Verk: Ja, voorzitter, ik constateerde dat de politieke vraag begint met het woordje, hoe, en vorige week heb ik daar al op gewezen hoe-vragen zijn eigenlijk technische vragen, want je wil iets. Dus ik zou of de politieke vraag wat willen ombuigen, of het CDA willen vragen die wat om te buigen? Dan wel de vraag stellen aan de wethouder, hoe hij op welke wijze dus hij dit denkt te realiseren? En dan kan je daar een politieke discussie over voeren of je dat wel of niet wenselijk vindt. De voorzitter: Nou, goed, dus als het woordje hoe erin blijft staan geeft u geen steun en als mevrouw Van der Ham die vraag iets anders formuleert, dan misschien wel? De heer Van Verk: Het gaat even om dat we moeten voorkomen dat technische vragen, want dan weet ik precies wat er gebeurt, dan gaat die wethouder daar zitten orakelen met een heel mooi verhaal, en dan zeggen we allemaal ja of allemaal nee, dat is net naargelang. Ik wil echt een politieke discussie erover hebben. Dus dan moet je de vraag echt wel even wat meer politiek maken. En dat kan mevrouw Van der Ham als geen ander. De voorzitter: Dat denk ik ook.

Mevrouw Van der Ham: Voorzitter, dan zou ik de politieke vraag willen herformuleren naar: willen wij de financiering van oudere kunstgrasvelden in lijn brengen met de afspraken die nu gemaakt worden zodat er gelijk speelveld ontstaat? De voorzitter: Nou, volgens mij een topformulering. De heer Van Verk: Helemaal goed. De voorzitter: Nou, ik zie de heer Van Verk inmiddels al knikken dus die heeft dus … Nou, en de heer Van der Net had de toezegging al gedaan. Hoeveel fracties zijn er nodig? Vijf. Dus we zoeken er nog drie. Wie kan daar nog meer steun aan verlenen? Mevrouw Nijhof? Mevrouw Nijhof: Ja, wij verlenen steun. De voorzitter: Fractie Nijhof. Nog twee. Nou, GroenLinks geeft steun. Mijnheer Boersma? De heer Boersma: Voorzitter, ja, op zich kan ik hem ook steunen. Ik zit me vast even praktisch te bedenken of we dit apart moeten doen dan of dat we hem even straks moeten koppelen aan de Sportparkenvisie want er zit natuurlijk wel een link. Want daar staat ook een hoofdstukje in volgens mij over het beheer van sportparken, waar dit natuurlijk ook gewoon een onderdeel van is. De voorzitter: Ja, volgens mij … De heer Boersma: Maar dat moeten we misschien straks bij de termijnagenda maar even bekijken. De voorzitter: Het zou goed zijn inderdaad … Mevrouw Van der Ham: Voorzitter?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/395/documents/15335