2021-019770 Bijlage 17- MER-Hoofdrapport-deelrapport-1-2-en-3-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
62
De tijdelijke hoogspanningsverbindingen staan op korte afstand van maximaal 50 meter van de huidige verbinding. Zij zijn uitsluitend tijdens de aanlegperiode van de verbinding aanwezig. Na ingebruikname van de nieuwe 380 kV-verbinding worden de tijdelijke verbindingen weer afgebroken. De tijdelijke verbindingen staan er daarom niet langer dan de periode die nodig is om de lijn te bouwen. De aanleg van de verbinding vindt stapsgewijs plaats; er wordt hierdoor niet op alle aanleglocaties tegelijkertijd gebouwd. De tijdelijke verbindingen per locatie zijn niet langer dan maximaal 5 jaar aanwezig.
7.2 Effecten van tijdelijke verbindingen In de paragrafen 7.2.1 tot en met 7.2.5 zijn de effecten van de tijdelijke verbindingen beschreven.
7.2.1. Leefomgevingskwaliteit De tijdelijke verbindingen kunnen in principe tot extra of nieuwe (zij het tijdelijke) gevoelige bestemmingen leiden. Bij het voorkeursalternatief is dit echter niet het geval. De gevoelige bestemmingen bij de tijdelijke verbindingen liggen: 1. óf in de huidige situatie al in de magneetveldzone van de huidige, te reconstrueren 380kV-verbindingen, 2. óf in de magneetveldzone van de nieuwe 380kV-verbinding. Dubbeltelling van de gevoelige bestemmingen moet worden voorkomen. Gezien de ligging van de gevoelige bestemmingen is daarom de conclusie dat de tijdelijke verbindingen niet tot extra of nieuwe gevoelige bestemmingen leiden.
7.2.2. Landschap De tijdelijke verbindingen hebben uitsluitend tijdens de aanleg van de nieuwe verbinding effecten op het landschap. Zij zijn in de aanlegfase zichtbaar. Ook is zichtbaar dat voor de tijdelijke verbindingen slankere masten worden toegepast, die bovendien lager zijn dan de permanente masten. Door de geringe lengte van het tracé waarover de tijdelijke verbindingen aangelegd worden én het feit dat ze naast bestaande of aan te leggen masten geplaatst worden is er geen landschappelijk effect op tracéniveau of lijnniveau. Er is uitsluitend sprake van tijdelijke effecten op mastniveau. Deze effecten zijn niet onderscheidend van de permanente effecten van de definitieve verbinding. Nadat de tijdelijke masten en verbindingen zijn verwijderd, en er cultuurtechnisch herstel aan de locaties heeft plaatsgevonden, zijn er geen effecten van de tijdelijke verbindingen meer zichtbaar in het landschap.
7.2.3. Natuur Tijdelijke verbindingen kunnen leiden tot draadslachtoffers onder vogels. De tijdelijke verbindingen worden echter in de zeer dichte nabijheid van de bestaande of de nieuw te bouwen verbindingen gerealiseerd, soms op een afstand van 50 meter. De tijdelijke verbindingen worden daarom niet als een nieuwe verbinding beschouwd, zij staan steeds in de schaduw van de reeds aanwezige en aan te leggen verbinding. Daarom leiden zij niet tot een toename van het aantal draadslachtoffers. De tijdelijke masten en tijdelijke opstijgpunten worden op kleine betonnen platen of een andere tijdelijk verharde ondergrond geplaatst. De vegetatie onder deze platen wordt verwijderd. Mogelijk dient kap van bomen en struiken voor de tijdelijke verbinding plaats te vinden. Na de verwijdering van de tijdelijke verbinding wordt het gebied opnieuw beplant en waar nodig op andere wijze hersteld. Na enige tijd zullen de specifieke effecten van de tijdelijke verbinding niet meer zichtbaar zijn. De inpassing van de definitieve verbinding is beschreven in het Landschapsplan.
63
7.2.4. Bodem en Water Onder de betonplaten waar de tijdelijke masten op geplaatst worden en ter plaatse van de tuien vindt tijdelijke verdichting van de bodem plaats. Het gaat hierbij om oppervlaktes van circa 2 m2 per mast. Na verwijdering van de masten zal de bodem weer cultuurtechnisch worden verbeterd, zodat er weer beplanting kan plaatsvinden. Het gaat hierbij om beperkte, tijdelijke effecten.
7.2.5. Archeologie De plaatsing van de masten leidt tot verdichting van de bodem onder de betonplaten. De verankering van de tuien vindt plaats door middel van betonblokken of door klapankers. Klapankers zijn grondankers die ondergronds uitklappen. Bij verwijdering van de tuien blijven klapankers over het algemeen in de bodem achter. De tuien worden daarbij op circa 2 meter onder het maaiveld afgeknipt. Het tracé van het Voorkeursalternatief doorsnijdt geen archeologische rijksmonumenten en AMK terreinen. De tijdelijke verbindingen staan zó dicht bij het tracé van de verbinding, dat de klapankers daarom ook geen archeologische rijksmonumenten of AMK-terreinen zullen raken. Mogelijk raken de klapankers wel archeologische verwachtingsgebieden. Het betreft echter een beperkt aantal tijdelijke masten en gaat hierdoor om een beperkt effect.
64
8. P assende Beoordeling 8.1 Inleiding In de omgeving van de nieuwe verbinding liggen diverse Natura 2000-gebieden. Deze gebieden genieten extra bescherming op grond van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) wijst Natura 2000-gebieden aan. In het aanwijzingsbesluit
Figuur 6.1 Indien van het onderzoeksgebied in drie deelgebieden
zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Het gaat daarbij om instandhoudingsdoelen ten aanzien van populaties van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitattypen Deelgebied 3 en populaties van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Omdat op voorhand significant negatieve effecten door de realisatie of het gebruik van de nieuwe verbinding, op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet uitgesloten konden worden, is een Passende beoordeling uitgevoerd. De Passende Beoordeling is een Deelgebied 2
afzonderlijk document dat ten behoeve van de besluitvorming over de nieuwe verbinding is opgesteld en bestaat uit twee Deelgebied 1 delen: deel A en Deel B. Beide delen zijn opgenomen in Deelrapport 4 van dit MER. Dit hoofdstuk beschrijft op hoofdlijnen de resultaten van de Passende Beoordeling.
8.2 Werkwijze Het onderzoek heeft zich gericht op de Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van de verwachte verstorende effecten van de nieuwe verbinding liggen. Het betreft de Brabantse Wal, het Zoommeer, het Markiezaat, het Krammer-Volkerak, het Hollands Diep, de Biesbosch, de Langstraat en de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. In figuur 8.1 is de ligging van deze gebieden weergegeven. Figuur 7.1 Ligging van de Natura 2000 gebieden in de nabijheid van de nieuwe verbinding
Figuur 8.1 Ligging van de Natura 2000 gebieden in de nabijheid van de nieuwe verbinding blauw: Vogelrichtlijngebied, geel: Habitatrichtlijngebied, groen: Vogelrichtlijngebied + Habitatrichtlijngebied
MER Zuid-West 380 kV Oost, Appendix, p 9
65
De aanleg van de nieuwe verbinding kan mogelijk leiden tot negatieve effecten in de genoemde Natura 2000-gebieden als gevolg van de toename van geluid, trilling en beweging, verlichting en stikstofdepositie. Effecten als gevolg van ruimtebeslag en hydrologische effecten zijn uitgesloten. In de gebruiksfase gaat het om de verandering van het aantal draadslachtoffers. Voor elk Natura 2000-gebied is beoordeeld in hoeverre deze gebieden gevoelig zijn voor de toename van geluid, trilling en beweging; verlichting en in hoeverre een verandering van het aantal draadslachtoffers zal optreden. Tabel 8.1 geeft hiervan het overzicht.
toename van geluid, trilling en beweging
toename van verlichting
verandering aantal draadslachtoffers
Leefomgevingskwaliteit Brabantse Wal
ja
ja
ja
Zoommeer
nee
nee
ja
Markiezaat
nee
nee
ja
Krammer-Volkerak
nee
nee
ja
Hollands Diep
nee
nee
ja
Biesbosch
nee
ja
ja
Langstraat
nee
nee
nee
Loonse en Drunense Duinen
nee
nee
nee
Tabel 8.1 gevoeligheid gebieden voor geluid, trilling en beweging, verlichting en verandering draadslachtoffers Vervolgens is bezien op welke kwalificerende natuurwaarden zich mogelijk effecten voordoen. Dit heeft geleid tot een overzicht van broedvogels en niet-broedvogels die zich binnen de reikwijdte van een effect bevinden. Tabel 8.2 geeft een overzicht van deze soorten.
