CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 25-92 Bijl2- Concept- Notitie Reikwijdte en Detailniveau, versie 5 juni 2025

Commissie Fysieke leefomgeving 22 januari 2026, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven13.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

CO₂-buisleidingen De CO2-buisleidingen zijn parallel met het tracé van de waterstofbuisleiding geprojecteerd. Tracédeel 6 Moerdijk tot aan Oosterhout Waterstofbuisleiding Vanaf Moerdijk ligt het tracé meer dan 10 km in de PEH geprojecteerd. Ten oosten van Zevenbergschen Hoek komt het tracé naast andere buisleidingen in de PEH te liggen. Bij industrieterrein Weststad nabij Oosterhout is de PEH versmald en vrijwel volledig gevuld met bestaande buisleidingen. Industrieterrein Weststad is een knelpunt waarvan de wijze van kruising technisch verder moet worden onderzocht. CO₂-buisleidingen De CO2-buisleidingen zijn parallel met het tracé van de waterstofbuisleiding geprojecteerd. Tracédeel 7 Oosterhout tot en met Tilburg Waterstofbuisleiding In de PEH tussen Oosterhout en Tilburg zijn al veel buisleidingen aanwezig. Het tracé ligt hier deels in de PEH, en deels buiten de PEH parallel aan bestaande buisleidingen. Wegens gebrek aan ruimte ter hoogte van Dongen en bij Tilburg komen de leidingen mogelijk buiten de PEH. De exacte wijze van kruising van deze knelpunten moet verder worden onderzocht. CO₂-buisleidingen De CO2-buisleidingen zijn parallel met het tracé van de waterstofbuisleiding geprojecteerd. Tracédeel 8 Tilburg tot aan Boxtel (kinderbos) Waterstofbuisleiding In het deel tussen Tilburg en Boxtel kan het tracé grotendeels binnen de PEH blijven.

Het tracé ligt vanaf Tilburg circa 6 km aan de zijkant van de PEH, ter hoogte van Oisterwijk liggen er meerdere bestaande buisleidingen in de PEH waar het tracé parallel aan komt te liggen. Bij Lennisheuvel is een zoekgebied voor het einde van het tracé DRC West. CO₂-buisleidingen De CO2-buisleidingen zijn parallel met het tracé van de waterstofbuisleiding geprojecteerd. De CO2buisleidingen buigen niet af naar het zoekgebied bij Lennisheuvel

26 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

5 WAT GAAN WE ONDERZOEKEN? 5.1

Inleiding

In het MER wordt onderzoek gedaan naar de milieueffecten van de aanleg, het gebruik en het onderhoud van de waterstof en CO2-buisleidingen en bijbehorende infrastructuur (zoals bijvoorbeeld afsluiterschema’s). Dit hoofdstuk beschrijft hoe Hynetwork en CC(U)S Holding de effecten van het tracé gaan onderzoeken in het plan-MER en het project-MER. In dit hoofdstuk wordt besproken: - te beschouwen situaties (5.2); - beoordelingskader (5.3); - methodiek (5.4); - cumulatie (5.5); - raakvlakprojecten (5.6).

5.2

Te beschouwen situaties

In het MER wordt gekeken naar de milieueffecten van drie verschillende situaties. Deze drie verschillende situaties worden in afbeelding 5.1 schematisch weergegeven.

Afbeelding 5.1 Schematische weergave van de te beoordelen situaties

In het MER worden de milieueffecten van de projectsituatie vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de bestaande situatie van het milieu en de autonome ontwikkelingen in het studiegebied, zonder de aanleg van de DRC West. De projectsituatie bestaat uit de referentiesituatie, aangevuld met de situatie als de DRC West is gerealiseerd. Dit is in lijn met de mer-methodiek, die volgt uit Nederlandse en Europese milieu wet- en regelgeving.

