Bijl-18 24-72 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Bureau voor Archeologie Rapport 1241 Zoeklocatie woningen, Vaartweg, 's Gravenmoer, gemeente Dongen: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
2
Colofon titel:
Bureau voor Archeologie Rapport 1241. Zoeklocatie woningen, Vaartweg, 's Gravenmoer, gemeente Dongen: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
auteur:
F. Roodenburg (KNA prospector)
autorisatie:
A. de Boer (KNA senior prospector)
datum:
7 oktober 2022
ISSN:
2214-6687
© Bureau voor Archeologie Koningsweg 244 Utrecht T 030 245 18 95 E info@bureauvoorarcheologie.nl I https://www.bureauvoorarcheologie.nl
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
3
Administratieve gegevens Projectnummer
2021091702
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Dongen
Plaats
's Gravenmoer
Toponiem
Vaartweg
Naam
Zoeklocatie woningen
Centrum locatie (m RD)
125.070; 407.120 (x; y)
Omvang plangebied
22.650 m2
Omvang onderzoeksgebied booronderzoek 22.650 m2 Kadastrale gegevens
kadastrale gemeentenaam: 's-Gravenmoer, sectie: B, nummer(s): 3461
ARCHIS onderzoeksmeldingsnummer
5292049100 (ABU); 5292065100 (ABO)
Soort onderzoek
een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
Opdrachtgever
SAB
Uitvoerder
Bureau voor Archeologie
Kaartblad
44G
(RO) kader onderzoek
Wijziging bestemmingsplan
Periode van uitvoering veldwerk
19 september 2022
Bevoegde overheid
Gemeente Dongen
Deskundige namens bevoegde overheid
Regio West Brabant
Versie van het rapport
1
Beheerder en plaats van documentatie
Digitale documentatie: ARCHIS en E-Depot Vondstdocumentatie: geen vondsten
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
4
Figuur 1: Het onderzoeksgebied (kaartbeeld) met plangebied (rood; www.opentopo.nl).
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
5
Inhoudsopgave 1 2
3
4 5 6
Samenvatting...............................................................................................8 Inleiding.......................................................................................................9 1.1 Doelstelling en vraagstelling.................................................................9 Bureauonderzoek.......................................................................................11 2.1 Methode..............................................................................................11 2.2 Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik..........................................11 2.3 Huidige situatie...................................................................................12 2.4 Aardwetenschappelijke waarden.........................................................13 2.5 Historische situatie..............................................................................14 2.6 Mogelijke verstoringen........................................................................15 2.7 Archeologische en bouwhistorische waarden......................................15 2.8 Gespecificeerde verwachting..............................................................17 Booronderzoek..........................................................................................19 3.1
Inleiding..............................................................................................19 3.2 Resultaten met bodemkundige en geologische interpretatie...............20 3.3 Archeologische interpretatie................................................................22 3.4 Waardestelling en Selectieadvies.......................................................23 Conclusie...................................................................................................24 4.1 Conclusie Bureauonderzoek...............................................................24 4.2 Conclusie Booronderzoek...................................................................25 Advies........................................................................................................27 5.1 Status en inhoudelijke afstemming bevoegde overheid......................27 Literatuur...................................................................................................28 Figuren......................................................................................................31 Bijlage 1: Boorbeschrijvingen.....................................................................55
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
6
Lijst met Figuren Figuur 1: Het onderzoeksgebied (kaartbeeld) met plangebied (rood; www.opentopo.nl)........................................................................................4 Figuur 2: Luchtfoto actueel..................................................................................31 Figuur 3: Topografische kaart..............................................................................31 Figuur 4: Onderzoeksgebied als straal van 1000 m rondom het plangebied.......32 Figuur 5: Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Dongen (Gemeente Dongen 2016).........................................................................32 Figuur 6: Luchtfoto detail.....................................................................................33 Figuur 7: Bouwjaren van panden in en in de omgeving van het plangebied (Kadaster 2013).........................................................................................34 Figuur 8: Foto genomen tijdens het veldwerk ter hoogte van boring 8................34 Figuur 9: Het zuidelijke perceel ter hoogte van boring 2. Foto genomen tijdens veldwerk....................................................................................................35 Figuur 10: Het noordelijke perceel ter hoogte van boring 12.
Foto genomen tijdens het veldwerk...................................................................................35 Figuur 11: Bestemmingsplannen (‘http://www.ruimtelijkeplannen.nl’)..................36 Figuur 12: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019).........................................37 Figuur 13: Geologische situatie rondom 9.000 voor Christus (Vos e.a. 2018).....38 Figuur 14: Beddinggordels Laat Glaciaal - Vroeg Holoceen................................39 Figuur 15: Geologische situatie rondom 2.750 voor Christus (Vos e.a. 2018).....40 Figuur 16: Geologische situatie rondom 1.500 na Christus (Vos e.a. 2018)........40 Figuur 17: Bodemkaart (Alterra Wageningen UR 2012)......................................41 Figuur 18: Hoogte-reliëfkaart (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018)............42 Figuur 19: Hoogte-reliëfkaart detail (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018). Hoogtewaarden in meters ten opzichte van N.A.P.....................................42 Figuur 20: Turfdatabank (Provincie Antwerpen 2020).........................................43 Figuur 21: Kaart van de Baanderijen van Breda uit 1744 (Van den Kieboom 1744).........................................................................................................
44 Figuur 22: Kaart uit 1754 (De Roij 1754).............................................................44 Figuur 23: Kadastraal minuutplan uit de periode 1811 tot en met 1832 van de gemeente 's-Gravenmoer, sectie A, blad 2 (‘Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’).....................................................................................45 Figuur 24: Topografisch militaire kaart 1850........................................................46 Figuur 25: "605-2068-""S GRAVENMOER-1920"................................................46 Figuur 26: 44G-1936-Dongen / Kaatsheuvel / Oosterhout / Raamsdonksveer / Rijen.......................................................................................................... 47 Figuur 27: Luchtfoto van de RAF uit 1944 (RAF 1940-1945)..............................48 Figuur 28: 44G-1959-Dongen / Kaatsheuvel / Oosterhout / Raamsdonksveer / Rijen.......................................................................................................... 49 Figuur 29: 44G-1981-Dongen / Kaatsheuvel / Oosterhout / Raamsdonksveer / Rijen..........................................................................................................