Brabantse Wal
Zoommeer
Markiezaat
KrammerVolkerak
Hollands Diep
Biesbosch
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels A034 Lepelaar A072 Wespendief
ja
ja
ja
A081 Bruine Kiekendief
ja
A224 Nachtzwaluw
ja
A236 Zwarte Specht
ja
A246 Boomleeuwerik
ja
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels A027 Grote Zilverreiger
ja
A034 Lepelaar
ja
ja
A037 Kleine Zwaan
ja
A041 Kolgans A043 Grauwe Gans
ja
A045 Brandgans A103 Slechtvalk
ja
Tabel 8.2 Vogelsoorten die zich binnen de reikwijdte van een effect bevinden
66
ja
ja
ja
ja
ja
ja
Naast de hierboven genoemde mogelijke effecten is bij de aanleg van de nieuwe verbinding ook sprake van stikstofemissies en -deposities, waardoor mogelijk extra stikstofbelasting op de hiervoor gevoelige Natura 2000-gebieden ontstaat. Het gaat om tijdelijke effecten. In de gebruiksfase is alleen sprake van incidenteel onderhoud en reparaties waarbij voertuigen ingezet worden. Hierbij is sprake van dusdanig beperkte emissies dat deze niet tot een meetbare depositie leiden. De verwachting is dat de aanlegfase circa zes jaar zal duren. De berekeningen voor het bepalen van de mate van stikstofdepositie zijn gemaakt met Aerius, versie 2020_20201216_c759386971. De berekening is een worst-case benadering, omdat er van uitgegaan is gegaan dat de totale depositie in één kalenderjaar plaatsvindt. Op deze wijze is eveneens inzicht verkregen in het totale planeffect. In werkelijkheid vindt de depositie verspreid over de aanlegperiode plaats. Bij de berekening is gebruik gemaakt van de achtergronddepositie in het jaar 2023 (rekenjaar). De verwachting is dat de komende jaren de hoogte van de achtergronddepositie daalt. De achtergronddepositie in het rekenjaar 2023 is hierdoor ook een worst-case uitgangspunt. De berekening laat zien dat sprake is van een eenmalige, geringe tot zeer geringe toename van stikstofdepositie in 70 Natura 2000- gebieden.
De maximale totale stikstofdepositie betreft 4,27 mol N/ ha (in het worstcasescenario totaal projecteffect) en treedt op bij de leefgebieden Lg13 Bos van arme zandgronden en Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. In tabel 8.3 zijn de tien gebieden met de hoogste deposities als gevolg van het gehele projecteffect weergegeven.
Brabantse Wal
4,27
Ulvenhoutse Bos
0,06
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
0,16
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
0,04
Langstraat
0,12
Krammer-Volkerak
0,04
Biesbosch
0,10
Kampina & Oisterwijkse Vennen
0,04
Oosterschelde
0,08
Westerschelde & Saeftinghe
0,03
Tabel 8.3 De 10 Natura 2000 gebieden met de hoogste eenmalige stikstofdepositie
Negatieve effecten van stikstofdeposities ontstaan door structurele overbelasting met stikstof, wat leidt tot vermesting en verzuring van bodem, water en vegetaties. Hierdoor kan de soortensamenstelling wijzigen, doordat soorten die beter of meer stikstof kunnen opnemen of sneller gaan groeien, gaan domineren en “gewenste soorten” uit het systeem verdwijnen. In een groot aantal Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen gesteld voor habitattypen die gevoelig zijn voor het verzurende of vermestende effect van stikstof. Eventuele soorten die afhankelijk zijn van deze habitattypen kunnen daarmee eveneens een negatief effect ondervinden.
67
8.3 Effecten door toename van verstoring 8.3.1. Brabantse Wal Als gevolg van de werkzaamheden in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal, en met name door het amoveren van de huidige verbinding, ontstaat een toename van geluid en bewegingen door inzet van materieel. Bij werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk de aangewezen broedvogelsoorten wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw verstoord, omdat territoria binnen de reikwijdte van de verstorende effecten liggen. Van directe aantasting is geen sprake binnen aangezien de werklocaties geen primair broedgebied aanwezig is. Daarnaast wordt tijdens de werkzaamheden mogelijk verlichting gebruikt in het projectgebied. Doorat deze verlichting ook naar de omgeving uitstraalt, kunnen bij gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst gedurende het broedseizoen mogelijk nachtzwaluwen verstoord worden.
8.3.2. Biesbosch Tijdens de bouw is mogelijk voorzien in verlichting van het projectgebied, die tot uitstraling naar de omgeving leidt. Hierdoor worden foeragerende meervleermuizen, of meervleermuizen die tussen foerageergebied in het Natura 2000-gebied de Biesbosch en verblijfplaatsen in de omgeving vliegen mogelijk verstoord. Meervleermuizen zijn gebonden aan vliegroutes over water, waaronder de belangrijke vliegroute de Donge, die het projectgebied meerdere keren kruist. Een negatief effect op deze soort bij gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst, gedurende het actieve vliegseizoen van meervleermuis, in de aanlegfase kan niet worden uitgesloten.
8.4 Effecten door toename van stikstofdepositie De aanlegwerkzaamheden voor het project, inclusief aanleg en verwijderen van tijdelijke verbindingen, leiden tot een tijdelijke en lage stikstofdepositie. De hoogste door Aerius berekende stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitattype bedraagt 4,27 mol stikstof per hectare gedurende de aanlegfase. Dit komt overeen met ongeveer 60 gram stikstof per hectare. Per vierkante meter betreft het 0,0060 gram stikstof. Als gevolg van de depositie is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof, dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Een afname van deze soorten zou kunnen leiden tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. De ecologische effecten van deze depositie zijn beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten: Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten; •
Hoeveelheid stikstof uit depositie die ter beschikking komt aan de vegetatie;
•
Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling;
•
Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie;
•
Bijdrage kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen;
•
Invloed van kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen;
•
Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie;
•
Relevantie stikstofdepositie voor het (kunnen) behalen of behouden van gewenste kwaliteit en omvang.
68
De beoordeling laat zien dat de berekende tijdelijke en lage stikstofdepositie niet tot een significant negatieve aantasting leidt van een vegetatie of ecosysteem. De primaire reden is dat de hoeveelheid stikstof die neerkomt in het systeem als gevolg van de realisatie van het project te gering is om een (meetbare) verandering teweeg te brengen. Bovendien is er meestal meer dan één aspect bepalend voor het wel of niet halen van de kwaliteit van een vegetatie of ecosysteem, waardoor de zekerheid dat geen effecten optreden als gevolg van de projectdepositie in de vegetaties of het systeem vergroot wordt. Do volledige beoordeling is opgenomen in hoofdstuk 5 van deel B van de Passende Beoordeling, deze is opgenomen in Deelrapport 4 van dit MER.
8.5 Effecten door verandering draadslachtoffers Hoogspanningsverbindingen leiden in de huidige situatie tot draadslachtoffers, doordat vogels de draden niet goed kunnen waarnemen en er tegen aan vliegen. Voor de beoordeling is relevant of dit er meer of minder worden door veranderingen die zijn voorzien langs het tracé. Er zijn twee factoren bepalend voor het aantal draadslachtoffers. •
Het betreft enerzijds veranderingen van de lengte van de verbinding. Hoe korter de bovengrondse verbinding wordt, hoe minder draadslachtoffers er naar verwachting optreden. Neemt de lengte van de verbinding toe, dan neemt naar verwachting ook het aantal draadslachtoffers toe.