27 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

Studiegebied en plangebied Voor de bepaling van de milieueffecten van bovenstaande situaties wordt aangesloten bij het studiegebied. Dit gebied kan afwijken van het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen wordt gezocht naar een geschikte invulling voor de realisatie van buisleidingen voor waterstof en CO2 voor DRC West (Maasvlakte tot aan Boxtel). Het studiegebied is het gebied waar de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit is het gebied dat onderzocht wordt in het MER. De grootte van dit gebied kan per milieuaspect verschillen en groter zijn dan het plangebied. Bijvoorbeeld, geluidseffecten van de aanleg van de DRC West gaan verder dan het plangebied zelf. In het MER zal de precieze omvang van het studiegebied per milieuaspect worden onderbouwd. Bestaande situatie De relevante kenmerken en waarden voor alle milieuthema’s in en rondom het zoekgebied worden uitgebreid beschreven in het plan-MER en project-MER. Een omschrijving van de bestaande situatie is een belangrijke basis voor de beoordeling van milieueffecten. Autonome ontwikkelingen Autonome ontwikkelingen zijn plannen of projecten waarbij de ruimtelijke procedures zijn doorlopen en bestemmingsplannen/omgevingsplannen zijn gewijzigd of (in ontwerp) vastgesteld. Autonome ontwikkelingen zijn onderdeel van de referentiesituatie in het plan-MER.

Bijvoorbeeld het Porthos project voor opslag en transport van CO2 onder de Noordzee. In het MER DRC West worden alle autonome ontwikkelingen in kaart gebracht en beoordeeld. Raakvlakprojecten en meekoppelkansen Het voornemen speelt in een gebied met een veelheid aan waarden en functies en nationale, regionale en lokale opgaven. Het is belangrijk om bij de ruimtelijke inpassing van het voornemen rekening te houden met andere ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in het gebied. Daarbij zijn raakvlakprojecten en meekoppelkansen van belang. Deze maken geen onderdeel van het voornemen DRC West. Raakvlakprojecten en meekoppelkansen kennen een eigen initiatiefnemer, die zelf verantwoordelijk is voor besluitvorming, vergunningen, ontwerp, budget en planning. Een raakvlakproject is een initiatief waar het voornemen DRC West in het algemeen een raakvlak mee heeft. Dat kan bijvoorbeeld een ander rijks- of regionaal voornemen zijn. Met deze projecten vindt afstemming plaats. In paragraaf 5.6 zijn de raakvlakprojecten beschreven. Een meekoppelkans is een mogelijkheid om, als dat efficiënter is, een initiatief tegelijkertijd met het voornemen aan te leggen. Het voornemen DRC West onderzoekt samen met de initiatiefnemer van de mogelijke meekoppelkans of het inderdaad haalbaar is om het initiatief tegelijk te realiseren. Een meekoppelkans wordt geen onderdeel van het voornemen DRC West.

Een meekoppelkans kent een eigen initiatiefnemer, die zelf verantwoordelijk is voor besluitvorming, vergunningen, ontwerp, budget en planning. Benodigde informatie moet tijdig door de initiatiefnemer aangeleverd worden bij het voornemen om te kunnen besluiten of de meekoppelkans samen met het voornemen kan worden gerealiseerd. Indien dit niet haalbaar blijkt, worden afspraken gemaakt om realisatie van de meekoppelkans op een later moment, los van het voornemen, niet onmogelijk te maken. In reactie op de Kennisgeving van het Voornemen en het voorstel voor Participatie (eerste stap van de projectprocedure, zie paragraaf 3.2) kunnen initiatiefnemers van raakvlakprojecten en mogelijke meekoppelkansen zich melden. Daarnaast brengen Hynetwork en CC(U)S Holding ook actief raakvlakprojecten en mogelijke meekoppelkansen in beeld. Raakvlakprojecten en meekoppelkansen zijn geen onderdeel van de referentiesituatie.

28 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

5.3

Beoordelingskader

Het beoordelingskader beschrijft welke milieueffecten we onderzoeken (welke milieuthema’s), op welke manier we dit doen (welke methodes), en hoe we de effecten beoordelen. Hierbij maken we onderscheid tussen de aanleg- en gebruiksfase: - effecten in de aanlegfase zijn het gevolg van de fysieke werkzaamheden om de DRC West te realiseren. De aanlegfase is tijdelijk, maar de effecten die in deze fase plaatsvinden kunnen permanent zijn; - effecten in de gebruiksfase ontstaan door het in werking zijn van de DRC West nadat deze volledig is gerealiseerd. In tabel 5.1 is het beoordelingskader voor het MER weergegeven. In deze tabel is een overzicht van de milieuthema’s en aspecten (kolom 1), criteria (kolom 2) en wijze van beoordelen (kolom 3) opgenomen. Thema’s zijn verder gespecificeerd in beoordelingsaspecten en per aspect worden één of meerdere criteria gehanteerd voor de wijze van beoordelen van het tracé. Hierbij wordt zowel gekeken naar positieve als naar negatieve effecten. De wijze van beoordelen wordt in onderstaande tabel kort beschreven en per thema verder uitgewerkt in het MER. Thema’s, beoordelingsaspecten en criteria: wat is het verschil? Een thema is een groep van meerdere beoordelingsaspecten, bijvoorbeeld het thema water. De beoordelingsaspecten die binnen dit thema vallen zijn: grondwater en oppervlaktewater.

