Bijlage 12 Aanvullend vleermuisonderzoek
Tekst van het document
15
Rond de bebouwing aanwezige kleine grondgebonden zoogdieren kunnen bij de sloop hun verblijfs-, voortplantings- of overwinteringsplaats kwijt raken. De meeste dieren zullen zo mogelijk een veilig heenkomen zoeken, maar met name in het voortplantingsseizoen is dat voor pasgeboren dieren wellicht niet uitvoerbaar en zullen dieren gedood worden of gewond raken. Het gaat veelal om algemene dieren met een hoge reproductiesnelheid, en op de instandhouding van de soorten zijn dan ook geen effecten te verwachten. Voor zover viel waar te nemen hebben de Gewone dwergvleermuizen geen verblijfof voortplantingsplaats in de te slopen of renoveren bebouwing. Voor de liftschacht van het te renoveren gebouw is dat niet zeker. De Rosse vleermuis is boombewonend en niet uit te sluiten is dat er exemplaren huizen in de te snoeien Paardenkastanje op het voorterrein van de Sint Josephstraat 39. Omdat de boom al volledig in blad was niet niet waar te nemen of er mogelijk spleten of holtes in de boom aanwezig zijn die als verblijfplaats dienst doen. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Dat geldt ook voor de te snoeien Hollandse linde op het voorterrein. Aanwezige vleermuizen foerageren (ook) boven het gebied; die functie blijft naar verwachting na een herbestemming van delen van het terrein volledig in stand.
Effecten op vogels Bij het veldbezoek zijn diverse vogelsoorten aangetroffen waarvan enkele broedend in de gebouwen. Aannemelijk is dat op zijn minst een deel van de aangetroffen vogels en mogelijk ook soorten die gemist zijn in de opgaande beplantingen op het terrein hun nest zullen hebben. De sloop- en bouwwerkzaamheden leiden ongetwijfeld tot extra verstoring in de vorm van geluid, beweging, stof, etcetera, maar zolang de directe omgeving van de nesten ongemoeid blijft zal dit naar verwachting niet van invloed zijn op de staat van instandhouding van de soorten. Als er voorafgaand aan de periode dat vogels hun nest maken met de werkzaamheden wordt begonnen zullen de vogels waarschijnlijk een nestplaats op gepaste afstand zoeken. Eenmaal broedende of voerende vogels in de omgeving van de werkzaamheden zullen ondanks enige verstoring proberen hun jongen groot te brengen. Bij kap van de bomen in het broedseizoen is er een reële kans dat er vogels en/of hun eieren verloren zullen gaan. Ook bij de sloop van in ieder geval de gebouwen 5 en 7 in het broedseizoen kan dit effect optreden. De aanvang en lengte van het broedseizoen verschilt per vogelsoort en is mede afhankelijk van de weersomstandigheden. In bijlage 1 is een globaal overzicht van de broedperiode van diverse soorten opgenomen.
Zo is die voor de waargenomen Kauw van april – juni en van de Pimpelmees van half februari – september. Sloop zou voor die soorten dus buiten die die periode moeten plaats vinden. Voor de verwilderde postduif is in de tabel geen broedperiode aangegeven. Deze soort kan net als andere duivensoorten eigenlijk het hele jaar tot broeden komen maar doet dit voornamelijk in het voorjaar en de zomer. Als er gesloopt wordt in een periode dat vogels aanwezig zijn is de kans van het verloren gaan van legsels dus groot. Duiven kunnen wel drie legsels per jaar hebben met meestal 2 eieren. De broedduur is 16-17 dagen, de jongen zitten 28-29 dagen op het nest en vanaf circa 35 dagen zijn ze volledig vliegvlug.
16
Effecten op amfibieën Niet uitgesloten is dat op het terrein verblijvende of overwinterende amfibieën bij het verwijderen van de verhardingen of de sloop van de bebouwing worden verstoord en gedood of gewond raken. Er is ook een redelijke kans dat dieren kunnen wegvluchten en een goed heenkomen zoeken. Omdat het om algemeen voorkomende soorten gaat is er geen effect op de staat van instandhouding van de soort te verwachten. Effecten op vlinders, libellen en overige ongewervelden. Vlinders, libellen en overige ongewervelden hebben in de huidige situatie vooral op het tot tuin bestemde gedeelte van het terrein mogelijkheden om eieren af te zetten, zich te verpoppen of te foerageren. Die mogelijkheden blijven in principe gehandhaafd zodat effecten op deze soortgroep niet te verwachten zijn. De Wijngaardslak is een delicatesse die in Nederland ook wel gekweekt wordt voor menselijke consumptie. Zolang toekomstige bezoekers van het terrein geen exemplaren verzamelen voor consumptie kan de soort hier stand blijven houden.