•
Anderzijds is de lengte van de bundeling van de verbindingen van belang. Bundeling van verbindingen heeft in principe een positief effect. Wanneer een nieuwe verbinding op minder dan 500 meter afstand staat van een bestaande verbinding is sprake van bundeling. De verbindingen staan in dat geval in elkaars ‘schaduw’.
8.5.1. Brabantse Wal In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is mogelijk sprake van een verandering van het aantal draadslachtoffers voor de soorten wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. De huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding, de bovengrondse verbinding wordt geamoveerd. Hierdoor is sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie en neemt het aantal aanvaringen van Vogelrichtlijnsoorten met de hoogspanningsverbinding in het Natura 2000-gebied en het aangrenzende gebied af.
8.5.2. Zoommeer In het Natura 2000-gebied Zoommeer wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen, waarbij de oude verbinding wordt geamoveerd. De nieuwe hoogspanningsverbinding loopt hier tevens parallel aan de N289, de spoorverbinding en de A58. Overvliegende grauwe ganzen moeten hier ook in de huidige situatie al hoog vliegen om deze obstakels te kruisen. Er is dan ook geen sprake van een wezenlijke verandering of een toename van het aantal draadslachtoffers.
8.5.3. Markiezaat Voor het Natura 2000-gebied Markiezaat is een verandering van het aantal draadslachtoffers van lepelaar relevant. Ten zuidoosten van het Markiezaat wordt de huidige bovengrondse hoogspanningsverbinding vervangen door een kabelverbinding. Daarmee zijn eventuele aanvaringen van de lepelaar met de hoogspanningsverbinding op die locatie niet meer aan de orde. Ten zuiden van het Markiezaat wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen. De hoogspanningsverbinding loopt hier ook parallel aan de N289, de spoorverbinding en de A58. Overvliegende lepelaars moeten hier in de huidige situatie al hoog vliegen om deze obstakels te kruisen. Er is dan ook geen sprake van een wezenlijke verandering of een toename van het aantal draadslachtoffers.
69
8.5.4. Krammer-Volkerak Voor het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak is een verandering van het aantal draadslachtoffers van slechtvalk relevant. Slechtvalk vliegt overdag en jaagt op zicht. Het is geen soort waarvan bekend is dat structureel meer slachtoffers vallen door de aanpassingen van de verbindingen. De nieuwe verbinding komt niet wezenlijk dichter bij het Natura 2000-gebied te liggen en de vogel is gezien de leefwijze niet gevoelig voor aanvaringen. Negatieve effecten worden uitgesloten. 8.5.5. Hollands Diep Voor het Natura 2000-gebied Hollands Diep zijn veranderingen van het aantal draadslachtoffers van lepelaar, kolgans, grauwe gans en brandgans relevant. Ten zuidoosten van het Hollands Diep neemt de lengte van de nieuwe verbinding af. Dit leidt tot een vermindering van het aantal draadslachtoffers. Negatieve effecten worden uitgesloten. 8.5.6. Biesbosch Voor het Natura 2000-gebied Biesbosch is een toename van het aantal draadslachtoffers relevant voor de Vogelrichtlijnsoorten bruine kiekendief, grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans en voor de Habitatrichtlijnsoort meervleermuis. Bruine kiekendief vliegt overdag en jaagt op zicht. Het is geen soort waarvan bekend is dat structureel meer slachtoffers vallen als gevolg van de aanpassingen.
De verbinding komt niet wezenlijk dichter bij het leefgebied te liggen en de vogel is gezien de leefwijze niet gevoelig voor aanvaringen. Aangezien de lengte van de nieuwe verbinding over een deel van de verbinding toeneemt is het niet uitgesloten dat er meer draadslachtoffers ontstaan onder grote zilverreiger die voorkomt bij Hooge Zwaluwe en Drimmelen, kleine zwaan die voorkomt bij Wagenberg en kolgans, grauwe gans en brandgans op basis van hun vliegbewegingen. Meervleermuis kruist mogelijk de verbinding wanneer zij vliegen van verblijfplaatsen naar de Biesbosch. Meervleermuis vliegt echter relatief laag over de wateroppervlaktes. De kans op aanvaringen is derhalve verwaarloosbaar en een toename van aanvaringsslachtoffers is daarom uitgesloten.
8.6 Toetsing 8.6.1. Brabantse Wal De werkzaamheden binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal leiden mogelijk tot verstoring van broedgebied wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. Verstoring treedt alleen op gedurende de aanlegfase. Het gaat om een tijdelijk gevolg. Nagegaan is of de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de verstoring in gevaar komen. Wespendief Binnen de Brabantse Wal zijn tenminste acht territoria van wespendief aanwezig. De instandhoudingsdoelstelling van 13 broedpaar ligt hoger dan het huidige aantal territoria. Zwarte specht Binnen de Brabantse Wal zijn circa 41 (29 - 57) broedparen zwarte specht aanwezig. Het daadwerkelijke aantal ligt naar verwachting dichter bij de ondergrens dan bij de bovengrens. De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort ligt op 40 broedparen. De doelstelling wordt waarschijnlijk niet gehaald.
70
Boomleeuwerik Binnen de Brabantse Wal zijn uit het plangebied geen broedparen bekend van boomleeuwerik. Wel is bekend dat 26 tot 29 broedparen aanwezig zijn in twee van de belangrijkste broedgebieden van het Natura 2000-gebied. Hoewel het daadwerkelijke aantal broedparen in het gebied hoger zal zijn, is niet bekend of de instandhoudingsdoelstelling, van 100 broedparen, gehaald wordt. Nachtzwaluw Binnen de Brabantse Wal zijn ruim 80 territoria van nachtzwaluw aanwezig. Dit is evenveel als de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort, namelijk 80 broedparen. Hoewel de soort nabij de hoogspanningsverbinding nauwelijks voorkomt, is mogelijk sprake van verstoring van een enkel broedpaar. Voor alle soorten geldt dat significant negatieve effecten bij werkzaamheden in het broedseizoen niet zijn uitgesloten. Het is daarom noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Dit betekent dat de werkzaamheden die gepaard gaan met amoveren van de huidige verbinding in het Natura 2000-gebied buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd en dat er geen gebruik gemaakt moet worden van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst. Het resultaat van deze mitigerende maatregelen is dat effecten op kwalificerende broedvogels worden voorkómen. Hiermee zijn significant negatieve effecten uit te sluiten.
8.6.2. Biesbosch Door de nieuwe verbinding kan het aantal draadslachtoffers voor verschillende soorten mogelijk toenemen. De nieuwe hoogspanningsverbinding kan leiden tot een afname van de omvang van de niet-broedvogelsoorten grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans. Deinstandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Biesbosch worden grotendeels gehaald, met uitzondering van kolgans. Significant negatieve effecten zijn voor deze soort niet op voorhand uit te sluiten als gevolg van een toename van het aantal draadslachtoffers. Om het aantal slachtoffers te verlagen is het noodzakelijk om in het meest noordelijke deel van het tracé varkenskrullen in de bliksemdraad aan te brengen als mitigerende maatregel. Het Natura 2000-gebied Biesbosch heeft ook een instandhoudingsdoelstelling voor behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van meervleermuis. Het perspectief voor meervleermuis in de Biesbosch is goed, maar dit is wel afhankelijk van de aanwezigheid van trekroutes naar de foerageergebieden. Significant negatieve effecten als gevolg van verstoring zijn niet op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten zijn te voorkomen door ter plaatse van watergangen en in de actieve periode van de meervleermuis van maart tot en met november geen gebruik te maken van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst.
Door deze mitigerende maatregelen worden significant negatieve effecten voorkomen.
