Bijl-17 24-72 Nader soortgericht onderzoek
Tekst van het document
Nader onderzoek Wet natuurbescherming
‘s Gravenmoer, Vaartweg 78
Bogor Projectontwikkeling B.V.
Datum: 22 december 2022 Projectnummer: 210391.01
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product
3 3 8 9
2
Wettelijk kader
10
2.1 2.2 2.3
Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing
10 11 11
3
Ecologie van soorten
13
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12 3.13 3.14 3.15 3.16 3.17 3.18 3.19
Huismus Gierzwaluw Kerkuil Steenuil Ransuil Buizerd Sperwer Wespendief Boomvalk Vleermuizen Eekhoorn Das Bunzing Hermelijn Wezel Steenmarter Poelkikker Alpenwatersalamander Kamsalamander
13 14 14 14 14 15 15 15 15 16 18 18 19 19 19 19 19 20 20
4
Onderzoekmethodiek
21
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
Wintercheck bomen Huismus Gierzwaluw Kerkuil Steenuil Ransuil Sperwer en boomvalk Vleermuizen Das Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel)
21 22 23 23 24 27 28 29 31 33
4.11 Steenmarter 4.12 Poelkikker 4.13 Kamsalamander en alpenwatersalamander
35 35 36
5
Resultaten en effectbeoordeling
38
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14
Wintercheck bomen Huismus Gierzwaluw Kerkuil Steenuil Ransuil Sperwer en boomvalk Vleermuizen Das Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) Steenmarter Poelkikker Kamsalamander en alpenwatersalamander Overige soorten
38 42 42 43 44 49 51 51 56 57 58 59 59 59
6
Conclusie en advies
60
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen
60 61 61 62 62
Geraadpleegde literatuur Bijlage 1, foto-impressie plangebied
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Vaartweg 78 te ’s Gravenmoer bevindt zich een voormalig kassencomplex. Bogor Projectontwikkeling B.V. is voornemens deze locatie te ontwikkelen. Hiervoor dienen onder andere alle bebouwing en kassen alsmede de aanwezige vegetatie verwijderd te worden. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2021) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, buizerd, ransuil, sperwer, wespendief, boomvalk, vleermuizen, eekhoorn, das, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, poelkikker, alpenwatersalamander en kamsalamander niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soorten uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn.
Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buitengebied tussen de kernen ’s-Gravenmoer en ’s-Gravenmoerse Vaart (gemeente Dongen, provincie Noord-Brabant). De omgeving kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van andere kleine dorpskernen zoals Dongensevaart, Klein-Dongen en lintbebouwing hiertussen. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van agrarische grond. De oostzijde van het plangebied grenst vooral aan woningen langs de Vaartweg. Een klein deel van de oostzijde grenst direct aan deze weg. De zuid- en oostzijde grenzen aan een watergang met bomenrij en respectievelijk de zandpaden de Lage Dijk en Dwarsdijk. De noordzijde grenst aan weiland. Zie navolgende afbeeldingen voor de ligging van het plangebied.
3
Topografische kaart met de ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.
Het plangebied zelf bestaat uit een voormalig kassencomplex. De locatie is duidelijk al meerdere jaren niet meer in gebruik en is daarom grotendeels vervallen en overwoekerd. Het terrein is circa 6,3 ha groot en bestaat uit veel verschillende onderdelen. Hierna is een luchtfoto van het plangebied opgenomen, met daarin de verschillende 4
elementen weergegeven. In de rest van dit rapport worden de in deze afbeelding genoemde namen ook gebruikt om deze verschillende onderdelen aan te duiden. Daarnaast zijn ook voor een eerste impressie enkele foto’s van het plangebied opgenomen. Gezien de grootte van het plangebied zijn in bijlage 1 een groot aantal foto’s opgenomen, voor het volledige beeld. Deze zijn gemaakt tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur op 15 augustus 2021. Hierna worden de verschillende onderdelen kort toegelicht.
Plangebied met elementen die in de rest van het rapport ook zo genoemd worden.
5
In het gebied zijn meerdere kassencomplexen aanwezig.
In het gebied zijn meerdere gebouwen aanwezig.
Bedrijfsgebouw
6
Over het algemeen oogt het plangebied verlaten, overwoekerd en vervallen. De aanwezige kassen, het noordelijk, zuidelijk en onbegaanbare kassencomplex, zijn opgebouwd uit een fundering van betonblokken of bakstenen. Deze komen vaak tot circa kniehoogte. De rest van de kassen bestaan uit een houten of stalen frame, bedekt met glazen ramen. Veel ramen zijn kapot. Ook zijn grote delen overwoekerd met vooral braam. Het onbegaanbare kassencomplex was zo vervallen en overwoekerd dat dit niet meer betreden kon worden. Het zuidelijk kassencomplex oogde het nieuwst en nog het meest recent in gebruik. Aan de zuidzijde en in de noordwestelijke hoek zijn plantages van hulst aanwezig. Ook deze zijn veelal overwoekerd door met name braam. Maar er groeide ook zomereik, Amerikaanse eik en winde. Aan de rand van de noordwestelijke plantage is een klein schuurtje aanwezig. Geheel aan de zuidzijde en in de noordoostelijke hoek zijn weilanden aanwezig die wel nog in gebruik zijn. In het plangebied is ook een paardenweide aanwezig. In deze weide is ook een kleine open paardenstal aanwezig. Deze weide is in ieder geval enkele jaren niet meer beheerd en daardoor verruigd. In het plangebied zijn enkele sloten aanwezig. Deze zijn relatief ondiep en ten tijde van het veldbezoek stond er weinig water in. Wel was sprake van kwel. Ook zijn de oevers recentelijk gemaaid.
