CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12 Aanvullend vleermuisonderzoek

Besluitvormende raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente DongenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Sint Josepshtraat 3914.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vleermuisonderzoek

J.A.L.-terrein Dongen Onze referentie: 302337

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

Colofon

1

Opdrachtgever Hazenberg Bouw B.V. Mevrouw E. Coenen Molenstraat 2 5262 ED VUGHT

Dossiergegevens Onze referentie:

302337

Uw referentie:

21 8006-008

Status rapport:

v1.0

Datum rapport:

5 februari 2020

Citeertitel:

Verhaar, J. 2020. Vleermuisonderzoek, J.A.L.-terrein Dongen, 302337, Cobra Groeninzicht Vianen (NB)

Projectteam Projectverantwoordelijke:

Jasper Verhaar

Specialist Natuur en Ecologie:

Jasper Verhaar Dries van Tuijn

1

Kwaliteitscontrole:

Dennis Slotboom

Redactie:

Liesbeth Werts

Contactgegevens

Centraal postadres

Bedrijfsgegevens

info@Cobra-adviseurs.nl

Cobra adviseurs bv

KvK Eindhoven 17232157

www.Cobra-adviseurs.nl

Franssenstraat 66

Btw-nr. NL 8199.70.220.B01

T. 088 – 262 72 00

5434 SJ Vianen (NB)

IBAN NL90 INGB 0008 5217 90

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

Samenvatting

1

In opdracht van Hazenberg Bouw B.V. heeft Cobra adviseurs bv een vleermuisonderzoek uitgevoerd bij drie gebouwen op het J.A.L.-terrein in Dongen. Het gaat om een gericht onderzoek naar verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en/of gewone grootoorvleermuis. Deze soorten zijn beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). De drie gebouwen moeten worden gerenoveerd of gesloopt. Daarbij konden negatieve effecten op genoemde soorten op voorhand niet worden uitgesloten. U wilt weten hoe u moet handelen binnen het kader van de Wnb. Werkwijze Om de aanpak van het vleermuisonderzoek te bepalen, hebben wij de rapporten geraadpleegd van een in mei 2017 uitgevoerde ecologische quickscan en een in december 2018 uitgevoerde visuele inspectie. Vervolgens hebben wij op vijf momenten onderzoek met de batdetector uitgevoerd. Wij hebben hierbij de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2017 als leidraad gebruikt voor het bepalen van de onderzoeksinspanningen. Resultaten Tijdens het onderzoek met de batdetector hebben wij zomer- en paarverblijfplaatsen van zes gewone dwergvleermuizen vastgesteld in één van de onderzochte gebouwen. Zomer-

en

paarverblijfplaatsen

van

gewone

dwergvleermuis

kunnen

ook

als

winterverblijfplaats worden gebruikt. Wet natuurbescherming Alle vleermuizen zijn strikt beschermd onder de Wnb. Het renoveren of slopen van het gebouw met verblijfplaatsen leidt tot overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb, omdat met een dergelijke handeling verblijfplaatsen worden aangetast. Vervolgstappen Om het gebouw met verblijfplaatsen te mogen renoveren of slopen, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Deze ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval Provincie Noord-Brabant. Bij de ontheffingsaanvraag moet u ook een activiteitenplan aanleveren. In het activiteitenplan staat onder andere vermeld welke compenserende en mitigerende maatregelen u gaat treffen om negatieve effecten op gewone dwergvleermuis zo veel mogelijk te beperken. Compenserende maatregelen zijn bijvoorbeeld het tijdig aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis. Bij mitigerende maatregelen moet u denken aan: •

het op zo vleermuisvriendelijk mogelijke wijze ongeschikt maken van op te heffen verblijfplaatsen;

•

het uitvoeren van de werkzaamheden in de voor deze vleermuizen minst kwetsbare periode;

• 2

het inschakelen van een vleermuisdeskundige.

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

Inhoud

1

Samenvatting

2

1

Inleiding

4

2

Situatie en planvorming

5

3

Werkwijze

8

3.1

Vooronderzoeken

8

3.2

Onderzoek met de batdetector

8

4

Resultaten 4.1 4.1.1 4.1.2 4.2

5

10

Resultaten vooronderzoeken

10

Quickscan flora en fauna

10

Visuele inspectie gebouwen en bomen

10

Resultaten onderzoek met de batdetector

10

4.2.1

Waargenomen soorten

10

4.2.2

Verblijfplaatsen

10

4.2.3

Overige functies voor vleermuizen

12

Conclusie en advies

Bijlage 1.

14

Rapport quickscan flora en fauna

Bijlage 2. Rapport visuele inspectie gebouwen en bomen

3

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

1

Inleiding In opdracht van Hazenberg Bouw B.V. hebben wij een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd bij drie gebouwen op het J.A.L.-terrein in Dongen. Dries van Tuijn en Jasper Verhaar hebben het veldwerk uitgevoerd in de periode juni t/m september 2019. Aanleiding en doel Dit onderzoek moet uitgevoerd worden in verband met het voornemen de gebouwen grondig te renoveren of te slopen en de directe omgeving opnieuw in te richten. Uit een uitgevoerde beoordeling (rapport ‘F&F Hazenberg Bouw J.A.L.-terrein Dongen’ met ons kenmerk 302108) is gebleken dat gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en/of gewone grootoorvleermuis waarschijnlijk verblijfplaatsen hebben in de drie gebouwen. Wij hebben onderzocht of vleermuizen gebruikmaken van het projectgebied. En zo ja, welke soorten vleermuizen en op welke manier. U wilt namelijk weten hoe u moet handelen binnen het kader van de Wet natuurbescherming. Onderzoeksvragen Wij beantwoorden met dit onderzoek de volgende vragen: •

Maken vleermuizen gebruik van het projectgebied?

•

Wat is de waarde van de onderzochte gebouwen voor vleermuizen?

•

Welke vervolgstappen zijn noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming?

Hebt u na het lezen van dit rapport nog vragen? Neem dan gerust contact met ons op. Wij zijn bereikbaar op 088-262 72 00. Uw veelzijdig specialist,

Joost Verhagen Directeur Cobra

Vianen (NB), 5 februari 2020

4

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

2

Situatie en planvorming Projectgebied Het projectgebied betreft drie gebouwen op een voormalig industrieel terrein aan de Sint Josephstraat in Dongen. Het gaat om de gebouwen met de nummers 1, 2 en 4 die binnen de rode kaders op afbeelding 1 zijn aangeduid. De overige vijf gebouwen zijn geen onderdeel van het vleermuisonderzoek. Afbeelding 1.

Projectgebied

De situatie Gebouw 1 is een voormalige fabriekshal. In de noordelijkste punt bevindt zich een oude liftschacht. Het gebouw heeft een plat dak met bitumen. Het gebouw verkeert in vervallen staat, maar is op het moment van ons onderzoek nog in gebruik als opslagplaats voor materialen. Het gebouw wordt niet permanent verwarmd. Gebouw 2 is in het verleden gebruikt als woonruimte. Het bestaat uit verschillende compartimenten. De kopgevel aan de zuidzijde is bekleed met hardhouten latten waarvan er enkele ontbreken. De andere gevels zijn van steen. De raamkozijnen aan de oostgevel zijn afgetimmerd met houten platen. De westgevel is over een groot oppervlakte bedekt met klimplanten. Het dak bestaat uit twee delen: een puntdak met dakpannen en een plat dak met bitumen. Het gebouw staat al geruime tijd leeg en wordt niet verwarmd. Gebouw 3 is een loods met een aluminium dak en stenen gevels met spouw. Dit gebouw is minder oud dan de overige gebouwen op het terrein. Op foto 1 t/m 6 is de situatie weergegeven.

