2021-019770 Bijlage 8- Ecologisch-onderzoek-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
12. Ecologisch onderzoek, Draadslachtofferonderzoek en bepaling compensatieopgave Zuid-West 380 kV Oost Inhoudsopgave 1. E cologisch onderzoek beschermde flora en fauna Zuid-West 380 kV Oost
2
2. D raadslachtofferonderzoek Wet Natuurbescherming
105
3. Actualisatie methodiek NNB-compensatie Zuid-West 380 kV lijn Rilland-Tilburg
156
4. Bepaling compensatieopgave 380 kV-hoogspanningsverbinding Rilland – Tilburg
175
4
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST EU-204 Planologie en omgeving Zuid-West 380kV Oost Projectnummer TenneT: 002.678.20 Meridiannummer: 002.678.00 0855155 [VKA 1.1] TenneT T.S.O.
11 AUGUSTUS 2021
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Contactpersoon ARJEN GOUTBEEK Projectleider Natuur & Biodiversiteit
M +31 6 5433 6237 E Arjen.Goutbeek@Arcadis.com
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Doel rapportage
6
1.3
Leeswijzer
6
PROJECTOMSCHRIJVING
7
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
7
2.2
Werkzaamheden
8
METHODE
9
3.1
Inleiding
9
3.2
Bureauonderzoek
9
3.3
Oriënterend veldonderzoek
9
3.4
Veldonderzoek
11
3.4.1
Uitgangspunten
11
3.4.2
Soortspecifieke onderzoeken
11
3.4.3
Vleermuizen
15
3.4.4
Das en (kleine) marterachtigen
16
3.4.5
Roofvogelnesten en steenuil
16
3.4.6
Rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander
16
3.4.7
Levendbarende hagedis
17
3.4.8
Beschermde flora en insecten
17
3.4.9
Vissen
18
3.5
Status gegevens en rapport
18
RESULTATEN
20
4.1
Vleermuizen
20
4.1.1
Verblijfplaatsen
20
4.1.2
Soortonderzoek
20
4.1.3
Veldbezoek 26 juni 2020
22
4.1.4
Veldonderzoek 2021
22
4.2
Das
23
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
3 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
5
4.2.1
Veldonderzoek 2019
23
4.2.2
Aanvullingen 2021
23
4.3
Vogels
25
4.3.1
Roofvogels
25
4.3.2
Steenuil
27
4.3.3
Algemene broedvogels
29
4.3.4
Veldbezoek 26 juni 2020
29
4.4
Amfibieën
29
4.4.1
Rugstreeppad
29
4.4.2
Alpenwater- en vinpootsalamander
30
4.4.3
Amfibieën Huis ter Heide
30
4.5
Reptielen
31
4.6
Beschermde flora en insecten
32
4.6.1
Algemeen
32
4.6.2
Bruine eikenpage
34
4.6.3
Rode bosmieren
34
4.7
Grote modderkruiper
35
4.8
Samenvatting
36
EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSING
37
5.1
Effectbeschrijving
37
5.1.1
Vleermuizen
37
5.1.2
Das
38
5.1.3
Buizerd en havik
39
5.1.4
Overige broedvogels
41
5.1.5
Rugstreeppad
41
5.1.6
Amfibieën Huist ter Heide
42
5.1.7
Levendbarende hagedis
42
5.1.8
Beschermde insecten
44
5.1.9
Grote modderkruiper
44
5.1.10
Rode lijst soorten
45
5.2
Toetsing
46
5.3
Mitigerende en compenserende maatregelen en zorgplicht
47
5.3.1
Vleermuizen
48
5.3.2
Das
48
5.3.3
Buizerd en havik
49
5.3.4
Algemene broedvogels
49
5.3.5
Rugstreeppad
49
5.3.6
Amfibieën Huis ter Heide
50
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
4 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
6
5.3.7
Levendbarende hagedis
50
5.3.8
Grote modderkruiper
51
5.3.9
Aanvullende zorgplicht maatregelen Rode lijst-soorten
51
5.3.10
Overige maatregelen zorgplicht
52
CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN
53
6.1
Effectiviteit maatregelen
53
6.2
Ontheffing
54
6.3
Nader onderzoek
55
BIJLAGEN BIJLAGE A WIJZIGINGEN TRACE
57
BIJLAGE B RESULTAAT ORIËNTEREND VELDBEZOEK
64
BIJLAGE C RESULTAAT VLEERMUISONDERZOEK
71
BIJLAGE D GEGEVENS ONDERZOEKSMETHODIEK
72
BIJLAGE E ONDERZOEKSMETHODE EN PROTOCOL E-DNA
74
COLOFON
75
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
5 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Om de levering van stroom in de toekomst te kunnen garanderen, is er behoefte aan uitbreiding van het bestaande elektriciteitsnet. Een van de projecten die hier aan bij moet dragen is de realisatie van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg: Zuid-West 380 kV. Deze verbinding transporteert elektriciteit van productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380 kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit. De besluitvorming over het project en realisatie ervan vindt in verschillende onderdelen plaats: • De besluitvorming over het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland is achter de rug; dit station is inmiddels gebouwd. • Over het deel van de verbinding tussen Borssele en Rilland heeft besluitvorming plaatsgevonden; de aanleg van dit gedeelte van de verbinding is momenteel in voorbereiding en wordt uitgevoerd. • Momenteel vindt besluitvorming plaats over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg; de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid. • De planvorming van de verbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden.
Om de hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg mogelijk te maken wordt een Rijksinpassingsplan voorbereid door de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK). In de aanloop naar dit Rijksinpassingsplan en voor het MER zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In de voorbereiding van het opstellen van dit inpassingsplan vindt overleg plaats met onder andere gemeenten en andere belanghebbenden. Voorliggende rapportage dient als onderbouwing voor het inpassingsplan. Dit document betreft het onderzoek naar aanwezigheid en effecten op beschermde flora en fauna uit de Wet natuurbescherming.
1.2
Doel rapportage
Onderhavig onderzoek richt zich op de mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Het gaat hierbij om de werkzaamheden en ingrepen die nodig zijn voor de realisatie, zoals de aanleg van (tijdelijke) bouwterreinen en -wegen, het bouwvlak van de masten en onderhoudswegen en andere eenmalige ingrepen die nodig zijn voor het oprichten van de nieuwe verbinding. Dit is inclusief de werkzaamheden of ingrepen die hieraan voorafgaand nodig zijn, zoals kap of snoei van opgaande vegetaties en bos en die nodig zijn voor het aanbrengen van de nieuwe lijnen (de draden die tussen de masten hangen). Ook het verdwijnen van nestplaatsen in de te verwijderen masten valt onder de effecten die relevant zijn voor dit onderzoek. Onderhavige rapportage levert tevens een bijdrage aan de onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag (of het ontbreken van de noodzaak hiervoor) voor de aanleg van de hoogspanningsverbinding. De effecten van de aanwezigheid van de nieuwe verbinding op vogelpopulaties, als gevolg van aanvaringsslachtoffers met de draden, valt niet onder dit onderzoek. Dit is apart onderzocht in het draadslachtofferonderzoek (Arcadis 2021). Voorafgaand aan dit soortgerichte onderzoek is een bureauonderzoek en oriënterend veldonderzoek uitgevoerd (zie ook paragraaf 3.2 en 3.3): • Arcadis, 2019.
Bureauonderzoek Ecologie Zuidwest 380kV Oost. Ecologische onderzoek 4.3a. • Arcadis, 2019. Resultaat Oriënterend Veldonderzoek.
