2021-019770 Bijlage 18- Actualiteit-en-navolgbaarheid-milieuinformatie-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
4.3.1
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Criterium 1: Verandering van het aantal draadslachtoffers
Tabel 4.11 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Ja
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie*
Ja
Nee
Nee
* Uitgangspunt is dat alleen effecten als gevolg van gewijzigde mast wordt beschouwd. Eventuele trendverschillen in gevoeligheid van vogelsoorten worden in deze notitie niet beschouwd.
Wet- en regelgeving Er zijn wijzigingen in wet- en regelgeving. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet zijn vervangen door de Wet natuurbescherming (in werking getreden op 1 januari 2017). Er is echter geen andere effectbeoordeling. Voor wat betreft de wet- en regelgeving ten aanzien van mogelijke draadslachtoffers heeft de nieuwe wet namelijk geen veranderingen met zich meegebracht. Er is daarmee dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen De autonome ontwikkelingen hebben geen invloed op vanuit natuur belangvolle waarden nabij de verbinding. Mastconfiguratie De wijziging van de masten heeft een positief effect op het aantal draadslachtoffers. Er is bij de nieuwe masttypen geen onderdraad (een retourstroomgeleider) nodig en de relatieve verhouding van de draden is compacter: de draden zitten iets dichter op elkaar (zie hoofdstuk 2.4). Ook is er een generieke verlaging van de masten van gemiddeld 6 m. Het aantal traversen blijft gelijk. De overige draadconfiguratie blijft ook nagenoeg gelijk. Tevens worden nu vakwerkmasten met bestaande vakwerkmasten gecombineerd. Dit heeft voor draadslachtoffers positieve effecten. De wijzigingen werken door op alle alternatieven. Er is dus geen andere effectbeoordeling.
De effectbeoordeling is daarom voldoende actueel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in besluitvorming. Toelichting op deze beoordeling De hoeveelheid draadslachtoffers (vogels, vleermuizen) wordt bepaald door de volgende factoren (van der Vliet en Boerefijn, 2014): • Biologische factoren • Technische factoren • •
Topografische factoren Meteorologische factoren
31/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Van deze factoren zijn alleen de technische en de topografische factoren te beïnvloeden door tracékeuze en inrichting van de verbinding. Technische factoren zijn: • De hoogte van de mast • Het aantal traversen • • •
De aanwezigheid en het aantal bliksemdraden De eventuele aanwezigheid van markeringen (mitigatie) Het voorkomen van verschillende hoogspanningsverbindingen vlak naast elkaar
Omdat zowel blikveld als lichaamsbouw van een vogelsoort de kans op draadslachtoffers bepalen, kunnen mastsoorten met verschillende bouwstijlen (en dus met een andere ‘verbindingsmorfologie’) leiden tot verschillende aantallen slachtoffers. Het uniform uitvoeren van de verbindingen in vakwerk, heeft zodoende de voorkeur boven het plaatsen van verschillende mastconfiguraties op korte afstand van elkaar. Vanuit het oogpunt van draadslachtoffers heeft het uitvoeren van de verbinding in Moldau de voorkeur. Op deze manier zijn de verbindingen meer uniform en is de kans op draadslachtoffers kleiner. De keuze voor een andere mastsoort (de Moldau in plaats van de Wintrack) leidt dus tot geen significant effect op de totale beoordeling van de verschillende tracés omdat het verschil in effect daarvoor niet groot genoeg is. Dit heeft er mede mee te maken dat op een groot deel van het tracé al bestaande lijnen zijn of dat deze vervangen worden. Ondanks dat de masten 6 m lager zijn, is te verwachten dat dit geen impact heeft op draadslachtoffers, omdat de draden nagenoeg op dezelfde hoogte hangen als bij de Wintrack masten met vrijwel dezelfde draadconfiguratie. 4.3.2
Criterium 2: Effecten op leefgebied
Tabel 4.12 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging de
effectbeoordeling?
vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Ja
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Ja
Ja
Ja
* Uitgangspunt is dat alleen effecten als gevolg van gewijzigde mast wordt beschouwd. Eventueel gewijzigd beleid aangaande de leefgebiedenbenadering is niet meegenomen in de analyse of dit effect heeft op de effectbeoordeling.