5

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

Planvorming Hazenberg Bouw B.V. wil de onderzochte gebouwen grondig renoveren of slopen. Het terrein wordt ingericht als woonlocatie. Wanneer welke werkzaamheden worden uitgevoerd en welke periode hiervoor uitgetrokken wordt, is op het moment van ons onderzoek nog niet duidelijk.

6

Foto 1.

Noordgevel gebouw 1

Foto 2.

Dak en westgevel gebouw 1

Foto 3.

Oostgevel gebouw 2

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

Foto 4.

Dak en zuidgevel gebouw 2

Foto 5.

Dak, noord- en oostgevel gebouw 4

Foto 6.

Zuidgevel gebouw 4

7

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

3 3.1

Werkwijze Vooronderzoeken Quickscan flora en fauna Ecologisch adviesbureau De Brabantse Wal heeft in mei 2017 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Wij hebben dat rapport met kenmerk ‘Quickscan flora en fauna ten behoeve van herontwikkeling terrein voormalige schoenfabriek aan de Sint Josephstraat 39-50 te Dongen’ (zie bijlage 1) geraadpleegd. Visuele inspectie gebouwen en bomen Cobra adviseurs bv heeft op 21 december 2018 een visuele inspectie uitgevoerd bij gebouw 1 t/m 8 (zie afbeelding 1) en bomen op het voorterrein. Tijdens deze visuele inspectie is met behulp van gespecialiseerde methoden gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen. De uitkomsten van die inspectie zijn beschreven in het rapport met het kenmerk ‘Briefrapport 302108 Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen op locatie J.A.L.-terrein in Dongen’ d.d. 18 februari 2019 (zie bijlage 2). Dit rapport hebben wij gebruikt om de aanpak van het voorliggende onderzoek te bepalen.

3.2

Onderzoek met de batdetector Aanpak Wij hebben door visuele waarnemingen en met behulp van batdetectors bepaald of vleermuizen in het projectgebied aanwezig zijn en wat voor gedrag deze vertonen. Wij hebben gelet op het in- en uitvliegen van potentiële verblijfplaatsen, foerageergedrag, langsvliegen en het uiten van sociale roepen. Het gedrag geeft inzicht in de functionaliteit van het projectgebied voor vleermuizen. Wij hebben bij dit onderdeel van het onderzoek gebruikgemaakt van de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2017. Dit protocol is ontwikkeld door het Netwerk Groene Bureaus en goedgekeurd door zoogdiervereniging VZZ, Gegevens Autoriteit Natuur (GAN) en het Ministerie van LNV. Onderzoeksinspanning Om het aantal onderzoeksronden te bepalen, hebben wij de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2017 als leidraad gebruikt en zijn wij ervan uitgegaan dat in het projectgebied

winter-,

kraam-,

zomer-

en/of

paarverblijfplaatsen

van

gewone

dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en/of gewone grootoorvleermuis aanwezig kunnen zijn. Een overzicht van het uitgevoerde veldwerk met de batdetector en de omstandigheden vindt u in tabel 1.

8

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

Tabel 1.

Overzicht van uitgevoerde veldbezoeken met batdetector en de omstandigheden Bezoek 1

Bezoek 2

Bezoek 3

Bezoek 4

Bezoek 5

Datum

4-6-2019

5-7-2019

5-8-2019

2-9-2019

25-9-2019

Start-/eindtijd

2.30 – 5.30

2.30 – 5.30

21.30 – 0.30

21.30 – 23.30

20.30 – 22.00

uur*

uur*

uur

uur

uur

Jasper

Jasper

Jasper

Jasper

Jasper

Verhaar

Verhaar

Verhaar

Verhaar

Verhaar

Dries van

Dries van

Dries van

Dries van

Onderzoeker(s)

Tuijn

Tuijn

Tuijn

Tuijn

Temperatuur (gemiddeld)

12⁰C

15⁰C

19⁰C

14⁰C

16⁰C

Windkracht

1 Bft

0 Bft

1 Bft

2 Bft

2 Bft

Windrichting

ZO

-

ZW

ZW

ZW

* Ten aanzien van laatvlieger adviseert het Vleermuisprotocol 2017 onder andere twee veldbezoeken vanaf 0 tot 2 uur na zonsondergang in de periode 15 mei – 15 juli. Wij hebben ervoor gekozen om deze veldbezoeken uit te voeren op een moment later dan 2 uur na zonsondergang, namelijk in de nacht vanaf ongeveer 3 uur voor zonsopgang tot zonsopgang. Uit wetenschappelijk onderzoek1 is namelijk gebleken dat laatvliegers in de kraamperiode gedurende de nacht en tegen de ochtend regelmatig en relatief luidruchtig in de directe nabijheid van een verblijfplaats aanwezig zijn en dus niet uitsluitend tussen 0 en 2 uur na zonsondergang. Bovendien zijn terugkerende laatvliegers eenvoudiger waar te nemen dan uitvliegende laatvliegers op het moment dat er nog geen concrete aanwijzingen voor een verblijfplaats zijn. Dit vergroot de nauwkeurigheid van ons onderzoek.

Simon, Hüttenbügel & Smit-Viergutz (2004), Ecology and Conservation of Bats in Villages and Towns, Schriftenreihe für Landschaftsplege und Naturschutz Heft 77, Bonn, Germany. 1

9

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

4 4.1

Resultaten Resultaten vooronderzoeken 4.1.1 Quickscan flora en fauna Uit de door ecologisch adviesbureau De Brabantse Wal in mei 2017 uitgevoerde quickscan flora en fauna is naar voren gekomen dat er vleermuizen in het projectgebied aanwezig kunnen zijn. Er is aangegeven dat in de liftschacht van gebouw 1 mogelijk een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig is. In een paardenkastanje op het voorterrein bevindt zich mogelijk een verblijfplaats van rosse vleermuis.

4.1.2 Visuele inspectie gebouwen en bomen Tijden de door Cobra uitgevoerde visuele inspectie van 2019 blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de liftschacht van gebouw 1 of in de paardenkastanje op het voorterrein. Wel is gebleken dat in gebouw 1 (anders dan in de liftschacht) en op verschillende plaatsen in gebouw 2 en gebouw 4 waarschijnlijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Dit vanwege de aanwezigheid van uitwerpselen van vleermuizen bij gebouw 2 en 4 en de aanwezigheid van veel scheuren en kieren in gebouw 1. Zie het rapport (bijlage 2) voor details over de vindplaatsen van uitwerpselen. De aanwezigheid van (potentiële) vleermuisverblijfplaatsen in gebouw 3 en 5 t/m 8 zijn op basis van deze visuele inspectie redelijkerwijs uitgesloten. Deze gebouwen zijn namelijk niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

4.2

Resultaten onderzoek met de batdetector 4.2.1 Waargenomen soorten Tijdens ons onderzoek met de batdetector hebben wij waarnemingen geregistreerd van voornamelijk gewone dwergvleermuis en in mindere mate van ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Wij hebben gewone dwergvleermuis tijdens alle vijf de veldbezoeken aangetroffen binnen het projectgebied. Ruige dwergvleermuis en laatvlieger hebben wij alleen kortstondig op één moment waargenomen.

4.2.2 Verblijfplaatsen Wij hebben zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen in gebouw 2. Van gewone dwergvleermuis is bekend dat kleine zomer- en paarverblijfplaatsen ook als winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden. Er zijn geen aanwijzingen dat massawinterverblijfplaatsen of kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis in het projectgebied aanwezig zijn.

