2021-019770 Bijlage 18- Actualiteit-en-navolgbaarheid-milieuinformatie-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
Actualiteit en navolgbaarheid milieuinformatie
MER 380kV Zuid-West Oost Actualiteit en navolgbaarheid milieuinformatie 9 november 2021
Meridian nummer: 002.678.20 0970516
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Verantwoording Titel
MER 380kV Zuid-West Oost Actualiteit en navolgbaarheid milieuinformatie
Opdrachtgever
TenneT TSO B.V.
Projectleider
Anne Vogelzang - Wijlens
Auteur(s)
Mark Zandvoort
Tweede lezer
Esther van Rosmalen
Projectnummer
1281851
Aantal pagina’s
43
Datum
9 november 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Inhoud 1
2
3
4
Vraagstelling .............................................................................................................................. 5 1.1
Actualiteit van het milieuonderzoek .................................................................................... 5
1.2
Navolgbaarheid van de onderzoeken ................................................................................ 6
1.3
Opbouw van het memo ...................................................................................................... 6
Actualiteit 2021 .......................................................................................................................... 6 2.1
Wet- en regelgeving ........................................................................................................... 6
2.2
Autonome ontwikkelingen .................................................................................................. 6
2.3
Wijziging in het voornemen ................................................................................................ 8
2.4
Masttype ............................................................................................................................. 8
Werkwijze van effectbepaling .................................................................................................. 12 3.1
Toelichting op de werkwijze ............................................................................................. 12
3.2
Beoordelingskader ........................................................................................................... 12
3.3
Werkwijze en methoden per thema .................................................................................. 12
3.3.1
Leefomgevingskwaliteit ............................................................................................. 13
3.3.2
Landschap en cultuurhistorie .................................................................................... 15
3.3.3
Natuur ....................................................................................................................... 17
3.3.4
Bodem en water ........................................................................................................ 18
3.3.5
Archeologie ............................................................................................................... 20
3.3.6
Ruimtegebruik ........................................................................................................... 20
Bepaling actualiteit milieuinformatie ........................................................................................ 22 4.1
Leefomgevingskwaliteit .................................................................................................... 22
4.1.1
Criterium 1: Aantal gevoelige bestemmingen ........................................................... 23
4.1.2
Criterium 2: Aantal vrijgespeelde gevoelige bestemmingen ..................................... 24
4.1.3
Criterium 3: Hinder .................................................................................................... 24
4.1.4
Conclusie leefomgevingskwaliteit ............................................................................. 25
4.2
Landschap en cultuurhistorie ........................................................................................... 25
4.2.1
Criterium 1: Landschappelijk hoofdpatroon .............................................................. 26
4.2.2
Criterium 2: Kwaliteit tracé ........................................................................................ 26
4.2.3
Criterium 3: Gebiedskarakteristiek ............................................................................ 27
4.2.4
Criterium 4: Samenhang landschapselementen ....................................................... 27
3/43
Kenmerk
4.2.5
Criterium 5: Samenhang op mastniveau ................................................................... 28
4.2.6
Conclusie landschap en cultuurhistorie .................................................................... 29
4.3
Natuur .............................................................................................................................. 30
4.3.1
Criterium 1: Verandering van het aantal draadslachtoffers ....................................... 31
4.3.2
Criterium 2: Effecten op leefgebied ........................................................................... 32
4.3.3
Criterium 3: Tijdelijke effecten ................................................................................... 33
4.3.4
Conclusie natuur ....................................................................................................... 34
4.4
Bodem en water ............................................................................................................... 34
4.4.1
Criterium 1: Aantasting van aardkundige waarden ................................................... 34
4.4.2
Criterium 2: Sanering bodemverontreinigingen......................................................... 36
4.4.3
Conclusie bodem en water........................................................................................ 37
4.5
Archeologie ...................................................................................................................... 37
4.5.1
Criterium 1: Archeologische rijksmonumenten.......................................................... 38
4.5.2
Criterium 2: AMK-terreinen ....................................................................................... 38
4.5.3
Criterium 3: Verwachtingsgebieden .......................................................................... 39
4.5.4
Conclusie archeologie ............................................................................................... 40
4.6
5
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Ruimtegebruik .................................................................................................................. 40
4.6.1
Criterium 1: Fysiek ruimtebeslag............................................................................... 41
4.6.2
Criterium 2: Functie ‘bos’ in ZRO .............................................................................. 41
4.6.3
Criterium 3: Maatgevende functies in ZRO ............................................................... 42
4.6.4
Conclusie ruimtegebruik............................................................................................ 42
Conclusies ............................................................................................................................... 43
4/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
1 Vraagstelling TenneT heeft het voornemen een nieuwe 380 kilovolt (kV) hoogspanningsverbinding in ZuidwestNederland aan te leggen. Deze verbinding transporteert elektriciteit van de productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, vanwaar verder transport via de landelijke 380kV ring plaatsvindt. De aanleg van deze 380kV-hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor de leveringszekerheid van elektriciteit. De vraagstelling die aan dit memo ten grondslag ligt, is tweeledig: actualiteit van het onderzoek en de navolgbaarheid ervan. De twee paragrafen hierna duiden de twee doelen van dit memo. De derde paragraaf geeft een korte toelichting op de opbouw van het memo.
1.1
Actualiteit van het milieuonderzoek
Het project 380 kV Zuid-West Oost kent een lange voorgeschiedenis. Ten behoeve van de besluitvorming is er in de loop der jaren uitvoerig milieuonderzoek verricht, de resultaten hiervan zijn op verschillende momenten gepubliceerd. In 2017 heeft TenneT alternatieve tracés en varianten voor de nieuwe verbinding ontwikkeld en zijn de effecten hiervan onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn in 2017 samengebracht in een aantal documenten. Het betreft: • •
De Notitie MER-beoordelingskader, die het beoordelingskader en de in het onderzoek gevolgde werkwijze van het milieuonderzoek beschrijft De achtergronddocumenten die het milieuonderzoek over respectievelijk Leefomgevingskwaliteit;
•
Landschap en Cultuurhistorie; Natuur; Bodem en Water; Archeologie en Ruimtebeslag beschrijven De Samenvatting Milieueffecten, waarin de kern van het milieuonderzoek uit de
•
achtergronddocumenten is samengevat technische notities over Nut en Noodzaak; Tracéontwikkeling; Aansluiting Deelgebieden; Nettechniek en Kosten
•
De Integrale Effectanalyse waarin alle informatie uit de onderzoeken is samengevat
In 2017 heeft de minister van Economische Zaken - mede op basis van deze informatie - het Voorgenomen tracé bepaald. In de periode tussen 2017 en 2021 is het Voorgenomen tracé geoptimaliseerd. Er zijn hiervoor meer gedetailleerde, lokale varianten op het tracé ontwikkeld, die met elkaar zijn vergeleken. In 2019 zijn de resultaten hiervan gepubliceerd in Projectboek 3. Mede op basis van deze optimalisaties is het Voorkeursalternatief bepaald. Sinds 2017 hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan in wet- en regelgeving, referentiesituatie en het voornemen zelf. Daarom is de vraag aan de orde of de milieu informatie uit 2017 na deze wijzigingen nog actueel is. Ook is de vraag aan de orde of het milieubelang aan de hand van deze informatie zorgvuldig kan worden meegewogen in de besluitvorming over het tracé van de nieuwe verbinding.