1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ingreep gegeven. In hoofdstuk 3 zijn de methoden van onderzoek beschreven en in hoofdstuk 4 volgen resultaten van het onderzoek. Hoofdstuk 5 bevat de effectbeschrijving en toetsing van deze effecten aan de Wet natuurbescherming. Tot slot volgt in hoofdstuk 6 de conclusie. Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
6 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
2
PROJECTOMSCHRIJVING
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
TenneT voorziet in een nieuwe 380 kV-verbinding. Het realiseren van de nieuwe verbinding gaat gepaard met het combineren, aanpassen en amoveren van bestaande verbindingen. Hierin is echter niet over de volledige lengte van het tracé eenzelfde aanpassing gemaakt, maar leiden verschillende bestaande situaties tot verschillende inrichtingen. In Figuur 1 is een overzicht van 15 onderscheidende situaties weergegeven. De onderscheidde deelverbindingen zijn gekozen op basis van landschapsmorfologie. Hieronder volgt een samenvatting van deze 15 onderscheidende situaties, in Bijlage A staat de meer uitgebreide beschrijving per deeltracé: 1. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 2. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd; 150 kV komt gedeeltelijk in ander kabelbed. 3. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 4. Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding (150 kV) wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. Daarnaast wordt een nieuwe verbinding 380kV gerealiseerd. 5. Huidige hoogspanningsverbindingen blijft gehandhaafd en een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. 6. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd.
De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd met nieuwe 380kV en de oude verbinding wordt geamoveerd. 7. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100 meter vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380 kV-verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 8. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk gebeurt met een korte kabelverbinding. 9. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk en Zevenbergschenhoek gebeurt met een korte kabelverbinding. 10. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100 meter vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380 kV-verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met een gelijk aantal draden. 11. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Tijdelijk zal er op een afstand van maximaal 100m vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380 kV verbinding worden gerealiseerd t.b.v. de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding, er wordt slechts één zijde van de verbinding tijdelijk omgelegd. 12. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding naar Roosendaal en Tilburg West wordt gecombineerd en de oude verbindingen worden geamoveerd. De verbinding naar Breda (haakse kruising) wordt gedeeltelijk verkabeld. 13. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. 14. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Er worden kabels aangelegd richting Oosteind en Tilburg-West en amoveren verbinding tot aan Tilburg-West.
15. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV-verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
7 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 1: Overzicht nieuwe hoogspanningsverbinding Zuid-West 380kv-Oost tussen Rilland en Tilburg.
2.2
Werkzaamheden
De werkzaamheden vinden niet tegelijkertijd over de gehele lengte van het tracé plaats. Op één of meerdere locaties wordt gewerkt en de werkzaamheden schuiven vervolgens langs het tracé. Niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde, zijn de werkzaamheden als volgt: • Vrijmaken ruimte voor tijdelijke wegen en bouwterrein, sloop en bouw van verbindingen. • Bouw nieuw 150kV hoogspanningsstation; • Aanpassingen aan bestaande 150kV hoogspanningsstation; • Uitvoeren boring: • • • • •
Open ontgravingen voor ondergrondse kabelverbinding; Bouw nieuwe gecombineerde verbinding: • • • • • • • • • •
•
Aanleggen werkwegen en werkterrein (geotextiel/tijdelijke verharding) per mast. Aanbrengen funderingspalen (mogelijk door heien). Ontgraven bouwput per mast. Aanbrengen fundering. Aanvoer mast in delen. Plaatsen van masten met een kraan. Aanbrengen isolatoren. Indien nodig bouwen van jukken. Aanbrengen trekdraad. Intrekken geleiders.
Indien van toepassing: sloop verbinding: • • • • • •
•
Aanleg van intrede- en uittredepunt. Uitleggen buis. Bij het afpompen bij het in- en uittredepunt wordt water meteen teruggebracht in het gebied waardoor de grondwaterstand niet daalt.
Verwijderen geleiders. Demonteren masten. Afvoeren masten. Vrijleggen mastvoeten (graven). Verwijderen bovenste deel fundering (tot 2 m diepte). Aanvullen gaten rond mastvoeten/herstel bouwvoor.
Opruimen: • • •
Verwijderen tijdelijke verharding en geotextiel. Herstel oude maaiveld, watergangen en dergelijke. Eventueel inzaaien.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
8 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
3
METHODE
3.1
Inleiding
Het onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd in vier fases: 1. In de eerste plaats is in 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij een beeld is gevormd op welke locaties beschermde soorten verwacht worden of de kans op beschermde soorten groot is op basis van aanwezig leefgebied. 2. Vervolgens is begin 2019 een algemeen, oriënterend veldonderzoek uitgevoerd over de gehele lengte van het tracé. Op basis van de gegevens uit stap 1 en de situaties ter plaatse, zijn de locaties waar de kans op beschermde soorten groot is, onderscheiden. Hierbij is gelet op de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Dit heeft geleid tot een inventarisatie van mogelijke leefgebiedfuncties voor deze beschermde soorten in delen van het plangebied. 3. Op basis van stap 1 en 2 is in de potentieel geschikte delen van het plangebied in 2019 gericht onderzoek uitgevoerd naar de soort(groep)en vleermuizen, das, roofvogels, steenuil, rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander, flora en insecten. 4. Aanvullend op de verzamelde gegevens in de stappen 1, 2 en 3, zijn in 2020 en 2021 enkele gerichte aanvullingen gedaan of is informatie beschikbaar gekomen die niet voortkwam uit bovenstaande gegevens. Dit wordt waar relevant benoemd in de betreffende soortbeschrijvingen. Navolgend wordt eerst de methode van de onderzoeken nader toegelicht, waarna de resultaten worden besproken.
3.2
Bureauonderzoek
Bij het bureauonderzoek is gekeken naar bestaande verspreidingsgegevens, potentieel leefgebied op basis van luchtfoto’s en de locatie van de masten. Hiertoe zijn de volgende stappen doorlopen: • De locaties van de nieuwe en te amoveren masten zijn op kaart gezet; • Deze kaarten zijn gecombineerd met gegevens uit de NDFF (Nederlandse Database Flora- en Fauna) uit de periode 2015 – 2018; Op deze manier is een zo compleet mogelijk beeld gegenereerd van de (potentiële) verspreiding van beschermde soorten in en rond het plangebied.
3.3
Oriënterend veldonderzoek
Het oriënterend veldonderzoek is uitgevoerd van 9 tot en met 11 januari 2019. Het onderzoek richt zich vooral op verificatie van het bureauonderzoek, om zo te bepalen of en waar soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden. Het oriënterend onderzoek is over de volledige lengte van de tracés (nieuwe en oude hoogspanningsverbinding) uitgevoerd. Op locaties waar uit het bureauonderzoek volgt dat de kans op beschermde soorten groot is, is specifiek gekeken naar de daadwerkelijke aanwezigheid van potentiële waarden voor beschermde soorten. Dit betreft de volgende locaties: • Mastlocaties die niet in agrarisch gebied liggen. • Locaties waar sprake is van doorsnijding van opgaand groen of niet-agrarische gebieden door de lijnen. De uitkomst van het oriënterend veldbezoek is een overzicht van mastlocaties en tracéonderdelen waar mogelijk beschermde soorten voorkomen of dat leefgebied vormt van deze beschermde soorten (Tabel 1). De complete lijst is opgenomen in Bijlage B. Op basis van het oriënterend veldonderzoek is bepaald waar nader soort specifiek onderzoek uitgevoerd moest worden. Daarbij is ervan uitgegaan dat in gebieden waar aanwezigheid vanuit verspreidingsgegevens bekend is, nader onderzoek niet relevant is. De locaties waar de aanwezigheid van beschermde soorten is uitgesloten zijn niet nader onderzocht.