71
8.7 Cumulatie Bovenstaande gegevens leiden tot de conclusie dat het project Zuid-west 380 kV Oost niet tot significant negatieve effecten leidt mits mitigerende maatregelen worden genomen. De laatste stap in de Passende Beoordeling is de analyse of sprake is van cumulatie met andere projecten. •
Het project van TenneT leidt tijdelijk tot een toename van verstoring. Dit kan cumuleren met andere projecten die ook leiden tot verstoring. Project F135 Vliegbasis Woensdrecht6 leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de leefgebieden van soorten en heeft geen wezenlijk verstorend effect op soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is aangewezen. Cumulatie op het gebied van verstoring is daarom niet aan de orde.
•
Omdat het project Zuid-west 380 kV Oost niet tot negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie leidt, zijn cumulatieve significante effecten als gevolg van stikstofdepositie met andere projecten uitgesloten.
•
Het project van TenneT leidt tot een toename van draadslachtoffers voor populaties van kwalificerende vogels. Dit kan cumuleren met andere projecten die ook leiden tot een toename van het aantal slachtoffers. Het Windpark A167 is relevant in relatie tot de Natura 2000-gebieden ‘Biesbosch’, ‘Boezems Kinderdijk’, ‘Krammer-Volkerak’, ‘Hollands Diep’ en kan incidenteel leiden tot sterfte onder broedvogels en niet-broedvogels. Het totaaleffect van het project op de populaties van de broedvogels en niet-broedvogels langs de A16 is echter dusdanig klein dat het ook in cumulatie met de effecten van andere plannen of projecten in de omgeving niet de oorzaak kan zijn voor het optreden van significant verstorende effecten, inclusief sterfte. Cumulatie met het project Zuid-west 380 kV Oost is daarom niet aan de orde.
De conclusie is daarom dat er geen sprake is van cumulatie met andere projecten.
72
9. M itigerende maatregelen De aanleg van de nieuwe verbinding en het verwijderen van bestaande verbindingen brengt diverse permanente en tijdelijke effecten met zich mee. Er worden diverse mitigerende maatregelen getroffen om deze effecten te verminderen of te vermijden.
9.1 Gevoelige bestemmingen Het aantal gevoelige bestemmingen wordt bepaald door de tracering van de nieuwe verbinding. Het aantal is als gevolg van de optimalisering van het tracé van het Voorgenomen tracé uit 2017 naar het Voorkeursalternatief 2020 gedaald. Met de vastlegging van het tracé zal het aantal gevoelige bestemmingen niet meer dalen. Wel kunnen de huidige gebruikers van de gevoelige bestemmingen kiezen of zij het pand willen blijven bewonen. Hiervoor heeft TenneT de aan- en uitkoopregeling in het leven geroepen. Deze wordt beschreven in paragraaf 10.4 van deel A van het MER. Hierdoor ontstaat en vrijwillige keuze voor huidige of toekomstige bewoners om in de panden die in de magneetveldzone staan te blijven of gaan wonen.
9.2 Landschap De nieuwe verbinding leidt tot diverse landschappelijke effecten. Er wordt gewerkt aan de landschappelijke inpassing van de nieuwe verbinding. Hiervoor worden inrichtingsmaatregelen voorbereid die bijdragen aan alle relevante milieuaspecten: landschap en cultuurhistorie, natuur, leefomgeving en water. Het mitigeren van effecten op het landschap gebeurt door het aanbrengen of wijzigen van beplanting en door het versterken van de bestaande landschapsstructuur of elementen daarvan. Hierbij wordt aandacht besteed aan ruimtelijke aspecten zoals locatie, verschijningsvorm en samenhang met andere landschapselementen en landschapsstructuren. Waar mogelijk en zinvol zijn de maatregelen gecombineerd en zijn integrale inrichtingsmaatregelen ontworpen die een functie vervullen voor bijvoorbeeld zowel de landschappelijke inpassing als de compensatie van ecologische waarden. Deze mitigerende maatregelen zijn gebundeld in het Landschapsplan.
9.3 Natuur Het Voorkeursalternatief leidt tot diverse effecten op de aanwezige natuur. In het Landschapsplan wordt ingegaan op mogelijkheden om het kappen van bomen en bosschages zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast wordt er ten behoeve van de landschappelijke inpassing ook de nodige beplanting toegepast. Het Voorkeursalternatief leidt tot effecten op beschermde soorten en habitats. In paragraaf 8.6 van dit hoofdrapport van het MER is ingegaan op de mitigerende maatregelen die in Natura 2000 gebieden worden genomen. Tijdens de aanleg van het Voorkeursalternatief kunnen ook effecten ontstaan op andere beschermde soorten. Het gaat hierbij om mogelijke negatieve effecten op vleermuizen, das, roofvogels, steenuil, rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander en beschermde flora en insecten. Hiervoor zijn de volgende mitigerende maatregelen benoemd. •
Het kappen van bomen leidt tot effecten op foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Deze effecten worden gemitigeerd door de werkzaamheden uit te voeren in de winterperiode. In deze
73
periode gebruiken vleermuizen de bomen niet als verblijfplaats. Effecten op vliegroutes worden verminderd door te voorkómen dat de bomenrijen worden aangelicht door bouwverlichting. •
De werkzaamheden tasten een verblijfplaats en territorium van de das aan. De dassenburcht in het bos van Huis ter Heide wordt in de winterperiode verstoord doordat dekking door bomen wegvalt en het aanliggende foerageergebied niet meer functioneert. Om dit effect te verminderen wordt een verplaatsingsplan opgesteld waarmee de dassenburcht kan worden gecompenseerd. Dit plan voorziet in de aanleg van een nieuwe burcht, het beperken van de verstoring door mensen en het werken buiten de voortplantingsperiode van de das.
•
Door de betreding van het gebied, het verwijderen van vegetatie en kap van bomen verdwijnen buizerdhorsten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve potentiele nestlocaties en bosgebieden beschikbaar. Het effect wordt bovendien gemitigeerd door buiten de voortplantingsperiode van de buizerd te werken. Ook overige broedvogels worden door deze werkzaamheden en maatregelen in watergangen negatief beïnvloed. Van belang is buiten het broedseizoen te werken en geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken en houden.
•
Het leefgebied van de levendbarende hagedis en de rugstreeppad wordt negatief beïnvloed door grondwerkzaamheden ten zuiden van het bosgebied van Huis ter Heide. Deze effecten worden gemitigeerd door de werkzaamheden buiten de rustperiode en de voortplantingsperiode van deze soorten uit te voeren. Ook kan het werkgebied ontoegankelijk gemaakt worden door het plaatsen van rasters en eventuele aan te treffen exemplaren binnen de rasters te vangen en te verplaatsen naar een ander geschikt leefgebied in de directe omgeving. Als gevolg van de werkzaamheden ten zuiden van het bosgebied van Huis ter Heide zijn negatieve effecten op oeverkruid niet op voorhand uit te sluiten. Door de groeiplaatsen visueel te markeren wordt betreding voorkomen.
•
Ten zuiden van Huis ter Heide zijn de beschermde Gevlekte witsnuitlibel, Grote vos en de Kleine ijsvogelvlinder waargenomen. Ten zuidoosten van het voorkeursalternatief zijn ook waarnemingen bekend van de beschermde Grote weerschijnvlinder en Bruine eikenpage. Door de werkzaamheden kan het leefgebied van deze soorten tijdelijk worden verstoord. In de omgeving is momenteel en ook na aanleg van het Voorkeursalternatief voldoende alternatief leefgebied beschikbaar. Van belang is dat het Plakkeven niet gedempt of aangetast wordt, dit is het leefgebied van de Gevlekte witsnuitlibel. Negatieve effecten op beschermde insecten zijn dan uitgesloten.