Het criterium is een specifiekere omschrijving van waarop er beoordeeld wordt bij een beoordelingsaspect. Voor het beoordelingsaspect oppervlaktewater is het criterium bijvoorbeeld ‘invloed op oppervlaktewaterkwaliteit’. In het MER worden de milieueffecten in beeld gebracht en beoordeeld op een detailniveau dat past bij de besluitvorming. Hierbij maken we het onderscheid tussen het plan-MER en project-MER: - het plan-MER is erop gericht de vereiste milieu-informatie te verzamelen ter ondersteuning bij de keuze voor de planologisch benodigde ruimte voor het projectbesluit. Hierbij wordt gebruik gemaakt van openbare data en bestaande onderzoeken (bureauonderzoeken en GIS-analyses). De beschrijving van de effecten zal voornamelijk kwantitatief en globaal van aard zijn en opgebouwd zijn uit bureaustudies, analyses met beschikbare kaarten, data en kentallen en een deskundigenoordeel door vakspecialisten. Het plan-MER vormt de basis voor het besluit voor de VKB. In het plan-MER onderzoeken we een bredere corridor rondom het tracé. Het opruimen aan het eind van de levensduur is integraal onderdeel van het plan-MER.

Er wordt vanuit gegaan dat de milieueffecten daarvan gelijk of minder zijn dan van de aanlegwerkzaamheden; - het project-MER is erop gericht om de milieugevolgen van de planologisch benodigde ruimte voor het projectbesluit gedetailleerder in beeld te brengen en leidt tot een projectbesluit en de mee gecoördineerde vergunningen. In deze fase vindt meer kwantitatief en gedetailleerd onderzoek plaats met een accent op veldonderzoek of modelberekeningen. Als uit de milieuonderzoeken blijkt dat mitigatie of compensatie nodig is, kan dit ook worden meegenomen in de afweging.

29 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

Tabel 5.1 Voorlopig beoordelingskader voor het MER Thema en aspect

Criterium

Methode

Aanleg/ gebruik

bodemkwaliteit

invloed op de bodemkwaliteit

plan-MER: bepalen aantal en locaties van bekende verontreinigingen en invloed aanleg DRC West (GISanalyse aantal doorsnijdingen verdachte gebieden) project-MER: aansluiten bij resultaten van het plan-MER, uitvoeren van veld- en bodemonderzoeken (bv. cultuurtechnisch onderzoek)

aanleg

draagkracht

risico op zettingen (inklinken van de bodem)

plan-MER: bepalen van de zettingsrisico’s op basis van bodemopbouw-informatie (GIS-analyse, aantal kruisingen van keringen, ligging in beschermingszone van keringen en zetting bij keringen, lengte binnen risicogebieden) project-MER: aansluiten bij resultaten van het plan-MER, uitvoeren van veld- en bodemonderzoeken (indien nodig)

aanleg/ gebruik

invloed op afgeleide effecten door veranderingen in grondwater (grondwaterkwaliteit, grondwaterstand, grondwaterstroming)

plan-MER: bepalen van de omvang van grondwateronttrekking, op basis van kentallen en ontwerpuitgangspunten. Afgeleide effecten op basis van het bepalen beïnvloedingsgebied (GIS-analyse gevoelige gebieden en functies binnen beïnvloedingsgebied) project-MER: aansluiten bij de resultaten van het bemalingsadvies

aanleg

invloed op waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en KRWgrondwaterlichamen.