49 Figuur 30: Topografisch kaart 2012.....................................................................50 Figuur 31: Archeologische terreinen, vondstlocaties en zaken uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021)............................................51 Figuur 32: Voorbeeld van vervallen kassen in het zuiden van het plangebied ter hoogte van boorprofiel 6............................................................................52 Figuur 33: Voorbeeld van overgroeide kassen in het noordelijke deel van het plangebied ter hoogte van boorprofiel 8.....................................................52 Figuur 34: Boorpuntenkaart................................................................................53 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
7 Figuur 35: Schematische weergave van boorprofielen........................................54
Lijst met Tabellen Tabel 1: Aardkundige waarden............................................................................14 Tabel 2: Archeologische terreinen, zaken en vondstlocaties ca. 1.000 m van het plangebied.................................................................................................17
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
8
Samenvatting Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd voor bouwwerkzaamheden aan de Vaartweg te 's Gravenmoer. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. In het plangebied worden woningen gebouwd. Het plangebied ligt in een vlakte van terrasafzettingen die in koude en droge perioden (de ijstijden) is afgedekt door dekzand. Het is onzeker of deze vlakte geschikt is geweest voor bewoning door jager-verzamelaars en eerste boeren gedurende het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum. In de loop van het Midden Neolithicum wordt het gebied overgroeid door veen. Het veengebied is waarschijnlijk uitsluitend geschikt geweest voor jacht en visvangst. In de Late Middeleeuwen wordt het veen ontgonnen en afgegraven. Het plangebied ligt ongeveer 75 meter ten westen van de ontginningsas ‘s-Gravenmoerse Vaart die is uitgegraven ten behoeve van veenwinning. Waarschijnlijk is het veen geheel verdwenen en ligt dekzand aan de oppervlakte.
In Nieuwe tijd heeft het plangebied na de vervening waarschijnlijk een agrarische functie. In de loop van de 20e eeuw wordt het plangebied bebouwd met kassen. In het plangebied zijn twaalf boringen gezet met einddieptes tussen 100 en 160 cm -mv. Hieruit blijkt dat in het grootste deel van het plangebied een A- op Cprofiel aanwezig is. De A-horizont bevat baksteenbrokken en een enkel, vermoedelijk recent, aardewerkfragment dat gerelateerd kan worden aan het kassencomplex. Aangezien resten uit het Laat Paleolithicum tot en met het Midden Neolithicum zich voornamelijk manifesteren als spreiding van artefacten en ondiepe sporen zullen deze grotendeels zijn verdwenen. In het noorden van het plangebied, in het perceel dat in gebruik is als weiland, zijn in twee boringen een restant van een B-horizont aanwezig. Het betreft echter een relatief flauwe en dunne laag waardoor vermoed wordt dat het grootste deel van het oorspronkelijke bodemprofiel is omgewerkt. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht.
Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Dongen.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
9
1
Inleiding Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd voor bouwwerkzaamheden aan de Vaartweg te 's Gravenmoer. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De ligging van het plangebied is weergegeven in fig. 1. Vanwege de regels uit het geldende bestemmingsplan moet voor de beoogde ontwikkeling een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000,1 in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een booronderzoek in de verkennende fase. Met de bevindingen wordt aan het einde van het rapport een advies gegeven hoe bij het project rekening kan worden gehouden met archeologische waarden.
1.1
Doelstelling en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Het doel van het veldonderzoek is het controleren en verfijnen van de archeologische verwachting zodat een beslissing genomen kan worden over hoe met eventuele archeologische waarden rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. Het veldonderzoek is uitgevoerd als booronderzoek (IVO – O) en betreft de verkennende fase. Met het verkennende veldonderzoek wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd. De volgende onderzoeksvragen zijn in dit onderzoek gebruikt: Bureauonderzoek: 1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
2.
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?
3.
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?
5.
Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?
1
https://www.kiwa.nl/upload/certificate/00094278.pdf
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
10 6.
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
Verkennend booronderzoek: 7.
Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel?
8.
Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan?
Eindoordeel: 9.
Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden?
10.
Indien vervolgonderzoek nodig is: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
11
2
Bureauonderzoek
2.1
Methode Het bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA 4.1, protocol 4002.2 Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. Eerst wordt het plan- en onderzoeksgebied vastgesteld en het onderzoek gemeld bij ARCHIS. Daarna wordt achtereenvolgens de aardkundige, archeologische en historische context van het te onderzoeken gebied bestudeerd. Deze gegevens leiden tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. In de gespecificeerde verwachting worden de mogelijk aanwezige archeologische resten beschreven in termen van onder meer diepteligging, omvang, ouderdom en conservering. De genoemde stappen leiden tot onderhavig rapport en het openbaar maken van de resultaten bij Archis en het e-Depot voor de Nederlandse Archeologie.3 In de hierna volgende hoofdstukken worden de belangrijkste onderzoeksgegevens gepresenteerd. Er is geen contact geweest met lokale amateurs en/of Heemkunde-kringen. Van alle afgebeelde kaarten is het noorden boven, tenzij anders aangegeven.
2.2
Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik Afbakening plan- en onderzoeksgebied De ligging van het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. Het plangebied ligt in de gemeente Dongen in de plaats 's Gravenmoer. De locatie ligt aan het adres Vaartweg. Het plangebied is ongeveer 190 m lang en 125 m breed en heeft een omvang van 22.650 m2. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Lage Dijk (fig. 2 en 3). Ten westen van het plangebied ligt de Vaartweg. In het noorden wordt het plangebied begrensd door een sloot. Aan de westzijde heeft het plangebied geen duidelijke begrenzing. Om voldoende informatie over aardkundige, historische en archeologische gegevens te verzamelen wordt een onderzoeksgebied gebruikt dat groter is dan het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is een zone met straal van circa 1000 m om de ontwikkeling heen (fig. 4). Overheidsbeleid In het gebied geldt een vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid (fig. 5). Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2016 heeft het grootste deel van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting wegens ligging nabij een ontginningsas. De westelijke rand van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting vanwege een veronderstelde ligging in een laag en nat landschap. 2 3
SIKB 2018 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Data Archiving and Networking Services
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
12 Het beleid voor de zone met middelhoge verwachting is dat bij ingrepen van meer dan 100 m2 en waarbij dieper wordt gegraven dan 50 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische resten. Voor de zone met een lage verwachting geldt dat bij bij ingrepen van meer dan vijf hectare rekening gehouden moet worden met archeologische resten. Wel geldt een meldingsplicht voor deze zone bij het aantreffen van archeologische resten.4 Ontwerp c.q. inrichtingsplan Voor het plangebied is nog geen inrichtingsplan opgesteld. Aard en omvang van de toekomstige verstoring De plannen bevinden zich nog in het ontwerpstadium. Details van de toekomstige bodemverstoringen zijn daarom nog niet bekend. Wel kan verondersteld worden dat bij graafwerkzaamheden voor de aanleg van funderingen en de aanleg van kabels en leidingen de bodem naar verwachting tot ongeveer 80 cm -mv zal worden vergraven. Milieutechnische condities Ter plaatse van de Vaartweg 78a en 82-82A zijn een autoreparatiebedrijf, benzine-service station, chemicaliënopslag en sierplanten- en sierstruikenkwekerij gevestigd. Ook zijn een bovengrondse stookolietank, dieseltank en ondergrondse huisbrandolietank aanwezig. De bodem is mogelijk verontreinigd. Op ongeveer 300 meter ten westen van het plangebied ligt een wiel. De bovenste 100 tot 250 cm van het bodemprofiel naast het wiel bestaat uit veen.