NB: De gegevens en resultaten zijn gebaseerd op de kennis die met het bureauonderzoek 2018 zijn verzameld. De aanvullende kennis uit 2020 en 2021 is hierin niet verwerkt.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
9 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Tabel 1: Resultaat oriënterende onderzoek, weergegeven zijn de locaties waar beschermde soorten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. De complete lijst is opgenomen in Bijlage B Deelgebied
Nader te onderzoeken
Deelgebied
Nader te onderzoeken
1-2
Roofvogelnesten en marters
115-117
Roofvogelnesten, steenuil en amfibieën
3
Vliegroute vleermuizen
4-6
Marters
122
Grote modderkruiper
9-10
Roofvogelnesten en marters
125-127
Grote modderkruiper, rugstreeppad, weidevogels
12-15
Roofvogelnesten en marters
144-146
Roofvogelnesten en marters
16
Roofvogelnesten, marters en grote modderkruiper
151-155
Steenuil, marters en vliegroute vleermuizen
Broedvogels, roofvogelnesten, marter, amfibieën, reptielen en grote modderkruiper
164
Vliegroute vleermuizen
17-22
168
Steenuil, marters, grote modderkruiper en vliegroute vleermuizen
178-181
Roofvogelnesten en amfibieën
182
Roofvogelnesten, steenuil en reptielen
183-193
Flora
194-196
Roofvogelnesten, eekhoorn, vleermuizen en vlinders
23
Rugstreeppad en levendbarende hagedis
24-25
Reptielen en amfibieën
26-35
Roofvogelnesten, marters, reptielen en vleermuizen
36
Vliegroute vleermuizen
40
Roofvogelnesten en amfibieën
43
Roofvogelnesten
47
Steenuil en amfibieën
52-56
Steenuil, marters en grote modderkruiper
58-59
Steenuil
70-71
Vliegroute vleermuizen
75
Roofvogelnesten
78
Grote modderkruiper
81 & 83
Roofvogelnest
89-90
Eekhoorn
97-103
Roofvogelnesten, marters, steenuil, reptielen en vleermuizen
104-106
Roofvogelnesten, grote modderkruiper en vleermuizen
111
Steenuil en amfibieën
112-114
Marters, steenuil en grote modderkruiper
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
10 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
3.4
Veldonderzoek
3.4.1
Uitgangspunten
Ten tijde van het oriënterend veldonderzoek waren specifieke gegevens van de werkzaamheden, zoals de exacte mastlocaties, wijze van aanleggen of bijbehorende werkwegen nog niet volledig bekend. De volgende uitgangspunten zijn daarom gehanteerd: • Bij de aanvang van het onderzoek in 2018 is het uitgangspunt gehanteerd dat masten of werkwegen niet in waterelementen (agrarische perceelsloten, doorgaande watergangen, poelen et cetera) komen te staan en geen (volledige) watergangen gedempt worden. Bij de verdere detaillering in de uitwerking van het tracé (in 2020 en 2021) is gebleken dat op diverse plekken wel in waterelementen gewerkt moet worden. Zowel enkele mastposities als werkwegen komen in of kruisen watergangen. Daarmee zijn negatieve effecten op vissoorten niet volledig op voorhand meer uit te sluiten. Effectief geldt dit alleen voor het gebied nabij Moerdijk, waar het tracé het verspreidingsgebied van grote modderkruiper kruist. Om zekerheid over aanwezigheid en verspreiding te krijgen, met name omdat grote modderkruiper binnen beschikbaar areaal ook in atypisch leefgebied kan opduiken, is in het genoemde gebied in het voorjaar van 2021 onderzoek naar aanwezigheid van grote modderkruiper uitgevoerd middels de methode eDNA. Hierbij zijn watergangen bemonsterd, waarna de watermonsters in een laboratorium onderzocht zijn op DNA-sporen van grote modderkruiper.
• De verbinding door het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is gewijzigd van een bovengrondse lijnverbinding naar een ondergrondse kabelverbinding die middels een boring wordt gerealiseerd. Hierdoor zijn effecten over het gehele tracé ter hoogte van de Brabantse Wal op voorhand uit te sluiten (o.a. effecten op roofvogelnesten, reptielen en vleermuizen). • In mei en augustus 2020 en februari en zomer 2021 zijn op enkele locaties wijzigingen in het tracé doorgevoerd, waardoor een deel van het tracé buiten het oorspronkelijke onderzoeksgebied van 2019 is komen te liggen. Deze plekken zijn in 2020 en 20211 apart bezocht om te onderzoeken of in die delen beschermde flora en fauna voorkomt of voor kan komen en zo ja, of het plan kan leiden tot negatieve effecten (verstoring of aantasting leefgebied). Dit om te bepalen of de tracéaanpassingen nog kunnen leiden tot andere conclusies dan die op basis van het soortgerichte onderzoek uit 2019. Wanneer beschermde soorten aangetroffen zijn of er aanwijzingen zijn die duiden op aanwezigheid, is dit bij de betreffende soorten benoemd. Niet alle wijzigingslocaties zijn apart beschreven. Op enkele kaarten wordt wel onderscheid gemaakt in onderzoeksgebied (het gebied dat in 2019 geheel onderzocht is) en de aangepaste tracélocaties.
3.4.2
Soortspecifieke onderzoeken
Op basis van de verdere detaillering van het tracé en de benodigde werkzaamheden voor aanleg van de verbinding, is de onderzoeksinspanning voor het soortgericht onderzoek bepaald. Dit heeft geresulteerd in nader veldonderzoek in 2019 naar de onderstaande soorten of soortgroepen: • Vleermuizen: Gericht onderzoek naar potentiële verblijfplaatsen en aanwezige soorten in het natuurgebied Huis ter Heide (zie Figuur 2). • Das: Gericht onderzoek in het bekende leefgebied in natuurgebied Huis ter Heide (zie Figuur 3). • Roofvogelnesten en steenuil: gericht onderzoek in bekend verspreidingsgebied (zie Figuur 4 en Figuur 5). • Amfibieën: Gericht onderzoek naar rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander (zie Figuur 6). Voor rugstreeppad is het uitgangspunt geweest dat Huis ter Heide bekend leefgebied is, waardoor dit deel van het tracé niet nader is onderzocht op deze soort. • Knoflookpad, kamsalamander, heikikker: Soortgericht veldonderzoek is niet uitgevoerd, aanwezigheid en verspreiding in Huis ter Heide, deels door herintroductie, is bekend; • Reptielen: Onderzoek naar het leefgebied van levendbarende hagedis in het natuurgebied Huis ter Heide. Aangezien aanwezigheid bekend is, is soortgericht onderzoek hier niet uitgevoerd, wel is potentieel geschikte leefgebied in kaart gebracht.
Aanwezigheid van zandhagedis, hazelworm, adder en ringslang is op basis van de landelijke verspreiding niet aannemelijk en niet nader onderzocht. • Beschermde flora en insecten: Onderzoek waarbij gericht is gezocht op potentiële groeiplaatsen en geschikt leefgebied in met name Huis ter Heide, gezien de geschiktheid met onder andere extensief begraasde en kruidenrijke graslanden (zie Figuur 7). In de zomer van 2021 is een specifieke aanvulling
1 26 juni en 12 augustus 2020 en februari, mei, juni, juli en augustus 2021
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
11 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
gedaan naar het voorkomen van bruine eikenpage op een oude vliegplaats in het bosgebied van Huis ter Heide. Dit staat niet op Figuur 7 vermeld.