Wet- en regelgeving Er is één wijziging in Wet- en regelgeving. De Verordening natuurbescherming Noord-Brabant en de Regeling natuurbescherming Noord-Brabant zijn namelijk niet meer geldig. Dit heeft mogelijk ook geleid tot aanpassingen in begrenzing van beschermde natuurgebieden (o.a. NNN) / leefgebieden. Hierop hebben we dit geanalyseerd. We concluderen dat dit niet leidt tot een andere situatie voor de effectbeoordeling, omdat de analyse liet zien dat er geen relevante wijzigingen zijn in de begrenzing van het NNN. Daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven.
32/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Autonome ontwikkelingen De autonome ontwikkelingen hebben geen invloed op natuurcriteria nabij de masten. Mastconfiguratie Details omtrent de mastvoet leiden mogelijkerwijs tot wijzigingen met betrekking tot het ontgravingsoppervlak. Een kleiner ontgravingsoppervlak leidt tot een ander oppervlak aan verlies van gebied met bijzondere natuurwaarden (sub-criterium 2A), niet zijnde bos. Voor de drie overige subcriteria (B,C en D) wijzigt de effectbeoordeling niet omdat de hier gebruikte uitgangspunten ten opzichte van de verbinding met Wintrackmasten niet wijzigen. Voor subcriterium A (beschermde natuurwaarden, niet zijnde bos) geldt dat als gevolg van het kleinere ontgravingsoppervlak het effect in positieve zin wijzigt. Dit geldt voor alle alternatieven en varianten. De gewijzigde mastconfiguratie leidt daarmee tot een andere effectbeoordeling van alle varianten. De wijziging is significant positief. Als echter alle varianten beschouwd worden met dezelfde gewijzigde mastconfiguratie dan komt er uit de vergelijking geen ander MMA. 4.3.3
Criterium 3: Tijdelijke effecten
Tabel 4.13 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Ja
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Nee
Nee
Nee
* Aanpassingen en verandering als gevolg van de PAS uitspraak (stikstof onderzoek) wordt reeds opgepakt door TenneT en is daarom niet nader beschouwd.
Wet- en regelgeving Op 29 mei 2019 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een aantal beroepszaken over het Programma aanpak Stikstof (PAS). Kort gezegd mag het PAS sinds dat moment niet meer worden gebruikt als toetsingskader voor plannen en projecten die tot een toename van de stikstofemissie kunnen leiden. Dit wordt verder opgepakt binnen het IP. Het zou niet leiden tot een andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven omdat elk daarvan met dezelfde consequenties te maken heeft. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen omdat de autonome ontwikkelingen op het thema natuur zeer beperkt zijn. Ze hebben daardoor geen invloed op de tijdelijke effecten. Mastconfiguratie Het type mast heeft geen invloed op de tijdelijke effecten op natuur, daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven.
33/43
Kenmerk
4.3.4
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Conclusie natuur
Er zijn enkele wijzigingen in wet- en regelgeving op het gebied van natuur, deze leiden niet tot andere inzichten in de effecten. De wijzingen in autonome ontwikkeling en masttype leiden niet tot veranderingen in de effecten en hun beoordeling. De onderlinge vergelijking van de alternatieven blijft daarmee ongewijzigd. De effectbeoordeling voor het thema natuur is daarom voldoende actueel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in besluitvorming.
4.4
Bodem en water
Het thema bodem en water is beoordeeld op basis van twee beoordelingscriteria, zie tabel 4.14. Tabel 4.14 Beoordelingscriteria en beoordelingswijze van effecten op Bodem & Water Beoordelingscriterium 1
Aardkundige waarden kunnen blijvend
Beoordeling Waardering effecten
(permanent) negatief worden aangetast.
2
Het saneren van bodemverontreinigingen leidt tot een blijvend (permanent) positief milieueffect.
+++ ++ + 0 ---Waardering effecten +++ ++ + 0 ----
Oppervlak vergraving aardkundig waardevol gebied n.v.t. n.v.t. n.v.t. 0 - 0,1 hectare 0,2 - 5 hectare 5,1 - 20 hectare > 20 hectare Oppervlak te saneren verontreinigde grond > 20 hectare 5 ha - 20 hectare 1 ha - 5 hectare 0 ha - 1 hectare n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Voor beide criteria gaan we hieronder na of wijzigingen in wet- en regelgeving, in autonome ontwikkelingen en in de mastsoort effect hebben op de beoordeling van de tracés. De opbouw is telkens een samenvattende tabel met daaronder toelichtende informatie. 4.4.1
Criterium 1: Aantasting van aardkundige waarden
Tabel 4.15 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Ja
Ja
Ja
34/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen omdat de aardkundige waarden niet veranderden. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie De mastconfiguratie heeft een significant effect op de archeologische waarden, met name door de gewijzigde grondberoering die plaats moet vinden. Dit leidt tot een andere effectbeoordeling. In deelgebied 1 gaat Blauw variant Steenbergen, Blauw variant Markiezaat-Steenbergen en Rood van een licht negatieve beoordeling naar neutraal. In deelgebied 2 gaat Blauw variant Kruisland/Steenbergen, Paars en Paars variant westzijde A17 van een licht negatieve beoordeling naar neutraal. De wijziging heeft dus een beperkt positief effect op een aantal varianten. Dit leidt tot een andere vergelijking tussen de alternatieven. In deelgebied 1 zijn nu alleen Paars en de varianten van Paars licht negatief en de rest neutraal. In deelgebied 2 is nu alleen Paars variant Oud Gastel licht negatief en wordt de rest neutraal. De wijzigingen zijn significant positief.