3.2. Mogelijkheden om de effecten te voorkomen, ongedaan te maken of te compenseren Door de werkzaamheden op de seizoenscycli van dieren af te stemmen zijn veel negatieve effecten te voorkomen. Voor broedende vogels kan door vòòr het seizoen dat de dieren hun nest maken met de werkzaamheden te starten bereikt worden dat dieren hun nestplaats iets verder weg zullen zoeken, zodat er later minder verstoring optreedt. Daarnaast kunnen effecten worden voorkomen door het rooien van voor broedvogels geschikte bomen alsmede het slopen van door broedvogels gebruikte gebouwen (gebouw 7) buiten het broedseizoen (van augustus tot begin maart) uit te voeren. Voor de in gebouw 5 nestelende duiven is het van belang vast te stellen wanneer de dieren niet op eieren broeden of jongen voeren. In die periode kunnen dieren zodanig verstoord worden dat ze een andere nestelplaats opzoeken. Vleermuizen kunnen het hele jaar door in holle bomen verblijven. In een aantal perioden zijn vleermuizen extra kwetsbaar: de voorzomer wanneer de jongen worden grootgebracht en de winter als vleermuizen in boomholtes overwinteren. Ook tijdens de nazomer zijn holtes belangrijk, omdat deze dan als paarplaats dienen.
Kappen of forse snoei wordt bij voorkeur uitgevoerd in de beschreven ‘minst ongunstige’ kap-periode tussen half september en half oktober of in het geval van paarplaatsen van half oktober tot half november. Voor de vos zal het lastig zijn het vlak bij gebouw 6 gelegen hol ongestoord te handhaven. Voor de zuidwestelijk gelegen holen is dat wel mogelijk door die zone bij een nieuwe inrichting van het terrein zo rustig en ongestoord mogelijk te houden. Dat kan met het handhaven en waar nodig herstellen van het hekwerk waarmee het Jal-terrein is afgescheiden van het natuurgebied de Bergen, en het afschermen en voor mensen en honden vrijwel ontoegankelijk maken van die zone met natuurlijke materialen zoals Meidoorn, Sleedoorn, Hondsroos en Braam. Amfibieën gebruiken hun overwinteringsplaats van begin november tot begin maart. Daarbij worden wellicht ruigtes op het onderzochte terrein gebruikt. In het voorjaar en de zomer zijn dergelijke terreingedeeltes ook een aantrekkelijk leef- en voortplantingsgebied voor kleine grondgebonden zoogdieren. Daarom wordt voorgesteld indien mogelijk buiten die periodes met de sloop te beginnen of als dat niet mogelijk is als er individuen van kleine grondgebonden zoogdieren of amfibieën worden aangetroffen deze in de gelegenheid te stellen een veilig heenkomen te zoeken.
17
4. Toets aan de Wet natuurbescherming, de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant en het ruimtelijk beleid 4.1. Wet Natuurbescherming In het onderzochte gebied komen wettelijk beschermde soorten voor. Het betreft vogels, vleermuizen, amfibieën en diverse zoogdiersoorten waar onder de Eekhoorn, Vos, Konijn en verschillende muizen. Met uitzondering van de Eekhoorn, vleermuizen en vogels betreffen de aangetroffen of te verwachten soorten uitsluitend nationaal beschermde soorten. Bij vogels is bewuste verstoring tijdens het broedseizoen onder de Wet natuurbescherming niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. Dit geldt alleen voor het verstoren en niet voor het vernielen of beschadigen van nesten. De jaarrond bescherming van nesten van een aantal vogelsoorten zoals dat in de Flora- en faunawet was geregeld is met de nieuwe wet ook vervallen. Het verstoren tijdens het uitvoeren van werkzaamheden zonder dat vooraf voldoende onderzoek heeft plaats gevonden wordt beschouwd als voorwaardelijke opzet en is strafbaar. Beoordeeld zal dus moeten worden of eventuele verstoringen van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat hierbij naar de lokale populatie moet worden gekeken.
Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen. Van belang is bijvoorbeeld of de vogel(s) voldoende uitwijkmogelijkheden naar een volwaardig leefgebied elders hebben. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Om voor vogels het overtreden van verboden uit de Wet natuurbescherming te voorkomen zal gebouw 7 buiten het broedseizoen (In de periode van september tot maart) gesloopt moeten worden. Gedomesticeerde individuen van Grauwe gans, Europese kanarie, Rotsduif en Wilde eend zijn niet wettelijk beschermd. Dit geldt dus ook voor de verwilderde postduiven in gebouw 5. De algemene zorgplicht is van toepassing op alle in het wild levende dieren en planten dus ook voor de postduiven. Dit betekent naar onze mening dat niet zodanig gehandeld mag worden dat eieren of nog nietvliegvlugge jongen door de werkzaamheden verloren gaan. Op een moment dat de postduiven niet broeden of geen vliegvlugge jongen hebben mogen ze dus verstoord c.q. verjaagd worden om met de sloop te kunnen beginnen. Omdat de soort het gehele jaar kan broeden zal voorafgaand aan de sloop gecontroleerd moeten worden op de aanwezigheid van eieren die bebroed worden of jongen die gevoerd worden. Naar verwachting is dit verstoren c.q.
verjagen niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de soort en dus toegestaan. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen onderzocht op mogelijke toegangen voor en/of mestsporen van vleermuizen. Een mogelijke toegang is de ventilatieopening op de liftschacht van gebouw 6; de bewoner van het complex heeft daar in het verleden ook vleermuizen zien vliegen. Verder zijn er nergens mestsporen van vleermuizen aangetroffen. Omdat de liftschacht niet toegankelijk is, is nader onderzoek nodig om te kunnen uitsluiten dat er verboden worden overtreden. De waargenomen Rosse vleermuis huist in bomen. De in mindere conditie verkerende Paardenkastanje en Hollandse linde op het voorterrein van de Sint Josephstraat 39 hebben dood hout in de kroon en zijn in beginsel geschikt als verblijfplaats. Visuele inspectie was door het grotendeels gesloten bladerdek niet mogelijk en hoewel er bij schemering geen uitvliegende dieren zijn waargenomen, is niet uit te sluiten dat een of beide bomen in gebruik zijn bij vleermuizen. Nader onderzoek is nodig.
18
De foerageerfunctie van het terrein voor vleermuizen wordt bij een herontwikkeling naar verwachting niet aangetast. De Eekhoorn huist mogelijk in de bosgordel aan de zuidzijde van het terrein. Deze blijft onaangetast en op deze soort zijn dan ook geen effecten te verwachten
4.2. Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Op grond van de ‘Verordening natuurbescherming Noord-Brabant’ geldt er voor de aangetroffen of te verwachten soorten Gewone pad, Vos, Konijn en diverse muizensoorten in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, onder meer een vrijstelling voor het vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Wel geldt te allen tijde, ook voor vrijgestelde activiteiten, de wettelijke zorgplicht (Wnb, art 1.11) voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat indien bij de uit te voeren werkzaamheden dieren worden aangetroffen deze steeds de mogelijkheid moet worden geboden een veilig heenkomen te zoeken. Voor de vos geldt er op grond van deze vrijstellingsregeling dus formeel geen verplichting om zoals voorgesteld in paragraaf 3.2 zijn holen te beschermen. Gelet op het voornemen die zone bij de gebiedsontwikkeling zoveel mogelijk in stand te houden is er alle aanleiding om met name de twee westelijke holen wel te beschermen en met behulp van aan te leggen beplantingen voldoende rust in die zone te bevorderen.
In de provinciale regeling is geen vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor de mogelijk in het gebied voorkomende Wezel omdat het met deze soort (evenals met Otter en Hermelijn) niet goed gaat in Brabant en de gunstige staat van instandhouding niet is gewaarborgd. Bij het tijdens de werkzaamheden aantreffen van de soort zal deze dus in de gelegenheid moeten worden gesteld weg te vluchten of als het om een exemplaar met jongen gaat zal dat ontzien moeten worden. Een eenmaal verlaten voortplantingsplaats mag wel opgeruimd worden.