5/43
Kenmerk
1.2
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Navolgbaarheid van de onderzoeken
Het MER beschrijft de milieueffecten van het voornemen. In dit memo wordt aandacht besteed aan de navolgbaarheid van de in het MER beschreven effecten en van het onderzoek dat geleid heeft tot deze uitkomsten. Met dit memo is de wijze waarop het modeltechnische onderzoek is uitgevoerd voor een ieder verifieerbaar.
1.3
Opbouw van het memo
Het memo is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 beschrijft de wijzigingen in wet- en regelgeving, de referentiesituatie en het voornemen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 per milieuthema toegelicht of, en wat voor consequenties de wijziging heeft voor de effectbeoordeling in de milieuonderzoeken dan wel de vergelijking van de alternatieven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gevolgde werkwijze en hoofdstuk 5 geeft de conclusies.
2 Actualiteit 2021 Dit hoofdstuk behandelt de actualiteit van de gegevens uit 2017 in 2021. Eerst behandelt dit memo de wijzigingen van het voornemen in 2021 ten opzichte van het Voorgenomen Tracé 2017. Daarna behandelen we de wijzigingen in de autonome ontwikkelingen. Wijzigingen van wet- en regelgeving zijn in hoofdstuk 4 per thema benoemd.
2.1
Wet- en regelgeving
Per thema zijn relevante wijzigingen in wet- en regelgeving uitgezocht. Dit wordt per thema in hoofdstuk 4 behandeld.
2.2
Autonome ontwikkelingen
Voor de autonome ontwikkelingen die in 2017 zijn geïdentificeerd geldt dat deze nu deels zijn gerealiseerd. Daarmee zijn zij onderdeel van de bestaande situatie geworden. In de afgelopen jaren zijn er ook nieuwe autonome ontwikkelingen aan te wijzen in de nabijheid van de tracé-alternatieven. Voor de volledigheid sommen we hierna de belangrijkste nieuwe autonome ontwikkelingen binnen een straal van één km van het tracé per deelgebied (figuur 2.1) op:
6/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Figuur 2.1 Deelgebieden in kaart gebracht, van west naar oost: Rilland-Roosendaal-Standdaarbuiten-Tilburg
Deelgebied 1, Rilland-Roosendaal: • Zonnepark Reimerswaal • Afvalwaterpersleiding AWP 2.0, Grindweg, Woensdrecht • • •
Klein-Molenbeek 4 en 9, realisatie van 4 extra woningen Balsedreef 3, realisatie van een akkerbouwloods Zonnepark Heerle
• • •
Oostelaarsestraat 6, uitbreiden van varkenshouderij Vroenhoutseweg 16, Stallen afbreken, woonhuis realiseren Wijzigingsplan gemeente Roosendaal, Stallen afbreken, woonhuizen realiseren op 4 locaties
•
(Hogeweg 4, Vroenhoutseweg 9, Heirweg 6, Huijbergseweg 34) Herziening Buitengebied Roosendaal, oprichting biomineralenfabriek
Deelgebied 2, Roosendaal-Standdaarbuiten: • Zonnepark Evertkreekweg, realisatie zonnepark van circa 30 ha • (ontwerp)Bestemmingsplan Logies Emmerblok, realisatie van kleinschalige logiesaccomodatie • •
van 50 studio’s Kralen 20a, nieuwbouw stallingsruimte met zoutbuffer Langeweg 3 Oudenbosch, Verbouwing van melkrundveebedrijf naar hoefsmederij
•
Langeweg 1 Oudenbosch, Verbouw bedrijfspand tot gewone burgerwoning
7/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Deelgebied 3, Standdaarbuiten-Tilburg: • • •
Windenergie A16, plaatsen van 28 windmolens in een zone van 1 km aan weerszijde van de A16 Wereld van de Efteling 2030, uitbreiding van park de Efteling Natuurbegraafplaats Huis ter Heide
Er liggen naast het plan voor de A16 geen concrete plannen voor de realisatie van windmolens. Wel zijn er in de concept-RES zoekgebieden aangewezen die op sommige plekken een tracé alternatief raken. Dit is nu nog onvoldoende concreet om rekening mee te kunnen houden en valt buiten de autonome situatie. Het plaatsen van de windmolens rondom de A16 was nog geen autonome ontwikkeling in de onderzoeken gepubliceerd in 2017. Over de opstelling van de windmolens heeft afstemming plaatsgevonden in de planfase van het windmolenproject. De alternatieven voor de windmolenopstellingen zijn besproken en afgestemd op het voorgenomen tracé van de hoogspanningsverbinding inclusief de tracéalternatieven rondom Zevenbergschenhoek. De gekozen windmolenopstelling interfereert daardoor niet met het voorgenomen tracé van de hoogspanningsverbinding.
2.3
Wijziging in het voornemen
Er zijn een drietal wijzigingen in het voornemen geweest: • De loskoppeling van de locatiekeuze omtrent het hoogspanningsstation bij Tilburg •
Optimalisatie van het tracé t.b.v. het VKA. Zo is na nader onderzoek bij Bergen op Zoom het mogelijk gebleken om de verkabeling van de 380 kV-combiverbinding in de buisleidingenstraat te verlengen met 2,5 km om effecten op het N2000 gebied Brabantse Wal te voorkomen
•
De wijziging van het masttype van de beoogde wintrack masten naar vakwerkmasten
Voor de eerste wijziging volstaat de opmerking dat de milieuonderzoeken uit 2017 meer informatie bevatten dan thans noodzakelijk. Deze informatie wordt in dit memo dus niet verder beschouwd. Voor de tweede wijziging volstaat de opmerking dat het voornemen uit 2017 erna geoptimaliseerd is. Deze is dus in 2017 niet onderzocht. Deze heeft dus geen effect op de vier varianten en is daarom in dit memo buiten beschouwing gelaten. Het masttype is gewijzigd. Dit is een wijziging die de milieueffecten en het MER beïnvloedt. Deze wijziging wordt daarom hieronder verder toegelicht. Deze wijziging is de basis voor de beschrijving in hoofdstuk 4 van de consequenties voor de actualiteit van de milieu informatie.
2.4
Masttype
Lange tijd was het voornemen dat de verbinding zou worden gerealiseerd met Wintrackmasten. In 2020 is onderzocht of de verbinding ook gerealiseerd kon worden met Moldaumasten, speciaal voor het project ontwikkelde vakwerkmasten. Dit onderzoek is in 2020 gepubliceerd. Mede op basis van dit onderzoek is in 2020 besloten het project uit te voeren met Moldaumasten. Deze wijziging in het voornemen is de meest belangrijke omdat die voor het hele tracé van circa 70 km opgaat en mogelijke wijzigingen voor de effectbeoordeling of de consequentie daarvan voor het MER behelst.
8/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
De wintrackmast en de Moldau-mast hebben hun eigen eigenschappen, uitgangspunten en voorwaarden. De vraag is: Welke verschillen zijn er te zien tussen deze typen mast? Daarop kan de vraag gesteld worden: Heeft dat effect op de milieu informatie in de onderzoeken, dan wel de conclusies van het MER? Als laatste is de vraag: Zijn de onderzoeken nog voldoende adequaat in de beschrijving van de milieueffecten voor het overeind blijven van de informatie in 2021? Draadconfiguratie en masthoogte De draadconfiguratie wijzigt (zie figuur 2.2). Dit komt door de hoogte van de Moldaumast, die circa 6 m lager is ten opzichte van de Wintrackmast. Er is geen exacte verlaging te geven omdat sommige masten hoger zijn dan andere. Dit hangt mede af van de aanwezigheid van overspanningen en of er een combinatie wordt gemaakt met een 150 kV verbinding. Relatief gezien is 6 m een verlaging van ~10% op de totale hoogte van de mast (ter vergelijking: bij een solo verbinding van 380 kV is een Wintrackmast 51-63 m hoog, de Moldaumast is 53-57 m hoog; waar een 63 m mast stond komt een 57 m mast).