Als echter alle varianten beschouwd worden met dezelfde gewijzigde mastconfiguratie dan komt er uit de vergelijking geen ander MMA. Toelichting Voor aardkundige waarden zijn in het MER klassegrenzen bepaald van 0-1.000 m2 (neutraal 0), 2.000-50.000 m2 (licht negatief -) en 51.000 – 20.000 m2 (negatief - -). De 1.000 m2 is gebaseerd op de ontgravingsoppervlakte van één mast. In de nieuwe situatie is het maximale ontgravingsoppervlak van één mast circa 400 m2, dit is een reductie van 60%. Het ontgravingsoppervlak is het criterium waarop door de optimalisatie en gewijzigde mastconfiguratie de duidelijkste doorwerking op het milieu zichtbaar is. We hebben dit criterium daarom verder uitgesplitst naar de deelgebieden en afgewogen varianten om een scherp beeld te schetsen van de betekenis van deze latere mastconfiguratie voor de milieueffecten. In deelgebied 1 hebben tracé Blauw variant Steenbergen, Blauw variant Markiezaat-Steenbergen en Rood een licht negatieve (-) beoordeling gekregen. Op basis van het nieuwe ontgravingsoppervlak zou dit met de in het MER gehanteerde klassegrenzen neutraal worden. Voor alternatief Paars wijzigt het niet, aangezien de licht negatieve beoordeling voornamelijk is veroorzaakt door de ondergrondse verbinding. Deze wijzigt niet.
In deelgebied 1 verandert daarom de vergelijking tussen de alternatieven: in de nieuwe situatie krijgt alleen tracé Paars (met varianten) een licht negatieve beoordeling en zou daarmee dus lager scoren dan de andere tracés. In deelgebied 2 hebben tracés Blauw variant Kruisland/Steenbergen, Paars en Paars variant westzijde A17 een licht negatieve beoordeling gekregen. Op basis van het nieuwe ontgravingsoppervlak is dit neutraal.
35/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Voor alternatief Paars variant Oud Gastel wijzigt het niet, aangezien de licht negatieve beoordeling voornamelijk is veroorzaakt door de ondergrondse verbinding. Deze wijzigt niet. In deelgebied 2 verandert daarom de vergelijking tussen de alternatieven: in de nieuwe situatie krijgt alleen tracé Paars variant Oud Gastel een licht negatieve beoordeling. Ook voor deelgebied 2 scoort dus alleen dit tracé lager dan de andere tracés. In deelgebied 3 zijn er geen wijzigingen in effectbeoordeling als gevolg van het verkleinen van het ontgravingsoppervlak. De effectbeoordeling is daarmee marginaal anders. Dit thema heeft echter geen of zeer beperkt invloed uitgeoefend op de keuze voor het MMA. Hierbij wordt opgemerkt dat bij een standaard veel geringere ontgraving per mast, ook de klassegrenzen op die gewijzigde situatie zouden zijn afgestemd. Dat zou gedaan zijn voor het totaal van het vergelijk, dus voor alle alternatieven / varianten. Het gewijzigd oppervlak waar grondroering plaatsvindt leidt binnen de huidige klassegrenzen weliswaar (beperkt) tot een andere effectbeoordeling, maar relatief gezien blijven de verschillen tussen de varianten gelijk. Bij het toepassen/formuleren van klassegrenzen op basis van het gewijzigde ontgravingsoppervlak, zullen de relatieve effectscores voor de afweging daarmee gelijk blijven. 4.4.2
Criterium 2: Sanering bodemverontreinigingen
Tabel 4.16 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen*
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Ja
Ja
Nee
* Hierbij is het uitgangspunt gehanteerd dat de kaart van aanwezige bodemverontreinigingen die is opgenomen in het achtergrondrapport ongewijzigd is.