In het oostelijk deel van het plangebied is bedrijfsbebouwing aanwezig. Deze bebouwing is opgetrokken uit bakstenen muren en heeft een dak met zwarte, platte dakpannen. Het heeft houten kozijnen en dakgootbekisting. De bebouwing oogt vervallen en bevat verrotte delen en kieren. Ook missen meerdere dakpannen. In het plangebied zijn twee schuren aanwezig. Schuur 1 bestaat deels uit bakstenen en deels uit betonblokken muren. Het heeft een golfplaten dak, zonder dakbeschot. De muren bevatten geen luchtspouw. Schuur 2 heeft betonnen muren en is in de nok met hout afgewerkt. Ook deze schuur heeft een golfplaten dak zonder dakbeschot. Ook zijn twee ruïnes aanwezig. Bij beide bevindt zich een relatief hoge schoorsteen. Ruïne 1 was een oude schuur. De muren zijn van beton en baksteen. Er is geen
7
sprake van een luchtspouw. In deze ruïne staat een laag water. Hierin groeit mos en kroos. De schoorsteen bestaat uit rode stenen en bevat veel kieren. Ruïne 2 was een klein gebouw met enkelsteens bakstenen muren. Ook de schoorsteen bij deze ruïne bestaat uit rode stenen. Deze bevat veel kieren en ook grotere gaten. De rest van het plangebied bestaat uit verhard terrein, voornamelijk asfalt, puinhopen en onverhard en verwilderd terrein. Buiten het plangebied staan aan de zuid- en westzijde grote bomen, van onder andere zomereik, zwarte els, gewone es en Amerikaanse eik. 1.2.2
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zijn tien woningen in het plangebied gebouwd. Het betreft allen vrijstaande woningen met een tuin. De ontsluiting van de woningen naar de Vaartweg vindt plaats via de huidige ontsluiting tussen Vaartweg 80A en 82A. De rest van het plangebied wordt ingericht als weiland volgens het slagenlandschap. Dit houdt concreet in dat in het plangebied meer oostwest georiënteerde sloten worden aangelegd en ook elzensingels gerealiseerd zullen worden. Hiervoor worden de huidige gebouwen gesloopt. Daarnaast dient van het worstcasescenario uitgegaan worden dat alle aanwezige vegetatie verwijderd wordt. Ook de rest van het plangebied wordt opgeruimd.
Ontwerpschets toekomstige situatie
1.3
Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
8
(NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: - Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017, 2022) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). - Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. - Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.
Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. - Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.
1.4
Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.
9
2
Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (www.wetten.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.
2.1
Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
2.1.1
Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.
2.1.2
Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
10
2.1.3
Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.
2.2
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
2.3
Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Noord-Brabant heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.
Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden
11
(artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).
12
3 3.1
Ecologie van soorten Huismus De huismus is sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is voornamelijk gebonden aan menselijke bebouwing. Ook voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem aanbiedt. De huismus is geen zeldzame soort, maar is de afgelopen jaren wel sterk achteruit gegaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwd gebied dient vanwege zijn associatie met de mens en zijn relatief algemene voorkomen vaak rekening gehouden te worden met aanwezigheid van de huismus. De huismus broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen nesten. Grotere kolonies hebben vaak een beter broedresultaat dan kleinere kolonies. Kolonies groter dan 25 broedparen hebben een positief broedsucces en zijn zelfvoorzienend. Ook gaan nakomelingen op zoek naar andere kolonies. Bij kolonies kleiner dan 10 broedparen is vaak een negatief broedsucces en zijn individuen uit andere kolonies nodig om de verliezen aan te vullen. Bij kolonies tussen de 10 en 25 broedparen wisselt het broedsucces. De huismus is zeer honkvast en stelt een aantal voorwaarden aan een geschikt leefgebied: - Nestplaats: allereerst dienen geschikte nestplaatsen voorhanden te zijn. Huismussen broeden vaak onder pannendaken met ronde dakpannen. Onder platte pannen is te weinig ruimte om te broeden. Andere geschikte kieren in bebouwing worden ook gebruikt.
De nestplaatsen liggen meestal niet in de volle zon, aangezien dakpannen door de zon erg heet kunnen worden; - Voedsel: binnen maximaal enkele honderden meters van de nestplaats dient voedsel aanwezig te zijn. Volwassen dieren eten zaden van grassen en onkruiden, insecten, bessen, bloemknoppen, maar ook al het voedsel wat de mens aanbiedt, zoals voedsel uit voedersilo’s en etensresten. De voedselvoorziening moet het gehele jaar aanwezig zijn. In de broedperiode hebben de jongen eiwitrijk voedsel nodig, zoals bladluizen, muggen, vliegen en rupsen. Daarom moeten struiken, of andere vormen van groen aanwezig zijn waarin de huismussen dit voedsel voor hun jongen kunnen vinden; - Water: huismussen hebben water nodig. Dit vinden ze op allerlei plekken, zoals in een dakgoot of een speciale drinkbak; - Beschutting: huismussen zijn een makkelijke prooi voor roofdieren zoals sperwers. Binnen enkele meters van de voedselbronnen dient daarom beschutting aanwezig te zijn. Dit bestaat voornamelijk uit dichte, of groenblijvende struiken. De huismus gebruikt zijn nest het gehele jaar door. Voornamelijk tijdens de broedperiode (april tot en met augustus) en tijdens vorstperiodes is de huismus erg afhankelijk van de broedplaats. Eventuele verstoringen aan het nest mogen daarom in ieder geval niet in deze periodes plaatsvinden (BIJ12, 2022f).
13
3.2
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12, 2017a). Gierzwaluwen bevinden zich bijna hun hele leven in de lucht. Hun lichaamsbouw is dan ook perfect aangepast aan het vliegen in de lucht. Echter, de vleugels zijn niet gebouwd op het uit stilstand opvliegen. Het gevolg is dat gierzwaluwen zich te allen tijde naar beneden moeten kunnen laten vallen om in de vleugels te komen en weg te kunnen vliegen. Ook zijn de poten nog maar slecht ontwikkeld, omdat deze weinig worden gebruikt. Vanwege deze beperkingen zijn gierzwaluwen erg conservatief in het innemen van nieuwe broedplaatsen. Ze gebruiken dan ook jaren achtereen dezelfde nestplaats (BIJ12, 2017a).