4.3. Ruimtelijk beleid In de directe omgeving van het Jal-terrein zijn er geen planonderdelen die vallen binnen het Natuurnetwerk Brabant. Het naastgelegen terrein de Bergen heeft wel een natuurbestemming. Mede omdat het onbebouwde zuidelijke deel van het Jal-terrein in de huidige, min of meer natuurlijke staat gehandhaafd blijft zijn er geen effecten op dit terrein te verwachten. Bij de verdere planontwikkeling zullen rekening houdend met het bestemmingsplan ‘Zuid en West Dongen’ de landschapswaarden van het onbebouwde zuidelijke gedeelte van het terrein veilig gesteld moeten worden. Daarnaast zal gelet op de inhoud van het ‘Omgevingsbeleidsplan Dongen 2015-209’ bij de planvorming onder meer minimaal 5 % groenruimte opgenomen moeten worden en wordt behoud van waardevolle bebouwing (in deze situatie is dat de tot Rijksmonument aangewezen grote bakstenen fabriekshal met betonskelet)van groot belang geacht. Bij de verdere planontwikkeling verdienen deze punten nadrukkelijk aandacht.
19
5. Samenvatting en advies Woningbouwvereniging Casade wil het gebouwencomplex aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen ontwikkelen of verkopen. Ter voorbereiding van een besluit is aan Verhoeven milieutechniek gevraagd een risico-analyse van de locatie op te stellen. Onderdeel van zo’n risico-analyse is een onderzoek naar de natuurwaarden van het terrein en opstallen. Ecologisch adviesbureau de Brabantse wal heeft in dat kader een quick-scan onderzoek flora en fauna uitgevoerd. Deze rapportage is een weergave van het uitgevoerde onderzoek. Ten behoeve van het onderzoek is het terrein op 9 mei zowel overdag als ’s avonds (in verband met de vleermuizen) onderzocht en zijn (sporen van) meerdere op grond van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aangetroffen. Op grond van andere bronnen zoals het Natuurloket en verspreidingsatlassen is van een aantal andere soorten geconcludeerd dat ze op of in de omgeving van het terrein kunnen voorkomen. Het gaat om vogels, vleermuizen en wat kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Ten behoeve van de rapportage zijn de gebouwen op het terrein genummerd conform de tekening hiernaast. Zowel in gebouw 5 als gebouw 7 zijn broedende vogels aangetroffen. In gebouw 5 gaat het om de Kauw en de niet wettelijk beschermde verwilderde postduif, en in gebouw 7 om de Kauw en de Pimpelmees.
Rond het terrein zijn foeragerende Gewone dwergvleermuizen aangetroffen en er was tevens sprake van een overtrekkende Rosse vleermuis. Alhoewel dit niet geconstateerd is, is niet uit te sluiten dat de Gewone dwergvleermuis een verblijfplaats heeft in de liftschacht van gebouw 6 en dat de Rosse vleermuis huist in de in minder goede staat verkerende Paardenkastanje en/of Hollandse linde oostelijk van gebouw 5. In ruigtes die aansluiten op de bebouwing en rommelhoekjes in toegankelijke gebouwen kunnen kleine grondgebonden zoogdieren als muizen of Wezel een holletje gemaakt hebben en kunnen uit tuinvijvers afkomstige amfibieën hun hebben. De vos heeft op een drietal plaatsen op het terrein (zie de rode stippen op de naastgelegen tekening) holen die in het verleden afwisselend zijn gebruikt. Op het terrein zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het slopen van een deel van de bebouwing en het herinrichten van het terrein kan negatieve effecten hebben op wel beschermde vogels, vleermuizen; grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën en overigens ook op de niet beschermde verwilderde postduiven. Een deel van de effecten is te voorkomen door sloop- en snoei- c,q. kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Verder is het van belang om bij de uitvoering zorgvuldig te handelen en eventueel aangetroffen dieren de gelegenheid te bieden weg te vluchten.
Voor de verwilderde postduiven is het wellicht nodig ze op een moment dat ze niet broeden of geen niet-vliegvlugge jongen verzorgen te verstoren en/of te verjagen. Voor de vos is het gewenst de twee meest westelijk gelegen holen met afschermende beplantingen in een nieuwe situatie te vrijwaren van mogelijke verstoringen. Door zorgvuldig te werken en de voorgestelde mitigerende maatregelen uit te voeren wordt ook invulling gegeven aan de algemene zorgplicht die er op grond van de wet natuurbescherming is. Voor het vaststellen van mogelijk gebruik van opstallen of bomen door Gewone dwergvleermuis en Rosse vleermuis is aanvullend onderzoek nodig.
