Bijl-15 24-72 Quick scan natuur
Tekst van het document
Quick scan natuur
’s Gravenmoer, Vaartweg 78
Bogor Projectontwikkeling B.V.
Datum: 13 oktober 2021 Projectnummer: 210391
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
9
2.1 2.2 2.3
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
9 10 11
3
Onderzoeksmethode
12
3.1 3.2 3.3
Deskundigheid Definitie product Werkwijze
12 12 12
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten
14
4.1 4.2 4.3
Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden
14 15 28
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
29
5.1 5.2 5.3
Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden
29 29 36
6
Conclusie
37
6.1 6.2 6.3 6.4
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen
37 37 38 38
Geraadpleegde bronnen
3
Bijlage 1. Wettelijk kader
5
Bijlage 2. Foto-impressie plangebied
10
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Vaartweg 78 te ’s Gravenmoer bevindt zich een kassencomplex. Bogor Projectontwikkeling B.V. is voornemens deze locatie te ontwikkelen. Hiervoor dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buitengebied tussen de kernen ’s-Gravenmoer en ’s-Gravenmoerse Vaart (gemeente Dongen, provincie Noord-Brabant). De omgeving kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van andere kleine dorpskernen zoals Dongensevaart, Klein-Dongen en lintbebouwing hiertussen. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van agrarische grond. De oostzijde van het plangebied grenst vooral aan woningen langs de Vaartweg. Een klein deel van de oostzijde grenst direct aan deze weg. De zuid- en oostzijde grenzen aan een watergang met bomenrij en respectievelijk de zandpaden de Lage Dijk en Dwarsdijk. De noordzijde grenst aan weiland. Zie navolgende afbeeldingen voor de ligging van het plangebied.
3
Topografische kaart met de ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.
Op woensdag 15 augustus 2021 heeft een veldbezoek aan de locatie plaatsgevonden. Het plangebied bestaat uit een voormalig kassencomplex. De locatie is duidelijk al meerdere jaren niet meer in gebruik en is daarom grotendeels vervallen en overwoekerd. Het terrein is circa 6,3 ha groot en bestaat uit veel verschillende onderdelen. 4
Hierna is een luchtfoto van het plangebied opgenomen, met daarin de verschillende elementen weergegeven. In de rest van dit rapport worden de in deze afbeelding genoemde namen ook gebruikt om deze verschillende onderdelen aan te duiden. Daarnaast zijn ook voor een eerste impressie enkele foto’s van het plangebied opgenomen. Gezien de grootte van het plangebied zijn in bijlage 2 een groot aantal foto’s opgenomen, voor het volledige beeld. Hierna worden de verschillende onderdelen kort toegelicht.
5
In het gebied zijn meerdere kassencomplexen aanwezig.
In het gebied zijn meerdere gebouwen aanwezig.
Bedrijfsgebouw
6
Over het algemeen oogt het plangebied verlaten en vervallen. De aanwezige kassen, het noordelijk, zuidelijk en onbegaanbare kassencomplex, zijn opgebouwd uit een fundering van betonblokken of bakstenen. Deze komen vaak tot circa kniehoogte. De rest van de kassen bestaan uit een houten of stalen frame, bedekt met glazen ramen. Veel ramen waren kapot. Ook waren grote delen overwoekerd met vooral braam. Het onbegaanbare kassencomplex was zo vervallen en overwoekerd dat dit niet meer betreden kon worden. Het zuidelijk kassencomplex oogde het nieuwst en nog het meest recent in gebruik. Aan de zuidzijde en in de noordwestelijke hoek zijn plantages van hulst aanwezig. Ook deze zijn veelal overwoekerd door met name braam. Maar er groeide ook zomereik, Amerikaanse eik en winde. Aan de rand van de noordwestelijke plantage is een klein schuurtje aanwezig. Deze was niet te bereiken vanwege de bramen. Geheel aan de zuidzijde en in de noordoostelijke hoek zijn weilanden aanwezig die wel nog in gebruik zijn. In het noordelijke weiland liepen ten tijde van het veldbezoek buffels. In het plangebied is ook een paardenweide aanwezig. In deze weide is ook een kleine open paardenstal aanwezig. Deze weide is in ieder geval enkele jaren niet meer beheerd en daardoor verruigd. In het plangebied zijn enkele sloten aanwezig.