10

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

Wel hebben wij op circa 100 m afstand van het projectgebied een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Er zijn geen verblijfplaatsen van andere soorten dan gewone dwergvleermuis aangetroffen in en nabij het projectgebied. Hieronder lichten wij de resultaten verder toe. Zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis Tijdens het veldbezoek op 4 juni 2019 hebben wij drie gewone dwergvleermuizen zien invliegen in verschillende openingen tussen de hardhouten gevelbekleding aan de zuidgevel van gebouw 2. Op 5 juli 2019 hebben wij twee gewone dwergvleermuizen de zuidgevel zien invliegen en vier gewone dwergvleermuizen in een kier achter de houten dakgoot aan de oostgevel van gebouw 2. Tijdens het veldbezoek op 5 augustus 2019 zijn drie uitvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen bij gebouw 2, twee vleermuizen verlieten de kier achter de dakgoot en één vleermuis verliet de zuidgevel. Op basis van deze waarnemingen stellen wij vast dat gebouw 2 door maximaal zes gewone dwergvleermuizen tegelijk in gebruik is als zomerverblijfplaats. Er zijn in totaal op tien verschillende plekken van het gebouw in- of uitvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Namelijk zes bij de kier achter de dakgoot aan de oostgevel en vier bij openingen tussen de hardhouten gevelbekleding aan de zuidgevel.

Het is goed mogelijk dat deze vleermuizen zich na het invliegen verplaatsen achter de dakgoot en achter het hout aan de zuidgevel. Deze twee elementen van het gebouw kunnen daarom als twee zomerverblijfplaatsen voor meerdere vleermuizen worden gezien. Op afbeelding 2 zijn de locaties van de in- en uitvliegende vleermuizen aangegeven (gele markeringen). Afbeelding 2.

Locaties van in- en/of uitvliegende gewone dwergvleermuizen (zomerverblijfplaatsen)

Paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis Tijdens de veldbezoeken op 2 september en 25 september 2019 hebben wij bij gebouw 2 een paarterritorium van gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de hand van een roepend mannetje (zie blauwe markering op afbeelding 3). De aanwezigheid van een paarterritorium betekent dat een paarverblijfplaats zeer waarschijnlijk aanwezig is in het gebouw. Het is niet precies vast te stellen om welke deel van het gebouw het gaat, omdat wij alleen baltsroepen hebben gehoord van een rondvliegende gewone dwergvleermuis en niet vanuit een verblijfplaats in het gebouw.

11

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

Het is van gewone dwergvleermuis bekend dat de baltsroepen voornamelijk tijdens het vliegen worden geuit, maar wel in de buurt van een paarverblijfplaats. Het is aannemelijk dat de paarverblijfplaats zich net als de zomerverblijfplaatsen bevindt in de kier achter de dakgoot aan de oostgevel of ergens achter de hardhouten gevelbekleding aan de zuidgevel van gebouw 2. Winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis Van gewone dwergvleermuis is bekend dat een plek die als zomerverblijfplaats of paarverblijfplaats van een mannetje in gebruik is, ook als winterverblijf gebruikt kan worden. Met strenge vorst kunnen deze dieren waarschijnlijk alsnog verhuizen naar een andere verblijfplaats, mochten deze verblijfplaatsen niet voldoende beschutting bieden. Afbeelding 3.

Locatie van het paarterritorium van een gewone dwergvleermuis bij gebouw 2 (blauwe markering)

4.2.3 Overige functies voor vleermuizen Foerageergebied Tijdens alle veldbezoeken zijn steeds een tot twee gewone dwergvleermuizen foeragerend aanwezig in de directe omgeving van de onderzochte gebouwen. Deze exemplaren maken afwisselend gebruik van de open plekken tussen de gebouwen, open plekken op naastgelegen particulier terrein en randen van het bosperceel ten zuiden van het projectgebied. Op één moment, namelijk tijdens het velbezoek op 4 juni 2019, hebben wij een ruige dwergvleermuis kortstondig foeragerend waargenomen ten zuiden van gebouw 1. Op basis van onze waarnemingen kunnen wij stellen dat het projectgebied onderdeel is van een groter geheel aan foerageerlocaties voor gewone dwergvleermuis en in mindere mate voor ruige dwergvleermuis. Het projectgebied is echter niet een op zichzelf staand en essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

12

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

Vliegroute Op 2 september 2019 hebben wij een overvliegende laatvlieger waargenomen ter hoogte van gebouw 2. Wij hebben in of nabij het projectgebied echter geen vaste vliegroute kunnen vaststellen van de vleermuizen die wij tijdens het onderzoek hebben waargenomen. Ook hebben wij geen aanwijzingen gevonden dat het projectgebied of elementen in het projectgebied onderdeel zijn van een vaste vliegroute voor vleermuizen die buiten het projectgebied verblijfplaatsen en foerageergebieden hebben en het projectgebied eventueel als stapsteen zouden kunnen gebruiken. Kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (buiten projectgebied) Tijdens het veldbezoek op 5 juli 2019 hebben wij een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen op circa 75 m ten noorden van het projectgebied (zie afbeelding 4). Het gaat om een verblijfplaats achter een boeiboord aan de noordoostzijde van een woonhuis. Wij hebben circa twintig gewone dwergvleermuizen de verblijfplaats zien invliegen, maar mogelijk was een onbekend aantal vleermuizen al in de verblijfplaats aanwezig op het moment van waarnemen. De aanwezigheid van een kraamverblijfplaats laat zien dat de omgeving van het projectgebied erg geschikt is als leefgebied voor gewone dwergvleermuis.

Het is aannemelijk dat individuele vleermuizen die zich in het projectgebied ophouden, tot dezelfde populatie horen als de individuen in de kraamverblijfplaats. Afbeelding 4.

Locatie kraamverblijfplaats gewone dwergvleermuis (gele markering)

13

Vleermuisonderzoek J.A.L.-terrein Dongen

5

Conclusie en advies In dit hoofdstuk geven wij antwoord op de onderzoeksvragen en gaan wij in op de te nemen vervolgstappen. Maken vleermuizen gebruik van het projectgebied? Wij hebben drie soorten vleermuizen in het projectgebied waargenomen. Het gaat om gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Alle waargenomen vleermuizen hebben wij met voldoende zekerheid op soortniveau kunnen determineren op basis van visuele waarnemingen en/of geluidsanalyse. Alleen gewone dwergvleermuis maakt duidelijk gebruik van het projectgebied. Van ruige dwergvleermuis en laatvlieger hebben wij geen duidelijke relatie met het projectgebied vast kunnen stellen. Wat is de waarde van de onderzochte gebouwen voor vleermuizen?

Gewone dwergvleermuis Zes gewone dwergvleermuizen gebruiken de houten gevelbetimmering van de zuidgevel van gebouw 2 en de kier tussen de houten dakgoot en de oostgevel van gebouw 2 als zomerverblijfplaats. Eén van deze zomerverblijfplaatsen wordt ook als paarverblijfplaats gebruikt door een mannetje. Van gewone dwergvleermuis is bekend dat zomer- en paarverblijfplaatsen ook gebruikt kunnen worden als winterverblijfplaats.

Ruige dwergvleermuis en laatvlieger Er zijn geen verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig in het projectgebied. Bovendien hebben wij van beide soorten slechts één exemplaar kortstondig en slechts tijdens één veldbezoek waargenomen. Hieruit blijkt dat het projectgebied waarschijnlijk niet dagelijks door deze soorten wordt aangedaan en dat de onderzochte gebouwen geen bijzondere waarde hebben voor deze soorten. Welke vervolgstappen zijn noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming?