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie De mastconfiguratie heeft een significant effect op de bodemverontreiniging, omdat de mate van grondberoering significant verandert. Dit leidt tot een andere effectbeoordeling. Wijziging van ontgravingsoppervlak is relevant omdat een kleinere ontgraving tot een ander effect kan leiden.
36/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Alle alternatieven en varianten hebben in de drie deelgebieden een effectbeoordeling neutraal (0) gekregen. Op basis van het kleinere vergravingsoppervlak blijft de beoordeling hetzelfde. Daarom verandert de vergelijking tussen de alternatieven niet. 4.4.3 Conclusie bodem en water Op grond van bovenstaande informatie concluderen we dat de effectbeoordeling uit 2017 geen wijzigingen behoeft en dat de in kaart gebrachte milieueffecten actueel en relevant zijn voor de beoordeling van de alternatieven, het Voorgenomen tracé en het Voorkeursalternatief. De wijziging in mastconfiguratie is door het effect op de ontgravingsoppervlakten zeer substantieel. Deze wijziging werkt echter door in alle tracés waardoor het milieueffect zeer positief is. De impact per tracé in de beoordeling valt echter weg, omdat elk tracé dezelfde mastconfiguratie zou krijgen in het MER. Het effect, hoewel substantieel voor de omgeving, leidt daarmee dus niet tot een andere beoordeling in het MER, met de constatering dat het MER de keuze voor het VKA als de meer milieuvriendelijke laat zien.
4.5
Archeologie
Binnen het thema archeologie wordt beoordeeld op bekende en onbekende waarden/verwachtingsgebieden. Deze zijn opgedeeld in drie criteria, zie tabel 3.5. Tabel 4.17 Beoordelingskader van effecten op Archeologie Criterium 1
Archeologische rijksmonumenten
2
3
AMK-terreinen
Verwachtingsgebieden
Beoordeling Waardering effecten
Oppervlak vergraving archeologisch rijksmonument
+++
n.v.t.
++
n.v.t.
+
n.v.t.
0
< 1 m2
-
1 – 100 m2
--
100 – 1.000 m2
---
> 1.000 m2
Waardering effecten
Oppervlak vergraving AMKterreinen
+++ ++ + 0 ----
+++
n.v.t. n.v.t. n.v.t. < 1 m2 1 - 1.000 m2 1.000 - 10.000 m2 > 10.000 m2 Oppervlak vergraving archeologische verwachtingswaarde n.v.t.
++
n.v.t.
+
n.v.t.
Waardering effecten
0
< 1 ha
-
1 - 15 ha
--
16 - 50 ha
---
> 50 ha
37/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Voor alle drie de criteria gaan we hieronder na of wijzigingen in wet- en regelgeving, in autonome ontwikkelingen en in de mastsoort effect hebben op de beoordeling van de tracés. De opbouw is telkens een samenvattende tabel met daaronder toelichtende informatie. 4.5.1
Criterium 1: Archeologische rijksmonumenten
Tabel 4.18 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Ja
Nee
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie De mastconfiguratie heeft een significant effect op de archeologische rijksmonumenten, omdat de mate van grondberoering significant verandert. Wijziging van ontgravingsoppervlak is relevant omdat een kleinere ontgraving tot een ander effect kan leiden. Er zijn echter geen rijksmonumenten die geraakt worden door de varianten, vandaar dat deze wijziging geen invloed op de effectbeoordeling heeft. De vergelijking tussen de alternatieven verandert daarmee dus niet. 4.5.2
Criterium 2: AMK-terreinen
Tabel 4.19 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Ja
Ja
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven.
38/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie Het type mast heeft effect op dit criterium. Wijziging van het ontgravingsoppervlak is relevant omdat een kleinere ontgraving tot een ander effect kan leiden. De effectbeoordeling wijzigt dus. Voor AMK-terreinen zijn in de huidige effectbeoordeling klassegrenzen bepaald van 1-1.000 m2 (licht negatief -) en 1.000-10.000 m2 (negatief --). De 1.000 m2 is gebaseerd op de ontgravingsoppervlakte van één mast. De lengte van de doorsnijding van AMK-terreinen in deelgebied 2 is 224 m door tracé Blauw variant Kruisland/Steenbergen en tracé Paars variant Oud Gastel. In die varianten komt mogelijk een enkele mastvoet in een AMK-terrein te staan. Daarom is bij die beide varianten een negatieve effectbeoordeling (--) gegeven (o.b.v. één ontgraving van 1.000 m2). De beoordeling in deze varianten is gedaan op het kantelpunt tussen twee klassegrenzen (1.000 m2). Bij de nieuwe mastsoort is de ontgravingsoppervlakte veel kleiner waarmee de beoordeling één schaal lager zou uitvallen (1-1.000 m2).