Deze zijn relatief ondiep en ten tijde van het veldbezoek stond er weinig water in. Wel was sprake van kwel. Ook zijn de oevers recentelijk gemaaid. In het oostelijk deel van het plangebied is bedrijfsbebouwing aanwezig. Deze bebouwing is opgetrokken uit bakstenen muren en heeft een dak met zwarte, platte dakpannen. Het heeft houten kozijnen en dakgootbekisting. De bebouwing oogt vervallen en bevat verrotte delen en kieren. Ook missen meerdere dakpannen. In het plangebied zijn twee schuren aanwezig. Schuur 1 bestaat deels uit bakstenen en deels uit betonblokken muren. Het heeft een golfplaten dak, zonder dakbeschot. De muren bevatten geen luchtspouw. Schuur 2 heeft betonnen muren en is in de nok met hout afgewerkt. Ook deze schuur heeft een golfplaten dak zonder dakbeschot.
7
Ook zijn twee ruïnes aanwezig. Bij beide bevindt zich een relatief hoge schoorsteen. Ruïne 1 was een oude schuur. De muren zijn van beton en baksteen. Er is geen sprake van een luchtspouw. In deze ruïne staat een laag water. Hierin groeit mos en kroos. De schoorsteen bestaat uit rode stenen en bevat veel kieren. Ruïne 2 was een klein gebouw met enkelsteens bakstenen muren. Ook de schoorsteen bij deze ruïne bestaat uit rode stenen. Deze bevat veel kieren en ook grotere gaten. De rest van het plangebied bestaat uit verhard terrein, voornamelijk asfalt, puinhopen en onverhard en verwilderd terrein. Buiten het plangebied staan aan de zuid- en westzijde grote bomen, van onder andere zomereik, zwarte els, gewone es en Amerikaanse eik. 1.2.2
Toekomstige situatie Concrete toekomstplannen voor deze locatie zijn er nog niet. Echter, er zijn wel ideeen voor de aanleg van natuur, waterberging, etc. Daarnaast wordt ook gekeken of woningbouw gerealiseerd kan worden. Hiervoor zal de huidige situatie opgeruimd worden. Omdat nog geen concrete plannen bekend zijn wordt van het worstcasescenario uitgegaan dat het gehele plangebied aangepast gaat worden. Zie navolgende afbeelding voor de eerste ideeën.
Eerste ideeën toekomstige situatie
8
2
Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.
2.1
Gebiedsbescherming
2.1.1
Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.
2.1.2
Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. In de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening maakt de provincie Noord-Brabant onderscheid tussen de ‘groenblauwe structuur’ en het ‘gemengd landelijk gebied’.
Degroenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De kern wordt gevormd door het Natuurnetwerk Brabant (NNB) inclusief de ecologische verbindingszones. Het NNB is het deel van de NNN dat in Noord-Brabant ligt. Daarnaast maken ook gebieden voor wa9
terberging en de zogeheten ‘groenblauwe mantel’ deel uit van de groenblauwe structuur. De groenblauwe mantel ligt rondom de kerngebieden en bestaat overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Binnen deze mantel liggen kansen voor recreatie en ook groene gebieden nabij het stedelijk gebied behoren tot deze mantel. Als ecologische waarden en kenmerken van het NNB gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan. De bescherming van het NNB strekt zich uit tot buiten de begrenzing van het NNB, via artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 8 december 2020). In dit lid is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat die een aantasting geeft van ecologische waarden en kenmerken in het NNB, anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk beperkt en overblijvende negatieve effecten compenseert. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen mogelijk binnen het NNB. Hierbij worden in de Omgevingsverordening vier mogelijkheden onderscheiden; het toepassen van een saldo-benadering, een kleinschalige uitbreiding, het toepassen van het nee, tenzij-principe en een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling.