Figuur 2: locaties waar in 2019 onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
12 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 3: locaties waar in 2019 onderzoek naar das is uitgevoerd.
Figuur 4: locaties waar in 2019 onderzoek naar roofvogelnesten is uitgevoerd. Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
13 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 5: locaties waar in 2019 onderzoek naar steenuil is uitgevoerd.
Figuur 6: locaties waar in 2019 onderzoek naar rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander is uitgevoerd. Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
14 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 7: Locaties waar in 2019 onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde insecten en flora is uitgevoerd.
3.4.3
Vleermuizen
Het uitgangspunt in het onderzoek naar vleermuizen is dat lijnelementen (singels, wegbeplanting, bomenlanen e.d.) die als vliegroute gebruikt kunnen worden, ook na de doorsnijding deze functie blijven behouden. Hierbij is het van belang dat onder de nieuwe lijn opgaande vegetatie behouden blijft of hersteld wordt. De maximale hoogte van vegetatie (bomen en struweel) onder een hoogspanningslijn (enkele meters) is ruim voldoende om voor vleermuizen als geleiding te kunnen (blijven) fungeren. Hierdoor is alleen veldonderzoek uitgevoerd in het oostelijke deel van het tracé (Huis ter Heide). Door de omvang van het plangebied is onderzoek conform het Vleermuisprotocol (versie 2017) onuitvoerbaar (dit protocol is hoofdzakelijk gericht op onderzoek in de bebouwde kom). Voor het onderzoek is een alternatieve onderzoeksmethode opgesteld. Hiervoor zijn de volgende onderzoekstappen doorlopen: • Als eerste is binnen het plangebied en specifiek binnen de te kappen zone (grotendeels gebaseerd op de ZRO-strook), een inventarisatie van boomholtes uitgevoerd. Hierbij is een groot deel van het bos onderzocht. Met name de representatieve en meest potentieel geschikte bospercelen, alle lanen en de bomen langs de bospaden zijn onderzocht op potentieel geschikte holtes.
• Vervolgens zijn voor het hele bosgebied drie representatieve bospercelen (verschillende bostypen) geselecteerd, bestaande uit: • • •
Open naaldbos gemengd met enkele loofbomen; Dicht dennenbos; Open loofbos afgewisseld met open plekken.
Op deze drie locaties zijn plots van 50 x 50 meter uitgezet2 waarbinnen alle vegetatie is ingetekend en onderzocht. De bomen zijn volledig onderzocht op potentieel geschikte holtes, scheuren en overige geschikte verblijfplaatsen (zoals loszittende bast).
2
Het veldonderzoek heeft hierbij plaatsgevonden op 5 juni 2019
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
15 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
•
• •
Tot slot is het bosgebied ‘s nachts geïnventariseerd 3 op vleermuissoorten en hoe deze vleermuizen gebruik maken van het bos. De inventarisatie-omstandigheden zijn opgenomen in Bijlage D - Tabel 11. Door het onderzoek naar verblijfplaatsen te combineren met soortgericht onderzoek, is een zo volledig mogelijk beeld over de soorten, de geschiktheid en het gebruik van het bosgebied gecreëerd. Het veldbezoek is door vier waarnemers gelijktijdig uitgevoerd om per keer een zo goed mogelijk dekkend beeld te krijgen in een relatief onoverzichtelijk bos. Aanvullend zijn tijdens het veldbezoek op 26 juni 2020 op enkele plekken bomen aangetroffen met potentieel geschikte holtes. Deze gebieden worden apart benoemd in het volgende hoofdstuk. De tracéwijziging van februari 2021 in Huis ter Heide (bosroute) betekende dat een deel van het bos doorkruist wordt dat niet eerder onderzocht is zoals hierboven beschreven. Omdat de boomsoortensamenstelling van dit perceel afwijkt van het onderzochte bos (meer loofbomen: zomereik, Amerikaanse eik en beuk) in plaats van hoofdzakelijk naaldbomen, is dit perceel aanvullend onderzocht op een verglijkbare wijze als de rest van het bos. In februari 2021 is het bosperceel onderzocht op boomsoort en aanwezigheid van potentieel geschikte holtes. In mei en juni 2021 is dit bosperceel geïnventariseerd op vleermuisactiviteit en -soorten.
3.4.4
Das en (kleine) marterachtigen
Boommarter en steenmarter worden in het overgrote deel van het onderzoeksgebied niet verwacht, gezien het ontbreken van oud loofbos of ander geschikt leefgebied binnen het tracé. Uit het bos van Huis ter Heide zijn beide soorten wel bekend (mededeling Natuurmonumenten, 2021). Bij de veldonderzoeken is gelet op mogelijke sporen die wijzen op aanwezigheid van verblijfplaatsen of actief gebruik van het plangebied. Voor alle marterachtigen is tevens het uitgangspunt dat na de werkzaamheden geen permanente afname van leefgebied is, doordat de begroeiing onder de nieuwe hoogspanningsmasten waar mogelijk wordt gehandhaafd, terug kan keren of wordt hersteld. Enkel naar de das is gericht onderzoek uitgevoerd. Middels een bureauonderzoek zijn de recente verspreidingsgegevens geanalyseerd en is een habitatbeoordeling gemaakt. Op basis van deze gegevens is alleen langs het tracé in het bosgebied van Huis ter Heide onderzoek gedaan naar sporen (haren, wissels en burchten).
3.4.5
Roofvogelnesten en steenuil
De geïnventariseerde deelgebieden voor roofvogelnesten zijn in Figuur 4 weergegeven. Op 6, 19 en 28 maart 2019 zijn deze drie deelgebieden gecontroleerd op sporen of individuen die wijzen op een bezet territorium van roofvogelsoorten met jaarronde beschermde nesten zoals buizerd en havik. Op 4 juni is het deelgebied Huis ter Heide aanvullend gecontroleerd op activiteit van roofvogels tijdens een inventarisatie van boomholtes. Aanvullend is tijdens het veldbezoek op 26 juni 2020 gelet op activiteit van roofvogels nabij poteniele geschikte broedplekken. Horsten konden niet meer getraceerd worden door de inmiddels dichte kronen van bos en bomen. Deze gebieden worden apart benoemd in het volgende hoofdstuk. Voor steenuil is in de vier deelgebieden onderzoek uitgevoerd conform het Kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017). Hierbij zijn drie onderzoekrondes uitgevoerd, tenzij bij de eerste of tweede ronde aanwezigheid al vast is gesteld (zoals een territorium of bezette nestkast). Per deelgebied zijn alle potentieel geschikte broedplaatsen (schuren, boerderijen, knotwilgen, bomenrijen en bomen met holtes) onderzocht. In Tabel 12 tot en met Tabel 15 van Bijlage D zijn de data en veldcondities opgenomen.
3.4.6
Rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander
Voor rugstreeppad zijn twee veldbezoeken uitgevoerd gedurende de voortplantingsperiode. Bij potentieel geschikte poelen nabij Bergen op Zoom en nabij Hoge Zwaluwe is geluisterd en getaped (afspelen van rugstreeppaddengeluid om activiteit op te roepen). Rugstreeppad is vooral ’s nachts actief bij specifieke 3
Met onder andere gebruik van een batdetector D240x met opname funtie
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
16 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
weersomstandigheden, zoals relatief warme en windstille avonden en nachten. De inventarisatiemomenten zijn zo gekozen dat de weersomstandigheden zo optimaal mogelijk waren. In Tabel 16 en Tabel 17 van Bijlage D zijn de data en veldcondities opgenomen. Voor het onderzoek naar Alpenwater- en vinpootsalamander zijn twee veldbezoeken uitgevoerd gedurende de voortplantingsperiode bij potentieel geschikte poelen nabij Bergen op Zoom middels scheppen en het schijnen met een zaklamp. In Tabel 18 van Bijlage D zijn de data en veldcondities opgenomen.