3.3
Kerkuil De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele leven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON, 2002).
3.4
Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium. Steenuilterritoria variëren in grootte van 6 tot 30 ha (SOVON, 2002; BIJ12, 2017b).
3.5
Ransuil Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud
14
nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen. De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (SOVON, 2002; www.sovon.nl; www.vogelbescherming.nl).
3.6
Buizerd De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste gevallen gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verdedigd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (SOVON, 2002).
3.7
Sperwer De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen. De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen. Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen. De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (SOVON, 2002).
3.8
Wespendief De wespendief nestelt in de kruin van hoge loof- en naaldbomen. Deze wordt echter snel over het hoofd gezien omdat ouders met jongen tot meer dan vijf kilometer van het nest foerageren en de balts boven dit gehele territorium kan plaatsvinden. De soort bouwt jaarlijks een nest of knapt een oud nest op. Als voedsel worden vooral sociale wespen en hun larven en poppen gegeten, maar de wespendief eet ook ander dierlijk voedsel zoals kleine zoogdieren, reptielen of amfibieën. De wespendief start pas in de laatste decade van mei met de ei-leg. De jongen zijn vanaf half augustus vliegvlug en worden dan nog twee weken verzorgt (SOVON, 2002).
3.9
Boomvalk De boomvalk is een schaarse broedvogel die leeft in open landschappen, meestal met water in de buurt. De boomvalk broedde oorspronkelijk veel in heiden, bossen en bosranden op zandgrond. Tegenwoordig broedt zij echter meer in open agrarische landschappen en aan de rand van steden. Ook in gebieden die rijk zijn aan menselijke verstoring zoals sport-, bedrijfsterreinen of langs snelwegen wordt door de boomvalk 15
gebroed. Dit heeft deels te maken met een toenemende predatiedruk van havik in het oorspronkelijke broedgebied. De boomvalk gebruikt voornamelijk nesten van kraaien maar ook duiven of andere roofvogels om in te broeden en gedraagt zich in broedtijd onopvallend. Nesten kunnen in boomgroepen, vrijstaande bomen maar ook op hoogspanningsmasten zijn gelegen. De broedperiode is in mei-juni (SOVON, 2002; www.vogelbescherming.nl).
3.10
Vleermuizen Elke vleermuissoort heeft een eigen specifiek scala aan eisen waaraan een leefgebied moet voldoen, om zich succesvol te kunnen handhaven. De verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden nemen hierin een centrale plaats in. Deze worden hieronder besproken.
3.10.1
Verblijfplaats Net als alle zoogdieren zoeken ook vleermuizen een beschermde ruimte op om te slapen, hun jongen te baren en groot te brengen. Dit is de zogenaamde vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen bezitten door het jaar heen een groot scala aan verschillende soorten verblijfplaatsen om in bovengenoemde behoefte te voorzien. Er wordt voor deze diergroep onderscheid gemaakt tussen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. In de kraamverblijfplaats worden de jongen (één per vrouwtje) gebaard en gezoogd. In dergelijke verblijfplaatsen scholen meerdere vrouwtjes (met jongen) bij elkaar. De omvang van een dergelijke kolonie verschilt per locatie en per soort. Van de gewone dwergvleermuis is bijvoorbeeld bekend dat zij groepen vormt van circa 50 tot 120 individuen (BIJ12, 2017c). Bij de laatvlieger zijn deze groepen geregeld kleiner: 10 tot 60 vrouwtjes (Dietz et al., 2011). In zomerverblijfplaatsen bevinden zich de volwassen mannetjes en vrouwtjes die zich niet voortplanten. Hier zijn geen grote groepen vleermuizen aanwezig. In de paarverblijfplaatsen vindt de paring plaats. Mannetjes bezetten dan een verblijfplaats met daaromheen zijn territorium en proberen vrouwtjes hiernaartoe te lokken om te paren. In de winterverblijfplaats overwinteren de vleermuizen (www.vleermuis.net).
Gewone dwergvleermuizen kunnen zowel in kleine als in grote groepen overwinteren (BIJ12, 2017c). De meervleermuis overwintert weer in grotten of bunkers en andere soorten trekken weg uit Nederland naar warmere oorden (www.vleermuis.net). Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al., 2011; Zoogdiervereniging en Probos, 2012).
16
Vleermuizen leven door het jaar heen in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen, maar ook in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen tijdens hetzelfde seizoen. Afhankelijk van soort en situatie is er sprake van een hoofdverblijfplaats met satellietverblijfplaatsen of van meer gelijkwaardige verblijfplaatsen. Zelfs kraamverblijfplaatsen kunnen van de ene op de andere dag verlaten zijn, waarbij de vrouwtjes hun jongen hangend aan de buik met zich meedragen. Tussen winterverblijfplaatsen wordt minder gewisseld (www.vleermuis.net). Bij de gewone dwergvleermuis liggen alle verblijfplaatsen binnen een straal van 20 kilometer bijeen (BIJ12, 2017c). Bij grotere vleermuissoorten als de rosse vleermuis is dit gebied vele malen groter (BIJ12, 2017d). 3.10.2
Vliegroutes Vanuit hun verblijfplaatsen moeten de vleermuizen hun weg kunnen vinden op zoek naar voedsel. Met behulp van hun sonar moeten ze wegwijs worden in de omgeving tussen verblijfplaats en foerageergebied. Bepaalde vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gebruiken hiervoor vaak een vaste route naar het foerageergebied. Lijnvormige elementen als een bomenrij of watergang met opgaande begroeiing zijn hierbij vaak belangrijk voor hun oriëntatie (www.vleermuizenindestad.nl, Limpens et al., 2004).