20
Bijlagen
21
Bijlage 1 Tabel broedgegevens van vogels Overzicht broedgegevens vogels. Het gaat om gemiddelden die o.m. samenhangen met weesomstandigheden. Zo kan een vogel eerder beginnen of later stoppen met broeden en al of niet toekomen aan vervolglegsels. Vogelsoort Blauwe reiger
broedperiode maart-juni
aantal legsels aantal eieren uitbroeden in dagen 1 (2) 3-5 23-27
uitvliegen in dagen 42-44
Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger
mei-juli half mei-juni
2 1
4-6 5-7
14-16 12-13
20-21 14-15
Boomklever Boomkruiper
eind april-juli april-juli
1 (2) 2
6-9 6-8
13-14 14-16
24-26 17-19
Bosuil Buizerd
maart-juni eind maart-juni
1 1
3-4 2-4
26-29 28-31
28 41-42
Fuut Gaai
maart-juni half april-mei
1 (2) 1
3-4 5-7
23-25 17-18
21
Grauwe gans
eind maart-juni
1
5-7
28-30
-
Gierzwaluw Groenling Grote bonte specht
half mei-juni april-juli april-juni
1 2 1
2-3 4-6 5-6
16-17 13-14 14-16
38-40 13-14 20-22
Grutto
half april-juni
1
3-5
15-16
-
Heggenmus
eind april-aug
2
4-5
12-15
14-15
Houtduif Huismus Huiszwaluw
maart-sep 3 (4) eind maart-aug 2 (3) half mei-aug 2 (3)
2 4-6 4-5
15-17 13-14 13-15
27-29 16-18 18-21
Kauw
april-juni
1
4-6
18-19
28-32
Kerkuil
april-aug
2
2-4
28-29
28-29
Kievit Knobbelzwaan Koolmees
half maart-juni maart-mei eind maart-juli
1 (2) 1 2
4-5 5-7 8-12
21-26 36-37 13-14
1-2 17-18
Meerkoet
eind maart-juli
2 (3)
7-10
21-24
-
Merel
eind maart-juli
2 (3)
4-5
13-15
14-15
Ooievaar Pimpelmees Ransuil
eind maart-juli eind maart-juli half maart-juli
1 2 1 (2)
4-5 7-12 4-6
33-34 13-14 26-29
34-36 16-17 24-25
Roek
maart-mei
1
3-5
17-18
29-30
Roodborst
april-juli
2
5-7
13-14
8-10
Scholekster Spreeuw Steenuil
april-juli half april-juni april-juni
1 2 1
3-4 5-8 4-7
27-29 12-13 25-28
21-22 24-25
Torenvalk
eind april-juni
1
4-7
27-30
28-30
Tureluur
april-juni
1
4
23-25
-
Turkse tortel Vink Waterhoen
half feb-sep april-juli april-aug
2 (3) 2 2
2-3 4-6 6-10
15-17 11-14 21-22
16-19 14-15 -
Wilde eend
maart-aug
1 (2)
8-15
23-24
-
Winterkoning
half april-juli
2
5-7
15-16
13-14
Zanglijster Zwarte kraai Zwarte roodstaart
april-juli maart-juni half april-juli
1 (2) 1 2
4-5 3-5 5-7
13-14 18-19 13-14
12-16 35-36 13-14
Zwartkop
half april-juli
2
4-6
12
12
22
Bijlage 2
Geraadpleegde bronnen
o
Websiteministerie van EL&I
o
Website RAVON
o
Website Ruimtelijkeplannen.nl
o
Website gemeente Dongen
o
Inventarisatie bomen Jal-locatie Dongen Btl bomendienst jan. 2016
o
Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant RAVON J. van Delft en W. Schuitema mei 2005
o Atlas van de Nederlandse Zoogdieren Zoogdiervereniging S. Broekhuizen e.a. 2016 o Veldgids diersporen KNNV uitgeverij A. van Diepenbeek 1999
23
Rapport visuele inspectie gebouwen en bomen
Project 302108 v1.0
Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen op locatie J.A.L.-terrein in Dongen Opdrachtgever Hazenberg Bouw B.V. De heer M. Geerts Molenstraat 2 5262 ED VUGHT
Cuijk, 18 februari 2019 In opdracht van Hazenberg Bouw B.V. hebben wij een gebouw en een paardenkastanje beoordeeld op verblijfplaatsen van vleermuizen. Het gebouw en de paardenkastanje bevinden zich op het J.A.L.-terrein in Dongen. Aanleiding U wilt het J.A.L.-terrein waarop het gebouw en de paardenkastanje staan, opnieuw inrichten. Mogelijk wordt het gebouw (gedeeltelijk) gesloopt en de boom gekapt of fors gesnoeid. In de Flora- en fauna quickscan van De Brabantse Wal is aangegeven dat in de liftschacht van gebouw 1 mogelijk een verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is. In de paardenkastanje
bevindt zich
mogelijk
een
verblijfplaats
van
rosse
vleermuis.