3.4.7
Levendbarende hagedis
Door middel van een habitatbeoordeling en de bekende verspreidingsgegevens is bekend waar de levendbarende hagedis voorkomt en gespecificeerd waar dit leefgebied ligt (alleen in Huis ter Heide).
3.4.8
Beschermde flora en insecten
Het onderzoek is gericht op vlinder- en libellensoorten en eventuele waardplanten van vlinders, waarbij voor libellen het onderzoek vooral gericht is op extensief begraasde vegetaties met vennetjes. Bij de inventarisatie is al zigzaggend tussen en onder de mastposities 1192 t/m 1205 en 47N t/m 59N en de te amoveren masten GT-EHV380 053 t/m 058 tot ca. 100 meter aan beide kanten van de trajecten (waar mogelijk) geïnventariseerd. Voor insecten is ook nabij het traject bij geschikte vlieglocaties geïnventariseerd. De inventarisaties voor flora en insecten zijn gecombineerd en in Tabel 19 van Bijlage D zijn de datum en veldcondities opgenomen. In het gebied Huis ter Heide ligt onder het tracé een oude vliegplaats van bruine eikenpage, het halfopen bos net ten zuiden van de Bergstraat, ter hoogte van de parkeerplaats (Figuur 8). Hoewel de laatste waarnemingen meer dan 15 jaar oud zijn (mededeling Natuurmonumenten 2021), is hier door Natuurmonumenten geen recent onderzoek uitgevoerd. Tevens is de soort nog wel bekend van de Loonse en Drunense duinen ten oosten van het plangebied. Om zekerheid te verkrijgen over aanwezigheid is in juni, juli en augustus 2021 aanvullend onderzoek naar deze soort uitgevoerd. In Tabel 20 van Bijlage D zijn de datum en veldcondities opgenomen.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
17 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 8 Voormalige vliegplaats bruine eikenpage ten zuiden van de Bergstraat.
3.4.9
Vissen
Het onderzoek naar grote modderkruiper is uitgevoerd door het bemonsteren van watergangen op DNAsporen van deze soort, zogenaamd environmental DNA of eDNA. Hierbij worden van de te onderzoeken watergang watermonsters genomen die vervolgens in een laboratorium onderzocht worden op aanwezigheid van DNA van grote modderkruiper. Wanneer de soort aanwezig is (geweest) in de watergang blijven kleine sporen achter van uitwerpselen, de huid et cetera. Deze kunnen middels het eDNA-onderzoek opgespoord worden (Bijlage E). Voor grote modderkruiper is gebruik gemaakt van de methode soort-specifieke eDNA analyse. Dit is een snelle, zeer gevoelige methode om eDNA van een specifieke soort aan te tonen. De detectie vindt plaats door middel van kwantitatieve PCR (qPCR). Soort-specifieke detectie wordt het meest toegepast op watersamples, bodemsamples en keutels (Datura, 2021). Op basis van de bekende verspreiding, zijn in het gebied tussen Zevenbergen en Geertruidenberg 41 locaties bemonsterd. Het gebied direct ten oosten van de A59 bij Zevenbergsche Hoek is niet onderzocht, uit deze polder is het voorkomen van grote modderkruiper bekend uit de NDFF. De gegevens zijn verzameld op 31 maart en 7 april 2021. De monsters zijn vervolgens door het bedrijf Datura onderzocht op het voorkomen van sporen van grote modderkruiper.
3.5
Status gegevens en rapport
De onderzoeken en gegevens die in deze rapportage opgenomen en beschreven zijn, dateren hoofdzakelijk uit 2018 en 2019 met enkele aanvullingen uit 2020 en 2021. De soortgerichte veldonderzoeken in 2018 en 2019 zijn bepaald aan de hand van de gegevens die in op dat moment vrij beschikbaar waren via onder ander de NDFF, het oriënterende veldonderzoek en op dat moment aangeleverde gegevens van derden. Een veldinventarisatie is een momentopname, nadien kan de situatie ter plaatse wijzigen, wat kan leiden tot vestiging van soorten, uitbreiding van populaties of het verschuiven van leefgebieden. Een verdere detaillering van het plan kan tevens ertoe leiden dat locaties wel of juist niet meer aangetast worden. Ook kan nog informatie beschikbaar komen die bij de start van het onderzoek in 2018 nog niet beschikbaar was, Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
18 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
doordat het geen vrij beschikbare gegevens waren. Dit kan bijvoorbeeld gaan om gegevens van zeer zeldzame of kwetsbare soorten, waarvan aanwezigheid of verspreiding niet openbaar beschikbaar is om verstoring (door stroperij, fotografie, verzameling et cetera) te voorkomen. Door de lange doorlooptijd van planvorming van een dergelijke ingrijpend plan als de verbinding Zuid-West 380 kV Oost, is de periode tussen het moment van inventarisatie (met name 2019) en de daadwerkelijke uitvoering (huidige verwachte startmoment 2025) groot. Hierdoor zijn de verzamelde veldgegevens onderhevig aan veroudering en kunnen deze mogelijk niet meer een-op-een toegepast worden. Door populatiedynamiek (het verschijnen en verdwijnen van soorten en verblijfplaatsen) wordt gesteld dat gegevens ouder dan drie (kwetsbare of zeldzame soorten) tot vijf (algemene tot schaarse soorten) jaar niet meer voldoende representatief zijn (denk aan nieuw gebouwde nesten van vogels). Een actualisatie is veelal noodzakelijk voorafgaande aan de daadwerkelijke start van werkzaamheden die leiden tot aantasting van (leefgebied van) beschermde soorten. Voor de te onderzoeken soorten en soortgroepen en gebieden bij de actualisatie bieden de gegevens uit onderhavige rapportage een solide basis.
Om voldoende tijd te hebben om maatregelen te treffen wanneer de situatie gewijzigd is of nieuwe soorten zijn aangetroffen, dient de actualisatie minimaal een jaar voorafgaande aan de uitvoering uitgevoerd te worden.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
19 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4
RESULTATEN
4.1
Vleermuizen
4.1.1
Verblijfplaatsen
Het bos van Huis ter Heide bestaat hoofdzakelijk uit grove den en fijnspar met verspreid enkele loofbomen (met name zomereik). Naaldbomen zijn over het algemeen minder geschikt voor vleermuizen door de aanwezigheid van hars. Uit de boomholten/verblijfplaatsen-inventarisatie (stappen 1 en 2) blijkt dat er slechts een zeer beperkt aantal mogelijk geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. De zomereiken zijn nagenoeg allemaal vitaal en hebben geen tot nauwelijks holtes of scheuren. De scheuren die waargenomen zijn, zijn als ongeschikt beoordeeld voor een vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld omdat ze niet diep of hol genoeg zijn waardoor er invloed van weersomstandigheden is). Door de uniforme leeftijd opbouw van het bos is het aandeel in de aftakelingsfase zeer beperkt. Een relatief groot aantal grove dennen en sparren is in het verleden geringd om dood hout en daarmee variatie te creëren in het bos. De aftakeling van deze bomen was echter al dusdanig dat toppen uitgebroken zijn, het hout vermolmd is en schors nauwelijks meer aanwezig is. Door deze verregaande staat van aftakeling is de geschiktheid hiervan voor vleermuizen laag, doordat de weersomstandigheden te veel invloed hebben in de holtes en scheuren (wind, neerslag etc.). Een incidentele aanwezigheid van individuen achter loshangende schors is echter niet uitgesloten.