•
De nesten van rode mieren in het bosgebied van Huis ter Heide kunnen als gevolg van kapwerkzaamheden benodigde dekking verliezen of vernietigd worden. Door de nesten visueel te markeren en zorgvuldig te werken kunnen de nesten behouden blijven. Wanneer dat niet mogelijk is kunnen de stobben en dood hout gehandhaafd blijven. De kolonies kunnen de stobben gebruiken als fundering voor een nieuw nest of het bestaande nest aanhouden. Het dode hout dient als dekking voor een veelheid aan prooidieren voor de mieren.
Veel van de effecten kunnen ook worden gemitigeerd door zorgvuldig te werken. Dit kan door tijdens de uitvoering in één richting te werken, zodat dieren kunnen vluchten. Ook moet het materieel zorgvuldig en deskundig worden gebruikt om onnodige schade en onnodige verstoring te voorkomen. Daarnaast is een belangrijke mitigerende maatregel de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige ecoloog. Ook vindt onderzoek plaats om het beheer en onderhoud tijdens de gebruiksfase zo natuurvriendelijk mogelijk uit te voeren.
74
9.4 Bodem en Water en Archeologie De meeste effecten van het Voorkeursalternatief op Bodem en Water en op Archeologie zijn dusdanig beperkt, dat hierop geen specifieke mitigerende maatregelen zijn geformuleerd. De overige effecten worden conform het Landschapsplan gemitigeerd.
75
10. Leemten in kennis en informatie Ten behoeve van de effectbeschrijving is veel informatie verzameld. Desondanks kunnen bepaalde gegevens niet beschikbaar zijn of kan er een zekere mate van onzekerheid bestaan over het optreden van bepaalde ontwikkelingen in het studiegebied. In dat geval is er sprake van leemten in kennis en informatie.
10.1 Algemeen Ten behoeve van de effectbeschrijving in het MER is er op hoofdlijnen getraceerd en zijn er geen exacte mastposities bepaald. Hiervoor zijn in het MER aannames gedaan. Bij de uitwerking van het Voorkeursalternatief is hier een verdere uitwerking aan gegeven. Voor elk milieuthema zijn de leemten in kennis en informatie onderzocht.
10.2 Leefomgevingskwaliteit In het onderzoek is uitgegaan van een op modelmatige berekeningen gebaseerde breedte van de magneetveldzone van de bovengrondse verbinding. Gerekend is met de door het RIVM in de handreiking geadviseerde rekenmethode. De methodiek schrijft voor dat er voor elke mast de specifieke geometrische eigenschappen worden gebruikt. Die eigenschappen zijn voor dit MER nog niet beschikbaar. Daarom zijn hier aannames voor gedaan. Er is een voorontwerp gemaakt voor een steunmast en een hoekmast. Deze hebben model gestaan voor alle steun- en hoekmasten in het tracé. Deze modellen zijn gebruikt voor de berekeningen volgens de rekenmethode van de handreiking waarmee de magneetveldzones zijn berekend. Er is geen onderzoek beschikbaar waarin een effect van magneetvelden van ondergrondse hoogspanningsverbindingen, opstijgpunten en hoogspanningsstations op de gezondheid van de mens is aangetoond. Effecten hiervan zijn daarom niet opgenomen in dit MER. De tijdelijke effecten op het gebied van geluid, trillingen en veiligheid die zich voordoen tijdens de aanleg van de nieuwe verbinding zijn niet exact te bepalen, omdat de routes voor het bouwverkeer niet bekend zijn. Wel is het aantal woningen bepaald dat in een zone van 250 meter aan weerszijden van de aan te leggen en in de te slopen verbinding staat.
Aan de hand hiervan is niet exact te bepalen hoeveel mensen hinder ervaren en welke hinder bewoners hiervan daadwerkelijk ervaren. De hinder wordt bovendien mede bepaald door eventuele afschermende bebouwing. Dit aantal geeft echter een goede indicatie van de tijdelijke hinder.
10.3 Landschap en cultuurhistorie en natuur Er zijn geen specifieke leemten op het gebied van landschap en cultuurhistorie en op het gebied van natuur die een objectieve en volwaardige informatie van de tracé alternatieven en varianten in de weg staan. Er is hiervoor voldoende informatie beschikbaar.
76
10.4 Bodem en water De precieze ligging, omvang en aard van de bodem- en grondwaterverontreinigingen moet ten behoeve van de realisatie van de verbinding nader onderzocht worden. De wijze en duur van de bemaling bij aanleg van de mastvoeten moet nader onderzocht worden ten behoeve van een bemalingsadvies. Hierin wordt ingegaan op de effecten van de bemaling op de omgeving, zoals zetting en mobiele grondwaterverontreinigingen. De effecten op aardkundige waarden zijn bepaald aan de hand van de begrenzing van aardkundig waardevolle gebieden. De exacte ligging van de aardkundige waarde binnen deze begrenzing is niet bekend. Ook buiten de aardkundig waardevolle gebieden kunnen aardkundige waarden als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding worden verstoord. Deze informatie is niet bekend.
10.5 Archeologie In het MER is uitgegaan van de bekende archeologische verwachtingen en waarden. Mogelijk zijn meer archeologische waardevolle objecten aanwezig. Het is nog onbekend hoe de ondergrondse verbindingen exact worden aangelegd: door een open ontgraving of gestuurde boring. Deze leiden tot verschillende mate van verstoring op archeologische resten. Er is uitgegaan van een open ontgraving voor alle ondergrondse verbinden. Dit geeft dus de meest negatieve effecten weer.
10.6 Conclusie Er zijn in het MER geen leemten in kennis of informatie naar voren gekomen die een objectieve en volwaardige vergelijking van de tracéalternatieven in de weg staan. Er is voldoende milieu-informatie beschikbaar om het milieu volwaardig mee te kunnen wegen bij de besluitvorming over het tracé van de nieuwe hoogspanningsverbinding.
77
11. Monitoring en evaluatie In dit MER zijn veel effecten van het Voorkeursalternatief beschreven. Eén van deze effecten betreft het aantal draadslachtoffers. Dit betreft de vogels die tegen de verbinding aan kunnen vliegen waardoor zij overlijden. In het MER is op basis van berekeningen een voorspelling opgenomen van het aantal draadslachtoffers per vogelsoort. Om meer kennis op te doen van de werkwijze waarmee dit aantal wordt voorspeld, wordt op basis van waarnemingen gedurende 5 jaren het feitelijke aantal draadslachtoffers per vogelsoort in beeld gebracht.
78
12. Procedure en besluitvorming 12.1 Besluitvormingsprocedure Een hoogspanningsverbinding kan niet zomaar aangelegd worden, hierover vindt zorgvuldige, stapsgewijze besluitvorming plaats. De ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bepalen waar de nieuwe verbinding komt te liggen en hoe deze eruit komt te zien. De ministers leggen hun keuze vast in een Rijksinpassingsplan. Dit plan maakt de nieuwe verbinding planologisch mogelijk. Het plan bevat een kaart waarop de ligging van de nieuwe verbinding is aangegeven en de regels en (kwaliteits-) eisen die van toepassing zijn op het project. In het Rijksinpassingsplan is ook een motivatie opgenomen voor het tracé van de verbinding en een toelichting op de uitvoering van het plan. Naast het Rijksinpassingsplan zijn er ook vergunningen nodig voor het realiseren van de hoogspanningsverbinding. Dit zijn o.a. omgevingsvergunningen voor het bouwen van de hoogspanningsmasten, watervergunningen voor het uitvoeren van bouwputbemalingen, vergunningen in het kader van de Wet Beheer Rijkswateren voor het kruisen van rijkswegen en vergunningen op grond van de Wet Natuurbescherming. Deze laatste geeft toestemming voor het verstoren van aanwezige beschermde flora en fauna inclusief draadslachtoffers en voor het verstoren van beschermde natuurgebieden.