In het veen overschrijdt zink de streefwaarde. Daaronder ligt schoon zand. De bodem van het wiel bevat huishoudelijk afval bestaande uit glas, aardewerk en schoenzolen en er is lokaal een sterke brandstofgeur en olie-waterreactie waargenomen. De streefwaarden voor koper, kwik, lood, zin, PAK en minerale olie worden overschreden. Grondwaterpeil De actuele grondwaterstand in het plangebied kan worden afgeleid uit de grondwatertrap op de bodemkaart. De grondwatertrap is IV. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper staat dan 40 cm onder maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand staat tussen 80 en 120 cm onder maaiveld. De grondwaterstand zal door de beoogde ingrepen waarschijnlijk niet veranderen. Consequentie van de ingrepen Door uitvoeren van graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten worden vergraven.
2.3
Huidige situatie Bebouwing, functie en bodemgebruik In het midden van het plangebied staan kassen (fig. 6). Deze hebben volgens Basisadministratie Adressen en Gebouwen bouwjaren van 1950 en 1965 (fig. 7). De kassen zijn buiten gebruik, vervallen en deels overgroeid met braamstruiken 4
Gemeente Dongen 2016
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
13 (fig. 8). De percelen langs de noord- en zuidrand zijn onbebouwd. Het zuidelijke perceel ligt braak (fig. 9). Het noordelijke perceel is in gebruik als weide (fig. 10).5 Bestemmingsplan Het plangebied ligt in bestemmingsplan ‘s-Gravenmoer Dorp (fig. 11). Voor het grootste deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Dit betekent dat bij ingrepen met een omvang van meer dan 100 m2 waarbij de bodem dieper dan 50 cm onder maaiveld wordt verstoord een rapport moet worden overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. De westelijke rand van het plangebied heeft geen dubbelbestemming voor archeologie.6
2.4
Aardwetenschappelijke waarden De aardkundige gegevens staan samengevat in tabel 1. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten.7 Het plangebied ligt in een Pleistoceen zandgebied dat bestaat uit afzettingen van (vlechtende) rivieren. Het plangebied ligt beneden de terrassenkruising waardoor het sediment als vlakte is afgezet (fig. 12). In koude en droge periodes (met name de ijstijden) kan zand opwaaien uit drooggevallen beken en rivieren waardoor een pakket dekzand wordt afgezet. Ongeveer twee kilometer ten westen van het plangebied loopt een laatglaciale broekvallei (fig. 13 en 14). Het beekdal van de Donge ligt ongeveer anderhalve kilometer ten westen van het plangebied. Nadat de Nederlandse kust sluit tussen ongeveer 4.000 en 3.000 voor Christus wordt het westen van Nederland natter en kan veengroei plaatsvinden. Het veen ontwikkelt zich ook in de lagere riviervlakten en beekdalen en kan op deze manier het plangebied bereiken (fig. 15). Het is waarschijnlijk dat het plangebied langdurig door veen is afgedekt en pas in de Late Middeleeuwen is ontgonnen (fig. 16).8 Na ontginning en vervening komt het dekzand opnieuw aan de oppervlakte te liggen. In het plangebied zijn waarschijnlijk laarpodzolgronden aanwezig die zijn gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand (fig. 17).
Dit zijn oude ontginningsgronden die meestal in de omgeving van oude dorpskernen liggen, of naast en tussen enkeerdgronden. Laarpodzolgronden hebben een 30 tot 50 cm dikke humushoudende bovengrond. Dit humeuze dek is mede ontstaan door vermenging van restveen met de natuurlijke ondergrond en agrarisch gebruik. Onder de humushoudende grond ligt een B-horizont die vanaf 50 tot 60 cm -mv geleidelijk overgaat naar de C-horizont.9 De natuurlijke loop van het maaiveld in de omgeving van het plangebied loopt af in noordelijke richting (fig. 18). In het plangebied is het reliëf sterk beïnvloed door menselijk handelen. Het maaiveld ligt ongeveer tussen 1,3 en 1,5 m NAP (fig. 19). Bron
Situatie plangebied, omschrijving
Geomorfologie (fig. 12)
Geomorfologische kaart 1 : 50 000:
5 6 7 8 9
Kadaster 2013 ‘http://www.ruimtelijkeplannen.nl’ Rensink e.a. 2015 De Mulder 2003 Harbers e.a. 1990
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
14 •
Terrasafzettingsvlakte bedekt of opgevuld met dekzand (M41d)
Geologie (fig. 13, 14, 15 en 16).
Geologische Overzichtskaart 1 : 250 000:10 • Bx6: Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)
Bodemkunde (fig. 17)
Bodemkaart 1 : 50 000: • Podzolgronden, Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21-IV)
AHN (fig. 18 en 19).
Het maaiveld in het plangebied ligt tussen 1,3 en 1,5 m NAP.
Tabel 1: Aardkundige waarden.
2.5
Historische situatie Het plangebied kan al in de steentijden zijn bewoond door jager-verzamelaars gedurende het (Laat) Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum. Jachtkampen en boerderijen worden doorgaans gevestigd op locaties met reliëf nabij open water. Het plangebied ligt echter in een vlakte en het dichtstbijzijnde dal ligt ongeveer anderhalve kilometer ten westen van het plangebied. Het landschap waar het plangebied in ligt, is dus geen geschikte vestigingslocatie maar dat betekent niet dat bewoning geheel kan worden uitgesloten. In de loop van het Midden Neolithicum wordt het plangebied vermoedelijk overgroeid door veen. Veengebieden zijn doorgaans ongeschikt voor bewoning vanwege de natte omstandigheden. Waarschijnlijk wordt het veen gedurende enkele duizenden jaren uitsluitend gebruikt voor jacht en visvangst. Het veen wordt in de Late Middeleeuwen ontgonnen en verveend tot het Pleistocene dekzand opnieuw aan de oppervlakte komt te liggen. De plaats ‘s-Gravenmoer wordt voor het eerst genoemd bronnen uit 1293 na Christus en ligt in het veengebied tussen Geertruidenberg en Waalwijk. Het naamdeel ‘moer’ verwijst naar het veen of turfwinning. In 1326 wordt het dorp, waarvan de historische kern ongeveer één kilometer ten noordwesten van het plangebied ligt, beschreven als “vijftien hoeven venes legghede in ‘s-graven moer boven Ramesdonc bij den Hamme”.