Gewone dwergvleermuis Voor gewone dwergvleermuis zijn een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig én specifieke compenserende en mitigerende maatregelen. Door het renoveren of slopen van gebouw 2 worden namelijk zomer-, paar- en mogelijk winterverblijfplaatsen van deze soort aangetast. Daarmee vindt overtreding plaats van artikel 3.5 lid 4 Wnb. Compenserende maatregelen zijn het tijdig aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen. Mitigerende maatregelen zijn bijvoorbeeld het op zo vleermuisvriendelijk mogelijke wijze ongeschikt maken van op te heffen verblijfplaatsen, het uitvoeren van de werkzaamheden in de voor deze vleermuizen minst kwetsbare periode en het inschakelen van een vleermuisdeskundige.

14

Project 302337 v1.0 5 februari 2020

De compenserende en mitigerende maatregelen moeten worden beschreven in een activiteitenplan dat u tegelijk met de ontheffingsaanvraag aanbiedt aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is in de geval Provincie Noord-Brabant. Bovendien moet bij de aanvraag een onderbouwing worden aangeleverd van een in het kader van de Wnb – Habitatrichtlijn genoemd wettelijk belang van de voorgenomen activiteiten. Het meest voor de hand liggende wettelijk belang is in dit geval: ‘Volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang’. Als u wilt, dan kunnen wij de ontheffingsaanvraag inclusief het opstellen van een activiteitenplan voor u verzorgen.

Ruige dwergvleermuis en laatvlieger Voor ruige dwergvleermuis en laatvlieger zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Er is namelijk geen sprake van verblijfplaatsen en er wordt geen essentieel foerageergebied of vliegroute aangetast van deze soorten.

15

Rapport quickscan flora en fauna

Quick-scan flora en fauna ten behoeve van herontwikkeling terrein voormalige schoenenfabriek aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen

Opdrachtgever : Verhoeven Milieutechniek Rapporteurs : M. de Haan-Zaalberg en W. de Haan Datum : mei 2017 Rapportnr. : 17.05.03 Versie : 1.0

Lobenpolder 7 4617 MP Bergen op Zoom 0164-243680 www.brabantsewal.eu

1

Inhoud blz 1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel van het onderzoek 1.2. beoordelingskader 1.3. Werkwijze

3 3 8

2. Natuurwaarden van het onderzochte terrein 2.1. Resultaten veldonderzoek 2.2. Inventarisatie bomen jal-locatie Dongen door BTL Bomendienst 2.3. Natuurloket 2.4. Overige bronnen 2.5. Analyse op basis van de beschikbare gegevens

9 10 10 11 12

3. Te verwachten effecten bij de uitvoering van de plannen en mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren 3.1. Te verwachten effecten op de verschillende soortgroepen 3.2. Mogelijkheden om de effecten te voorkomen, ongedaan te maken of te compenseren

15 17

4. Toets aan de Wet natuurbescherming en het ruimtelijk beleid 4.1. Wet natuurbescherming 4.2. Verordening natuurbescherming Noord-Brabant 4.3. Ruimtelijk beleid

5. Samenvatting en advies

18 19 19 20

Bijlagen 1 2

Tabel broedgegevens van vogels Geraadpleegde bronnen

22 23

2

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel van het onderzoek Woningbouwvereniging Casade wil het gebouwencomplex aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen ontwikkelen of verkopen. Op het terrein was voorheen de schoenfabriek JAL (J.A.Ligtenberg) gevestigd. Het schoenenbedrijf is begonnen in het als Rijksmonument aangewezen woonhuis op nummer 41. Om de productie uit te kunnen breiden is het bedrijf tussen 1907 en 1915 in fasen verplaatst naar een achterliggend fabrieksgebouw. Daarna volgde de bouw van een grote fabriekshal; een twee verdiepingen hoog bakstenen gebouw met een betonskelet, waardoor grote overspanningen en grote raampartijen mogelijk werden. Ook dit gebouw is aangewezen als Rijksmonument. De schoenenfabricage is in 1984 gestopt. Tegenwoordig is er een kringloopbedrijf in het monument gevestigd. Achter op het terrein (met ingang op nummer 53) is in de jaren 80 van de vorige eeuw een nieuwe loods gebouwd waarin tot voor enkele jaren een garagebedrijf zat; tegenwoordig is het hobbymatig in gebruik bij een tijdelijke bewoner. Woningbouwvereniging Casade heeft Verhoeven milieutechniek gevraagd voor de toekomstige ontwikkeling c.q. verkoop van het terrein een risico-inventarisatie van de locatie (grond en alle opstallen) op te stellen.

Verhoeven Milieutechniek heeft in dat kader ecologisch adviesbureau de Brabantse Wal verzocht een quick-scanonderzoek flora en fauna uit te voeren. Deze rapportage is een verslaglegging van het uitgevoerde onderzoek. Hierin zijn de natuurwaarden en de risico’s bij ontwikkeling van het terrein voor die natuurwaarden in beeld gebracht. Ook is aangegeven welke maatregelen eventueel kunnen worden getroffen om negatieve effecten te beperken of zo nodig te compenseren. Indien van toepassing worden ook voorstellen gedaan voor noodzakelijke ontheffings- of vergunningenprocedures.

1.2. Beoordelingskader Wet natuurbescherming Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming beschermt Natura 2000-gebieden, bosgebieden en dier- en plantensoorten die in het wild voorkomen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau. Gebieden De gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming betreft bossen en de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees pers-

3

pectief. Natura 2000 wil deze flora en fauna duurzaam beschermen. Nederland heeft in eerste instantie in totaal 162 gebieden aangemeld om onderdeel uit te maken van het Nederlandse deel van het Natura 2000 netwerk. Nadien zijn daar 4 gebieden op de Noordzee bijgekomen. Voor het grootste deel van de gebieden zijn inmiddels aanwijzingsbesluiten genomen. Met de invoering van de Wet natuurbescherming is de categorie Staats- en/of Beschermde natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet 1998 vervallen. Omdat die gebieden veelal ook onderdeel uitmaken van het Natura 2000-netwerk en/of het Nationaal Natuurnetwerk blijft bescherming van die gebieden verzekerd. Soorten De wet kent 3 beschermingsregimes: voor soorten: 1. Soorten die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn 2. Soorten die zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn 3. Soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Er geldt ook een algemene bescherming voor alle soorten; de zogenaamde algemene zorgplicht. Algemene zorgplicht In de wet is, evenals in de voormalige flora- en faunawet, een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11.

In het tweede lid is bepaald dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Verboden volgens de wet Volgens de wet mag er geen schade toegebracht worden aan vogels en aan beschermde dieren of planten. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die de wet kent zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb); • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb); • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb); • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb); • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb); • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb); en • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

4

De bepalingen in artikel 3.3 gaan over de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. In de wet heeft het Rijk diverse bevoegdheden aan de provincie gedelegeerd. Zo mag de provincie voor de nationaal beschermde soorten vrijstellingen en ontheffingen verlenen.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (“GS”) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen (artikel 3.3 en 3.4 Wnb). Provinciale staten (“PS”) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Aan ontheffingen en vrijstellingen zijn de volgende voorwaarden verbonden: Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling (artikel 3.3 lid 5 Wnb). Door de provincie Noord-Brabant is dit uitgewerkt in de ‘Verordening natuurbescherming NoordBrabant’. In artikel 2.2 van die Verordening is voor de nationaal beschermde soorten een vrijstellingsregeling opgenomen. Dat artikel bepaalt dat voor de soorten in bijlage 3 van de Verordening voor activiteiten vanuit bepaalde belangen een vrijstelling van de verbodsbepalingen, als genoemd in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (Wnb) geldt en vergunningplicht niet aan de orde is. Op grond van de Wnb geldt de vrijstelling alleen als er geen ‘andere bevredigende oplossing’ is. Dit zal per activiteit en op projectbasis bepaald moeten worden. Onder de Ffwet gold de vrijstelling voor soorten voor activiteiten die onder een viertal belangen vielen. Drie van deze vier belangen komen als grond voor ontheffingverlening/vrijstelling terug in de Wnb.