Figuur 2.2 Draadconfiguraties en masthoogte bij Moldaumasten (links) en wintrackmasten (rechts)
Mastvoet & ontgravingsoppervlak De mastvoet van de Moldau en Wintrack verschillen behoorlijk van elkaar in uitvoering (figuur 2.3). De Wintrack-mast bestaat uit twee pylonen die gemeten vanuit hun middelpunt 16,4 m uit elkaar staan. Deze pylonen staan op een betonnen voet, ook wel grondplaat genoemd (zie figuur 2.4). Hiervoor is per mastlocatie een ontgravingsoppervlak1 van gemiddeld 50 x 20 m nodig. De gemiddelde Moldau-mast heeft vier poten op een heipaal die bovengronds uitsteekt, de poer. Hierdoor is er een veel beperktere roering in de bodem nodig. Een nieuwbouwterrein van 50 * 20 m voor een Wintrackmast verandert naar 12 * 12 m tot 20 * 20 m voor Moldaumasten (afhankelijk van de grootte van de mast). Hierbij wordt voor de bouw van de wintrackmast 1000 m2 en voor een Moldaumast 100-400 m2 ontgraven, waarbij dit voor de Moldaumast enkel opgaat voor zware steunmasten (de verhoogde steunmasten) en hoekmasten.
1
In de achtergronddocumenten uit 2017 wordt gesproken over ontgravingsoppervlak. Voor de duidelijkheid is in
hoofdstuk 4 per thema daarom vastgehouden aan het begrip ‘ontgravingsoppervlak’. Het gaat daarbij om de m2 meter oppervlak waar letterlijk ontgraven wordt ten bate van het storten van de betonnen grondplaat, een Moldaumast staat echter op een heipaal waarvoor niet ontgraven wordt maar waarvoor wel een aantal m 2 aan bodemberoering plaats vindt. 9/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Er is daarom uitgegaan van een maximaal oppervlak van 400 m 2 : gebaseerd op het grootste type mast waarvoor tussen de palen 20 * 20 m zit. Dit is een maximale aanname want feitelijk worden 4 palen in de grond geslagen, de rest van de 400 m2 bevindt zich tussen de vier hoekpunten die hiermee gecreëerd worden en waar dus geen sprake is van bodemberoering. Naast een oppervlak waar er grondberoering plaatsvindt is er bij de Moldaumast dus ook sprake van ruimtebeslag per vakwerkmast. Hiervoor is (evenals in de Achtergronddocumenten in 2017) gebruik gemaakt van de uitvoeringskenmerken en maatvoeringen van bestaande hoogspanningsverbindingen, maximaal 400 m2 voor 380 kV-mastvoeten. Dit gaat om ruimte tussen de heipalen die niet beroerd wordt maar wel als ontgravingsoppervlak meegerekend is.
Figuur 2.3 Links de betonnen voet met mast van een wintrackmast, rechts de heipaal van een vakwerkmast zoals die van een Moldaumast eruit zal komen te zien (niet op schaal)
10/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Figuur 2.4 Vergelijking tussen de afmetingen van de beide type masten. Een wintrackmast heeft 2 van dergelijke grondplaten, een Moldaumast heeft 4 heipalen. De figuur is op schaal en geeft dus het verschil weer tussen de totale grondberoering per mast
Veldlengte, opstijgpunten & ZRO-strook De veldlengte is de afstand tussen de masten. Deze afstand is voor beide mastsoorten maximaal 400 m. Gemiddeld komt dit voor beide masten neer op circa 350 m tussen de masten. Daarnaast worden in beide mastsoorten dezelfde draden en draadconfiguraties toegepast. De breedte van de ZRO-strook van de Moldaumast is iets groter, doordat de traversen van de Moldaumast enigszins breder zijn dan die van de Wintrackmast. Maar dit leidt niet tot een groter effect op de maatgevende functies omdat deze gelijk blijven. Eén van de belangrijkste redenen hiervoor is de andere ophangmethode waardoor de breedte van het magneetveld gelijk blijft. De draadconfiguratie heeft namelijk in het midden een bolling: de middelste draden staan verder naar buiten dan de onder- en bovendraden waardoor de draadconfiguratie een ellips-vorm heeft. Ook het aantal opstijgpunten is onafhankelijk van de mastsoort en is afhankelijk van de tracé keuze. Hier zijn dus geen wijzigingen te zien als gevolg van een andere mastsoort.
11/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
3 Werkwijze van effectbepaling Ten behoeve van de navolgbaarheid wordt hier de werkwijze in de effectbepaling nogmaals kort toegelicht. Eerst volgt een toelichting op de werkwijze, navolgend een toelichting op het beoordelingskader en daarna de werkwijze en specifieke methoden per thema.
3.1
Toelichting op de werkwijze
De werkwijze om tot een effectbeoordeling te komen is beschreven in de Notitie MER beoordelingskader en in deelrapport 1 van het MER. De milieueffecten van alle alternatieven en varianten zijn in beeld gebracht door het tracé te vergelijken met de autonome ontwikkeling. Dit is de situatie die ontstaat, als het voornemen niet wordt uitgevoerd en uitsluitend het vastgestelde overheidsbeleid en ruimtelijke plannen, zoals de aanleg van wegen, woonwijken of bedrijventerreinen, zijn gerealiseerd. De milieueffecten zijn in beeld gebracht conform het beoordelingskader dat TenneT hanteert bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen op land. Het geeft aan welke thema's, deelaspecten en criteria hierbij aan de orde komen en welke beoordelingsmethodiek is toegepast. Elk thema is gesplitst in criteria. Alle criteria zijn op basis van een specifieke werkwijze en methodiek bepaald voor de varianten met hun alternatieven. Dit is de effectbepaling die aan de hand van een beoordelingskader kan worden beoordeeld. De gehele effectbepaling is gedaan met de brondata uit 2017. De actualisatie in hoofdstuk 4 geeft weer wat de situatie in 2021 is.
3.2
Beoordelingskader
Het beoordelingskader geeft weer hoe een variant per milieuthema scoort. De effecten zijn beoordeeld aan de hand van een 7-puntsschaal zoals weergegeven in tabel 3.1. Deze beoordelingsklassen zijn per criterium verder gespecificeerd en in dit memo opgenomen per besproken milieuthema in hoofdstuk 4. Tabel 3.1 Beoordelingsklassen
3.3
+++
Zeer positief effect
++
Positief effect
+
Licht positief effect
0
Neutraal effect
-
Licht negatief effect
--
Negatief effect
---
Zeer negatief effect
Werkwijze en methoden per thema
Navolgend wordt per milieuthema kort uiteengezet welke werkwijze en methoden zijn gevolgd om tracés te beoordelen op hun milieueffecten (zie ook deelrapport 1 en Notitie MER beoordelingskader). Elk thema begint met een opsomming van de criteria en een samenvatting per criterium van de werkwijze.