plan-MER: bepalen van de omvang van grondwateronttrekking en grondwerk, op basis van kentallen en ontwerpuitgangspunten (GIS-analyse waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en KRW-grondwaterlichamen binnen beïnvloedingsgebied) project-MER: aansluiten bij de resultaten van het bemalingsadvies

aanleg

invloed op (KRW)oppervlaktewater (kwaliteit en kwantiteit) en waterberging

plan-MER: bepalen invloed op de oppervlaktewater(kwaliteit) en waterberging (GISanalyse ligging / doorkruising (lengte / oppervlakte), uitvoeren van een waardebepaling met bureauonderzoek project-MER: bepalen invloed op de oppervlaktewater(kwaliteit) en waterberging op basis van het basisontwerp

aanleg

toename verharding

plan-MER: niet van toepassing project-MER: berekenen van de toename van verhard oppervlak op basis van het basisontwerp

effecten op habitattypen en soorten Natura 2000

plan-MER: kwalitatief bureauonderzoek op basis van de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden, verspreidingskaarten, in een voorlopige Passende Beoordeling; kwantitatieve AERIUS-berekeningen voor de werkzaamheden voor het tracé (verwachte materieelinzet) (aanlegfase); project-MER kwalitatief bureauonderzoek en veldonderzoek in de definitieve Passende Beoordeling (en evt. ADC-toets); kwantitatieve AERIUS-berekening van de werkzaamheden op basis van het basisontwerp (aanlegfase)

Bodem

Water grondwater

oppervlaktewater

gebruik

Natuur Natura 2000

30 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

aanleg/ gebruik

Thema en aspect

Criterium

Methode

Aanleg/ gebruik

Natuur Netwerk Nederland (NNN) en overige beschermde gebieden

effecten op NNN en leefgebieden weide- en akkervogels

plan-MER: kwalitatief bureauonderzoek op basis van (beleids)kaarten en kwantificeren oppervlakteverlies weide- en akkervogelleefgebieden (GIS-analyse) project-MER: aansluiten bij de resultaten uit het mitigatie- en compensatieplan

aanleg/ gebruik

overige soorten

effecten op overige beschermde soorten en Rode Lijstsoorten

plan-MER: kwalitatief bureauonderzoek op basis van verspreiding(kaarten) van soorten (ondersteunde oriënterende veldbezoeken bij onduidelijkheden vanuit de bureaustudies) en voorkomen van soorten in landschapstypen (biotopen); project-MER: aansluiten bij resultaten uit gericht soortenonderzoek in het veld, eventueel aangevuld met additionele veldbezoeken (mitigatie- en compensatieplan)

aanleg/ gebruik

houtopstanden

effecten op houtopstanden

plan-MER: berekenen van het oppervlakteverlies (GISanalyse) en uitvoeren van een waardebepaling met bureau-onderzoek; project-MER: aansluiten bij resultaten uit de bomeninventarisatie

aanleg/ gebruik

invloed op natuurlijk landschappelijke waarden

plan-MER: bepalen van de invloed op natuurlijk landschappelijke waarden, (GIS-analyse ligging / doorsnijding (lengte / oppervlakte) en uitvoeren van een waardebepaling met bureauonderzoek project-MER: aansluiten bij resultaten van het plan-MER, aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien noodzakelijk)

aanleg/ gebruik

invloed op groene kwaliteiten, gebiedskenmerken, patronen en elementen

plan-MER: bepalen van de invloed op groene kwaliteiten, gebiedskenmerken, patronen en elementen en hun samenhang (GIS-analyse ligging / doorsnijding (lengte / oppervlakte) en uitvoeren van een waardebepaling met bureauonderzoek project-MER: aansluiten bij resultaten van het plan-MER, aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien nodig)

aanleg/ gebruik

cultuurhistorie

invloed op de cultuurhistorische waarden

plan-MER: bepalen van de invloed op historische (steden-)bouw en geografie (GIS-analyse ligging / doorsnijding (lengte / oppervlakte), verwachte materieelinzet), en uitvoeren van een waardebepaling met bureau-onderzoek project-MER: op basis van resultaten van het plan-MER, aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien nodig)

aanleg/ gebruik

aardkunde

invloed op de aardkundige waarde

plan-MER: bepalen van de ligging van leidingen ten opzichte van aardkundige waarden en monumenten (GIS-analyse doorsnijding (lengte / oppervlakte), verwachte materieelinzet), uitvoeren van een waardebepaling met bureauonderzoek project-MER: op basis van resultaten plan-MER, al dan niet aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien nodig)

aanleg/ gebruik

archeologie

invloed op bekende archeologische waarden

plan-MER: bepalen van de ligging van leidingen ten opzichte van bekende waarden conform beleidskaarten (GIS-analyse doorsnijding (lengte / oppervlakte), verwachte materieelinzet), uitvoeren van een waardebepaling met een quickscan.