De provincie Noord-Brabant kiest voor een beleidsneutrale overname en heeft daarom een nieuw onderdeel ‘bestendig beheer/gebruik in relatie tot landschappelijke kwaliteiten’ opgenomen (artikel 3.10, tweede lid, onder g, van de Wnb) in plaats van het eerdere ‘bestendig gebruik’.

5

De soorten uit de bijlage 3 waarvoor die vrijstelling van toepassing is zijn: Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Middelste groene kikker (of bastaardkikker), Aardmuis, Bosmuis, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Haas, Huisspitsmuis, Konijn, Ondergrondse woelmuis, Ree, Rosse woelmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Veldmuis, Vos, Wild zwijn en Woelrat. Ten opzichte van de eerdere landelijke vrijstelling, is voor Bunzing, Hermelijn en Wezel geen vrijstelling meer opgenomen. Om vertraging in de uitvoering van lopende projecten zo veel mogelijk te voorkomen en knelpunten bij het beoordelen van ontheffingsaanvragen te minimaliseren, is voor deze drie soorten voorzien in een tijdelijke vrijstelling die geldt tot 1 oktober 2017. De vrijstelling geldt voor activiteiten en handelingen die in deze periode worden uitgevoerd. Naast de voorwaarde voor bepaalde belangen waarnaar wordt verwezen, geldt de voorwaarde dat vrijstelling alleen mogelijk is indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van soorten. Rode lijst Naast de status als beschermde soort op grond van de Flora- en faunawet kunnen soorten ook op een zogenaamde rode lijst staan omdat ze (zeer) zeldzaam en/of (ernstig) bedreigd zijn.

Uit het oogpunt van zorgvuldig en duurzaam beheer is het gewenst ook die soorten waar mogelijk te ontzien en hiervoor mitigerende maatregelen te treffen. In het advies zal daar, indien hiertoe aanleiding bestaat, op worden ingegaan.

Wet Ruimtelijke ordening Natuur kan ook beschermd zijn op grond van de wet Ruimtelijke ordening. Het gaat dan naast de Natura 2000-gebieden om gebieden die (evenals de Natura 2000-gebieden) deel uitmaken van het Nationaal Natuurnetwerk of door gemeenten beschermingswaardig geachte groenstructuren. Voor de bescherming van de natuurschoonwaarden, landschappelijke waarden en natuurwetenschappelijke waarden van die gebieden volstaat volgens de wetgever de planologische bescherming. Nationaal natuurnetwerk Het nationaal natuurnetwerk in een straal van 3 km rond (het middelpunt van) het te onderzoeken gebied ziet er als volgt uit: In de omgeving van het onderzochte terrein zijn geen gebieden begrensd als natuurnetwerk; ook het naastgelegen natuurterrein de Bergen niet. Dat gebied is een stuifzandrelict gaat dat vroeger onderdeel uitmaakte van een veel groter geheel en nu door beheer-maatregelen open gehouden wordt. Het belangrijkste onderdeel van het Nationaal natuurnetwerk in de omgeving is de op circa 1,5 km afstand gelegen Donge. Het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied is het op circa 8 km afstand gelegen gebied Loonse en Drunense heide.

6

Bestemmingsplan ‘Zuid en West Dongen’ van de gemeente Dongen In het bestemmingsplan ‘Zuid en West Donge’ van de gemeente Dongen zijn de bedrijfsgebouwen, erven en de woning Sint Josephstraat 43 bestemd tot ‘Bedrijf’ met een functie-aanduiding ‘tot en met Categorie B1’. De garageboxen achter de woningen Sint Josephstraat 47 en 51 alsmede de houten keet hebben een bestemming ‘Wonen’ , met voor de garages een functieaanduiding ‘Garage’. De groene terreindelen hebben een bestemming ‘Tuin’ en een dubbelbestemming ‘Waarde landschap’. De voor 'Waarde-Landschap' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van landschapswaarden. Op of in de gronden met de bestemming Waarde-Landschap is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. Het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem. b. Het aanleggen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting. c. Het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. d.

Het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Het achter de tuin gelegen natuurgebied de Bergen heeft de bestemming ‘Natuur’. Aldus aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. b. Extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen.

Omgevingsbeleidsplan Dongen 2015-2019 De gemeenteraad Dongen heet in mei 2015 een ‘Omgevingsbeleidsplan Dongen 2015-2019’ vastgesteld. Daarin worden voor natuur en landschap onder meer de volgende acties voorgesteld: • Stimuleren en subsidiëren aanleg en onderhoud van landschapselementen; aanplant van karakteristieke soorten stimuleren. • Het behouden van variatie bij de herinrichting van bestaand groen. • Bebouwing en groen integreren: clusteren van groen, minder snippergroen. • In de planvorming minimaal 5% groenruimte opnemen. • Beschermen van monumentale bomen en voor Cultuurhistorie en archeologie: • Bij ruimtelijke ontwikkelingen standaard rekening houden met het behoud van waardevolle elementen en bebouwing, een goede inpassing in de omgeving en het zo veel mogelijk beleefbaar maken ervan.

7

• • • •

•

Behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden legt randvoorwaarden op aan ruimtelijke ontwikkelingen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de historische waarden expliciet in de afweging betrekken Behoud van de waardevolle bebouwing is van groot belang voor het karakter van de kernen en de bebouwingslinten: kerken, boerderijen, leerlooierijen en schoenfabrieken. – Het vervallen van een gebruiksfunctie is een belangrijke risicofactor voor het voortbestaan van waardevolle gebouwen zoals bijvoorbeeld boerderijen, kerken en industrieel erfgoed. Het zoeken naar passend hergebruik is van groot belang. In deze tijd passende stimuleringsregeling afgestemd op de financiële ruimte van de gemeente. Deze zou moeten gelden voor bebouwd erfgoed en bomen die op de gemeentelijke monumentenlijst staan.

1.3. Werkwijze Een ecologische quick-scan binnen het kader van de Wet natuurbescherming behelst een verkennend onderzoek naar het voorkomen van beschermde planten en dieren in een gebied met invloedsfeer waarbinnen ecologische effecten kunnen optreden of doorwerken. De scan dient in eerste instantie een indicatief maar betrouwbaar beeld te geven van beschermde natuurwaarden die aantoonbaar op locatie voorkomen of potentieel voorkomen op basis van aanwezige habitatkwaliteiten. Het vaststellen van soorten kan direct met waarneming en indirect met sporenonderzoek. Aanvullend kunnen verspreidingsgegevens worden geraadpleegd. Van belang is het enerzijds aanduiden of anderzijds zo betrouwbaar mogelijk uitsluiten van de aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten en het borgen van de gunstige staat van instandhouding van die soorten. Met een quick-scan wordt gekeken naar de functie van een plan- of projectgebied als leefgebied voor alle mogelijke soortgroepen (zoogdieren, vogels, herpetofauna, vissen, ongewervelden en planten). Het dient antwoord te geven op de vraag of nader of diepgaander onderzoek naar de effecten op beschermde soorten wenselijk of noodzakelijk is. Het onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden in de optimale waarnemings- of activiteitsperiode van de betrokken soorten.