2.2
Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Noord-Brabant heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.
Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.
10
2.3
Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.
11
3 3.1
Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.
3.2
Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.
3.3
Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 14 september 2021, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 15 september 2021, bij droog en zonnig weer bij een temperatuur van circa 20 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.
Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.
12
Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.
13
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.
4.1
Ligging beschermde gebieden
4.1.1
Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden Langstraat, Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen en Biesbosch in de omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk op 3,0, 6,9 en 9,3 kilometer afstand.
Globale ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving (groen: vogelrichtlijn- en habitatrichtlijngebieden, geel: habitatrichtlijngebieden). Bron: Aerius.
4.1.2
Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 1,2 kilometer en betreft een gedeelte van het Rijk en Provincie NNB. Ook de NNB Ecologische Verbindingszone ligt op circa 1,2 kilometer van het plangebied.
14
Globale ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Rijk en Provincie NNB (oranje en groen) en NNB Ecologische Verbindingszones (rood raster). Bron: provincie Noord-Brabant.
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
4.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook is groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.
4.2.2
Vogelrichtlijnsoorten
4.2.2.1
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als merel, heggenmus, gaai, zwartkop, zwarte kraai en winterkoning. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen.
4.2.2.2
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.
15
Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017a). In het plangebied biedt het bedrijfsgebouw in potentie geschikte nestlocaties. Deze bebouwing bevat veel kieren, rotte houten delen en missende dakpannen. Dit biedt mogelijkheden voor de huismus om er onder het dak te broeden. Tevens zijn ook huismussen waargenomen op het perceel van Vaartweg 84, grenzend aan het plangebied en in de buurt van het bedrijfsgebouw. Al met al kan echter de aanwezigheid van nestplaatsen op deze plek niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van nestplaatsen van deze soort is dan ook noodzakelijk. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen.
Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). Ook voor deze soort biedt het bedrijfsgebouw nestmogelijkheden. Het betreft dan met name de dakgootbekisting die via verrotte delen toegankelijk is geworden voor deze vogelsoort. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van nestplaatsen van deze soort is dan ook noodzakelijk. Buizerd De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste gevallen gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verdedigd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (SOVON, 2002). Rond het plangebied zijn, met name aan de zuidzijde en oostzijde bomenrijen aanwezig met flinke bomen.
Daarnaast bevindt het plangebied zich in de voor de buizerd geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek is ook een buizerd waargenomen die over het plangebied vloog. Ook is gezocht naar buizerdnesten in geschikte bomen. Deze zijn niet aangetroffen. Echter, buizerdnesten zijn vaak goed verborgen en lastig te vin-
16
den als het blad aan de bomen zit. Al met al kan de aanwezigheid van een buizerdnest in de bomen rond het plangebied niet worden uitgesloten. Kerkuil De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele leven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON, 2002). Het plangebied en de omgeving ervan vormt geschikt leefgebied voor deze uilensoort. Tijdens het veldbezoek is in aanwezige bebouwing dan ook intensief gezocht naar sporen van uilen. In schuur 2 zijn poepsporen aangetroffen die waarschijnlijk van een uil zijn (zie navolgende afbeelding). Echter, hier zijn geen geschikte plekken voor een nestplaats aanwezig. In andere bebouwing zijn geen uilensporen aangetroffen. Echter, delen van het plangebied waren niet te bereiken. Zo kon een deel van het bedrijfsgebouw niet geïnspecteerd worden, terwijl in dit deel wel een groot gat in het dak zit.
Al met al kan de aanwezigheid van een nestplaats van de kerkuil in het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten. Daarbij vormt het plangebied uitermate geschikt jachtgebied voor deze uilensoort, gezien het afwisselende en groene karakter. Omdat het ook om een substantiële oppervlakte gaat, vormt het plangebied mogelijk essentieel leefgebied van deze soort.
Poepsporen in schuur 2, waarschijnlijk van een uil
Ransuil, sperwer, wespendief, boomvalk Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen. De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (SOVON 2002, www.sovon.nl, www.vogelbescherming.nl).