3.10.3
Foerageergebied Vleermuizen gebruiken verschillende typen gebieden om voedsel te vinden. Hiertoe heeft elke vleermuissoort zich op enige wijze gespecialiseerd. Een overeenkomst is dat ze allen beschutting van wind zoeken. Enerzijds om energie te besparen, anderzijds vanwege de hoeveelheid insecten. De gewone dwergvleermuis foerageert bijvoorbeeld vooral in open ruimtes in bosachtig gebied of langs wind beschutte, lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen (BIJ12, 2017c). De laatvlieger foerageert ten opzichte van de gewone dwergvleermuis in dezelfde soort gebieden maar dan hoger in de lucht en zolang de wind het toe laat boven opener terrein. De watervleermuis foerageert meestal boven open water (www.vleermuizenindestad.nl).
3.10.4
Jaarcyclus vleermuizen Vleermuizen gebruiken dus een netwerk van deelleefgebieden met verschillende functies. De in Nederland meest voorkomende soorten volgen daarbij een duidelijke seizoenscyclus: beginnend bij winterslaap, achtereenvolgens migratie, kraamperiode, balts- of paartijd, trek en tenslotte weer winterslaap (www.vleermuizenindestad.nl). zie onderstaand tijdschema.
Jaarcyclus van vleermuizen. Bron: Zoogdiervereniging
17
3.11
Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal vijf meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl).
3.12
Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Dassen leven overdag in burchten, die ze zelf graven en die vaak zijn gelegen in bosjes of houtwallen nabij gras- en akkerland (zoogdiervereniging.nl). Dassen gebruiken vaak vaste paden, zogenaamde wissels welke zijn te herkennen als uitgesleten paden. Wissels worden gemarkeerd door geursporen en met latrines. De das is een sociaal dier met sterke sociale banden. Ze leven in familiegroepen bestaande uit een volwassen koppel met eventueel jongen en jaarlingen. Dieren van buiten de familiegroep worden uit het territorium geweerd. Burchten zijn de vaste voortplantings- en rustplaatsen van de das. Drie typen burchten zijn te onderscheiden.
3.12.1
Hoofdburchten Hoofdburchten zijn relatief groot en het grootste deel van het jaar in gebruik.
3.12.2
Bijburchten Deze zijn maar delen van het jaar in gebruik. Bijvoorbeeld bij verstoring van de hoofdburcht. Ook worden bijburchten gebruikt door jong volwassen dieren binnen het territorium van de ouders of wanneer mannetjes na de geboorte van de jongen tijdelijk uit de hoofdburcht worden verdreven.
3.12.3
Vluchtpijpen Vluchtpijpen liggen verspreid over het territorium en worden kort gebruikt bij naderend gevaar. Vluchtpijpen (en bijburchten) kunnen in korte tijd worden omgevormd tot hoofdburcht.
18
3.13
Bunzing De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017).
3.14
Hermelijn De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten.
3.15
Wezel De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017).
3.16
Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl).
3.17
Poelkikker De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in bos, heide en hoogveen maar ook in graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen, uiterwaarden en op ruderaal terrein. De poelkikker wordt slechts zelden aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren. Hij heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een begroeide oeverzone. De soort is kritisch wat betreft de waterkwaliteit dat voedselarm en schoon moet zijn. De dieren kunnen grote afstanden afleggen en kunnen op grote afstanden van het water worden gevonden. De poelkikker overwintert op het land waar hij zichzelf ingraaft of gebruik maakt van muizenholletjes, houtstronken of stenen. De overwinteringsplaatsen liggen afhankelijk van het landschapstype binnen de 100 à 200
19
meter van het water (BIJ12, 2017e; Creemers & van Delft, 2009,; Goverse et al. 2015).
3.18
Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden waar hij voorkomt in loof- of gemengde bossen, of kleinschalige landschappen met heggen of struwelen. Voortplanting vindt plaats in allerlei typen water, zolang het niet snelstromend en niet rijk is aan vis (Goverse et al.). Wanneer de temperatuur ’s avonds boven de vijf graden komt trekken alpenwatersalamanders naar het voortplantingshabitat, meestal is dat rond half maart. Ze blijven hier dan tot en met juni. Half september hebben ook de larven het voortplantingswater verlaten. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. Ze zijn dan te vinden onder hout, stenen, bunkers of in niet bewoonde holen van knaagdieren (Creemers & van Delft, 2009).
3.19
Kamsalamander De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met bossen, heggen en struwelen. Dieren trekken half maart naar het voorplantingsbiotoop dat bestaat uit matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Een poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. De soort heeft een leefgebied in een straal van 300 tot 500 meter rond het voortplantingswater en overwintert tussen november en februari op vorstvrije locaties onder takenstapels of stenen. Sommige kamsalamanders blijven gedurende het hele jaar in het water (Creemers & van Delft, 2009; Goverse et al. 2015).
20
4 4.1
Onderzoekmethodiek Wintercheck bomen Het doel van dit onderzoek is om te bepalen of in de bomen grote nesten die potentieel van roofvogels zijn (buizerd, ransuil, sperwer, wespendief, boomvalk), eekhoornnesten of holtes voor eekhoorn en boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. In de winter is dit goed te zien omdat er dan geen blad aan de bomen zit, dit in tegenstelling tot de andere jaargetijden. De check is uitgevoerd middels een visuele inspectie met verrekijker en zaklamp. Alle grote bomen binnen een straal van 75 meter rond het plangebied zijn onderzocht. Dit is in één veldbezoek door één veldwerker uitgevoerd. Hiermee wordt ook duidelijk of hier nesten of holtes aanwezig zijn. Het onderzoeken van bomen in de omgeving van het plangebied is van belang om ook duidelijk te krijgen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk ook verstoring van dergelijke beschermde elementen in de omgeving plaatsvindt. Zie navolgende afbeelding voor het onderzoeksgebied. Dit veldbezoek is uitgevoerd op 16 maart 2022.
21
Voor de wintercheck bestaat het onderzoeksgebied uit het gehele plangebied (al staan hier geen grote bomen) en een zone van 75 meter hieromheen.