12/43
Kenmerk
3.3.1
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Leefomgevingskwaliteit
Effecten voor het thema leefomgevingskwaliteit zijn beoordeeld op basis van 2 criteria, tabel 3.2. Het derde criterium “Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de realisatiefase” is wel berekend maar er is geen effectscore aan gegeven. Tabel 3.2 Criteria binnen het thema leefomgevingskwaliteit
1
Criterium
Werkwijze
Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve
Kwantitatieve analyse van percelen
magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse
overlappend met de indicatieve
verbinding
magneetveldzone van de nieuwe verbinding o.b.v. GIS en een contour van 60, 80 of 120 meter vanaf een tracé
2
Aantal gevoelige bestemmingen dat wordt
Kwantitatieve analyse van percelen
vrijgespeeld
overlappend met de indicatieve magneetveldzone van te verwijderen masten en lijnen o.b.v. GIS en een contour van 80 m vanaf een tracé
3
Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de
Kwantitatief; met de analyse in GIS
realisatiefase
wordt berekend welke percelen in de tijdelijke hinderzone (150 m) liggen
Criterium 1: Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding In het MER is het aantal gevoelige bestemmingen met behulp van drie berekende magneetveldzones bepaald, te weten de bestaande zone, de nieuwe zone en de zone van gebundelde verbindingen. In figuur 3.1 zijn deze zones weergegeven.
Figuur 3.1 Gevoelige bestemmingen in verschillende magneetveldzones. Categorie 1 is de specifieke magneetveldzone van de nieuwe verbinding, categorie 2 is de magneetveldzone van gebundelde verbindingen en categorie 3 is de magneetveldzone van de bestaande verbinding
13/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Omdat in het MER geen gedetailleerd uitgewerkt tracé met mastlocaties van alle alternatieven en varianten opgenomen is, is het niet mogelijk om specifieke magneetveldzones te berekenen. De effectbeschrijving in het MER is daarom gebaseerd op indicatieve magneetveldzones. Deze worden ook ontwerp magneetveldzones genoemd. De indicatieve magneetveldzone is gedefinieerd als het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (beleidsadvies VROM 2005). De indicatieve magneetveldzones zijn weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3 Indicatieve magneetveldzones van 0,4 microtesla Mast
Uitvoeringsvorm
Indicatieve magneetveldzone
Combi 2x380 – 2x150 kV
Niet gebundelde verbinding
80 m links en 80 m rechts
Gebundelde verbinding
90 m links en 90 m rechts
Niet en wel gebundelde verbinding
60 m links en 60 m rechts
2x380
De analyse vindt plaats in een GIS waarbij de contour van respectievelijk 160 m, 180 m of 120 m rond de hartlijn van de verbinding op een kaart geplot wordt en de percelen met gevoelige bestemmingen die daarin vallen, geteld worden. Criterium 2: Aantal gevoelige bestemmingen dat wordt vrijgespeeld Bij sloop van een 150 kV hoogspanningsverbinding worden mogelijk gevoelige bestemmingen vrijgespeeld uit de indicatieve magneetveldzone. Ook bij de reconstructie van de bestaande 380 kVverbinding kunnen mogelijk gevoelige bestemmingen worden vrijgespeeld uit de indicatieve magneetveldzone van die bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding. De wijze van berekenen is gelijk als voor criterium 1, echter wordt nu aan de hand van 2 berekeningen een vergelijking gemaakt tussen de oude situatie en de door te rekenen variant. Criterium 3: Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de realisatiefase Tijdens de gebruiksfase van de verbinding is er geen sprake van continue geluidshinder. Wel kan rond de verbinding onder bepaalde omstandigheden een licht knetterend geluid optreden. Dit wordt coronageluid genoemd. Dit geluid ontstaat door elektrische ontladingen in de lucht rondom de geleiders. In het MER is het aantal woningen binnen relevante geluidscontouren bepaald. Dit gaat om bovengenoemd coronageluid en daarnaast door langdurige activiteiten op een bouwplaats, verkeer op de bouwwegen en heien.
Hier wordt een geluidsniveau voor bepaald dat vertaald wordt in een geluidscontour, in dit geval 60 dB(A) (zie deelrapport 1). De indicatieve afstand is daarmee op 250 meter van het tracé gelegd omdat exacte hinderafstanden niet voor alle varianten te bepalen zijn. Met een GIS analyse is vervolgens het aantal woningen binnen het hindergebied berekend van zowel de varianten als van de te slopen verbindingen. Dit laatste zodat ook hinder door sloopwerkzaamheden wordt meegerekend. De werkwijze daaropvolgend is vergelijkbaar met die voor de magneetveldzones, met het verschil dat nu woningen en niet percelen geteld zijn, en dat de afstand tot het tracé 250 m aan weerzijden van de hartlijn betreft. De functie ‘woning’ is verkregen uit de BAG van het kadaster (figuur 3.2).
14/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Figuur 3.2 In rood is de 500 meter contour rond de hartlijn van de te slopen verbinding weergegeven, in groen de contour van de nieuwe verbinding. In paars de panden die volgens de BAG een woonfunctie hebben. De grijze blokjes zijn gebouwen met een andere functie. Dit voorbeeld laat zien dat er op deze locatie vijf gevoelige bestemmingen vrijgespeeld worden
3.3.2
Landschap en cultuurhistorie
Voor het thema landschap en cultuurhistorie is de omschrijving van landschappelijke kwaliteit en de beoordeling opgebouwd uit drie schaalniveaus. Binnen die schaalniveaus zijn vijf beoordelingscriteria onderscheiden, zie tabel 3.2. Tabel 3.4 Criteria voor de beoordeling van effecten op landschappelijke en cultuurhistorische aspecten Schaalniveau Tracéniveau
1
Beoordelingscriterium
Beoordeling
Beïnvloeding landschappelijk hoofdpatroon
Kwalitatief o.b.v. visuele expert judgement ten aanzien van de aansluiting op bestaande landschappelijke hoofdpatronen
2
Kwaliteit tracé
Kwalitatief o.b.v.
3
Beïnvloeding gebiedskarakteristiek
4
Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen
Kwalitatief o.b.v.
en hun context op lijnniveau.
effectbeschrijving
Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke
Kwalitatief o.b.v.
elementen en hun context op mastniveau.
effectbeschrijving
effectbeschrijving Lijnniveau
Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving
Mastniveau
5
15/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
De samenhangen tussen functie, vorm en betekenis van verschillende landschapselementen zijn de basis voor de herkenbaarheid van een plek, voor de beleving van schoonheid en het gevoel zich ergens thuis te voelen. Eigenschappen en kwaliteiten van het landschap liggen verankerd in een stelsel van samenhangen tussen de verschillende landschapselementen. Deze samenhangen zijn de basis voor de specifieke eigenschappen van een bepaald landschap. Ze geven elk landschap haar eigen, unieke karakter. Criterium 1: Beïnvloeding landschappelijk hoofdpatroon Een hoogspanningsverbinding kan aansluiten bij het landschappelijke hoofdpatronen, en deze daarmee versterken, of deze doorkruisen en daarmee verzwakken. De analyse hiervan is kwalitatief gedaan door een landschapsarchitect die getraind is om patronen visueel te herkennen. De analyse bestaat uit het herkennen van patronen, bepalen in welke mate een variant hier al dan niet op aansluit en de varianten ten opzichte van elkaar wegen. Criterium 2: Kwaliteit tracé De kwaliteit van de boven- en ondergrondse tracédelen betreft de herkenbaarheid van de verbinding als bovenregionaal infrastructuurelement. Het tracé met hoge kwaliteit is een autonome verbinding met beperkte richtingsveranderingen. Gebrek aan kwaliteit kan ontstaan doordat de verbinding met lokale verschijnselen mee beweegt en verschillende uitvoeringswijzen kent.