17
De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen. De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen. Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen. De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (SOVON, 2002). De wespendief nestelt in de kruin van hoge loof- en naaldbomen. Deze wordt echter snel over het hoofd gezien omdat ouders met jongen tot meer dan vijf kilometer van het nest foerageren en de balts boven dit gehele territorium kan plaatsvinden. De soort bouwt jaarlijks een nest of knapt een oud nest op. Als voedsel worden vooral sociale wespen en hun larven en poppen gegeten, maar de wespendief eet ook ander dierlijk voedsel zoals kleine zoogdieren, reptielen of amfibieën. De wespendief start pas in de laatste decade van mei met de ei-leg. De jongen zijn vanaf half augustus vliegvlug en worden dan nog twee weken verzorgt (SOVON, 2002).
De boomvalk is een schaarse broedvogel die leeft in open landschappen, meestal met water in de buurt. De boomvalk broedde oorspronkelijk veel in heiden, bossen en bosranden op zandgrond. Tegenwoordig broedt zij echter meer in open agrarische landschappen en aan de rand van steden. Ook in gebieden die rijk zijn aan menselijke verstoring zoals sport-, bedrijfsterreinen of langs snelwegen wordt door de boomvalk gebroed. Dit heeft deels te maken met een toenemende predatiedruk van havik in het oorspronkelijke broedgebied. De boomvalk gebruikt voornamelijk nesten van kraaien maar ook duiven of andere roofvogels om in te broeden en gedraagt zich in broedtijd onopvallend. Nesten kunnen in boomgroepen, vrijstaande bomen maar ook op hoogspanningsmasten zijn gelegen. De broedperiode is in mei-juni (SOVON 2002, www.vogelbescherming.nl). Ook voor deze soorten vormt het plangebied geschikt leef- en foerageergebied. Deze soorten kunnen, net als de buizerd, een nest hebben in één van de grote bomen rond het plangebied. Het plangebied zou daarnaast belangrijk leefgebied kunnen vormen voor deze soorten. Roek Het habitat van de roek bestaat uit vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande clusters van bomen. Ook parklandschappen en parken aan de rand van vochtige landbouwgebieden worden gebruikt. De roek is een kolonievogel.
De nesten bevinden zich in clusters van hogere bomen van 15-25 hoogte. Er worden verschillende boomsoorten gebruikt, waarbij de aanwezigheid van stevige takvorken op enkele meters hoogte leidend is bij de boomkeuze. De functionele leefomgeving rond een nestplaats van een roek moet bestaan uit een combinatie van voldoende volwassen bomen van minimaal 15 meter hoog. Een gevarieerd boomsoortenbestand en minimaal 1,5 hectare vochtig bemest gras- of bouwland binnen een straal van 1500 meter van de nestlocatie (BIJ12, 2017c, SOVON, 2012).
18
De bomen rond het plangebied kunnen geschikte nestlocaties voor deze kraaiensoort vormen. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen roeken waargenomen. Dit is, gezien de vorming van kolonies van deze soort, wel te verwachten als deze nesten in de bomen rond het plangebied heeft. De aanwezigheid van roekennesten in de bomen rond het plangebied is dan ook niet te verwachten. Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017d). In het plangebied zijn meerdere mogelijkheden aanwezig voor nestplaatsen van de steenuil. Deze kunnen aanwezig zijn in het klein schuurtje of het bedrijfsgebouw. Mogelijk kunnen er ook geschikte plekken zijn in het onbegaanbare kassencomplex. Dit klein schuurtje, onbegaanbare kassencomplex en een deel van het bedrijfsgebouw waren niet toegankelijk. Hier kon dan ook niet naar sporen worden gezocht van deze soort.
De aanwezigheid van een nestplaats van deze soort kan dan ook op voorhand niet worden uitgesloten. Tevens vormt het plangebied geschikt leefgebied voor deze soort. Omdat deze soort honkvast is en ook een relatief klein territorium heeft, kan het plangebied essentieel leefgebied voor deze soort vormen. Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bossen (havik) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. Voor de zwarte wouw geldt dat deze niet in de omgeving van het plangebied voorkomt. 4.2.3
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl).