4.2
Huismus Het inventariseren van huismussen vindt plaats door zichtwaarnemingen. Door ongeveer een uur in een bepaald gebied te inventariseren wordt een goed beeld gekregen van de aan- of afwezigheid van huismussen in een gebied. Aanwezigheid van huismusnesten kan op verschillende manieren worden aangetoond. Er mag uit worden gegaan van een huismusnest bij de volgende waarnemingen: 1 Waarneming van nest of nestbouw; 2 Bezoek van een huismus aan een potentiële nestplaats; 3 Transport van voedsel of ontlastingspakketjes; 4 Bedelende jongen in een nest; 5 Van 10 maart tot 20 juni een zingend mannetje; 6 Van 10 maart tot 20 juni aanwezigheid van een paartje; 7 Van 10 maart tot 20 juni baltsgedrag. De laatste drie type waarnemingen zijn het makkelijkst te doen. Nadeel is wel dat de precieze nestlocatie dan nog niet geheel duidelijk is. Daarom is gewacht tot een huismus een potentiële nestplaats echt bezoekt (bijvoorbeeld in nestkast vliegen, of onder
22
dakrand kruipen). De laatste drie type waarnemingen dienen onder de juiste onderzoeksomstandigheden uit te worden gevoerd. Droog, weinig wind, in de ochtend vanaf 1 à 2 uur na zonsopkomst op geluidsluwe momenten. Om afwezigheid van de huismus met voldoende zekerheid vast te stellen, dienen twee inventarisatierondes in de periode van 1 april tot en met 15 mei uitgevoerd te worden met een tussenperiode van minimaal tien dagen (BIJ12, 2017f en BIJ12, 2022). De veldbezoeken zijn bij goede weersomstandigheden uitgevoerd op: - 12 april 2022, 13:30 – 14:30 uur - 5 mei 2022, 9:00 – 10:15 uur
4.3
Gierzwaluw Het onderzoek om aan- of afwezigheid van nesten van gierzwaluwen aan te tonen is uitgevoerd conform het kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017a). Het voldoet dan ook aan de volgende voorwaarden: - minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen; - in de periode van 1 juni tot en met 15 juli; - waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli; - van twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang; - tijdens goede weersomstandigheden (droog, niet te veel wind). Gezien de grootte van het plangebied is ervoor gekozen om de locatie van de nesten te bepalen door middel van het waarnemen van in- en uitvliegende gierzwaluwen. Dergelijke nestlocatietellingen leveren de beste resultaten op. Hierbij is 15 tot 30 minuten gepost per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien kunnen worden. Alle in- en uitvliegende gierzwaluwen zijn genoteerd en de locaties zijn op een kaart bijgehouden. Naast in- en uitvliegende individuen zijn ook laagvliegende, luid roepende vogels genoteerd. Dit gedrag duidt er namelijk op dat een nestlocatie in de buurt aanwezig is (BIJ12, 2017a). Daarnaast is ook bijgehouden hoeveel gierzwaluwen maximaal hoog boven en in de omgeving van het plangebied rondvliegen.
De veldbezoeken zijn uitgevoerd op 7 juni, 18 juni en 2 juli van 1,5 uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang. Onderzoeken zijn uitgevoerd door één deskundige onderzoeker. De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is met bovengenoemde methode voldoende aannemelijk gemaakt als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest.
4.4
Kerkuil Het doel van dit onderzoek is om te bepalen of nestplaatsen of essentieel leefgebied van de kerkuil in het plangebied en de omgeving aanwezig zijn. De uitvoering heeft plaatsgevonden conform het Kennisdocument kerkuil (BIJ12, 2017g). Hierbij zijn
23
minimaal drie veldbezoeken uitgevoerd waar gelet is op krijsende uilen en bedelende jongen, in de periodes februari tot en met maart en juni tot en met augustus. Daarnaast dient eenmaal een sporenonderzoek in het plangebied uitgevoerd te worden. Tenslotte dient navraag gedaan te worden bij de bewoners en omwonenden of bij een plaatselijke uilenwerkgroep. In dit geval zijn de veldbezoeken voor krijsende uilen en bedelende jongen gecombineerd met steenuilonderzoek (periode februari – maart) en vleermuisonderzoek (periode juni – augustus). Zie respectievelijk paragraaf 4.5.1 en 4.8.2 voor de verschillende datums waarop onderzoek in het plangebied heeft plaatsgevonden. Het sporenonderzoek is gecombineerd met het sporenonderzoek voor de steenuil, zie paragraaf 4.5.3. Ook is contact gelegd met de uilenwerkgroep Ken en Geniet. Ten slotte is contact gelegd met omwonenden van het plangebied. Ook dit is gecombineerd met onder andere het steenuilenonderzoek. Zie paragraaf 4.5.2.
4.5
Steenuil
4.5.1
Territoriumonderzoek Het doel van territoriumonderzoek is om te bepalen waar in en in de omgeving van het plangebied territoria van steenuilen aanwezig zijn. Het onderzoeksgebied bestaat uit het plangebied en het gebied van 500 meter hieromheen. Door ook in geschikte gebieden in de omgeving te onderzoeken, wordt ook duidelijk waar de territoria van de steenuilen in de omgeving van het plangebied liggen. Zo wordt duidelijk hoe de situatie van het plangebied zich tot de omgeving verhoudt. Ook wordt zo duidelijk of, wanneer er steenuilen aanwezig zijn in het plangebied, er eventueel uitwijkmogelijkheden zijn voor deze uilen in de omgeving. Zie navolgende afbeelding.
24
Het onderzoeksgebied van het territoriumonderzoek omvat het plangebied en een gebied van 500 meter eromheen.
Het onderzoeksgebied buiten het plangebied, is onderzocht vanaf openbare wegen. Op deze manier is een voldoende dicht netwerk van looproutes ontstaan om een goed onderzoek uit te kunnen voeren. Het territoriumonderzoek is uitgevoerd conform het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (2017), in de periode februari tot en met april. Het onderzoek bestond uit drie onderzoeksrondes. Tussen de eerste en laatste onderzoeksronde zit een tussenperiode van minimaal een maand. Tijdens de veldbezoeken zijn vanaf minimaal een half uur na zonsondergang gedurende circa twee uur territoriumroepen en sociale roepen van steenuilen genoteerd. Om dergelijke roepjes van de steenuil uit te lokken werden tijdens deze avondbezoeken ook de territoriumroep van het mannetje op verschillende locaties afgespeeld. Elk roepend mannetje vertegenwoordigt een territorium. In navolgende tabel is weergegeven wanneer de veldbezoeken zijn uitgevoerd en onder welke weersomstandigheden. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.