De kwaliteit van de tracés is kwalitatief beschreven door een landschapsexpert aan de hand van projecties van de tracés op de kaart. Criterium 3: Beïnvloeding gebiedskarakteristiek De gebiedskarakteristieken zijn beschreven en beoordeeld aan de hand van subgebieden, dit zijn geografische eenheden met een eigen gebiedskarakteristiek die zich onderscheiden van de omgeving. Het effect is bepaald door de mate waarin de verbinding al dan niet contrasteert met het landschappelijke karakter per deelgebied. Dit wordt gedaan door de visuele complexiteit te beoordelen. Hierbij analyseert een expert in welke mate de verbinding samenvalt met de bestaande visuele context van het landschap. Dit is per deelgebied en per bundelingssituatie (vorm van de verbinding) gedaan. Elke complexe situatie is op een kaart weergegeven waarna een kwalitatieve beoordeling per tracé plaats vond. Criterium 4: Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen en hun context op lijnniveau. Bij dit criterium analyseert een expert de samenhang tussen elementen, zoals dorpssilhouetten, bosjes en lanen, en de verbinding. De samenhang kan worden versterkt of verstoord. De expert loopt alle tracés bij langs en signaleert waar en in welke mate de landschappelijke samenhang mogelijk versterkt of verstoord wordt.
Criterium 5: Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke elementen en hun context op mastniveau Voor dit criterium is geen analyse uitgevoerd omdat de exacte mastlocaties niet bekend waren tijdens de milieueffectbeoordeling.
16/43
Kenmerk
3.3.3
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Natuur
Het thema natuur is beoordeeld op basis van de volgende verschillende deelaspecten en criteria (tabel 3.5). Tabel 3.5 Beoordelingskader van effecten op natuur Criterium
Sub-criterium
1 Verandering van het
Beoordeling Kwalitatief
aantal draadslachtoffers 2 Effecten op leefgebied
A
gebieden met bijzondere
Kwantitatief (ha)
natuurwaarden B
leefgebied vogels
Kwantitatief (ha)
C
leefgebied vleermuizen
Kwantitatief (aantal
D
zoogdieren
doorsnijdingen)
3 Tijdelijke effecten op
Kwantitatief (ha) Kwalitatief
leefgebied amfibieën
Criterium 1: Verandering van het aantal draadslachtoffers Dit criterium wordt kwalitatief bepaald op basis van expert judgement, in dit geval een ecoloog met ornithologische ervaring (een vogeldeskundige). Het criterium wordt bepaald door drie elementen: landschapstype, wat de aanwezige vogelsoorten en aantal vogelbewegingen bepaalt, de zichtbaarheid en draaddichtheid van de verbinding, en vogelkenmerken zoals gezichtsveld, lichaamsbouw en gedrag. De ornitholoog beoordeelt op basis van ervaring en bestaande kennis per landschapstype het mogelijke voorkomen en aantal vogels dat vliegbewegingen kan laten zien. Hier valt een indicatie van het aantal draadslachtoffers van af te leiden. Criterium 2: effecten op leefgebieden De effecten van de varianten op leefgebieden zijn kwantitatief vastgesteld. Voor subcriteria A, B en D C is dit op gelijke wijze, maar met andere brondata, gedaan. Subcriterium C is niet gebaseerd op een aantal hectare gebied maar doorsnijdingen van heggen, wallen en bosschages. Het aantal hectare is gebaseerd op de lengte van de verbinding met vanuit de hartlijn van elk tracé 16,25 meter afstand. Zo ontstaat een zone van 32,5 meter breed over de gehele lengte van de tracés die in GIS gecorreleerd is aan verschillende databronnen. Voor gebieden met bijzondere natuurwaarden zijn de NNN en Natura 2000 gebieden geanalyseerd.
Welke gebieden hieronder vallen is openbaar via data.overheid.nl. Positieve effecten door het verwijderen van verbindingen zijn niet meegenomen. Negatieve effecten op leefgebieden van vogels ontstaan door het aantasten van broedlocaties van vogels of locaties waar wordt gefoerageerd of geslapen. Hierbij wordt specifiek naar gebieden gekeken die door de provincie zijn aangewezen voor weidevogels, respectievelijk ganzen en smienten. Bij het amoveren van verbindingen kunnen ook positieve effecten optreden, doordat gebieden na verwijdering van een hoogspanningsverbinding geschikt(er) worden als leefgebied.
17/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Het aantal hectare wordt met dezelfde maatvoering als voor gebieden met bijzondere natuurwaarden uitgevoerd. Echter wordt deze voor vogels geanalyseerd aan de hand van relevante Agrarische faunagebieden zoals aangewezen door de provincie, het gaat specifiek om habitattypes A01.01 (Weidevogelgebieden) en A01.03 (Ganzenfoerageergebied). Dit is open data verkregen via het dataportaal van de Provincie Noord-Brabant. Voor het effect op zoogdieren is het verlies van hectare bos geanalyseerd, omdat het met name gaat om bosgebonden zoogdieren zoals de eekhoorn. De effecten op het leefgebied van deze soorten zijn kwalitatief bepaald aan de hand van verspreidingsgegevens en een inschatting van de ligging van (potentieel) leefgebied voor zwaarder beschermde soorten. Het areaal bos dat doorsneden wordt komt uit de ECO-BBG, het specifiek op ecologie gerichte basisbestand bodemgebruik van het Rijk. Hierop is de analyse uitgevoerd met dezelfde aanname van 32,5 meter zone als bij de andere twee subcriteria. Subcriterium C is geanalyseerd door het aantal doorsnijdingen van de tracés van lijnvormige elementen met bomen (bomenrijen, singels, houtwallen) te tellen.
De analyse bestaat uit het in GIS tellen van alle doorsnijdingen die de hartlijnen van de tracés maken met bomenrijen, singels, houtwallen en bosschages op basis van de gegevens van het Kadaster, open te verkrijgen via Top10NL (het digitale topografische basisbestand van het Kadaster). Criterium 3: tijdelijke effecten op leefgebied amfibieën Tijdelijke effecten zijn kwalitatief in beeld gebracht door voor relevante kwetsbare natuur door een ecoloog te laten analyseren of er bepaalde tijdelijke effecten zijn voor vogels, zoogdieren, vleermuizen en amfibieën. In de praktijk blijkt dat alleen voor de laatste categorie dieren, de amfibieën, het leefgebied tijdelijke effecten ondergaat. Voor vogels wordt er namelijk niet in het broedseizoen gebouwd, voor vleermuizen wordt er niet ’s nachts gebouwd. Zoogdieren vallen onder de permanente effecten beschreven onder subcriterium D. Waar relevant worden amfibieën tijdens de aanleg van de hoogspanningsverbinding verplaatst en deze komen uit zichzelf weer terug naar het leefgebied als de aanleg klaar is. 3.3.4
Bodem en water
Het thema bodem en water is beoordeeld op basis van twee beoordelingscriteria, zie tabel 3.6. Tabel 3.6 Beoordelingscriteria en beoordelingswijze van effecten op Bodem & Water
1
2
Beoordelingscriterium
Beoordeling
Aardkundige waarden kunnen blijvend
Kwantitatief o.b.v. oppervlakte aantasting
(permanent) negatief worden aangetast.
aardkundige waarden (ha)
Het saneren van
Kwantitatief o.b.v. oppervlakte aantasting
bodemverontreinigingen leidt tot een
bestaande en potentiële verontreinigingen
blijvend (permanent) positief
(ha).
milieueffect.