Een nader onderzoek kan vervolgens nodig zijn om de aanwezigheid van soorten met een hoger beschermingsregime met betrouwbaarheid vast te stellen en dit kan tevens als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het onderzoek is uitgevoerd op 9 mei 2017. Hierbij is het gebied één maal overdag onderzocht op voorkomende flora en fauna en is er ’s avonds rond schemering gecontroleerd op mogelijk uitvliegende vleermuizen. Omdat diverse soorten in die periode van het jaar niet zijn waar te nemen is het onvermijdelijk dat soorten gemist zijn. Daarom zijn verspreidingsatlassen en andere bronnen geraadpleegd. Ook zijn waarnemingen van de huidige bewoners van het terrein in het onderzoek meegenomen. Op basis van de beschikbare gegevens is, in combinatie met de potentiële geschiktheid van de diverse onderzochte terreinen voor soorten, een voldoende betrouwbaar inzicht te geven in het mogelijk aanwezig zijn van bij de quick-scan gemiste soorten c.q. wettelijk beschermde soorten.

8

2. Natuurwaarden van het onderzochte terrein 2.1. Resultaten veldonderzoek Het te onderzoeken terrein is op 9 mei bij halfbewolkt weer en een temperatuur van circa 11oC bezocht. Bij het bezoek rond schemering was de temperatuur nog rond de 9 oC

In de rapportage worden de waarnemingen in twee clusters weergegeven: de (bedrijfs)gebouwen en de bijbehorende erven en de tot Tuin bestemde gronden. In de onderstaande tabel zijn de vet aangeduide soorten wettelijk beschermd. Als de tekst is gearceerd staat de soort tevens op de rode lijst. De aanduiding (sp) geeft aan dat wel het geslacht maar niet de soort nader kon worden vastgesteld. soortgroepen vaatplanten

vogels

Zoogdieren

Amfibieën en reptielen Vlinders en libellen overige soorten

Bedrijfsgebouwen en erven

Tuin

IJle dravik, Straatgras, Stinkende gouwe, Zomereik, Brem, Gewone esdoorn, diverse Amerikaanse vogelkers, Zandraket, coniferen, Noorse esdoorn. Amerikaanse Hoge fijnstraal, Zachte ooievaarsbek, vogelkers, Stinkende gouwe, Zandraket, Kleine veldkers, Kluwenhoornbloem, Paardenbloem, Wilde lijsterbes, Grote Klimop, Gewone esdoorn (zaailingen), brandnetel, Gewone veldbies, Klimop. Grote klaproos, Akkervergeet-me-nietje, Gewone braam, Japanse duizendknoop, Kantige basterdwederik, Reigersbek, Ratelpopulier, Ridderzuring, Kleefkruid, Bezemkruiskruid, Klein kruiskruid, Amerikaans krentenboompje, Eenstijlige Veldereprijs, Gewone melkdistel, Wilde meidoorn, Taxus, Kropaar, Hulst, Kleine kamperfoelie, Gekroesde melkdistel, veldkers, Zandzegge, Smalle weegbree, Zandhoornbloem, Ruwe berk, Engels Hondsdraf, Jacobskruiskruid, Bonte gele raaigras, Blauwe regen, Clematis (sp), dovenetel, Linde (sp), Kropaar, Robinea, Jacobskruiskruid, Duizendblad, Gewoon Heermoes, Robertskruid, Schapenzuring, biggenkruid, Gestreepte witbol, Witte Ruwe berk, Kluwenhoornbloem, Beuk, klaver, Vogelmuur, Paarse dovenetel, Amerikaanse eik, Hazelaar, Vogelmuur, Rood zwenkgras, Schijnaardbei, Wilde Boskruiskruid, Gestreepte witbol.

Gewone lijsterbes Noorse esdoorn (zaailing), salomonszegel, Lelietjes-van-dalen, Grove Ratelpopulier (zaailingen), Grote den, Gewone vlier, Zandhoornbloem, brandnetel, Robertskruid, Kleefkruid, Laurierkers, Schijnaardbei, Kruipende Gewoon langbaardgras, Hazenpootje, boterbloem, Krulzuring, Grove den, Gewone hoornbloem, Teunisbloem (sp), Okkernoot, Wilde hyacint (sp hispanica) Wilgenroosje, Muurleeuwenbek, Bijvoet, Vertakte leeuwentand, Kruipklokje, Duinriet, Robinea (zaailing), Akkerdistel, Reukgras, Tripmadam. Dauwbraam, Muurvaren, Knopig helmkruid, Boswilg, Akkerkool, Zandzegge, Gewone vlier, Japanse duizendknoop Merel, Kauw, Koolmees, Turkse tortel, Diverse soorten als bij gebouwen en erven Houtduif, Vink, Tjiftjaf, Zwarte kraai, + Bonte vliegenvanger, Grote bonte Roodborst, Groenling, Pimpelmees, specht, Zanglijster (braakballen van) Kerkuil , gedomesticeerde Rotsduif (verwilderde Postduif) schedels, botjes en kiezen van) Bosmuis , (holen + uitwerpselen van) Vos, Konijn, Bosspitsmuis, Veldmuis en Mol Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis Gewone pad (waarneming bewoner) geen geen geen

Klein koolwitje, Dagpauwoog, Atalanta, Wijngaardslak

9

2.2. Inventarisatie bomen jal-locatie Dongen door BTL Bomendienst BTL Bomendienst heeft in opdracht van Casade op 11 januari 2016 een inventarisatie laten uitvoeren. De bomen zijn beoordeeld op veiligheid, conditie en levensverwachting bij ongewijzigde omstandigheden. Alle solitaire bomen op het terrein zijn opgenomen, evenals de bomen in de plantstrook grenzend aan het perceel met huisnummer 31A . De bomen staand in het bosplantsoen en aan de zuid- en westzijde van het perceel (grenzend aan park De Bergen) zijn niet als solitair opgenomen, maar zijn alleen vermeld wanneer er een gevaar voor de directe omgeving dreigt. Voor deze werkwijze is gekozen vanwege het feit dat het inzicht in de veiligheid voor de aangrenzende percelen dient als doel van deze inventarisatie. Onder meer een tweetal forse dode Acacia’s in de zuidoostelijke hoek van het terrein, enkele fraaie Zomereiken en Amerikaanse eiken in de zuidwestelijke hoek en enkele forse ratelpopulieren langs het pad aan de westzijde naar de Bergen zijn dan ook buiten beschouwing gebleven. Voor een aantal gezonde bomen op het terrein wordt veiligheidssnoei of het verwijderen van dood hout voorgesteld, en voor aan viertal bomen met een korte toekomstverwachting (een Zomereik achter de tot woning bestemde houten loods) en drie Abelen) wordt om veiligheidsreden voorgesteld ze te vellen.

Wanneer een boom een toekomstverwachting heeft van minder dan 10 jaar wordt geadviseerd geen maatregelen te treffen die als doel hebben de boom in te passen. Het gaat dan om een Paardenkastanje op het voorterrein van de Sint Josephstraat 39 met baststerfte en zwammen in de kroon en een geknotte zomereik op de grens met de Sint Josephstraat 37. Voorgesteld wordt om bij de Paardenkastanje en een in die omgeving staande Hollandse Linde het zware dode hout te snoeien.

2.3. Natuurloket Het Natuurloket geeft per kilometerhok aan hoeveel soorten van de onderscheiden soortgroepen in de verschillende categorieën beschermde soorten of op de rode lijst (RL) voorkomen en of er ook soorten voorkomen die op grond van de Vogelrichtlijn (VR) of Habitatrichtlijn (HR) beschermd zijn. Het te onderzoeken perceel ligt in kilometerhok 124/403. Binnen dit kilometerhok bevinden zich naast bebouwing, wegen en openbaar groen ook delen van het het Wilhelminakanaal en het aangrenzende natuurgebied de Bergen.

