Bijl-15 24-72 Quick scan natuur
Tekst van het document
5.2.2.2
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast soorten waarvan het nest alleen in de broedtijd beschermd is, zijn mogelijk ook soorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. In het plangebied zelf kunnen nesten van de huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil niet op voorhand uitgesloten worden. Met de geplande werkzaamheden gaan deze mogelijke nesten waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vogels.
30
Daarnaast kunnen in de grote bomen direct ten zuiden en westen van het plangebied ook nesten aanwezig zijn van de buizerd, ransuil, sperwer, wespendief en boomvalk. Met de ruimtelijke ontwikkeling die gaat plaatsvinden blijven deze bomen behouden. Echter, gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase kan wel sprake zijn van verstoring waardoor deze soorten een mogelijk aanwezig nest zouden kunnen verlaten. Ook bestaat de mogelijkheid dat deze soorten het plangebied als leefgebied gebruiken en dit belangrijk of essentieel is om de functionaliteit van een nest in of in de omgeving van het plangebied te behouden. Met de uit te voeren ruimtelijke ontwikkeling kan dit leefgebied (tijdelijk) verloren gaan en kan dit ertoe leiden dat een bovengenoemde vogelsoort het nest verlaat en dat hiermee de functionaliteit van dit nest verloren gaat. In bovengenoemde gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in het plangebied of de omgeving aanwezig. 5.2.3
Overige beschermde soorten
5.2.3.1
Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.
5.2.3.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen en leefgebied van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis), bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, alpenwatersalamander en kamsalamander. De genoemde vleermuissoorten en de kamsalamander zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. De bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter en alpenwatersalamander vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden. Ook onder dit beschermingsregime is het onder andere doden van individuen of het vernietigen van verblijfplaatsen verboden. Voor de eekhoorn geldt dat met de geplande ruimtelijke ontwikkeling verstoring plaatsvindt en dat deze verstoord kan worden in de bomenrijen ten zuiden en westen
31
van het plangebied. De eekhoorn valt ook onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren, in ieder geval tijdelijk. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig. 5.2.4
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen.
5.2.4.1
Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de huismus (BIJ12 2017a). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, rond één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van 10 dagen.
5.2.4.2
Gierzwaluwen Het nader onderzoek gierzwaluwen dient volgens het kennisdocument gierzwaluw (BIJ12 2017b) plaats te vinden door middel van drie inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli, tussen twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang, tijdens goede inventarisatieomstandigheden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
5.2.4.3
Kerkuil Het nader onderzoek naar het broedgebied van de kerkuil dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het kennisdocument van de kerkuil (BIJ12 2017h). Onderzoek naar de aanwezigheid van (nesten van) kerkuilen dient door middel van een combinatie van zowel veldonderzoek als navraag bij uilenwerkgroepen en omwonenden te gebeuren. Ook dient voornamelijk in februari en maart gelet te worden op krijsende uilen en vanaf juni tot augustus op bedelende jongen. In totaal dienen minimaal drie veldbezoeken uitgevoerd te worden.
32
5.2.4.4
Steenuil Onderzoek naar de steenuil dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het kennisdocument steenuil (BIJ12 2017d). De aanwezigheid van de steenuil kan het gehele jaar worden aangetoond. De beste periode om een territorium van een steenuil vast te stellen is van 15 februari tot en met 15 april. In deze periode kunnen ’s avonds territoriumroepen van een steenuil worden afgespeeld. Ook dient overdag het plangebied op sporen van een steenuil onderzocht te worden. In totaal dienen minimaal drie veld-bezoeken verricht te worden om afwezigheid met voldoende zekerheid aan te kunnen tonen. De afwezigheid van broedende steenuilen is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 februari tot en met 30 april geen aanwezigheid kan worden aangetoond.
5.2.4.5
Buizerd, ransuil, sperwer, wespendief, boomvalk, eekhoorn Ten tijde van het veldbezoek van deze quick scan zat het blad aan de bomen waardoor moeilijk ter plaatse bepaald kon worden of grote nesten van deze vogelsoorten in de bomen rond het plangebied aanwezig zijn. Derhalve dient in de winter, wanneer geen blad aan de bomen zit, eenmalig gecontroleerd te worden of nabij (75 meter) het plangebied grote nesten in de bomen aanwezig zijn, die vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats zouden kunnen gebruiken. Wanneer een dergelijk nest aanwezig is, is aanvullend onderzoek nodig om te controleren of de nestplaats gebruikt wordt door één van deze vogelsoorten. Ook de eekhoorn kan nesten in deze bomen hebben. Hier zal dan ook tegelijkertijd naar gezocht worden.