18/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Criterium 1: Aardkundige waarden kunnen blijvend (permanent) negatief worden aangetast De aardkundige waarden zijn geanalyseerd op basis van de vergravingen die gedaan moeten worden voor elke variant. Het gaat hierbij om het oppervlak voor de mastvoeten, de vergraving voor het kabelbed en grondberoering die plaats moet vinden voor aantakkingen of opstijgpunten. Deze zijn alle weergegeven in een GIS bestand. Hiermee heeft een analyse plaatsgevonden op de geomorfologische, geologische, bodemkundige of geohydrologische verschijnselen in het landschap, die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. Bij de provincies Zeeland en Noord-Brabant zijn de aardkundige waardenkaarten opgevraagd. Hierop zijn aardkundig relevante gebieden begrensd waarbinnen zich aardkundig waardevolle verschijnselen bevinden. Per tracéalternatief is bepaald over welk oppervlak de begrensde gebieden worden aangetast. Deze data is eigendom van het IPO en via een INSPIRE datafile openbaar beschikbaar. Alleen de eigenlijke bodemberoering voor elk van de varianten is hiervoor meegenomen. Criterium 2: Het saneren van bodemverontreinigingen leidt tot een blijvend (permanent) positief milieueffect. Bij potentiële verontreinigingen bestaat er op basis van historische activiteiten een vermoeden dat er een verontreiniging is. Er is echter nog geen onderzoek uitgevoerd om dit te verifiëren.
Bij het funderen van de masten worden aanwezige lokale verontreinigingen indien nodig gesaneerd. Dit is beoordeeld als een blijvend positief effect. Voor dit criterium is een kwantitatieve beoordeling uitgevoerd aan de hand van open data van de Provincie Noord-Brabant (figuur 3.3). Alle bodemberoering die plaats moet vinden per tracé is door middel van GIS analyse gecorreleerd aan de bekend aanwezige bodemverontreinigingen in het gehele gebied. Het gaat dus om het vergravingsoppervlak, de bodemberoering bij aantakking en opstijgpunten en de vergraving voor het kabelbed.
Figuur 3.3 Brondata over bodemverontreinigingen in het gebied. De kaart geeft bodemverontreinigingen ten noordoosten van Bergen op Zoom weer. Voor de effectbepaling is deze informatie geanalyseerd voor alle bodemberoering die voor de verschillende tracés plaats zou moeten vinden
19/43
Kenmerk
3.3.5
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Archeologie
Bij de aanleg van de mastvoeten, opstijgpunten dan wel ondergrondse tracédelen zullen bodemingrepen plaatsvinden die het thema archeologie raken. Binnen het thema archeologie is beoordeeld op bekende en onbekende waarden/verwachtingsgebieden. Deze zijn opgedeeld in drie criteria, zie tabel 3.7. Tabel 3.7 Beoordelingskader van effecten op Archeologie Criterium
Beoordeling
1
Archeologische rijksmonumenten
Kwantitatief (m2)
2
AMK-terreinen
Kwantitatief (m2)
3
Verwachtingsgebieden
Kwantitatief (ha)
Dit kan de eventueel aanwezige archeologische waarden in een gebied met bepaalde verwachtingen aantasten. Criterium 1: Archeologische rijksmonumenten In GIS heeft een analyse plaatsgevonden van de tracés en de locaties waar deze mogelijk archeologische rijksmonumenten raken. Deze analyse is enkel op de grondberoering voor elk van de varianten uitgevoerd. Voor dit criterium is de analyse gedaan aan de hand van de Archeologische Monumenten Kaart. Deze kaart geeft weer waar (Rijks)monumenten zich bevinden, evenals waar mogelijk nieuwe archeologische resten gevonden kunnen worden. Criterium 2: AMK-terreinen Bekende vindplaatsen van archeologische resten in Nederland zijn ook weergegeven op de Archeologische Monumenten Kaart. Deze vindplaatsen worden de AMK-terreinen genoemd. De waarde van archeologische resten in een AMK-terrein is vastgesteld aan de hand van waarderend onderzoek. Ook hier is de analyse gebaseerd op alle bodemberoering die per tracé plaatsvindt, dus zowel voor de mastvoeten, opstijgpunten als kabeltracés. Criterium 3: Verwachtingsgebieden Voor de verwachtingsgebieden is de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden gekoppeld aan de bodemberoering per tracé. Zo is het aantal hectares bepaald waar mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn. 3.3.6 Ruimtegebruik He thema ruimtegebruik is beschreven op basis van drie criteria, zie tabel 3.8.
De tracé-alternatieven zijn op basis van deze kwantitatieve uitkomsten met elkaar vergeleken, maar er is geen beoordeling aan toegekend. Ongeacht de wijzigingen zal dit dus niet leiden tot een andere effectbeoordeling dan wel tracékeuze. Tabel 3.8 Criteria ter beschrijving van de effecten op Ruimtegebruik Criterium
Beschrijving/beoordeling
1
Fysiek ruimtebeslag
Kwantitatief in hectare
2
Oppervlak van de functie 'bos' in ZRO
Kwantitatief in hectare
3
Oppervlak maatgevende functies in ZRO
Kwantitatief in hectare
20/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Criterium 1: Fysiek ruimtebeslag Het ruimtebeslag is door middel van een GIS analyse inzichtelijk gemaakt door het aantal hectares ruimtebeslag te berekenen van het aantal mastvoeten en opstijgpunten van de nieuwe verbinding en het aantal te verwijderen mastvoeten. Criterium 2: Oppervlak van de functie Bos in de ZRO Bijna alle ruimtelijke gebruiksfuncties zijn binnen de ZRO-strook van bovengrondse en ondergrondse tracédelen toegestaan. Voor bos geldt een beperking. Hoog opgaande beplanting is namelijk niet toegestaan in de ZRO-strook. Er is een GIS analyse gedaan voor de ZRO strook, die 32,5 meter beslaat, 16,25 meter aan weerszijden van de hartlijn van een tracé. Hiervoor is het Basisbestand Grondgebruik van het CBS gebruikt om te zien waar bos doorsneden wordt of waar dit bij het verwijderen van het tracé weer teruggeplaatst kan worden. Criterium 3: oppervlak maatgevende functies in de ZRO In de ZRO-strook rondom de hoogspanningsverbinding wordt door TenneT een 'zakelijk recht' gevestigd in een overeenkomst met eigenaar en gebruikers. Hierin worden beperkingen gesteld aan het gebruik van de ZRO-strook. Functies worden niet onmogelijk gemaakt, maar kunnen wel belemmerd worden door een hoogspanningsverbinding. Daarom zijn het ruimtebeslag van bedrijventerreinen, recreatie, agrarische gebruik en infrastructuur in beeld gebracht.
Dit is gedaan met het Bestand Bodemgebruik van het CBS dat elk van deze functies in kaart heeft gebracht. De lengte is gegeven met het tracé en voor het oppervlak is wederom met de ZRO strook van 32,5 meter gerekend.
21/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
4 Bepaling actualiteit milieuinformatie Dit hoofdstuk beschrijft per thema of wijzigingen in wet- en regelgeving, autonome ontwikkelingen en masttype consequenties hebben voor de actualiteit van de milieu informatie. De beschrijvingen en beoordelingen zijn gebaseerd op hetzelfde beoordelingskader zoals gehanteerd in de analyse uit 2017. Stapsgewijs wordt per criterium bekeken of er door de wijziging andere milieueffecten zijn, of die tot een andere beoordeling leiden en of die tot een ander vergelijk zouden leiden.
4.1
Leefomgevingskwaliteit
Het thema leefomgevingskwaliteit is op drie criteria beoordeeld, zie tabel 4.1. Tabel 4.1 Beoordelingscriteria en beoordelingswijze van effecten op Leefomgevingskwaliteit Criterium 1
2
Beoordelingskader
Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve
Waardering effecten
Aantal
magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse
+++
n.v.t.
verbinding
++
n.v.t.