Omdat de aanleg van een nieuwe hoogspanningsverbinding een project van nationaal belang is, is op de besluitvorming voor dit project de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. Dat wil in dit geval zeggen dat de besluiten die nodig zijn voor het realiseren van de hoogspanningsverbinding gezamenlijk worden voorbereid, waarbij deze procedure wordt gecoördineerd door de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Daarbij doorlopen de besluiten, op grond van artikel 3.31, derde lid, in samenhang met artikel 3.35, vierde lid, van de Wro, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met toepassing van de bijzondere regels in artikel 3.31, derde lid, in samenhang met artikel 3.35, vierde lid, van de Wro. De rijkscoördinatieregeling kent twee modules, een ruimtelijke module en een uitvoeringsmodule. De ruimtelijke module omvat het Rijksinpassingsplan (RIP). De uitvoeringsmodule bevat de benodigde vergunningbesluiten. Op basis van deze regeling worden de termijnen waarbinnen de verschillende besluiten worden genomen op elkaar afgestemd, waardoor de besluitvorming efficiënter en sneller plaats vindt.
Het Rijksinpassingsplan is een besluit over de aanleg van een bovengrondse hoogspanningsverbinding in Nederland met een spanning van meer dan 220kV én een lengte van meer dan 15 km. Daarom is het verplicht een m.e.r.-procedure te doorlopen en een MER op te stellen. Dit volgt uit bijlage C, categorie 24 van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast is ook sprake van een plan in de zin van de Wet Natuurbescherming, waarvoor een Passende Beoordeling nodig is. Ook dit leidt tot de plicht een MER op te stellen. Dit volgt uit art. 7.2a lid 1 van de Wet Milieubeheer. Met de informatie die is opgenomen in het MER kan het milieubelang volwaardig meegewogen worden in de besluitvorming. TenneT heeft onderzoek laten uitvoeren naar de milieueffecten van (alternatieven en varianten voor) de nieuwe verbinding en het MER opgesteld.
79
12.2 Inspraak en advies Op grond van artikel 3.32 in samenhang met artikel 3.35, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden het Ontwerp-Rijksinpassingsplan en de andere besluiten gelijktijdig door de minister van EZK bekendgemaakt. Tevens doet de minister van EZK daarvan mededeling in de Staatscourant, enkele huis-aan-huisbladen en regionale dagbladen en langs elektronische weg. Eerdere insprekers en grondeigenaren en beperkt gerechtigden op die gronden worden persoonlijk geïnformeerd. Het Ontwerp-Rijksinpassingsplan, het MER, inclusief alle onderbouwende onderzoeksrapporten en de Passende Beoordeling worden ter visie gelegd. In de bekendmaking wordt aangegeven hoe en in welke periode een ieder kan reageren op het ontwerp-Rijksinpassingsplan en het MER. Daarnaast vraagt de minister van Economische Zaken en Klimaat de Commissie voor de milieueffectrapportage om een toetsingsadvies. De Commissie heeft in 2017 al een tussenadvies gegeven over het concept MER. Nu vraagt de minister aan de Commissie om te beoordelen of het definitieve MER voldoende milieu-informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in de besluitvorming. De Commissie verwoordt zijn bevindingen in een toetsingsadvies.
12.3 Definitieve besluitvorming Na de periode van inspraak en advies wordt het Ontwerp-Rijksinpassingsplan definitief vastgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met de ontvangen inspraakreacties en adviezen. Het definitieve besluit wordt opnieuw bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn kunnen belanghebbenden eventueel beroep tegen het definitieve besluit instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet na het einde van de beroepstermijn uitspraak over de ontvangen beroepen. Mogelijk leidt dit tot aanpassing van het Rijksinpassingsplan. Daarna is het Rijksinpassingsplan onherroepelijk geworden.
12.4 Aan- en uitkoop van gevoelige bestemmingen Met de publicatie van het ontwerp Inpassingsplan en het MER is het formele besluitvormingsproces over de nieuwe verbinding gestart. Wanneer het plan onherroepelijk is kan gebruik gemaakt worden van de uitkoopregeling. Op basis van ervaringen met de besluitvorming over andere projecten van TenneT is de verwachting dat het 2 tot 3 jaar duurt voordat het Inpassingsplan onherroepelijk is. Om mensen sneller meer handelingsperspectief te geven, biedt TenneT - op basis van het voorzorgbeleid - direct na de publicatie van het ontwerp Inpassingsplan de mogelijkheid particuliere woningen vroegtijdig aan te kopen tegen een courante marktwaarde. Bij deze aankoop wordt niet voorzien in volledige schadeloosstelling zoals bij uitkoop het geval is. Als de betrokkenen wachten tot het inpassingsplan onherroepelijk is, dan komen zij in aanmerking voor de uitkoopregeling inclusief volledige schadeloosstelling. Hierbij worden planschade en verhuiskosten vergoed. Bewoners die er voor kiezen om niet te verhuizen krijgen een volledige vergoeding voor de waardevermindering van hun woning. Voor (agrarische) dienstwoningen zoekt TenneT in overleg met betrokkenen andere oplossingen dan voor particuliere woningen.
Er wordt bezien of de woning verplaatst kan worden naar buiten de magneetveldzone, terwijl de bedrijfsactiviteiten op de bestaande locatie worden voortgezet. Als dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar andere oplossingen. Het betreft in alle gevallen maatwerk dat op kosten van TenneT wordt uitgevoerd.
80
12.5 Vervolg Na het ruimtelijke besluit over het project zijn er uitvoeringsvergunningen voor het project nodig. Dit zijn onder andere vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming, omgevingsvergunningen, watervergunningen en vergunningen in het kader van de Wet Beheer Rijkswateren. Deze vergunningen maken deel uit van de uitvoeringsmodule van de Rijkscoördinatieregeling. Naast deze vergunningen zijn voor de realisatie van het project ook nog andere vergunningen, meldingen en toestemmingen vereist. Dit zijn toestemmingen die betrekking hebben op de uitvoeringsmethodiek, b.v. een ontheffing voor het veroorzaken van geluidsoverlast. Deze laatste categorie van toestemmingen wordt buiten de Rijkscoördinatieregeling door de aannemer aangevraagd die de werkzaamheden gaat uitvoeren. Ter voorbereiding op de realisatie van het project en de vervolgbesluiten wordt gewerkt aan het bepalen van de locatie van de masten en opstijgpunten en de werkwegen en werkterreinen. In het kader daarvan vinden hierover gesprekken plaats met de grondeigenaren/rechthebbenden.
12.6 Nadere informatie Het MER Zuid-West 380 kV Oost beschrijft de effecten van de nieuwe 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg. Het volledige MER omvat naast voorliggend Hoofdrapport ook 4 Deelrapporten en een Samenvatting. Ten behoeve hiervan zijn ook diverse achtergronddocumenten opgesteld. Het OntwerpRijksinpassingsplan, het volledige MER, de Achtergronddocumenten en de Passende Beoordeling zijn te vinden op de website van het Bureau Energieprojecten: https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten In het kader van het project zijn door en voor TenneT veel rapporten opgesteld. Er zijn Projectboeken gepubliceerd en er zijn verslagen gemaakt van ontwerpateliers met betrokkenen. Door de Samenwerkende Overheden zijn adviezen uitgebracht aan de minister van EZK en door de minister van EZK zijn diverse besluiten genomen. Hierover zijn regelmatig nieuwsberichten gepubliceerd. Deze informatie is te vinden op de website van het project Zuid-West 380 kV Oost: https://www.zuid-west380kv.nl/oost/ In het MER is het tracé van de nieuwe verbinding beschreven. De exacte ligging van het tracé kan nog op zeer beperkte mate wijzigen doordat met grondeigenaren afspraken gemaakt worden over de posities van de masten. De actuele ligging van het tracé is te vinden in Projectatlas, die is te vinden via de volgende link: https://tennet.projectatlas.zuid-west-380kv-oost.