aanleg

Landschap, cultuurhistorie, archeologie landschap

31 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

Thema en aspect

Criterium

Methode project-MER: uitvoeren nader bureauonderzoek conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, inclusief benodigde vervolgstappen (veld- en bodemonderzoek)

Aanleg/ gebruik

aanleg

invloed op verwachte archeologische waarden

plan-MER: bepalen van de ligging van leidingen ten opzichte van bekende waarden conform beleidskaarten (GIS-analyse doorsnijding (lengte / oppervlakte), verwachte materieelinzet), uitvoeren van een aardebepaling met een quickscan project-MER: uitvoeren nader bureauonderzoek conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, inclusief benodigde vervolgstappen (veld- en bodemonderzoek)

plaatsgebonden risico

veiligheidscontouren

plan-MER: bepalen van oppervlakte binnen veiligheidscontouren (GIS-analyse) project-MER: bepalen van oppervlakte binnen veiligheidscontouren op basis van het basisontwerp (GIS-analyse)

gebruik

aandachtsgebieden

aandachtsgebieden en voorschriftgebieden

plan-MER: bepalen van oppervlakte binnen aandachtsgebieden en voorschriftgebieden (GIS-analyse) project-MER: bepalen van oppervlakte binnen aandachtsgebieden en voorschriftgebieden op basis van het basisontwerp (GIS-analyse)

gebruik

geluid

geluidhinder op de geluidgevoelige objecten

plan-MER: bepalen van het aantal gevoelige gebouwen en belast oppervlakte binnen richtafstanden van de werkzaamheden (GIS-analyse, verwachte materieelinzet); kwalitatieve beschouwing van de geluideffecten project-MER: bepalen van het aantal gevoelige gebouwen en belast oppervlakte binnen de berekende geluidcontouren van de werkzaamheden, op basis van het basisontwerp (GIS-analyse, verwachte materieelinzet)

aanleg/ gebruik

trillingen

trillinghinder

nader uit te werken in het MER

aanleg

invloed op functies

plan-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding woonbestemming, bedrijfsbestemming, recreatiebestemming, kabels- en leidingen, wegen en spoorverbindingen (GIS-analyse aantallen en lengte) project-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding op basis van het basisontwerp, aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien nodig)

aanleg/ gebruik

beperking voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen

plan-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding bekende, mogelijke toekomstige ontwikkelingen (GIS-analyse aantallen en lengte) project-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding op basis van het basisontwerp

invloed op de landbouw

plan-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding akkerland, grasland, overig agrarisch gebruik (GIS-analyse aantallen en lengte) project-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding op basis van het basisontwerp (GIS-analyse aantallen en lengte), aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien nodig)

Externe veiligheid

Geluid en trillingen

Gebruiksfuncties wonen, werken, recreatie en toerisme, kabelsen leidingen, wegen en spoorverbindingen, vaarwegen

landbouw

verkeer

verkeershinder

32 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

plan-MER: niet van toepassing

aanleg/ gebruik

aanleg/ gebruik

Thema en aspect

Methode

Aanleg/ gebruik

project-MER: beschrijven verkeershinder door o.a. wegafsluitingen

aanleg/ gebruik

Invloed op functies

plan-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding watergangen en - keringen (GIS-analyse aantallen en lengte) project-MER: bepalen oppervlakte doorsnijding op basis van het basisontwerp, aangevuld met gerichte veldbezoeken (indien nodig)

aanleg/ gebruik

energie en CO2

energiegebruik en CO2uitstoot

plan-MER: berekenen op basis van kengetallen (verwachte materieelinzet) project-MER: berekenen op basis van het basisontwerp

aanleg

circulariteit

grondstofgebruik

plan-MER: berekenen van de materiaalomvang op basis van kengetallen en lengte tracé project-MER: berekenen op basis van het basisontwerp

aanleg

activiteiten in verdachte gebieden voor ontplofbare oorlogsresten

plan-MER: niet van toepassing project-MER: bepalen aantal en locaties van verdachte gebieden met kwalitatief bureauonderzoek op basis van historische data