19
Het plangebied bestaat uit een verlaten plantenkwekerij en enkele weilanden. Het terrein is daarmee lange tijd intensief gebruikt en daardoor ook bemest, waardoor de grond voedselrijk is. Dit wordt bevestigd door de sterk woekerende braam die op grote delen van het terrein aanwezig is; een soort van voedselrijke en verstoorde grond. Beschermde plantsoorten komen op een dergelijke locatie niet voor. In het plangebied zijn ook vervallen gebouwen aanwezig. Een aantal beschermde plantsoorten groeit op oude en verweerde muren, zoals schubvaren en muurbloem. Derhalve zijn de muren van deze gebouwen intensief onderzocht op de aanwezigheid van dergelijke soorten. Deze zijn niet aangetroffen. Nader onderzoek naar beschermde plantsoorten is dan ook niet noodzakelijk. 4.2.4
Grondgebonden zoogdieren
4.2.4.1
Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.
4.2.4.2
Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bever, bunzing en eekhoorn in de omgeving van het plangebied voor. Daarnaast ligt het plangebied ook in het algehele verspreidingsgebied van de soorten steenmarter, das, hermelijn en wezel. Bever Bevers zijn knaagdieren die leven in en nabij het water, waar ze hun voedsel zoeken en hun schuilplaatsen maken. De bever komt voor in bossen langs beken en rivieren, in beddingen van meren en in meer open landschap en moerassen. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water. Open of rotsige oevers worden vermeden. In en rond het plangebied zijn sloten aanwezig, maar deze zijn slechts klein. Deze sloten vormen niet genoeg water voor de bever om geschikt leefgebied te vormen.
Aanwezigheid van dit zoogdier in het plangebied is dan ook niet te verwachten. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bo-
20
dem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Het plangebied vormt voor deze soort grotendeels geschikt leefgebied. Gezien de kleinschaligheid is het erg geschikt foerageergebied. Omdat de grondwaterstand in het plangebied relatief hoog staat, is niet gelijk te verwachten dat er burchten aanwezig zijn. Echter, dit zou in de directe omgeving, zoals in de omliggende bomenrijen, wel mogelijk kunnen zijn. Al met al kan de aanwezigheid van de das in het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk. Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal 5 meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). Het plangebied bestaat niet uit bos en in de omgeving van het plangebied is dit ook niet aanwezig. Wel is een robuust netwerk van bomenrijen met grote, oude bomen aanwezig waaraan het plangebied ook grenst.
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn hier recent ook eekhoorns in waargenomen, ook in de buurt van het plangebied. De kans is dan ook reëel dat eekhoornnesten in de grote bomen rond het plangebied aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn deze niet waargenomen, maar dergelijke nesten kunnen gemist zijn vanwege het blad aan de bomen. Aangezien kans is op verstoring vanuit het plangebied met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling is nader onderzoek hiernaar noodzakelijk. Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten.
De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017).
21
Het plangebied vormt voor alle drie de soorten geschikt leefgebied, vanwege de kleinschaligheid, de verruiging en de aanwezigheid van water. Ook de aanwezigheid van robuuste bomenrijen rond het plangebied zorgt ervoor dat het plangebied goed ontsloten is voor deze soorten. Al met al kan de aanwezigheid van deze drie soorten in het plangebied op voorhand niet uitgesloten worden. Nader onderzoek is noodzakelijk. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Ook voor deze zoogdiersoort vormt het plangebied geschikt leefgebied. Vanwege de aanwezigheid van veel verlaten en vervallen gebouwen kan deze soort zeker ook een verblijfplaats in het plangebied hebben waar het jongen groot kan brengen. Tijdens het veldbezoek is dan ook uitvoerig naar steenmartersporen gezocht. Schuur 1 en 2 en ruïne met schoorsteen 1 konden volledig geïnspecteerd worden en hier zijn geen sporen van de steenmarter gevonden.