Direct ten zuiden van het plangebied ligt de uitgifte Vrouwenmoer die in 1365 in leen is uitgegeven, de naam en datering van de uitgifte in het plangebied is onbekend (fig. 20). In 1564 is door het veengebied een kanaal gegraven om het geschikt te maken voor ontginning. De ‘Dongense Vaart’ bestaat nog als sloot en loopt parallel aan de Vaartweg op 75 meter ten oosten van het plangebied. Ongeveer 300 meter ten westen van het plangebied loopt de oudere Molenvaart die mogelijk in 1300 is aangelegd. Turfwinning is één van de belangrijkste inkomstenbronnen geweest voor ‘sGravenmoer en wordt later uitgebreid met verkoop van hooi en rijshout. De ontginningen uiten zich in de vorm van een “slagenlandschap” waarbij het gebied is verdeeld in percelen van 100 meter breed en ongeveer 1.500 meter diep. Per perceel staat doorgaans één boerderij.11 De oudste kaarten van het gebied stammen uit de Nieuwe tijd. Het plangebied is als onbebouwd weergegeven maar omdat de kaarten figuratief zijn, is het mogelijk dat boerderijen buiten de dorpskernen niet zijn weergegeven (fig. 21 en 22). Het is ook mogelijk dat de ‘s-Gravenmoerse Vaart uitsluitend is gebruikt voor 10 De Mulder 2003 11 Gemeente Dongen 2016; Van der Sijs 2010; Provincie Antwerpen 2020 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
15 transport van gewonnen veen en hierlangs geen bewoning heeft plaatsgevonden. De historische kern van ‘s-Gravenmoer wordt omcirkeld door een ringdijk. De meest oostelijk gelegen dijk is de huidige Dwarsdijk en ligt ongeveer 300 meter ten westen van het plangebied (dat dus buitendijks heeft gelegen). Het plangebied is in meer detail weergegeven op het kadastraal minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (fig. 23). Het plangebied is agrarisch van karakter met weilanden, bouwlanden en tuinen. De koppen van de percelen met erven en huizen ligt ten oosten van het plangebied, parallel aan de ‘s-Gravenmoerse Vaart. De percelen zijn gemiddeld ongeveer 20 meter breed, mogelijk doordat de oorspronkelijk honderd meter brede percelen door erfenissen in kleinere stukken zijn verdeeld. Deze indeling blijft bestaan gedurende de rest van de 19e en begin 20e eeuw (fig. 24 en 25). In de loop van de 20e eeuw worden percelen geleidelijk samengevoegd en worden kassen gebouwd (fig. 26 tot en met 30). Het kassencomplex wordt stapsgewijs uitgebreid.
2.6
Mogelijke verstoringen In het plangebied zijn geen grootschalige bodemverstoringen bekend. Plaatselijk zijn (gedempte) 19e-eeuwse sloten aanwezig.
2.7
Archeologische en bouwhistorische waarden Archeologische vondstlocaties en zaken staan weergegeven in fig. 31 en staan toegelicht in tabel 2. De belangrijkste bevindingen worden in de lopende tekst samengevat. In het plangebied liggen geen archeologische waarnemingen en geen (delen van) archeologische terreinen. Het plangebied is niet eerder archeologisch onderzocht. Binnen 500 meter van het plangebied zijn geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Bij onderzoeken binnen een straal van 1.000 meter om het plangebied zijn (nog) geen archeologische vindplaatsen gevonden. De bodem bleek te zijn verstoord of er was sprake van een in het verleden ongunstige landschappelijke ligging. Op ongeveer 700 meter ten noorden van het plangebied, ter hoogte van de begraafplaats aan de Julianalaan, is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zaak 2.400.307.100). Op deze locatie is nog een restant van een B-horizont aanwezig onder een bouwvoor van 30 tot 50 cm dik. Vanwege de landschappelijke ligging en het ontbreken van archeologische indicatoren is echter geen vervolgonderzoek geadviseerd. Ook bij een begeleiding aan de Meester Janssenweg 37, op ongeveer één kilometer ten zuidoosten van het plangebied, is een restant van een B-horizont aanwezig waarvan de top tussen 60 en 90 cm -mv ligt (zaak 3.299.596.100).
Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische resten geborgen ouder dan de 20e eeuw. Ongeveer 900 meter ten oosten van het plangebied is bij het uitgraven van een sloot in 1851 een zilveren beeldje gevonden (vondstlocatie 1.022.424). De precieze datering is onbekend maar er wordt vermoed dat het “niet Romeins” is.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
16 In het plangebied zijn geen bekende militaire erfgoedwaarden aanwezig. Op een luchtfoto uit 1944 zijn geen militaire structuren herkend (fig. 27).12 In het plangebied staan geen bekende (ondergrondse) bouwhistorische waarden geregistreerd en bevinden zich geen gemeentelijke of rijksmonumenten.13 Archeologische terreinen Geen. Zaken (incl. evt. bijbehorende vondsten) 2.126.277.100: Dongen, Gravenmoer, 's-, Cebeco-terrein, bureauonderzoek Het rapport van dit onderzoek is niet beschikbaar in ARCHIS en DANS. 2.173.184.100: Dongen, s-Gravenmoer, Hoofdstraat 34a , booronderzoek Het grootste deel van het plangebied bestaat uit een A op C-profiel waarvan de overgang scherp dan wel verploegd is. De A-horizont wordt als post-middeleeuws ophoogdek beschouwd. In zeven boringen is een veenlaag aangetroffen waar in een aantal gevallen baksteenresten of aardewerk in de basis van de veenlaag zijn aangetroffen. Onder de veenlaag was geen begraven A-horizont aanwezig. In vijf boringen is mogelijk een zwak ontwikkelde Bhs-horizont aangetroffen. In deze boringen is sprake van een gooreerdgrond. De bodem ter plaatse van boringen met een A op Cprofiel of een verploegde A/C-horizont zijn niet intact.
Vanwege de verstoring van de bodem, de lage ligging in het landschap en het ontbreken van in-situ vondsten worden binnen het plangebied geen archeologische waarden verwacht.14 Bij deze zaak is vondstlocatie 2.173184.100 geregistreerd. Op deze locatie zijn de volgende vondsten geregistreerd: • 85 stuks, keramiek, baksteen, Late Middeleeuwen B - Nieuwe Tijd Laat • 1 stuks, ijzer, slak, Midden Bronstijd - Nieuwe Tijd Laat • 2 stuks, keramiek, roodbakkend geglazuurd aardewerk, Nieuwe Tijd Vroeg - Nieuwe Tijd Midden 2.269.145.100: Dongen, Dongen, Archeologische Beleidsadvieskaart, bureauonderzoek In 2009 is de gehele gemeente Dongen onderzocht voor het opstellen van een archeologische beleidsadvieskaart. Bekende archeologische waarden liggen langs historische bebouwingslinten en op dekzandruggen. In het veenontginningsgebied zijn op opduikingen in het landschap (met name dekzandkopjes) prehistorische vuursteenvondsten gedaan.15 2.400.307.100: Dongen, 's-Gravenmoer kerkhof Julianalaan, booronderzoek Het onderzochte gebied ligt op de overgang tussen hogere zandgronden naar veen- en kleigebieden. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het veen volledig is verdwenen. In de top van het dekzand is een bouwvoor aanwezig van 30 tot 50 cm dik met resten baksteen, partikels houtskool en (partikels) roodbakkend aardewerk. Onder de bouwvoor ligt een dunne, zwak ontwikkelde B-horizont.