aanleg

invloed op luchtkwaliteit

plan-MER: bepalen van het aantal gevoelige gebouwen binnen de richtafstanden van de werkzaamheden (GISanalyse, verwachte materieelinzet) (aanlegfase); kwalitatieve beschouwing van de luchteffecten (gebruiksfase) project-MER: bepalen van het aantal gevoelige gebouwen binnen de berekende luchtcontouren van de werkzaamheden, op basis van het basisontwerp (GISanalyse, verwachte materieelinzet) (aanlegfase)

aanleg/ gebruik

Invloed op milieugezondheidskwaliteit

plan-MER: kwalitatieve beschrijving op basis van lucht en geluidseffecten project-MER: aansluiten op basis van kwalitatieve berekening , eventueel aangevuld met een GES- of MGR-methodiek (indien relevant)

aanleg/ gebruik

Watergangen en keringen

Criterium

Duurzaamheid

Ontplofbare oorlogsresten ontplofbare oorlogsresten

Luchtkwaliteit luchtkwaliteit

Gezondheid Gezondheid

5.4

Methodiek

Het tracé wordt beoordeeld op basis van een klasse-indeling met zeven categorieën (scores van -- tot ++). Het gebruik van een zevenpuntschaal voor de afweging van het tracé helpt om de positieve en negatieve effecten duidelijk te onderscheiden en beter geïnformeerde beslissingen te nemen. Daarnaast kunnen op deze wijze de risico’s en kansen van de uiteindelijk gekozen planologisch benodigde ruimte voor het projectbesluit in het project-MER in beeld worden gebracht. In tabel 5.2 zijn een algemene beschrijving en kleurcodes van de zeven categorieën opgenomen. In het planMER en project-MER wordt de beschrijving per aspect en criterium uitgewerkt.

33 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

Tabel 5.2 Beoordelingsschaal Score

Betekenis

Omschrijving

++

sterk positief effect

effecten die bijdragen aan sterke verbetering van de milieukwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie

+

positief effect

effecten die bijdragen aan verbetering van de milieukwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie

0/+

beperkt positief effect

effecten die bijdragen aan geringe verbetering van de milieukwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie

0

neutraal effect

geen of nauwelijks effecten op het milieu ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

beperkt negatief effect

effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot een beperkte verslechtering van het milieu ten opzichte van de referentiesituatie. Er treedt geen onherstelbare schade op voor het systeem, eventuele normen worden niet overschreden en/of de effecten zijn te beperken of voorkomen door mitigatie

-

negatief effect

effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot een verslechtering van het milieu ten opzichte van de referentiesituatie. Er treedt geen onherstelbare schade op voor het systeem en eventuele normen worden niet overschreden

--

sterk negatief effect

effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot een sterke verslechtering van het milieu ten opzichte van de referentiesituatie, waarbij er geen zicht is op mitigatie. Dit zijn vaak effecten die (onherstelbare) schade toebrengen aan het systeem of tot een normoverschrijding leiden

Het MER bevat objectieve effectbeschrijvingen en -beoordelingen die zijn opgesteld door vakexperts. Er wordt geen weging of volgordelijkheid gegeven aan de verschillende criteria. Ook leemtes in kennis worden objectief beschreven in onderzoeken. Als uit de milieuonderzoeken blijkt dat mitigatie of compensatie nodig is, kan dit ook worden meegenomen in de afweging. De uitwerking van de maatregelen volgt in het projectMER.

5.5

Cumulatie

Cumulatie betekent letterlijk ‘optellen’. In dit geval gaat het om het optellen van mogelijke (negatieve) effecten. Het totale effect kan groter zijn dan de optelsom van de individuele effecten. Deze opgetelde mogelijke effecten geven een volledig beeld van de gevolgen in het gebied. Daarom worden de milieuaspecten in het MER ook beoordeeld op cumulatie. Dit wordt beoordeeld aan de hand van een effectbeschrijving ten opzichte van de referentiesituatie. DRC West is niet het enige voornemen dat in het gebied speelt. Ook andere projecten worden ontwikkeld, denk aan de Delta Schelde Co2nnection of Waterstofnetwerk Oost-Nederland. Deze projecten kunnen ook positieve of negatieve effecten hebben op het milieu. Het kan zijn dat projecten los van elkaar op een bepaald milieuthema kleine negatieve effecten hebben, met weinig gevolgen voor dat specifieke milieuthema. Als deze effecten samen worden bekeken kan het zijn dat het bij elkaar opgeteld grote negatieve effecten heeft op een milieuthema. In DRC West bestaat de kans dat de buisleidingen in verschillende fases wordt aangelegd. In dat geval tellen we de milieueffecten ook cumulatief. In de DRC West nemen we de effecten van alle projecten waar al een besluit over is genomen mee in de beoordeling. In het MER DRC West worden deze projecten verder uitgewerkt. Deze projecten vallen onder de referentiesituatie (zie paragraaf 5.2).