Informatie over de andere onderdelen van de verbinding tussen Borssele en Tilburg is te vinden websites: •
Informatie over de verbinding tussen Borssele en Rilland is te vinden op https://www.zuid-west380kv.nl/west
•
Informatie over het hoogspanningsstation Rilland is te vinden op https://www.zuid-west380kv.nl/ west/uitvoering/hoogspanningsstation-rilland
•
Informatie over het hoogspanningsstation Tilburg is te vinden op https://www.zuid-west380kv.nl/ oost/waar/hoogspanningsstation-tilburg
81
Milieueffectrapport
Deelrapport 1 Hoofdalternatieven
Inhoudsopgave 1. Inleiding
89
2. Ontwerpproces van de alternatieven en varianten
92
3. Alternatief Blauw
95
3.1.1. Blauw 1
95
3.1.2. Blauw 1 - variant Markiezaat
96
3.1.3. Blauw 1 - variant Steenbergen
97
1.1 Een nieuwe hoogspanningsverbinding 1.2 Het Milieueffectrapport 1.3 Leeswijzer Deelrapport 1
89 90 91
3.1 Deelgebied 1
95
3.1.4. Blauw 1 - variant Kruisland
98
3.2 Deelgebied 2
99
3.2.1. Blauw 2
99
3.2.2. Blauw 2 - variant Kruisland/Steenbergen
100
3.3 Deelgebied 3
101
3.3.1. Blauw 3
101
3.3.2. Blauw 3 - variant Linie van den Hout
102
3.3.3. Blauw 3 - variant Bosroute
103
3.3.4. Blauw 3 - variant Huis ter Heide
104
3.4 Overzicht
105
4. Alternatief Geel en varianten
107
4.1.1. Geel 1
107
4.1 Deelgebied 1
107
4.1.2. Geel 1 - variant Markiezaat
108
4.2 Deelgebied 2
109
4.2.1. Geel 2
109
4.2.2. Geel 2 - variant Standdaarbuiten
110
4.2.3. Geel 2 - variant Westzijde A17
111
4.3 Deelgebied 3
112
4.3.1. Geel 3
112
4.3.2. Geel 3 - variant Standdaarbuiten
113
4.3.3. Geel 3 - variant Linie van den Hout
113
4.3.4. Geel 3 - variant Bosroute
114
4.3.5. Geel 3 - variant Huis ter Heide
115
4.4 Overzicht
115
5. Alternatief Paars en varianten
117
5.1.1. Paars 1
117
5.1.2. Paars 1 - variant Brabantse Wal - Woensdrecht
119
5.1 Deelgebied 1
117
5.1.3. Paars 1 - variant Brabantse Wal – Bergen op Zoom
120
5.2 Deelgebied 2
121
5.2.1. Paars 2
121
5.2.2. Paars 2 - variant Westzijde A17
122
5.2.3. Paars 2 - variant Oud Gastel
123
84
5.3 Deelgebied 3
124
5.3.1. Paars 3
124
5.3.2. Paars 3 - variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe
125
5.3.3. Paars 3 - variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe - Bosroute
125
5.3.4. Paars 3 - variant Huis ter Heide
126
5.4 Overzicht
127
6. Alternatief Rood en varianten
129
6.1.1. Rood 1
129
6.2 Deelgebied 2
130
6.2.1. Rood 2
130
6.3 Deelgebied 3
131
6.3.1. Rood 3
131
6.3.2. Rood 3 - variant Oosterheide
133
6.1 Deelgebied 1
129
6.3.3. Rood 3 - variant Oosterheide/ondergronds
133
6.4 Overzicht
134
7. Uitgangspunten en werkwijze effectbeschrijving
135
8. Leefomgevingskwaliteit
139
8.1.1. Wet- en regelgeving
139
8.1.2. Werkwijze gevoelige bestemmingen
140
8.1.3. Werkwijze vrijgespeelde gevoelige bestemmingen
142
8.1.4. Werkwijze hinder
143
7.1 Inleiding 7.2 Tussenadvies Commissie voor de Milieueffectrapportage
8.1 Werkwijze
135 137
139
8.1.5. Overzicht effecten
144
8.2 Deelgebied 1
145
8.2.1. Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
145
8.2.2. Effecten gevoelige bestemmingen
145
8.2.3. Effecten vrijgespeelde gevoelige bestemmingen
146
8.2.4. Effecten hinder
146
8.3 Deelgebied 2
146
8.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
146
8.3.2. Effecten gevoelige bestemmingen
147
8.3.3. Effecten vrijgespeelde gevoelige bestemmingen
147
8.3.4. Effecten hinder
147
8.4 Deelgebied 3
148
8.4.1. Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
148
8.4.2. Effecten gevoelige bestemmingen
148
8.4.3. Effecten vrijgespeelde gevoelige bestemmingen
149
8.4.4. Effecten hinder
149
8.5 Gevoeligheidsanalyse gebundelde en kruisende verbindingen
150
85
9. Landschap en cultuurhistorie
152
9.1.1. Wet- en regelgeving
152
9.1.2. Effecten op 3 niveaus
153
9.1.3. Werkwijze Tracéniveau
154
9.1.4. Werkwijze Lijnniveau
155
9.1.5. Werkwijze Mastniveau
158
9.1.6. Overzicht effecten
158
9.1 Werkwijze
152
9.1.7. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op tracéniveau
159
9.2 Deelgebied 1
160
9.2.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op lijnniveau
160
9.2.2. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op mastniveau
161
9.2.3. Effecten op Tracéniveau
162
9.2.4. Effecten op Lijnniveau
163
9.3 Deelgebied 2
165
9.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op lijnniveau
165
9.3.2. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op mastniveau
166
9.3.3. Effecten op Tracéniveau
166
9.3.4. Effecten op Lijnniveau
167
9.4 Deelgebied 3
169
9.4.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op lijnniveau
169
9.4.2. Huidige situatie en autonome ontwikkeling op mastniveau
172
9.4.3. Effecten op Tracéniveau
172
9.4.4. Effecten op Lijnniveau
175
10. Natuur
178
10.1.1. Wet- en regelgeving
178
10.1.2. Werkwijze draadslachtoffers
179
10.1.3. Werkwijze leefgebieden
180
10.1.4. Werkwijze tijdelijke effecten
183
10.1.5. Overzicht effecten
184
10.2 Deelgebied 1
185
10.2.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
185
10.2.2. Effecten op draadslachtoffers
189
10.2.3. Effecten op leefgebieden
190
10.1 Werkwijze
178
10.2.4. Tijdelijke effecten
193
10.3 Deelgebied 2
194
10.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
194
10.3.2. Effecten op draadslachtoffers
196
10.3.3. Effecten op leefgebieden
197
10.3.4. Tijdelijke effecten
199
10.4 Deelgebied 3
199
10.4.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
199
10.4.2. Effecten op draadslachtoffers
203
10.4.3. Effecten op leefgebieden
205
10.4.4. Tijdelijke effecten
211
86
11. Bodem en water
212
11.1.1. Wet- en regelgeving
212
11.1.2. Werkwijze aardkundige waarden
213
11.1.3. Werkwijze bodemkwaliteit
214
11.1.4. Overzicht effecten
215
11.2 Deelgebied 1
216
11.2.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
216
11.2.2. Effecten op aardkundige waarden
217
11.2.3. Effecten op bodemkwaliteit
218
11.3 Deelgebied 2
219
11.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
219
11.3.2. Effecten op aardkundige waarden
220
11.3.3. Effecten op bodemkwaliteit
221
11.4 Deelgebied 3
221
11.4.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
221
11.4.2. Effecten op aardkundige waarden
222
11.4.3. Effecten op bodemkwaliteit
223
12. Archeologie
224
12.1.1. Wet- en regelgeving
224
12.1.2. Archeologische rijksmonumenten
225
12.1.3. AMK-terreinen
226
12.1.4. Archeologische verwachtingswaarden
227
12.1.5. Overzicht effecten
228
12.2 Deelgebied 1
229
12.2.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
229
12.2.2. Effecten op archeologische rijksmonumenten
231
12.2.3. Effecten op AMK-terreinen
231
11.1 Werkwijze
212
12.1 Werkwijze
224
12.2.4. Effecten op archeologische verwachtingswaarden
231
12.3 Deelgebied 2
232
12.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
232
12.3.2. Effecten op archeologische rijksmonumenten
233
12.3.3. Effecten op AMK-terreinen
233
12.3.4. Effecten op archeologische verwachtingswaarden
233
12.4 Deelgebied 3
234
12.4.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
234
12.4.2. Effecten op archeologische rijksmonumenten
235
12.4.3. Effecten op AMK-terreinen