De top van de C-horizont ligt op 60 cm -mv. Het onderzochte gebied ligt op de lagere flank van het hogere zandgebied waardoor het waarschijnlijk minder geschikt is geweest voor bewoning. De kans op het aantreffen van archeologische resten wordt als klein ingeschat. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.16 2.403.912.100: Dongen, Vaartweg 68, booronderzoek In het onderzochte gebied is sprake van een A- op C-profiel. De A-horizont bestaat uit een ophogingslaag (vermoedelijk met materiaal uit de Vaart) met daaronder een begraven bouwvoor van 10 cm dik. Aardewerkfragmenten uit de laag kunnen in de 15 e tot en met 19e eeuw worden gedateerd en zijn gerelateerd aan bewoning langs de Vaart. Vanwege de mate van verstoring wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.17 2.480.725.100 en 2.480.758.100: Dongen, s-Gravenmoer, Hoofdstraat 48, bureau- en booronderzoek De bodem binnen het gehele plangebied is sterk verstoord door recente bodemingrepen tot een diepte van gemiddeld 120 cm -mv. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
18 12 Stichting RAAP 2017; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2016; ‘Traces of War’; ‘http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/’ 13 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2017; Gemeente Dongen 2012 14 Bergman en Schorn 2007 15 Koopmanschap, Van der Haar, en Sophie 2010 16 Van Bostelen en Koopmanschap 2013 17 Diependaele 2013 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
17 3.299.596.100: Dongen, Dongense Vaart, Mr. Janssenweg 37, begeleiding In het onderzochte gebied is op enkele plekken een restant van een podzolbodem aanwezig. De top van de B-horizont ligt tussen 60 en 90 cm -mv. De bovenste 40 tot 100 cm van het bodemprofiel bevat bouw- en slooppuin. Op één locatie is tevens vermoedelijk een afvalkuil van een 20e-eeuwse leerlooierij aangeboord met repen leer. Er zijn echter geen archeologische resten ouder dan de 20 e eeuw gevonden en er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.19 Bij deze zaak is vondstlocatie 3.299.569.100 geregistreerd. 4.029.404.100: Dongen, ‘s-Gravenmoer, Emmalaan 6, booronderzoek De top van het bodemprofiel bestaat uit een humeus gelaagd dek van 50 tot 70 cm dik die direct op de C-horizont ligt. In de A-horizont kan een tweedeling worden gemaakt in een opgebrachte laag en het oorspronkelijke landbouwdek. Het landbouwdek is kleiig of moerig wat erop wijst dat het na vervening is overstroomd. De top van de C-horizont is gebioturbeerd en bevat houtfragmenten en oxidatievlekken. De rest van de C-horizont is gereduceerd wat wijst op natte omstandigheden. Het onderzochte gebied ligt in een laag landschapsdeel en is waarschijnlijk te nat geweest voor bewoning. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden.
Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.20 4.036.079.100: Dongen, 's-Gravenmoer, Hoofdstraat 70D, booronderzoek De bodem is sterk vergraven tijdens de bouw en sloop van een woning. De humeuze bovengrond is 50 tot 110 cm dik. Daaronder ligt een verstoorde laag met zandbrokken die is geïnterpreteerd als geroerde C-horizont. De top van de ongeroerde C-horizont ligt tussen 70 en 140 cm -mv. Alle natuurlijke afzettingen betreffen waarschijnlijk verspoeld dekzand De kans dat archeologische resten nog in het onderzochte gebied aanwezig zijn wordt als klein ingeschat. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.21 Vondstlocaties los 3.138.323.100: Dongen, Onbekend Vondst van een zilveren beeldje bij het uitgraven van een sloot in 1851. Het beeld stelt een “Romeinse of Oosterse” krijger voor met een tulband met pluimen, een speer in de rechterhand en de linkerhand houdt een hoorn voor de borst. Langs het lichaam hangt een zwaard en achter de benen zit een hondje. Het is “zo’n 9 duimen lang” en is gevonden “in wit zand op een diepte van zo’n 6 palm”. Het beeldje is “zeker niet Romeins” en op het voetje staan de letters E en W gesneden. Er wordt vermoed dat het onderdeel was van een mes of dolk.
Tabel 2: Archeologische terreinen, zaken en vondstlocaties ca. 1.000 m van het plangebied.
2.8
Gespecificeerde verwachting Het plangebied ligt in een terrasvlakte die door dekzand is overstoven. Het is onzeker of het een geschikte bewoningslocatie is geweest voor jagerverzamelaars en de eerste boeren aangezien er geen gradiënten of open water in de directe omgeving aanwezig zijn. Het plangebied wordt in de loop van het Neolithicum door veen overgroeid. Het veen wordt in de Late Middeleeuwen ontgonnen en verveend en is waarschijnlijk geheel verdwenen. Het plangebied ligt ongeveer 75 meter ten westen van de ‘s-Gravenmoerse Vaart die werd gebruikt voor transport van afgegraven veen. Later zijn boerderijen langs de vaart gevestigd. Het plangebied is waarschijnlijk onbebouwd gebleven aangezien de historische bebouwing zich direct langs de Vaartweg bevindt. In de 20e eeuw worden kassen in het plangebied gebouwd. De verwachting wordt als volgt gespecificeerd:
18 Schutte 2016 19 Wullink 2016 20 Bergman en Boer 2017 21 Rap 2017 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
18 1.
Datering
Laat Paleolithicum tot en met Midden Neolithicum en Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 2.
Complextype
Archeologische resten uit de periode van jager-verzamelaars en eerste landbouwers gerelateerd aan bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Archeologische resten uit de periode van staatssamenlevingen gerelateerd aan economie (landbouw). 3.
Omvang
Archeologische resten gerelateerd aan bewoning kunnen worden beschouwd als vlakelementen met variabele omvang (klein tot groot). Sommige complextypen kunnen zich ook als puntelementen manifesteren (begravingen, depots) of als lijnelementen (wegen, watergangen, percelering). Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd manifesteren zich waarschijnlijk uitsluitend als lijnelementen (sloten voor percelering). 4.
Diepteligging
Archeologische resten kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Sporen kunnen aanwezig zijn in de top van het ongeroerde dekzand, waarschijnlijk 30 tot 50 cm beneden het maaiveld. 5.
Gaafheid en conservering (fysieke kwaliteit)
Archeologische resten kunnen goed zijn geconserveerd omdat er geen sprake is van erosie. Het is echter mogelijk dat de top van het oorspronkelijke bodemprofiel is omgewerkt bij agrarisch gebruik. Spreidingen van artefacten en ondiepe sporen kunnen zijn opgenomen in de humeuze bovengrond. Dit treft voornamelijk archeologische resten uit de Steentijden. Organische archeologische resten (zoals hout, textiel, leer en bot) kunnen zijn aangetast door de relatief hoge zuurgraad van zand. De grondwatertrap is IV. Dit betekent dat de grondwaterstand fluctueert tussen 40 en 120 cm -mv. De conservering van organische artefacten die boven 120 cm -mv liggen kan door de (periodiek) zuurstofrijke en droge condities slecht zijn, met uitzondering van humeuze sporen. 6.
Locatie
Hele plangebied. 7.
Uiterlijke kenmerken (prospectie kenmerken):
Archeologische resten kenmerken zich door een sporenniveau. 8.