25
Tabel met onderzoeksgegevens. De zonsondergang is van belang, omdat volgens het protocol het veldbezoek pas een half uur na zonsondergang mag starten. Ook moet het goed weer zijn, zonder neerslag en geen harde wind (maximaal windkracht 3 Bft). Daarom is ook de windkracht en neerslag opgenomen. Datum
4.5.2
Zon
Tijd
Tijd
Temp.
Wind
# veld-
Neer-
Omstandighe-
onder
(start)
(eind)
(°C)
(Bft)
werkers
slag
den
9-3-2022
18:34
19:04
21:04
8
1
2
Geen
Goed
11-4-2022
20:30
21:00
23:00
14
2
2
Geen
Goed
12-4-2022
20:32
21:45
23:45
15
2
2
Geen
Goed
Informatie van omwonenden Voor dit onderzoek is contact gezocht met de omwonenden van het plangebied. Deze hebben een brief ontvangen met de vraag of ze weet hebben van steenuilen op hun perceel of in de omgeving.
4.5.3
Sporenonderzoek Op 5 mei 2022 is door een veldwerker sporenonderzoek naar de steenuil verricht. Dit sporenonderzoek heeft in het plangebied plaatsgevonden. Het doel van dit onderzoek is om een inschatting te maken van het gebruik van de steenuil van het plangebied. Er werd voornamelijk gelet op de aanwezigheid van steenuilen zelf, braakballen en poepsporen (krijtstrepen). Dit heeft met name plaatsgevonden in de aanwezige bebouwing; klein schuurtje, schuur 1, schuur 2 en het bedrijfsgebouw. Bij het laatste gebouw kon een deel ervan niet onderzocht worden. Zie navolgende afbeelding. Hier was namelijk de inschatting dat het instortingsgevaar te groot was, omdat bij een inspectie van buitenaf een groot gat in het dak aanwezig was en de steunbalken aan de binnenzijde flink waren doorgezakt.
26
Dit deel van het bedrijfsgebouw kon vanuit veiligheidsoogpunt niet onderzocht worden op sporen.
4.6
Ransuil Uit de uitgevoerde wintercheck bleek dat net buiten het onderzoeksgebied een nest aanwezig was dat mogelijk van een ransuil kan zijn. Derhalve is hier aanvullend onderzoek naar verricht. Zie navolgende afbeelding voor de locatie van het nest. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de SOVON-telrichtlijn. Verspreid over de broedperiode van de ransuil, mei tot en met juli, zijn gedurende de nacht drie veldbezoeken uitgevoerd. Drie personen liepen een uur rond in het onderzoeksgebied, met name rond het vastgestelde nest. Hierbij is gelet op de aanwezigheid van met name jonge bedelende ransuilen, op basis van hun geluid. Ook is gelet op de aanwezigheid van volwassen ransuilen. De veldbezoeken zijn bij geschikt weer uitgevoerd op: - 3 juni 2022, 23:00 – 0:15 uur - 29 juni 2022, 23:00 – 0:00 uur - 1 juli 2022, 2:00 – 4:00 uur
27
Uit de wintercheck bleek net ten westen van het plangebied een nest aanwezig te zijn die geschikt is voor de ransuil. Dit nest is nader onderzocht.
4.7
Sperwer en boomvalk Uit de uitgevoerde wintercheck bleek dat net buiten het onderzoeksgebied een nest aanwezig was dat mogelijk van een boomvalk of sperwer kan zijn. Derhalve is hier aanvullend onderzoek naar verricht. Zie voorgaande afbeelding voor de locatie van het nest. De uitvoering van het nader onderzoek is gebaseerd op de SOVON-telrichtlijn voor beide soorten. Verspreid over de overlappende broedperiode van de boomvalk en sperwer, mei tot en met half juli, zijn overdag drie veldbezoeken uitgevoerd. Eén persoon loopt dan twee uur rond in het onderzoeksgebied, met name rond de vastgestelde nesten. Daarbij is gelet op aanwezigheid van boomvalken en sperwers op basis van zicht (met verrekijker) en geluid. Ook is gezocht naar sporen rond de nestbomen. De veldbezoeken zijn bij geschikt weer uitgevoerd op: - 5 mei 2022 - 16 juni 2022 - 2 juli 2022
28
4.8
Vleermuizen
4.8.1
Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden Het vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen zoals deze zijn verwoord in het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Om aan deze richtlijnen te kunnen voldoen is allereerst beoordeeld welke vleermuissoorten mogelijk in het plangebied voor kunnen komen en welke functies het voor deze soorten kan vervullen. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding van in Nederland voorkomende vleermuizen, de ecologie van de soorten en de aangetroffen situatie. In navolgend overzicht is deze beoordeling uiteengezet. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort
Kraamverblijf
Zomerverblijf
Paarverblijf
Winterverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
x
Ruige dwergvleermuis
-
x
x
x
Laatvlieger
x
x
-
x
Gewone grootoorvleermuis
x
x
x
-
De mogelijk aanwezige vleermuissoorten en functies, zoals weergegeven in voorgaand overzicht, zijn in dit onderzoek onderzocht. Van de gewone dwergvleermuis is bekend dat deze gebruik maakt van massawinterverblijfplaatsen. Zodra het in de herfst en winter echt koud wordt, trekken de gewone dwergvleermuizen van hun solitaire winterverblijfplaatsen (vaak zijn dit ook zomer-, kraam-, of paarverblijfplaatsen (BIJ12 2017c)) naar massawinterverblijfplaatsen. Zover bekend zijn dit voornamelijk grote, massieve gebouwen, waar ze diep weg kunnen kruipen in diepe spleetvormige ruimten zoals een spouw, dilatatievoeg of hol vloerelement (Brekelmans & Korsten, 2014). Deze zijn in dit geval in het plangebied niet aanwezig. Daarom is het onderzoeken van dit type verblijfplaats niet nodig. Om voor deze soorten te voldoen aan de onderzoekseisen van het vleermuisprotocol zijn de veldbezoeken uitgevoerd zoals is weergegeven in navolgende tabel. In deze tabel zijn ook de weersomstandigheden en het aantal onderzoekers weergegeven. Tevens is weergegeven wanneer welke functies zijn onderzocht.