Dit leidt voor tracé Blauw variant Kruisland/Steenbergen en tracé Paars variant Oud Gastel tot een licht negatieve beoordeling in plaats van een negatieve beoordeling. Ten opzichte van de referentiesituatie verandert de effectbeoordeling. De wijziging leidt echter niet tot een andere vergelijking tussen de alternatieven omdat de verstoring in verhouding tot elkaar overal hetzelfde is. De tracés waar verstoring van AMK-terreinen optreedt blijven ook bij de nieuwe mastsoort verstoord alleen is het oppervlak van de verstoring bij al deze tracés iets kleiner. Tracés waar nu geen verstoring optreedt, blijven ook in de nieuwe situatie onverstoord. In deelgebied 3 worden ook AMK-terreinen verstoord maar daar ligt de waarde van verstoring in de effectbeoordeling van 2017 tussen de 1-1.000 m2. In deelgebied 1 worden geen AMK-terreinen verstoord. Hierbij wordt opgemerkt dat bij een standaard veel geringere ontgraving per mast, ook de klassegrenzen op die gewijzigde situatie zouden zijn afgestemd. Het gewijzigd oppervlak waar grondroering plaatsvindt leidt binnen de huidige klassegrenzen weliswaar (beperkt) tot een andere effectbeoordeling, maar relatief gezien blijven de verschillen tussen de varianten gelijk. Bij het toepassen/ formuleren van klassegrenzen op basis van het gewijzigde ontgravingsoppervlak, zullen de effectscores daarmee gelijk blijven. 4.5.3
Criterium 3: Verwachtingsgebieden
Tabel 4.20 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Ja
Nee
Nee
39/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie Het type mast heeft effect op dit criterium. Wijziging van het ontgravingsoppervlak is relevant omdat een kleinere ontgraving tot een ander effect kan leiden. De effectbeoordeling is daarop geanalyseerd. De beoordeling voor effecten op archeologische verwachtingsgebieden is opgedeeld in verschillende klassen. Bij minder dan 1 hectare verstoring volgt een neutrale beoordeling, bij 1-15 hectare verstoring volgt een licht negatief effect, 16-50 hectare verstoring leidt tot een negatief effect en alles daarboven resulteert in een zeer negatief effect. In de huidige effectbeoordeling vallen de verstoringen allemaal in de eerste twee klassen (<1 hectare of 1-15 hectare). In de nieuwe situatie blijven de tracés, stationslocaties en ondergrondse delen gelijk aan de huidige situatie. Alleen de ontgravingsoppervlaktes rond de mastvoeten worden iets kleiner.
De conclusie is dat dit niet leidt tot verschuivingen in de beoordeling, noch dat er verschillen optreden die effect hebben op de vergelijking tussen alternatieven. 4.5.4 Conclusie archeologie Op grond van bovenstaande informatie concluderen we dat de effectbeoordeling uit 2017 geen wijzigingen behoeft en dat de in kaart gebrachte milieueffecten actueel en relevant zijn voor de beoordeling van de alternatieven, het Voorgenomen tracé en het Voorkeursalternatief. Evenals bij het thema bodem en water is de wijziging in mastconfiguratie door het effect op de ontgravingsoppervlakten zeer substantieel. Deze wijziging werkt echter door in alle tracés waardoor het milieueffect zeer positief is. De impact per tracé in de beoordeling valt echter weg, omdat elk tracé dezelfde mastconfiguratie zou krijgen in het MER. Het effect, hoewel substantieel voor de omgevingseffecten, leidt daarmee dus niet tot een andere beoordeling in het MER.