10

2.4. Overige bronnen Toelichting bestemmingsplan Zuid en West Dongen (2010) In de toelichting van het bestemmingsplan is slechts zeer summier ingegaan op de natuurwaarden van het gebied. In hoofdstuk 3 wordt, zonder dat naar onderzoek wordt verwezen, gesteld dat bouwwerkzaamheden in het gebied naar verwachting leiden tot aantasting van de verblijfgebieden en/of verstoring van diersoorten die algemeen voorkomen in Nederland en dat daar op grond van de Flora- en faunawet ontheffingen voor gelden. Verspreidingsatlassen Volgens de Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant van Ravon zijn in het betreffende uurhok (5x5 km) in het verleden Kleine watersalamander, Gewone pad, Bruine kikker, Groene kikker (sp), en Middelste Groene kikker aangetroffen. De atlas van de Nederlandse Zoogdieren van de Zoogdiervereniging laat in dit uurhok in WestBrabant waarnemingen van Eekhoorn, Veldmuis, Bosmuis, Huismuis, Bruine rat, Zwarte rat, Haas, Konijn, Egel, Mol, Dwergspitsmuis, Huisspitsmuis, Watervleermuis, Rosse vleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Vos, Hermelijn, Wezel, Bunzing en Ree zien.

11

2.5. Analyse op basis van de beschikbare gegevens Op grond van de uitgevoerde inventarisatie is in combinatie met de geschiktheid van aanwezige biotopen voor de beschermde soorten en informatie uit andere bronnen voor de verschillende soortgroepen nagegaan welke soorten naar alle waarschijnlijkheid kunnen of zullen voorkomen. Hierbij zijn in het onderzoek de volgende gebouwen onderscheiden: 1. Complex garageboxen afgedekt met asbest golfplaten 2. Afgetimmerde gekoppelde containers met plat dak 3. Houten keet met schuin dak van bitumineuze golfplaten 4. Met damwandprofielen beklede platte loods in 1 laag aangebouwd aan te handhaven woning 5. Bakstenen loods in 3 lagen met dichtgetimmerde ramen en plat dak 6. Plat afgedekte bakstenen loods met betonskelet in 2 lagen 7. Circa 25 jaar oude kalkzandstenen loods in 1 laag met schuin dak 8. Klein open houten schuurtje Vaatplanten Bij het veldbezoek zijn zowel op de erven rond de gebouwen als op het tot Tuin bestemde gedeelte van het terrein alleen algemeen voorkomende soorten aangetroffen. Bij het Natuurloket is er een soort van de rode lijst bekend. Op basis van de beschikbare gegevens is niet te achterhalen om welke soort het zou kunnen gaan, maar aannemelijk is dat die in het naastgelegen natuurgebied de Bergen voorkomt.

Zoogdieren Bij het Natuurloket zijn er 1 zoogdiersoort van de Nationale lijst aan overige beschermde soorten en één soort van Provinciale lijst met beschermde overige soorten bekend. Gelet op informatie uit de verspreidingsatlas zal het bij de landelijke lijst gaan om de Eekhoorn en bij de provinciale lijst zal het gelet op de terreineigenschappen waarschijnlijk gaan om de provinciaal niet vrijgestelde soort Wezel. De Eekhoorn maakt mogelijk gebruik van de houtopstanden in de bosgordel aan de zuid- en westzijde van het perceel maar zeker ook van het aangrenzende natuurgebied De Bergen. De Wezel maakt mogelijk gebruik van holen van mollen, muizen of ratten, (hout)stapels of schuurtjes op het terrein. Verder komen er volgens het Natuurloket 2 vleermuissoorten voor waarvan er een op de rode lijst staat. Dit komt overeen met de waargenomen Gewone dwergvleermuis en de rode lijstsoort Rosse vleermuis. De dwergvleermuizen kwamen allemaal het gebied binnen via de bosranden c.q. houtsingels. Volgens de bewoner van het complex zouden er wel eens vleermuizen rond de ventilatieopening bovenin de liftkoker van het monumentale gebouw gezien zijn. Deze ruimte was niet toegankelijk en kon dus niet worden onderzocht. Rond schemering is specifiek gelet op hier of elders uit de aanwezige bebouwing vertrekkende vleermuizen maar die zijn niet gezien.

Omdat de Gewone dwergvleermuis een gebouw-bewonende soort is zal deze vermoedelijk uit de omgeving komen. De Rosse vleermuis kwam hoog uit noordwestelijke richting aanvliegen en verdween richting de Bergen. Dit is een boom-bewonende soort waarvan niet uit te sluiten is dat deze een verblijfplaats evenmin op het Jal-terrein zal hebben.

12

Een kolonie, een familiegroep van vrouwtjes met hun jongen, gebruikt altijd een reeks bomen in de loop van het jaar. Na enkele weken verplaatsen de dieren zich naar een volgende boomholte. De verlaten holten worden later in het jaar, of in het volgende jaar weer gebruikt. De holten vormen een netwerk van verblijfplaatsen. Doordat vleermuizen per seizoen redelijk vaak verhuizen, kan het nodig zijn om zoals het vleermuisprotocol van het netwerk Groene bureau’s voorschrijft niet te volstaan met een quick-scan onderzoek maar een paar keer te inventariseren. Alleen wanneer een vleermuisinventarisatie van een gebied gedurende een volledig seizoen en op een aantal verschillende manieren is uitgevoerd kan een goed en volledig beeld van de situatie ontstaan. In plaats van het zoeken in de avond of ochtend kunnen kolonies ook gedurende de nacht of zelfs overdag worden opgespoord. De ‘sociale’ geluiden van de rosse vleermuis bijvoorbeeld kunnen op warme dagen in juli en augustus op wel meer dan 50 meter afstand te horen zijn (ook overdag!). Bovendien zijn deze geluiden, in tegenstelling tot de sonar, voor de mens gewoon hoorbaar (oudere mensen horende deze geluiden soms niet meer). Het geluid lijkt op dat van een bedelende jonge specht, maar dan veel hoger en meer snerpend (hogere toon).

Kleine grondgebonden zoogdieren zijn niet aangetroffen maar de soorten zijn teruggevonden in uitgeplozen braakballen van de Kerkuil. De diverse muizensoorten hebben rond de gebouwen en aanwezige beplantingen voldoende mogelijkheden om er een holletje of nest te maken.

Vogels Hoewel in stedelijk gebied door verkeer, wandelaars en werkzaamheden vrijwel dagelijks verstoringsactiviteiten plaats vinden kiezen veel soorten de stad toch als leefgebied omdat er vaak nestgelegenheid en voldoende voedselaanbod is. Tijdens het veldbezoek zijn er (sporen van) 15 vogelsoorten aangetroffen. Er zijn in de bomen geen nesten aangetroffen, maar omdat aantal bomen al flink in het blad zat kunnen er nesten gemist zijn. Bij het natuurloket zijn er 49 broedvogelsoorten bekend, waarvan er 7 op de rode lijst staan en 70 wintervogels. Op basis van de beschikbare gegevens is niet te achterhalen welke soorten er allemaal gemist zijn. Bij de rode lijst-soorten kan het gaan om soorten als Zomertortel, Kerkuil, Koekoek, Steenuil, Ringmus, Huiszwaluw en Huismus. Deze zullen zeker niet allemaal een geschikte biotoop op het onderzochte terrein kunnen vinden. Het gebruik van de aanwezige bebouwing door vogels is als volgt: Gebouw 1 Niet toegankelijk voor vogels Gebouw 2 De ruiten zijn deels ingegooid waardoor vogels vrij toegang hebben tot het gebouw. Daar is geen gebruik van gemaakt Gebouw 3 Ramen van de loods zijn vrijwel allemaal met luiken afgedicht. Daardoor is gebouw zelf maar ook de dakconstructie niet toegankelijk voor vogels Gebouw 4 Ramen en deuren zijn afgeplankt en dakconstructie is niet toegankelijk voor vogels. Gebouw is niet van binnen onderzocht.