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn streng beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Doel U hebt ons gevraagd te beoordelen of er daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw en in de boom aanwezig zijn. Holten, scheuren en losse schorsplaten in de boom kunnen geschikt zijn als winter-, kraam-, zomer- en/of paarverblijfplaats voor vleermuizen. Voor de liftschacht geldt dat deze typen verblijfplaatsen achter scheuren, kieren en openingen kunnen zitten.
Beschrijving situatie De te inspecteren liftschacht bevindt zich in een van de acht gebouwen (gebouw 1) die op het terrein staan. De paardenkastanje staat bij een van de toegangswegen van het terrein. Gebouw 1 doet momenteel dienst als opslagplaats, maar wordt niet verwarmd. De overige gebouwen op het terrein staan grotendeels leeg. De locaties van het beoordeelde gebouw en de boom zijn weergegeven op afbeelding 1. Op foto 1 is de situatie afgebeeld.
1
Project 302108 v1.0 18 februari 2019
Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen op locatie J.A.L.-terrein in Dongen
Afbeelding 1.
Locatie van liftschacht (gele cirkel) en paardenkastanje (blauwe cirkel) in projectgebied (rood kader) en nummering van de gebouwen
Foto 1.
Situatie liftschacht (foto links, binnen geel kader) en paardenkastanje (foto rechts)
Werkwijze Op 21 december 2018 hebben Jasper Verhaar (specialist bomen, water & ecologie) en Dries van Tuijn (inspecteur flora en fauna) de liftschacht en de boom beoordeeld. Daarbij is gebruik gemaakt van een hoogwerker, ladder, verrekijker, zaklamp en endoscoop. Liftschacht gebouw 1 Wij hebben alle scheuren, kieren en openingen in de buitenzijde van de liftschacht geïnspecteerd op voor vleermuizen potentieel geschikte verblijfplaatsen. Vervolgens hebben wij via een toegang op de tweede verdieping van het gebouw de binnenzijde van de liftschacht volledig geïnspecteerd.
2
Project 302108 v1.0 18 februari 2019
Paardenkastanje Wij hebben de paardenkastanje allereerst beoordeeld op de aanwezigheid van holten, scheuren, schorsplaten of andere voor vleermuizen potentieel geschikte verblijfplaatsen. De boom was volledig te inspecteren omdat er op het moment van onderzoek geen blad aan de boom zat. Aanvullende beoordeling Als aanvulling op de oorspronkelijke opdracht hebben wij ook gebouw 2 t/m 8, de rest van gebouw 1, een lindeboom op het voorterrein en het achterterrein geïnspecteerd op vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten.
Resultaten Liftschacht gebouw 1 Wij hebben geen potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen in de liftschacht. De scheuren en kieren in de buitenzijde van de schacht blijken bij benadering namelijk zeer oppervlakkig (zie foto 2, links) en daardoor niet geschikt als verblijfplaats. Op één plek zit een opening die leidt naar een open ruimte tussen de lift en de schacht (zie foto 2, rechts). In en om de opening zijn geen sporen van vleermuizen zichtbaar. In de open ruimte tocht het sterk en daarom is deze ruimte niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. We hebben ook geen sporen, zoals bijvoorbeeld uitwerpselen, van vleermuizen aangetroffen. Foto 2.
Kieren in de liftschacht (foto links) en open ruimte tussen lift en schacht (foto rechts)
Paardenkastanje Wij hebben geen holten of andere voor vleermuizen potentieel geschikte verblijfplaatsen aangetroffen in deze boom. Wel hebben wij een oud nest van houtduif aangetroffen in een takoksel van deze boom. Nesten van houtduif zijn alleen beschermd als ze in gebruik zijn.
3
Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen op locatie J.A.L.-terrein in Dongen
Gebouw 3 en 5 t/m 8 In gebouw 3 en 5 t/m 8 hebben wij geen (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten waargenomen. Gebouw 2
Vleermuizen Achter ten minste één van de afgetimmerde ramen van gebouw 2 (zie foto 2, links) is een zomer- en/of paarverblijf van vleermuizen aanwezig. Dit hebben wij vastgesteld aan de hand van relatief verse uitwerpselen (zie foto 3, rechts). Wij sluiten niet uit dat achter andere afgetimmerde ramen van het gebouw meer vergelijkbare verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Ook achter de houten gevelbetimmering van dit gebouw zijn vermoedelijk zomer- en/of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn het hele jaar door streng beschermd. Foto 3.