235
12.4.4. Effecten op archeologische verwachtingswaarden
236
13. Ruimtegebruik
237
13.1.1. Wet- en regelgeving
237
13.1.2. Werkwijze fysiek ruimtebeslag
237
13.1.3. Werkwijze Bos in ZRO-strook
237
13.1 Werkwijze
237
87
13.1.4. Werkwijze maatgevende functies in ZRO-strook
238
13.1.5. Overzicht
238
13.2 Deelgebied 1
240
13.2.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
240
13.2.2. Effecten op fysiek ruimtebeslag
241
13.2.3. Effecten op Bos in ZRO-strook
241
13.2.4. Effecten op maatgevende functies in ZRO-strook
242
13.3 Deelgebied 2
242
13.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
242
13.3 Deelgebied 2
243
13.3.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
243
13.3.2. Effecten op fysiek ruimtebeslag
244
13.3.3. Effecten op Bos in ZRO-strook
244
13.3.4. Effecten op maatgevende functies in ZRO-strook
245
13.4 Deelgebied 3
246
13.4.1. Huidige situatie en autonome ontwikkeling
246
13.4.2. Effecten op fysiek ruimtebeslag
249
13.4.3. Effecten op Bos in ZRO-strook
249
13.4.4. Effecten op maatgevende functies in ZRO-strook
250
14. Aansluitingen deelgebieden en stationslocatie
251
15. Meest Milieuvriendelijk Alternatief
259
15.2.1. MMA in deelgebied 1
260
15.2.2. MMA in deelgebied 2
261
15.2.3. MMA in deelgebied 3
262
14.1 Inleiding 14.2 Aansluiting van deelgebied 1 op deelgebied 2 14.3 Van deelgebied 2 op deelgebied 3 14.4 Aansluiting van deelgebied 3 op 380 kV-station Tilburg
15.1 Inleiding 15.2 MMA per deelgebied
251 251 256 258
259 260
15.2.4. Conclusie
262
15.3 MMA per thema
263
15.3.1 MMA Leefomgevingskwaliteit
263
15.3.2. MMA Landschap en cultuurhistorie
265
15.3.3. MMA Natuur
266
88
1. Inleiding 1.1 Een nieuwe hoogspanningsverbinding TenneT TSO B.V., de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, heeft het voornemen een nieuwe 380 kilovolt (kV) hoogspanningsverbinding in Zuidwest-Nederland aan te leggen. Deze verbinding transporteert elektriciteit van de productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, vanwaar verder transport via de landelijke 380kV ring plaatsvindt. De aanleg van deze 380kV-hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor de leveringszekerheid van elektriciteit. Het voornemen om een nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Borssele en Tilburg aan te leggen is al meer dan 10 jaar geleden aangekondigd: in 2009 is de Startnotitie over dit project uitgebracht. Aanvankelijk was dit één groot project. De bouw van het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland bracht hier verandering in. De besluitvorming en bouw van de verbinding aan weerszijden van dit station is vervolgens afzonderlijk opgepakt. Over het westelijke deel van de verbinding, tussen Borssele en Rilland, heeft besluitvorming plaatsgevonden. De aanleg van dit gedeelte van de verbinding is inmiddels gestart. Momenteel vindt besluitvorming over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg plaats, de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid.
Dit station is namelijk zo snel mogelijk nodig om de ontwikkeling van de belasting en de duurzame productie in Brabant op te kunnen vangen. De planvorming van de 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden. De ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bepalen waar de nieuwe verbinding komt te liggen en hoe deze eruit komt te zien. De ministers leggen hun keuze vast in een Rijksinpassingsplan. Hiermee wordt de hoogspanningsverbinding planologisch mogelijk gemaakt. Omdat het Rijksinpassingsplan een besluit is over de aanleg van een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding in Nederland met een spanning van meer dan 220kV én een lengte van meer dan 15 km, is het verplicht een m.e.r.-procedure te doorlopen en een Milieueffectrapport (MER) op te stellen. Dit volgt uit bijlage C, categorie 24 van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast is ook sprake van een plan in de zin van de Wet Natuurbescherming, waarvoor een Passende Beoordeling nodig is. Ook dit leidt tot de plicht een MER op te stellen. Dit volgt uit art. 7.2a lid 1 van de Wet Milieubeheer. Het MER kent dus twee grondslagen en is hierdoor een combinatie van een plan-MER en een project-MER.
Met de informatie die is opgenomen in het MER kan het milieubelang volwaardig meegewogen worden in de besluitvorming.
89
1.2 Het Milieueffectrapport Voorliggend MER beschrijft de milieueffecten van het tracé van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen het 380 kV- hoogspanningsstation Rilland en het nieuw te bouwen 380 kV- hoogspanningsstation Tilburg. Het MER bestaat uit een aantal rapporten die verschillende aspecten van het MER in verschillende diepgang behandelen. Het Hoofdrapport van het MER beschrijft de hoofdlijnen van het project en geeft de (milieu)informatie die essentieel is voor de besluitvorming. Er zijn vier deelrapporten opgesteld waarin informatie die in het Hoofdrapport is opgenomen in meer detailniveau wordt beschreven: 1. Deelrapport 1 beschrijft de verschillende tracés die voor de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Rilland Tilburg die in 2017 zijn ontwikkeld, inclusief hun milieueffecten. In dit deelrapport wordt ook ingegaan op de meest milieuvriendelijke tracés die zijn ontwikkeld. 2. In 2017 is het Voorgenomen tracé voor de nieuwe verbinding bepaald. In Deelrapport 2 staat dit tracé centraal, inclusief de milieueffecten hiervan. Dit deelrapport gaat ook in op mogelijke optimalisaties van het tracé. 3. In Deelrapport 3 staat het Voorkeursalternatief met de milieueffecten hiervan centraal. 4. Deelrapport 4 betreft de Passende Beoordeling die is uitgevoerd. Het Hoofdrapport en de Deelrapporten omvatten veel informatie.
Daarom is een Samenvatting opgesteld die het Voorkeursalternatief en de milieueffecten hiervan kernachtig beschrijft. Onderstaand schema geeft de opbouw van het MER weer, met de onderwerpen die in de verschillende deelrapporten aan de orde komen. Samenvatting Hoofdrapport
Deelrapport 1
Deelrapport 2
Deelrapport 3
Deelrapport 4
De Essentie van het MER
Tracéalternatieven
Het voorgenomen Tracé
Het voorkeursalternatief
Passende beoordeling
• Inleiding
• Inleiding
• Inleiding
• Inleiding
• Inleiding
• Nut en Noodzaak
• Ontwerpproces
• Voorgenomen Tracé
• Voorkeursalternatief
Deel A: Passende
• Voorgenomen activiteit
• Alternatieven en varianten
- Totstandkoming
- Totstandkoming
beoordeling Wet
- Tracé
- Mastkeuze
natuurbescherming
- Milieueffecten
- Tracé
• Aanwezigheid kwalificerende natuurwaarden
• Voorkeursalternatief - Totstandkoming - Tracé • Milieueffecten - Leefomgevingskwaliteit - Landschap en cultuurhistorie - Natuur - Bodem en water - Archeologie - Ruimtegebruik • Tijdelijke verbindingen • Passende Beoordeling • Mitigerende maatregelen
- Blauw - Geel - Paars - Rood • Milieueffecten - Leefomgevingskwaliteit - Landschap en cultuurhistorie - Natuur - Bodem en water - Archeologie - Ruimtegebruik • Aansluiting deelgebieden • Meest milieuvriendelijk Alternatief