4.6
Ruimtegebruik
Het thema ruimtegebruik is beschreven op basis van drie criteria, zie tabel 3.6. De tracé-alternatieven zijn op basis van deze kwantitatieve uitkomsten met elkaar vergeleken, maar is geen beoordeling aan toegekend. Ongeacht de wijzigingen zal dit dus niet leiden tot een andere effectbeoordeling dan wel tracékeuze. Tabel 4.21 Criteria ter beschrijving van de effecten op Ruimtegebruik Criterium
Beschrijving (geen beoordeling)
1
Fysiek ruimtebeslag
Kwantitatief in aantal hectare
2
Oppervlak van de functie 'bos' in ZRO
Kwantitatief in aantal hectare
3
Oppervlak maatgevende functies in ZRO
Kwantitatief in aantal hectare
40/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Voor alle drie de criteria gaan we hieronder na of wijzigingen in wet- en regelgeving, in autonome ontwikkelingen en in de mastsoort effect hebben op de beschrijving van de tracés. De opbouw is telkens een samenvattende tabel met daaronder toelichtende informatie. 4.6.1
Criterium 1: Fysiek ruimtebeslag
Tabel 4.22 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Autonome ontwikkelingen
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Mastconfiguratie
Ja
N.v.t.
N.v.t.
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie Het type mast heeft een effect op dit criterium. Wijziging van het ontgravingsoppervlak is relevant omdat een kleinere ontgraving leidt tot minder fysiek ruimtebeslag. Het effect van dit criterium is niet beoordeeld, daarmee is er geen sprake van verandering van de effecten noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking van de alternatieven. 4.6.2
Criterium 2: Functie ‘bos’ in ZRO
Tabel 4.23 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Autonome ontwikkelingen
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Mastconfiguratie
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven.
41/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie Het type mast heeft geen effect op dit criterium. De ZRO strook blijft hetzelfde. Echter is het effect van dit criterium niet beoordeeld, daarmee is er sowieso geen sprake van verandering van de effecten noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking van de alternatieven. 4.6.3
Criterium 3: Maatgevende functies in ZRO
Tabel 4.24 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Autonome ontwikkelingen
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Mastconfiguratie
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Mastconfiguratie Het type mast heeft geen effect op dit criterium, omdat De ZRO strook gelijk blijft aan een Wintrackmast. De effectbeoordeling verandert dus niet. 4.6.4 Conclusie ruimtegebruik Zoals voor dit thema al aangegeven is de kwantificering van de criteria binnen het thema ruimtegebruik niet gebruikt voor een beoordeling van de varianten / alternatieven. Daarmee heeft dit thema dus geen effect op de effectbeoordeling en concluderen we daarom dat op grond van bovenstaande informatie de effectbeoordeling uit 2017 geen wijzigingen behoeft en dat de in kaart gebrachte milieueffecten actueel en relevant zijn voor de beoordeling van de alternatieven, het Voorgenomen tracé en het Voorkeursalternatief.
42/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
5 Conclusies Op basis van de voorgaande analyses kan worden geconcludeerd dat het MER op basis van een navolgbare werkwijze tot stand is gekomen en voldoende, actuele milieu-informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in de besluitvorming. In hoofdstuk 3 is ingegaan op de werkwijze bij de totstandkoming van het MER. De conclusie is dat de werkwijze door de in het memo beschreven toegevoegde stappen navolgbaar is. Per criterium is de werkwijze beschreven en is aangegeven welke brondata en gegevens zijn gebruikt, wat de herkomst ervan is en hoe de analyse is uitgevoerd. Hiermee kan eenieder de milieu-informatie herleiden en controleren. In hoofdstuk 4 is de actualiteit van de gebruikte milieu-informatie getoetst. Conclusie is dat de milieuinformatie die in het MER opgenomen is, actueel is. Per criterium is gekeken wat gewijzigde uitgangspunten zijn. Vervolgens is beoordeeld of dat tot een andere effectbeoordeling en/of vergelijking van de alternatieven zou leiden. De conclusie is dat alleen voor het criterium aardkundige waarden (bodem), het criterium AMK-terreinen (archeologie) en het criterium leefgebied (ecologie) de gewijzigde uitgangspunten tot een andere effectbeoordeling dan wel een andere vergelijking van de alternatieven op dat criterium leiden. Deze effectbeoordeling leidt echter niet tot een andere totaalafweging tussen tracéalternatieven.
Vanuit milieuoptiek is er gezien het bovenstaande geen aanleiding om gemaakte keuzes te heroverwegen.
43/43
Zeker van energie TenneT en EZK werken samen met: bewoners, gemeenten, natuurorganisaties, bedrijven, provincies, samenwerkende overheden in Midden- en West-Brabant en Zeeland en het RIVM.
Informatie Bureau Energieprojecten Postbus 93144 2509 AC Den Haag Telefoon: (070) 379 89 79 www.bureau-energieprojecten.nl www.zuid-west380kv.nl Dit is een publicatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Maart 2019 Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Meridiannummer: 002.678.20 0710760