29
Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata
03-06-2022
29-06-2022
01-07-2022
24-08-2022
28-09-2022
Zon op
05:27
05:25
05:27
06:40
07:36
Zon onder
21:51
22:02
22:01
20:45
19:25
Tijd (start)
21:45
22:00
02:15
23:00
20:30
Tijd (eind)
00:21
00:02
05:27
01:00
22:30
Temperatuur (°C)
20-16
22-18
17-16
22-21
9-8
Windkracht (Bft)
3-2
2-1
2
2
0-1
Neerslag
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Weersomstandigheden
Goed
Goed
Goed
Goed
Goed
Aantal onderzoekers
5
5
3
1
2
Onderzochte soorten
Alle
Laatvlieger
Alle behalve
Alle
Alle
Paarverblijfplaatsen
x
x
Massawinterverblijf
x
x
van te onderzoeken
laatvlieger
soorten Onderzochte Functies
4.8.2
Kraamverblijfplaatsen
x
x
x
Zomerverblijfplaatsen
x
x
x
Foerageergebied
x
x
x
x
x
Vliegroutes
x
x
x
x
x
Methode De onderzoekers hebben zich gedurende het veldonderzoek over het onderzoeksgebied verspreid en gezocht naar vleermuizen door middel van zichtwaarnemingen en het gebruik van batdetectors. Navolgende waarnemingen zijn belangrijk en zijn in ieder geval genoteerd: - Vleermuizen die in of uit een gebouw, boom, etc. vliegen. Dit wijst op de aanwezigheid van een verblijfplaats; - Zwermgedrag; vleermuizen die een tijdje en op een typische manier op een bepaalde plek rondvliegen. Vaak met meerdere vleermuizen, maar kan ook alleen. Dit kan duiden op een verblijfplaats. - Paargedrag, zoals baltsactiviteit van mannelijke vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld wijzen op de aanwezigheid van een paarterritorium en paarverblijfplaatsen. - Foeragerende vleermuizen. Hierbij is van belang hoeveel vleermuizen foerageren en of nog andere functies in de buurt aanwezig zijn. Op basis van deze waarnemingen is bepaald of sprake is van essentieel foerageergebied. - Meerdere vleermuizen die een bepaalde route vliegen. Dan is meestal sprake van een vliegroute van vleermuizen. Op basis van deze waarnemingen en een inschatting van de omgeving is bepaald of sprake is van een essentiële vliegroute.
4.8.3
Batdetectors Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd door middel van zichtwaarnemingen en onderzoek met batdetectors. In dit onderzoek zijn de typen Petterson D240X, Petterson M500 en Batlogger M gebruikt. Een batdetector is een apparaat dat de onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen opvangt en vertaalt 30
in voor mensen hoorbare geluiden. Door interpretaties van ritme, klank en hoogte van het door het apparaat uitgezonden geluid kunnen de meeste soorten vleermuizen worden onderscheiden en op naam worden gebracht. Met behulp van deze detectoren kunnen opnames worden gemaakt die eventueel achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van computerprogramma’s. Met name voor de soorten van het geslacht Myotis is dit noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen. 4.8.4
Weersomstandigheden De vleermuisveldbezoeken mogen alleen bij goede weersomstandigheden uitgevoerd worden. Deze eisen zijn ook in het vleermuisprotocol opgenomen. Als de weersomstandigheden onvoldoende zijn, is de vleermuisactiviteit lager dan bij goede weersomstandigheden en geven de waarnemingen geen goed beeld van het vleermuisgebruik van het onderzoeksgebied. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.
4.9
Das Aanwezigheid van dassen in een gebied kan het beste aangetoond worden door de sporen die ze achterlaten te inventariseren, cameravallen te plaatsen en navraag te doen bij beheerders/plaatselijke dassenwerkgroepen (BIJ12, 2017h).
4.9.1
Sporenonderzoek Tijdens het sporenonderzoek is in het plangebied gezocht naar met name burchten, graafactiviteit en mestputjes, maar ook wissels, haar aan prikkeldraad, vraatsporen, etc. De optimale periode van dit onderzoek loopt van september tot en met mei. Daarbij wordt rekening gehouden met minder activiteit gedurende koudere perioden. In de rest van het jaar is sporenonderzoek ook mogelijk, maar wel lastiger, vanwege mogelijk aanwezige hoge vegetatie. De veldbezoeken van het sporenonderzoek hebben in dit geval daarom in de optimale periode plaatsgevonden. De veldbezoeken moeten ook voldoende verspreid over het jaar plaatsvinden, omdat de situatie van de aanwezigheid van de das gedurende het jaar kan wijzigen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden op de volgende data: - 12 januari 2022 - 16 maart 2022 - 11 mei 2022 In de periodes tussen de veldbezoeken waren geen koude periodes aanwezig.
4.9.2
Cameravalonderzoek Indien met het sporenonderzoek aanwijzingen worden gevonden die kunnen duiden op aanwezigheid van de das, of wanneer plekken aanwezig zijn die potentieel geschikt zijn voor de aanwezigheid van de das, worden op deze plekken cameravallen geplaatst. Deze kunnen het gehele jaar in het veld staan, waarbij rekening wordt gehouden bij minder activiteit in koude periodes (BIJ12, 2017h). Deze cameravallen blijven minimaal zes weken staan.