5.2.4.6
Vleermuizen Voorafgaand aan het daadwerkelijke vleermuisonderzoek dient in de winter, wanneer geen blad aan de bomen zit, eenmalig gecontroleerd te worden of holtes of andere geschikte kieren aanwezig zijn in de grote bomen ten zuiden en westen van het plangebied. Indien holtes of andere geschikte kieren worden vastgesteld die mogelijk door vleermuizen als verblijfplaatsen gebruikt worden, dient het hierna beschreven nader onderzoek bij de betreffende bomen voor de boombewonende vleermuissoorten uitgevoerd te worden. Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Drie daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden.
Door het uitvoeren van vijf veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit
33
dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. 5.2.4.7
Das Aanwezigheid van dassen in een gebied kan het beste aangetoond worden door de sporen die ze achterlaten te inventariseren. Middels één veldbezoek wordt in het plangebied en de omgeving ervan gezocht naar burchten, graafactiviteit, wissels, haar aan prikkeldraad, mestputjes, vraatsporen, etc. Deze zaken zijn in agrarisch gebied vooral te vinden langs beplantings- en boselementen en andere lijnvormige elementen. Dit onderzoek wordt verricht van september tot en met mei. Daarbij wordt rekening gehouden met minder activiteit gedurende koudere perioden. Indien met het sporenonderzoek aanwijzingen worden gevonden die kunnen duiden op aanwezigheid van de das, maar hierover nog geen uitsluitsel geven, kunnen op deze plekken nog cameravallen geplaatst worden (BIJ12, 2017j).
5.2.4.8
Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) De aanwezigheid van kleine marters kan worden vastgesteld door het gebruik van de ‘struikrover’; een buis met wildcamera waarmee kleine marters kunnen worden waargenomen (zoogdiervereniging.nl). Ook kan voor het waarnemen van kleine marterachtigen een combinatie van verschillende methoden worden gebruikt. Dit zijn het gebruik van cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en nestkasten. Wanneer onderzoek in de actieve periode (maart tot en met augustus) van de dieren wordt gedaan, dan dienen de onderzoeksinstrumenten minimaal 6 weken op de onderzoekslocatie te worden geplaatst. Buiten de actieve periode van de dieren is er minder trefkans. Daarom is dan een dubbele hoeveelheid instrumenten nodig en dient er minimaal 12 weken onderzoek te worden gedaan (Bouwens 2017).
5.2.4.9
Steenmarter Voor de steenmarter is geen soortenstandaard opgesteld. Om aan- of afwezigheid vast te stellen wordt tijdens andere veldbezoeken in de periode van februari tot en met oktober gelet op sporen en individuen van deze soort. Ook wordt extra navraag gedaan bij gebruikers van het plangebied of omwonenden.
5.2.4.10
Alpenwatersalamander Voor het nader onderzoek naar het leefgebied van de alpenwatersalamander zijn door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geen richtlijnen of voorwaarden opgesteld. Vaststellen van de aan- of afwezigheid van de alpenwatersalamander kan worden gedaan doormiddel van twee veldbezoeken. Hierbij kan worden gebruik gemaakt van avondtellingen van volwassen dieren in de voortplantingswateren (maart t/m mei), het zoeken naar larven (juni t/m augustus), of bemonsteren met een schepnet (maart t/m augustus) (Goverse et al., 2015).
5.2.4.11
Kamsalamander Het nader onderzoek naar het leefgebied van de kamsalamander dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het Kennisdocument van de kamsalamander (BIJ12 2017i). Vaststellen van de aan- of afwezigheid in voortplantingswater van de kamsalamander kan op verschillende manieren worden gedaan. In februari/maart kan doormiddel van twee veldbezoeken de aanwezigheid worden vastgesteld door het waarnemen van migratie naar het voortplantingswater. Daarnaast
34
kunnen in april tot mei eitjes worden gezocht, op plantenblaadjes in voortplantingswater. De afwezigheid van eitjes is echter moeilijk aan te tonen. Verder kunnen in juni met een schepnet larven en volwassen dieren worden gevangen, kunnen in mei-juni met behulp van fuikjes volwassen dieren worden gevangen of kunnen zichtwaarnemingen met een zaklamp worden gedaan. Tot slot kan e-DNA onderzoek gedaan worden om de aan- of afwezigheid van de soort in voortplantingswater vast te stellen. Buiten het voortplantingsseizoen kan de aan- of afwezigheid vastgesteld worden door minimaal 5 maal te inventariseren op het landhabitat door potentiële schuilplaatsen om te draaien. 5.2.4.12
Poelkikker Het onderzoek kan worden uitgevoerd door het luisteren naar kooractiviteit van groene kikkers in de periode mei – juni, waarbij minstens 25 procent roept als poelkikker. Bij een lager percentage dienen individuen te worden gevangen met een schepnet en gemeten te worden. Een andere methode om de aan- of afwezigheid aan te tonen is het zoeken naar volwassen poelkikkers in de periode van half april tot eind september. Afwezigheid van poelkikkers mag worden aangenomen nadat in een potentieel geschikt gebied twee inventarisatierondes in de geschikte periode en onder geschikte omstandigheden geen positieve waarnemingen hebben opgeleverd. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiode van de poelkikker weer (BIJ12, 2017g). Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Huismus
Gierzwaluw
Kerkuil
Steenuil
Wintercheck bomen Das
Kleine marters
Steenmarter
Alpenwatersalamander Kamsalamander Poelkikker
35
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
5.3
Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het plangebied zijn drie houtopstanden aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstanden geveld. Op deze velling is het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming echter niet van toepassing, want de houtopstanden die worden geveld bevinden zich op een erf.