+
n.v.t.
0
0
Aantal gevoelige bestemmingen dat wordt vrijgespeeld
3
Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de
-
1 - 15
--
16 - 30
---
> 31
Waardering effecten
Aantal
+++
> 31
++
16 - 30
+
1 - 15
0
0
-
n.v.t.
--
n.v.t.
---
n.v.t.
N.v.t.
realisatiefase
Criterium 3 is enkel kwantitatief bepaald en er is geen effectbeoordeling van geweest (zie deelrapport 1 voor nadere toelichting). Voor alle drie de criteria gaan we hieronder na of er sprake is van wijzigingen in wet- en regelgeving, in autonome ontwikkelingen en of de nieuwe mastconfiguratie effect heeft op de beoordeling van de tracés. De opbouw is telkens een samenvattende tabel met daaronder toelichtende informatie.
22/43
Kenmerk
4.1.1
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Criterium 1: Aantal gevoelige bestemmingen Leidt de wijziging tot
Leidt de wijziging tot een
Verandert de wijziging
andere effecten?
andere effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
N.v.t.
N.v.t.
Nee
Autonome ontwikkelingen
Mogelijk
Mogelijk
Nee
Masttype
Nee
Nee
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen De projecten die in de autonome ontwikkeling zijn toegevoegd liggen niet in de indicatieve magneetveldzone van de onderzochte tracé-alternatieven. Dit leidt niet tot een toename van gevoelige bestemmingen. Dit leidt daarmee ook niet tot een andere effectbeoordeling omdat de effecten binnen dezelfde klassegrenzen blijven. Dit leidt niet tot een andere vergelijking tussen de alternatieven. De autonome ontwikkeling die wel in het gebied liggen, maar geen ander effect hebben omdat ze niet in de indicatieve magneetveldzone liggen zijn als volgt. Deelgebied 1 • Klein-Molenbeek 4 en 9, realisatie van 4 extra woningen. (nabij varianten Paars en Rood) • Vroenhoutseweg 16, Stallen afbreken, woonhuis realiseren (nabij varianten Paars en Rood) •
Wijzigingsplan gemeente Roosendaal, Stallen afbreken, woonhuizen realiseren op 4 locaties (Hogeweg 4, Vroenhoutseweg 9, Heirweg 6, Huijbergseweg 34) (nabij varianten Paars en Rood)
Deelgebied 2 • (ontwerp)Bestemmingsplan Logies Emmerblok, realisatie van kleinschalige logiesaccomodatie van 50 studio’s (nabij variant Rood) •
Langeweg 1 Oudenbosch, Verbouw bedrijfspand tot gewone burgerwoning (nabij varianten Rood en Geel)
Masttype Uitganspunt voor wijziging in het masttype was dat er geen toename van gevoelige bestemmingen mocht ontstaan. Ten behoeve van de effectbeschrijving in het MER is het aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone bepaald. Dit leverde voor de vakwerkmasten geen toename van gevoelige bestemmingen op. Hierdoor wijzigt de effectbeoordeling en vergelijking tussen de alternatieven dus niet.
23/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Ten behoeve van het Rijksinpassingsplan heeft TenneT de mastvorm geoptimaliseerd en is de specifieke magneetveldzone bepaald. Op basis hiervan is het aantal gevoelige bestemmingen opnieuw bepaald. Hierbij bleek dat er toch één extra gevoelige bestemming ontstaat. Om te voorkomen dat deze gevoelige bestemming ontstaat zou een nabijgelegen opstijgpunt naar het westen verplaatst moeten worden. Hierdoor zijn iets hogere masten en een langere 150 kV-kabelverbinding tussen het opstijgpunt en het 150 kV-station Geertruidenberg nodig. Dit brengt aanzienlijke meerkosten en onwenselijke landschappelijke effecten met zich mee. Daarom is het besluit om de verbinding uit te voeren met vakwerkmasten in stand gebleven en is besloten de extra gevoelige bestemming te accepteren.
4.1.2
Criterium 2: Aantal vrijgespeelde gevoelige bestemmingen
Tabel 4.2 Leidt de wijziging tot
Leidt de wijziging tot een
Verandert de wijziging
andere effecten?
andere effectbeoordeling?
de vergelijking tussen
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Masttype
Nee
Nee
Nee
alternatieven?
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Er zijn geen projecten aan de autonome ontwikkelingen toegevoegd die leiden tot een wijziging van het aantal vrij te spelen gevoelige bestemmingen. Er is dus geen sprake van een wijziging van het aantal vrij te spelen gevoelige bestemmingen en dus geen verandering van de effectbeoordeling en vergelijking tussen de alternatieven. Masttype Het aantal vrij te spelen bestemmingen is niet afhankelijk van het masttype. Daarmee is er dus ook geen sprake van een verandering van de effecten, noch van een andere effectbeoordeling en vergelijking tussen alternatieven. 4.1.3
Criterium 3: Hinder
Tabel 4.3 Leidt de wijziging tot
Leidt de wijziging tot een
Verandert de wijziging
andere effecten?
andere effectbeoordeling?
de vergelijking tussen
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Masttype
Nee
Nee
Nee
alternatieven?
24/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Geluidhinder is in beeld gebracht als tijdelijk effect tijdens de aanleg van de nieuwe lijn en de sloop van de bestaande lijn. Er is conform het beoordelingskader geen beoordeling aan dit effect toegekend. Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving. Dit leidt niet tot een verandering van de effecten. Omdat er geen wijzingen ontstaan in de effecten, ontstaat er ook geen wijziging in de vergelijking tussen de alternatieven. Autonome ontwikkelingen Er zijn geen projecten aan de autonome ontwikkelingen toegevoegd die leiden tot een wijziging van het effect. De ontwikkelingen zoals bij criterium 1 van leefomgevingskwaliteit besproken vallen alle ook niet in de contour voor wat betreft tijdelijke hinder. Er is dus geen sprake van een wijziging van de vergelijking tussen de alternatieven. Masttype Een ander masttype kan leiden tot een andere bouwmethode. Als gevolg van de gewijzigde bouwmethode kunnen de effecten mogelijk wijzigen. Echter dit zal voor alle alternatieven aan de orde zijn. De vergelijking van de alternatieven zal hierdoor niet wijzigen. De geluidscontour blijft gelijk aan die voor Wintrackmasten en omdat er geen autonome ontwikkelingen binnen deze contour zijn blijft de effectbepaling gelijk. 4.1.4
Conclusie leefomgevingskwaliteit
De wet- en regelgeving op het gebied van gevoelige bestemmingen is niet gewijzigd. De wijzingen in autonome ontwikkeling en masttype leiden niet tot veranderingen in de effecten en hun beoordeling. e onderlinge vergelijking van de alternatieven blijft daarmee ongewijzigd. De effectbeoordeling voor het thema leefomgevingskwaliteit is daarom voldoende actueel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in besluitvorming.
4.2
Landschap en cultuurhistorie
Voor het thema landschap en cultuurhistorie is de omschrijving van landschappelijke kwaliteit en de beoordeling opgebouwd uit drie schaalniveaus. Binnen die schaalniveaus zijn vijf beoordelingscriteria onderscheiden, zie tabel 4.4. Tabel 4.4 Criteria voor de beoordeling van effecten op landschappelijke en cultuurhistorische aspecten Schaalniveau Tracéniveau
Beoordelingscriterium
Beoordeling
1
Beïnvloeding landschappelijk hoofdpatroon
Kwalitatief o.b.v.