Op enkele plaatsen langs wandelpaden en de langs de Middelstraat/Bergstraat staan enkele loofbomen (met name beuk) met geschikte holtes. Door Natuurmonumenten is in 2021 melding gedaan van een vleermuisverblijf in een boom langs het Spinderspad (in een Robinia). Deze bomen staan buiten de ZRO-strook van de verbinding en blijven behouden.
Typisch beeld van het bos bij Huis ter Heide, naaldbomen met een ondergroei van dun loofhout. De beschikbaarheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is zeer laag.
4.1.2
Soortonderzoek
Het soortgerichte onderzoek laat zien dat het bos van Huis ter Heide voornamelijk wordt gebruikt als foerageergebied en vliegroute door gewone dwergvleermuis en enkele laatvliegers, verder is slechts één ruige dwergvleermuis waargenomen (Figuur 9 en Figuur 10). Bij vrijwel alle veldbezoeken ging het om Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
20 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
enkele individuen (maximaal acht) die foerageerden of voorbijvlogen. Alleen op 17 juni 2019 is een hoger aantal (30 tot 40) individuen gewone dwergvleermuis waargenomen. Op de enkele ruige dwergvleermuis na zijn in het hele onderzochte gebied op alle avonden geen boombewonende vleermuizen aangetroffen. Dit sluit aan bij de afwezigheid van voor deze soorten geschikte verblijfplaatsen.
Figuur 9 Verspreiding van vleermuiswaarnemingen Huis ter Heide (cumulatieve weergave alle rondes 2019).
Figuur 10: Verspreiding van vleermuiswaarnemingen Huis ter Heide (cumulatieve weergave alle rondes 2019) en de locatie die in 2021 aanvullend onderzocht is (witte kader). Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
21 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.1.3
Veldbezoek 26 juni 2020
In een bosje ten zuiden van het industrieterrein Moerdijk, tussen de Rijksweg A17 en de Tradeboulevard hangen ten westen van het westelijke deeltracé enkele vleermuiskasten aan de bomen. Of de kasten in gebruik zijn, is niet bekend omdat geen duidelijke gebruikssporen aangetroffen zijn en geen nachtelijk, soortgericht onderzoek uitgevoerd is. De kasten hangen overigens buiten het plangebied. In het bosje nabij Geertruidenberg, ten noorden van de N623, waar de aftakking van de verbinding gepland is en al enkele buisleidingen liggen, staan diverse wilgen met holtes waarvan gebruik door vleermuizen niet uitgesloten kan worden.
4.1.4
Veldonderzoek 2021
Door de verschuiving van het tracé in het bos van Huis ter Heide doorsnijdt het tracé een bosperceel dat qua vegetatie (boomsoorten) afwijkt van de rest van het bos (zoals zichtbaar op luchtfoto’s, Figuur 10). Het aandeel loofboomsoorten is hier groter, waardoor de redenatie dat voor vleermuizen potentieel geschikte bomen hier niet aanwezig zijn, hier niet ook op voorhand opgaat. Op 18 februari 2021 is dit perceel bezocht om de waarde van de bomen te onderzoeken. Uit dit veldonderzoek blijkt dat het aandeel loofbos inderdaad groter is, maar dat ook dit bos niet tot nauwelijks geschikt is voor vleermuizen. De loofbomen, met name zomereik, zijn nog niet oud en hebben geen zichtbare holtes of scheuren. Ook de enkele oudere beuken zijn nog vitaal en vertonen geen geschikte holtes. Om de kwaliteit en het gebruik te controleren is dit perceel in het voorjaar van 2021 (27 mei en 8 juni) onderzocht op aanwezigheid van vleermuizen. Hierbij zijn slechts enkele gewone dwergvleermuizen en een hoog overvliegende rosse vleermuis waargenomen. Dit sluit aan bij de afwezigheid van voor deze soorten geschikte verblijfplaatsen en bij het beeld dat in 2019 is verkregen van de rest van het bos. Bij het bezoek op 8 juni 2021 is in een boom aan de Middelstraat een kraamkolonie van rosse vleermuis aangetroffen.
Er was vleermuisactiviteit van ‘verblijfplaats aantikkende’ vleermuizen en diverse exemplaren hoorbaar in de boom. Ook waren duidelijk verse sporen uit de holte zichtbaar (Figuur 11). Het gaat om de boom aan de noordzijde van de weg, de eerst ten westen van de inrit van de parkeerplaats. Het plangebied maakt naar verwachting ook onderdeel uit van het foerageergebied, maar dit is vooral boven het bos of andere halfopen landschappen. Ze kunnen tot wel 100 meter hoog foerageren en tot 20 tot 30 kilometer vanaf de verblijfplaats. Uit de veldonderzoeken is geen activiteit in het bos waargenomen.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
22 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 11 Boom met verblijfplaats rosse vleermuis (witte cirkel), het betreft de boom aan de noordzijde van de weg, de eerste ten westen van de inrit naar de parkeerplaats.
4.2
Das
4.2.1
Veldonderzoek 2019
Aanwezigheid van dassen is bekend in het gebied in en rondom Huis ter Heide (Figuur 12). Binnen het plangebied is ten zuiden van de Middelstraat/Bergstraat een oude burcht, een in gebruik zijnde burcht en sporen van das aangetroffen (Figuur 12 en Figuur 13). In het gehele bos zijn diverse sporen (haren, snuitputjes en eetsporen) waargenomen. De omliggende bosranden, gras- en maisakkers vormen naar verwachting ook foerageergebied.
4.2.2
Aanvullingen 2021
Bij het veldbezoek op 18 februari 2021 voor de aanpassing van het tracé door Huis ter Heide zijn in het perceel met de hogere dichtheid aan loofbomen diverse dassensporen aangetroffen als snuitputjes, latrines en een hol. Welke status dit hol heeft, vluchtpijp of bijburcht, is niet bekend. Door Natuurmonumenten is in 2021 nog een burcht gemeld in de oostelijke wal van de voormalige vuilstort tussen de Veldstraat en de Eerste Dwarsbaan. Bij onderzoek in 2020 en 2021 voor de transformatorstationslocatie Tilburg (Arcadis, 2021) zijn diverse dassensporen en een grote burcht aangetroffen. Dit geeft aan dat er in het gebied van Huis ter Heide en omgeving veel activiteit van dassen is.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
23 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
◼
Figuur 12: Waargenomen sporen (2019) van das nabij Huis ter Heide en waarnemingen van das uit de NDFF. De in 2021 aangetroffen locatie met diverse sporen en een hol, is weergegeven met het groene kader (NB: de burcht bij de oude vuilstort is niet op deze kaart weergegeven).
Ingang dassenburcht aan de rand van een open plek
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
24 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
◼
Figuur 13: Luchtfoto met de in 2019 waargenomen sporen van dassen en ingemeten burcht aan de zuidkant van Huis ter Heide. De in 2021 onderzochte locatie met diverse sporen en een hol/pijp is weergegeven met het witte kader.