36
6
Conclusie Aan de Vaartweg 78 te ’s Gravenmoer bevindt zich een kassencomplex. Bogor Projectontwikkeling B.V. is voornemens deze locatie te ontwikkelen, waarvoor het bestemmingsplan wordt aangepast. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.
6.1
Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied liggen, waarvan Langstraat de dichtstbijzijnde is. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat gebieden van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied liggen. Echter, gezien de tussenliggende afstand is met de ruimtelijke ontwikkeling die uiteindelijk gaat plaatsvinden in het plangebied niet te verwachten dat de ecologische waarden en kenmerken van het NNN worden aangetast. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
6.2
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog essentiele elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen en/of essentieel leefgebied in of rond het plangebied aanwezig van huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, buizerd, ransuil, sperwer, wespendief en boomvalk. Nestplaatsen van 37
deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk Verder zijn mogelijk beschermde elementen, zoals verblijfplaatsen van vleermuizen, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, alpenwatersalamander en kamsalamander aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of andere essentiële elementen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
6.3
Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
6.4
Vervolgstappen - Voer een AERIUS-berekening uit zodra de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling concreet is; - Houd rekening met de zorgplicht; - Houd rekening met broedende vogels; - Laat nader onderzoek uitvoeren naar huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, buizerd, ransuil, sperwer, wespendief, boomvalk, vleermuizen, eekhoorn, das, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, poelkikker, alpenwatersalamander en kamsalamander.
38
Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12. 2017a. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Roek Corvus frugilegus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017d, Kennisdocument Steenuil, Athena noctua, versie 1.0 juli 2017 BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017e. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017f. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017g. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017h. Kennisdocument Kerkuil, Tyto alba, versie 1.0 juli 2017 BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017i. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017j. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Bos, F. Bosveld, M. Groenendijk, D. van Swaay, C. Wynhof, I. De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming. Nederlandse fauna deel 7. Bouwens, S. 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, rapport 2017.32. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9.
Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Goverse, E., Herder, A.J.E. & de Zeeuw, M.P.2015. Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland. Vierde herziene druk. RAVON werkgroep Monitoring, Amsterdam & Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.
Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Lange, R. Twisk, P. van Winden, A. van Diepenbeek, A. 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Uitgave DDW en VZZ. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna deel 4. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2020. Vleermuisprotocol 2021. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. SOVON. 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels. Verspreiding, aantallen, verandering. Nederlandse Fauna deel 5. Sparrius, L. Odé, B. Beringen, R. Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. FLORON rapport 57. Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.
Websites www.anemoon.org www.aerius.nl www.eis-nederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl statline.cbs.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl
Bijlage 1. Wettelijk kader Gebiedsbescherming Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.
Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht.
Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt. In dit geval wordt een plan even1 eens m.e.r.-plichtig . Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde 1
Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001, welke plicht in de Nederlandse wetgeving is verankerd in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren.
Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). Voor dit netwerk geldt, op basis van artikel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd.
Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. De precieze invulling van de bescherming verschilt van provincie tot provincie. In paragraaf 2.1 staat de bescherming beschreven die in dit geval van toepassing is.
Soortenbescherming Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen in de Wet natuurbescherming. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1-3.4), voor Habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen.
Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen. Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet. Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden. Zie paragraaf 2.2 voor de vrijstelling die in deze provincie van toepassing is. Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.
Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.
Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen
bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.
Bijlage 2. Foto-impressie plangebied
Klein schuurtje
Noordwestelijke plantage van hulst
Noordelijk kassencomplex
Noordelijk kassencomplex
Binnenzijde noordelijk kassencomplex
Onbegaanbaar kassencomplex
Ruïne met schoorsteen 1
Ruïne met schoorsteen 1
Schuur 1
Binnenzijde schuur 1
Zuidelijk kassencomplex
Binnenzijde zuidelijk kassencomplex
Rechts zuidelijk kassencomplex en links zuidelijke plantage
Bedrijfsgebouw
Bedrijfsgebouw
Schuur 2
Binnenzijde schuur 2
Ruïne met schoorsteen 2
Schoorsteen ruïne 2
Noordelijk weiland
Paardenweide buiten gebruik met kleine houten stal
Sloot ten noorden van zuidelijk weiland
Zuidelijk weiland met bomenrij langs het plangebied
Impressie overig deel van het plangebied, verharding, groen en afvalhopen
Impressie overig deel van het plangebied, verharding, groen en afvalhopen