De overige gebouwen (ruïne met schoorsteen 2, klein schuurtje, bedrijfsgebouw) konden niet volledig geïnspecteerd worden en bevatten mogelijkheden voor de soort om een verblijfplaats te hebben. Ook de kassencomplexen konden niet volledig geïnspecteerd worden. Echter, deze zijn voor deze martersoort minder geschikt als verblijfplaats. Nader onderzoek naar deze soort is nodig. 4.2.5
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast ligt het plangebied binnen het globale verspreidingsgebied van de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).
22
4.2.5.1
Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017e, Dietz et al. 2011). In het plangebied zijn meerdere gebouwen aanwezig. Deze zijn zover als mogelijk was op voorhand geïnspecteerd op de geschiktheid voor vleermuisverblijfplaatsen. Hieruit blijkt dat de kassencomplexen, het kleine schuurtje en ruïne 1 en 2 (geldt niet voor de schoorstenen) geen geschikte mogelijkheden bieden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De schoorstenen van ruïne 1 en 2, één zijde van schuur 1 en het bedrijfsgebouw bieden wel mogelijkheden voor vleermuisverblijven, zoals kieren, toegang tot de ruimte onder het dak, etc. Vleermuizen kunnen via deze ruimtes de spouwmuur bereiken. Bovendien vormt het aanwezige groen (bomenrijen grenzend aan het plangebied, plantages, slootjes) geschikt foerageergebied voor de vleermuizen. Mogelijk foerageren de vleermuizen ook in de kassen. Foerageergebied in de directe omgeving van een potentiele verblijfplaats vergroot de kans dat een ruimte als verblijfplaats wordt gebruikt. Vanwege de mogelijk geschikte verblijfplaatsen en de foerageerplekken in het plangebied, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten.
Voorbeeld van een kier in schuur 1 die geschikt kan zijn als verblijfplaats voor vleermuizen.
4.2.5.2
Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. Echter, deze zijn niet groot genoeg om al geschikt te zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Wel staan grote bomen aan de west- en zuidzijde rond het plangebied. Deze zijn groot genoeg om holtes, of andere mogelijkheden te bevatten. Ten tijde van het veldbezoek zat het blad aan de bomen en kon niet goed beoordeeld worden of deze aanwezig waren. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze bomen kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten.
23
De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort
4.2.5.3
Kraamverblijf
Zomerverblijf
Paarverblijf
Winterverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
x
Ruige dwergvleermuis
-
x
x
x
Laatvlieger
x
x
x
x
Meervleermuis
-
-
-
-
Gewone grootoorvleermuis
x
x
x
-
Watervleermuis
x
x
-
-
Rosse vleermuis
x
x
x
x
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Het plangebied omvat meerdere hectare met kleinschalig, verlaten en overwoekerd terrein dat aan de west- en zuidzijde door robuuste bomenrijen wordt omzoomd. Dergelijk terrein is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Gezien de grootte en de geschiktheid van het terrein kan er ook een groot aantal vleermuizen foerageren. Vergelijkbare terreinen zijn in de omgeving van het plangebied ook niet aanwezig. Derhalve kan op voorhand niet uitgesloten worden dat in het plangebied sprake is van een essentieel foerageergebied.
4.2.5.4
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd.
24
In het plangebied zelf zijn geen doorgaande lijnvormige elementen aanwezig. Echter, aan de west- en zuidzijde om het plangebied zijn wel robuuste bomenrijen aanwezig die ook verder doorlopen. Ze sluiten ook aan op de lintbebouwing in de omgeving, waar vleermuizen waarschijnlijk verblijfplaatsen zullen hebben. De kans is dan ook reeel dat deze bomenrijen als vliegroute gebruikt worden. In de directe omgeving lijken geen vergelijkbare alternatieven te zijn. Het is dan ook op voorhand niet uit te sluiten dat deze bomenrijen als essentiële vliegroutes gebruikt worden. Met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling zou sprake kunnen zijn van verstoring vanuit het plangebied op deze bomenrijen. Nader onderzoek hiernaar is dan ook noodzakelijk. 4.2.6
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen geen reptielsoorten in de buurt van het plangebied voor. Het plangebied vormt over het algemeen wel geschikt leefgebied voor de ringslang. Echter, deze soort komt in zijn geheel niet meer in Noord-Brabant voor. Nader onderzoek hiernaar is dan ook niet nodig.