4.3
Vogels
4.3.1
Roofvogels
Bij het onderzoek zijn in totaal vier territoria van buizerd in het onderzoeksgebied vastgesteld (zie Figuur 14). Op 28 maart 2019 en 4 juni 2019 is territorium-indicerend gedrag van buizerds waargenomen. Op 28 maart werden bij de in Figuur 14 in rood weergegeven territoria bruidsvluchten uitgevoerd, waarbij in het meest noordelijke territorium ook parende buizerds zijn waargenomen. Van deze twee territoria kon door het dichte naaldbos en begroeiing de nestplaats niet worden gelokaliseerd. Gezien de verspreiding van de waargenomen parende buizerds en bruidsvluchten, wordt aangenomen dat deze nestplaatsen zich in het onderzoeksgebied bevinden. Van de twee meest noordelijke territoria kan wel de exacte nestplaats vastgesteld worden (weergegeven als blauwe stip in Figuur 14). Ten oosten van het onderzoeksgebied is nog een vijfde buizerdpaar met territorium-indicerend gedrag waargenomen. Gezien de verspreiding van deze waarnemingen en de locatie ten opzichte van de andere territoria, wordt verwacht dat de nestplaats van dit territorium zich ten oosten van het onderzoeksgebied bevindt. Bij de diverse onderzoeksronden zijn foeragerende havik en verschillende plukresten aangetroffen in het bos van Huis ter Heide. Horsten zijn niet binnen de ZRO-strook waargenomen.
Door Natuurmonumenten is in 2021 ook de aanwezigheid van havikhorsten in het bosgebied van Huis ter Heide gemeld (mededeling Natuurmonumenten, 2021). De exacte locatie is echter niet bekend.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
25 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 14: locaties van de twee vastgestelde buizerdhorsten en de twee territoria van buizerd in het onderzoeksgebied en het territorium buiten het onderzoeksgebied.
Naaldbos, geschikt broedgebied voor buizerd en havik, voor vleermuizen niet geschikt.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
26 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.3.2
Steenuil
Op vier plaatsen langs het tracé is steenuil waargenomen (Figuur 15). Geen van de territoria ligt echter binnen het plangebied. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde territoriumomvang van een cirkel met een straal van 250 meter. Het kennisdocument Steenuil (BIJ12) stelt dat het activiteitgebied rond de nestplaats slechts enkele honderden meters is en tijdens het broedseizoen zelfs nog minder. In Nederland zijn territoria tussen de 5 en 30 hectare groot, afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. De kwaliteit van het leefgebied van de vastgestelde territoria is door de openheid van het gebied niet ideaal, maar er zijn voldoende dekkingsmogelijkheden op de erven en aanliggende houtsingels in de directe omgeving van de nestplaatsen. Het uitgangspunt van een territorium met een straal van 250 meter of circa 20 hectare is daarmee aannemelijk. Nabij Oosterhout is op twee locaties op basis van territoriale roep een territorium vastgesteld (zie Figuur 16). De twee territoria liggen circa 300 meter ten het zuiden van het onderzoeksgebied. Eén territoria bevindt zich aan de Paalstraat 6 en Paalstraat 9. Hier is afwisselend tussen de bebouwing een territoriaal roepende steenuil waargenomen. Het tweede territorium is aangetroffen bij de Paalstraat 16, eveneens op basis van een territoriaal roepende steenuil.
Op basis van zowel de afstand tot het plangebied als het landschap tussen de erven en het plangebied (open landbouwgrond), is het aannemelijk dat beide territoria zich buiten de invloedsfeer van het plan bevinden. De overige twee waarnemingen van steenuil bevonden zich respectievelijk bij de bebouwing aan de Hildernisse 1, ruim 100 meter ten westen van het onderzoeksgebied (zie Figuur 17) en bij de bebouwing van de Plantagebaan 75, circa 140 meter ten westen van het onderzoeksgebied (zie Figuur 18). Op beide locaties is slechts bij één veldbezoek een waarneming gedaan. Bij de andere bezoeken zijn geen steenuilen aangetroffen, ook niet na het afspelen van een territorium roep. Het ging in beide gevallen naar waarschijnlijkheid om een zwervend individu. Een verblijfplaats is hier uitgesloten.
Figuur 15: Topografische weergave van de resultaten van het steenuil onderzoek langs gehele traject (2019).
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
27 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 16. Vastgestelde territoria nabij Oosterhout (2019).
Figuur 17. Losse waarneming van steenuil aan de Hildernisse 1 (tracé bevindt zich aan de oostzijde) (2019).
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
28 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 18. Losse waarneming van steenuil aan de Plantagebaan 75 (2019).
4.3.3
Algemene broedvogels
Overal in het plangebied kunnen in het broedseizoen algemeen en schaarse broedvogels aangetroffen worden. Met name op plekken met voldoende dekking en voedsel, zoals in de bomenrijen en bosschages die het plangebied doorkruisen of in het plangebied liggen. Ook de oevers van watergangen kunnen geschikte nestgelegenheden bieden voor soorten als wilde eend, waterhoen en meerkoet. Met name de landbouwsloten die zijn dichtgegroeid en de brede watergangen met oevervegetatie bieden daarbij geschikte nestgelegenheden voor watervogels. In het bos van Huis ter Heide en de Brabantse Wal zijn relatief hoge dichtheden van zwarte specht aanwezig. En in het open gebied van Huis ter Heide broedt grauwe klauwier.
4.3.4
Veldbezoek 26 juni 2020
In een bosje ten zuiden van het industrieterrein Moerdijk, direct ten zuiden van de Rijksweg A17 is bij het veldbezoek op 26 juni 2020 diverse malen een invallende buizerd waargenomen. Dit gedrag duidt op een nestlocatie in het betreffende bosje. Door het dichte kronendak is niet vast kunnen stellen of ook daadwerkelijk een horst aanwezig is. Hoewel de invallocatie tussen de meest westelijke en de middelste deeltracés ligt, is niet bekend of het horst zich eveneens buiten deze zone ligt.
4.4
Amfibieën
4.4.1
Rugstreeppad
Rugstreeppad is alleen vastgesteld in het al bekende leefgebied van Huis ter Heide (zie Figuur 19). Ten tijde van het onderzoek waren, met name in het westelijke deel (Brabantse Wal en omgeving), veel poelen en plassen drooggevallen. Uit een verificatie elders, zijn de onderzoeken wel op gunstige avonden uitgevoerd omdat op die locaties (niet gelegen in het onderzoeksgebied van ZW380 Oost) wel activiteit is gehoord. Dat geheel geen activiteit is waargenomen, terwijl de roep over grote afstanden vastgesteld kan worden, geeft aan dat de soort in de onderzochte gebieden ontbreekt. Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
29 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 19 Verspreiding van rugstreeppad en het bekende leefgebied ten zuiden van Huis ter Heide (2019).
4.4.2
Alpenwater- en vinpootsalamander
Alpenwater- en vinpootsalamander zijn in het westelijke deel van het tracé alleen bekend ten oosten van de A4, op enkele honderden meters van het onderzoeksgebied (NDFF, 2020). Bij het veldonderzoek zijn beide soorten ook niet vastgesteld in of nabij het plangebied. Op de plekken die bemonsterd zijn (zie Figuur 6) zijn ook geen kleine watersalamanders waargenomen. Net als bij het onderzoek naar rugstreeppad waren veel poelen opgedroogd. Aanwezigheid van Alpenwater- en vinpootsalamander wordt daar uitgesloten.
4.4.3
Amfibieën Huis ter Heide
In het natuurgebied Huis ter Heide komen diverse soorten amfibieën voor, waaronder de minder algemene soorten kamsalamander, vinpootsalamander, Alpenwatersalamander, heikikker en knoflookpad. Van deze soorten is de aanwezigheid bekend, waarbij de verspreiding zich vooral concerteert in het westelijke en centrale deel van het natuurgebied (rondom het Leikeven). De nieuwe verbinding komt geheel aan de oostrand. Het gebied bestaat hier grotendeels uit open grasland en ruigte dat geen (primair) leefgebied vormt voor deze soorten. Kamsalamander en vinpootsalamander komen echter ook voor in de poelen van het voormalige MOB-complex aan de Galgeneindsestraat (mededeling Natuurmonumenten 2021). Knoflookpad is hier onlangs geherintroduceerd, waarbij in diverse poelen larven zijn uitgezet met als doel dat zich weer een levensvatbare populatie kan herstellen of vestigen. Het gaat specifiek om enkele poelen langs de Baan achter de Plakken. Uit monitoring4 naar de ontwikkeling van de uitgezette populatie knoflookpad is gebleken dat kamsalamander inmiddels ook in dit deel van het natuurgebied voorkomt.