31
In dit geval is cameraval blauw gedurende de onderzoeksperiode geplaatst op de volgende locaties (zie navolgende afbeelding): - 12 januari – 16 maart 2022: zuidelijke punt, gericht naar het zuiden - 22 maart – 3 mei 2022: noordelijke punt, gericht naar het noordwesten
Voor het dassenonderzoek is twee keer een cameraval op de meest geschikte plek in het plangebied geplaatst.
Voor het cameravalonderzoek zijn Bushnell cameravallen van het type Trophy Cam HD Brown, Model 119874 gebruikt. Deze werden steeds aan reeds aanwezige weidepalen geplaatst, waarbij deze op een plek werden gericht die potentieel geschikt kan zijn voor de aanwezigheid van een das (zie navolgende afbeelding). De cameraval maakte drie foto’s achter elkaar per trigger.
32
De cameraval is steeds aan een weidepaal geplaatst.
4.9.3
Navraag bij natuurorganisatie, bewoners en omwonenden Voor dit onderzoek is op 7 maart 2022 contact opgenomen met de dassenwerkgroep Brabant om na te vragen of zij nog weet hebben van aanwezigheid van de das in of in de omgeving van het plangebied. Daarnaast is ook op 4 maart 2022 een brief verstuurd naar de bewoners en omwonenden van het plangebied met dezelfde vraag.
4.9.4
Afwezigheid aantonen Afwezigheid van de das kan middels bovenstaand onderzoek aangetoond worden, als drie veldbezoeken onder goede omstandigheden en voldoende verspreid over het jaar worden uitgevoerd én navraag is gedaan bij dassenwerkgroepen, beheerders en/of omwonenden. Als in dat geval geen aanwijzingen zijn gevonden dat de das aanwezig is in het onderzoeksgebied én eventueel aanwezige burchten al langer dan vijf jaar buiten gebruik zijn, kan de aanwezigheid van de das met voldoende juridische zekerheid uitgesloten worden (BIJ12 2017h).
4.10
Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) De aanwezigheid van kleine marterachtigen kan worden vastgesteld door het gebruik van de zogenaamde ‘struikrover’. De struikrover is een buis met wildcamera waarmee kleine marters kunnen worden waargenomen (zoogdiervereniging.nl). Bij de ingang van de buis is een lokmiddel geplaatst; een blikje sardines op olie. De camera is op fotostand gezet, waarbij het drie foto’s per trigger maakt. De struikrovers zijn op een geschikte locatie geplaatst; op een beschutte, afgelegen plek. Zie navolgende afbeelding voor de locaties van de struikrovers.
33
Wanneer onderzoek in de actieve periode (maart tot en met augustus) van de dieren wordt gedaan, dan dienen de onderzoeksinstrumenten minimaal 6 weken op de onderzoekslocatie te worden geplaatst (Bouwens 2017). De struikrovers zijn op 12 april 2022 geplaatst en op 16 juni 2022 weer opgehaald.
In het plangebied zijn vier struikrovers geplaatst voor het onderzoek naar kleine marters.
In de Handreiking kleine marters (Bouwens, 2017) wordt aangegeven dat doorgaans verschillende methoden gebruikt worden om de drie kleine martersoorten aan te tonen. Omdat het kleine marteronderzoek nog erg in ontwikkeling is, hebben wij gezocht naar een relatief gemakkelijk toe te passen methode die voor alle kleine martersoorten geschikt is, aangezien meerdere methodes niet geschikt zijn voor alle drie de kleine marters. Derhalve zijn wij uitgekomen op de onderzoeksmethode van de Struikrover (deze is nog niet opgenomen in de handreiking van de provincie Noord-Brabant). Volgens een bericht van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl) hebben veldtests aangetoond dat alle aanwezige marterachtigen in een gebied binnen twee weken kunnen worden vastgesteld. Om deze kans nog verder te vergroten, houden wij minimaal zes weken aan. Ook is een uitgebreid onderzoek naar ‘grijze soorten’ waaronder de kleine marters in de provincie Groningen uitgevoerd met enkel de Struikrover (Smaal, et al. 2019). Wat dat betreft is wat ons betreft de Struikrover een
34
relatief makkelijke en goede methode om alle kleine martersoorten te kunnen onderzoeken, en is daarbij de toepassing van enkel deze methode voldoende.
4.11
Steenmarter Het onderzoek naar de steenmarter is niet aan bepaalde protocollen of onderzoeksvoorwaarden gebonden. De steenmarter is het gehele jaar actief en daarom kan onderzoek naar de soort het gehele jaar uitgevoerd worden. Het onderzoek naar de steenmarter is gecombineerd met ander onderzoek: - Sporenonderzoek steenuil, zie paragraaf 4.5.3 - Sporenonderzoek das, zie paragraaf 4.9.1 - Cameravalonderzoek das, zie paragraaf 4.9.2 - Zichtwaarnemingen tijdens steenuil- en vleermuisonderzoek, zie paragraaf 4.5.1 en paragraaf 4.8.2. Bij het sporenonderzoek is gelet op herkenbare vraatsporen, uitwerpselen en loopsporen. Vraatsporen die steenmarters kunnen achterlaten zijn bijvoorbeeld: leeggegeten eieren, leeggegeten huiden van kleine zoogdieren, afgebeten veren of afgebeten koppen. Uitwerpselen van de steenmarter zijn 8-10 centimeter lang, 10-12 mm dik en in een punt uitlopend. Vaak zijn ook resten van vruchten in de uitwerpselen te zien. In de omgeving van een verblijfplaats worden uitwerpselen vaak op dezelfde plek gedeponeerd, een zogenaamde latrine. Hierdoor zijn de uitwerpselen ook makkelijk herkenbaar als steenmarteruitwerpselen. Loopsporen van steenmarter zijn makkelijk te verwarren met die van de op de steenmarter lijkende boommarter. De pootafdrukken zijn 30-40 mm breed en 30-35 mm lang aan de voorvoet. Afdrukken van de achtervoet zijn 43 breed en 35 mm lang.