Mogelijke verstoringen
Door agrarisch gebruik en de aanleg van kassen kunnen archeologische resten zijn vergraven.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
19
3
Booronderzoek
3.1
Inleiding De ligging van het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. In het plangebied is een ontwikkeling met grondwerkzaamheden voorzien. Daardoor worden mogelijk archeologische resten verstoord. Voor de beoogde ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd (zie hoofdstuk 2 van dit rapport) waarbij een gespecificeerde archeologische verwachting is opgesteld. Op basis daarvan is een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1,22 in het bijzonder het hoofdstuk ”protocol 4003 inventariserend veldonderzoek overig”. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens specificatie “VS03 Uitvoeren booronderzoek”. Het onderzoek is gerapporteerd volgens specificatie “VS05 Opstellen standaardrapport IVO - O/P”. Het onderzoeksgebied voor het booronderzoek is hetzelfde als het plangebied. De boringen zijn gezet met het doel de bodemopbouw te verkennen. Met de gegevens van de verkenning wordt de aard en intactheid van de bodemopbouw gecontroleerd en kan de verwachting worden verfijnd. Tevens wordt zo inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd.
Deze methode is toegepast omdat nog onvoldoende informatie over de bodemopbouw beschikbaar is om te kunnen beslissen of en welk type karterend onderzoek eventueel uitgevoerd kan worden. Methode De werkwijze in het veld was als volgt: Boortype:
7 cm Edelmanboor (onverzadigde bovengrond tot ca. 1 m-mv) en 4 cm zuigerboor (diepere lagen).
Aantal boringen:
Twaalf.
Boordiepte:
De boringen zijn gezet tot in de ongeroerde C-horizont en hebben einddieptes tussen 100 en 160 cm -mv.
Grid:
De boringen zijn verspreid in het plangebied geplaatst. In het centrale deel van het plangebied konden geen boringen worden gezet omdat dit ontoegankelijk was vanwege vervallen en overgroeide kassen (fig. 32 en 33).
Waarnemingswijze: Het sediment is met de hand bemonsterd en met het blote oog onderzocht. Relevante lagen zijn gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm. De opgeboorde grond is systematisch uitgelegd op een plastic zeil. Representatieve uitgelegde boorprofielen zijn gefotografeerd. Classificatie bodemtextuur en archeologische indicatoren: De opgeboorde grond is beschreven op basis van de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 (ASB 1.1), dit omvat 22 SIKB 2018 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
20 NEN 5104.23 Locatie bepaling X en Y: De X en Y coördinaten van de boringen zijn bepaald ten opzichte van de lokale topografie. In het open veld is een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m gebruikt. Hoogte bepaling: De Z coördinaat is na afloop van het veldwerk bepaald aan de hand het AHN.24 De gegevens zijn digitaal in het veld geregistreerd. Het veldwerk is uitgevoerd op 28 september 2022 door A. de Boer (KNA Senior Prospector) en F. Roodenburg (KNA Prospector). Voorgaand aan het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld. Het Plan van Aanpak is geregistreerd in ARCHIS3.
3.2
Resultaten met bodemkundige en geologische interpretatie De locaties van de boringen zijn in fig. 34 weergegeven. De boorgegevens staan in Bijlage 1. Met de gegevens is een schematische doorsnede gemaakt. Deze is weergegeven in fig. 35. Er zijn geen (relevante) archeologische indicatoren aangetroffen. Er zijn geen vondsten verzameld. Het grondwater stond tijdens het onderzoek tussen 10 en 80 cm -mv. Op de plaatsen waar het grondwaterstand zeer hoog stond is dit waarschijnlijk te wijten aan een langdurig droge periode waardoor het regenwater van de recente regenval slechts langzaam in de grond wordt opgenomen. Op basis van de textuur, kleur en bijmengingen kunnen de volgende pakketten worden onderscheiden, van boven naar onder: Pakket 1: opgebrachte en omgewerkte grond: Het pakket bestaat uit voornamelijk uit zwak siltig zand met verschillende bijmengingen en kleuring. Vaak bevat het pakket humus, roest (een spoor en weinig), fragmenten baksteen (een spoor en weinig) en kachelgrit. Omdat het sterk afwijkt van de gebruikelijke bodemopbouw en de top van het pakket aan het maaiveld ligt (of onder klinkers) is het geïnterpreteerd als opgebrachte grond. De top van het pakket ligt tussen 145 en 126 cm NAP. Het pakket is aanwezig ter hoogte van het kassencomplex in boorprofielen 5, 7, 8 en 9. Het pakket is 35 tot 120 cm dik. De laagondergrens is scherp.
Pakket 2: A-horizont (bouwvoor): Zwak tot matig siltig matig fijn tot matig grof sterk humeus bruinzwart zand. Waarschijnlijk betreft het de bouwvoor. Het pakket is aanwezig in alle boorprofielen behalve 8 en 9. Het is hier oorspronkelijk wel aanwezig geweest maar is omgewerkt en daarom tot pakket 1 gerekend. De top van het pakket ligt aan het maaiveld of onder opgebrachte en opgebrachte grond op 40 cm -mv (tussen 155 en 86 cm NAP). Het pakket is 20 tot 50 cm dik. De laagondergrens is scherp. In het pakket bevinden zich lagen met roest en een spoor baksteenfragmenten. In boorprofiel 10 is een enkele millimeters dun roodbakkend aardewerkfragment waargenomen, waarschijnlijk van moderne 23 Bosch 2008; Nederlands Normalisatie Instituut 1989 24 Kadaster en PDOK 2014 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
21 oorsprong. Pakket 3: B-horizont: Zwak siltig matig fijn tot matig grof zwak humeus bruin zand. Vanwege de kleur en zwakke humusbijmenging betreft het waarschijnlijk een restant van een inspoelingslaag, oftewel B-horizont. Het pakket is alleen aanwezig in het noordelijke deel van het plangebied (boorprofielen 10 en 11). Ter hoogte van de overige boringen is het waarschijnlijk opgenomen in de A-horizont of omgewerkt. De top van het pakket ligt tussen 25 en 45 cm -mv (84 en 80 cm NAP). Het pakket is 10 tot 20 cm dik. De laagondergrens is geleidelijk. De B-horizont is dunner dan verwacht zou worden bij laarpodzolgronden. Waarschijnlijk heeft de B-horizont zich op deze plek niet sterk ontwikkeld. Pakket 4: C-horizont (dekzand): Zwak tot matig siltig matig fijn tot matig grof bruingrijs zand. Vanwege de kleur en het ontbreken van antropogene indicatoren is het pakket geïnterpreteerd als Chorizont. Op basis van de textuur betreft het waarschijnlijk dekzand van het Laagpakket van Wierden. Het pakket is aanwezig in alle boorprofielen behalve 9, waar het is verstoord. De top van het pakket ligt tussen 40 en 80 cm -mv (105 en 56 cm NAP). Het pakket is 55 tot 105 cm dik waar het onderliggende pakket 5 ook is aangeboord. In de overige boorprofielen is de dikte niet bepaald omdat de onderzijde van het pakket niet is aangeboord. De laagondergrens is scherp waar het op pakket 5 ligt.