4.2.7
Amfibieën
4.2.7.1
Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.
4.2.7.2
Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander en poelkikker in de buurt van het plangebied voor. Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden waar hij voorkomt in loof- of gemengde bossen, of kleinschalige landschappen met heggen of struwelen. Voortplanting vindt plaats in allerlei typen water, zolang het niet snelstro25
mend en niet rijk is aan vis (Goverse et al.). Wanneer de temperatuur ’s avonds boven de vijf graden komt trekken alpenwatersalamanders naar het voortplantingshabitat, meestal is dat rond half maart. Ze blijven hier dan tot en met juni. Half september hebben ook de larven het voortplantingswater verlaten. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. Ze zijn dan te vinden onder hout, stenen, bunkers of in niet bewoonde holen van knaagdieren (Creemers & van Delft, 2009). De sloten in het plangebied (voornamelijk de zuidelijke sloot) zijn smal en bevatten relatief weinig water. Er zullen dan ook niet veel grote vissen in aanwezig zijn. In ieder geval in de zuidelijke sloot is ook sprake van kwel. De waterkwaliteit zal daarom relatief goed zijn. Daarom kan op voorhand niet uitgesloten worden dat deze amfibiesoort de sloten in het plangebied als voortplantingswater gebruiken. Verder zijn in het plangebied voldoende mogelijkheden om er te overwinteren. Al met al kan de aanwezigheid van deze soort in het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten.
In de zuidelijke sloot in het plangebied is sprake van kwel, een indicatie voor een relatief goede waterkwaliteit.
Heikikker De heikikker komt voor in hoogveen, vochtige heide, voedselarme tot matig voedselrijke vennen, in laagveengebieden, beekjes en andere waterpartijen, blauwgraslanden, broek- en ooibossen, beek- en rivierdalen, uiterwaarden en de vochtige duinen van Texel en Schouwen. In de veenweidegebieden en in het rivierengebied komt de soort ook in extensief beheerd agrarisch grasland voor(BIJ12 2017f). Dieren trekken afhankelijk van de temperatuur meestal eind februari of begin maart naar het voortplantingsbiotoop.(Creemers & van Delft 2009). Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie (Creemers & van Delft 2009, Goverse et al., 2015). De meeste eieren worden in maart en soms in april gelegd. Na de ei-leg verlaten de dieren het water. De juvenielen verlaten het water in juni. De dieren overwinteren op het land van eind oktober tot begin maart ingegraven op vorstvrije plekken.(BIJ12 2017f,Creemers & van Delft 2009). In het plangebied is agrarisch grasland aanwezig. Echter, het plangebied ligt op de zandgronden en niet in de veenweidegebieden of het rivierengebied. Voor deze soort is geschikt leefgebied dan ook niet aanwezig in het plangebied of de omgeving. Nader onderzoek naar deze soort is dan ook niet noodzakelijk.
26
Kamsalamander De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met bossen, heggen en struwelen. Dieren trekken half maart naar het voorplantingsbiotoop dat bestaat uit matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Een poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. De soort heeft een leefgebied in een straal van 300 tot 500 meter rond het voortplantingswater en overwintert tussen november en februari op vorstvrije locaties onder takenstapels of stenen. Sommige kamsalamanders blijven gedurende het hele jaar in het water (Creemers & van Delft 2009, Goverse et al. 2015). In de omgeving van het plangebied zijn meerdere poelen aanwezig. Tijdens het veldbezoek is de poel direct ten noorden van het plangebied bekeken. De poel lijkt niet geschikt voor de kamsalamander, aangezien onderwatervegetatie ontbreekt en deze vrijwel geheel beschaduwd is door omringende elzen. Verder naar het noorden zijn nog meer poelen aanwezig. Deze zijn tijdens het veldbezoek niet bezocht. Twee daarvan zijn niet aangesloten op omringende sloten, lijken op basis van luchtfoto’s niet geheel beschaduwd te zijn en liggen binnen 500 meter van het plangebied. Verder zijn voldoende beschuttingsmogelijkheden tussen deze poelen en het plangebied aanwezig. Ook zijn hiertussen geen onoverkomelijke obstakels aanwezig.