Gebouw 5 Ramen beneden zijn afgeplankt maar zolderverdieping is met enkele ingegooide ramen vrij toegankelijk voor vogels. Enkele verwilderde postduiven hebben daar gebruik van gemaakt. Vloeren liggen vol met uitwerpselen, dode vogels en kapotte eieren. In de dakrand aan de zuidzijde heeft een Kauw nest gemaakt en broedt daar in. Gebouw 6 Ramen grotendeels intact; dak lekt plaatselijk. Hoewel in principe wel toegankelijk zijn waarschijnlijk wordt daar, mede door het gebruik als opslagplaats voor kringloopwinkel, door de vogels geen gebruik van gemaakt. Gebouw 7 Dak is aan de binnenzijde geheel met PUR-schuim afgespoten waardoor binnenruimte niet toegankelijk is voor vogels. De dakrandconstructie biedt wel toegangsmogelijkheden waar aan de noordwestzijde een Kauw, en aan de zuidoostzijde een Pimpelmees gebruik heeft gemaakt. Op een van de (open) luchtkokers van het gebouw heeft regelmatig een Kerkuil gerust en zijn braakballen achtergelaten. De constructie van de luchtkoker biedt geen mogelijkheden om daar een nest te maken. Gebouw 8 vrij toegankelijk maar biedt waarschijnlijk onvoldoende beschutting en/of bouwmogelijkheden voor een vogelnest.

13

Amfibieën en reptielen In de ruime omgeving van de woning is geen openbaar oppervlaktewater aanwezig. Niet uit te sluiten is dat er in de een of meer achtertuinen vijvers aanwezig zijn waarin amfibieën zitten. Soorten als de aangetroffen Gewone pad kunnen echter ook enkele kilometers trekken van hun voortplantingsbiotoop naar hun zomer- en winterbiotoop. Bruine kikker en Gewone pad kunnen op of in de omgeving van het terrein geschikte overwinteringsplaatsen vinden. De enige reptielensoort die in dit kilometer zou kunne voorkomen is de Levendbarende hagedis. Het open zand in de zuidoostelijke hoek van het terrein kan evenals de stuifduinen in het aangrenzende natuurgebied de Bergen een geschikt biotoop zijn voor deze soort zijn. Dagvlinders, libellen en overige ongewervelden Volgens het Natuurloket komen in het kilometerhok 20 dagvlindersoorten voor waarvan er geen enkele wettelijk beschermd is. Dagvlinders foerageren en leggen hun eieren op waardplanten en libellen hebben oppervlaktewater nodig om zich voort te planten. Omdat oppervlaktewater ontbreekt zijn er geen libellen in het onderzochte gebied te verwachten. Het tot Tuin bestemde gedeelte van het onderzochte terrein biedt voor vlinders voldoende mogelijkheden om er te foerageren en zich voort te planten, en waarschijnlijk zullen er dan ook meer soorten voorkomen dan de drie die bij het veldbezoek zijn aangetroffen.

De Wijngaardslak is aangetroffen in de randzone van het open terreingedeelte in het zuidoosten van het onderzochte terrein (zie groene stip op tekening op de volgende pagina voor de globale locatie) De Wijngaardslak komt van oorsprong voor in Zuid-Limburg en het duingebied en is niet wettelijk beschermd, maar staat wel op de rode lijst. Door al dan niet bewuste uitzettingen komt de soort inmiddels verspreid over Nederland voor waar de soort op kalkhoudende zandgronden goed stand weet te houden.

14

3. Te verwachten effecten bij de uitvoering van de plannen en mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren Het is nog niet bekend welke ontwikkelingen op het terrein zullen worden toegestaan. De risico-inventarisatie door Verhoeven is mede bedoeld om de mogelijkheden in kaart te brengen. Gelet op de huidige doelstellingen (bescherming en veiligstelling van landschapswaarden) van de op bijgaande tekening lichtgroen aangeduide gronden kan er van worden uitgegaan dat de gemeenteraad van Dongen handhaving van de groene invulling van dit terrein als uitgangspunt voor verdere planontwikkeling zal hanteren. Ook zal het als Rijksmonument aangemerkte gele gebouw gerenoveerd worden en een gepaste bestemming krijgen. De overige bebouwing op het beige gekleurde terreingedeelte zal waarschijnlijk gesloopt worden. De werkzaamheden zullen in hoofdzaak bestaan uit het slopen van de bouwwerken, het verwijderen van bestratingen en funderingen, het kappen van op zijn minst de niet-vitale bomen ( ook aan de randen van het lichtgroene terreingedeelte in verband met mogelijke overlast voor aangrenzende eigenaren), het realiseren van nieuwbouw en het herinrichten van de nieuwe openbare ruimte met verhardingen en groenvoorzieningen.

3.1. Te verwachten effecten op de verschillende soortgroepen Effecten op vaatplanten Bij de sloop en herinrichting zal de vegetatie op het terrein geheel of grotendeels verdwijnen. Het betreft uitsluitend algemene soorten die niet wettelijk beschermd zijn en niet op de rode lijst staan. De kans is groot dat diverse soorten na afloop van de werkzaamheden weer terug zullen komen. Er zijn geen effecten op de instandhouding van die soorten te verwachten. Effecten op zoogdieren Van de vos zijn drie holen gezien. Deze staan op bovenstaande tekening globaal met een rode stip aangeduid. De vos is een schemer- en nachtdier die leeft waar voldoende voedsel en dekking is en bij voorkeur jaagt in het overgangsgebied van biotopen omdat daar het meeste voedselaanbod is. Ze eten kleine knaagdieren en haasachtigen maar ook vogels, insecten, eieren, bessen, afgevallen fruit, aas en afval worden gegeten. Het territorium varieert meestal van 100 tot 400 ha en daarbinnen kan de vos meerdere holen hebben die wisselend gebruikt worden. De drie aangetroffen holen zijn waarschijnlijk dan ook van dezelfde vos. Holen hebben een of meer toegangspijpen en worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt om in te slapen als ze drachtig zijn of kleine jongen hebben. De paartijd valt in december tot februari.

Na een draagtijd van ongeveer 53 dagen worden eind maart of begin april de meestal 4 tot 5 jongen geboren. Vanaf half juni verblijven de jongen meestal bovengronds, vaak op een plek met dicht struikgewas. In de overige jaargetijden slapen de vrouwtjes net als de meeste mannetjes op een beschut plekje bovengronds. Vanwege de rust heeft het dier waarschijnlijk voor deze locatie op het Jal-terrein gekozen en niet voor het door recreanten en honden verstoorde veel grotere aanliggende natuurgebied de Bergen. Het hol vlak bij het te renoveren gebouw is bij een renovatie en hergebruik van dit gebouw vrijwel zeker niet meer geschikt voor het dier. Ook voor de andere holen zijn specifieke inrichtingsmaatregelen nodig. De bomen aan de zuidzijde van het terrein blijven gehandhaafd en op de Eekhoorn zijn dan ook geen effecten te verwachten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9588355/1