4 Bron: Natuurmonumenten, 2020
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
30 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 20 Poelen waar knoflookpad is uitgezet en afgelopen jaren is aangetroffen (bron NDFF, 2020).
4.5
Reptielen
Uit verspreidingsgegevens van de afgelopen tien jaar is levendbarende hagedis bekend in het natuurgebied Huis ter Heide. Geschikt leefgebied bevindt zich hier verspreid door het gebied, in de bosranden en verruigde graslanden (zie Figuur 21).
Figuur 21. Verspreiding van waarnemingen van levendbarende hagedis in Huis ter Heide (2019). Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
31 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 22: Verspreiding van waarnemingen van levendbarende hagedis in Huis ter Heide nabij station Tilburg (2019).
4.6
Beschermde flora en insecten
4.6.1
Algemeen
Gedurende het onderzoek naar beschermde flora en insecten zijn geen wettelijk beschermde insectensoorten waargenomen of groeiplaatsen van beschermde flora aangetroffen. Wel zijn twee groeiplaatsen van oeverkruid (Rode lijst) en een groeiplaats van moerashertshooi (Rode lijst) aangetroffen (zie Figuur 23). Eén groeiplaats van oeverkruid bevindt daarbij zich binnen het onderzoeksgebied. Ten zuidwesten van Huis ter Heide zijn in het onderzoeksgebied wel enkele recente waarnemingen bekend van de beschermde insectensoorten (NDFF, 2020; zie Figuur 24): • Gevlekte witsnuitlibel; • Grote vos; • Kleine ijsvogelvlinder. Ten zuidwesten van het onderzoeksgebied zijn ook waarnemingen bekend van de beschermde grote weerschijnvlinder. Deze soort kan zich, gezien het vergelijkbare habitat en aangesloten leefgebied, ook in het onderzoeksgebied bevinden. Bij het soortgericht onderzoek zijn alle bovengenoemde soorten niet waargenomen.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
32 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 23. Groeiplaatsen moerashersthooi en oeverkruid (rode lijst) ten zuiden van Huis ter Heide (2019).
Figuur 24. Verspreiding van waarnemingen van beschermde flora en insecten in en rondom Huis ter Heide (NDFF).
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
33 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.6.2
Bruine eikenpage
Bij de eerste ronde in juni 2021, gericht op rupsen en als habitatbeoordeling, zijn geen rupsen van bruine eikenpage aangetroffen. Het gebied heeft weinig tot geen geschikte standplaatsen voor de rupsen. Enkel langs het fietspad is een strook met enkele jonge eiken met daaronder nectarplanten (o.a. braam, wilde liguster, sporkehout, jakobskruiskruid en koninginnenkruid). Op enkele andere plaatsen verspreid door het gebied zijn wel enkele jonge eiken aanwezig, maar ontbreekt het aan nectarplanten in de ondergroei. Daarnaast zijn in het onderzoeksgebied veel hoge bomen aanwezig, die voor veel schaduwwerking zorgen. De ondergroei van nectarplanten is hier heel summier, mogelijk ook door begrazing door koeien. De kwaliteit van het gebied voor bruine eikenpage is als slecht tot matig beoordeeld. Bij het tweede en derde bezoek zijn geen imago’s van bruine eikenpage aangetroffen in het onderzoeksgebied. Op 20 juli is ter controle ook de bekende en nog wel bezette vlieglocatie bij de Loonse en Drunense duinen5 bezocht als vergelijking of er vliegactiviteit is. Hier is één imago aangetroffen wat duidt dat de soort wel actief was op dat moment. Aan vlindersoorten zijn alleen vrij algemene soorten aangetroffen als atalanta, boszandoogje, bruin blauwtje, groot koolwitje, kleine vos, kleine vuurvlinder, klein geaderd witje, klein koolwitje, oranje zandoogje en rupsen van de jacobsvlinder.
4.6.3
Rode bosmieren
Tot slot zijn in het bosgebied van Huis ter Heide op diverse plekken nestenhopen van rode bosmier (Formica spec, waarschijnlijk behaarde rode bosmier) aangetroffen (zie Figuur 25). Geen van de vier rode bosmier is (meer) wettelijke beschermd. Alleen de stronkmier is een bedreigde soort met een negatieve trend. De overige drie soorten hebben een algemene verspreiding en laten geen duidelijke negatieve trend zien (EIS, 2019)6. Gezien de kwetsbaarheid van de nesten, het belang van de rode bosmier voor andere (beschermde) soorten als groene specht (meerdere waarnemingen in het gebied; NDFF 2020) en omdat ze eenvoudig te beschermen zijn, zijn de nesten wel opgenomen in deze toetsing.
Figuur 25. Luchtfoto met waargenomen locatie van nesten van rode bosmier, omdat geen gericht onderzoek gedaan is, is deze figuur niet limitatief.
5
Hier staan tientallen jonge eiken met verschillende nectarplanten op een zuidelijk georiënteerde helling. Daarbij vindt geen begrazing plaats of schaduwwerking door hoge bomen. Deze locatie is duidelijk anders en vele malen geschikter dan het onderzoeksgebied. 6 EIS, 2019. http://www.bosmieren.nl/bescherming/bedreigingen Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
34 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.7
Grote modderkruiper
Uit gegevens van de NDFF (2020) blijkt dat grote modderkruiper voorkomt in de polder tussen Zevenbergsche Hoek en Lage Zwaluwe. Uit het eDNA-onderzoek in het gebied tussen Zevenbergen en Geertruidenberg zijn op 28 van de 40 locaties sporen van grote modderkruiper vastgesteld (Figuur 26). Het gaat hierbij om locaties verspreid over het hele onderzoeksgebied, alleen ten oosten van het kanaal Amertak zijn geen positieve metingen. Op basis van de aangetroffen positieve samples wordt geconcludeerd dat de soort wijdverspreid voorkomt in de polderwatergangen tussen de Dintel in het zuiden en het Hollands Diep in het noorden. Dit geldt ook voor het tracédeel tussen Moerdijk en de Dintel, waar geen monsters zijn genomen, maar dat op basis van vergelijkbaar landschap en historische waarnemingen ook als onderdeel van het areaal beschouwd wordt.
Figuur 26 Monsterlocaties en resultaat eDNA-onderzoek grote modderkruiper (2021). Op de kaart zijn de NDFFgegevens niet opgenomen van grote modderkruipers uit het gebied ten oosten van de A59.
Onze referentie: D10010049:84 - Datum: 11 augustus 2021
35 van 75
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.8
Samenvatting
In Tabel 2 is samengevat welke beschermde (en Rode lijst) soorten voorkomen binnen het plangebied.
Vleermuizen Rosse vleermuis
Rode lijst
Andere soorten
Habitatrichtlijn
Soort(groep)
Vogelrichtlijn
Tabel 2. Samenvatting voorkomen (beschermde) soorten
Mogelijk effect op
Foerageergebied en vliegroute
Kraamverblijfplaats
Das
Verblijfplaatsen en leefgebied
Buizerd
Verblijfplaatsen en territoria
Overige broedvogels
Verblijfplaatsen en territoria