34 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

5.6

Raakvlakprojecten

Bij de verdere uitwerking van de DRC West en de bijbehorende besluitvorming wordt vanuit integraliteit rekening gehouden met andere initiatieven binnen het onderzoeksgebied (zie paragraaf 5.2). Het betreft Rijksinitiatieven in het kader van de energietransitie, maar ook overige Rijks- en regionale ruimtelijke plannen. In de volgende fase wordt gestart met de nodige onderzoeken en het technisch ontwerp. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe de DRC West zich verhoudt tot de andere initiatieven met een ruimtelijke impact in het onderzoeksgebied. Bijbehorende afwegingen en keuzen zullen worden toegelicht evenals de afstemming daaromtrent met de betrokken bevoegde gezagen. Naast de vastgestelde regionale ruimtelijke plannen van provincies, gemeenten en waterschappen is er binnen het onderzoeksgebied van de DRC West sprake van de onderstaande Rijksinitiatieven in het kader van de energietransitie. Waterstofnetwerk West-Nederland Het project Waterstofnetwerk West-Nederland gaat over het aanleggen van een ondergrondse waterstofleiding. De leiding loopt van Spaarndam in Noord-Holland naar Mijnsheerenland in Zuid-Holland. Voor de aanleg wordt deels gebruik gemaakt van een bestaande aardgasleiding. De bestaande leiding moet nog wel geschikt gemaakt worden voor waterstof. Waar dat niet kan, wordt een nieuwe leiding aangelegd.

Aramis Het Aramis initiatief omvat een grootschalige transportinfrastructuur voor opslag van CO2 in lege gasvelden onder de Noordzee. Door CO2 permanent op te slaan, wordt voorkomen dat deze in de atmosfeer terechtkomt, waardoor het geen bijdrage levert aan klimaatverandering. Het kabinet stimuleert CO2-opslag, omdat er op korte termijn voor de industrie nog onvoldoende CO2-vrije alternatieven beschikbaar zijn. Net op zee - Nederwiek 3 Het doel is het realiseren van een ondergrondse hoogspanningsverbinding van het windenergiegebied Nederwiek in de Noordzee naar de gemeente Geertruidenberg. Deze ondergrondse hoogspanningsverbinding is nodig om de duurzame energie, die in de toekomst op zee wordt opgewekt vanuit dit windenergiegebied, naar land te kunnen transporteren. Programma Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) 2031-2040 In het Klimaatakkoord is afgesproken om de Nederlandse energievoorziening te verduurzamen. Dit vermindert de CO2-uitstoot en gaat klimaatverandering tegen. Windenergie op zee speelt hierbij een grote rol. De op de Noordzee opgewekte energie moet via stroomkabels en waterstofleidingen aan land worden gebracht en worden aangesloten op het hoogspanningsnet en waterstofnetwerk. Het Programma Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) 2031-2040 onderzoekt dit voor de geplande 29 GW aan windenergie op zee die we tussen 2031 en 2040 willen realiseren.

Hoog- en middenspanningsstations Port of Moerdijk TenneT wil een nieuw 380 kV-hoogspanningsstation en een nieuw 150 kV-hoogspanningsstation bouwen in de omgeving van het haven- en industrieterrein Moerdijk in Noord-Brabant. In het project wordt tegelijkertijd een locatie gezocht voor een 20 kV-middenspanningsstation van Enexis. Waterstofnetwerk Zuidwest-Nederland Het Waterstofnetwerk Zuidwest-Nederland verbindt het industriecluster Zeeland in noordelijke richting met Moerdijk en in zuidelijke richting met België. Het loopt vanaf de Belgische grens bij Sas van Gent via Zeeuws-Vlaanderen naar West-Brabant, met een aftakking naar Borsele en het Sloegebied in Vlissingen.