Mogelijk gebruikt de kamsalamander deze poelen als voortplantingswater en daarmee kan het het plangebied als overwinteringshabitat gebruiken. Aanwezigheid van de kamsalamander in het plangebied is daarom op voorhand niet uit te sluiten. Poelkikker De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in bos, heide en hoogveen maar ook in graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen, uiterwaarden en op ruderaal terrein. De poelkikker wordt slechts zelden aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren. Hij heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een begroeide oeverzone. De soort is kritisch wat betreft de waterkwaliteit dat voedselarm en schoon moet zijn. De dieren kunnen grote afstanden afleggen en kunnen op grote afstanden van het water worden gevonden. De poelkikker overwintert op het land waar hij zichzelf ingraaft of gebruik maakt van muizenholletjes, houtstronken of stenen. De overwinteringsplaatsen liggen afhankelijk van het landschapstype binnen de 100 à 200 meter van het water (BIJ12 2017g; Creemers & van Delft 2009, Goverse et al. 2015). In het plangebied zijn grasland en slootjes aanwezig. In ieder geval in de zuidelijke sloot is sprake van kwel. Dit is een aanwijzing voor een goede waterkwaliteit. Verder is in de omgeving sprake van een relatief natuurlijke omgeving.
Daarom is de aanwezigheid van de poelkikker op voorhand in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek is noodzakelijk. 4.2.8
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In
27
het plangebied zijn enkele sloten aanwezig. Op basis van het veldbezoek is niet met zekerheid vast te stellen dat deze permanent watervoerend zijn. Overigens bevatten deze sloten niet veel onderwatervegetatie. Daarnaast zijn geen waarnemingen van deze soort in de buurt van het plangebied bekend. De aanwezigheid van de grote modderkruiper in het plangebied is dan ook niet te verwachten. 4.2.9
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.
4.3
Aanwezigheid houtopstanden In het plangebied zijn meerdere houtopstanden aanwezig. Het gaat hier dan om de zuidelijke plantage, noordwestelijke plantage en de houtopstand die ontstaan is binnen het onbegaanbare kassencomplex. Deze zijn allen groter dan duizend vierkante meter.
28
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
5.1
Mogelijke effecten op beschermde gebieden
5.1.1
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 3 kilometer afstand. Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt op een relatief groot terrein. Het is echter uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. De toekomstige situatie voor het plangebied is nog grotendeels onduidelijk. Wel is de kans groot dat er woningen gebouwd zullen worden. Over het aantal woningen is nog niks bekend. Derhalve dient van het worstcasescenario uitgegaan worden dat een groot aantal woningen gerealiseerd zal worden. Met de ruimtelijke ontwikkeling die uiteindelijk gaat plaatsvinden is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied op voorhand niet uit te sluiten. Mogelijk slaat deze extra stikstof neer op stikstofgevoelige gebieden in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Om te berekenen of hier daadwerkelijk sprake van is, dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Mocht blijken dat er sprake is van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebied door deze ontwikkeling, dan is vervolgens aanvullend onderzoek nodig.
Onderzocht dient dan te worden of de toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significant negatieve gevolgen voor beschermde natuurwaarden binnen Natura 2000-gebied.
5.1.2
Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op 1,2 kilometer afstand van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie NoordBrabant het begrip externe werking. Echter, gezien de aanzienlijke tussenliggende afstand is met de ruimtelijke ontwikkeling die uiteindelijk gaat plaatsvinden in het plangebied niet te verwachten dat de ecologische waarden en kenmerken van het NNN worden aangetast. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.2
Mogelijke effecten op beschermde soorten
5.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting
29
wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.
Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.
5.2.2
Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.
5.2.2.1
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van een veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.