Pakket 5: C-horizont (Pleistoceen rivierzand): Zwak siltig zeer grof (bruin)grijs zand. Het pakket is aanwezig in boorprofielen 4, 5, 8 en 9. Waarschijnlijk is het pakket in het gehele plangebied aanwezig maar door de diepteligging niet overal aangeboord. Gezien de textuur betreft het waarschijnlijk rivierafzettingen van het Laagpakket van Sterksel.25 De top van het pakket ligt tussen 120 en 145 cm -mv (17 en -4 cm NAP). De dikte van het pakket is niet bepaald omdat de onderzijde van het pakket beneden de einddieptes van de boringen ligt.
25 TNO e.a. 2013 Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
22
3.3
Archeologische interpretatie Het Pleistocene zand ligt aan de oppervlakte. Mogelijk is de sterk humeuze bouwvoor een overblijfsel van het veenpakket dat in het plangebied aanwezig was. De top van het oorspronkelijke bodemprofiel, en daarmee eventuele spreidingen van artefacten en ondiepe sporen, is opgenomen in de bouwvoor. Dit betekent dat eventuele archeologische resten uit het Laat Paleolithicum tot en met Midden Neolithicum zullen zijn vergraven. Een uitzondering hierop vormt het noordelijk deel van het plangebied waar een dunne en zwak ontwikkelde Bhorizont is aangetroffen. Waarschijnlijk betreft het hier het onderste deel van een B-horizont en is het grootste deel van het bodemprofiel vergraven. De aangetroffen baksteenresten en het enkele, vermoedelijk moderne, aardewerkfragment zijn waarschijnlijk gerelateerd aan het vermengen van afval met mest en het recente gebruik als kassencomplex. Omdat het plangebied op 75 meter afstand ligt van de ontginningsas zullen eventuele sporen gerelateerd aan de laatmiddeleeuwse ontginning waarschijnlijk uitsluitend gerelateerd zijn aan agrarisch gebruik. Het midden van het plangebied kon niet geheel worden onderzocht doordat het sterk overgroeid was met braamstruiken en de beschadigde kassen onveilig waren om te betreden.
De boringen die wel nabij en tussen de kassen konden worden gezet, doen echter niet vermoeden dat onder de kassen nog een intacte bodem aanwezig is. Daarnaast geven de bodem en hoogte-reliëfkaart geen aanleiding om te vermoeden dat het bodemprofiel onder de kassen anders is dan in het met boringen onderzochte gebied; het is vermoedelijk juist meer verstoord dan de niet-bebouwde percelen.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
23
3.4
Waardestelling en Selectieadvies Conform KNA 4.1 vormen een waardestelling (VS06) en selectieadvies (VS07) van vindplaatsen onderdeel van een standaardrapport (VS05). Er zijn echter geen vindplaatsen aangetroffen en dit is ook niet het doel van een verkennend onderzoek. Er is daarom geen waardestelling mogelijk en er is geen selectieadvies opgesteld.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
24
4
Conclusie
4.1
Conclusie Bureauonderzoek 1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
In het plangebied is woningbouw gepland. Naar verwachting zal de bodem tot ongeveer 80 cm -mv worden verstoord. 2.
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?
Het plangebied ligt in een vlakte van terrasafzettingen die zijn afgedekt door dekzand. Waarschijnlijk wordt het gebied tussen 3.000 en 4.000 voor Christus overgroeid door veen. Het veen wordt in de Late Middeleeuwen ontgonnen en verveend en is waarschijnlijk volledig verdwenen. In de top van het dekzand zijn waarschijnlijk laarpodzolgronden gevormd. 3.
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
Voor zover bekend hebben geen grootschalige bodemverstoringen in het plangebied plaatsgevonden. Waarschijnlijk is wel sprake van (inmiddels gedempte) sloten uit de 19e eeuw. 4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?
Het is onzeker in welke mate het het plangebied geschikt is geweest voor bewoning. Hoewel het mogelijk is dat het door jager-verzamelaars en eerste boeren is bewoond, zijn er voor zover bekend geen gradiënten of open water aanwezig die kunnen hebben gediend als geschikte vestigingslocatie. In de periode Midden Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen ligt het plangebied in een veengebied dat waarschijnlijk niet geschikt is geweest voor bewoning. Het veen is ontgonnen in de Late Middeleeuwen en geheel verdwenen. De ‘s-Gravenmoerse Vaart is een laatmiddeleeuwse vaart die dient om afgegraven veen te transporteren en ligt ongeveer 75 meter ten oosten van het plangebied. Na vervening is het de as geworden waarlangs boerderijen zijn gevestigd. In de 19e eeuw is het plangebied agrarisch gebied en in de 20e eeuw worden kassen gebouwd. Het kassencomplex wordt in de loopt van de 20e eeuw stapsgewijs uitgebreid. 5.
Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?
Ongeveer 75 meter ten oosten van het plangebied ligt de ‘s-Gravenmoerse Vaart. Deze is aan het einde van de Late Middeleeuwen of begin Nieuwe tijd de basis voor de agrarische ontginning van het verveende landschap. De ontginningsboerderijen lagen waarschijnlijk direct langs de vaart. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van bekende archeologische waarden. Bij de meeste onderzoeken in de omgeving van het plangebied bleek de bodem te zijn verstoord. Op sommige plekken is een deels intacte B-horizont aanwezig maar op deze plekken zijn geen archeologische indicatoren gevonden.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
25 6.
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
In het plangebied kunnen op grond van de landschappelijke ligging archeologische resten aanwezig zijn uit het (Laat) Paleolithicum tot en met het (Midden) Neolithicum. Vanwege de ligging 75 m ten westen van de ontginningsas moet ook rekening gehouden worden met resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het is mogelijk dat archeologische resten uit de Steentijden zijn opgenomen in de humeuze bovenlaag. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd bestaan waarschijnlijk voornamelijk uit perceleringsgreppels of -sloten.
4.2
Conclusie Booronderzoek 7.
Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel?
Het grootste deel van het bodemprofiel bestaat uit een A- op C-horizont. Ter hoogte van het kassencomplex is tevens een pakket verstoorde grond aanwezig. Alleen in het noorden van het plangebied, in het perceel dat als weiland in gebruik is, is een restant van een B-horizont aanwezig. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand. Onderin verschillende boringen is een grofzandige Pleistocene rivierbedding aangeboord. 8.
Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan?
De top van de natuurlijke ongeroerde ondergrond (de B- en C-horizonten) kan worden beschouwd als potentieel archeologisch niveau. Aangezien het natuurlijke bodemprofiel vrijwel geheel verdwenen is in het grootste deel van het plangebied is de kans groot dat eventuele prehistorische resten reeds zijn vergraven. Daarnaast bevestigen de boringen de vrij vlakke (natte) landschappelijke ligging. Het plangebied lijkt geen geschikte vestigingsplaats voor prehistorische kampementen. Archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zullen waarschijnlijk uitsluitend zijn gerelateerd aan agrarische werkzaamheden (voornamelijk sloten en greppels). Het midden van het plangebied kon niet geheel worden onderzocht vanwege overgroeide en beschadigde kassen. De boringen die wel nabij en tussen de kassen konden worden gezet, doen echter niet vermoeden dat onder de kassen nog een intacte bodem aanwezig is. Het bodemprofiel onder de kassen is waarschijnlijk juist meer verstoord dan de niet-bebouwde percelen. Eindoordeel: 9.
Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Aangezien het oorspronkelijke bodemprofiel grotendeels is verdwenen wordt de kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden vergraven als klein ingeschat. b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden? Er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
26 10.
Indien vervolgonderzoek nodig is: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
n.v.t.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
27
5
Advies Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Dongen.
5.1
Status en inhoudelijke afstemming bevoegde overheid Dit rapport is door Bureau voor Archeologie (nog) niet ter goedkeuring aangeleverd bij bevoegde overheid. Over de resultaten van het onderzoek heeft (nog) geen inhoudelijke afstemming met het bevoegde overheid plaatsgevonden.
Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
28
6
Literatuur Actueel Hoogtebestand Nederland. 2018. ‘AHN3’. Digitale Hoogtekaart. https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/. Alterra Wageningen UR. 2012. ‘BISNederland’. Bodemkaart 1 : 50 000. http://www.bodemdata.nl/. ‘Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/. Bergman, W.A., en E.A.M. de Boer. 2017. ‘Gemeente Dongen, plangebied Emmalaan 6 te ’s-Gravenmoer, archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)’. V-16.0326. BAAC BV. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Archis3/Zaakdocumenten/402/402 9404/afm/. Bergman, W.A., en E.A. Schorn. 2007. ‘Gemeente Dongen, Hoofdstraat 34A te ’s-Gravenmoer, bureauonderzoek en archeologisch inventariserernd veldonderzoek, verkennende fase’. V-07.0387. BAAC rapport. BAAC BV. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-xzr-m9rp. Bosch, J.H.A. 2008. ‘Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1: Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2’. 2008-U-R0881/A. Deltares-rapport. De Roij, B.J. 1754. ‘Kaart dienende tot het project van den heer M. van Barneveld ... wegens het maken van een overlaat tusschen Baardwyk en Drunen, tot aflatinge van het overvloedig afkomende boven-water, en voorkominge van inundatien, breeder in de Memorie hier toe relatieff vervat’. Universiteitsbibliotheek Utrecht.
https://utrechtuniversity.on.worldcat.org/oclc/980504565. Diependaele, S. 2013. ‘Dongen Vaartweg 68b, gemeente Dongen, archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase)’. 31. Artefact! rapport. Artefact. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-zqs-azmg. Gemeente Dongen. 2012. ‘Monumentenoverzicht DOngen’. https://www.dongen.nl/fileadmin/Dongen_bestanden/Documenten/Over_D ongen/Dorp/Monumentenlijst.pdf. ———. 2016. ‘Nota cultureel erfgoed Dongen 2016-2018’. Gemeente Dongen. Harbers, P., G.L. Steur, W. Heijink, H. de Bakker, O.H. Boersma, en C. Hamming. 1990. ‘Bodemkaart van Nederland 1:50.000 : toelichting bij kaartblad 44 Oost Oosterhout’. Wageningen: Staring Centrum. http://edepot.wur.nl/117847. ‘http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/’. ‘http://www.ruimtelijkeplannen.nl’. Kadaster. 2013. ‘BAG-Viewer’. http://bagviewer.geodan.nl/index.html. Kadaster, en PDOK. 2014. ‘AHN2 en 3 - WCS service’. http://nationaalgeoregister.nl. van den Kieboom, Jacobus. 1744. ‘Nieuwe verbeterde kaart van het Landt en de Baanderye van Breda’. Universiteitsbibliotheek Utrecht. https://utrechtuniversity.on.worldcat.org/oclc/71537992. Koopmanschap, H.J.L.C., S. van der Haar, en G.J.A. Sophie. 2010. ‘Archeologische beleidsadvieskaart Dongen’. 2009/153. Oranjewoud rapport. Oranjewoud B.V. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Archis2/Archeorapporten/18/ AR23045. Bureau voor Archeologie Rapport 1241
's Gravenmoer Vaartweg
29 Maas, G.J., W.M. van der Meij, S.P.J. van Delft, en A.H. Heidema. 2019. ‘Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart Nederland 1:50.000 (2019), achtergronddocument bij het landsdekkende digitale bestand’. Wageningen: Wageningen Environmental Research. http://legendageomorfologie.wur.nl/. de Mulder, E.J.F. 2003. ‘De ondergrond van Nederland’. Wolters-Noordhoff. Nederlands Normalisatie Instituut. 1989. Geotechniek: classificatie van onverharde grondmonsters. Delft: Nederlands Normalisatie-instituut. Provincie Antwerpen. 2020. ‘Turfdatabank’. http://gisgeoloket.provant.be/SilverlightViewer_1_10/Viewer.html? Viewer=Turfdatabank. RAF. 1940. ‘Wageningen UR GeoPortal: RAF aerial photographs’. 1945. http://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf. Rap, J. 2017. ‘’s-Gravenmoer, Hoofdstraat 70D, gemeente Dongen (NB), archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase’. 1195. Transect-rapport. Transect. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Archis3/Zaakdocumenten/403/403 6079/afm/. Rensink, E., H.J.T. Weerts, M. Kosian, H. Feiken, en B.I. Smit. 2015. ‘Archeologische Landschappenkaart van Nederland. Methodiek en kaartbeeld’. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. https://doi.org/10.17026/dans-xf6-ywnd. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 2016.
‘Kaart van verdedigingswerken, alle linies en stellingen’. https://landschapinnederland.nl/bronnen-enkaarten/militaire-landschapskaart. ———. 2017. ‘Rijksmonumentenregister’. Cultureelerfgoed.nl. https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister. ———. 2021. ‘Archis3 - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’. https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en Data Archiving and Networking Services. ‘e-depot voor de Nederlandse archeologie’. http://www.edna.nl. Schutte, A.H. 2016. ‘Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, Hoofdstraat 48 te ’s-Gravenmoer, gemeente Dongen’. 15031251. Econsultancy rapport. Econsultancy BV. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-2xe-26aj. van der Sijs, N. 2010. ‘Etymologiebank’. http://www.etymologiebank.nl. SIKB. 2018. ‘BRL 4000: Beoordelingsrichtlijn Archeologie, versie 4.1’. SIKB. https://www.sikb.nl/doc/BRL4000/BRL%20SIKB%204000%20Archeologie %20versie%204_1.pdf. Stichting RAAP. 2017. ‘Indicatieve Kaart Militaire Waarden (IKME)’. TNO, H.J.T. Weerts, F.S. Busschers, J. Huizer, J.H.J. Ebbing, F.D. de Lang, W.E. Westerhoff, e.a. 2013. ‘Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013’. DINOloket. https://www.dinoloket.nl/nomenclator-ondiep. ‘Traces of War’. https://www.tracesofwar.nl. Van Bostelen, T., en H.J.L.C. Koopmanschap. 2013.