Afgetimmerd raam (foto links) en vleermuiskeutels achter aftimmering (foto rechts)
Postduif Op de zolderverdieping hebben wij een bewoond nest van een postduif aangetroffen met daarin een ei en een jonge postduif. Bewoonde nesten van postduiven zijn streng beschermd. In tegenstelling tot wat in de eerder genoemde quickscan staat vermeld, hebben wij op de zolder van gebouw 2 geen braakballen van uilen of andere sporen aangetroffen die duiden op een nest- of rustplaats van uilen. De veelvuldige aanwezigheid van duiven vormen tevens bewijs dat er geen uilen aanwezig zijn. Gebouw 4 Wij hebben uitwerpselen van vleermuizen aangetroffen op vier plaatsen achter openingen in de gevels van gebouw 4 (zie foto 4). Het gaat om twee plaatsen in de zuidoostelijke gevel en twee plaatsen in de zuidwestelijke gevel. De achterliggende spouwmuur is dus mogelijk in gebruik of in gebruik geweest door vleermuizen als winter-, kraam-, zomer- en/of paarverblijfplaats. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn het hele jaar door streng beschermd.
4
Project 302108 v1.0 18 februari 2019
Foto 4.
Opening naar spouwmuur (foto links) en vleermuiskeutels (binnen gele cirkels)
Gebouw 1 In de liftschacht van gebouw 1 zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Echter, langs de dakranden van dit gebouw is een groot aantal scheuren en openingen aanwezig. Deze hebben wij vanwege de locatie en daarmee om veiligheidsredenen niet volledig kunnen inspecteren. Het is dus niet uitgesloten dat er aan de dakranden van gebouw 1 ook verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Linde voorterrein Er zijn twee inrottende wonden aanwezig in takken van de linde op het voorterrein. Bij nadere inspectie blijken deze wonden erg oppervlakkig en daarmee niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen of als nestlocatie voor holtenbroedende vogels. Wel hebben wij, net als bij de paardenkastanje, in deze boom een oud nest van houtduif aangetroffen. Nesten van houtduif zijn alleen beschermd als ze in gebruik zijn. Achterterrein
Levendbarende hagedis In de eerder genoemde quickscan staat aangegeven dat het achterterrein geschikt als leefgebied voor levendbarende hagedis. Wij kunnen de aanwezigheid van levendbarende hagedis echter uitsluiten. Deze soort heeft namelijk een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, wat het achterterrein niet is. Daarnaast zijn er uit het recente verleden geen meldingen bekend van levendbarende hagedissen in de directe omgeving. Tot slot is het gebied niet eenvoudig te bereiken vanuit locaties waar de soort wel is waargenomen. Dit laatste vanwege de ligging van het achterterrein in de bebouwde kom, waardoor er talloze obstakels aanwezig zijn (zoals verkeer en huiskatten).
Konijn Er zijn meerdere konijnenholen aanwezig op het achterterrein. Konijnen zijn op nationaal niveau beschermd.
Vos Holen van vos zijn, ondanks wel vermeld in de quickscan, niet aanwezig op het achterterrein.
5
Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen op locatie J.A.L.-terrein in Dongen
Conclusie en advies Liftschacht gebouw 1 Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de liftschacht. Verblijfplaatsen van vleermuizen vormen daarom geen belemmering voor werkzaamheden aan de liftschacht. Paardenkastanje Verblijfplaatsen van vleermuizen vormen ook geen belemmeringen voor het kappen of snoeien van de paardenkastanje. Er zijn namelijk geen verblijfplaatsen van vleermuizen in deze boom aanwezig. In het broedseizoen kunnen er wel nesten houtduif of misschien andere vogelsoorten in deze boom aanwezig zijn. Wij adviseren daarom om de boom te kappen of te snoeien tussen 1 december en 1 maart. De kans op aanwezigheid van bewoonde nesten is dan het kleinst. Buiten die periode mag ook gekapt of gesnoeid worden, maar alleen als vooraf duidelijk is dat er geen bewoonde nesten in de boom aanwezig zijn. Gebouw 2
Vleermuizen Er is naar alle waarschijnlijkheid ten minste één zomer- en/of paarverblijfplaats van vleermuizen aanwezig in gebouw 2. Het is goed mogelijk dat er meer van dit type verblijfplaatsen aanwezig zijn. Om vast te stellen om welke soorten en aantallen vleermuizen het gaat, moet nader onderzoek worden uitgevoerd. Dergelijk nader onderzoek moet op verschillende momenten worden uitgevoerd in de periode tussen half april en eind september. Vervolgens moet worden bepaald of de geplande werkzaamheden aan of bij het gebouw ontheffingsplichtig zijn.