35 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

Waterstofnetwerk Oost-Nederland Een bestaande aardgasleiding wordt omgebouwd naar een leiding voor het transport van waterstofgas. Dit houdt in dat bestaande leidingen door kleine aanpassingen bruikbaar wordt gemaakt voor het transport van waterstofgas. De buisleiding loopt van Ommen, via Angerlo en Ravenstein naar Boxtel. Er wordt een aftakking gemaakt vanaf Angerlo naar de Duitse grens bij Zevenaar. Rond alle Rijks- en regionale initiatieven vindt reeds afstemming plaats tussen de Rijksoverheid, de regionale bevoegde gezagen en de initiatiefnemers. De DRC West is hier bij aangesloten. Met de afstemming wordt de integraliteit geborgd tussen alle initiatieven, conform het zogenaamde gebiedsgericht werken. Naast het gebiedsgericht werken op provincie-niveau zijn aanvullende overleggen georganiseerd voor de haven van Rotterdam en de Port of Moerdijk.

36 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

6 INTEGRALE EFFECTENANALYSE 6.1

Inleiding

In het MER worden de milieueffecten voor de verschillende opties voor het tracé onderzocht. Naast de milieueffecten vindt de minister van KGG het belangrijk om ook andere effecten mee te wegen in de keuze voor de VKB. Om deze reden wordt er voor de DRC West ook een Integrale Effectenanalyse (IEA) uitgevoerd. Door middel van effectenstudies wordt de impact van het tracé in beeld gebracht op vijf thema’s: techniek, toekomstvastheid, omgeving, kosten en milieu. In het IEA zetten we de bepalende effecten (grote en/of onderscheidende effecten) op deze thema’s overzichtelijk naast elkaar ter ondersteuning voor de te nemen VKB. Afbeelding 6.1 is een schematische weergave van het IEA-proces.

Afbeelding 6.1 Schematisch weergave IEA tot VKB

Op de thema’s techniek, toekomstvastheid, omgeving, kosten en milieu wordt informatie verzameld uit verschillende bronnen. Het plan-MER dient als bron voor één van deze thema’s (milieu).

37 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

6.2

Procedure

In de IEA wordt per thema de belangrijkste informatie uit de verschillende onderzoeken en rapportages samengevat. Hierbij staan de onderscheidende effecten van het tracé centraal. In tabel 6.1 is weergegeven welke informatie volgt uit welke onderzoeken of rapportages en hoe deze thema’s een plek krijgen in het IEA.

Tabel 6.1 Wijze waarop de thema’s uit het afwegingskader een plek krijgen in de IEA Thema

Onderzoek/rapport

Op welke wijze vindt de vertaling naar de IEA plaats?

analyse uitvoerbaarheid risicoanalyse complexiteit

onderscheidende beoordeling en grote kansen/risico’s van het tracé ten aanzien van: bereikbaarheid; leveringszekerheid; technische complexiteit; uitvoerbaarheid; beheer en onderhoud, en veiligheid

analyse toekomstvastheid

onderscheidende beoordeling en grote kansen/risico’s van het tracé ten aanzien van: ruimte voor de aanleg van toekomstige kabels en leidingen; flexibiliteit (mate waarin met de oplossing ingespeeld kan worden op zowel toekomstige ontwikkelingen als veranderende externe omstandigheden)

participatieverslag (verantwoording participatieproces)

benoemen van de belangrijkste en onderscheidende aandachtspunten van het tracé: zorgen, kansen en wensen vanuit omgevingspartijen; meekoppelkansen

kostenramingen en nota’s van het tracé

-

milieueffectrapport onderliggende onderzoeken

-

in beeld brengen van de investeringskosten en LCC (life cycle costs) van het tracé; kwalitatieve onderbouwing van belangrijkste verschillen zoals tracélengtes en complexe boringen

onderscheid tussen de milieueffecten van het tracé; volledig overzicht effecten in het MER, selectie van grote en/of onderscheidende effecten in de IEA

De IEA maakt geen weging tussen de verschillende effecten van het tracé. Op basis van deze informatie kunnen de minister van KGG en minister van VRO een integrale afweging maken en een keuze maken voor de planologisch benodigde ruimte voor het projectbesluit en de VKB.

38 | 38

Witteveen+Bos | 145966/25-008.957 | Definitief

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16361789/1