2
Kwaliteit tracé
3
Beïnvloeding gebiedskarakteristiek
4
Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen en hun
Kwalitatief o.b.v.
context op lijnniveau.
effectbeschrijving
Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke elementen en
Kwalitatief o.b.v.
hun context op mastniveau.
effectbeschrijving
effectbeschrijving Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving Lijnniveau
Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving
Mastniveau
5
25/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Voor alle vijf de criteria gaan we hieronder na of wijzigingen in wet- en regelgeving, in autonome ontwikkelingen en in de mastsoort effect hebben op de beoordeling van de tracés. De opbouw is telkens een samenvattende tabel met daaronder toelichtende informatie. 4.2.1
Criterium 1: Landschappelijk hoofdpatroon
Tabel 4.5 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een
Verandert de wijziging
andere
de vergelijking tussen
effectbeoordeling?
alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Nee
Nee
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen omdat de autonome ontwikkelingen kleinschalig van aard zijn. Ze hebben daardoor geen invloed op dit hogere schaalniveau. Mastconfiguratie Om het effect op het landschappelijk hoofdpatroon vast te stellen wordt de hoogspanningsverbinding kwalitatief beoordeeld op de samenhang van het tracé met het landschappelijk hoofdpatroon. Het type mast heeft geen effect op dit criterium. De effectbeoordeling verandert dus niet. 4.2.2
Criterium 2: Kwaliteit tracé
Tabel 4.6 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Nee
Nee
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven.
26/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen omdat de autonome ontwikkelingen kleinschalig van aard zijn. Ze hebben daardoor geen invloed op dit hogere schaalniveau. Mastconfiguratie Het type mast heeft geen effect op dit criterium, omdat kwaliteit van het tracé als zijnde een bovenregionaal infrastructuurelement wordt beoordeeld. De effectbeoordeling verandert dus niet. 4.2.3
Criterium 3: Gebiedskarakteristiek
Tabel 4.7 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de
effectbeoordeling?
wijziging de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Nee
Nee
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen de alternatieven. Autonome ontwikkelingen Voor autonome ontwikkelingen zijn er geen relevante wijzigingen omdat de gebiedskarakteristiek niet wezenlijk verandert, omdat deze ontwikkelingen te lokaal van aard zijn. Mastconfiguratie In de beoordeling van de varianten op gebiedskarakteristiek heeft het type mast (gelijk type of afwijkend type langs bestaande hoogspanning tracés) geen invloed. 4.2.4
Criterium 4: Samenhang landschapselementen
Tabel 4.8 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Ja
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Nee
Nee
Nee
27/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in Wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen De meeste autonome ontwikkelingen zijn lokaal van aard, zij hebben geen invloed op effecten op lijnniveau / landschapselementen. De zonneparken zijn wel iets groter van schaal, deze laten zich ruimtelijk echter goed combineren met hoogspanningsmasten en zijn dus relevant, maar zullen niet tot een andere effectbeoordeling leiden. Mastconfiguratie Voor de beoordeling op de samenhang tussen elementen in hun landschappelijke context is in alle gevallen de lokale situatie (waar, welke elementen, welke samenhang) maatgevend voor de beoordeling. De gewijzigde mastconfiguratie heeft daar op lijnniveau enig effect maar deze is veelal licht positief door de combinatie met bestaande mastvormen in plaats van twee verschillende typen masten. De wijziging leidt zodoende niet tot andere effectbeoordeling per tracéalternatief (figuur 4.1).
Figuur 4.1 De combinatie van een vakwerkmast met een Wintrackmast (links) laat minder synergie in het landschap zien dan de combinatie van twee vakwerkmasten (rechts)
4.2.5
Criterium 5: Samenhang op mastniveau
Tabel 4.9 Zijn er wijzigingen?
Leidt het tot een andere
Verandert de wijziging
effectbeoordeling?
de vergelijking tussen alternatieven?
Wet- en regelgeving
Nee
Nee
Nee
Autonome ontwikkelingen
Nee
Nee
Nee
Mastconfiguratie
Mogelijk
Nee
Nee
Wet- en regelgeving Er zijn geen wijzigingen in wet- en regelgeving, daarmee is er dus ook geen andere effectbeoordeling of vergelijking tussen alternatieven. Autonome ontwikkelingen De autonome ontwikkelingen hebben geen invloed op vanuit landschap en cultuurhistorie waardevolle objecten nabij de masten.
28/43
Kenmerk
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Mastconfiguratie Details omtrent de mastvoet leiden mogelijkerwijs tot kleine wijzigingen m.b.t. de inpassing van de mastvoet nabij gevoelige cultuurhistorische of landschappelijk waardevolle objecten. Echter, voor dit criterium zijn de gevoeligheden beschreven en is aangegeven welke elementen gevoelig zijn voor beïnvloeding op mastniveau door bepaalde alternatieven. Er is geen beoordeling aan toegekend. Ongeacht de wijzigingen zal dit dus niet leiden tot een andere effectbeoordeling dan wel tracékeuze. 4.2.6 Conclusie landschap en cultuurhistorie De wijzigingen in wet- en regelgeving, autonome ontwikkeling en mastconfiguratie leiden voor de criteria voor landschap en cultuurhistorie niet tot significante wijzigingen van de effecten op dit thema zoals die in 2017 zijn beschreven. De wijzigingen in de autonome ontwikkeling zijn bij criterium 4 relevant waar het de inpassing van grote elementen betreft, in dit geval de zonneparken. Deze zijn echter goed inpasbaar bij hoogspanningsverbindingen en dus werkt dit niet door in de effectbeoordeling. Ook speelt voor criterium 4 de (licht positieve) wijziging dat een meer gelijkwaardig type mast gecombineerd wordt met bestaande verbindingen. Dit verhoogt de gelijkvormigheid in het landschap. Op mastniveau is er voor criterium 5 mogelijk sprake van wijzigingen nabij gevoelige cultuurhistorische of landschappelijk waardevolle objecten.
Dit criterium is echter niet beoordeeld. Dit is onderwerp voor het inpassingsplan of definitief ontwerp. De onderlinge vergelijking van de alternatieven verandert hier niet door. De effectbeoordeling is daarom voldoende actueel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in besluitvorming.
29/43
Kenmerk
4.3
R002-1281851MZA-V01-efm-NL
Natuur
Het thema natuur is beoordeeld op basis van de volgende verschillende deelaspecten en criteria (tabel 4.10). Tabel 4.10 Beoordelingskader van effecten op natuur Criterium
Sub-criterium
1 Verandering van het
Beoordeling
N.v.t.
aantal draadslachtoffers
2 Effecten op leefgebied
A
gebieden met bijzondere natuurwaarden
B
leefgebied vogels
Idem als A
C leefgebied vleermuizen
Waardering effecten +++ ++ + 0 ----
D zoogdieren 3 Tijdelijke effecten op
Omschrijving
Aantal doorsnijdingen
Zeer positief effect Positief effect Licht positief effect Nauwelijks effect
Niet van toepassing
Licht negatief effect Negatief effect Zeer negatief effect
Niet van toepassing Niet van toepassing < 10 doorsnijdingen in het deelgebied 10 tot 100 doorsnijdingen in het deelgebied 100 - 200 doorsnijdingen in het deelgebied > 200 doorsnijdingen in het deelgebied
Idem als A
N.v.t.
leefgebied amfibieën
Voor alle drie de criteria gaan we hieronder na of wijzigingen in wet- en regelgeving, in autonome ontwikkelingen en in de mastsoort effect hebben op de beoordeling van de tracés. De opbouw is telkens een samenvattende tabel met daaronder toelichtende informatie.
30/43
Kenmerk