Duiven Voor het bewoonde duivennest op de zolder van gebouw 2 adviseren wij om de zolder tot ongeveer half februari 2019 niet te betreden, om verstoring te voorkomen. Bovendien moet het nest toegankelijk blijven voor volwassen duiven die het jong moeten voeden. Na half februari 2019 is het jong zelfstandig en heeft het jong het nest verlaten. Dan kan het gebouw worden afgesloten om nieuwe broedgevallen te voorkomen. Gebouw 4 Het is mogelijk dat er winter-, kraam-, zomer- en/of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de spouwmuren van gebouw 4. Om vast te stellen om welke soorten en aantallen vleermuizen het gaat, moet nader onderzoek worden uitgevoerd. Dergelijk nader onderzoek moet op verschillende momenten worden uitgevoerd in de periode tussen half april en eind september. Vervolgens moet worden bepaald of de geplande werkzaamheden aan of bij het gebouw ontheffingsplichtig zijn. Gebouw 1 Het is mogelijk dat er zomer- en/of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn achter scheuren, kieren en openingen in van gebouw 1 (met uitzondering van de liftschacht). Om vast te stellen om welke soort en aantallen vleermuizen het gaat, moet nader onderzoek worden uitgevoerd. Dergelijk nader onderzoek moet op verschillende momenten worden uitgevoerd in de periode tussen half april en eind september.
Vervolgens moet worden bepaald of de geplande werkzaamheden aan of bij het gebouw ontheffingsplichtig zijn.
6
Project 302108 v1.0 18 februari 2019
Linde voorterrein Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de linde op het voorterrein. Verblijfplaatsen van vleermuizen vormen daarom geen belemmering voor het kappen of snoeien van deze boom. In het broedseizoen kunnen er wel nesten van houtduif in deze boom aanwezig zijn. Wij adviseren daarom om de boom te kappen of te snoeien tussen 1 december en 1 maart. De kans op aanwezigheid van bewoonde nesten is dan het kleinst. Buiten die periode mag ook gekapt of gesnoeid worden, maar alleen als vooraf duidelijk is dat er geen bewoonde nesten aanwezig zijn. Achterterrein Op het achterterrein zijn verblijfplaatsen aanwezig van konijnen in de vorm van holen. Konijnen zijn op nationaal niveau beschermd, maar in Noord-Brabant geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen voor deze soort een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Zorgvuldig handelen is echter vereist. Daarom adviseren wij om de konijnenholen in kaart te brengen en de holen te ontzien tussen januari en juni. Dat is namelijk de periode waarin konijnen jongen hebben die nog niet in staat zijn om zelfstandig te vluchten.
Samenvatting vervolgstappen •
behouden van bewoonde nesten van houtduif in bomen door te werken buiten het broedseizoen of door aanvullende nestcontroles;
•
behouden van het bewoonde nest van postduif in gebouw 2 door te wachten met werkzaamheden tot het jonge dier is uitgevlogen. Vervolgens de toegang tot het gebouw voor vogels blokkeren om nieuwe broedgevallen te voorkomen;
•
uitvoeren van nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouw 1, gebouw 2 en gebouw 4;
•
in kaart brengen van konijnenholen en deze bij werkzaamheden te ontzien tussen januari en juni.
Hebt u na het lezen van dit rapport nog vragen? Neem dan gerust contact op met Jasper Verhaar, bereikbaar via 088 - 262 72 00. Met vriendelijke groet, Uw veelzijdig specialist, Cobra adviseurs bv Joost Verhagen Directeur
Contactgegevens Cobra adviseurs bv info@Cobra-adviseurs.nl www.Cobra-adviseurs.nl T. 088 – 262 72 00 Centraal postadres Franssenstraat 66 5434 SJ Vianen (NB)
Cuijk, 18 februari 2019
Bedrijfsgegevens KvK Eindhoven 17232157 Btw-nr. NL 8199.70.220.B01 IBAN NL90 INGB 0008 5217 90
7